Skip to main content

Full text of "Katholieke Encyclopaedie deel 4"

See other formats


www.stilus.nl 



DE KATHOLIEKE 
ENCYCLOPAEDIE 

VIERDE DEEL 


[) 

vv 






N.V. UITGEVERSMIJ 
JOOST V. D. VONDEL 
AMSTERDAM 
19 3 3 




DE KATHOLIEKE 
ENCYCLOPAEDIE 


EVULGETUR 

NOVIOMAGI DIE Ia DECEMBRIS 1933 
PROF. DR. TITUS BRANDSMA O. CARM. 
CENSOR AD HOC DEPUTATUS 


9 


Barokliteratuur— Barometer 


10 


Barokliteratuur is de naam, dien men, sinds 
het algemeen eerherstel van den Barokstijl (± 1900), 
vooral in Duitschland graag geeft aan de letterkundige 
productie der 17e en 18e eeuw, in tegenstelling tot 
de zuiver Renaissancistische en tot de middel- 
eeuwsch-Gotische. Chronologisch ietwat vroeger te 
stellen dan het plastisch Barok, vertoont de B. lit. 
vrijwel gelijke stijlkenmerken: drukte, bontheid, felle 
bewogenheid, o ververs ierdheid, pathetiek in gebaar 
en houding, gebrek aan innerlijke harmonie; toege- 
sp itsten antithesenstijl; voorliefde voor zorgvuldig uit- 
gewerkte, tot allegorieën georganiseerde vergelijkingen. 

De door haar geliefkoosde genres zijn: drama ( Jezuïe- 
tentoneel en Vondel!), epigram (Logau en Huygens), 
roman (Simplizissimus, Amadisromans, 1’Astróe, 
Joh. van Heemskerk, enz.) en een lyrische poëzie, 
waarin de heftige worsteling van aardsch en hemelsch 
in den mensch sterk contrasteerend wordt uitgezegd 
(von Spee, Angelus Silesius, J. Balde en bij ons 
Joh. Luykcnl). 

Lit.: F. Strich, Der lyrische Stil im 17. Jh., in 
Munckerband (München 1916, 21 vlg.) ; G. Brom, Barok 
en Romantiek (1923); Cysarcz, Deutsche Barock- 
dichtung (Halle 1924); Stammlcr-Merker’s Reallexikon 
(I 1926, 111 vlg.); G. Müller in Walzel’s Handbuch 
der Literatur-wissenschaft (Wildpark-Potsdam 1930). 

Baur. 

Barometer (< Gr. baros = zwaarte, metron = 







Fig. 1. 



Fig. 2. 




Fig. 3. 


maat), toestel om de grootte van den luchtdruk te 


meten, uitgevonden door Torricelli in 1643, terwijl 
Boyle er den naam aan gaf. Men meet den luchtdruk 
ófwel door de hoogte te bepalen van een vloeistof- 
kolom, die met den luchtdruk evenwicht maakt, 
ófwel door de kracht te meten, die de zwaarte van de 
lucht uitoefent op een niet-vloeistof, gewoonlijk 
een elastisch metalen lichaam. 

1 0 Voor den vloeistof-barometer 
kan men in principe elke vloeistof gebruiken. Zoo 
maakte Otto von Guericke in 1660 gebruik van een 
waterkolom, waarvan de top boven het dak van zijn 
huis uitstak. Ook zijn nog glycerine-barometers in 
gebruik, maar over het algemeen blijft de kwik- 
barometer van Torricelli het aangewezen instrument 
(kwik hoog soortelijk gewicht, dus korte buizen, 
en andere voordeelen). De hoogte van een kwikzuil 
van 0° en normale zwaarte is de „barometerstand”. 
Als normale barometerstand aan den zeespiegel geldt 
76 cm. 

Wat den vorm betreft 
onderscheidt men de vloei- 
stof-barometers in bak- en 
hevelbarometers. De bak- 
b ar om eter (fig. 1), 
eigenlijk niets anders dan een 
van een schaalverdeeling 
voorzien toestel van Torri- 
celli, bestaat uit een ca. 80 
cm lange glazen buis, van 
boven gesloten, met lucht- 
vrij kwik gevuld, en met het 
open ondereinde uitmondend 
in een bakje met kwik. De 
ruimte boven het kwik is 
het zgn. luchtledig van Tor- 
ricelli. De hoogte van de 
kwikkolom , tot aan het kwik- 
niveau in het bakje gemeten, 
geeft de grootte van den 
luchtdruk in cm kwik aan. 

Het bezwaar, dat het nul- 
punt van de schaal niet 
steeds ligt in het vlak van 
het kwikniveau, wordt on- 
dervangen bij den bakbaro- 
meter van F o r t i n (fig. 

2). Bij dit toestel is de bo- 
dem van den bak van leer. 

Door een schroef kan deze 
bodem en daarmee het 
kwikniveau hooger en lager 
gesteld worden, totdat de 
kwikspiegel juist raakt te<?en 
de punt van een glazen stift. 

Deze punt geeft het nulpunt 

aan voor de aflezing. Ook is deze barometer beter 
voor transport geschikt. 

De hevelbarometer (fig. 3), reeds in 
1694 door Boyle geconstrueerd, bestaat uit een 
omgebogen glazen buis met een gesloten lang en een 
open kort uiteinde. Het hoogteverschil tusschen de 
beide toppen der kwikkolommen geeft den barometer- 
stand. 

Een combinatie van bak- en hevel -barometer, de 
bak - hevelbarometer, werd vervaardigd 
door Wild en Fuess. 

De combinatie van kwik met een andere, lichtere 
vloeistof biedt de mogelijkheid den barometerstand 



Fig. 4. 




11 


Barometer 


12 


duidelijker zichtbaar te maken, zonder de voor- 
deelen van het kwik op te offeren. Een der oudste 
barometers, waarbij van meer dan één vloeistof gebruik 
gemaakt wordt, is de contra-barometer 
van H u y g e n s> 1672 (zie fig. 4), een hevelbaro- 
meter, waarvan het korte been een dun verlengstuk 
heeft, gevuld met een lichte, gekleurde vloeistof. 
Is de doorsnede van het verlengstuk n maal zoo klein 
als die van het bovenste en onderste vat, en is het 



Fig. 5. 

soortelijk gewicht van de toegevoegde vloeistof s maal 
zoo klein als dat van kwik, dan geeft deze barometer 
een verandering aan ter grootte van y=nsx/(2s-f-n — 1), 
als de barometerstand met bedrag x varieert. 

2° Voor dagelijksch gebruik, transport enz. biedt 
elke vloeistof -barometer bezwaren. L. V i d i con- 
strueerde in 1847 den eersten > a n e r o ï d e - ( ^ Gr. 
a = niet, neros = vochtig) barometer (niet-vloeistof- 
barometer), waarvan de handige vorm een groot voor- 
deel beteekent t.o.v. den kwikbarometer, die het 



Fig. 6. 


•echter in nauwkeurigheid blijft winnen. De groep 
van deze barometers, uit dun elastisch metaal ver- 
vaardigd, berust op het beginsel van de veerbalans. 


Het veerkrachtig lichaam bestaat ófwel uit een of 
meer luchtledige doozen van koper- of nieuwzilverblik 
(Vidi, Naudet, Goldschmidt, Becker), ófwel uit een 
luchtledige, cirkelvormig gebogen buis met dunne 
wanden (Bourdon). De veranderingen in den luchtdruk 
geven vormveranderingen aan bet elastisch lichaam, 
welke vergroot worden overgedragen op de beweging 
van een wijzer, die loopt over een schaalverdeling, 
met een kwikbarometer geijkt. Zeer bekend en alge- 
meen in gebruik Ls de holosteric (( Gr. holos = geheel, 
stereos vast) van Vidi (fig. 5). Een stelsel van 
bijna luchtledige, luchtdicht afgesloten doozen met 
gegolfd oppervlak deelt de vormveranderingen mede 
aan een veer; een stel hefboompjes komt dan in 
werking, waardoor aan een fijn kettinkje getrokken 
wordt en de wijzer in beweging komt. Bij den b. van 
Bourdon (fig. 6) ondervindt bij druk vergroot ing 
het grootere buitenoppervlak van den ring een grootere 
kracht dan het kleinere b innenoppervlak, zoodat de 
uiteinden van de gebogen buis elkaar naderen en den 
wijzer in beweging brengen. 



Bij alle aneroïde -barometers is ijking met een 
kwik -standaardbarometer noodzakelijk. 

3° Het is dikwijls, en zeker in de meteorologie, 
van belang het gcheele verloop van den barometer- 
stand te kennen. Men heeft daartoe zelfregis- 
treerende barometers of barografen 
(< Gr. graphein = schrijven) geconstrueerd (vooral 
ook gebruikt voor hoogtemeting). Het gemakkelijkst 
kan men deze registreer-inrichting bij de aneroïde-b. 
aanbrengen. Fig. 7 stelt voor de bekende barograaf 
van R i c h a r d. De bewegingen van de doozen 
worden door hefboomen overgebracht op een wijzer, 
die het verloop van de veranderingen in den luchtdruk 
opteekent op coördinatenpapier, waarmee een door 
een uurwerk gedreven cylinder omwikkeld is. De 
geteekende figuur heet bar o gram (zie in fig. 7). 

Ofschoon met meer moeite, heeft men ook den 
lieve Ibarometer tot barograaf kunnen inrichten. Een 
schrijfstift, bevestigd aan een vlotter, teekent de 
stijgingen en dalingen van den kwikmeniscus aan 
(Ozcromak; Fuess). De hefboom -barograaf, reeds 
in 1857 door S e c c h i gebruikt, is door Sprung 
en Fuess technisch verbeterd tot de loop- 
gewicht -barograaf, die aan nauwkeurigheid en 
betrouwbaarheid niets te wenschen overiaat. De 
barometer hangt aan den korten arm van een hefboom, 


13 


14 


Barometerformule van Laplace — Barometrisch maximum 


terwijl over den langen arm een loopgewicht in den 
vorm van een wagentje loopt. De gewichtsverande- 
ring van de hoeveelheid kwik in de baronieterbuis 
wordt geregistreerd door het loopgewicht, waaraan 
een schrijfstift bevestigd is, en wel doordat een elec- 
trisch uurwerk het loopgewicht zóó heen en weer 
beweegt, dat de hefboom steeds in evenwicht blijft. 
De verhouding van de armen van den hefboom is 
zoo gekozen, dat de veranderingen van den barometer- 
stand 6 a 10-voudig vergroot opgeteekend worden. 

Dat de luchtdruk afhangt van de hoogte der zich 
boven ons bevindende luchtzuil en dus bij stijgen 
afneemt, volgde onmiddellijk uit de proef van Torri- 
celli en bracht reeds in 1648 Pascal op het denkbeeld 
om den barometer als hoogtemeter te gebruiken. 
Deze barometrische hoogtemeting, die wat nauwkeurig- 
heid betreft bij de waterpassing aanmerkelijk achter- 
staat, biedt dikwijls, met name bij ontdekkingsreizen, 
de eenige mogelijkheid om de hoogte te bepalen. In 
de eerste luchtlagen correspondeert met 1 mm daling 
van den kwikbarometer een stijging van ongeveer 
10,5 m. Daar echter het soortelijk gewicht van de 
lucht bij stijging kleiner wordt, nemen de barometer- 
hoogten bij gelijke stijgingen in een meetkundige 
reeks af. 

Daar behalve de luchtdruk ook de vochtigheids- 
toestand. de temperatuur, en de windrichting, -kracht 
en -snelheid tot de elementen van een weervoorspelling 
belmoren, wordt de barometer wel eens te spoedig 
tot weerglas gepromoveerd. Een enkele tik is nog niet 
voldoende. Maar een stijging of daling van langeren 
duur rechtvaardigt het vermoeden van beter of slechter 
weer. 

Onder barometerproef verstaat men een hevel- 
barometer, waarvan het lange gesloten been verkort 
is en die dienst doet om kleinere drukkingen te meten. 
Het gesloten been is geheel met kwik gevuld en het 
open korte been van de omgebogen buis wordt verbon- 
den met de ruimte, waarvan men den druk wil bepalen. 
Het kwik daalt nu in het gesloten been zoo ver omlaag, 
tot de kwikzuil evenwicht maakt met den druk in het 
apparaat* Ier Heerdt. 

Barometerformule van Laplace. Aldus 
wordt genoemd de formule H=K (1 -f a t) log B/B'. 

H is hoogteverschil tusschen de beide vergelijkings- 
vlakken; B en B' zijn de op nul herleide barometer- 
standen in de beide vergelijkingsvlakken ; K is coëffi- 
ciënt, voor Nederland ongeveer 18484. Voor (1 + a t) 
> Boy le, Wet van. 

Barometerhoogtc is de luchtdruk in milli- 
meter kwikhoogte aangeduid. > Barometer. 

Barometerproef, > Barometer. 

Baromcterschaal. Zij is nog algemeen in 
millimeter kwikhoogte verdeeld, volgens de 
hoogte van de verticale kwikzilverkolom van den 
barometer. Sinds de absolute maat voor den luchtdruk 
werd ingevoerd (1910), is de b. soms in m i 1 1 i b a r 
(afkorting mb) verdeeld. 1 000 mb = 750,1 mm kwik- 
hoogte; 1 mb = 3/4 mm kwikhoogte. 

Baromctcrschommeling, dagelijk- 
sche, enjaarlijksche, > Luchtdruk. 

Barometerstand, ook barometerhoogte, is de 
waarde van den luchtdruk, in mm kwikhoogte of in 
millibar uitgedrukt, welke ergens, op een gegeven 
oogenblik, door een barometer wordt aangewezen. 

Barometrische depressie, ook barome- 
trisch minimum of > cycloon van de gematigde en 
koude luchtstreken der aarde. 


Barometrische druk, of luchtdruk, wisselt 
in de lagere regionen van onze atmosfeer te weinig 
om invloed op onze gezondheid uit te oefenen. Op 
hooge bergen kan de lage dnik de zgn. bergziekte 
veroorzaken. Op 5 000 m brengt iedere ademhaling 
slechts de helft der normale hoeveelheid zuurstof 
in de longen; de luchtdruk is daar 400 mm in plaats 
van 760 mm. Loomheid in de beenen is het eerste 
verschijnsel van bergziekte, dat bij rust verdwijnt, 
maar bij beweging door hoofdpijn, misselijkheid en 
duizelingen wordt gevolgd. De Etna (3 300 m) is 
in dit opzicht bij bergbeklimmers berucht. Door 
oefening en bij langdurig verblijf kan men zich, mits 
niet te oud, aan groote hoogten aanpassen. In het 
Himalajagebergte wonen op 4 500 m nog menscheri. 
Hooge druk, 50 mm boven het normale, komt in diepe 
mijnen voor; in duikerklokken zelfs tot 3 at (Caisson- 
ziekte). Daarbij kan het gehoor lijden en longuitzet- 
ting en — bij plotselingen overgang tot normalen 
druk — zelfs levensgevaar ontstaan. Meer dan 5 at 
verdraagt de mensch niet; dieper dan 50 m onder 
water kan men niet onbeschut af dalen. De b. d. wordt 
in het algemeen met behulpvan een barometer gemeten. 

Lit. : Carl Pfügge, Grundriss der Hygiene (1927). 

Droog. 

Barometrische golf, > Luchtdruk. 

Barometrische gradiënt, > Gradiënt. 

Barometrische hoogtebepaliiig is een 

vlugge, maar betrekkelijk onnauwkeurige methode 
om de hoogte van een punt in het terrein te bepalen. 
Zij wordt gebruikt bij voorloopige opnemingen, ter 
oriënteering. Men gebruikt gewone metaalbarometers 
(aneroïden). 

De barometerstand B wordt afgelezen 
in een punt van bekende hoogte en in het te meten punt. 
Het best gebeurt dit met twee barometers, waarvan 
een, in het vaste pimt opgesteld, bijv. om de 10 minu- 
ten wordt afgelezen; de andere wordt dan afgelezen 
op de te meten punten en tevens wordt de tijd van de 
waarneming genoteerd. Minder nauwkeurig is het 
werken met één barometer. Men moet hiermede 
geregeld naar het vaste punt terugkeeren om den 
vergelijkmgsbarometerstand te bepalen. Heel goed 
voldoet ook een registreerende baro- 
meter (b a r o g r a a f) in het vaste punt. Ook de 
temperatuur moet geregeld en bij iedere waarneming 
beke?id zijn. De berekening van het hoogteverschil 
geschiedt volgens de formule van Laplace: 
h = K (1 + at) log (B/B'), waarin B en B' de afle- 
zingen (op 0° C herleid) in het vaste en in het te meten 
punt, en t de temperatuur voorstellen. K is een con- 
stante en bedraagt 18404, a eveneens en wel de uit- 
zettingscoëfficiënt voor gassen: 1/273 of 0,00366. 
Een nauwkeurige formule houdt rekening 
met geographische breedte (verandering van de 
zwaartekracht), vochtigheid der lucht (soortelijk 
gewicht!) en de verandering van de zwaartekracht met 
de hoogte. Voert men hiervoor de gemiddelde waarden 
voor den zomer in Nederland in, dan wordt de con- 
stante K in bovenstaande formule 18484. 

De nauwkeurigheid der bepaling bedraagt hoogstens 
1 m. Zie verder > Hoogtemeting. 

L i t. : Ch. M. Schols, Landmeten en Waterpassen 
( 9 1919).‘ Jong . 

Barometrisch maximum, of centrum van 
hoogen druk, is het middelpunt van een > anticy- 
cloon, waar de luchtdruk maximaal is. B. m. duidt 
soms den geheelen anticycloon aan. 


15 


Barometrisch minimum — Baronzio 


16 


Barometrisch minimum of centrum van 
lagen druk is het middelpunt van een cycloon of 
depressie, waar de luchtdruk minimaal is. B. m. duidt 
soms den geheelen cycloon aan. 

Baron, adellijke titel, naar oud adelsrecht in de 
Nederlanden alleen gevoerd, wanneer aan dien titel 
een heerlijkheid verbonden was, voorzien van den titel 
van Baronie. Verkreeg een onadellijke zoo’n heerlijk- 
heid, dan verviel de titel aan den vorst. Als regel 
vererfde de titel bij recht van eerstgeboorte in manne- 
lijke lijn; nageboren zonen en dochters waren onge- 
titreerde edellieden: Ecuyer, Noble, Schildknaap, 
Jonker, Edelman, Edelvrouw. Deze regel gold ook in 
Engeland en in Frankrijk, terwijl in het Heilige 
Roomsche Rijk de titel overging op alle afstamme- 
lingen (creaties zonder daaraan verbonden land). 
Kon. Willem I heeft de vererving bij recht van eerst- 
geboorte weer ingevoerd bij verheffing in den Ned. adel. 

E. v. Nispen tot Sevenaer . 

Baron, 1° mgr. E d w a r d, vicaris-generaal 
van mgr. Kenrich, bisschop van Philadelphia (V.S. 
Amerika). Werd naar Afrika gezonden om er de uit 
Amerika gerepatrieerde zwarten te gaan bezoeken 
(1841). Paus Gregorius XVI benoemde hem tot apost. 
vicaris van de twee Guinee ’s (Westkust van Afrika, 
van Senegal tot de Kaap, met uitzondering van het 
bisdom Loanda). Met zeven paters van den Eerbiedw. 
Liebermann ving mgr. B. zijn apostelwerk aan (1843). 
Wegens het moordend klimaat verzocht hij den 
II. Stoel zijn missiewerk toe te vertrouwen aan een 
Congregatie. In 1845 werd de Congregatie der Paters 
van den H. Geest en van het H. Hart van Maria met 
de zielzorg op de W. Afrikaansche kust belast. 

Lit. : p. Dieudonné Rinchon O. Cap., Les Mission- 
naires beiges au Congo (Brussel 1931). Vanneste. 

2° M i c h e 1, Fransch acteur, * 7 Oct. 1663 te 
Parijs, f 22 Dec. 1729 aldaar. Zeer jong wees geworden, 
trad B. op 12-jarigen leeftijd voor het eerst op bij de 
Compagnie des petits Comédiens Dauphin. Molière, 
die het buitengewone talent van den knaap ontdekte 
en hem zeer genegen was, nam hem in zijn tooneel- 
gezelschap op. De intriges van Molière ’s bitter jaloer- 
sche vrouw noopten B. echter tot heengaan. In 1670 
te Parijs teruggekeerd, trad hij weer tot Molière ’s 
gezelschap toe en wist nu zelfs de liefde van diens 
vrouw op te wekken. Na het overlijden van den meester 
trad B. op in het Hotel de Bourgogne en de Comédie 
fran$aise. Schoonheid en talent maakten hem tot den 
meest gevierden tooneelspeler van zijn tijd. Bij een 
wederoptreden op ouderen leeftijd, in 1720, na zich 
bijna 30 jaar lang teruggetrokken te hebben, bleek 
zijn gave nog even groot, zijn succes even storm- 
achtig. 

Van zijn literair werk heeft zich het in 1686 geschre- 
ven blijspel L’homme a bonnes fortunes bijzondere 
bekendheid verworven. 

Andere werken: Le jaloux ; La coquette ; 

Le coquet trompé ; Les Adelphes. — Lit.: Young, 
M. B., acteur et auteur dramatique (Grenoble 1904, 
Parijs 1905). v. Thienen. 

3° Theodore, Belg. landschapschilder; * 1840 
te Brussel, f 4 Sept. 1899 te Saint-Servan bij Namen. 
Leerling van de la Charlcric en L. Dubois. Schilderde 
duin- en rivierlandschappen. Wel overwogen compo- 
sitie. De schilder van de grijze stemmingen in het 
landschap. Zijn werk oefende grooten invloed uit op 
de latere landsckapmeesters. 

Werken: in de musea te Brussel, Antwerpen, 


Bergen, Luik, Namen, enz. — Lit.: Lemonnier, L’école 
beige de peinture. 

4° V i n c e n t, Fransch theoloog uit de Domini- 
canerorde. * 1604, f 1674. B. was een der voornaamste 
bestrijders van de Fransche dominees. Bovendien 
ijverde hij voor een meer strenge richting in de moraal- 
theologie, waarbij hij echter te ver ging en eenige 
van zijn werken veroordeeld zag. 

Lit.: P. Mandonnet, in : Dict. Théol. Cath. (II, 425). 

Baroncclli, N i c c o 1 6, Florentijnsch beeld- 
houwer uit de eerste helft van het quattrocento, 
ook genaamd Niccolb d e 1 C a v a 1 1 o. * te Florence, 
wordt in 1434 te Padua vermeld, f 1453. De eenige 
zekere werken, die bewaard gebleven zijn: de meer 
dan levensgroote bronzen figuren (kruisigingsgroep) 
in den dom "te Ferrara. Het paard, dat B. beeldhouwde, 
voor het ruiterstandbeeld van Niccolo III d’Este 
(1451), is met figuur van Antonio Cristoforo door de 
Franschen in 1716 vernield. 

Lit.: A. Venturi, Storia dell* Arte Italiana (VI 
Milaan 1908) ; G. Fiocco, Riv. d’Arte (1929, 439-448). 

Barones Veron ica, mystiek begenadigde, 
lid van de derde orde der Kapucijnen. * 16 Dec. 1856 
te Vizzini (Sicilië), f 5 Jan. 1878 aldaar. Zij was een 
voorbeeld van blinde gehoorzaamheid aan haar gees- 
telijken leider, en leidde een leven, rijk aan mystieke 
genadegaven. Lijden en vernedering in allerlei vormen 
was haar deel. De laatste zeven jaren leefde zij slechts 
van de H. Eucharistie. 

Baronial architecture, > Engelsche bouw- 
kunst. 

Baronie van Breda, Breda, Baronie van. 

Baronius, C e s a r e, kerkelijk geschiedschrij- 
ver, bezat den vromen geest van zijn leermeester 
Philippus Neri. * 31 Oct. 1538 te Sora, f 30 Juni 
1607 te Rome; trad op 19-jarigen leeftijd in de orde 
der Oratorianen, werd bibliothecaris van de Vaticana, 
kardinaal (1696). 

Voornaamste werk: Annales Ecclesiasticae, onder- 
nomen als tegenhanger van de ■> Magdeburger Cen- 
turiatoren. Berust op een uitgebreid onderzoek in de 
Romeinsche archieven. Eerste deel verschenen in 1588 
te Rome. In het elfde deel komt voor het Tractatus 
de monarch ia Sicula, waardoor een conflict ontstond 
met Philips II van Spanje, die de uitgave ervan in 
zijn staten verbood. Het twaalfde deel verscheen in 
1607 en is reeds gedeeltelijk van een andere hand. Om 
de ingelaschte documenten zijn B.’s Annalen van het 
hoogste belang, maar in zijn ijver om de Protes- 
tantsche voorstelling te weerleggen gaat hij somwijlen 
oncritisch te werk; ook zijn chronologie is vaak onbe- 
trouwbaar, hetgeen samenhangt met den eigenaard igen 
vorm van zijn werk. Het werd voortgezet door Ray- 
naldi, Bzovius, Laderchi en Theiner (tot in 1590). B. 
w r as de voornaamste medewerker aan de uitgave van 
het Martyrologium (1586). 

Lit.: A. Kerr, The life of Cesare Cardinal B. of the 
roman Oratory (Londen 1890) ; H. Laemer, De Caesaris 
Baronii literarum coramercio diatriba (Freiburg i. B. 
1903) ; Dict. Hist. Géogr. Ecclés. Elias . 

Baron Sakènclèr, een bekend boek der > 
Javaansche literatuur. 

BaronvilJe, Belg. gein., prov. Namen, ten Z. van 
Dinant, 200 inw., grootendeels Kath.; opp. 657 ha; 
landbouw. 

Baronzio, G i o v a n n i, Italiaansch schilder 
uit Rimini (14e eeuw). Documenten betreffende het 
leven van B. zijn niet bekend. Twee gesigneerde en 
gedateerde werken (een crucifix op paneel te Pesaro 


17 


Baros — Barrande 


18 


in S. Francesco a Mercatello en een polyptiek in het 
museum te Urbino, resp. van 1344 en *45) toonen ons 
een meester in het gevolg van Giotto, echter met per- 
soon lijke accenten, vooral in compositie, houding der 
figuren en in kleur. Zijn invloed op de schilderkunst 
in de Romagna en de Marken is groot geweest. Volgens 
stijlovereenkomst heeft men B. nog een fresco toege- 
schreven in S. Nicola in Tolentino en eenige paneelen 
in Berlijn (Kaiser Friedrich Museum). 

L i t. : R. van Marle, The development of the Italian 
schools of painting (IV 1924) ; L. Serra, L’arte nelle 
Marche (Pesaro 1929). A. B. de Vries. 

Baros, plaats op Sumatra, > Baroes. 

Barosnia (plant k.), het belangrijkste ge- 
slacht der Diosmeae, behoort tot de Rutoideae, een 
onderfamilie van de ruitachtigen, Rutaceae. Dit 
geslacht omvat 15 struikachtige soorten. Sommige 
soorten en wel speciaal B. cremulatum, B. 
betulinum en B. serratifolium, 
leveren de „bucco” bladeren, welke, hoewel vroeger 
meer dan thans, als geneesmiddel werden aangewend 
voor nier- en blaasziektcn Zuid-Afrika heeft nog 
eenigen uitvoer van dit artikel. Bouman. 

Ba ross, G d b o r, Hong. staatsman, * 1848, 
f 1892. Achtereenvolgens: lid van liet Huis van Afge- 
vaardigden, staatssecretaris van verkeer, minister 
van verkeer. In deze hoedanigheid reorganiseerde hij 
post- en tclegraafwczen en bracht de spoorwegen aan 
den staat. 

Baro-fhermo-hygrograaf of meteorograaf, 
is een zelfregistreerend toestel, dat gelijktijdig op 
één blad, de luchtdruk, -temperatuur en -vochtigheid 
toekent. Wordt vooral tot aërologisch onderzoek van 
den dampkring gebruikt. 

Barotropiscli. In de meteorologie 
wordt een luchtmassa b. genoemd, wanneer de vlakken 
van gelijke dichtheid, of die van gelijk soortelijk 
volume met de vlakken van gelijke drukking over- 
eenkomen. Cf. baroclinisch. 

L i t. : V. Bjerknes, On the dynamics of the circular 
vortex (Oslo 1912). 

Barotse, landstreek in Midden -Afrika, besproeid 
door de boven -Zambesi, in liet grensgebied van West- 
Rhodesia en O. Angola; vruchtbaar hoogland, be- 
woond door Bantoe -negers, die leven van landbouw 
en veeteelt. 

Barovier (of Berroviero, Baroverio, Barroero of 
Berovier) is de naam van een familie van kunstglas- 
werkers uit Murano (Italië), welke meestal voor 
Venetië werkzaam waren en veel bijdroegen tot den 
roem van het zgn. Venetiaansche glas. In de 14e eeuw 
komt het eerst de naam voor: Bartholomaeus 
de Muriano fiolarius principalis (1348). Zijn kleinzoon 
Angel o(ong. 1400— 1460), welde meest vermaarde, 
werkte voornamelijk voor de kanselarij van het Pa- 
triarchaat van Venetië. In 1459 nam Marino de 
leiding van zijns vaders werkplaats en glasovens over; 
na hem zijn zeer kundige zuster M a r i e 1 1 a, samen 
met zijn derden broer G i o v a n n i. Marietta kreeg 
in 1497 van Agostino Barbarigo, doge van Venetië, 
verlof een eigen oven te beginnen en wel „ob eius 
mirum artificium manus”. Veel produceerde de klein- 
zoon van Angelo, Anzoletto (begin 16e eeuw). 
Na een langen tijd van verval bracht op aansporen 
van Antonio Salviati, een lid der familie, G i o v a n- 
n i , voordien een eenvoudig flesschenblazer, in 1860 
met zijn neven Benedetto, Benvenuto 


en Giuseppe den naam van zijn geslacht weer 
opnieuw omhoog. 

L i t. : Moschini, Guida por Pisola di Murano (1808) ; 
Levi, L’arte del vetro in Murano nel Rinascimento e i 
Berroviero. Note storiche (1895) ; Filarete, De Architec- 
tura (uitg. Von Oettingen, in Quellenschriften für Kunst- 
geschichte, 1910, 302 en 361 vlg.) ; Schmidt, Die venezi 
anischen Emailglaser des XV. und XVI. Jahrh., in 
Jahrb. der K. Preuss. Kunstsammlungen (32, 1911, 
249 vlg.). Knipping. 

Baroxyton, koperen blaasinstrument, in 1853 
voor het eerst gemaakt door Cerveny in Königgratz. 
De b. heeft den grooten omvang van contra D tot a 
ééngestreept. 

Baroya y Nessi, R i c a r d o, Spaansch schil 
der en graveur: landschappen, stadsgezichten. Schreef 
ook enkele drama’s en romans. * 1871 te Minas de 
Riotinto. 

Barozzi, J a c o p o, > Vignola. 

Barr, stad in het dept. Bas-Rhin (Fr., 48° 50' N., 
7° 30' O.), 200 m boven zee; 4 200 inw. (1926); aan den 
Oostkant van de Vogezen; wijnbouw, leer. 

Barraban, J a c q u e s, Fransch schilder 
* 1767 of 1768 te Aubusson, f 1 Oct. 1809 te Lyon. 
Leerling van Malaine. 1798 — 1806 stuurde hij ont- 
werpen voor porseleinschilderingen in op de tentoon- 
stelling van den Parijschen Salon. 1804 bekroond met 
de gouden medaille. Hij schilderde bloemen en vogel- 
motieven in den decoratieven stijl van het Klassi- 
cisme. Werkte niet alleen voor de fabriek te Sèvres, 
maar ook voor de gobelinfabriek. Ook werkzaam als 
decorateur van interieurs, soms in navolging of onder 
invloed van Percier. Versierde o.a. de eetzaal in het 
kasteel van St. Cloud. Illustreerde ook boeken, o.a. 
een uitgave van Buffon’s Histoire Naturelle. 1807 
leeraar aan de teekenacademie to Lyon. 

L i t. : Gabet, Dict. des artistes ; Bénézit, Bellier- 
Auvray, Dict. gén. des artistes. 

Barracas, voorstad en haven van Buenos Aires 
in Argentinië (Z.Amcr.). 

Barradeel, gem. in het zeekleigebied van de 
prov. Friesland, ten N.O. van Harlingen, groot 
6 112 ha en omvattende de dorpen Minnertsga, Fird- 
gum, Tzummarum, Klooster-] Jdlum, Oosterbiemm, 
Sexbierum, Pietersbierum, Wijnaldum en Almenum. 
De secretarie is in Sexbierum. De gem. wordt door- 
sneden door de spoorlijn Harlingen — Tzummarum — 
Stiens — Leeuwarden. Op 1 Jan. 1933: 8 081 inw. De 
weinige Kath. behooren tot de parochies Harlingen 
en Franeker. Middelen van bestaan: land- en tuin- 
bouw en veeteelt. Plannen om een deel van B. bij 
Harlingen te voegen verkeeren (1933) in gevorderd 
stadium. van der Meer . 

Barra do Pirahv, s t a d in Brazilië (Z.Amer.), 
22° Z., 44° W.; 16 300 inw. Het b i s d o m, suffr. 
van Rio de Janeiro, telt 60 000 Kath. 

Barra do Rio Grande (C i d a d e da B.), 
stad in den staat Bahia, Zuid-Brazilië, gelegen aan 
de monding van de Rio Grande in de S. Francisco 
Rivier; 6 000 inw. Het bisdom B., suffr. van 
Bahia, telt ± 300 000 Kath. 

Barra-eilanden, een groep eilanden, tezamen 
57 km 2 , behoorend tot de Zuidelijke Hebriden (56° 56' 
N., 7° 34' W.). 

Barramoenda, > Ceratodus. 

Barrancos, de door erosie teweeggebrachte 
radiale voren in den uit losse gesteenten bestaand en 
buitenmantel van een vulkaan, 

Barrande, J o a c h i m, Fransch palaeontoloog, 


19 


Barrandeocrinus — Barrès 


20 


* 1799 te Saugues (Hauto Loire), f 5 October 1883 te 

Schlosz Froszdorf. Barrande begon zijn loopbaan als 
onderwijzer. Hierna vestigde bij zich te Praag en 
bestudeerde de geologie en palaeontologie van het 
Boheemse!) massief. Hij maakte een zeer nauwkeurige 
studie van de stratigraphie der Siluurformatie, terwijl 
hij over de trilobietenfauna belangrijke publicaties het 
licht deed zien. Zijn voornaamste werk is: Svstème 
silurien du centre de la Bohème. Hofsteenge. 

Barrandeocrinus, > Haarster. 

Barraiiquilla , hoofdstad van het dept. Atlantico. 
rep. Columbia (Z.Amer.), aan de monding van de 
Magdalcnarivier. 65 000 inw. Zeer belangrijke handels- 
plaats. Spoorlijn van B. naar Sabanilla en Puerto 
Columbia voor overlading der goederen, daar de mon- 
ding der Magdalena -rivier ondiep is. 

Barras, > Galipot. 

Barras, Paul Frangois Nicolas, 
v i c o m t e de, Fr. staatsman; geldzuchtig genot- 
mensch, uit eigenbelang tot alles in staat. * 30 Juni 
1755 te Fox uit adell. familie, f 29 Jan. 1829 te 
Chaillot. Vóór 1789 militair, werpt zich daarna in de 
revolutie, om fortuin te herstellen; lid van de Consti- 
tuante, Nat. Conventie, régicide; toont zich in Toulon 
cn Marscillc ccn wreed représentant en mission; 
werkt mee aan den val van Robespierre en blijft daarna 
tot 1799 de onbekwame leider van het Directoire. 
B. belast Napoleon met demping van het oproer van 
vendémiaire, bemiddelt diens huwelijk met Joséphine 
en bezorgt hem het commando in den Ital. veldtocht. 
Tegen de., royalisten” organiseert hij den staatsgreep 
van fructidor, maar onderhandelt tegelijkertijd met de 
Bourbons, om bij moge lijk herstel van de monarchie 
eigen positie te verzekeren. Na > brumaire is zijn 
politieke rol uit; door Napoleon uit Parijs verbannen. 

L i t. : Mémoires (uitg. Duruy, Parijs 1895). 

Barraull, E m i 1 e, professor te Sorège, een der 
latere leden der school van Saint-Simon, maakte 
vooral studie omtrent de ontwikkeling der schoone 
kunsten; stichtte een landbouwkolonie te Algerië. 

* 1802. f 1869. 

Werk: Le Christ (1865). — L i t. : Quack, Socia- 
listen, Personen en stelsels (III). 

Barre, Jean F r a n $ o i s Chevalier 
Lefebvre de la, vertrok in 1762 naar Abbeville 
en verloor daar door den omgang met slechte vrienden 
zijn geloof. Wegens zijn goddeloos optreden in woord 
en daad werd hij bij vonnissen van den wereldlijken 
rechter op grond van de burgerlijke wet onthoofd en 
zijn lijk verbrand. Voltaire en volgelingen stelden de 
Kerk voor dit vonnis aansprakelijk, welke beschuldi- 
ging voldoende weerlegd wordt door de pogingen van 
den bisschop van Amiens en van de Assemblée du 
Clergé bij den koning, om dit vonnis in levenslange 
gevangenisstraf veranderd te zien. Desniettemin 
richtte men in 1905 voor B. een standbeeld op voor 
de basiliek van de Sacré-Coeur op Montmartre 
te Parijs. * 12 Sept. 1745 op het kasteel Férolles in 
N. Fr., f 1 Juli 1766. 

L i t. : Lexikon fiir Theol. und K. (I Freiburg/Br. 
2 1930, kol. 987-988). Wachters. 

Barre de mesure (Fr.), muziekterm, > Maat- 
streep. 

Ba rr celen traotaat, > Barricretractaat. 

Barreiro, havenplaats in Portugal (38° 40' N., 
9° 3' W.) aan den nnmdingstrechter van den Taag; 
11 000 inw.; Kath. Uitgangspunt voor de spoorwegen 
naar Zuid-Portugal. 


Barrel (Eng.) is de naam van een vat, waarin 
vloeistoffen als bier, wijn en olie verzonden worden. 
Voorts is het een inhoudsmaat en een gewichtsmaat. 
De grootte hiervan loopt in verschillende landen en 
voor verschillende goederen uiteen. In Engeland is 
een barrel bier 36 imperial > gallons = ± 163 1 en 
een barrel wijn 31 1 /* imp. gall.=± 143 1. In de V. S. 
heeft een barrel in ’t algemeen een inhoud van 
31,5 Amer. gallons = ± 119 1. Een barrel petroleum 
= 42 gallons a 3,785 1 = 159 1. Als gewichtsmaat 
wordt het o.a. gebruikt voor meel, vleesch en zeep. 
1 barrel meel = 196 Amer. pond = ± 89 kg; 1 b. 
vleesch ± 200 Amer. pond = i 91 kg; 1 b. zeep = 
256 Amer. pond = ± 116 kg. Vgl. Ital. maat Barile. 

W itsenboer. 

Barrell, Theorie van. (geologie) 
Volgens deze theorie moet onder de lithospheer een 
zone aangenomen worden (astenospheer), 500 — 600 km 
dik, die ondanks groote vastheid toch voldoende 
plasticiteit bezit om toe te geven aan voortdurend en 
langzaam werkende drukveranderingen. Naar de diepte 
zou de astenospheer geleidelijk overgaan in de eigenlijke 
aardkern (barvspheer). 

Barrêmien, onderafdeeling van de Juraformatie 
in Zwitserland. 

Barrêmme, F r a n q o i s, Fransch wiskun- 
dige; f 1703 te Parijs. Schreef het vele malen herdrukte 
werk FArithmétique (Parijs 1677). Zijn naam leeft 
voort in het Fr. barême = tabel van berekende waarde. 

Barres, groep van voederbietrassen, waartoe 
o.a. Barres van Sludstrup en Barres Strijnö behooren. 
Gemakkelijk te rooien; laag drogestofgehalte. 

Barrès, M a u r i c e, Fransch staatsman en 
schrijver van sterk -nationalistische richting. * 17 Aug. 
1862 te Charmes -sur-Moselle, f 6 Dec. 1923 te Parijs; 
sinds 1906 lid van de Académie Fran^aise. 

Begonnen met ro- 
mans, waarin, als 
reactie tegen het 
grof naturalisme, de 
verheerlijking van 
een veel vormig Ik 
(zie den cyclus L e 
culte du Moi) 
en het aristocrat is- 
me van een be- 
schaving in verval 

zich uitspreken, 
zwenkt zijn denken 
rond 1900 om, in 
de richting van het 
integraal nationa- 
lisme. De grond- 
slagen hiervan denkt 
B. zich in enkele noodzakelijke verbindingen, waar- 
mede het individu geankerd is in de nationale 
gemeenschap: 1° la terre (voor hem de Lotha- 
ringsche aarde), die in hem het Fransche chauvinisme 
en den haat tegen Duitschland verwekt; 2° les 
m o r t s, d.i. de geschiedenis, de nationale traditie; 
3° als cultuur- centrum, de Katholieke Kerk, 
waartoe, ook zonder persoonlijk geloof, ieder Fransch- 
man in sterke „Latijnsche” tucht moet behooren: Les 
Francais se battent en état religieux. Met deze 
„doctrine”, gedragen door een sober -klassieken en 
tevens modern -insinueerenden stijl, werd B.de geeste- 
lijke leider van de oorlogsgeneratie (bijv. C h. P é g u y , 
Psichari, Act ion Fran<;aise). 



21 Barret — Barrièrerif 22 


Werken. Romans: Le culto du Moi : 1° Sous 
1’oeil des barbares (1888) ; 2° Un homme libre (1889) ; 
3° Le jardin de Bérénice (1891) ; L’ennemi des lois 
(1892); Du sang, de la volupté et de la mort (1894); 
Un amateur d’ames (1899) ; Le roman de 1’énergie 
nationale : 1° Les déracinés (1897) : 2° L’appel au 
soldat (1900) ; 3° Leurs figures (1902) ; Amori et dolori 
sacrum (1903) ; Les bastions de 1’Est (1905) ; Colette 
Baudoche (1909) ; Le voyage de Sparte (1909) ; Greco 
(1912) ; La colline inspirée (1913) ; Un jardin sur 1’Oronte 
(1922). — E 8 s a y s : Huit jours chez M. Renan (1888) ; 
Scènes et doctrines du nationalisme (1902) ; La grande 
pitié des églises de France (1914) ; Chroniques de la 
grande guerre (14 dln. 1920 vlg.) ; Le génie du Rhin 

5 1921) ; Taino et Renan (1922) ; Dante, Pascal et Renan 
1923) ; Pour la haute intelligence fran<?aise (1925). — 
jit: A. Thibaudet, Vie de M. B. (Parijs 1921); E. 
Curtius, M. B. (Bonn 1921) ; V. Giraud, Les maitrcs de 
1’heure, M. B. (Parijs 1923) ; H. Brémond, M. B. (Parijs 
1924); J. Faure-Biguet, M. B. (Parijs 1924); V. Klem- 
perer, Romanische Sonderart (Halle 1926). Baur. 

Barret , Richard (Riocard B a i - 

r é a d), lersch dichter, * ca. 1740 bij Belmullet, 
f 1819. Hij dichtte zoowel in het Engelsch als in het 
lersch, maar dankt zijn dichterroem vooral aan zijn 
satirische, bacchanalische en liefdesgedichten in het 
lersch. Gedeeltelijk nog ongedrukt. 

Ui tg. : T. O’Rahiliy, in Gadelica (I 1912 — ’13, 
112-126); lijst bij R. I. Best, Bibliography of Irish 
Philology and Literature (1913, 207). 

Barret-Browning , Elisabeth,*- Brow- 
ning. 

Barrevoeters (I t a 1. : scalzi, ( Lat. discal- 
ciati. In België worden de ongeschoeide Karmelieten 
„Scalzen” genoemd. Duitsch: Barfüszer; Fransch: 
Dechaussés). B. worden die kloosterlingen ge- 
noemd, die blootsvoets gaan (met of zonder sandalen, 
welke den voet grootendeels vrij laten). Reeds van 
oudsher was dit de gewoonte bij vele asceten. De 
eigenlijke monniken (Benedictijnen, Cisterciënsers, 
Kartuizers), waren daartoe echter niet door hun 
regel verplicht. 

In de 11e en 12e eeuw (de tijd der armoedebeweging) 
komt op verschillende plaatsen deze gewoonte weer 
op bij de rondtrekkende predikanten (Wanderprediger) 
en wel met de kennelijke bedoeling, hierdoor te voldoen 
aan de reis-voorschriften van Christus tot de Aposte- 
len (Mt. 10. 10). Ook de H. Norbertus ging in het 
begin blootsvoets. De gewoonte werd voorgoed inge- 
burgerd door Franciscus van Assisi, die ze uitdrukke- 
lijk voorschreef aan zijn volgelingen in de Eerste en 
Tweede Orde. 

L i t. : L. Gougaud, La Gymnopodie, in : Rev. Asc. 
Myst. (IV 1923); Lex. Theol. Kirche (I, 967); Coll. 
Franc. Ncerl. (I 1927, 67). 

Barriai, gemengde stam van Papoea ’s en Melane- 
siërs; > Oceanië. 

Barrias, 1° Felix Joseph, Fransch 
schilder, zoon van een sierkims tenaar en porseleins 
schilder, studeerde aan de Académie des Beaux-Art- 
te Parijs onder L. Cogniet. * 1822 te Parijs, f 1917 
aldaar. Hij blijft vertegenwoordiger der academische 
neo-Klassicistische richting. Van hem zijn ongeveer 
400 schilderijen bekend. 

Voorn, werken: Sappho (1847); de Banne- 

lingen van Tiberius (1851) ; de Jaargetijden (4 schilde 
rijen) ; plafondschildering in het paleis van prins Naris- 
kine te Petrograd (1866) ; illustraties voor Concilie, 
Racine, Virgilius, Horatius en de romans van Dumas en 
Soulié. 

2° Louis E r n e s t, broeder van den vorige, 
Fransch beeldhouwer in neo-Klassicistischen stijl. 


Leerling van Jouffrov Cavalier en Cogniet. * 1841 te 
Parijs, f 1905 aldaar. 

Voorn, werk: Buste van Jules Favre (1863) ; 
Stichting van Marsoille (1865) ; Godsdienst en Liefde 
(brons 1873, ; Adam en Eva, Abel dragend (1878) ; het 
Lied en de Muziek (1888). 

Barrie , James Matthew, Engelsch' 
tooneelschrijver van Schotsche afkomst. * 1860. Gaat 
naar Londen als journalist in 1885; wordt dan humoris- 
tisch gevoelig romanschrijver van het Schotsche' 
kleinburgerlijke leven, en ten slotte, na het uitbundig 
succes van Peter Pan (1904), de gevierde tooneclschrij- 
ver van Londen. Sprankelende geestigheid, betoove- 
rende fantasie (vooral in Peter Pan) en nu en dan 
(vooral in The Admirable Crichton) een diepo kijk 
op de problemen van het Engelsche sociale leven. 
In adelstand verheven (1913); eeredoctoraten van 
Edinburgh en Oxford; rector der univ. van St. Andrewö 
(1919 — ’22); president der Society of Authors sedert 
1928; kanselier der univ. van Edinburgh sedert 1930. 

Werken. Romans: Auld Licht Idylls (1888) ; 
A Window in Thrums (1889) ; The Littlc Minister (1891) ; 
Margaret Ogilvy (1896) ; A Sentimental Tommy (1896) ; 
Tommy and Grizcl (1900) ; The Little White Bird (1902). 
Tooneelspelen : Quality Street (1901, Ned. : Deftige 
Straat); The Admirable Crichton (1903); Peter Pan 
(1904) ; Peter Pan in Kensington Gardens (1906) ; Wh at 
Every Woman Knows (1908) ; A Kiss for Cinderclla 
(1906) ; Mary Rosé (1920), Verzamelde spelen (1928). — 
L i t. : Monogr. van Th. Moult (1928) ; F. J. H. Darton 
(1929) ; J. A. Hammerton (1929) : W. Eschenauer (1930, 
diss. Halle) ; L. Lotze (1931, dis3. Halle) ; volledige 
bibliographie door B. P. Cutler (1931). Pompen . 

Barrière , afsluitboom of hek, o.a. bij spoorwegen. 

Barrière, 1° Jcan de la, abt van het 
Cisterciënserklooster Les Feuillants; * 1544 te St. Céré, 
f 1600 te Rome. Hij stichtte een reformatie, welke 
den regel van Citeaux in strengheid overtrof. Door 
zijn ordegenooten belasterd en wegens zijn trouw aan 
Hendrik III van verraad aan de Kath. Kerk beschul- 
digd, werd hij te Rome veroordeeld en uit zijn ambt 
ontzet. Hij leefde als een heilige, en kort voor zijn 
dood werd het vonnis als onrechtvaardig erkend 
en ingetrokken. In het Calendarium en Menologium 
der Cisterciënsers wordt hij eerbiedwaardig genoemd. 
> Feuillants. 

Biographio door A. Bazy (Toulouse-Parijs 
1885). 

2° Théodore, Fransch tooneelschrijver. * 1823 
te Parijs, f 1877. Zijn blijspelen, in samenwerking 
met anderen (o.a. Em. Capendu) geschreven, ver- 
dienen, met hun oppervlakkige waarneming en hun 
neiging tot het gechargeerd raricaturale, nauwelijks 
den^ naam realistisch, dien men hun veelal geeft. 

W e r k e n : La vie de Bohème (1848) ; Les filles de 
marbre (1853) ; Les faux bonshommes (1856) ; 1’Héritage 
de M. Plumet (1858); le Feu au couvent (1859); Le 
démon du jeu (1863) ; les Jocrisses de Pamour (1865) ; 
Tête de linotte (1882), e.a. 

Barrièrerif, een vorm van koraalrif, zich op 
grooteren afstand van de kust in zee bevindend, en 
ongeveer evenwijdig met de kustlijn verloopend. 
Tiisschen het rif en de kust bevindt zich meestentijds 
een uitgestrekte lagune. Zeer bekend is het Groot- 
Bamèreri! of Great Barrier Reef, koraalvorming op 
8 tot 180 km afstand voor de kust van O. Austr.,' 
zich uitstrekkend met smalle onderbrekingen tegenover 
riviermonden over een lengte van 2 000 km (Torres- 
str. 9° Z. tot Kaap Sandy 24° Z.). Bij vloed wordt het 
rif overstroomd; bij eb ligt het een paar voet boven 


23 


Barrière-tractaat — Barroe 


24 


zeeniveau droog, bedekt met levende koralen, prachtig 
van kleur on vorm. Enkele vlak bij de kust gelegen 
eilandjes hebben een struikgewasvegetatie. Het rif 
is onvruchtbaar en onbewoond, maar heeft groote 
beteekenis voor de tripa ng- en parelvisscherij. De 
zee tusschen de kust en het rif is ondiep en kalm, echter 
door de er zich in bevindenae koraalriffen toch lastig 
vaarwater voor de kustvaart. Vuurtorens op de gevaar- 
lijkste plaatsen en een goede loodsdienst vergemakke- 
lijken tegenwoordig de scheepvaart tusschen de koraal - 
lagune en de open zee door de openingen in het rif. 

Hofsteenge/ Zwagemakers. 

Barrière-tractaat, gesloten 15 Nov. 1715 
op het stadhuis te Antwerpen tusschen Oostenrijk. 
Engeland en de Staten -Generaal, waarbij aan deze 
laatsten werd toegestaan een recht van militaire 
bezetting in de plaatsen Namen, Doornik, Meenen, 
Veurne, Warneton, leperen en het fort Knocke (art. 4) 
(de zgn. Barrière-vestingen), benevens half Neder- 
landsche half Oostenrijksche bezetting in de stad 
Dendermonde (art. 5), als bolwerk tegen Frankrijk. 
Voor het onderhoud dezer troepen zal Oostenrijk 
moeten betalen 500 000 rijksdaalders jaarlijks (art. 19) 
en tegelijk belooft Oostenrijk de sedert 1648 bestaande 
bepalingen omtrent in- en uitvoer tegenover Engeland 
en de Republiek niet te zullen wijzigen, tenzij ,.soo 
ras als mogelijck zijn sal” een handelstractaat tusschen 
de drie partijen zal worden gesloten (art. 26). Reeds 
in 1709 en in 1713 w r as door Engeland een dergelijk 
bezettingsrecht in de Z. Nederlanden aan de St. Gen. 
toegezegd , in ruil voor de erkenning van het Hannover- 
sche erfrecht in Engeland. De gedachte daaraan w r as 
reeds geopperd in 1673 en w r as redelijk tegenover het 
zwakke Spanje; tegenover Oostenrijk, dat na 1713 zeer 
goed zichzelve tegenover Frankrijk kon verdedigen, 
werd zij spoedig als krenkend gevoeld. De barrière- 
troepen werden in 1782 op een dreigend bevel van 
keizer Jozef II teruggetrokken na lange jaren van 
roemloozen garnizoensdienst en nadat de Neder - 
landsche garnizoenen in den Oostenrijkschen Succes- 
sie-oorlog (1740 — 1748) en tijdens den Zevenjarigen 
oorlog (1756 — 1763) een zeer treurig figuur hadden 
gemaakt, hetgeen de achting in de Zuidelijke Neder- 
landen voor Noord-Nederland niet kon verhoogen. 

L i t. : Hubert, Les garnisons de la Barrière dans les 
Pays-Bas autrichiens (Brussel 1902) ; Blok, Gesch. van 
het Ned. Volk (III 3 1925) ; Pirenne, Histoire de Belgique 
(V). v. Gorkom. 

Barrière- vestingen, > Barrière-tractaat. 

Barrili, Anton Giulio, Italiaansch 
schrijver en politicus (aanhanger van Garibaldi). 
* 14 Dec. 1836 te Savona, f 18 Aug. 1908 te Carcare 
bij Savona. Professor in de letterkunde aan de univer- 
siteit te Genua. Zijn romans, ten getale van zestig, 
zijn de uitdrukking van het idyllisch, burgerlijk 
romantisme, dat in de laatste jaren van de 19e eeuw 
bij de burgerij nog veel bijval genoot. 

Werken. Romans: o.a. Capitan Doderè (1865) ; 
Santa Cecilia (1866) ; II libro nero (1868) ; Val d’olivi 
(1878) : Come un sogno (1875) ; Cuor di ferro e cuor 
d’oro (1877) ; L’olmo e 1’edera (1877) ; II tesoro di Gol- 
gonda (1878) ; L’undecimo comandamento (1881) ; 
11 bianco8pino (1882) ; La Montanara (1886). Andere 
werken: Con Garibaldi alle porte di Roma (1867) ; 
Discorso in morte di Garibaldi (1882). Ulrix. 

Bnrriiigstljlen, barringstoelen, ver- 
plaatsbare of vaste jukken of schragen, op het dek van 
schepen geplaatst, ^waarop vaarboomen en dgl. w r orden 
geborgen. 


Barringfoniu, behoort tot de familie der 
Lecythidaceae, en is één der vijf geslachten van de 
onderfamilie Planclionioideae; 6Ó soorten. Komt voor 
in Oost-Afrika en de Australische eilanden met 
tusschengelegen landen, doch wordt hoofdzakelijk 
gevonden in Achter-Indië, den Maleischen Archipel en 
de Samoa-eiianden. Het meest verspreid zijn van dit 
geslacht drie boomachtige kustplanten, nl. B. spe- 
c i o s a, een mooie boom met groote bladeren, 
bloemen met karmijnroode meeldraden en groote 
vierkante gele vruchten. In stukken gesneden jonge 
spruiten worden als vcrdoovingsmiddel voor visschen 
aangewend, de vruchten als drijfkurken voor netten, 
en uit de bladeren w r ordt een soort vernis gewonnen. 
B. raccmosa w T ordt aangetroffen tusschen Oost- 
Afrika en Queensland en heeft kleinere bladeren. 
De schors doet dienst in looierijen, terwijl de jonge 
bladeren gegeten worden. B. acutangula 
levert, als Indische eik, hout voor scheepsbouw, en 
schors voor looierijen. B. i n s i g n i s, van de 
Soenda-eilanden, met groote zittende bladeren en 
trosvormige bloemen, wordt als kasplant gekv r eekt. 

Bonman . 

Barrios, 1° G e r a r d o, generaal en politicus 
in Salvador. * ca. 1809, f April 1866. Na te hebben 
deelgenomen aan den strijd van Walker tegen de 
fiibustiers, w r erd hij onder Santin minister van buiten- 
landsche Zaken. Deed een mislukte staatsgreep tegen 
president Campo (1857). Tot president der republiek 
in 1860 gekozen, oefende hij een dictatoriale volmacht 
uit: hij verhief, in plaats van Cajutopeque, San Sal- 
vador tot hoofdstad, hervormde het leger en het beheer, 
bevorderde de weelvaart, vaardigde een burgerlijk- 
en een strafwetboek uit, doch bemoeilijkte de geeste- 
lijkheid. In een oorlog met Guatemala gewikkeld 
(1862), moest hij op de vlucht gaan en werd op last 
van zijn opvolger Ducnas gefusilleerd. 

L i t. : de Périgny, Les cinq républiques de PAmérique 
centrale (Parijs 1910). Lousse. 

2° Miguel de, Spaansch-Joodsch theoloog, 
dichter en historicus. * 1625 te Montilla, f 1701 te 
Amsterdam. Na een verblijf in Italië en korten tijd in 
West-Indië keert B., wriens eigenlijke naam Daniël 
Levi is, naar Europa terug. In Brussel neemt hij dienst 
in het Spaansche leger, waar hij het zelfs tot kapitein 
brengt. In 1674 treedt hij uit den dienst en vestigt zich 
te Amsterdam. 

Voorn, werken: Historia universal de Judea ; 
Teologia natural ; Relación de los poetas y de los escri- 
tores de origen judio ; Coro de las Musas ; El triunfo del 
gobierno y de la antiguedad belga ; Casa de Jacob. — 
L i t. : J. S. da Silva Rosa, De Geschiedenis der Portu- 
geesche Joden in Amsterdam (1925). 

Barrister, -> Solicitor. 

Barritus, ■> Barditus. 

Barro, Theobaldus de, bisschop van 
Luik (1303 — 1312), werd door paus Benedictus XI 
gewijd, sneuvelde in den strijd tegen de Orsini te 
Rome. 

Barroe, een zelfbesturcnd landschap onder Korte 
Verklaring aan de W. kust van Celebes (Ned. O. Indië), 
gelegen ten N. van het landschap Tanette en ten Z. 
van het landschap Soppengri Adja, met welke land- 
schappen het tezamen de onderaf deel ing Barroe vormt 
der afdeel ing Paré-Paré, gouvernement Celebes en 
onderhoorigheden. De onderafdeeling telt 60 000 
zielen, onder wrie nog geen tien Europeanen, een hon- 
derdtal Chineezen en ruim 200 andere vreemde Ooster- 
lingen. De hoofdplaats, tevens zetel van bestuur, 


25 


Barrois — Barry 


26 


heet Soempangbinangae. Do bevolking is van Boe- 
gineeschen landaard. 

Barrois , L e (aard r.), > Bar. 

Barron, 1° Edward, vicaris -generaal van 
mgr. Kenrich, bisschop van Philadelphia (V. S. 
Amerika). * 1801, f 1854 te Savarmaha, aan de erele 
koorts. Werd naar Afrika gezonden om er de uit Ameri- 
ka gerepatrieerde zwarten te gaan bezoeken (1841). 
Paus Gregorius XVI benoemde hem tot apost. vicaris 
van de twee Guinee ’s (Westkust van Afrika, van Sene- 
gal tot de Kaap, met uitzondering van het bisdom 
Loanda). Met zeven paters van den Eerbiedw. Liber- 
mann ving mgr. B. zijn apostelwerk aan (1843). Wegens 
het moordend klimaat verzocht hij den H. Stoel zijn 
missiewerk toe te vertrouwen aan een congregatie. In 
1845 werd de Congregatie der Paters van den H. Geest 
en van het H. Hart van Maria met de zielzorg op de 
W. Afrikaansche kust belast. 

L i t. : Dieudonné Rinchon O. Cap. , Les Mission- 
naires beiges au Congo (Brussel 1931). Vanneste. 

Barros, Juan de, Portugeesch geschied- 
schrijver. * 1496 te Vizeu; f 1570 nabij Pombal. Als 
hof page van den toenmaligen erfprins, den lateren 
Juan III, schreef hij Cronica do emperador Clarimundo 
(gedrukt 1520). Tijdens de regeer ing van Juan III 
wordt B. in 1522 benoemd tot gouverneur van San 
Jorge de Mina, waarna in 1533 zijn benoeming tot 
gouverneur van Portugeesch Guinea en regent van 
Port. Indië volgde. Hier vond hij de gelegenheid his- 
torische documenten en gegevens te verzamelen, 
neergelegd in zijn „Decadas”, een werk, waarvan hij 
bij zijn dood 24 boekdeelen voltooid had en dat be- 
ëindigd werd door Diego de Canto in nogödeelen. Van 
beteekenis is vooral: Asia de Joam Barros, dos fectos 
que os Portugueses fizeram no descobrimento e con- 
quista dos mares e terras do Oriente (Lissabon 1552- 
’53). Hij doet zich kennen als een patriottisch doch 
overigens onpartijdig historicus van zwak critisch 
inzicht. 

Verdere werken: Grammatica portugueza 

(Lissabon 1538). Zijn „Historia del Brasü” is verloren 
geraakt. — L i t. : Manuel Severim dc Faria, Vida de 
Jo&o de Barros (Lissabon 1624 en 1778). Borst. 

Barrot, Camille Hyacinthe Odilon, 
Fransch redenaar en staatsman. * 19 Sept. 1791 te 
Villefort (Lozère), f 6 Aug. 1873 te Bougival. Als 
advocaat trad hij in beruchte politieke processen 
onder de Restauratie op. Hij werkte mede tot het voor- 
bereiden der omwentelingen van 1830 en 1848 ; in 
1847 organiseerde hij als een der voornaamste leden 
der oppositie in de Kamer de zgn. > Reformbanket- 
ten. 24 Februari 1848 werd hem door Lodewijk Philips 
de waardigheid van minister-president opgedragen, 
die hij echter korten tijd na de vlucht van den koning 
moest neerleggen. Nu schaarde hij zich aan de zijde 
der republikeinen en hield zich na den staatsgreep 
van 2 Dec. 1851 buiten de politiek. Na den val van 
Napoleon III werd hij eerst tot lid en vervolgens 
tot president van den Staatsraad (27 Juli 1872) be- 
noemd. Lid van het Institut de France sedert 1855. 
Hij bezat een groot redenaarstalent, doch weinig be- 
kwaamheid op staatkundig gebied. 

W e r k e n : De la centralisation et de ses effets 
(Parijs 1861); De Porganisation judiciaire en France 
(Parijs 1872) ; Mémoires posthumes d ’ O.B., uitg. 
door Duvergier de Hauranne (4 dln. Parijs 1875'-76). — 
L i t. : Ernest-Charles, Les hommes de 1848: Odilon 
Barrot (Parijs 1899) ; G. Weill, Histoire du parti répu- 
blicain en France (Parijs 2 1928). Lousse . 


Barrow, rivier in Ierland (52° 18' N., 6°59' W.), 
ontspringend op de Slieve-Bloom Mountains, naar het 
Zuiden stroomend, en bij Waterford aan de Zuidkust 
van Ierland in zee uitmondend. 

Barrow, I s a a c, veelzijdig Eng. geleerde, voor- 
al wiskundige en theoloog. * Oct. 1630, f4 Mei 1677. 
Trad na een reis door Europa in 1660 in den geeste- 
lijken stand, was achtereenvolgens hoogleeraar in 
Grieksch en wiskunde te Londen en te Cam bridge, 
in welke plaats hij Newton tot leerling had. Aan hem 
stond hij in 1669 zijn professoraat af, terwijl hij zich 
verder zelf aan de theologie wijdde; vanaf 1672 was 
hij rector van Trinity College. Hij genoot een groote 
reputatie als kanselredenaar. Op wiskundig gebied is 
hij van belang om zijn edities van Euclides, Archi- 
medes, Apollonius en Theodosius en vooral om zijn 
eigen werken over optica en meetkunde. Hij behan- 
delde de beginselen der differentiaal- en intregaal- 
rekening in meetkundig gewaad en miste alleen door 
het nalaten van een algebraïsche inkleeding de uit- 
vinding zelf. 

L i t. : The mathematical Works of I. Barrow (Cam- 
bridge 1860) ; J. M. Child, The geometrical lectures of 
I. Barrow (Chicago-Londen 1916, vertaling van frag- 
menten met noten). Dijksterhuis . 

Barrow-in-Furiiess, haven en industriestad 
in het graafschap Lancaster (Engeland, 54° 7' N., 
3° 13' W.); 80 000 inw. Koper- en ijzermijnen, lei- 
groeven. Hoogovens, metaalindustrie, scheepsbouw, 
textielnijverheid. Zetel van de wereldfirma Vickers 
Sons, Maxim and Co. 

In de nabijheid de ruïnen van de Furness -abdij, 
zertijds de grootste abdij van Engeland, in roode 
zandsteen opgetrokken. 

Bar r o wis ten, ■> Brown, Robert. 

Barruel-Bauvert, A u g u s t i n, Fransch 
priester en apologeet, Jezuïet, die zich vruchteloos 
inspande om den bijval der 18e eeuwsche philosophen 
(Voltaire, Rousseau, Buffon) tegen te werken. * 2 Oct. 
1741 te Villeneuve, f 5 Oct. 1820 te Parijs. 

Hoofdwerk: Les Helviennes (1781). — Lit. : 
de Backer-Sommervogel, Bibl. Comp. Jés. (VIII 1767) ; 
Dussaut, Notice sur B. (Parijs 1827). 

Barry, 1° Belg. gemeente in de prov. Henegou- 
wen, ten O. van Doornik; 800 inw. ; opp. 488 ha. Laag 
bouwland; kerk uit de 18e eeuw. 

2° Havenstad in Zuid-Wales, aan den N. oever van 
het kanaal van Bristol (51° 23' N., 3° 18' W.); 40 000 
inw. Beroemde scheepsbouw: Barry Docks. Dichtbij 
Barry Island, badplaats. 

Barry, 1° Charles, Eng. architect, * 23 Mei 
1795 te Londen, f 12 Mei 1860 aldaar. Leerling van 
Middleton en Bailey, maakte hij groote studiereizen 
en bouwde hij na zijn terugkeer in 1820 de St. Peters- 
kerk te Brighton, de Tra vellers club (1832) en andere 
gebouwen te Londen, in Renaissance-stijl. Zijn hoofd- 
werk is het Parlementsgebouw te Londen, dat hij op 
grond van een prijsvraag, waarbij de Gotische stijl 
was voorgeschreven, met Welby Pugin te bouwen 
kreeg (1840—1852). 

Lit.: Paul Sédille, L'architecture moderne en 
Angleterre (Parijs 1890, 31 vlg.). 

2° Charles, architect te Londen, zoon van den 
voorgaande; * 1823, f 1872; medewerker van R.R. 
Banks, met wien hij o.a. het front van Burlington 
House en tal van kerken en woonhuizen ontwierp. 

3° Edward Middleton, architect, derde 
zoon van Sir Ch. B., * 7 Juni 1830, f 27 Jan. 1880 te 
Londen. Leerling van zijn vader, na wiens dood hij 


27 


28 


Barry Cornwall 

het parlementsgebouw te Londen voltooide. Bouwde 
verder in Renaissance-stijl de Grammar School te 
Leeds, het Co vent Garden Theater (1859 — ’60), de 
hotels van hét Charing Cross-station en de National 
Gallery te Londen en tal van andere openbare ge- 
bouwen in Engeland. 

4° Marie Jeanne Bécu, gravin du. 
natuurlijke dochter van Anna Bécu; * 1743; kwam te 
Parijs in een verdachte modezaak, waar zij de aan- 
dacht trok van den Zuid-Franschen edelman Jean du 
Barry. die haar in 1769 in de omgeving van koning 
Lodewijk XV bracht en haar tegelijk een schijnhuwelijk 
deed sluiten met zijn broeder Guillaume du Barry, 
om aan deze laatste bijzit van Lodewijk XV een naam 
en een titel te bezorgen. Invloed op de staatkunde 
zocht zij niet, doch de koning heeft schatten gclds 
aan haar verspild in een tijd van grooten economischen 
nood. Bij ’s konings dood (1774) van het hof verwijderd, 
reisde zij in 1792 naar Engeland, werd bij haar terug- 
komst gevangen genomen en geguillotineerd (1793) 
door het Schrikbewind. 

L i t. : Vatel, Histoire de Mme. du Barry (3 dln. 1883); 
Saint-André, Mme. du Barry d’après les documents 
authentiques (1908) ; Fromageot, Mme. Dubarry de 
1791 a 1793 (1909) ; Castanié, Hoyales amours d’une 
petite modiste (1913). v. Gorkom. 

5° W i 1 1 i a m, Katholiek Engelsch geestelijke, 
geleerde en schrijver. * 1849 te Londen, f 1930 als 
pastoor te Leamington. Stud. te Oscott en te Rome; 
prof. in de philosophie te Birmingham (1873 — ’77), 
in de theologie te Oscott (1877 — ’80); daarna in de 
zielzorg en in 1908 pastoor. 

Werken. Romans : The New Antigone (1887) ; 
The Two Standards (1898) ; Arden Massiter (1900) ; 
The Wizard’8 Knot (1901); The Dayspring (1903). 
Wetenschappelijke werken : vele tijdschriftartikelen, en 
verder The Papal Monarchy (1902) ; Newman (1904) ; 
Heralds of Revolt (1904) ; Renan (1905) ; Tradition of 
Scripture (1906). 

Barry Cornwall, Procter. 

Barsabas (= zoon van Sabas), 1° J o s e p h, 
bijgenaamd Justus (de rechtvaardige), werd met 
Matthias als plaatsvervanger van Judas Iscarioth 
door de apostelen voorgesteld (Act. 1.23); 2° J u das 
B., een Christen van Jerusalem, die na het Concilie 
van Jerusalem met Paulus naar Antiochië ging en de 
Christenen daar vermaande en bemoedigde (Act. 
15.32). 

Barsac, dorp in het dept. Gironde (Frankrijk, 
44° 30' N., 0° 30' W.); 2 700 inw. (1926); bekende 
wijnsoort. 

Barsaniani, monophysitische sekte der 6e eeuw, 
genaamd naar hun eersten bisschop Barsanius of 
Barsanuphius. Een eigenaardigheid was, dat zij com- 
municeerden door de vingers in bloem van tarwe te 
doopen en dan naar den mond te brengen. In Egypte 
hielden zij in klein aantal stand tot de 9e eeuw. 

Bar Sauma, > Barsumas. 

Barseh, Paul, Duitsch schrijver en taal- 
zuiveraar. * 16 Mrt. 1860 te Niederhermsdorf. Zijn 
poëzie blijft gaarne in den volkstoon, zijn roman werkt 
gezond-didactisch. 

Werken: Auf Straszen und Stegen (1885) ; Füe- 
gende Blatter (1889) ; Ueber der Scholle (1905) ; Von 
einem, der auszog (1905). 

Barsegapè, Pietro da, Italiaansch dichter 
uit de 13e eeuw’, bekend door een sermoen, waarin 
hij de schepping, den zondeval, de verlossing en het 
laatste oordeel behandelt. 


-Bar sur Aube 

U i t g. : C. Salvioni in Zeitschr. f. rom. Philologie 
(diplomatische afdruk, XV 1891); E. Keiler, Die Reim- 
predigt des P. da B. (kritische uitg., Frauenfeld 1901). 

Barsiue, 1° oudste dochter van Darius Codo- 
mannus, welke Alexander de Groote in 324 v. Chr. 
te Susa huwde. 

2° Dochter van Artabazus, eerst gehuwd met den 
Rhodiër Mentor, dan met diens broeder Memnon. 
Na den slag bij Issus werd zij in Damascus krijgs- 
gevangene der Maeedoniërs. Bij Alexander den Grooten 
uTrd zij moeder van een zoon, Heracles. In 309 v. Chr. 
werd zij met haar zoon op aandringen van Cassander 
door Polyperchon gedood. Davids. 

Barsingcrhorn, gem. in het West-Friesch 
zeekleigebied der prov. N.H., ten N. van Alkmaar; 
opp. 2 066 ha, omvattend de dorpen B., Kolhorn en 
Haringhuizen. 

Op 1 Jan. 1932: 2 207 inw. De w T einige Kath. behoo- 
ren tot de parochie Schagen. Landbouw en veeteelt. 
De Waard- en Groetpolder behoort deels tot deze 
gem. De tramlijn Schagen — Ew’ijksluis loopt er door. 

Barsinghauscn, klooster der Augustinessen, 
ca. 1190 gesticht en in 1455 door Jan Busch hervormd. 
In den tijd der Reformatie gingen de bewoners van dit 
klooster over naar het Protestantisme en tegenwoordig 
is het een Luther -gesticht voor adellijke dames. 

Lit. : K. Grube, J. Busch (1881, 157 vlg.) ; Kunst- 
denkmaler der Provinz Hannover (I 1899, 55). 

Barsippa (Grieksch: Borsippa, thans ruïne van 
Birs Nimroed), oude stad in Babylonië, ten Z. van 
Babylon, waarmee zij zoo eng verbonden was, dat de 
Baby Ion iërs haar het „Tw r eede Babylon” noemden. 
Het eerst vermeld in den codex van Hammoerabi, 
vindt men haar naam terug in talrijke documenten 
der Babylon isch-Assyrische geschiedenis. In den 
nieuw -Babylonischen ’ tijd (> Babylonië) werd B. 
bijna geheel herbouw 7 d. Haar stadsgod w T as Naboe 
(Nebo), die zetelde in den grootsten tempel van B., 
Ezida, welks toren langen tijd gold als de Toren van 
> Babel. Opgravingen zijn gedaan door Rawlinson 
(1854), Rassam (1878— ’79), Koldewey e.a. (1899— 
1912), doch volledige publicaties ontbreken. Het 
beste overzicht van alles wat B. betreft thans bij 
E. Unger, in Reallexikon für Assyriologie (1, 402— ’29, 
met uitgebreide lit.). Simons. 

Bar Socdaili, > Stephanus bar Soedaili. 

Barsoi, > Russische Windhond. 

Barsumas of Bar Sauma, 1° archi 
raandr iet van een Syrisch klooster, 458. B. kwam 
met 1 000 monniken naar de zgn. Rooversynode, 
Ephese 449, w T aar hij deelnam aan de mishandeling 
van patriarch Flavianus en de besluiten der onwettige 
synode onderteekende. Door de Jacobieten wordt hij 
als heilige vereerd. 

2° Metropoliet van Nisibis vóór 496. De 
Rooversynode verdreef hem als leeraar der school 
van Edèssa. Vóór 457 werd hij metropoliet en had 
aandeel in de stichting der school van Nisibis. Op 
een synode van 484 wist hij de invoering van het 
Nestorianismc door te zetten en de afschaffing van het 
coelibaat voor bisschoppen. 485 moest hij zich aan den 
orthodoxen Katholikos onderwierpen. Een prozagebed, 
enkele hymnen en 5 brieven zijn van hem bewaard 
gebleven. 

Lit.: Lexikon für Theol. und K. (I 1930, 989) ; Dict. 
Hist. Géogr. Eccl. (VI 1932, 946-947 ; 948-950). 

Franses. 

Bar sur Aube, arr. -hoofdstad, dept. Aube 


29 


Bart — Barthel 


30 


(Frankrijk, 48° 20' N., 5° 10' O.); zeer oud stadje 
(kerken uit de 12e eeuw); 4 300 inw. (1926). 

Bart, 1° Jakub (pseud. Jak. Cisj inski), 
Servisch priester-dichter van nationale liederen en 
natuurlyriek. * 1856 te Koekow, f 1909 te Panscbwitz. 

Werken: Het boek der sonnetten (1884) ; Ser- 
vische klanken (1897) ; Op adelaarswieken (1904) ; 
Servische beelden (1907). 

2° Jean, Fransch zeeheld. *'1651 in de omgeving 
van Duinkerken, f 1702; diende eerst op de Ned. vloot 
onder De Ruyter in den tweeden Engelschen oorlog 
en sedert 1672 bij de Fransrhen als kaperkapitein 
volgens Duinkerksche traditie. Hoewel niet-adellijk 
van geboorte, werd hij door Lodewijk XIV tot schout- 
bij-nacht benoemd en maakte zich grooten naam in 
den Negenjarigen Oorlog, tot schade der Engelschen 
en Nederlanders. Te Duinkerken staat sedert 1845 
zijn standbeeld in brons. 

L i t. : Vanderest, Histoire de Jean Bart et de sa 
familie (Duinkerken 1844); Wille, Jean Bart (1901); 
Malo, Les corsaires dunkerquois et Jean Bart (1913) ; 
Bringer, Jean Bart (1913). 

Bartel, K a s i m i r, Poolsch staatsman, 
* 3 Maart 1882. In 1913 prof. te Lom berg: van 1919 
tot 1920 min. van Spoorwegen; in 1922 afgevaardigde 
van do Sjem; in 1926 min. pres., dan 2e min. pres. 
in het kabinet Pilsoedski, en in Juni 1928 opnieuw 
min. pres. 

Bartclla, Costantino, Ital. beeldhouwer, 
vooral bekend om de gratie en elegance van zijn kleiner 
werk (vrouwenfiguurtjes). * 1852 te Chieti, f 1925 te 
Rome. 

Voorn, werken: Liefdelied (Canzone d’amore, 
1877) ; April (Rome, Galleria Nazionale) ; busten van 
Mascagni en Braga in Venetië (1899). — Lit. : Wil- 
lards, History of modern Italian Art (1898, 177 vlg.) ; 
Colasanti, La Galleria nazionale d’arto moderna in 
Roma (1923, 11). 

Bartels, 1° A d o 1 f, Duitsch schrijver en histo- 
riograaf van de letterkunde. * 15 Nov. 1862 te Wessel- 
buren. Uitgaande van eenzijdig conservatieve en sterk - 
nationalistische stelregels, geven de talrijke werken 
van B. toch blijk van grondige geleerdheid en fijn- 
ontwikkelden kunstsmaak. Zijn Jodenhaat vertroebelt 
soms den kritischen zin. Ook als tooneel- en roman- 
schrijver (Heimatkunst!) en als polemist was B. werk- 
zaam; in 1906 stichtte hij den Schiller-Bund; in 1920 
werd, te zijner eer, een Bartels-Bund voor nationale 
cultuur-verspreiding gesticht. 

Werken: Einführung in die Weltliteratur (3 dln. 
München 1913) ; Deutsche Dichtung von Schiller bis 
zur Gegenwart (3 dln. 1922) ; Jüdische Herkunft und 
Literaturwi8senschaft (1925) ; Feinde ringsum (1926). — 
Lit.: W. Loose, A. B. Festgabe (Leipzig 1922). Baur. 

2° Hans von, Duitsch schilder; * 25 Dec. 1856 
te Hamburg, f 1913. Leerling van den Hamburgschen 
zeeschilder Rud. Hardorff. 1876/77 leerling van 
A. Schweitzer te Dusseldorf. Landschappen en zee- 
stukken. 1879 te Hamburg. Begon ook te aquarelleeren. 
Onderging den invloed der Fransche impressionisten 
en plein-air schilders. 1879, 1880 en 3881 reisde en 
werkte hij in Italië. Vestigde zich in 3885 te München. 
Sedert 1887 werkte hij vaak te Katwijk en andere 
Holl. plaatsen. IToll. interieurs, landschappen en 
zeestukken. Met Max Liebermann een der belang- 
rijkste figuren onder de moderne Duitsche meesters. 

Werken: o.a. in de verzameling van den voor- 
maligen Duitschen keizer; in de Nat. Gal. te Berlijn; 
de musea te Praag, München, Hamburg, Maagdenburg, 


Leipzig. — Lit.: Ed. Heyck, Hans von Bartels (1903) ; 
Rich. Muther, Geschichte der Malerei (III). deStuers, 

Bartfclcl, plaats in Hongarije met ijzerhoudende 
bronnen. 

Barth, 1° H e i n r i c h, Duitsch Afrika- 
reiziger, * 16 Febr. 1821 te Hamburg, f 25 Nov. 1865 
te Berlijn. Bereisde reeds als student het Middelland- 
sche Zeegebied. In 1845 begon hij zijn eerste groote 
reis in Afrika; via Tanger wilde hij naar Marokko, 
maar hier werd hem de toegang ontzegd. Hij trekt 
dan door Algerië en Tunis tot in Tripolis en bezoekt 
Malta, waar hij zijn reisbeschrijving achterlaat; 
keert dan terug naar Tripolis en Barka, van Benghasi 
uit trekt hij naar Egypte, maar wordt op weg daarheen 
door roovers overvallen, uitgeschud en halfdood 
achtergelaten. Zoo gauw hij weer in staat is te reizen, 
trekt hij den Nijl op tot de tweede cataract en vandaar 
naar Assoean. Over Arabia Petrea, Palestina en Kon- 
stantinopel keert hij in 1848 te Berlijn terug. In 1850 
neemt hij met den Duitscher Overweg deel aan een 
Engelsche Afrika -expeditie onder Richardson. Van 
Moerzoek uit trok men de Sahara in. Richardson en 
Overweg stierven op deze reis. Barth zond Richardson ’s 
aanteekeningen naar Engeland, hij ontdekte de Binoe- 
we en bereikte Timboektoe; op den terugweg trof hij 
Albert Vogel aan die hem was nagezonden. Met dezen 
bezocht hij Koeka en keerde dan met zeer veel weten- 
schappelijk materiaal naar Europa tenig. Hij werd 
benoemd tot professor aan de universiteit te Berlijn 
en werd president van de „Gesellschaft für Erdkunde”. 

Werken: Wanderungen durch die Küstenlander 
des Mittelmeeres (2 dln. 1849) ; Reisen und Entdeckun 
gen in Nord- und Zentralafrika (5 dln. 1857-1859). 

dc Visser. 

2° K a r 1, Duitsch Prot. theoloog, * 1886. Werd in 
1921 eere-hoogleeraar in de Geref. theologie te Göt- 
tingcn, 1925 hooglccraar te München (Westf.), 1929 
te Bonn. Vertegenwoordiger der zgn. > dialectische 
theologie. 

3° Paul, sociaalpaedagoog; * 1858, f 1922 te 
Leipzig; gymnasium leeraar te Breslau, Leipzig en 
Jena; sinds 1890 professor in Leipzig. Volgens B. zou 
de opvoeding uit het maatschappelijk leven ontstaan 
zijn en moeten worden beschouw r d als voortplanting 
van een bepaalde maatschappij, die een geestelijk 
organisme is. Het dogmatisch godsdienstonderwijs 
wil B., naar Fransche mode, door systematisch 
moraalonderricht vervangen zien. Zijn paedagogiek, 
slechts te begrijpen in nauw verband met zijn als. 
geschiedenisphilosophie opgevatte sociologie, ver- 
bindt de Herbartiaansche doelstelling met het utili- 
tarisme van Spencer, de gegevens der experimenteele 
paedagogiek en die der geschiedenis tot een systeem, 
dat meer een formeele indeeling, dan de uitwerking 
van één idee is. 

Werken: Die Philosophie der Geschichte als 
Soziologio (B.’s hoofdwerk ; 2e deel niet verschenen) ; 
Die Geschichte der Erziehung in soziol. und geistes- 
ge8chichtl. Belcuchtung ( 5 -« 1925) ; Die Elemente der 
Erziehungs- und Unterrichtslehre ( 9 - 10 1923). — Lit.: 
H. Pixberg, Soziologie und Padag. bei Willmann, Barth, 
Litt und Krieck ( 2 1929). Rombouts . 

Barthel, 1° Max, Duitsch lettcrkund ige van 
pacifistisch -communistische strekking. * 17 Nov. 
1893 te Dresden-Loschwitz. Uit den geringsten stand 
gesproten en tijdens den wereldoorlog als arbeids- 
dichtcr opgetreden, w r erd hij, o.m. na een verblijf in 
Rusland, de heftige zanger van de collectivistische 
gedachte. 


31 


Barthélémy — Bartholomaeus 


32 


Werken: Verse aus den Argonnen (1916) ; Freiheit 
1917) ; Utopia (1919) ; Die Faust (1920) ; Arbeiterseele 
1920) ; Lasset uns die Welt gewinnen (1920) ; Das 
vergitterte Land (1922); Botschaft und Befehl (1924); 
Das Spiel mit der Puppe (1925) ; Dor Mensch am Kreuz 
(1927), e.a. 

2° M e 1 c h i o r, beeldhouwer te Dresden, * 1625, 
f 1672. Hij werkte lang in Italië, waar hij sterk onder 
Bemini’s invloed kwam; zijn kleine werken zijn de 
beste, de groote (gedenkgraven e.d.) erg pompeus. 

L i t. : G. Müiler, Vergessene Dresdener Künstler 
(Dresden 1895). 

Barthélémy, 1° A u g u s t e, Fransch dichter, 
* 1796 te Marseille, f 23 Aug. 1867. In samenwerking 
met Méry bestreed hij in heftige satiren de regeering 
der Bourbons (hekelend weekblad Némésis, 1831 vlg.) 
en verheerlijkte Napoleon in een episch gedicht: 
Napoleon en Egypte (1828). Na een verblijf in Amerika 
eindigde hij als blind, waarschijnlijk betaald, lof- 
redenaar van Napoleon III (o.a. La Tauride, 1856). 

U i t g. : Oeuvres (6 dln. Parijs 1833). 

2° Frans, markies, Fr. diplomaat. * 1747 te 
Aubagne, f 1830 te Parijs. Gezantschapsattaché 
o.a. te Londen en Weenen; 1792 — 1797 gezant in 
Zwitserland; sluit de vredes van Bazel; lid van het 
Directoire (1797), maar na fructidor als „royalist” 
naar Cayenne verbannen. Onder Napoleon voorzitter 
van den senaat; minister onder Lod. XVIII. 

3° Jean Jacques, Fransch archeoloog, 
conservator van het Cabinet Royal des Médailles, 
taal- en muntenkundige. * 1716, f 1795. Zijn naam 
is verbonden gebleven aan zijn Voyage du 
Jeune Anacharsisen Grèce (4 dln. 
1789), dat onder den vorm van een reisverhaal de 
beschavingsgeschiedenis van het oude Griekenland 
uiteenzet; het werk, in alle Europecsche talen vertaald, 
droeg, met de kunsthistorische werken van Winekel- 
mann, bij tot den heropbloei der klassieke studiën. 

Barthélémy Saint Hilaire, Jules, 
Fransch staatsman en philosoof. * 1805 te Parijs, 
f 1895 aldaar. B. begon in 1832 een vertaling van 
Aristoteles’ werken, dankte daaraan in 1838 zijn 
professoraat in Grieksche en Rom. philosophie aan 
het Collége de France, moest in 1852 uit politieke 
beweegredenen (hij behoorde tot het linkercentrum 
en weigerde Mei 1852 den eed op de keizerlijke consti- 
tutie) zijn ambt neerleggen; werd in 1876 lid van den 
Senaat en was van 1880 — ’81 minister van Buiten - 
landsche Zaken. B. voegde bij zijn vertalingen van 
Aristoteles nog inleidingen en verklaringen. Bekend 
is zijn: De la métaphysique. Pour servir d’introduction 
k la métaphysique d’Axistote (Parijs 1879). Schreef 
ook over Boeddhisme en Koran. 

Bartholdi , Frédéric Au guste, Fransch 
beeldhouwer, studeerde aanvankelijk schilderen bij 
Arv Scheffer, ging later bij den beeldhouwer Sortoux 
ter school. * 1834 te Colmar, f 1905. 

Voorn, werken: de vier perioden van het 

Christelijk leven (1874) ; Zwitserland brengt hulp aan 
Straatsburg (monument te Bazel) ; de Vrijheid, die de 
wereld verlicht (beeld in de haven van New York). 

Bartholdy, Jacob Salomo n, Pruisisch 
staatsman, die van 1816 — 1818 consul-generaal in 
Rome was en na dien tijd ook in die stad bleef wonen. 
De schildersgroep der „Nazarcners” vond in hem 
een Maecenas. Zijn huis, de Casa B., liet hij door Von 
Comelius, Schadow, Overbeck en Philip Veit beschil- 
deren. B. was van geboorte een Jood, ging echter in 


1815 tot de Luthersche kerk over. * 1779 te Berlijn, 
f 1825 te Rome. 

L i t. : L. v. Donop, Die Wandgemalde der Casa B. 
(1889). 

Bartholin, Erasmus, > Bartholinus (2°). 

Bnrtholina (p 1 a n t k.), een Afrikaansch 
geslacht der standelkruiden (Orchidaceae), behoort 
tot de onderfamilie Monandrae. 

Bartholinische klieren (Glandulae Bartho- 
linianae), ook Duverneyische of Tiedemannsche klieren 
genoemd, zijn twee klieren, die bij do vrouwelijke 
geslachtsorganen van den mensch (en van zoogdieren) 
aan weerszijden van den ingang der scheede worden 
aangetroffen. Zij bezitten de grootte van een boon en 
zonderen door een uitvoergamr, die buiten het hymen 
opent, slijm af. De klieren ontsteken gemakkelijk en 
geven dan aanleiding tot abcesvorming. De B. k. 
zijn homoloog met de Cowpersche klieren der manne- 
lijke geslachtsorganen (> Bartholinus, 1°). 

Willems. 

Bartholinus, 1° Gaspar, Deensch arts; 
* 1655, f 1738, zoon van Thomas B., beroemd door 
onderzoekingen over de vrouwelijke geslachtsorganen 
(De ovasiis mulierum et generationis historia epistola. 
Lugd. Bat. 1675). Twee klieren (> Bartholinische 
klieren), tegen het achtereinde van het uiteinde der 
vagina, zijn naar hem genoemd. 

2° Erasmus, Deensch natuuronderzoeker, * 13 
Aug. 1625 te Roeskilde (Denemarken), f 4 Nov. 1698 
te Kopenhagen. B. was de zesde zoon van den beroem- 
den medicus, theoloog en philosoof Caspar Bartho- 
linus (Barthelsen). B. ving in 1644 aan medicijnen 
te studeeren, waarna hij in 1646 een tienjarige studie- 
reis door Engeland, Nederland, Frankrijk en Italië 
begon. In 1657 werd hij benoemd tot hoogleeraar in de 
wiskunde en medicijnen in Kopenhagen. In 1676 
volgde zijn benoeming tot assessor aan het gerechts- 
hof, in 1694 tot staatsraad. Bartholinus is vooral 
bekend door zijn ontdekking der dubbele breking van 
het licht in kalkspaat. B. publiceerde talrijke mathe- 
matische studies. 

Voorn, werken: De cometis annorum (1665) ; 
Opusculum ex observationibus Hafniae habitis ador- 
natum (1664 — 1665) ; Experimenta Crystalli islandici 
disdiaclastici, quibus mira et insolita refractio detegitur 
(1669) ; De naturae mirabilibus quaestiones academicae 
(1674). Hofsteenge . 

3° Thomas, Deensch arts, * 1616, f 1680, gaf 
een verbeterde uitgave van het ontleedkundig leer- 
boek van zijn vader Caspar uit, getiteld: Institutiones 
anatomicae; langen tijd het meest gebruikte boek. 

Bartholomaeus (= zoon van Tholmai) was 
een der 12 apostelen. Daar hij in de lijsten der apostelen 
altijd met Philippus genoemd wordt, moet hij waar- 
schijnlijk vereenzelvigd worden met Nathanaël uit 
Kana, die door Philippus tot den Zaligmaker gebracht 
werd (Joh. 1.45). Zijn naam wordt verder noch in de 
Evangeliën, noch in dc Handelingen genoemd. Vol- 
gens Eusebius predikte hij in Indië; ook zou hij ge- 
arbeid hebben in Armenië, waar hij volgens de over- 
levering den marteldood stierf. Feestdag 24 Augustus. 

Voorstelling in de kunst. B. met kort 
hoofdhaar en korten baard (mozaïek 5e — 6e eeuw). 
Als attribuut draagt hij in de linkerhand een mes, in de 
rechter een boek. Later (o.a. Michelangelo) geeft men 
hem zijn eigen hoofd te dragen. Keuters . 

Het Evangelie van Bartholomaeus, een aprocrief 
geschrift, dat beschrijft, hoe de apostel Bartholomaeus 


Bartholomaeus 



H. Bartholomaeus. Houtsnede uit de apostel-serie van Hans Baldung Grien. 



35 


Bartholomaeus — Bartholomaeus Fanti 


36 


Christus na Zijn verrijzenis en de H. Maagd onder- 
vraagt over verschillende geloofsmysteries, als de 
nederdaling ter helle en de mensch wording. Het boek 



Het martyrium van den H. Bartholomaeus. 
Houtsnede van Lucas Cranach. 


sluit met een apocalyptische prediking over den eind- 
strijd tusschen Christus en Zijn tegenstander. Wilmart 
en Tisseraut meenen, dat het ontstaan is rond de 4e 
eeuw in een Christelijke sekte, doch E. Amann dateert 
het vroeger. 

U i t g. en 1 i t. : A. Wilmart et E. Tisseraut, Frag- 
ments grecs et latins de 1’Evangile de Barthélémy, Revue 
biblique (X 1913, 161-190, 321-368): U. Moricca, Un 
nuovo testo dell’ Evengelo di Bartholomeo, t.a.p. 
(XXX 1921, 481-516 ; XXXI 1922, 20-30) ; Dict. de la 
Bible, Supplém. (1 1928, 479-480). 

Bartholomaeus, stichter van het klooster S. 
Maria del Patir, bij Rossano; organiseerde de Grieksche 
monniken in Calabrië en Sicilië. * te Simeri in 
Calabriö, f 17 April 1130. B. werd door twee 
Benedictijnen bij koning Roger aangeklaagd wegens 
ketterij, maar voor een kerkelijke rechtbank wist hij 
zijn orthodoxie te bewijzen. Hij stichtte vervolgens 
het klooster St. Salvator bij Messina. J. v. Rooij . 

Bartholomaeus Anfjlicus, Franciscaan, be 
roemd encyclopedist en mag. theol., vaak verward 
met B. van Glanvilla O.F.M. (ca. 13G0). B.A. werd 
geboren in Engeland, volgens sommigen stud. te 
Oxford en in 1206 secretaris van Hartger II, aarts- 
bisschop van Bremen (niet zeer waarschijnlijk). 1225 
magister, lector biblicus te Parijs, 1231 te Maagden- 
burg. Bezocht ook de Nederlanden. Zijn werk: De 
p r o p r i e t a t i b u s rerum, encyclopedie, 
behandelt in 19 boeken God, engelen, ziel, lichaam, 
ziekten, wereld, hemellichamen, materie en vorm 
(waardevol!), vogels, landen, steenen, dieren, hoo- 
rnen, enz. Volgt veelal Plinius, S. Isidorus, Plato. 
Aristoteles (de motu), Hippocrates (geneeskunde), 


citeert 100 auteurs. Talrijke hss., o.a. te Londen, 
Parijs (18 in de Bibl. Nat.), Rome, Florence, Venetië, 
Madrid; vóór 1600 reeds 26 uitgaven en vertalingen, 
w.o. tweeNed., 1479 s.1. en 1485 te Haarlem gedrukt. 
Fransche vertaling door Jean Corbichon in 1372 voor 
Charles V, Engelsche door John of Trevisa in 1398. 
Anonieme navolging: Proprietates rerum moralizatae 
(1281— ’91). Geweldige invloed op andere auteurs, 
waarschijnlijk ook op Ruysbroeck, niet op Thomas 
van Cantimpré. Joannes Mombaers Rosetum en 
een anomiem Ned. tractaat o\er de meditatie (Ons 
Geestelijk Erf I, 173), Joannes de Beka putten uit B. 

U i t g. : De proprietatibus rerum (Frankfort 1601). 
Vertaling (Ned.) : Bartholomeus den Engelsman van 
de eigenschappen der dingen (gedrukt 1479 en 1485). ■ — 
Lit. : H. Felder, Gesch. der wissenschaftl. Studiën im 
Franz. Orden (Freiburg 1904); A. Schneider, Metaphys. 
Begriffe des B. A. in : Festgabe Baumker (Münster 
1913, 139-179). Archivum Franc. Hist. (XII 1919, 
68-109); Franz. Stud. (XII 1925, 254 vlg.) ; Ons Geestel. 
Erf (I 1927, 56 vlg., 61 vlg., 152 vlg.); Ephem. Liturg. 
(XLII 1928, 269 vlg.) ; Studi Franc. (XIV 1928, 111 vlg.). 

Lampen. 

Bartholomaeus Carusius van Urbino, 

Augustijn, leerling van August inus Triumphus, vriend 
van Petrarca, doceerde theologie eerst te Parijs, 
later te Bologna, verdedigde de rechten van den paus 
tegen W. Ockam en Marsilius van Padua, muntte 
uit in de studie der H. Vaders (Milleloquium D. 
Augustini, begonnen door Augustinus Triumphus, en 
Milleloquium D. Ambrosii). Bisschop van Urbino. 
f 1360. 

Lit.: Lanteri Postr. saec. sex. (I, 79-80); Lexikon 
f. Theol. und Kirche (II, 6). Claesen. 

Bartholomaeus de Kleine, Zalige, Domini- 
caan, apostel der Armeniërs; * te Bologna, f 15 Aug. 
1333 als aartsbisschop van Nachitsjewan. Door Johan- 
nes XXII werd hij tot bisschop van Maragha (Perzië) 
gewijd, vertrok als missionaris en bekeerde vele hei- 
denen en Mohammedanen. Samen met Johannes van 
Kherni "werkte hij met groot succes aan de terugkeer 
der schismatieken tot de eene Moederkerk en bracht 
vele Basiliancn tot de Congregatie der Unitoren, welke 
den regel van St. Dominicus volgden. Ook door zijn 
apologetische en liturgische geschriften bevorderde B. 
de hereeniging. De poging om i.p.v. de Armeensche 
ritus het in deze taal vertaalde Dominicanen-missaal 
in te voeren, schaadde zijn werk aanmerkelijk. 

Lit.: André-Marie, Missions dominicaines dans 
1’Extrême Oriënt (Parijs-Lyon 1865, 44-53). J.v. Rooij. 

Bartholomaeus de Las Casas, > Casas. 

Bartholomaeus de Martyribus, Domini- 
caan, genoemd naar de kerk S. Maria de Mart., waarin 
hij werd gedoopt. Familienaam Fernandez. * Mei 1514 
te Verdela bij Lissabon, f 16 Juli 1590 te Viana. In 
1558 aartsbisschop van Braga (vandaar Bartholomeus 
van Braga) en primaat van Portugal benoemd. Woonde 
de laatste 9 zittingen van het concilie van Trente bij 
en werkte in zijn land op energieke wijze aan de uit- 
voering der hervorm ingsdecreten van Trente. Trok 
zich in 1582 terug in het klooster zijner orde te Viana. 
Het proces zijner zaligverklaring is ingeleid. 

Werken: Compendium spiritualis doctrinae (Lissa- 
bon 1582) ; Stimulus pastorum (Rome 1564). — Lit.: 
Scriptorcs O.P. (II 296) ; Année Dom. Juillet (II 1895, 
385 vlg.). Lambermond. 

Bartholomaeus Fanti, Zalige, Karmeliet 
van de Congregatie van Mantua. * 1443 te Mantua, 
f 1495. Zijn stadgenoot, de Zalige Baptista Mantuanus, 
was zijn bevoorrechte leerling. Zijn lichaam ligt nog 


37 


Bartholomaeus van Dordrecht — Bartholoraaeusnacht 


38 


onverteerd in de kathedraal van Mantua. Feestdag 
6 Deo. 

L i t. : Bibl. Carm. (I). 

Bartholomaeus van Dordrecht, Augustijn 
uit de 14e eeuw, die afwisselend in de termijnhuizen 
te Kampen en te Zwolle verbleef en daar op bedenke- 
lijke wijze in zijn predikaties de leer van de broeders 
van den vrijen geest verdedigde. B. werd door Geert 
Groote bij den bissehop van Utrecht aangeklaagd 
en gedwongen dc ketterij te herroepen. 

L i t. : Karl Grube, Gerhard Groot und seine Stiftun- 
gen (Keulen 1883). 


aanzien als redenaar en voorbeeldig religieus. Zijn 
preeken zijn niet gedrukt. 

L i t. : Arch. Gesch. Aartsb. Utr. (XXVIII 1902, 
301-315) ; N. Ned. Biogr. Wb. (III, 859). 

Bartholomaeus van Pisa, Minderbroeder, 
f ca. 1401. Vooral bekend door zijn werk: De confor- 
mitate vitae B. Francisci ad vitam Domini Jesu, 
geschreven einde 14e eeuw. Bevat vele oude, belang- 
rijke teksten over Franciscus. Ofschoon critisch in vele 
punten aanvechtbaar, blijft het boek van groote 
waarde. Ten onrechte zeer fel bestreden sinds de 
16e eeuw, omdat Franciscus daarin met Christus 



Bartholomaeusnaeht (naar een oude gravure). Op 22 Aug. 1572 werd admiraal de Coligny tijdens het 
lezen van een verzoekschrift door een schot zwaar gewond. Toen later order was gegeven om alle Hugenoten 
te vermoorden, werd de admiraal des nachts in zijn bed gedood en uit het raam geworpen, evenals zijn 
schoonzoon Téligny. Op deze afb. zijn de verschillende phases van dezo gebeurtenissen naast elkander voorgesteld. 


Bartholomaeus van Lucca (T o 1 o m e u s), 

Dominicaan, historicus en theologant. * ca. 1236 
te Lucca, f 31 Dec. 1326. Stamde uit de familie Fiadoni 
Sedert 1318 bissehop van Torcelli. 

Werken o.a. : Annales ; Historia ecclesiastica nova; 
voltooide St. Thomas’ „de Regimine Principum”. — 
L i t. : Scriptores O.P. (I, 541 vlg.) ; Année Dom. Dé- 
cembre (II 1909, 844). 

Bartholomaeus van Maastricht, een 

Kartuizer theoloog, f 12 Juli 1446 te Keulen. Prior 
van Bethleem te Roermond, doceerde te Heidelberg 
en werd visitator van de Rijnprovincie zijner Orde. 
Schreef veel tractaten, meest ascetische. 

L i t. : Biogr. Nat. 

Bartholomaeus van .Middelburg, Min- 
derbroeder. * 1484, f 1564. Trad als predikant 
op tegen de Wederdoopers te Amsterdam in 1536 
en stond gedurende vele jaren te Utrecht in hoog 


zou zijn gelijkgesteld. Ook is verkeerdelijk beweerd, 
dat het werk op den Index der verboden boeken zou 
geplaatst zijn. 

L i t. : Inleiding tot de critische uitgave in : Analecta 
Franciscana V (Quaracchi 1912); Neerl. Francisc. (I 
1914, 153 vlg.). t;. d. Borne. 

Bartholomaeusnaeht, de nacht van 23 op 
24 Aug. (feestdag van den H. Bartholomaeus) 1572, 
waarin te Parijs Caspar de Coligny en vele voorname 
Hugenoten werden vermoord. Ze waren daar in volle 
wapenrusting met de Gtiises verschenen om op 18 Aug. 
het huwelijk van den Hugenoot Hendrik van Navarre, 
sinds den dood van Condé in naam het hoofd der 
Calvinisten, met de Katholieke Margaretha van 
Valois, een zuster des konings, bij te wonen. Deze 
verbintenis moest den vrede van St. Germain (1570) 
tusschen Hugenoten en Katholieken bezegelen. 
Vandaar de naam. Parijsche Bloedbruiloft. De schuld 




39 


Bartholomeeërs — Barthou 


40 


van dezen moord draagt Catharina de Medici, de 
moeder van den jeugdigen koning Karei IX. Zij volgde 
de politiek van het evenwicht, een politiek, die er op 
gericht was geen der beide partijen, hetzij de Katho- 
lieken onder de Guises, hetzij de Hugenoten onder 
de Bourbons, overheerschend te laten worden. Om dat 
doel te bereiken schrok zij, als een waardige geest- 
verwante van den eveneens uit Florence stammenden 
Macchiavelli, voor geen middel terug. Ongevoelig 
voor den bloei van het land en het lijden van zoovelen, 
liet zij de burgertwisten voortwoeden, om zoodoende 
bij de onderlinge verzwakking van de Katholieke 
en Calvinistische partijen zelf gemakkelijk de teugels 
in handen te kunnen houden. Nu w r as sinds den vrede 
van St. Germain de partij der Hugenoten onder de 
feitelijke leiding van de Coligny zóó sterk geworden, 
dat Catharina de macht over den koning dreigde te 
verliezen. Zelfs in diens anti-Spaansche politiek 
volgde Karei, tegen Catharina in, den Hugenoot de 
Coligny. Eón ding stond daarom bij haar vast: de 
Coligny moet onschadelijk gemaakt worden. In 
afspraak met de Guises besloot zij tot een aanslag op 
zijn leven. De Coligny werd slechts gew r ond (22 Aug.). 
De situatie w T erd moeilijk voor Catharina. Was zij 
de Hugenoten niet voor met niemve maatregelen, 
dan kon zij op de wraak dezer militair voortreffelijk 
georganiseerde partij rekenen. En in haar geest rees 
het plan op van den massa -moord, wellicht niet in 
die barbaarschheid, waarmede het is uitgevoerd, 
maar toch in een wTeedheid, die ieder met afgrijzen 
vervult. Om zichzelf buiten verdenking te houden, 
trachtte zij aan dezen moord een schijn van recht te 
geven. In een kroonraad van 23 Aug. wdst zij den 
koning als hoogsten rechter de verklaringteontwTingen , 
dat de Hugenoten verraders en dus staatsgevaarlijk 
waren. Een gewelddadig optreden scheen dus alles- 
zins gemotiveerd. Reeds den volgenden nacht begon 
de slachting, waarbij de soldaten door het gepeupel 
werden geholpen. Als eerste offer viel de Coligny 
met vele Hugenoten. Roof lust, wraak en moordzucht 
spanden samen, om de uitvoering zoo bloedig mogelijk 
te maken, en daarom spaarde men in vele gevallen 
ook de Katholieken niet. Men beperkte zich niet tot 
Parijs, het bloed stroomde nog overvloediger daar- 
buiten, vooral in de steden, die vroeger bij herhaalde 
bezetting het fanatisme der Hugenoten hadden onder- 
vonden. In 3 dagen w T erden volgens betrouwbare 
schatting alleen in Parijs 2 000 mcnschen vermoord, 
daarbuiten 6 000 h 8 000, volgens Pastor 3 000. Maar 
Catharina had haar doel bereikt. Zij had haar over- 
wicht op den koning teruggewonnen. Was do op 
22 Aug. gepleegde aanslag op de Coligny gelukt, dan 
zou de geschiedenis geen B. kennen en daarom was 
van een stelselmatige voorbereiding tot dezen moord 
in massa geen sprake. 

Hoe verklaart men de vreugde der Kerk over zoo’n 
wreedheid? Allereerst doordat een verkeerde voor- 
stelling van het feit werd gegeven. De vreugde open- 
baarde zich bij de geestelijkheid van Parijs in een 
plechtige Mis met processie op 28 Aug.; te Rome o.a. 
in een consistoriale allocutie (5 Sept.) van Gregorius 
XIII, waarin de paus zijn dank uitspreekt jegens God; 
in het zingen van een Te Deum, door den paus voorge- 
schreven; in diens aanwezigheid bij de dankzegging in 
de Fr. Kerk (8 Sept.); in het slaan van een medaille 
met een verderfengel, die de Hugenoten doodt; in de 
opdracht aan Vasari, om op een fresco deze gebeurtenis 
te vereeuwigen; kortom in alles, wat gebruikelijk 


was, als Rome de verijdeling van politieke rebellie 
en de onderdrukking van een ketterij placht te vieren. 
Deze feesten golden de vermeende verijdeling van 
een aanslag en dezer goede gevolgen, in casu 
de redding van den koning en diens rijk. de zegepraal 
van den Katholieken godsdienst, de nederlaag van 
een vijand, die in zijn haat tegen Rome geen grenzen 
kende, het óchec van de anti-Spaansche politiek. 
Rome jubelde, omdat het was misleid en in dien tijd 
van slechte verkeersmogelijkheid w f as het moeilijk 
de waarheid te achterhalen. De schuld lag voor een 
deel bij Karei Guise, kardinaal van Lotharingen, die 
met instemming van de Fr. kardinalen de berichten 
van den pause lijken nuntius te Parijs zóó commen- 
tarieerde, dat de paus wel aan een samenzwering 
moest geloovcn. Op 5 Sept. volgden de officieele docu- 
menten van koning Karei IX en Lodewijk van Bourbon, 
waarin uitdrukkelijk van een samenzwering van de 
Coligny tegen de koninklijke familie en de Katholieke 
magistraten, cn van een plan tot definitieve invoering 
van het Protestantisme gesproken w T erd. De Parijsche 
geestelijkheid had de eerste dagen in dezelfde mcening 
verkeerd . 

Lit. : Dr. J. de Jong, Het Schild (1922, 81-86); 
Pastor, Gesch. der Papste (IX l - 1 1923, 352-379); 
Y. de la Brière, La Saint-Barthélemy, in Dict. Apolog. 
(1925, kol. 420-426); Christ. Encycl. (1 1925, 239, een 
artikel, waarin alle oude verwijten worden gehandhaafd). 

Wachter 8. 

Bartholomeeërs, > Bartholomieten. 

Barlholomeus, >Bartho lorna eus. 

Bartholomcw, Joh. G e o r g, cartograaf. 

* 22 Maart 1800 te Edinburgh, f 13 April 1920 te 
Cintra (Portugal). Hij was sedert 1884 secretaris 
van de Scottish Geographical Society; teekende 
uitnemende kaarten. 

Werken: Comparative Atlas ; Atlas of Scotland ; 
Atlas of Meteorology ; Atlas of Zofigcography ; Atlas of 
the World8 commcrce ; Physical Atlas. 

Bartholomieten. 1° Monniken van den 
regel van den H. Basilius, oorspronkelijk in Armenië, 
vanw r aar zij ook Armeensche Broeders 
heeten. Stichtten, na de uitdrijving uit hun vaderland 
(1307), te Genua een kerk van den H. Bartholomaeus, 
naar wien zij voortaan genoemd werden. Namen hier 
in het Westen den regel van den H. Dominicus aan, 
doch kwamen niet tot bloei en werden in 1650 opge- 
heven. 

2° Vereeniging van seculiere priesters, in 
1640 in Beieren gesticht door den kanunnik Bartholo- 
meus Holzhauser. Doel: goede zielzorgers aankw r eeken 
en heiligen priesterijver onderhouden. Voerden daartoe 
een gemeenschappelijk leven. Ze zijn vooral verspreid 
geweest in de midden -Europeesche landen. In de woe- 
lingen van het eind der 18c eeuw ging deze instelling 
ten gronde. 

Lit.: Loxikon für Theol. und Kirche onder Bartholo- 
maer cn Bartholomiten ; Heimbuchcr, Die Orden und 
Kongrcgationen der Kath. Kirche (II en 111). 

Gorris. 

Barthou, 1° Jean Louis, Fr. staatsman, 

* 1862 te Oloron-Sainte-Marie; advocaat te Pau. 
Sedert 1889 gematigd republikeinsch kamerlid. Meer- 
malen minister, van Openbare werken of Justitie 
1804 — ’95, 1896— ’98, 1906— ’09, 1909— ’ll en 1913, 
in de kabinetten Dupuy, Méline, Sarrieu, Clcmenceau 
en Briand. Onmiddellijk vóór den wereldoorlog min. 
pres., ijverde voor den 3-jarigen diensttijd en verster- 
king van landleger en luchtvloot. In 1917 min. van 


41 


Barthout van Assendclft — Bartolini 


42 


Buiten landsche Zaken, van 1921 tot ’22 min. van 
Oorlog in het kabinet Briand, van 1922 tot *24 en 
van 1920 tot *28 min. van Justitie onder Poincaré: 
van 1922 tot 1926 lid der Ilerstelcommissie; neemt 
actief deel aan de Roerpolitiek van Poincaré. Sedert 
1922 senator. Ook bekend als letterkundige. 

Werken: L’action syndicale (1904) ; Mirabeau 
(1913) Lamartine orateur (1914); Lettres è un jeune 
Francais (1918); Les Amours d’un poète (1920); Le 
général Hugo (1920) ; IX Thcrmidor (1927) ; Danton 
U 93 |)« Coscmans. 

2° L o u is, Fransch politicus en schrijver van 
letterkundige monographieën. * 25 Aug. 1862 te 
Oloron-Ste-Marie. De politiek van B., die van Maart 
tot Pee. 1913 eerste minister in Frankrijk was, schijnt 
tot de verscherping der internationale verhoudingen, 
die op den wereldoorlog uitliep, te hebben bijgedragen. 
Trad 1918 in de Académie Fran$aise. 

Werken: Mirabeau (1913); Lamartine orateur 
(1916) ; Lettres a un jeune Francais (1918) ; Les amours 
d’un poète (1919) ; Le traité de paix (1919) ; La bataille 
du Maroc (1919) ; De Napoléon au soldat inconnu (1922) : 
Le polilique (1923); Autour de Lamartine (1925): Vie 
amoureuse de Wagner (1926); Etude et analyse (1929). 

Barthout van AsscncleJift, 1° zoon van 
Gerrit (f 1336 of 1337), ontving 8 Nov. 1315 van Willem 
III het schoutambt van Assendelft. Waarsch. in dat 
jaar gehuwd met een bastaarddochter van Dirk van 
Duivenvoorde, die onvrij was en waardoor hij dus 
ook onvrij werd. 1317 werd hij door den graaf in den 
stand der vrijen opgenomen. 1320 werd hij ambachts- 
heer. 

L i t. : Nieuw Ned. Biogr. Woordenboek (VII, 26). 

2° Kleinzoon van den vorige. * ca. 1360, f 1443. 
Streed onder Albrecht tegen de Friezen en in den 
Arkelschen oorlog onder Willem van Oostervant. 
In 1421 werd hij aanhanger en vertrouweling van 
Jan van Beieren. 

L i t. : Nieuw Ned Biogr. Woordenb. (VII, 27). 

Bartirnoüs (zoon van Timeüs), een blinde 
bedelaar, door Christus te Jericho genezen (Mc. 10. 
46-52). 

Bartjens, Willem, bekend Ned. reken- 
meester. * 1593 of 1587, f 1673 te Amsterdam. Vooral 

bekend om zijn werk Cijferingho (1633), 

een leerboek der rekenkunde, dat tot in de 19e eeuw 
werd gebruikt. Zijn naam leeft voort in de uitdrukking: 
„volgens Bartjens”. 

Bartlesvillc, spoorwegcentrum en industrie- 
stadje in den N. Amer. staat Oklahoma, 36° 45' N.. 
95° 55' W.; vlieghaven. In 1930: 14 763 inw. (in 1900 
maar 698). Dankt vooral haar opkomst aan de winning 
van petroleum en natuurgas; proefstation van het 
U.S. Bureau of Mines. 

Bartlott, V e r n o n, Engelsch journalist, 
sedert 1922 verbonden aan het secretariaat van den 
Volkenbond. * 1894. Diende in den oorlog 1914 — *15 ; 
werd toen opgenomen in de redactie van The Daily 
Mail, daarna in Reuter’s nieuwsbureau, sedert 1919 
in de redactie van The Times, waarvan hij buiten- 
landsch correspondent was (in Zwitserland, Duitsch- 
land. Polen en Italië) tot 1922. 

Werken: Behind the Scènes at the Peace-Confe- 
rence (1919); Topsy Turvey (1927); Calf Love (1929); 
No Man’e Land (1930); heeft R. C. Sheriff’s drama 
Journcy’s End (1929) om- en bijgewerkt tot een aan- 
grijpenden oorlogsroman (1930) ; The World our Neigh- 
bour (1931). Pompen. 

Bartnincj, O 1 1 o, Duitsch bouwmeester, prof. 
in Berlijn, vooral bekend als bouwer van Protestant- 


sche kerkgebouwen. In zijn bouwkunst streeft hij 
nieuwe oplossingen in het ruimte- en lichtprobleem na. 
Schreef: „Vom neuen Kirchenbau” (1913), een bouw- 
program. * 1883. 

Voorn, werken: stalen kerk op de Pressa- 
tentoonstelling in Keulen ; Evangelische kerk te Essen : 
ronde centraalbouw (1930); fabrieken, ziekenhuizen, 
woonhuizen. 

Bartoon, Jan, Brugsch rederijker, dichter van 
een Clachte op zijn vriend Anthonis de Roovere in 
1482. 

L i t. : J. T. Willem8, Belg. Museum (IX, 195). 

Bar tok, B é 1 a, de belangrijkste der heden - 
daagsehe Hongaarsche musici naast Zoltdn Kodaly; 

* 25 Maart 1881 te Nagy Szent Miklós (Hongarije, 
thans Roemenië). Zijn composities zijn gebaseerd op 
de folkloristische melodieën, die hij in samenwerking 
met Kodaly door middel van de grammophoon vast- 
legde en opteekende (behalve Hongaarsche ook Roe- 
meensche en Arabische melodieën; in totaal meer 
dan 6 000); hij publiceerde eenige belangrijke studies 
op dit gebied, o.a. Das ungarische Volkslied (Berlijn 
1925) en verschillende tijdschriftartikelen. Zijn com- 
positie-stijl is vooral rhythmisch en harmonisch zeer 
persoonlijk en gedurfd. 

W e r k e n : opera’s, orkestwerken, liederen, piano- 
en kamermuziek ; talrijke bewerkingen van volks- 
liederen. Reeser . 

Bartoli, 1° A d o 1 f o, Italiaansch letterkundig 
historicus, * 19 Nov. 1833 te Fivizzano, f 16 Mei 1894 
te Genua. Bekleedde verschillende ambten te Florence, 
Alexandrië, Livorno en Piaccnza, was professor aan 
de hoogere handelsschool te Venetië (1868 — ’74) 
en daarna leeraar in de geschiedenis der letterkunde 
aan het Istituto di studi superiori te Florence. 

W e r k e n : I viaggi di Marco Polo (Florence 1863) ; 
I primi due secoli della letteratura italiana (Milaan 
1871-’80); L’evoluzione del vinascimento (Florence 1875); 

I precursori del Boccaccio (Florence 1876); Storia della 
letteratura italiana (7 dln. Florence 1878-’89, Duitsche 
vertaling door R. v. Rhcinhardstüttner). 

2° D a n i e 1 1 o, Italiaansch geleerde en rector 
van het Jezuïetencollege te Rome; schreef de geschie- 
denis van de orde der Jezuïeten, alsook zedekundige, 
ascetische en natuurkundige werken. * 12 Febr. 1608 
te Ferrara, f 13 Jan. 1685 te Rome. 

Werken: Vita e istituto di S. Ignazio (1650); 
Istoria della compagnia di Gesü (5 dln. 1663-73). 
Zijn gezamenlijke werken verschenen onder den titel : 
Opere (67 dln. Napels 1854-’59). 

Bartolini, 1° L o r e n z o, Ital. beeldhouwer; 

* 7 Jan. 1777 te Vemio bij Savignano, f 20 Jan. 1850 
te Florence. Ging 1797 naar Parijs, waar hij veel met 
Ingres omging. Deze vriendschap had grooten invloed 
op zijn werk. Hij kreeg hier spoedig den tweeden prijs 
van de Fransche academie. Door bemiddeling van V. 
Denon kreeg hij opdrachten o.a. voor een buste van 
Napoleon en reliëfs voor de Vendóme-zuil te Parijs. 
1808 door Napoleon naar Carrara gezonden, om aldaar 
een beeldhouwschool te stichten. Na den val van het 
keizerrijk vestigde hij zich te Florence en werd hier 
aangesteld als leeraar van de teekenacademie (1839). 
Met Canova een der belangrijkste figuren onder de 
Ital. beeldhouwers van het begin der 19e eeuw, van den 
tijd van het neo-Klassicisme. 

Werken: o.a. in het Pal. Pitti te Florence ; het 
standbeeld voor Loon Battista Alberti, in S. Croce te 
Florence ; de groote marmergroep van het mus. Poldo 
Perzoli te Milaan. — L i t. : Willard, Hist. of modem 
Ital. art (1902). de Stuers. 


43 


Bartolo di Fredi — Bartolommeo di Giovanni 


44 


2 ° O r’ in D i o, componist, in 1633 kapelmeester 
aan den dom te Udine. 

Werken: twee boeken 2-8-st. „Messe concertate” ; 
8-st. Maria-litanieën ; een boek 5-st. madrigalen (1606) : 
3-st. „Canzonette ed Arie alla Romana” (1606) ; 1-8-st. 
motetten met basso continuo (1634, 1663). 

Bartolo di Fredi, Italiaansch schilder, * ca. 
1330 te Siena, f 1410 aldaar. Begon in 1353 een werk- 
plaats met Andrea Vanni. Na eerst in S. Gimiguiano 
gewerkt te hebben, verblijft hij van 1367 af in Siena, 
waar hij herhaalde malen deelneemt aan de regeering 
der stad. Stilistisch behoort hij tot de reeks van eenigs- 
zins stereotype trecentoschilders in Siena, die door- 
gaan op de sierlijke types van Simone Martini en de 
Lorenzetti’s. Een iets sterker realisme en een zekere 
levendigheid en frischheid in de kleur zijn den werken 
van B. eigen. 

Werken: Kindermoord te Bethlehem (1376, coll. 
d’Hendecourt, Parijs); Presentatie in den tempel (Louvre, 
Parijs); Aanbidding der koningen en kroning van Maria 
(Museum, Siena) : Kroning van Maria voor Montalcino 
(1383-1388 ; in Montalcino en Siena worden deelen 
van de polyptiek bewaard) ; fresco’s met episoden uit 
het leven van Maria in S. Agostino te S. Gimiguiano 
(ca. 1390). A. B . de Vries. 

Bartolonrimco, f r a, bijgenaamd B a cci o 
della Porta, Dominicaan, een der groote schil- 
ders der Renaissance. * 1472, f 1517. In 1485 wordt 
hij leerling van Cosimo Rossclli, richt in 1492 met 
zijn medeleerling Albertinelli een gemeenschappelijk 
atelier op, wordt in 1500 Dominicaan en komt in 
1501 in het klooster San Marco te Florence. In 1509 
maakt hij een studiereis naar Venetië, w r aar hij van 
Bell in i kleurenrijkdom en krachtige lichtvoering leert, 
het aanbrengen van musiceerende engelen en nieuwe 
Madonna -composities. In 1514 maakt B. een studie- 
reis naar Rome om Michelangclo en vooral Raffaël te 
bestudeeren; gaat echter datzelfde jaar wegens ziekte 
naar Rian di Mugnone, waar hij blijft tot zijn dood. 
In de kunst van B. onderscheidt men: 1° zijn eersten 
leertijd (1485—1500), waarin hij een der belangrijkste 
portretten der Renaissance schilderde, nl. het portret 
van Savonarola, een meesterwerk ; 2° zijn tweeden leer- 
tijd (1500 — 1508), waarin hij het Visioen van den H. 
Bemardus, Christus in Emmaus en een altaarstuk 
in den dom te Lucca vervaardigde; 3° den bloeitijd 
van zijn kunst (1509 — ’14), waarin o.m. ontstonden 
een Madonna (in San Marco), Verloving en Huwelijk 
van de H. Catharina (resp. in het Louvre en Palazzo 
Pitti), een Madonna (in Besan^on); 4° zijn laatste 
jaren (1504r— ’17) brachten o.a. Salvator mundi en 
Mater misericordiae. In 1497 had B. door invloed van 
Savonarola alle werken met profanen inhoud ver- 
nietigd; na zijn bekeering schilderde hij alleen reli- 
gieuze stukken. Maar zelfs in zijn besten tijd overtrof 
hij niet meer zijn grootste werk, het portret van Savo- 
narola. 

Bartolommeo delta Porta, F r a, ook wel 

Baccio della Porta genoemd. Dominicaan, 
Italiaansch schilder; * 28 Maart 1472 te Florence, 
f 1517; Zoon van den vrachtvaarder Paolo del Fatto- 
rino, die in Florence bij de Romeinsche Poort woonde 
(vandaar: della Porta). Vanaf 1485 was hij leerling 
van Cosimo Roselli. In zijn ontwikkeling zijn drie 
perioden te onderscheiden. 1° Jeugdperiode. 
In 1494 opent hij met zijn medeleerling Mariotto 
Albertinelli een atelier; hij komt zoo onder den indruk 
der preeken van Savonarola (1496 en 1497), dat hij 
besluit al zijn profaan schilderwerk te vernietigen. 


Zoodoende is er uit deze periode weinig bewaard: 
portret van Savonarola in het Sint Marco -klooster 
en een fresco, het Laatste Oordeel voorstellend, voor 
het kerkhof der S. Maria Novella, waarvan resten in 
het Uffizi-museum; een Anmmtiatie in den dom van 
Volterra is zeker geen eigenhandig w T erk. 

2° M i d d e n t ij d. Albertini moest het fresco 
voltooien, daar door een ons niet nader bekende ge- 
beurtenis bij een burgergevecht te Florence, B. zich 
afkeerde van de wereld en Dominicaan werd. In zijn 
eerste klooster jaren legde hij zich op teekenen toe, 
maar verrast door de resultaten, welke Piero di Cosimo 
en zijn jonge vriend Raffaël met hun olieverf-procédé 
bereikten, nam hij het penseel weer op en schilderde 
voor de Badia met lange onderbreking een „Ver- 
schijning van Maria aan den H. Bemardus” (1504 — 
1507). Hierin blijkt B. eerder leerling dan leermeester 
van Raffaël te zijn. Een kort verblijf in Venetië (1508) 
ontwikkelde zijn natuurlijk kleurgevoel en verbeterde 
zijn compositie: in het koloriet vond hij een 
middel om de accenten zijner composities kracht bij 
te zetten. Zijn groepeer ing krijgt een sterk rhythme, 
zijn draperieën verwerven een ongekende losheid en 
natuurlijkheid (hij zou de ledepop het perst voor 
draperie-schilderen gebruikt hebben), terwijl hij toch 
de beheerschte monumentaliteit van zijn voorgangers 
behoudt. In Florence vormt hij met zijn vroegeren gezel 
Mariotto Albertinelli de School van Sint Marco. Het 
sterkst komt de invloed van Raffaël uit in zijn werk 
voor het Palazzo della Signoria, dat nauw aansluit 
aan diens „Madonna van het Baldakijn”. Na Alber- 
tinelli kreeg hij een minder bekwamen helper in fra 
Paolino del Signoraccio (1490 — 1547). 

3° Invloed van Rome. Een door malaria- 
koortsen verkort verblijf in Rome (1514), waar hij 
St. Paulus en St. Petrus (door Raffaël voltooid) 
schilderde, bracht hem een tijdlang in den ban der 
Romeinsche schildermanier, waardoor zijn werk veel 
van de vroegere soepelheid verloor. Toch vond hij in 
Florence zichzelf spoedig terug. Als rest van zijn 
Romeinsch verblijf kan misschien gelden de statuari- 
sche opvatting van zijn hoofdfiguur in zijn „Verlosser 
te midden der Evangelisten”. Zijn teekeningen, die 
vroeger vooral zich richtten op juiste en strenge om- 
trekken, wmrden nu gevuld en op kleurwerking be- 
rekend. Do malaria brengt hem naar het graf (31 Oct. 
1517) in het klooster der H. Magdalena in Pian di 
Magnone, een buitenverblijf der Dominicanen van 
San Marco. 

Voorn, werken: Uit de eerste periode : 
Portret van Savonarola (Florence, S. Marco) ; Laatste 
Oordeel (resten in de S. Maria Novella, Florence) ; 
Annuntiatie (waarsch. niet eigenhandig ; Volterra, dom). 
Uit de tweede periode : Verschijning van Maria aan 
Sint Bemardus (1504-1507 ; Florence, Badia) ; Ver- 
loving der H. Catherina (1511 ; Parijs, Louvre) (Florence 
Uffizi). Uit de derde periode : S. Marcus (Florence) 
Pitti) ; O.L. Vrouw van Barmhartigheid (1515 ; Lucca) ; 
Verlosser te midden der Evangelisten (Florence, Ritti) ; 
Opdracht van Christus in den tempel (Weenen) ; Be- 
weening van Christus (Florence, Pitti; voltooid door 
Giuliano Bugiardini). — L i t. : Knapp, Fra B. d. P. 
(1903) ; von der Babelentz, Fra B. (2 dln., 1922) : Venturi, 
Storia dell’ arte italiana (VIII 1, 1925). Knipping. 

Bartolommeo cli Giovanni, Ital. schilder 
uit het eind der 15e, begin der 16e eeuw, afkomstig 
van Florence. Hij werkte samen met Domen ico Ghir- 
landajo, voerde de zeven paneeltjes der predella van 
diens Aanbidding der Wijzen uit in het Hospitaal der 


45 


Bartolommeo Y eneto — Bartramiaceeën 


46 


Onnoozele Kinderen te Florence (1488) en schijnt 
hem ook bij de beschildering der Maria Novella in die 
stad geholpen te hebben (1488 — ’90). In het Vaticaan 
schilderde hij onder leiding van Pinturicchio in de 
zaal der mysteriën van het Appartamento Borgia 
een Geboorte van Christus en een Aanbidding der 
Wijzen. Ofschoon hij voornamelijk de kunst van zijn 
eersten leermeester Ghirlandajo weerspiegelt, roept 
zijn werk tevens herinneringen aan Mainardi, Botticel- 
li en Filippino Lippi op. Boven de middelmatigheid 
komt hij niet uit, zijn kleuren ziin vaal. 

Voorn, werken: behalve de boven genoemde 
nog : H. Hiëronymus in de galerij van de academie van 
Florence ; De Aartsengel Raphaël in de Gallerie van 
Dresden. — L i t. : de Francovich, Nuovi aspetti della 
personalita di B. di G. in Bolletino d’arte. Nuovo serie 
(VI 1926-’27, 65 vlg. en 540 vlg.). Knipping. 

Bartolommeo Veneto, Ital. schilder van het 
begin der 16e eeuw. Hij noemt zichzelf leerling van 
Gentile Bellini, ondergaat naast Venetiaanschen, ook 
Lombard ischen en in later tijd zelfs Duitschen invloed 
(Dürer). Zijn harde teekenmanier doet sterk denken 
aan werk van Cima da Conegliano. 

Voorn, werken: Madonna’s (vele in privaat- 
bezit) ; Besnijdenis van Christus (privaat bezit in Enge- 
land) ; Salome met het hoofd van St. Jan den Dooper 
(Dresden, Gallerie) ; H. Catherina ( Glasgo w, Museum) ; 
Portret van een jonge vrouw (Frankfort, Stadel Insti- 
tuut) ; Jongeman met gesp (Rome, Galleria Corsini). — 
L i t. : Venturi, Storia dell* arte italiana (VII 4, 1915) ; 
von Hadeln, Venezianische Zeichnungen des Quattro- 
cento (1925). 

Bartolozzi, Francesco, Ital. schilder en 
graveur; * 1727 te Florence, f 7 Maart 1815 te Lissabon. 
Leerling van de acad. te Florence en korten tijd te 
Rome. Studeerde hier naar de Antieken en begon in 
koper te graveeren. 1745 komt hij op het graveurs - 
atclicr van Joscph Wagner te Venetië. Werkte hier 
onder leiding van Wagner voor uitgevers. Zijn stijl 
ontplooit zich hier weldra en in dit vroege werk is 
reeds een groote persoonlijkheid merkbaar. Hij werkte 
hier vnl. naar A. Zucchi, Zuccarelli, Marco en Seb. 
Ricci, G. B. Piazetta e.a. Deze vroege prenten onder- 
scheidden zich reeds door hun zilverige techniek en de 
virtuose losse en soepele manier van graveeren. Was 
tevens ook een voortreffelijk teekenaar en aquarellist. 
Kleine portretten en miniaturen. Door bemiddeling 
van Dalton gaat hij in 1764 naar Londen. Hier werd 
hij spoedig beroemd. Werkte veel voor het hof en de 
kon. verzamelingen, later voor verschillende uitge- 
vers. B. was een der belangrijkste graveurs van zijn 
tijd. Vooral de prenten uit deze periode hebben zijn 
naam gevestigd. Hij werkte behalve in de gewone 
burijngraveertechnick, vnl. in het pointille en de 
crayon-manier en voerde zijn werk op tot een groote 
volmaaktheid. Zeer fraaie portretten en portretgroe- 
pen, o.a. naar Angelika Kaufmann, G. B. Cipriani, 
G. Morland, Gainsborough en W. Hamilton. 

L i t. : Brinton, Bartalozzi and his pupils in England 
(Londen 1904) ; J. T. Herbert Bailly, Bartolozzi (Londen 
1907). de Stuers. 

Ita Hollis cli Sassoferrato, Italiaansch rechts- 
geleerde, * 1314, f 1357; behoort tot de school der 
postglossatoren (commentatores), die zich van die der 
> glossatoren onderscheidt, door in plaats van korte 
verklarende aanteekeningen, langgerekte verhande- 
lingen te schrijven o eer afzonderlijke plaatsen uit het 
corpus iuris civilis. B. verkreeg grooten invloed, zóó 
zelfs, dat men de postglossatoren ook wel Barto listen 
noemt. De latere rechtsgeleerden hebben het gezag 


van B. overschat. Men kon geen goed jurist zijn zon- 
der de meeningen van B. te zijn toegedaan: nemo 
bonus iurista nisi sit bartolista ! Zie ook de beteekenis 
van B. voor de > Statutentheorie. 

Werken: Commentaren op het Digestum vetus, 
Infortiatum, Digestum novum, den Codex, de Tres libri 
en het Authenticum. Voorts Consilia, quae«tiones en 
tractatus. (Vaak gedrukt o.a. Opera omnia, Bazel 
1588- ’89, en Venetië 1615). — L i t. : F. C. von Sa- 
vigny, Geschichte des Römischen Rechts im Mittelalter 
(VI Heide! berg 2 1850, 137-184): C. N Sidney Woolf, 
Bartolus of Sassoferrato (Cambridge 1913). 

Her mesdor f. 

Barton, 1° Bruce, Amerikaansch Puri- 
teinsch schrijver met zeer moderne allures. 

Werken: The Man Nobody knows (1924) ; The 
Book Nobody knows ; What can Man Believe ? (1930). 

2° Elisabeth, genaamd „The Maid (meisje, 
maagd) of Kent”. * omstr. 1506 te Aldington in Kent, 
f 1534 te Tybum. Ze was dienstbode op een landgoed 
van den aartsbisschop van Canterbury, William War- 
ham. Opmerkzaam gemaakt op haar geestesverruk- 
kingen en voorspellingen, liet deze een onderzoek in- 
stellen door een commissie van seculiere en reguliere 
geestelijken, die zich te haren gunste uitsprak. Ze 
trad daarna nabij Canterbury in een klooster der Bene- 
dictinessen. Door haar heftige protesten „in naam en 
op gezag van God” tegen de echtscheiding van Hen- 
drik VIII, door haar voorspelling van diens vroeg- 
tijdigen dood als straf voor de zonde, door den steeds 
grooter wordenden toeloop van pelgrims en belang- 
stellenden, werd zij een gevaar voor de koninklijke 
plannen. Aan aartsbisschop Cranmer, door Cromwell 
met een onderzoek belast, zou ze ten slotte bekend 
hebben nooit visioenen te hebben gehad. Ze werd 
wegens samenzwering veroordeeld en stierf met zes 
geestelijken als zgn. medeplichtigen op het schavot. 
Wat er van die bekentenis waar is, zal wel nooit wor- 
den uitgemaakt. Verdacht blijft, dat die bewering 
stamt uit den kring van Cromwell en diens handlan- 
gers. Op zulke zw r akke bewijzen mag men een klooster- 
zuster, met wie zelfs bisschop Fisher en Thomas More 
sympathiseerden, niet tot een bedriegster verlagen. 

L i t.: The Catholic Encyclop. (II 1907, 319); Britanni- 
ca (III 14 1929, 155, oordeel is niet gunstig) ; Dict. Hist. 
Géogr. Eccl. (VI 1932, 1052). Wachters. 

Bartonia ornuta (plant k.), > Mentzelia 
decapetala. 

Barfonien, onderafdeeling van het Eoceen in 
het Anglo-Gallische Krijt- en Tertiairbekken. De 
naam is afkomstig van den Barton Cliff in Hamshire 
(Engeland). 

Barton-oïi-IIumber. Dit plaatsje in Lin- 
colnshire (Engeland) bezit een merkwaardige parochie- 
kerk (H. Maria) uit Angelsaks ischen tijd, waarvan de 
koorsluiting is gesloopt en vervangen door een vol- 
ledige Gotische kerk, zoodat het gebouw thans bestaat 
uit een Angelsaksisch koor en schip, waarboven een 
centrale toren (alles ca. 9e eeuw), vervolgens een drie- 
beukig Gotisch schip met koor (14e eeuw). 

L i t. : Francis Bond, English Church architecture 
(I Oxford 1913, 215); B. Brown, The arts in early 
England (III Eccles. architecture, Londen 1903, 2 1926) ; 
verder > Engelsche bouwkunst. F. Vermeulen. 

Bartosjewics, J u 1 j a n, Poolsch letterkundig 
criticus en cultuurhistoricus. * 1821 te Bjala, f 1870 
te Warschau. 

U i t g. : Verz. Werken (11 dln. Krakau 1877 vlg.). 

Bartramiaceeën , een familie van loofmossen 
met smalle bladeren en eindstandige vruchten, omvat 


47 


Bartsch — Baruch 


48 


18 geslachten, o. a. Bartramia, Bartramsmos (Bar* 
tram ia pomiformis, appelvormig 
B. mos). Ze vormen een tapijtachtige bedekking 
van boschgronden. 

Bartsch, l c Adam v o n, Oostenrijksch schil- 
der, graveur en etser. * 17 Aug. 1767 te Weenen, f 21 
Aug. 1821 aldaar. Leerling van de graveerschool te 
Weenen. Omstreeks 1775 maakte hij ontwerpen voor 
gedenkpenningen. In dezen tijd aangesteld aan de 
hofbibliothcek te Wcenen; was tevens conservator 
voor de daaraan verbonden prenten verzamelingen. 
Vooral bekend als schrijver van knnsthist. verhande- 
lingen, opstellen, catalogi, enz. Sedert 1794 gaf hij 
verschillende catalogi uit van oude gravures en etsen, 
een catalogus van teekeningen in de verzameling van 
prins Carel de Ligne. Van 1803 — 1821 gaf hij zijn 
hoofdwerk uit „Le peintre graveur”, een biographisch 
handboek voor prentverzamelaars. Met groote nauw- 
keurigheid samengesteld, is dit laatste werk nu nog 
van groot belang voor kunsthist. studie en bevat het 
biographische gegevens en bijzonderheden omtrent 
het werk van belangrijke meesters, zooals Rembrandt, 
Lucas van Leyden, e.a. Verder gaf hij uit verschil- 
lende reeksen' prenten naar de werken der groote 
graveurs, zooals Dürer en Burgkmair. Zelf een zeer 
verdienstelijk graveur en etser, kopieerde hij met 
groote nauwkeurigheid en zeer talentvol de teeke- 
ningen van verschillende oude meesters en graveerde 
ook wel naar schilderijen. de Stuers. 

2 ° K a r 1 , Duitsch Germanist uit de school der 
Grimms en Romanist. * 25 Febr. 1832 te Sprottau, 
f 19 Febr. 1888, als hoogleeraar te Heidelberg. B. was 
gespecialiseerd in de tekstkritiek van oud -Hoog - 
duitsche, Proven caalsche en oud-Fr. schrijvers; hij 
leidde de reeks Deutsche Dichtungen des Mittelalters 
(1872 vlg.) en stichtte in 1869 het gewichtige vaktijd- 
schrift Germania. Als litterairhistoricus moderniseerde 
hij de handboeken van Gervinus en Koberstein; in 
den strijd rondom het Nibelungen -probleem koos 

hij de zijde van Pfeiffer, tegen de Lachmann -school. 

Werken: De groote Nibelungen-uitg. (3 dln. 1870 
vlg.) ; Grundriss zur Geschichte der provenzalischen 
Literatur (1872) ; Gesammelte Vortragc und Aufs&tze 
(1883). — L i t. : W. Golther in Allg. D. Biogr. (XLVII 
1903). Baur. 

Bartsch ia (p 1 a n t k.), een Amerikaansch 
geslacht van de familie der Scrophulariaeeae, is in- 
heemsch in het Andesgebergte. In Europa groeit B. 
a 1 p i n a in het hooggebergte (Sudeten en Zwarte 
Woud). 

Baruch (= de gezegende), zoon van Nerias, 
vriend en vertrouweling van den profeet Jeremias. 
Deze dicteerde hem in 605 zijn profetieën en liet ze 
hem in den tempel voorlezen (Jer. 36). Toen koning 
Joakim de boekrol vernietigde, schreef B. ze opnieuw 
op. Na verkoop van zijn akker in Anatol vertrouwde 
Jeremias B. den verkoopbrief toe (Jer. 32. 12). Na den 
val van Jerusalem en den moord op den stadhouder 
Godolias werd hij met Jeremias door zijn volksgenooten 
naar Egypte meegevoerd. Volgens het boek Baruch 
(1. 4; zie ondei) bevond hij zich later in Babylonië, 
vanwaar hij zich met een gedeelte der tempelschatten 
naar Jerusalem begaf. Keuters . 

Baruch (bijbelboek). Oorspronkelijk in het He- 
breen wsch geschreven Bijbelboek, in de 6e eeuw 
v. Chr. onder de Joodsche gevangenen van Babylonië 
samengesteld door Baruch. Na een historische inleiding 
omtrent den persoon van den samensteller (1. 1 — 14), 


bevat het bijbelboek Baruch twee voornaamste deelen: 
1° een gebed van het verbannen volk, dat zijn schulden 
belijdt en God smeekt een einde te stellen aan de 
verdiende straf (1.15-3.9) ; 2° een rede van B., die 
het volk opwekt tot bekeer ing en tot ware wijsheid, 
en de ballingen de naderende verlossing en de bestraf- 
fing hunner vijanden aankondigt (3.9-Ö.9). 

Bijzonder typeerend in het boek B. is het diepe 
gevoel. Eveneens oorspronkelijk in het Hebreeuwsch 
geschreven, en even authentiek en canoniek is de 
Brief van Jeremias, als appendix van 
70 verzen aan het boek B. toegevoegd. Deze brief is 
gericht tot de Joden, die in ballingschap zullen gevoerd 
worden naar Babylonië, en heeft voor doel de ballingen 
af te houden van de Chaldeeuwsche afgoderij. De brief 
van Jeremias bericht ons details omtrent de beelden 
der Chaldeeuwsche góden en drukt scherp de gevoelens 
uit van afschuw en misprijzen, die een trouwe Joodsche 
aanbidder van Jahwe daaromtrent vervulden. Brans . 

Dc rest der woorden van Baruch, of Paralipomena 
van Jeremias. Een apocrief geschrift, waarin de 
laatste levensperiode van Jeremias wordt beschreven, 
nl. de naderende inname van Jerusalem door de 
Chaldeeën en het bevel aan Jeremias om met het volk 
naar Baby Ion te gaan, terwijl Baruch in Jerusalem 
zal blijven. Als de duur van de Babylonische gevangen- 
schap op wonderlijke wijze is bekend gemaakt, meldt 
Baruch den na bijen terugkeer naar Palestina, met de 
vermaning, geen heidensche vrouwen in het volk 
op te nemen. De Joden, die dit toch doen, stichten 
dan de stad Saraaria. Tot slot volgt de marteldood 
van Jeremias. 

Het boek is geschreven door een Jood uit het midden 
der tweede eeuw na Chr. en is in meerdere bewerkingen 
bewaard. 

U i t g. en 1 i t. : A. Dillmann, Chrestomathia 

aothiopica (Leipzig 1866, 1-15) ; R. Harris, The Rest 
of the Words of Baruch (Londen 1889) ; R. Basset, 
Les apocryphes éthiopiens en francais (I Parijs 1893) ; 
Libri extracanonici Veteris Testamenti (Venetië 1896, 
349-378) ; E. Kautzsch, Die Apokryphen und Pseude- 
pigraphen des A. T. (II Tübingen 1900, 402 vlg.) ; 
Dict. de la Bible, Supplém. (I Parijs 1928, 454-455). 

Greitemann. 

Dc Gricksckc Apocalypse van Baruch, of 3 Baruch. 
Een apocrief geschrift. Origenes (De Princ. 2, 3, 6) 
spreekt over een boek van Baruch, waarin gehandeld 
wordt „over de zeven werelden of hemelen”, waarmede 
dit geschrift overeenstemt, daar het de reis van Baruch 
beschrijft in vijf hemelen. De tekst schijnt afgebroken 
te zijn. In den overgeleverd en vorm is het werk Christe- 
lijk, maar het veronderstelt een Joodsch origineel. 
Het is geschreven kort na 126 na Chr. 

U i t g. en 1 i t. : M. R. James, Apocrypha Anecdota 
(II Texts and Studies 5, 1, Cambridge 1897, 84-94) ; 
E. Kautzsch, Dio Apokryphen und Pseudepigraphen 
des A. T. (II Tübingen 1900. 448-457) : R. H. Charles, 
The Apocrypha and Pseudepigrapha of the O. T. (II 
Oxford 1913, 533-541) ; J. B. Frey, Institutiones Bi- 
blicae (Rome 2 1927, 86). Greitemann. 

Dc Syrische apocalypse van Baruch, een apocrief 
geschrift, dat een onsamenhangende verzameling is 
van verhandelingen over den va) van Jerusalem, den 
voorspoed der slechten en de verdrukking der goeden, 
het laatste oordeel, de komst van den Messias, diens 
rijk en de hernieuwing der wereld. Het boek wordt 
afgesloten met den brief van Baruch aan de negen en 
een halve stammen, waarin de ballingen worden aan- 
gespoord tot het onderhouden der wet. Men strijdt 


49 


Barvaux — Barytonon 


50 


er over, of dit werk van één of van meerdere schrijver? 
is. Hoogstwaarschijnlijk is het geschreven in het 
Hebreeuwsch of Arameesch in het begin der 2e eeuw 
na Chr. De eenige overgeleverde vertaling is echter 
naar het Grieksch vervaardigd. 

U i t g. en 1 i t. : A. Ceriani, Monumenta sacra et 
profana (1, 2 Milaan 1866, 66-98; (V, 2 Milaan 
1871, 113-180) ; R. H. Charles, The Apocalyps of Barueh 
(Londen 1896); E. Kautzsch, Die Apokryphen und 
Pseudepigraphen des A. T. (II Tübingcn 1900, 404-446) ; 
R. H. Charles, The Apocrypha and Pseudepigrapha of 
the O. T. (II Oxford 1913, 470-526); Dict. de la 
Bible, Supplém. (I Parijs 1928, 418-423). Greitemann. 

Barvaux. Belg. gemeente in het N.W. van de 
prov. Luxemburg, aan de Ourthe; 1 300 inw.; opp. 
1344 ha. Rotsachti*, weiden; landbouw, veeteelt; 
economisch centrum in de vorige eeuw; leed in 1914 
door Duitschen inval. 

Barvaux- Conclroz, gem. in de prov. Namen, 
ten N.O. van Dinant; ruim 400 inw., grootendeels 
Kath.; opp. 1 884 ha; landbouw. 

Barwoutswaarcler, gemeente in Z. Holland 
aan den Ouden Rijn, grenzend aan Woerden. 850 inw., 
waarvan 20% R.K. Opp. 382 ha. De gemeente bestaat 
uit de polders Barwoutswaarder, Bekenes en gedeelte- 
lijk Nieuwerbrug. Secretarie te Woerden. Bestaans- 
middelen: veeteelt, potten- en pannenfabricatie. 

Bary, Hendrik, graveur, werkzaam te Gouda. 
Van zijn hand bestaan een groot aantal kopergravures, 
meest portretten van bekende personen. Zijn kunst 
is zeer verdienstelijk, getuigt van poote metierkennis 
en is niet zonder artistieke kwaliteiten. * 1640, f 1707. 

L i t. : Obreen’s Archief (II, IV, V, VI). 

Barycentrische coördinaten, > Coördi- 
naten. 

Barycentrnm , > Zwaartepunt. 

Baryc, Antoine Louis, Fransch schilder 
en beeldhouwer. * 24 Sept. 1796 te Parijs, f 25 Juni 
1875. Leerling van den graveur Fourier, den beeld- 
houwer Bosio en den schilder Gros. 1820 Prix de Rome. 
Legde zich hoofdzakelijk toe op de plastische weergave 
van het dier en den strijd in het dierenleven. Hierin 
is hij een der grootste figuren van de 19e eeuw. Zijn 
groot talent sproot voort uit een zeer grondige studie 
naar de natuur. Behalve beeldhouwer was hij ook 
een voortreffelijk schilder en teekenaar. Maakte ook 
enkele etsen. 

Werken: zijn talrijke werken zoowel in schilde- 
rijen en aquarellen als in beeldhouwwerken o.a. in het 
Louvre te Parijs, de musea te Puy, Marseille, enz. — Lit.: 
Bellier-Auvray, Dict. gén. des artistes ; Bénézit-Auvray, 
Dict. gén. des artistes; A. Alexandre, Baryc (1889); 
Ballu, L’oeuvre de Barye. de Stuers. 

Barycjyroscoop, > Gyroscoop. 

Buryphonle (lett. stembezwaring), bemoeilijking 
van het spreken. 

Barysphcer is een oudere, in onbruik geraakte 
naam voor de zware kern van de aarde. > Aarde 
(Inwendige van). 

Baryl of zwaarspaat, mineraal (voor che- 
mische samenstelling, > Baryumsulfaat), behoorend 
tot het rhombische stelsel/ van de samenstelling 
BaS0 4 , dikwijls verschillend gekleurd. Baryt komt 
meestal samen met sulfidische ertsen voor, en speelt 
de rol van gangmateriaal. In het algemeen neemt men 
aan, dat baryt een hydrothcrmaal mineraal is, d.w.z. 


een precipitaat uit warme waterige oplossingen. De 
witte baryt werd vroeger veel als vervalsching van 



loodwit, meel en suiker gebezigd. Het vindt o.a. 
toepassing in de bereiding van barytaarde en soort- 
gelijke preparaten. Hof steenge. 

De naam baryt wordt ook wel gebruikt voor 
baryumoxyde, Bao. Soms ook bedoelt men 
er baryumhydroxyde mee. 

Barytberidac (( Gr. therinn = dier), een uit- 
gestorven familie der Proboscidca (slurfd ieren) uit 
het Eoceen van Egvpte. Tot deze familie behoort het 
geslacht Barytherium, waarvan overblijfselen zijn 
gevonden bij Fajoem (Egypte). 

Baryl herin m, > Barythcridae. 

Barytocaleiet, vrij zeldzaam mineraal van de 
gamenstelling BaC0 3 CaC0 8 . De kristallen zijn mono- 
klien en geelwit. B. komt o.a. voor bij Alston in 
Schotland; niet van economisch belang. 

Bary ton, 1° normale mannenstem, houdt 
het midden tusschen bas met diepen, wijden larynx 
en korte, breede stembanden, en tenor, met rela- 
tief ondiepen, smallen larynx en lange, smalle stem- 
banden. Over de erfelijkheid van het stem-timbro, 

> Stem. De b. heeft de zwaarte en kracht van het 
bastimbre, maar bovendien iets van den glans van het 
tenortimbre. Omvang van G tot g ééngestreept. 
In Frankrijk ook basse-chantante of concordant 
genaamd. 

Lit.: Proceedings of the International Congress of 
Phonetic Sciences (1933, 74 vlg.). 

2° Strijkinstrument, dat in de 18e eeuw 
veel gebruikt werd. Zeer gelijkend, ook in bouw, op 
de cello. Had zes of zeven bespeelbare snaren, 
waaronder zich nog meerdere snaren bevonden, die 
meeklonken, of met den duim der linkerhand geraakt 
werden. De stemming der bovenste snaren was: 
B, E, A, d, g, b, e ééngestreept. Haydn schreef meer- 
dere composities voor b., tcrwille van vorst Nikolaas 
Esterhazy. 

3° B laas instrument; barytonhoom, tot de 

> bugelhoorns behoorend ; in symphonie-orkesten 
niet gebruikt. E. Andriessenjbr. Herman Jozef. 

Bary-tonans, oude benaming voor basstem, in 
de 15e en 16e eeuw gebruikelijk. > Baryton. 

Barytonclarinet , > Clarinet. 

Barytonese (p h i 1 o 1.). In de Grieksche 
spraakkunst: het barytonon -(zwaar-tonig)-worden 

van een silbe, die nóch acutus (') of hoogtoon, 
nóch circumflexus of dubbeltoon heeft, bijv. in logos 
(woord) en in doöron (gave) heeft de laatste silbe 
barytonese. Een woord, dat, zooals de bovenstaande, 
geen accent op de laatste silbe heeft, heet barytonon. 

br. Eerman Jozef. 

Barytonon, > Barytonese. 


51 


Barytonsleutel — Barzun 


52 


Barytonsleutel (muziek), 1° c-sleutel op 
de 6e lijn; 2° ook f -sleutel op de 3e lijn. Beide thans 
ongebruikelijk. 

Barytpapicr dient als onderlaagpapier voor 
photographische gelatine-zilver emulsies. Het ver- 
hindert, dat bovengenoemde emulsie in de papiervezel 
dringt, zoodat als het ware een gesloten photographisch 
beeld gevormd wordt. Voordeelen hiervan zijn: 
gladde oppervlakte, minimum wegzinken in de 
schaduwpartijen. 

Barytwater is een oplossing van baryumhydro- 
xyde in water. Deze oplossing reageert sterk basisch. 
De oplosbaarheid van het baryumhydroxyde bedraagt, 
bij 20° ongeveer 7 gram Ba(OH) 2 .8H 2 Ö per liter. 
Het baryumhydroxyde wordt gemaakt uit liet in de 
natuur voorkomende baryumsulfaat. Dit wordt eerst 
met koolstof gereduceerd tot het sulfide, dat daarna 
met koperoxyde en water wordt gekookt. B. heeft 
in het laboratorium een voordeel boven andere sterke 
basen, omdat het door verdund zwavelzuur alsook 
door koolzuurgas geheel kan worden omgezet in onop- 
losbare verbindingen en aldus verwijderd, v. d. Beek. 

Baryum, een element, behoorende tot de alkali- 
sche aarden. Atoomgewicht 137,37, atoomnummer 5G, 
geen isotopen. Symbool Ba, smeltpunt 850°, kook- 
punt 1 146°. B. is uitsluitend tweewaardig. 

Historie. In 1602 of 1603 trok het tegenwoor- 
dig als baryumsulfaat bekende mineraal zwaarspaat 
de aandacht van een schoenmaker uit Bologna, 
V. Casciorolus. Deze nam waar, dat het door gloeien 
met koolstof en vernis de eigenschap kreeg te phospho- 
resceeren. Vandaar dat de steen genoemd werd „lapis 
Solaris”, ook wel Bologneezer steen. Dit phosphores- 
ceeren is later verklaard, doordat er baryumsulfide 
gevormd was, dat die eigenschap bezit. Davy was 
de eerste, die door electrolyse het b. als metaal heeft 
afgescheiden. De naam b. is afkomstig van het zware 
mineraal zwaarspaat (barus = zwaar). 

Bereiding. Men bereidt b. door electrolyse 
van een heete oplossing van baryumchloride met een 
kathode van kwik. Het gevormde baryumamalgaam 
wordt bij verhitting van kwik bevrijd, en het b. door 
distillatie gezuiverd. 

Eigenschappen. Het b. is een zeer onedel 
metaal en wordt door water en alle zuren zeer gemakke- 
lijk aangetast. Ook de halogenen, zwavel, zuurstof 
en zelfs waterstof tasten het gemakkelijk aan. Het 
heeft geen technische toepassing. v. d. Beek. 

Baryumaluminaat, > Aluminaten. 

Baryumcarbonaat, een witte, in water 
onoplosbare stof, die in de natuur als belangrijk 
baryumhoudend mineraal voorkomt onder den naam 
Witheriet. De formule is BaCO s . Men kan het 
als neerslag verkrijgen door een oplosbare baryum - 
verbinding met een carbonaat, bijv. soda, te behande- 
len. De toepassingen beperken zich tot het gebruik 
in liet laboratorium, en het verdelgen van ratten en 
muizen. v. d. Beek. 

Baryumchloride, een kleurlooze kristallijne 
stof, die met twee moleculen kristalwater kristalli- 
seert. Formule: BaCl 2 .2H 2 0. Het wordt meestal 

bereid uitgaande van baryumsulfaat, dat eerst met 
koolstof tot baryumsulfide wordt gereduceerd. Dit 
sulfide lost men in zoutzuur op tot het chloride. In 
het laboratorium dient b. als reagens op suifaat- 

ionen. t?. d. Beek. 

Baryumhydroxyde, > Barytwater. 

Baryumnitraat is een witte kristallijne stof, 


Ba(N0 3 ) 2 , die bij 693° smelt. Bij sterke verhitting 
ontleedt het. Het wordt bereid uit het carbonaat, 
hydroxyde of sulfide met salpeterzuur. B. wordt 
toegepast in de vuurwerkindustrie voor het maken 
van groen vuur, verder in het laboratorium. 

Baryumoxyde, BaO, een witte stof, die ver- 
kregen wordt uit het carbonaat door sterk gloeien 
met koolstof. Ook uit het nitraat door zeer sterke 
verhitting. Echter nauwelijks uit het hydroxyde of 
carbonaat door verhitten zonder meer. Het heeft geen 
toepassing. 

Baryumpcroxyclc, een witte stof met formule 
Ba0 2 . Het ontstaat uit baryumoxyde door verhitting 
met zuurstof of lucht op 600° en 2 atmosfeer. Bij 
sterkere verhitting staat het weer zuurstof af. Daardoor 
is het een bruikbaar oxydatiemiddel, en dient het 
bijv. met magnesiumpoeder gemengd als ontstekings- 
massa (o.a. voor thermietmengsels). Met verdund 
zwavelzuur ontstaat waterstofperoxydo . v. d. Beek. 

Baryumphttinacyiuiuurscherm is een 
karton met kleefstof, die bariuracyanuur bevat, 
bestreken. Deze stof heeft de eigenschap, indien zij 
door röntgenstralen wordt getroffen, fluoresceerend 
te lichten. Een b. wordt in de geneeskundige röntge- 
nologie bij doorlichtingen gebruikt; op het b. wordt 
een schaduwbeeld van het onderzochte orgaan gezien. 

Heukensfeldt-J ansen. 

Baryumplatin-eyanuur, een kristallijne 
stof van de samenstelling BaPt(CN)4.4H 2 0. Er 
bestaat een goudgele en een groene modificatie van. 
Het kan bereid worden uit platina-cyanuur met 
baryumcyanuur. Onder den invloed van röntgen- 
stralen fluoresceert de stof sterk, vooral de groene 
modificatie. Dit is de voornaamste toepassing. 

v. d. Beek. 

Baryumsulfaat of zwaarspaat, BaSo 4 , een 
witte stof, die in het rhombische stelsel kristalliseert. 
S.g. bedraagt 4,48, de oplosbaarheid in water is zeer 
gering (2,4 mg per liter bij 18°). Het smeltpunt be- 
draagt 1 580°. Door koolstof wordt het betrekke lijk 
gemakkelijk gereduceerd, waardoor het sulfide ont- 
staat. Aldus worden uit b. andere baryumverb indingen 
bereid. Fijngepoederd b. dient als verfstof onder 
den naam permanentwit of blanc-fixe. In de papier- 
industrie wordt het met de papierbrij aangemengd 
voor het maken van karton en visitekaarten. In het 
laboratorium worden zoowel zwavelzuur als baryum- 
ionen in den vorm van b. quantitatief bepaald. 

v. d. Beek. 

Baryumsulfaat wordt in de geneeskundige rönt- 
genologie gebruikt als schaduwgevende stof 
om het maagdarmkanaal met röntgenstralen zichtbaar 
te maken. Tot dat doel wordt het met andere stoffen 
gemengd om een pap te vormen. Komt voor in ver- 
schillende specialités voor dit doel in den handel 
gebracht. Heukensfeldt- Jansen. 

Barzoe-ÏVamch (Boek van Barzoe), 
meest omvangrijke der Perzische heldendichten, die 
in navolging van Firdoesi’s Sjahnameh geschreven 
werden. In 65 000 dubbelverzen bevat het de avon- 
turen van Barzoe, den kleinzoon van Roes tem: één 
opeenvolging van fabels en volksverhalen, volgens 
zeggen van den dichter aan Pehlewi-bronnen ontleend, 
lie eeuw. Zoetmulder . 

Barzoi, > Russische windhond. 

Barzun, Henri Martin, Fransch dichter 
en dramaturg, een der mede -oprichters van 
l’>Abbaye de Créteil. Zijn lyrische poëzie 


53 


Bas— Basalt 


54 


ontwikkelde zich van het zelf bespiegelende en 
idyllische der eerste verzamelingen (Jeunesse, 
Adolescence) tot een soort wijsgeerig epos in vele 
bundels : La terrestre Tragédie, waarvan de laatste 
gedeelten een nieuwe poging tot > simultaneïsme, 
tot dramatische al -kunst (drame universel 
heet het bij B.) in eenigszins Wagneriaanschen zin, 
uitmaken. Als aesthetische theorie heeft B. ’s dramatis- 
me niet slechts het oog op de door hem gewenschte 
synthesis van objectieve en subjectieve letterkundige 
soorten, maar ook op die van het individueele en het 
collectief -sociale feit, uitloopend in een Europeesche 
al-kunst, die Germaansche mystiek en Slavische gevoe- 
ligheid met Latijnsch-Fransche klaarheid en zuiver- 
heid van vormgevoel zou verbinden. B.’s metriek, 
berekend op de levende menschclijke stem en niet 
langer op het gedrukte boek, bevrijdt het vers van alle 
conventioneele banden, om het te maken tot wat 
hij rhythme dramatique noemt, d.i. de 
rechtstreeksche, sterk -persoonlijke uiting van het 
psychische in taalgeluiden. * 27 Sept. 1881 te Grenoble. 

Werken: Jeunesse (1903) ; Adolescence (1905) ; 
La terrestre Tragédie (1908-’12) ; L’esthétique drama- 
tique (1912-’13); La Tourmente (tragedie, 1916); 
Le simultanéisme (1917) ; Le livre d’art moderne fran- 
cais (1920). Baur. 

Bas, 1° laagste mannenstem (philologisch, 
> Baryton); algemeene omvang: D tot d ééngestreept. 
Naar karakter van timbre te onderscheiden in: basse- 
taille, noble of contra: diep en zwaar; basse chantante: 
hooger en lichter; basso buffo: lage bas in de opera, 
voor komische rollen; Laruette; lichte Fransche stem, 
voor komische rollen. 

2° Algemeene naam voor de laagste partijen in 
iedere compositie (basis). In de meerstemmige muziek 
vóór 1500 was de bas niet de uitsluitende basis der 
harmonie: de zelfstandige loop der melodieën deed de 
stemmen óók in lagere registers meermalen wisselen 
en kruisen. De eigenlijke fundamenteele basleiding 
dateert van Gulielmus Monachus (1450). 

H. Andriessen. 

Bas, 1° Franco is d c, Ncdcrlandsch militair 
geschiedkundige. * 10 Sept. 1840 te Den Haag, f 22 
Febr. 1931 aldaar. Werd, na in verschillende rangen 
bij de cavalerie en den generalen staf te hebben gediend, 
in 1890 op nonactiviteit gesteld, ten einde zich geheel 
aan krijgsgeschiedkundige studiën te kunnen wijden. 
Op 2 Nov. 1897 werd hij benoemd tot directeur van 
het, dank zij zijn streven opgerichte, Krijgsgeschied- 
kundig Archief van den generalen staf. Op 14 Juni 
1909 werd hem de rang van generaal-majoor en op 
26 Aug. 1913 die van luitenant-generaal verleend. 
Op 1 Juni 1927 ontving hij eervol ontslag als directeur. 

Werken: o.m. Prins Frederik der Nederlanden 
en zijn tijd ( 4 dln. 1887-1913) ; in samenwerking met 
J. de t’Scrclaes de Wommersom : La campagne de 1815 
d’après les rapports officiels Néerlandais (3 dln. 1908) ; 
Het tractaat van 19 April 1839 (1919) ; Les relations 
Hollando-Bclgcs, Le Traité du 19 avril 1839 (1923) ; in 
samenwerking met F. J. G. ten Raa : Het Staatsche 
Leger (1568-1795), bewerkt onder toezicht van den 
chef van den generalen staf ; in samenwerking met 
A. K. A. Gijsbnrti Hodenpijl : Het Nederlandsch-In- 

dische Leger (1602-1795), eerste deel in manuscript 
gereed ; bovendien talrijke biographieën en publicatiën. 

v. Voorst. 

2° G i u 1 i o, musicus; * 21 Apr. 1874 te Venetië, 
f 25 Juli 1929 te Milaan. 1908—1929 leeraar aan het 
conservatorium te Milaan. Werken: verschillende 
composities op kerkmuzikaal gebied; verder eenige 


theoretische werken over harmonieleer, contrapunt en 
Gregoriaansche begeleiding. Hij was de eerste, die 
het heele Graduale en Vesperale van orgelbegeleiding 
voorzag met bijzondere inachtneming van het Soles- 
menser rhythme-systeem. Bruning. 

Basa, stam van de West-groep der Soedan- 
ManfoeV, > Afrika (Bevolking). 

Basaal (( Gr. basis = voet) is in de plantkunde 
alles wat aan den voet van de plant of aan het onder- 
einde van een orgaan of in de nabijheid daarvan ge- 
legen is. 

Basaal conglomeraat (geologie) noemt 
men een conglomeratisch gesteente, indien het zich 
in de overgangszone tusschen zoetwater- of terrigene 
afzettingen eenerzijds en marine afzettingen ander- 
zijds, bevindt. Een basaal conglomeraat duidt dus 
een transgressie van de zee op het land aan. Dit ge- 
steente vormt zich, doordat tengevolge van het stij- 
gende zeewater stukken gesteente uit den ondergrond 
worden losgemaakt, die door het watertransport wor- 
den afgeslepen, en later samengekit worden. Hoe groo- 
ter de afstand is, over welke de transgressie voort- 
schrijdt, des te grooter is het gebied, waar zich het 
basaal conglomeraat kan vormen. Hofsteenge. 

Basaalmetabolisme, > Grondstofwisseling. 

Basaaiigans, > Jan van Gent. 

Basaiti, M a r c o, Ital. schilder, wellicht van 
Grieksche afkomst, die in het begin der 16e eeuw in 
Venetië werkzaam was, aanvankelijk (1502 in de Frari- 
kerk) samen met Alvise Vivarini. Zijn werk is hard 
en stijf, zijn kleur sappig, vooral in later tijd, als hij 
meer toenadering zoekt tot de kunst van Giov. Bellini. 
Wanneer hij zich het manier van Giorgione poogt 
eigen te maken, faalt hij. 

Voorn, werken: Roeping van de zonen van 
Zebedeus (1510; Venetië, academie); Christus in den 
Olijinof (1520) ; Sint Joris en de draak (1520) ; Sint 
Jacob en Sint Antonius ; Gestorven Christus tusschen 
treurende Engelen ; Madonna en Heiligen (Padua, 
Museo civico). — L i t. : Venturi, Storia dell' arte 
italiana (VIII 4, 1915). Knipping. 

Basale groei, > Apicale groei. 

Busalia, benaming voor de tusschen den steel en 
radialia gelegen kalkp laatjes bij de crinoidea (zee- 
lelics). Het basale gedeelte van den kelk der crinoidea 
kan uit één rij van basal ia bestaan (monocyclische 
basis), of uit twee rijen (dicyclische basis). In het 
laatste geval worden de onderste plaatjes infrabasalia 
genoemd. 

Basalt ((Gr. basanitès = steen van Basan, in 
Syrië), een donker gekleurd eruptief gesteente, be- 
staande uit de mineralen: plagioklaas, augiet, magne- 
tiet en olivijn. Naast deze hoofdbestanddeelen is 
vaak een glazige grondmassa aanwezig. Basalt wordt 
aangetroffen in den vorm van gangen en als lava- 
dekken (o.a. op Usland). Bij afkoeling van de vloei- 
bare basaltlava ontstaan krimpscheuren, die het ge- 
steente in meestal zeshoekige zuilen verdeelen. B. 
wordt op vele plaatsen in groeven ontgonnen en als 
verhardingsmateriaal voor wegen en voor zeeweringen 
^ebezigd. Crommelin. 

B. bevat ongeveer 50 tot 60% Si0 2 , 10 tot 15% 
A1 2 0 8 benevens kleine hoeveelheden der oxyden van 
ijzer, calcium, natrium en magnesium. Het smelt 
tusschen 1400 en 1500° en wordt gebruikt voor het 
maken van isolatoren voor zeer hooggespannen stroo- 
men. Verder ais zuurvast materiaal. v. d. Beek. 

Gebruik. Basalt wordt gebruikt voor bouw- 


55 


Basaltinetegels— Baschenis 


56 


werken (> Woningbouw) en voor zee- en rivierwerken ; 
in de beide laatste gevallen als zuilen, tafelbasalt, 
in stukken, als afval (schrot) en basaltslag (steenslag). 
Z u i l e n b a s a 1 1 wordt gebruikt voor zeeweringen, 
bij den bouw van sluis- en kaaimuren, enz.; het is 
van een vijf- of zeshoekige doorsnede, 20 tot 35 cm dik, 
over kruis en wordt geleverd in regelmatige prisma’s, 
welke voor waterstaatswerken aan de bepalingen der 
Algemeene Voorschriften van den Rijkswaterstaat 
(A.V.) moeten voldoen. Korte zuilen worden kopzuilen 
of kopsteenen genoemd. Een m* zuilenbasalt weegt 
ca. 1 760 kg. Tafelbasalt wordt gebruikt voor 
steen bezettingen en komt in den handel als vrij regel- 
matige vierhoekige stukken voor met zijden van 30 
tot 60 cm bij een dikte van 15 tot 20 cm. Gewone 
basalt bestaat uit stukken van onregelmat igen 
vorm, welke minstens 20 kg wegen. Basaltslag weegt, 
naarmate de grofheid, 1 500 tot 1 600 kg per m 8 : 
het wordt gebruikt voor wegverharding en als bestand- 
deel van beton. De dmkvastheid van b. bedraagt van 
3 000 tot 5 000 kg per cm 2 . P. Bongaerts. 

Basaltinetegels worden vervaardigd van een 
cementbeton, waarin een hoeveelheid fijn basaltslag 
is verwerkt. Zij zijn zeer goed bestand tegen afslijting 
en daardoor geschikt voor vloeren, trottoirs, enz. 
Van hetzelfde materiaal worden ook basaltine riool- 
buizen vervaardigd. 

Basal (jaspis , een door een opstijgend basaltische 
intmsie contactmetainorph veranderd gesteente (zand- 
steen, mergel, e.a.). Het nieuw gevormde gesteente, 
de basaltjaspis, kenmerkt zich door een groote com- 
pactheid en een schelpachtige breuk. 

Basalt lava, een natuurlijk gesteente, dat op 
verschillende plaatsen in Europa gevonden wordt. 
De dichtheid (en in verband daarmede het soortelijk 
gewicht) en de dmkvastheid zijn veel lager dan die van 
basalt, nl. 0,780 (s.g. 2.920) en 490 tot 640 kg per cm 2 . 

Basaltslag, -> Basalt. 

Basal (steen, -> Basalt. 

Basal twackc, een vrij onsamenhangend aardach- 
tig gesteente, dat ontstaat bij verweeren van basalt. 

Basaltzuilen, de typische lichamen, die ont- 
staan, indien bijv. een basalt la va stolt. In de afkoe- 
lende lavamassa ontstaan krimpscheuren, gericht 


Basan (Basjan), landstreek in Trans -Jordanië, 
door de Israëlieten veroverd op Og, den Amorietischen 
koning (Deut. 3.8 vlg.). De juiste grenzen van B. zijn 
moeilijk te bepalen, en waarsch. in de II. Schrift ook 
niet steeds gelijkvormig. In het algemeen omvatte B. 
alles wat lag tusschen den Grooten Hormon in het 

N. , de steden Edreï en Salccha (Selcha) in het Z. en de 
Syrische woestijn met de bergen van Hauran in het 

O. , terw ijl liet gebied van Geschur en Maacha B. scheid- 

de van den Jordaan in het W. Volgens sommige teksten 
strekte B. zich nog verder Westelijk en Zuidelijk uit 
fvgl. Deut. 4.43 en Jos. 13.30). De streek wordt in het 
O.T. geroemd als zeer vruchtbaar en was daarom de 
uitdrukking voor alles wat overvloedig en zegenrijk 
was (Mich. 7.14; Is. 2.13; Deut. 32.14 e.a.). Als oudste 
inwoners noemt het Boek der Schepping (14.6) de 
Rephaïm. Mozes veroverde B. voor den stam van Ma- 
nasse (Num. 21.33). Koning Hazaël van Syrië ontnam B. 
aan Jehu van Israël (4 Rcg. 10,33). Voorn, steden in 
B. waren: Astaroth, Edreï, Salecha (Selcha). De naara 
B. leefde na Christus’ tijd voort in het landschap Ba- 
tanea. Simons . 

L i t. : R. Maisler, Die Landschaft B. im 2en vor- 
christl. Jahrtausend, in : Journ. Pal. Or. Soc. (9, 80-87). 

Basaniet, een soort hasalt, die behalve olivien 
en plagioklaas nog nefelien of leuciet bevat. 

Basankoesoe, plaats in B. Kongo, Evenaars- 
prov. ; haven aan den samenloop van Maringa en 
Lopori; Kath. missiepost; administratief en handels- 
centrum. 

Basarabia, Roemecnsche naam voor > Bes- 
sarabië. 

Basardzjik, > Tatar-Pasardzjik. 

Basar i, stam van de Goerma-groep in den Soe- 
dan; > Afrika (Bevolking). 

Bascaman, bijb. plaats in Trans -Jordanië, ver- 
meld in de oorlogen der Macchabeëen (1 Mac. 13.25) 
en bij Flav. Jos. (Basca), dikwijls geïdentificeerd met 
Teil Bazoek ten N.O. van het meer van Genesareth. 
Een andere lezing van den tekst is echter niet onwaar- 
schijnlijk. Simons. 

Bascharage, gem. in het groothertogdom 
Luxemburg, ten W. van Luxemburg; (1933) t 2 200 



Basaltvormen. Doorsnede van den Scheidskopf bij Remagen (D.). 


loodrecht op het afkoelingsvlak. Als de heele massa 
gestold is, blijkt zij door deze krimpscheuren in soms 
verrassend regelmatige, meestal zeszijdige prisma’s 
te zijn verdeeld. Dergclijke typische vormen, ontstaan 
door afkoeling, zijn o.a. waar te nemen bij Rolandseck, 
tegenover Königswinter aan den Rijn. > Basalt (Ge- 
bruik). Hof steenge. 


inw., opp. 1 914 ha; drie parochies; spoorwegstation. 

Baschenis, Evaristo, Ital. schilder uit 
Bcrgamo, van stillevens (vooral met muziekinstru- 
menten), enkele Madonna’s en een portret van zich- 
zelven, zittend voor het spinet. Leerling van zijn 
vader Pietro. * 1617, f 1677. 

L i t. : Wauters, Les instruments de musiquo d’Ey. 


57 


Baschkirzewa — Basella alba 


58 


B. bergamasque (1908) ; Caversazzi, in : II ritratto 
italiano (1927). 

Baschkirzewa, M a r i e, > Bashkirtsjew. 

Bascule , > Weegtoestellen. 

Basculehrufi, > Bruggen. 

Basdooiheid is die vermindering van de gehoor - 
scherpte, waarbij uitsluitend of vooral liet basgedeelte 
der toonladder niet gehoord wordt. Deze doofheid ont- 
staat vooral bij middenooraandoeningen in tegenstel- 
ling met de > discantdoofhcid, die vooral voorkomt 
bij binnenooraandoening. 

Baseball, Amerikaansch balspel, dat in Neder- 
land gespeeld wordt onder den naam honkbal. 

Basecke, G eo rg , Duitsch Germanist. * 13 
Jan. 1876 te Bronswijk, hoogleeraar te Ha 11e. B. koos 
zich de oud-IIoogduitsche taal en de middel-Hoog- 
duitsche tekstkritiek tot studievak; verder werkte 
hij mede aan de groote Luther-uitg. (Weimar 1902 
vïg.). w Baur. 

Werken: Germanistische Arbeiten (4 dln. 1914 
▼lg.) ; Einführung in das Althochdeutsche (1918); 
Reinhart Fuchs (1926) ; Der deutsche Abrogans (1930). 

Basèclcs, gein. in de prov. Henegouwen, tusschen 
Bergen en Doornik; opp. 861 ha; 4 500 inw. Zand- 
en kleiachtige aarde op rotsa chtigen ondergrond. 
Landbouw; steengroeven en kalkovens; ten Z. loopt 
het kanaal van Pommeroeul naar Antoing. Kasteden 
van Basècles en Daudergnies. B. was reeds van belang 
in de 10e eeuw, nl. als landbouwmarkt; oud graaf- 
schap. Kerk uit de 18e eeuw; Frankisch kerkhof ont- 
dekt. V. Asbroeck. 

Basedow, J o h a n n Bernhard, hoofd- 
vertegenwoordiger van het philantropinisme, d.i. 
de paedagogiek van het rationalisme, de Verlichting 

in Duitschland ; vol- 
geling van Locke 
en Rousseau; intel- 
lectualist, utilist, 
naturalist; school- 
hervormer vol plan- 
nen, maar zelf een 
onopgevoed m ensch , 
die zijn eigen model- 
inrichting, het Phi- 
lantrop inum ,te Des - 
sau, te gronde 
richtte; voorstan- 
der van een natuur- 
lijken godsdienst, 
van een natuurlijke 
zedenleer, van ex- 
treme sexueele voor- 
lichting; hechtte overdreven waarde aan methode en 
leerboeken; gaf echter den stoot tot noodige school- 
hervormingen in Duitschland en daarbuiten. 

* 1723 te Hamburg; f 1790 te Maagdenburg; 
studeerde philosophie en theologie; enkele jaren 
gouverneur te Holste in, dan professor in moraal en 
schoone kunsten, eerst aan de Ridderacademie te 
Soroe op Seeland en vervolgens aan het academisch 
gymnasium te Altona. Aangegrepen door Rousseau ’s 
„Emile”, droomde hij van een totale onderwijsher- 
vorming in Duitschland, ja in heel Europa. Vanaf 1771, 
toen hij naar Dessau vertrok, onvermoeid werkzaam 
als paedagogisch schrijver en practicus. 

Werken: Vorstellung an Menschenfreunde und 
vermögende M&nner über Schulen. Studiën und ihren 
Einflus8 in die öffentliche Wohlfahrt (1768) ; Methoden- 
buch für V&ter und Miitter der Familien und Völker 


(1770); Elementarwerk (1770, 1774), dat de onderwijs- 
stof bevatte vanaf de lagere school tot en met de aca- 
demie. — L i t. over B. vindt men in elke historische 
Paedagogiek. 1 iombouts. 

Basedowschc ziekte (Gravc’sche ziekte, liypcr- 
thyreoidie, thyreotoxicosls). Basedow, een arts in 
Merseburg (1799 — 1854) beschreef een ziekte, waarvan 
de voornaamste verschijnselen bestaan in versnelde 
hartsactie, grooter worden van de schildklier (struma), 
uitpuilen der oogen, beven der handen en vermagering. 
De ziekte uit zich vooral in de vermeerderde werk- 
zaamheid der schildklier. Deze klier scheidt stoffen 
af. die in de bloedbaan komen. Bij de B. z. is deze 
afscheiding veel sterker dan in normale omstandig- 
heden. Hierop berusten de meeste verschijnselen. 

Een der kenmerkende eigenschappen der B. z. is 
haar invloed op de stofwisseling. De verbrandings- 
processen, die in het lichaam plaats vinden, verloopen 
bij de B. z. sterker; er wordt dan ook veel meer zuur- 
stof verbruikt dan normaal liet geval is. De hoeveelheid 
opgenomen zuurstof is met toestellen ter bepaling 
van het zuurstofverbruik te berekenen. Deze stof- 
wisseling (basaalmetabolisme) is bij de B. z. gewoonlijk 
belangrijk verhoogd. Bij twijfelachtige gevallen is het 
soms mogelijk door bepaling van de stofwisseling 
de ziekte te herkennen. 

De behandeling der ziekte van Basedow grijpt al 
naar het geval van verschillende kanten aan. Terwijl 
operatieve, gedeeltelijke wegname van de schildklier 
of het met behulp van Röntgenstralen verminderen 
harer functie direct in werkt op het orgaan, dat in het 
middelpunt van het lijden staat, vermindert men door 
absolute rust de zuurstofbehoefte der weefsels en 
beïnvloedt door medicamenten en anderszins den 
psychischen toestand. Het is immers bekend, dat de 
psychische toestand tijdens de ziekte verandert; 
maar ook weet men, dat emoties e.d. tot het optreden 
van de Basedow in sterke mate kunnen bijdragen. 
Ook de chemische stof jodium blijkt bij de ziekte 
van Basedow van belang te zijn. Jodium kan de 
verschijnselen belangrijk, zij het meestal slechts 
tijdelijk, verbeteren, terwijl van den anderen kant 
langdurig gebruik van slechts kleine hoeveelheden 
jodium verschijnselen van Basedowsche ziekte bij 
tevoren gezonden kan veroorzaken. v. Balen . 

Basiseer, R i c h a r d, Belg. landschapschilder. 
* 1867. Vormde zich in hoofdzaak door zelfstudie. 
Werkte in Vlaanderen, Antwerpen, aan de Belg. kust 
en aan de Schelde. Een onafhankelijk en krachtig 
talent, dat vooral uitmuntte als impressionist. Was 
ook een voortreffelijk genre- en figuurschilder. 

Lit. : Onze kunst (1905); Lemonnier, L’école beige 
de peinture (Brussel 1906, 225). 

Bascler, G u i 1 1 i a ra, de in de 17e eeuw' 
gevierde Leuvenschc dichter van het allegorisch 
uitgebouwd mirakelspel Zegepraal der onwinbare 
Kercke (3 bedr.), moeilijke en vermoeiende tekst 
wregens de bijbelsche en theologische toespelingen, de 
gezwollen en harde taal, den doorloopend streng- 
deftigen toon, geschreven in 1674 bij gelegenheid van 
het 3e eeuwfeest van het H. Sacrament van Mirakel. 

L i t. : L. W. Schuermans, Leven en Werken der 
Zned. schrijvers (I, 46 vlg.). Godelaine. 

Basc-line, de achterlijn van de tennisbaan. 

Basella alba, witte Basella, behoorend tot het 
geslacht Basella en de familie Basellaceae, komt bijna 
overal voor en w'ordt ook als groente gekweekt. In de 
warmere streken Is dit een gezochte soepgroente. 



59 


Basellaceac — Basengele 


60 


De bloemen zijn klein en wit tot violet van kleur, 
terwijl de bloemblaadjes in rijpen toestand vleezig 
worden. 

Basellaceac, een familie met vijf geslachten, 
is, met uitzondering van B a s e 1 1 a, uitsluitend 
Amerikaansch. Van het 15-tal soorten dezer familie 
worden er een 10-tal ondergebracht in het geslacht 
Boussingaultia, terwijl de andere geslachten 
elk één vertegenwoordiger hebben. De Basella-achtigen 
zijn veelal vleezige kruiden met dikke bladeren en 
meest onbeduidende groene, witte of roodachtige 
bloemen. Het vruchtbeginsel is eenhokkig en de 


soms ietwat vooruitspringend of schuin geplaatst, 
waardoor een indruk van soliditeit wordt gegeven. 
De benedenverdieping kan in het b. geheel of gedeelte- 
lijk worden opgenomen. 

Ook het voetstuk van een zuil of van een beeld. 
Bij betimmeringen wordt b. genoemd het blokje onder 
koplat en architraaf (andere naam is „neut”). 

Thunnissen. 

Basen (schei k.) zijn stoffen, die bij electro- 
lytische dissociatie zich splitsen in een kation en een 
of meer hydroxyl ionen. Met zuren geven zij, onder 
vorming van water, zouten. Men onderscheidt naar 



Basement (b) aan het Palazzo Vendramin-Calergi te Venetië. 


gesloten blijvende vrucht bevat slechts één zaadje. 
De wortelstok is knolachtig verdikt of bezit vertak- 
kingen, die tot aardappelachtige knollen aanzwellen, 
nl. bij den Knol-basella, Ullucus tube rosu s, 
die vooral in Equador een voornaam voedingsmiddel 
zijn. Ook in Europa heeft men proeven genomen met 
den aankweek van Ullucus, doch de knollen zijn te 
laat rijp, en de smaak is niet zoo goed als van onzen 
aardappel. Ook de Basella-aardappel, Boussingaultia 
baselloïdes, wordt vanwege de knollen aangeplant, 
doch deze zijn smaakloos en slijmerig. Als sierplant 
wordt gekweekt de elegante Anredera scan- 
de n s, een slingerplant. Behalve in het Andes- 
gebergte en Noordelijk tot Texas, worden zij ook aange- 
plant in Egypte en op de Filippijnen. Bouman. 

Basement, onderste gedeelte van een gebouw, 
ook sokkel of voetstuk genoemd. Bij 
monumentale bouwwerken is het b. dikwerf uit zware 
stukken natuursteen met breede voegen samengesteld, 


het aantal hydroxyl ionen, dat aan een kation gebon- 
den is, één-, twee- en meerwaardige b. Eenwaardige b. 
zijn de hydroxyden der alkali-metalen. Ook ammoniak 
(en daarvan afgeleide verbindingen) wordt tot de 
eenwaardige b. gerekend, daar het, in water opgelost, 
reageert als NH 4 OH. 

Tweewaardige b. zijn de hydroxyden der aard- 
alkalimetalen ; driewaardige b. die van aluminium, 
chroom, vierwaardige b. die van zirkoon en thorium. 
In plaats van meerwaardige b. wordt ook welfde 
uitdrukking meerzurige b. gebruikt. Behalve de b. 
der alkali- en aardalkalimetalen zijn de meeste b. 
zeer slecht oplosbaar in water. Verder onderscheidt 
men nog sterke en zwakke b., al naarmate zij in wate- 
rige oplossing sterk of minder sterk gedissocieerd zijn. 

A. Claassen. 

Basengele, ook Mosengere, volksstam 
in Belg. Kongo, Westwaarts van het Leopold 11 Meer. 
> Kongo (Ethnographie). 




61 


Basevi — Basilici 


62 


Basevi, G i a c o n o, > Cervetto. 

Basfluit, > Cliitare. 

Bas-Hccrs, ■> Needer-Heers. 

Baslikirtsjjcw, M ar ie, schilderes en schrijf- 
ster van Russische herkomst. * 18G0 te Gawronzi 
(Oekraine), f i884 te Parijs. — B. als schrijfster. 
In haar Fransche Journal en Cahiers 
intim es schrijft zij de smartelijke en vaak ont- 
stichtende biecht neer von een naar alle levenswee Iden 
hunkerende ziel, die weet in voorbarige verzaking 
en dood te moeten berusten. 

Werken: Journal (1887) ; Cahiers intimes (1890) ; 
Lettres (1891). 

B. als schilderes. Zij werkte te Parijs, waar 
zij haar eerste opleiding kreeg in het schilderen en 
teekenen. Leerlinge o.a. van Tony Rob. Fleury. 
Rud. Julian en later van Bastien Lepage. Zij schilderde 
portretten en genretafereelen. 

Werken: o.a. in het Rijksmus, te Amsterdam, het 
Luxembourg te Parijs, e.a. musea. — L i t. : Cat. des 
oeuvres de Mlle. B. (Parijs 1885) ; Math. Blind, A study 
ol Maric B. 

Bashoorn, houten blaasinstrument met koperen 
beker; reikt tot aan groot C. De b. is moeilijk te 
behandelen en heeft een doffen, zwaren klank. 

Basicileit noemt men het aantal door metaal 
vervangbare waterstofatomen van een zuur. Zoo is 
bijv. zoutzuur HC1 een éón-basisch zuur ; zwavelzuur 
H 2 S0 4 een twee-basisch zuur; phosphorzuur I1 3 P0 4 
een drie-basisch zuur. 

Basicliobolus, een wierzwam van de orde der 
Entomophtorinceën (insectendoodende zwammen). 
B. leeft echter op de uitwerpselen van visschen. 
terwijl B. ranamm op de uitwerpselen van kikkers 
voorkomt; deze zou dan afkomstig zijn van de insecten, 
die door de kikkers opgegeten zijn. 

Basidiolichcncs, > Korstmossen. 

Basiclioinyceten, > Steelzwammen. 

Basidiopliora, een wierzwam van de familie 
der Peronosporaceeën. De eenige soort B. entospora 
komt voor op Amerikaansche samengesteldbloemigen 
en is, waarschijnlijk met de Canadeesche fijnstraal 
(Erigeron canadensis), in Europa ingevoerd. 

Basidiosporen, > Steelzwammen. 

Basidium, > Steelzwammen. 

Basilan, ook T a g u i m a, bergachtig eiland 
tot 1 000 m hoogte ten N.O. van Borneo (6° 30' N., 
122 O.). Opp. ± 1 200 km 2 , ca. 13 000 inw., meest 
Mohammedanen; Maleiers (Moro’s). 

Basile, Giambattista, Italiaansch dichter, 
* ca. 1575 te Napels. f23 Febr. 1632 aldaar. Behoort 
tot de wereldliteratuur door zijn Pentamerone, een 
verzameling, in Napelsch dialect, van 50 verhalen, 
over 5 dagen verdeeld, in den trant van de bundels 
van Boccaccio en van Straparole. Dit werk verscheen 
eerst onder den titel: Lo cunto de li cunti, de Gian 
Alesio Abbattutis (ca. 1635) en werd herhaaldelijk 
herdrukt, in 1674 voor de eerste maal onder den titel: 
Pentamerone. 

U i t g. : Duitsche vertaling door Liebrecht, met in- 
leiding van J. Grimm (Breslau 1846) : B. Croce (Napels 
1891, alleen I, mod. uitg.) ; Ital. vertaling (2 dln. 1925). 

iilrix. 

Basilcus (Gr., = koning), bij de oude Grieken 
vooral aanduiding van den koning der Perzen; te 
Athene de naam van een der negen archonten; in de 
M. E. de titel van de Byzantijnsche keizers. 

Basilia, ook B a s i 1 e a , stad in het gebied van 
Raurici (teg. Bazel), gelegen in de nabijheid van 


Augusta Rauracum (teg. Bazel— Augst) en Castrum 
Rauracense (teg. Ka iser- Augst). 

Basilianen, monniken, die volgens den Regel 
van St. Basilius leven. Basilius de Groote beoogde 
in zijn Regel vooral de geestelijke vorming van den 
monnik. Voor de organisaties zorgden de concilies, 
wetten der keizers Justin ianus en Leo VI, en vooral 
de Typica, die voor elk klooster afzonderlijk gemaakt 
werden. Strikt genomen kan men niet spreken van de 
Orde der B. De regels van Basilius vonden weldra zeer 
sterke verbreiding in het Oosten en de B. hebben 
daar, vooral in Konstantinopel, eeuwen lang veel 
gedaan voor geloof en wetenschap. Ook Cyrillus en 
Methodius, de apostelen der Slaven, waren B. In 
Rusland hebben de B. destijds veel gedaan voor het 
geestelijk leven en de bevordering der nationale 
cultuur. Sinds het groote schisma waren zij echter 
veelal scherpe bestrijders van Rome. De door de 
Arabieren en de Iconoclasten verdreven B. vestigden 
zich sinds de 7e eeuw in Zuid-Italië en ook in Rome. 
Door het uitsterven van het Grieksche element geraak- 
ten zij in verval. Gregorius XIII trachtte tevergeefs 
dit tegen te houden door de B. in 1579 onder één 
generaal te vereen igen. Van de ca. 1 500 kloosters, 
die er vroeger moeten geweest zijn, waren er in 1760 
nog slechts 43 en die verdwenen door de revoluties 
alle, uitgezonderd alleen Grottaf errata. In Spanje 
vindt men Latijnsche B. sinds de 16e eeuw. De Roe- 
theensche tak der B. kwam tot bloei, sinds zij gewonnen 
waren voor de unie met Rome. Nadat zij echter reeds 
geleden hadden van de maatregelen van Joseph II, 
werden zij na de deeling van Polen door de Russische 
regeering geheel onderdrukt. Leo XIII bewerkte een 
herleving en tegenwoordig tellen zij ruim 400 religieu- 
zen in een Galicische en trans -Karpatische provincie 
en in afzonderlijke huizen in Canada, de Ver. Staten 
en Brazilië. Zij hebben ook de leiding van een Roe- 
theensch college in Rome. Ook in Syrië zijn sinds de 
17e eeuw nieuw r e congregaties van de B. ontstaan, 
die met Rome vereenigd zijn en voor de hereeniging 
van hun volk met Rome w ? erken. 

Lit. : Lcxikon flir Theol. und K. (II 1931, 18-20); 
Dict. Hist. Géogr. Eccl. (VI 1932, 1180-1236). Franses . 

Basiliaiius, prefect van de Rom. prov. Egypte. 
Toen Macrinus 217 n. Chr. keizer Caracalla vermoord 
had en zelf keizer geworden was, benoemde hij B. 
tot hoofd van de keizerlijke lijfwacht. Macrinus werd 
echter van den troon gestooten door Elagabal, B. 
werd gevangen genomen en gedood. 

Basilica Aemilia, Romeinsch bouwwork, oor- 
spronkelijk Basilica Fulvia geheeten, in 179 v. Chr. 
gerestaureerd door Marcus Lepidus en sindsdien naar 
hem genoemd. De basiliek, in 1899 weder opge- 
graven, lag aan de Noordzijde van het Forum Ro- 
manum; de groote zaal w r as een vijf schep ige zuilenhal. 

Basilicata, Zuid-Italiaansch landschap, 9 987 
km 2 , 492 000 inw 7 . (1921). Een armoedig kalk- 
landschap tot 2 200 m hoogte, een schollengebied, 
dat langzaam af helt naar de Golf van Tarente. Een 
uitgedoofde vulkaan (Monte Volture) bereikt 1 327 m 
hoogte. Slecht klimaat. Veel emigratie, vooral naar 
Argentinië. 

Lit.: Philippson, Das fernste Italien (1925). 

Basilici, rechtsgeleerde verhandeling, begonnen 
onder keizer Basilius Macedo en beëindigd onder 
keizer Leo Philosophus (omstreeks 900 n. Chr.). 
Dit werk behandelt in 60 boeken het Justiniaansche 
recht, zooals dat gold in de 9e — 10e eeuw\ Geschreven 


63 


Basilicum— Basiliek 


64 


in het Grieksch (Ta Basilika). Later — 10e eeuw — 
heeft men er aanteekeningen (scholien) aan toege- 
voegd, waaronder aanteekeningcn van tijdgenooten 
van keizer Justin ianus, die voor den uitleg der Rom. 
rechtsteksten van belang zijn. 

U i t er. : E. Hoimbach, Basilicorum libri LX (Lcipzig 
1833 vlg.). Hieraan werkte o.a. mede Contardo Ferrini. 

Hermesdorf. 

Basilicum of koningskruid, Ocimum 
Basilicum L., is een uit warme landen afkomstige, 
aromatische, lipbloemige plant, welke hier wel 
gekweekt wordt. De blaadjes worden als specerij gebe- 
zigd, o.a. bij de bereiding van kruidenazijn. De 
Basilicum - olie bevat methylcaviol als 
hoofd bestanddeel; zij wordt gebruikt in de parfumerie- 
industrie en voor de bereiding van likeur essence. 

Busilirics, naam van verschillende personen uit 
de Oudheid, o.a. : 

1 ° de priester, die op den berg Carmel aan 
Vespasianus diens toekomstige grootheid voorspelde 
(Tacitus, Ilist. II, 78). 

2 ° Een voornaam Egyptenaar, dien Vespa- 
sianus in den tempel van Serapis te Alexandrië meende 
te zien, hoewel B. ver verwijderd was. Op grond van 
de verwantschap van den naam B. met het Grieksche 
woord basileus, koning, meende Vespasianus hierin 
een voorspelling van het keizerschap te zien (Tacitus, 
Hist. IV, 82). 

3 ° S t o ï c i j n uit Scythópolis, leeraar vanMarcus 
Aure 1 ius . Davids. 

4 ° Hoofd der gnostische sekte der Basili- 
dianen, die in de eerste eeuwen talrijk waren vooral in 
Egypte en invloed hebben uitgeoefend ook op latere 
ketterijen. B. leefde in Alexandrië de eerste helft der 
2e eeuw. Voor zijn systeem, > Gnosticisme en onder- 
staande lit.-opgave.* 

L i t. : P. Hendrix, De Alexandrijnsche haeresiarch 
Basilidcs (1926); Dict. Hist. Géogr. Eccl. (VI 1932, 
1169-1175). Frames. 

Basiliek. ï. Archeologisch. 1°B. is o o r s p r on- 
kel ij k de naam van het oud -Grieksche konings- 
paleis; later van elke, door zuilenrijen onderverdeelde, 
monumentale ruimte met bovenverlichting, zooals 
de overdekte markthallen en gerechtshoven op het 
Forum te Rome. Tusschen 184 en 121 v. Chr. zijn 
daar gebouwd: door Cato Censorinus de b. Porcia. 
door Aemilius Lepidus de b. Aemilia, door Tiberius 
Sempronius Gracchus de b. Sempronia, door consul 
Q. Opimius de b. Opimia. Na 46 v. Chr. nog door Julius 
Caesar en Augustus de b. Julia. In het begin der 4e 
eeuw door Maxentius en Constantijn de b. Constantini. 
Ook elders in het Rom. rijk zijn b. gebouwd. Te 
Pompeji is er een opgegraven. Te Trier is een oude b. 
in 1846 gerestaureerd en in 1856 door de Evangelische 
kerk in gebruik genomen. Het ideëele grondplan is 
volgens Vitruvius (De architectura V, 1): 2 of 3 maal 
zoo lang als breed, soms met portiek aan de smalle 
zijde. De zijbeuken waren bedoeld als wandelgangen 
voor het publiek; deze zijn even hoog als breed, 
breedte l /s van het middenschip. Het licht valt van 
boven door arcaden, die op de kolommen rusten, in 
de hoofdruimte. Aan het eind bevindt zich een > absis 
of exedra, waar het rechtsgeding werd behandeld, 
afgescheiden van de overige ruimte. — Er waren ook 
half-publiekc b. in de huizen der staatslieden voor 
vergaderingen (De arch. VI). Synagogen werden 
soms ook in b.-vorm gebouwd (Aleppo, Alexandrië). 


Fl. Josephus betitelt de Zuidhal van den tempel 
van Herodes als b. (Ant. XV, 11). 

2° Van den vorm der Christel ij ke kerk- 
gebouwen vóór den vrede van Milaan (313) is 
niets bekend. Constantijn liet na zijn bekeering in de 
voornaamste steden van zijn rijk groote kerken bouwen, 
d ; e b. werden genoemd, waarschijnlijk omdat ze van 
bovenaf werden verlicht. Geen enkele is geheel onver- 
anderd bewaard gebleven. De voornaamste centra 
waren Rome en Konstantinopel. Verder Ravenna, 
Napels, Ephesus, Antiochië, Alexandrië, Carthago, 
Jerusalem. In Syrië zijn vele ruïnen van b. gevonden 
te midden der wildernis, kerken door de Christenen 
destijds verlaten bij de nadering der Mohammedanen; 
zoo ook in Egypte. De Syrische hebben een eenigszins 
ander karakter dan de Latijnsche. 

Over den oorsprong van de Christelijke b. zijn 
meerdere hypothesen opgesteld, a) Uit de synagoog; 
door niemand meer aanvaard, b) Uit de Rom. markt- 
basiliek, opvatting van Leone Battista Alberti 
(1404 — 1472), die tot de 19e eeuw heeft stand gehouden 
en werd aanvaard door Viollet le Duc (Dict. d’arch. 
II, 165) en Choisy (Hist. de Uarch. II, 2). De eerste, 
die haar bestreed, was Zestcrmann (Die ant. und chr. 
B., 1846), gevolgd door Ilubsch (1847) en Burckhardt 
(1875), op grond, dat de b. niet als de kerken volgens 
een vast plan werden gebouwd, een absis niet altijd 
aanwezig, en de bestemming, dus de sfeer, volkomen 
verschillend was. c) Uit het Rom. patriciërs- 
huis, saamgesteld uit atrium of voorhof en pery- 
stilium of zuilengangen rond een beplante hof, met 
zaal achterin. Sommige hebben werkelijk als kerk 
dienst gedaan. De hof, overkapt, zou het middenschip 
zijn geworden, de zaal het priesterkoor, het atrium 
de voorhof. Aldus Lemaire (1911). Vergeten wordt, 
dat met de overname der elementen de synthese nog 
niet was gegeven, het gewichtigste van het probleem, 
d) Uit de onderaardsche b. der cata- 
comben, zooals die uit de cat. van de H. Agnes 
te Rome, waar een cathedra met priesterzetels en 
afzonderlijke ruimten voor de geloovigen worden 
aangetroffen; en uit de kleine gebouwen aldaar boven- 
gronds. Aldus de Rossi. Men bedenke echter, dat deze 
slechts bij uitzondering werden gebruikt; van vcrlich- 



Doorsnede van een basiliek (Oude St. Pieter). 


ting en constructie was ondergronds bovendien geen 
sprake, e) Uit de Indische rotstempels 
en den onderaardschen tempel der Pythagoriërs aan 
de Porta Maggiore te Rome, in 1918 ontdekt, en die 
driebeukig waren. Zelfde bezwaar als onder d) werd 
gemaakt. f),De Christ. b. is een eigen schep- 


65 


Basiliek 


66 





Reconstructie van de doorsnede van de basiliek 
van Vitruvius. 


Plattegrond van de basiliek van Maxentius 
te Rome. 


Narthex 

de basiliek van St. Clemente 


Plattegrond v. d. basiliek 
te Trier, begin 4e eeuw. 


Koor Ambonen Altaar '" 'Absis 
te Rome. Totaal lengte 70 meter 


Gevel en plattegrond van een 
Syrische basiliek. 


IV. 3 



r»7 


Basiliek 


68 


i n g, waarbij de architect als kind van zijn tijd 
staande elementen heeft gebezigd. Aldus Lubbe 
(1905), Leclercq (1908). Deze hypothese is de meest 
bevredigende en verklaart voldoende den primitieven 
vorm der oudste b. en de gelijkvormigheid. 

Meestal bestaat de Latijnsche b. uit drie, soms uit 
vijf beuken. De middelste rijst hooger op en bevat 
bovenin de lichtopeningen, die gewoonlijk door dunne 
doorbroken marmerplaten werden afgesloten. Van de 
zijbeuken is hij gescheiden door zuilen, die soms door 
architraven, meestal echter door rondbogen zijn ver- 
bonden, welke het interieur bijzonder verlevendigen. 
Soms, ofschoon zelden, is nog een bovengalerij aanwe- 
zig. De afdekking geschiedt door bekapping, soms ook 
door een cassetten -plafond. De verdeeling der ruimte 
houdt verband met de rangorde, die de verschillende 
groepen der geloovigen in de Kerk innemen. Achterin 
staat op een verhooging in een > a b s i s (of concha), 
waarvan de schelp meestal door een mozaïek, de muur 
met marmerplaten is opgesierd, de bisschopszetel, 
met terzijde de banken voor de priesters. Daarvóór 
staat het altaar. Een triomfboog, even- 
eens met mozaïeken versierd, vormt de afscheiding 
van dit gedeelte (sanctuarium of priesterkoor, -> Bema) 
met het lager gelegen schip, beneden nader aangeduid 
door een balustrade (> Transenna, Cancellus, Septem, 
lconostase). Een transept of dwarspand komt tot 
de 4e eeuw alleen voor in de b. van St. Petrus 
en van St. Paulus. Het vormt den overgang van koor 
naar schip, waarom het de aangewezen piaats is der 
zangerstribune. en verbetert zoo noodig de verhouding 
.tusschen lengte en breedte. De vloer is gewoon lijk 
met mozaïek in geometrische figuren belegd. De 
gansche architectuur, vooral de perspectivische 
werking in de langsrichting van bogen en zuilen, 
werkt mede, om het altaar tot hoofdpunt der ruimte 
te maken. Voorloopig is er slechts één altaar. Aldus 
werd door het kerkgebouw symbolisch de geestelijke 
gemeenschap der geloovigen met Christus uitgedrukt. 
In het Oosten werden later bijaltaren geplaatst in 
afzonderlijke en afgesloten kapellen, dikwijls van absis 
voorzien. In het Westen verschijnen bijaltaren vanaf 
de 6e eeuw, eerst in kapellen rond de b. gebouwd 
( buiten architectonisch verband), later in de b. tegen 
de muren en pilaren geplaatst. 

Soms gaat, althans in het Westen, een vierkant 
atrium (vier zuilengangen rond een hof, waarin 
vanaf de 6e eeuw in het midden een cantharus of 
fontein) vooraf, bedoeld als overgang en bestemd voor 
hen, die het Misoffer nog niet mochten bij wonen. 
Nooit ontbreekt de zuilengang voor langs de kerk 
zelf, de narthex, een vestibule. Een vierkante of ronde 
campanile of klokkentoren, vrij naast de b. 
staande, verschijnt eerst in de 5e eeuw r , overgenomen 
uit Syrië, en bergt primitieve klokken in kokervorm. 
Vanaf de 8e eeuw komt zij, voornamelijk in Gallië, 
meer voor. Een doopvont ontbrak in de oude Latijn- 
sche b., omdat in een afzonderlijk baptiste- 
rium of doophuis werd gedoopt. 

Uitwendig is de Christ. b. zeer eenvoudig. Het 
muurvlak boven de narthex is wel versierd en bevat 
gewoonlijk drie lichtopeningen. De muren zijn veelal 
van baksteen. Boven overkragen de lagen elkaar 
een weinig of is een tandfries aangebracht. Ook dak- 
consoles komen voor. Op het einde der 4e eeuw ver- 
schijnt een indeel ing in traveeën met rondbogen. 
Dikwijls werd bij den bouw materiaal uit heidensche 
tempels verwerkt, vooral zuilen en architraven. 


Waren de laatste niet voorhanden, dan paste men den 
rondboog toe. De basiliekvorm heeft zich tot diep in 
de M.E., zelfs naast den Romaanschen stijl, gehand- 



~k t> is 


haafd. — Dat in het Westen van den beginne af 
volgens een zekere richting zou zijn gebouwd, is niet 
hew r ezen en weinig waarschijnlijk wegens het afkeurend 
oordeel van den H. Leo I (f 461) over het geörienteerd 
bidden (Serm. 32. 4). In het Oosten schijnt het wel 
het geval te zijn geweest. Oriëntatie. 

In Klein -Azië en Syrië werden bij gebrek aan hout 
de b. dikwijls met steen afgedekt. Ten Z. van Damascus 
bijv. werden platen van basalt gebezigd; in de vallei 
van de Oronto kwam de bekapping nog wel voor, 
In de 5e eeuw doet de koepel zijn intrede. De centraal- 
bouw komt naast de b. te staan. Hier en in Konstanti- 
nopel werkten Perzische en Grieksche invloeden mede 
om de bouwkunst zich breeder te doen ontwikkelen 
dan in Italië. Aldus ontstond de Byzantijnsche 
stijl, die in de Aya Sophia te Konstantinopel zijn 
hoogtepunt bereikte. Hij beïnvloedde door het handels- 
verkeer den b. -stijl van Noord-Italië en Frankrijk, 
die aldus in den Karolingischen en eindelijk 
in den Romaanschen basiliekstijl overging. 
Deze ontwikkeling is duidelijk waar te nemen in de 
oude abdijkerk van den H. Benedictus aan de Loire 
(12e eeuw). Het koor met zuilen en rondbogen doet 
sterk denken aan de Latijnsche b.; de vroegere kap 
is vervangen door een Romaansch tongewelf. Het 
schip is overigens vroeg-Gotisch. 

II. Liturgisch. Do b. woorden onderscheiden 
in b. m a j o r e s en b. m i n o r e s. Majores zijn 
slechts: St. Jan van Lateranen, St. Pieter, St. Paulus, 
S. Maria Maggiore te Rome. met pauselijk altaar 
en > heilige deur; ook wordt ertoe gerekend St. Fran- 
ciscus te Assisi, met pauselijk altaar. Minores zijn 
te Rome: St. Laurentius buiten de muren, II. Kruis, 
St. Sebastianus, S. Maria Transtevere, St. Laurentius 
in Damaso, S. Maria in Cosmedin, H.H. Apostelen, 
St. Petrus in vincoli, S. Maria in Monte Santo. De vier 
b. majores, benevens de St. Laurentius buiten dem., 
w'orden ook patri archaalkerken genoemd, om- 
dat zij aan de vijf groote patriarchen zijn toegewezen : 
St. Jan aan den paus, den patriarch van het Westen, 
St. Pieter aan den patr. van Konstantinopel, St. Paulus 
aan den patr. van Antiochië. St. Laurentius aan den 
patr. van Jerusalem. — Nederland heeft vier b. mino- 


69 


Basiliekruid — Basiliscus 


70 



Basiliscus americauus. 


res: O. L. Vrouw van het H. Hart te Sittard, als pel- 
grimsoord (deer. 12 Juni 1883); St. Pieter te Ouden- 
bosch, bij gelegenheid der onthulling van het zouaven- 
monument op het voorplein (deer. 11 Juli 1012): 
St. Jan van den Bosch, bij gelegenheid van het dia- 
manten jubiló van den terugkeer van het miraculeuse 
beeld der Zoete Moeder (deer. 22 Juni 1920); O. L. 
Vrouwekerk te Maastricht, oude kapittelkerk van de 
10e tot de J9e eeuw (deer. 20 Febr. 1933). Elders; 
de bedevaartskerk te Kevelaar en die te Lourdes 
(deer. 30 Mei 187(5), Altötting, Maria-Laach, TT. Bloeds- 
kapel te Brugge, Sacré-Coeur te Parijs, enz. — De 
voorrechten zijn: het gebruik van het conopeüm, 
een zijden, parasolvormig scherm met roode en gele 
banen (de oude pauselijke kleuren), het tintinnabulum 
of klokje, dat evenals het conopeüm in processies 
wordt meegedragen, en voor kapittelkerken de cappa 
magna als koorgewaad. — Van de Rom. b. zijn er 25 
> titelkerken, die tot oorsprong een woonhuis 
hebben, dat aan de Kerk ten geschenke werd gegeven. 
Deze zijn in de 3e en 4e eeuw de paroch iekerken gewor- 
den; zij bestaan alle nog, op drie na. Over de Rom. b. 
als statiekerk, > Statie. 

L i t. : Dict. d’arch. et de lit. (I 1908, 551), Basilique, 
door Leclercq, met uitgebreide lit. opgave ; Dom Kuhn 
O.S.B., Allgem. Kunstgcsch., archit. (I Einsiedeln 1909, 
278) met uitgebr. lit. opg. . Lemaire, L’origine de la b. 
latine (Brussel 1911): Dom Beekman O.S.B., De oor- 
sprong en betcekeni8 der Rom. staties (G.G.G. 272 : 
1929) ; id., De oud-Christ. B. (G.G.G. 291; 1930), met 
bronnen en kaart van Rome met b. — Voor dc Syrische 
b. : de Vogüé, Syrië centrale (Parijs 1865-77). 

A. Beekman . 

Basiliekruid (Ocinum Basilicum, Ind.: Selasih), 
eenjarige plant met gestoelde, grof gezaagd-getande, 
dikwijls gekroesde bladeren en kleine trossen witte 


bloemen. Afkomstig uit tropisch Azië en Afrika, in 
Europa gekweekt. Aftreksels van zaden en bladeren 
worden in Indië tegen verkoudheid gebruikt, evenals 
aftreksels van bladeren van Ocinum sanctum, Ind.: 
Kemangi Lampes. Bestanddeelen : vluchtige 
olie met 30—40% eugenol. Hillen. 

Basilima behoort tot de familie der roosach- 
tigen (Rosaceae) en is een geslacht van de onderfamilie 
der Spiracoideae, dat in Azië thuis hoort. De lijsterbes- 
spiraea, B. s o r b i f o 1 i a, ook wel spiraea- of 
Sorbaria sorbifolia genoemd, is een sierheester uit 
Siberië, welke in Juni en Juli bloeit, met witte bloe- 
p luimen. 

Basiliosaurus, •> Zeuglodont. 

Basiliscus is een wonderdier uit het 
volksgeloof, dat uitgebroed heette te worden door 
zevenjarige zwarte hanen, die in verband staan met den 
duivel; deze nam dan ook vaak een basiliscusgestalte 
aan. In het Spreewahl legde de basiliscus ook wel eens 
een ei, waaruit, als het vertrapt werd, een adder te 
voorschijn schoot. Door zijn vleugels en kop een haan, 
door zijn staart een slang, droeg de basiliscus op zijn 
kop een kam of kroon, waaraan hij zijn naam van 
kleine koning te danken heeft. Zijn blik was doodend, 
ook voor hemzelf; hij stierf als hem een spiegel werd 
voorgehouden. De wezel kon hem dooden door zijn reuk, 
maar kwam dan ook zelf om. Vondel vertelt, dat de 
hel verlicht wordt door lampen, waarin basiliscusvet 
hrandt met pek en zwavel. Aan Gotische kathedralen 
komt de basiliscus wel in het beeldhouwwerk voor. 
Vgl. Basiliscus americanus. 

Lit.: mr. L. A. J. W. Baron Sloet, De dieren in het 
Germaansche volksgeloof en volksgebruik ; dr. Maurits 
Sabbe, Dierkennis en Diersage bij Vondel ; Maerlant, 
Nat. BI. (111). Knippenberg . 





71 


Basiliscus — Basilius de Groote 


72 


Basiliscus (B. americanus) ofHelm- 
basilisk, een soort leguaan, bezit een fantasti- 
schen lichaamsvorm door kam vormige lijsten op den 
rug; lengte 80 cm, waarvan 56 cm op den staart komen. 
Leeft in Panama en Costa Rica. Behoort tot de orde der 
hagedissen. Vgl. Basiliscus (wonderdier). Willems. 

Voorstelling in de kunst. Als illustra- 
tie van Ps. 90. 13: „Op slang en basilisk zult ge wan- 
delen”, komt hij voor onder de voeten van den tro- 
nenden Christus (> Majestas Domini). Zeer oude 
voorst, op de Pignatta-sarcophaag te Ravenna. Sym- 
bool van den duivel (deurpijler van het middenportaal 
der kathedraal van Amiens, ong. 1240); zelden als 
zinnebeeld der onkuischheid (op den helm der on- 
kuischheid in een houtsnede te Weenen). Als voorstel- 
ling komt de b. uit de Oostersche ornamentiek. 

L i t. : Blomberg, Der Teufel und seine Gesellen in der 
bildenden Kunst (1867) ; Kraus, Realenzyclopadie der 
christl. Altertümer (1886, 733 vlg.) ; Beissel, Zur Ge- 
8chichte der Tiersymboliek, in Zeitschr. für christl. 
Kunst (14 en 15) ; Koeppen, Der Teufel und dio Holle 
in der darstellenden Kunst (1896) ; Collins, Symbolism 
of Animals and Birds (1913) ; Haterditzl, Einblattdrucke 
des 15. Jahrh., in der Kupferstichsammlung der Hofbibl. 
iu Wien (I 1920, nr. 167) ; Mackenzie, The Migration 
of Symbols (1926). (Zie fig. blz. 71-72) Knipping. 

Basiliscus, Byzantijnsch tegenkeizer (475— 476), 
maakte zich van de regeering meester tijdens de af- 
wezigheid van keizer Zeno, opende de rij van de dog- 
matiseerende keizers door zijn banvloek tegen de 
synode van Chalcedon en paus Leo I, dien hij echter 
om den tegenstand onder het volk moest herroepen. 
Keizer Zeno liet hem bij zijn thuiskomst onthoofden. 

Basilisk, > Basiliscus. 

Basilius I de Macedoniër, Byzantijnsch kei- 
zer (867—868), het meest bekend door het afzetten van 
Photius als patriarch van Konstantinopel. Daardoor 
herstelde hij voor korten tijd den kerkdijken vrede. 

Basilius II Bulgaroctonus (= Bulgaren- 
dooder), 976— 1025 Byzantijnsch keizer, streed gelukkig 
tegen den Duitschen keizer Otto II in Italië en tegen 
de Arabieren in het Oosten. In 1018 vernietigde hij het 
Bulgarenrijk. 

Basilius de Groote, Heilige, bisschop van 
Caesarea, kerkvader en kerkleeraar. B. en zijn vriend 
Gregorius van Nazianze en zijn broeder Gregorius 
van Nyssa worden veelal samen genoemd als de drie 
groote Cappadociërs. Was de bisschop van Nazianze 
meer de redenaar en dichter, die van Nyssa meer de 
denker, B. schitterde vooral uit als man van de prac- 
tijk en zijn verdiensten liggen vnl. op het gebied van 
de ascese, liturgie en paedagogiek. Zijn kloosterregels 
hebben bijzonder veel invloed gehad op de ontwikkeling 
van het kloosterleven, en dat niet enkel in het 
Oosten. > Basilianen. 

Leven. * ca. 330 te Caesarea in Cappadocië, 
f Nieuwjaar 379. B. werd geboren uit een zeer vrome 
familie. Zijn grootmoeder wordt vereerd als de H. 
Macrina de Oudere, zijn grootvader van moederskant 
stierf als martelaar, zijn broeders Gregorius en Petrus 
werden bisschop evenals hij, zijn zuster Macrina de 
Jongere wordt eveneens als heilige vereerd. Tezamen 
met Greg. van Nazianze studeerde hij eenige jaren aan 
de universiteit van Athene, volgde echter daarna niet 
de redenaarsloopbaan, waartoe hij voorbestemd scheen, 
maar beslopt (366) monnik te worden. Na een bezoek 
aan de beroemde nederzettingen van monniken in 
Egypte, Syrië en Mesopotamië, vestigde hij zich 
Hi de buurt van Neocaesarea. In 358 bezocht hem 


daar zijn vriend. Hij hielp hem bij de opstelling zijner 
kloosterregels en samen legden zij daar de bloemlezing 
aan uit de werken van Origenes (Philocalia). De bis- 



Basilius de Groote. 


schop van Caesarea wist B. te bewegen, de priester- 
wijding te ontvangen en zich in dienst te stellen der 
kerk van zijn geboortestad en in 370 volgde B. hem 
op. Als bisschop heeft hij vooral geijverd voor de 
orthodoxie tegen het Arianisme, dat door den keizer 
gesteund werd, en voor herstel der goede betrekkingen 
met Rome, die door het schisma van Antiochië ver- 
stoord waren. De Kerk viert zijn feest op 14 Juni. 

Werken. Dogmatisch-polemisch: tegen Euno- 
mius (over de H. Drieëenheid) en over den H. Geest; 
liturgisch: •> Byzantijnsche liturgie. Vier anaphoren 
worden aan hem toegeschreven, een Byzantijnsche 
(misschien niet ten onrechte), een Armeensche, een 
Grieksch-Alexandrijnsche en een Koptische. Tusschen 
de beide laatste is weinig verschil. Paedagogisch : aan 
de jongelingen, hoe zij vrucht kunnen plukken uit de 
boeken der heidenen (B. bepleit de propaedeutische 
waarde der klassieke studie); ascetisch: een heele ver- 
zameling, waarvan het voornaamste zijn de Ethica 
of Moralia, 80 hoofdstukken met algemeene zeden- 
lessen en vermaningen voor afzonderlijke standen en 
de twee kloosterregels, waarvan de eene 55 langere 
en de andere 313 korte voorschriften bevat voor het 
kloosterleven; preeken: homilieën op het scheppings- 
werk (die steeds zeer hoog geschat werden) en cp de 
psalmen (meer practische toepassing dan exegese); 
brieven, zeer belangrijk voor de kennis zoowel der 
theologie als der cultuur van dien tijd. 

Ui tg.: Migne Patrol. Graeca (XXIX-XXXII). — 


73 


Basilius de Jongere — Basis 


74 


L i t. : Bardenhewer, Gesch. der altkirchl. Lit. (IIT 

1922, 130-162) ; Rivière, S. Basile (1924) ; Rauschen- 
Altaner, Patrologie (1931, 221-228); Dict. Théol. Cath. 
(11. 441-459); Dict. Hist. Géogr. Ecclés. (VI 1932, 1111- 
1126) ; O. Ring, Das Basiliusproblem, Zeitschr. für 
Kirchengesch. (1932, 365-383). Franses . 

Voorstelling in de kunst. B. (kale 
schedel, baard) wordt afgebeeld in Oostersch bis- 
schopsgewaad, in gebed, met een boek in de hand, of 
offergaven ontvangend (feubleyras). Met Leo I, Grc- 
gorius van Nazianze en Joannes Chrysostomus vormt 
hij de groep der vier groote Grieksche Kerkvaders 
(mozaïek in Maria Antiqua te Rome). Van Loo beeldt 
hem af, zijn groote werken schrijvende. Heyer. 

Basilius de Jongere, Heilige, asceet; f 26 
Maart 944. Gregorius schreef het leven van B., zijn 
leermeester, dat ons in een lange en bekorte editie 
bewaard bleef. Keizerlijke officieren zagen den hei- 
lige voor een spion aan, namen hem gevangen en 
voerden hem vanuit Azië naar Konstantinopel. Een 
hoofdstuk uit het uitgebreide leven (de morte Theo- 
dorae) is van belang door de schildering van de pijnen 
des vagevuurs. J. v. Rooij. 

Basilius van Ancyra werd door een Ariaansche 
partij, na de vcroordeeling van Marcellus van Ancyra, 
tot bisschop gekozen in 336. Door de woelingen der 
partijen kwam hij pas na 350 in het rustig bezit van zijn 
zetel. Hij was de aanvoerder der Homoiousianen, 
bestreed het Homo-ousios van het Concilie van Nicea, 
maar stond overigens dichter bij de orthodoxie dan 
de andere Ariaansche richtingen. Hij speelde een rol 
op de verschillende synoden dier dagen, maar werd 
na de overwinning eener meer radicale partij in 360 
verbannen en stierf hoogstwaarschijnlijk in balling- 
schap. 

Zijn werken, een strijdschrift tegen Marcellus en 
een boek over de maagdelijkheid, schenen verloren te 
zijn, maar het laatste is door Cavallera geïdentificeerd 
met een werk, dat ten onrechte op naam van Basilius 
den Grooten stond. Physio logische details wijzen 
op zijn vroeger ambt van medicus. 

Lit.: Rev. d’Hist. Ecclés. (VI 1905, 5-14) ; Hefcle- 
Leclercq, Hist. des Conciles (1 1907, 764 vgl.) ; Barden- 
hewer, Gesch. der altkirchl. Lit. (III 1923, 124-128). 

Franses . 

Basilius van Brugge, C a s p a r M e 1 i n c k, 
missionaris, f 1664. Was eerst kanunnik in zijn 
geboortestad, werd Kapucijn in 1629 en werkte meest 
in Nederland, vooral te Velp (bij Grave), waar hij een 
klooster zijner Orde stichtte. 

Lit.: p. Cyrillus, De Minderbr. Kapucijnen en de 
stad Grave (1904). 

Basilius van Seleucia, bisschop, liet zich 
449 voor de zaak van den ketter Eutyches winnen, 
maar keerde op het Concilie van Chalcedon (451) 
tot de orthodoxie terug. Hij schreef een prozawerk 
in twee deelen over het leven en de wonderen der 
II . Thecla, steunend op de apocriefe Acten van Paulus 
en Thecla. Een gedicht op dezelfde heilige ging ver- 
loren. 41 preeken zijn van hem overgeleverd, waarvan 
nr. 88 en 41 onecht zijn. Batiffol verwierp bovendien 
nr. 1 tot en met 37, maar werd door meerdere geleerden 
weerlegd. Merkwaardig is, dat B. de evangelieverhalen 
dramatiseert en monologen en dialogen inlascht. 
Zijn preeken werden in dien vorm een voorname bron 
voor den zesde-eeuwschen dichter Romanus. 

Lit.: Bardenhewer, Gesch. der altkirchl. Lit. (IV 
1924, 300-304). Franses. 

Basiloxylon (p 1 a n t k.), een in Brazilië 


inheemsch geslacht der Sterculiaceac ; brengt gevleu- 
gelde zaden voort. 

Basin, > Thomas Basin. 

Basipctaal (< Gr. basis = voet, Lat. petere = 
gxan naar) noemt men den groei in de plant, wanneer 
de jongere deelen aan de as dichter bij de basis staan 
dan de oudere; staat tegenover acropetaal (> Acro- 
petale). 

Basiptcrygium, > Archipterygium. 

Basiron, F i 1 i p s, Nederlandsch componist 
van rond 1500. Hij schreef missen, motetten en poly- 
phonische liederen, die in hs. bewaard bleven, buiten 
een motet en een mis, die in Petrucci’s drukken, resp. 
van 1505 en 1508, voorkomen. Een fragment in moderne 
overzetting (Agnus uit de mis De Franza) vindt men 
in Commer’s Collectio Music. Batav. (XII). 

Basis (Gr., = steunpunt), 1° in de wiskunde, 
a) In een driehoek en andere vlakke figuren 
wordt vaak één der zijden, meestal horizontaal getee- 
kend, basis (ook wel grondlijn) genoemd. Ook bij 
lichamen noemt men één zijvlak grondvlak of 
basis, b) Van de m a c h t ap heet a de basis (= grond- 
tal). c) Voor basis van een logarithmen- 
stelsel, > Logarithme. d) Basis in een alge- 
braïsch getallenlichaam. Zijn de 
algebraïsche getallen a v a 2 , . . . ., a n , die behooren 
tot een algebr. > lichaam K(a) van den graad n, 
lineair onafhankelijk, dan kan elk getal co van K(a) 
slechts op één manier geschreven worden als co = 
Cjöj + c 2 a 2 -f- . . . . -|-Cn«n , waarbij c 2 , c 2 , . . . ., c n 
rationaal zijn; zijn a 2 , a 2 , . . . ., a n geheel algebraïsch 
en lineair onafhankelijk, dan is de discriminant 
van het systeem a v a 2 , . . . . , a n , dat is het kwa- 
draat van den determinant, gevormd door a v a 2 , 
. . . . , a n en hun > toegevoegden, een geheel rationaal 
getal D, ongelijk nul. Het getal van alle in K(a) 
te vormen getallen D met de kleinste absolute waarde 
heet de discriminant of het grondtal van K(a). 
Een bij dezen determinant behoorend systeem 

P v /? 2 , , p n heet een basis of minimaal 

basis van K(a). Elk geheel algebraïsch getal (9 
van K(a) kan slechts op één manier geschreven worden 

als G = e^ 2 -f e 2 /? 2 -f + e n fin , waarbij 

e v e 2 , en geheel rationale getallen zijn. 

Lit.: D. Hilbert, Die Theorie der algebraischen 
Zahlkörper (Jahresbericht der deutschen Mathematiker 
Vereinigung, IV 1897) ; H. Weber, Lehrbuch der Algebra 
(II 2 1899) ; R. Fricke, Lehrbuch der Algebra (III 1928) ; 
B. L. van der Waerden, Moderne Algebra (I 1930). 

Verriest. 

2° Basis in de bouwkunst is het beneden- 
gedeelte van een zuil, dat ofwel onmiddellijk op 
den grond of op een stilobaat ofwel op een voetstuk 
rust. Op enkele uitzonderingen na (bijv. kleine tempel 
in Paestum) kent de Dorische stijl geen b. ; de andere 
stijlen met hun lichtere zuilenstructuur en geringere 
entasis hebben de basis als logisch complement in 
passende harmonie met het kapiteel. In de Egypt. 
architectuur bestond de b. slechts uit een ronde schijf. 
De Ionische b. heeft de volgende elementen: de trochi- 
lus (op het ondervlak geplaatste schijf met hollen rand) 
en de torus (daarboven aan het ondereinde der zuil- 
schacht geplaatst en deze als een stevige voetring 
omspannend). In meer ontwikkelden stijl wordt de 
trochilus eens of meermalen herhaald, waarbij dan 
bandmotieven de verschillende deelen der b. verbin- 
den. De Attisch-Ionische stijl kent één trochilus, die 
zoowel met zuilschacht als met stylobaat door een 


75 


Basische gesteenten — Basisrechten 


76 


torus is verbonden. Aanvankelijk komt onder het 
basement een vierkante plint voor, die sinds de 6e 
eeuw v. Chr. nagenoeg heelemaal verdwijnt. In den 
Alexandrijnschen tijd komt de plint, doch nu veelal 
achthoekig, weer op (Milete). Naast de eenvoudige 
schijf kent de Etruskische stijl ook een samenstel van 
band, torus en plint (bijv. altaar van den Genius loei 
op den Palatijn te Rome). Deze komt ook in de latere 
Romeinsche kunst voor (Vignola noemt haar „toscana”) 
naast den bovengenoemden Attisch-Ionischen vorm 
(Pantheon, Titusboog, waar de basis over de geheele 
booglengte doorloopt). Deze vorm blijft de heele 
middeleeuwen door bestaan; doch de Byzantijnsche 
architect verlengde haar en gaf haar ronder profiel. In 
den Romaanschen stijl werd ze op een voetstuk ge- 
plaatst, zoodat soms de voorstelling van een dubbele b. 
gewekt wordt. In Z. Frankrijk, Noord-Italië en Apulië 
rust de b. soms op dieren (leeuwen), vooral aan 
portieken en kansels. In later tijd nam men dit in de 
Noordelijke landen over. De disproportie, door dit 
alles ontstaan, werd in den Gotischen stijl eenigszins 
weggenomen, vooral bij de zgn. bundelpijlers, waar de 
naast elkander verwerkte hooge bases een zeer complex 
profiel op leveren. De Renaissance keerde tot de 
Komeinsche basisvormen terug. Knipping. 

3° Bij landmeten. Bij de metingen in een 
terrein gaat men meestal uit van een nauwkeurig 
gemeten rechte lijn in het terrein, waaraan men de 
verdere meting vastknoopt. Deze lijn wordt de basis 
genoemd en wordt zoo nauwkeurig mogelijk gemeten 
met behulp van een meetband, liefst eenige malen. 
Als b. neemt men in den regel een markante lijn, die 
zooveel mogelijk in het midden van het op te meten 
terrein gelegen is. Is het terrein hellend, dan wordt die 
lijn in hellenden, doch vlakken, stand gemeten en 
herleidt men die gemeten lengte tot den horizon. 
Dit kan gemakkelijk geschieden door het hoogte- 
verschil. der beide uiteinden dier basislijn te bepalen. 
Van deze basis uitgaande worden de verschillende 
markante punten in het op te meten terrein nu door 
vViehoeken met elkaar verbonden en zoodoende 
oi/staat het driehoeksnet. E. Bongaerts. 

4° Basis van een plant is dat gedeelte, dat 
het dichtst bij den wortel gelegen is. Ontbreken wortels 
dan moet ouderdomsbepaling of bij eencelligen de 
bewegingsrichting de b. aangeven. 

Basische ges teen ten, stollingsgesteenten, die 
minder dan 55% Si0 2 (kiezelzuur) bevatten. De 
kleur dezer gesteenten is meestal donker. De meestal 
licht gekleurde stollingsgesteenten, die meer dan 
65% Si0 2 bevatten, noemt men zuur. 

Basische reactie, of ook alkalische reactie, 
de reactie van basen of hydroxyden; bijv. het blauw 
kleuren van rood lakmoes. De > pH van een basisch 
reageerende vloeistof is grooter dan 7. 

Basische zouten. Beschouwt men de vorming 
van een zout uit een base en een zuur, dan is dit op 
te vatten als een vervanging van de hydroxylgroepen 
der base door de zuurrest(en), d.i. het zuur min de 
vervangbare waterstof. Worden nu alle hydroxyl- 
groepen door zuurresten vervangen, dan verkrijgt 
men de n o r ma 1 e zouten; bij gedeeltelijke 
vervanging daarentegen de b. z. Deze b. z. zijn dus 
tegelijkertijd base en zout; ze behoeven echter niet 
basisch te reageeren. De meeste b. z. zijn slecht 
oplosbaar; zij vormen zich door inwerking van over- 
maat base op het zuur of zout; ook wel door > hydro- 
lyse van normale zouten. A. Claassen. 


Basisch staal wordt volgens het „vloeibare” 
procédé van Thomas verkregen uit phosphorhoudende 
ertsen (> Staal bereiding). Het dient voor de vervaar- 
diging van balkijzer, spoorstaven, platen on vorm- 
gietstaal. 

Basiskromme, > Bundel. 

Basisloon, in België het loon, waarop de ver- 
goedingen berekend worden, welke worden uitbetaald 
aan de slachtoffers van een arbeidsongeval of een 
beroepsziekte, ingevolge de wet. Dat b. is samenge- 
steld uit al de verdiensten, waarop de werkman of 
bediende recht had ingevolge zijn arbeidsovereen- 
komst, tijdens het jaar, dat het ongeval of de beroeps- 
ziekte voorafging. Vertessm . 

Basismethode noemt men in de geodesie 
een methode van detailmeting, waarbij de ligging 
van een aantal punten bepaald wordt door het meten 
van hoeken t.o.v. een vaste basis. Zij (zie afb.) 


3 



Basismethode bij het landmeten. 


PQ de basis, en A, B, en C de te meten punten, dan 
meet men de hoeken QPA, QPB, QPC en PQB, PQA, 
PQC. Is de lengte van PQ bekend, dan kan men de 
ligging van A. B, en C berekenen. De b. vindt aanwen- 
ding, indien de te meten punten slecht toegankelijk 
zijn (moeras, bergtop) en verder, indien men werkt met 
een planchette, waaraan geen tachy meter- inrichting 
is aangebracht. In den laatsten tijd wordt zij veel 
gebruikt in de > photogrammetrie. Jong. 

Basismeting is noodzakelijk bij drie- 
hoeksmeting, teneinde uit een gemeten 
afstand alle andere afstanden te bepalen. De b. moet 
daartoe zeer nauwkeurig zijn. In het eenvoudigste 
geval meet men daartoe een bepaalden afstand in 
vlak terrein eenige malen met meetlatten. Voor 
grootere driehocksnetten, bijv. bij de triangulatie 
van een geheel land, moet de b. nauwkeuriger uitge- 
voerd worden. Men meet met staven van invar; 
de eindstrepen worden met microscopen waarge- 
nomen. De staven zijn ca. 4 m lang en op statieven 
volkomen horizontaal opgesteld. De nauwkeurigheid 
bedraagt 1 : 2 000 000. Iets minder nauwkeurig, 
maar sneller, is de meting met een invar-draad 
(1 : 500 000). Deze is ongeveer 24 m lang en wordt 
opgehangen op statieven, terwijl aan ieder einde een 
gewicht is bevestigd. De afstand van twee op den 
draad aangebrachte merken is dan afhankelijk van het 
gewicht; hij wordt bepaald door ijking. Bij al deze 
metingen moet de temperatuur in rekening worden 
gebracht. 

De oudste nauwkeurige b. was die van S n e 1 1 i u s 
tusschen Leiden en Zoeterwoude (1621). Jong. 

Basisphenoïd, > Wiggebeen. 

Basispunten, > Bundel; > Net. 

Basisrechten (w i s k.), > Schaar. 


BASES 



Basis van een Egyptischen 
Lotoskelk-zuil te Karnak. 



Zuilbasis van den Minerva- 
Polias-tempel te Athene. 



Zuilbasis van den 
Apollotempel te 
Milete. 



BAi 


Byzantijnsche zuilbasis uit de hoofdbeuk van de 
Aya Sophia te Konstantinopel. 



Ionische zuilbasis van den Apollotempel 
te Bassae. 



Zuilbasis van den Dorischen 
tempel te Paestum. 



Byzantijnsche zuilbasis uit 
St. Vitale te Ravenna. 



Laat-Romaansche zuilbasis uit Semur. 



79 


Basisvlak — Basken 


80 


Basisvlak, kristallographische benaming voor 
die kristalvlakken van bepaalde kristalstelsels, die 
loodrecht staan op de kristallographische hoofdas 
(c-as). 

Basitonac behooren tot de standclkruiden 
(Orchidaceae) en vormen een groep van de onder- 
familie der Monandrae. 

Basius, J o h a n n e s, een dergenen, die in de 
jaren van Oranje ’s ballingschap heeft gezorgd voor 
diens contact met gelijkgezinden in de Nederlanden. 
Geldinzameling, voorbereiding van het volksverzet. 
* ca. 1540 te Leeuwarden, f 1596 te Delft. 

L i t. : La correspondance d’Orange avec Jacques de 
Wesenbeke (uitg. Van Someren). 

Basji, volksstam in Belg. Kongo, ten W. van het 
Kivoe-meer, tusschen de Roezizi in het Z. en de 
Njabarongo in het Noorden. Ze w T orden ook Bania- 
bongo genoemd en zijn met de Banjaroeanda 
verwant. > Kongo (Ethnographie). 

Basji la, volksstam in Belg. Kongo, die met de 
Baloeba verwant schijnt. De Basjila bewonen de 
streek ten W. van het Moëro-meer. > Kongo (Ethno- 
graphie). 

Basjilcle, volksstam in Belg. Kongo, die den 
linkeroever van de Kasai bewoont, stroomafwaarts 
de Wissmann -watervallen tot aan de monding der 
Loange. > Kongo (Etlmographie). 

Basjir, > Besjir. 

Basjkicren, Turksch-Tataarsche stam in auton. 
Sovjetrepubliek in den Oeral (hoofdstad Oefa); 
100 000 zielen, Mohammedaansch. Zij leven veelal 
nog als nomaden ; de Sovjets wcnschen hen te ontwikke- 
len en geven boeken (propaganda) uit in hun taal. 
Verder > Midden -Azië. v. Son. 

Basken is de naam van het min of meer geheim- 
zinnige volk, dat thans nog slechts het Westelijk deel 
der Pyreneeën, zoowel in Frankrijk als in Spanje, 
bewoont. In Frankrijk telt men er ongeveer 120 Ö00 
in de districten Bayonne en Mauléon (dep. Basses 
Pyrénées), in Spanje ca. 470 000 in de provincies 
Alava, Biscaya (Vizcaya), Guipiizcoa en verder in de 
omgeving van Pampeluna (prov. Navarre). Maar uit 
de anthropologische gegevens, de plaatsnamen, de 
verspreiding van bepaalde volksgebruiken, dialect- 
verschijnselen etc. weten w r e, dat hun gebied vroeger 
veel grooter geweest moet zijn, vooral aan den Spaan - 
schen kant: in Frankrijk minstens tot aan de Loire. 
De B. stammen waarschijnlijk rechtstreeks af van de 
oude Iberiërs; daarvoor pleiten vooral de taalgegevens. 
Vroeger heeft men de verw r antschapsrichting ook wel 
elders gezocht, bijv. in de richting der Liguriërs en 
der Aquitaniërs, die ten deele in dezelfde streken 
hebben gew T oond. Tusschen deze meeningen bestaat 
geen directe tegenspraak; de nieuwere opvatting is 
juist, dat hl deze volkeren met nog verschillende 
andere meer, als de Alarodiërs, de Etrusken, de Ela- 
mieten, de Chalden, een bepaalde vroege tak der Arme- 
niërs, de Kaukasiërs etc., een groot samenhangend 
geheel gevormd hebben, dat van den Kaukasus tot den 
W. Atlantischen Oceaan reikte en zeker ook tot diep 
in Afrika zijn vertakkingen had. Het vormde de basis 
voor de prachtige middellandsche cultuur, waarvan 
men op Kreta en in Mycene thans nog de sporen terug- 
vindt en waarvan ook sommige deelen van het Home- 
rische epos nog een vagen indruk geven. Matriarchale 
en totemistische volkselementen lagen hier dooreen, 
en het groote complex w 7 erd pas verbroken door de 
kunst der eerste Indo -Germanen. Vandaar dat men 


thans ook veel gewicht hecht aan de parallellen 
tusschen het Baskisch en de Kaukasische talen, vooral 
het Abchasisch (N.W.): deze toonen zich vooral in de 
psychologie van het werkwoord, minder in den woor- 
denschat. Vroeger dacht men weer eerder aan ver- 
wantschap met de Berberdialecten van Marokko 
en Algiers, de Hamietische en Semietische talen of het 
Soemerisch. Gewoonlijk vat men dit geheele stelsel 
van meeningen samen als de „Japhetitische theorie”; 
ze wordt vooral van Russische zijde (N. Marr) voorge- 
staan; opgave van het toekomstig onderzoek zal 
natuurlijk zijn telkens nauwkeurig de graden en de 
vormen der talen- en volkerenverwantschap vast te 
stellen, w 7 ant voorloop ig zijn deze nog zeer vaag. 

Het eerste in het Baskisch gedrukte boek, de Linguae 
Vasconum Primitiae, gedateerd 1545, bevat de werken 
van Bernard d’Echepare (d’Etxepare). De in 1571 te 
La Rochelle verschenen vertaling van het Nieuwe 
Testament door Jean Licarrague wordt beschouwd 
als het standaardwerk voor de taalstudie. De Bas- 
kische letterkunde omvat verder bijbelsche en geschied- 
kundige drama’s (pastorales) naar Fransche gegevens, 
en werken van godsdienstige strekking. Overigens 
voor het grootste deel vertalingen. Eerst in den laatsten 
tijd kan men van een eigen Baskische literatuur 
spreken. 

Geschiedenis. De B., die de Romeinsche aanvallen 
ten tijde van Augustus konden weerstaan, w’erden in 
de 6e eeuw door de West-Goten overw onnen. Gedurende 
de 7e eeuw 7 werden zij tot het Christendom bekeerd. 
Toen Karei de Groote in 777 over de Pyreneeën tegen 
de Arabieren optrok, nam hij ook de Baskische stad 
Pampeluna, doch moest het beleg voor Saragossa 
opbreken. Tijdens den terugtocht werd nu zijn achter- 
hoede onverwachts in het dal van Ronceveaux door 
de B. overvallen en volslagen vernietigd. Daarbij sneu- 
velde ook Hruodland f = Roeland). Latere sagen 
en dichters hebben in het > Roelandslied deze neder- 
laag als een eenig heldenfeit opgesmukt en bezongen. 

Met behoud van hun rechten sloten de Basken 
zich bij verdrag van 1202 aan bij Castilië, dat in 
1479 tengevolge van het huwelijk van Isabella met 
Ferdinand van Aragon deel uitmaakte van het konink- 
rijk Spanje. Ondanks him band met de Spaansche 
Kroon hebben de B. steeds een geïsoleerde positie 
en een zekere zelfstandigheid weten te bew r aren. 
Wel w r erd door tusschcnkomst van Ferdinand den 
Katholieken een einde gemaakt aan de onderlinge 
twisten van den lageren adel der löe eeuw en werd 
aan de steden meer macht toegekend, terwijl daaren- 
tegen het bouwen van versterkingen buiten de steden 
verboden werd, maar daarnaast werden alle bestaande 
rechten, wetten en gewoonten (fueros) gehandhaafd. 
Zelfs bevestigden de Spaansche koningen onder eede, 
deze te zullen erkennen. Zoo worden dan ook de 
Basken bij den Vrede van Utrecht in 1713 afzonderlijk 
genoemd. Een gesclireven verdrag van saamhoorig- 
heid der Baskische provincies is niet bekend, maar 
hun juntas handelden in onderling overleg en zonder 
hun bekrachtiging hadden de Spaansche w r etten voor 
de B. geen beteekenis. 

De Car lis ten -oorlogen zouden hierin eerst verande- 
ring brengen. Bij den dood van haar vader Ferdinand 
VII in 1833 maakte Isabella II ingevolge de in 1830 
uitgevaardigde Pragmatieke Sanctie, waarbij de 
Salische Wet w r erd uitgeschakeld, aanspraak op den 
troon en werd bestreden door Don Car los, broeder 
van den overledene. Hij beloofde aan de B. handhaving 


81 


Basketball — Basoeto 


82 


hunner rechten en verwierf hun steun in den eersten 
Carlistenoorlog (1833 — 1839). Het einde was echter 
een overw inning van Isabella; na haar onttroning 
in 1868 ontbrandde de twefde Carlisten -oorlog, 
waarbij de Carlisten andermaal verloren en de B. 
landen zonder meer bij de overige provincies werden 
aangesloten. Sindsdien trokken vele B. (naar schatting 
ca. 100 000) weg naar Zuid -Amerika (Ta Platastaten); 
zij hebben daar hun eigen pers en volks vereen igingen. 
In Frankrijk had hun uitzonderlijke positie reeds met 
de Revolutie een einde genomen. 

Beter dan de Fransche hebben de Spaansche B. 
hun ras -eigenaardigheden behouden. Een sterk ont- 
wikkeld gevoel van eigenwaarde en hardnekkig conser- 
vatisme zijn de voornaamste karaktertrekken. Vurige 
Katholieken. 

Reeds in de middeleeuwen gingen de B. ter wal- 
vischvangst en ook nu nog zijn zij sterk en behendig, 
en moedige zeevaarders en smokkelaars. In het binnen- 
land wordt veeteelt, land- en wijnbouw beoefend. 
In plaats van een ploeg wordt de lava, een twee-tandige 
lange vork met kort houten handvat gebruikt. Als 
woonruimte wordt de eerste verdieping hunner huizen 
gebruikt, met een uitwendige trap bereikbaar. Zoo- 
doende blijft gelijkvloers ruimte beschikbaar voor het 
vee en de voorraden. De nog gehandhaafde oude klee- 
dcrdracht bestaat voor de mannen uit de bekende 
wollen baret, een kort nauw buis, open vest en om de 
broek een gekleurden gordel; de vrouwen dragen 
gestreepte blauwe of roode rokken met kleurige gamee- 
ring, een jakje en omslagdoek. 

Het nationale kaatsspel (jeu de paume) wordt 
hartstochtelijk beoefend. 

L i t. : Vinson, Les Basques et le pays basque (Parijs 
1882) ; id., Le Folklore du pays basque (Parijs 1883) : 
Olphe Galliard, Le Paysan basque a travers les &gcs 
(Parijs 1905) ; Aranzadi y Unamuno, Antropologia y 
etnologia del pais vasco-navarro (1911) ; Revue des 
Etudes basques (verschijnt vanaf 1907) ; N. Marr, Der 
japhetitische Kaukasus und das dritte ethnische Ele- 
ment im Bildungsprozess der mittellandischen Kultur 
(Berlijn 1923) ; C. C. Uhlenbeck, Over een mogelijke ver- 
wantschap van het Baskisch met de palaeo-Kaukasische 
talen (1923) ; W. Meijer-Lübke, Das B. und seine Ver- 
wandtschaft, in : Germanisch-Romanische Monatschrift 
(1924, met lit. opgave) ; J. Karst, Die vorgeschicht- 
lichcn Mittelmeervölker (Hcidelberg 1931) ; Uhlenbeck, 
De jongste denkbeelden over den oorsprong der B. (Med. 
Kon. Ac. van Wet. Lett. LXXIV 1932, serie B. 1).— 
Grammatica: Ithurry, grammaire basque La- 

bourdin (Bayonne 1920) ; Schuchardt, Primitiae linguae 
vasconicae (Leipzig 1923). — Volksliederen: 
Azkue, Cancionero Vasco (7 dln. 1912 — ’19, P. Bosch y 
Gimpera). 

Basketball, een Amerikaansch korfbalspel, dat 
veel op ons korfbal gelijkt, In 1892 verden de 
spelregels voor het eerst gepubliceerd, welke in den 
loop der jaren slechts weinig veranderden. Het 
speelveld is 21 bij 15 m, zoodat het spel uiteraard 
geschikt is voor binnensport. 

Baskisclie provinciën, > Alava, Vizcaya, 
Guipuzoa. 

Baskische trommel, > Tamboerijn. 

Baskocntsjjak-meer, steppemeer in zandige 
en kleiige Permlagen ten O. der beneden -Wolga, 
124 km 2 groot, met een zoutgehalte van 28%. De zout- 
winning beteekent hier niet veel meer, maar is over- 
gegaan naar het Elton Meer. 

Basluit, > Chitarrone. 

Basnage, 1° J a c q u e s, kerkhistoricus, 


* 1653 te Rouen, f 1723 te Den Haag. Als refugié 
in 1685 naar Holland. Predikant in Rotterdam, Den 
Haag. Gebruikt in staatszaken. Krijgt van de Staten 
opdracht deHist. des Provinces Unies van De Wicque- 
fort te vervolgen. Bezorgt echter in zijn Anna les des 
Provinces Unies (2 dln. Den Haag 1719 — 1726) een 
beschrijving van het tijdvak 1648 — ’67. Weinig 
nieuws. B. volgt veelal De Wicquefort. 

Werken: o.a. Hist. de la religion des églises 
réformées ; Histoire de Péglise. 

2° Samuel, Prot. theoloog en historicus, neef 
van Jacques Basnage; * 1638 te Baycux, f 1721 te 
Zutphen. B. was eerst predikant te Vauxcelles, ver- 
volgens te Bayeux. In 1685 vertrok hij naar Nederland 
en werd predikant van de Waalsche gem. te Zutphen. 
Hij schreef tegen Baronius: De rebus sacris et eccle- 
siasticis excercitationes en: Annales politico-eccle- 
s ïastici 

Lit.: Ned. Biogr. Wdb. (II, 97 vlg.) ; Biogr. Wdb. 
van Prot. godgel. in Ned. (I 1919, 334-338). J.v. Rooij. 

Basoche, Clercs de la, vereeniging van 
meestal ondergeschikte beambten van het Parlement 
(basilica = basoche), of ook van het Chatelet en de 
Cour des Comptes, die sedert het begin der 15e eeuw 
op bepaalde feestdagen verschillende soorten van 
spelen opvoerden, als „c a u s e s g r a s s e s”, een 
satire op de rechters, op vastenavond; spottende 
revues, farces, moraliteiten, meestal 
met satirische strekking tegen gerecht, regeering of 
andere machten, waardoor zij wel eens met die machten 
af te rekenen hadden. Aan hun hoofd stond een roi des 
basochiens: titel, dien Philips de Schoone in 1303 
hun reeds zou hebben vergund te dragen. Ook in 
andere steden van Frankrijk ontstonden soortgelijke 
vereen igingen. F. Mierlo. 

Basoeto, een Bantoestam, woonachtig in Basoeto- 
land, ruim 500 000 in aantal met 1 600 blanken en 
1 000 kleurlingen; hun taal heet Sesoeto; > Bantoe- 
talen. Blanken hebben krachtens toepassing der 
segregatie-(afzonderings-)politiek vergunning noodig, 
zich onder de B. te vestigen: ambtenaren, missiona- 
rissen en zendelingen, handelaars. De B. vormen den 
O. tak der Betsjoeana, zijn echter physiek en militair 
hun minderen, ook moreel. Hun gelaat vertoont minder 
opvallende negertrekken ; zij zijn slank gebouwd; 
huidkleur is donkerbruin; lichaamsdeelen in goede 
verhouding; temperament opgewekt; zijn zacht en 
vredelievend. Zij overtreffen de Zoeloe’s in intelligentie 
en beleid. De B. zijn onderverdeeld in aanzienlijke 
stammen en bevatten een klein Barolong-element. 
Drie vierden der B. zijn nog heidenen, een vierde is 
Christen; worden bearbeid door: 1° de Fr. zending 
(Soc. de miss. évang. de Paris) sedert 1829 ; zij hebben 
75 000 bekeerlingen; 2° de Kath. missie, eerst onder 
het apost. vicariaat van Natal, toen van Kimberley, 
in 1894 onder de apost. prefectuur, nu onder ap. 
vicariaat met hoofdzetel te Rome, Oblaten van de 
Onbevlekte Ontv., 21 hoofd- en 135 nevenstatics, 

19 kerken en kapellen, 5 kloosters, 9 scholen en 40 000 
bekeerlingen; 3° de Anglicaansche zending, met 

20 000 bekeerl., 4° de zending der Ned. Geref. Kerk 
van Z. Afr. Er zijn 560 inboorlingscholen met 50 000 
leerlingen, waarvan 30 000 geregeld de scholen 
bezoeken; de meeste scholen behooren aan missie of 
zending met gouv. steun; een gouv. ambachtsschool; 
te Morija een drukpers van de Fr. zending. Het Chris- 
tendom heeft hun zeden verzacht (in 1833 nog 
menscheneters). Het leven van den oorlogvoerende, 


83 


Basoetoland 


84 


die zich overgaf, werd gespaard; kinderen, vrouwen 
en vreemdelingen vrijgesteld van krijgsdienst; een 
gezant was onschendbaar, evenals een reiziger, maar 
in oorlogstijd moest de laatste de wapenen opnemen 
voor den stam, in welks midden hij zich had gevestigd. 
Voor doodslag moest weergeld betaald, vast te stellen 
door het hoofd van den stam. Kwaad noemen zij bij den 
naam van leelijkheid, onmacht, schuld. Hoofdbronnen 
van bestaan zijn landbouw en veeteelt, maar meer dan 
100 000 B. werken buiten Basoetoland in de mijnen, 
op boerenplaatsen en als huisbedienden. Het vrucht- 
bare land wordt met vlijt bebouwd: maïs (mielies), 
kafferkoren (mabéla); koren slechts op enkele plaatsen. 
De veestapel bestaat uit ruim een half millioen 
runderen, 2 millioen schapen, 1 millioen geiten, 
150 000 paarden (bekende B.-ponies) en 600 000 
muilezels. 

L i t. : E. Casa is, Les Bassoutos (1859); E. Jacottet, 
Contes populaires des Bassoutos (1895); Widdicombe, 
Fourteen years in B. land (1895); Barkley, Among 
Boers and Basutos (1900); sir G. Lagden, The Basutos 
(1909). 

Geschiedenis der B. Het vaderland der B. was 
eerst bewoond door de Bosjesmannen, wier eeuwen- 
oude schilderingen nog de wanden der bergholen 
sieren. Ongeveer 1800 werd het de toevlucht van een 
Betsjoeanastam, de B., die reeds groote deelen van 
den Oranje- Vrijstaat bewoonden, maar na verwoestende 
oorlogen, door de Zoeloe ’s tegen hen gevoerd, in de 
onneembare rotsvesting Thaba Bosigo van dit berg- 
land onder hun koning Mosjesj (* 1790) zich konden 
handhaven in 1814. Hier waren zij ongenaakbaar voor 
Tsjaka, Malawana en Moselikatze. Mosjesj. een onver- 
schrokken jager en krijgsman met veel politiek overleg, 
smeedde hen tot de onoverwinnelijke B. -natie, die 
in 1834 de aanvallen van Moselikatze afsloeg. Meer 
uit berekening dan beginsel noodigde hij in 1833 
Fransche zendelingen uit, zich onder zijn volk te 
vestigen, en bleef hun trouw tot zijn dood. In 1836 
en \37 trokken de Boeren voortrekkers (> Zuid Afrika. 
Geschiedenis) den Oranje-Vrijstaat binnen en ontstond 
er wrijving met Mosjesj, die het land opeischte. De 
Basoeto ’s lieten zich toen en nog vele jaren kennen als 
ervaren roovers, vooral veedieven, en lastige buren. 
De B. wilden het vee, de Boeren het land. In 1842 
proclameerde sir George Napier Basoetoland het 
eigendom der B. en verklaarde het in 1843 een Britsch 
protectoraat, geregeerd door Mosjesj. In 1848 annexeer- 
de sir Harry Smith den Oranje-Vrijstaat, maar, daartoe 
aangemoedigd door de verkeerde natnrellenpolitiek, 
door de Engelschen gevolgd, begon Mosjesj den eersten 
Basoeto-oorlog (1851) en versloeg de Engelschen. 
In de onafhankelijkheidsverklaring van den Oranje- 
Vrijstaat in 1854 werd geen schikking omtrent de B. 
getroffen, die gevaarlijke buren bleken in hun zucht 
tot gebiedsuitbreiding. In 1858 brak de tweede 
B. -oorlog uit, veroorzaakt door hun onophoudelijke 
vee- en gronddicfstallcn. Sir George Gey, gouverneur 
der Kaapkolonie, werd als bemiddelaar ingeroepen 
en bewerkte de Eerste Conventie van Aliwal -Noord 
in 1858. Mosjesj verwierf uitbreiding van gebied, 
wel verklaarbaar door het feit, dat er twaalfmaal zoo- 
veel B. waren als Oranje-Vrijstaat-boeren. Aangemoe- 
digd door zijn succes, vervolgde hij zijn rooftochten, 
gevolgd door den derden B. -oorlog in 1865, waarin 
Mosjesj verslagen werd en in April 1866 het Verdrag 
van Thaba Bosigo teekende, welks voorwaarden 
hij niet nakwam, waarop een strafexpeditie der Boeren 


zijn land binnentrok, 2 000 van zijn krijgers neer- 
legde, kralen en oogst verwoestte, vee nam, ten- 
gevolge waarvan hongersnood en ziekten zijn volk 
dunden. Toen riep Mosjesj de bescherming van de 
Britsche regeering in en B.-land werd in 1868 tot 
Britsch gebied verklaard, geheel in strijd met de 
Conventie van Bloemfontein. Een Boeren -deputatie 
protesteerde tevergeefs in Engeland en Mosjesj her- 
nieuwde onbeschaamd zijn rooftochten tegen de 
Boeren, die machteloos stonden uit vrees een botsing 
met het Britsche Rijk uit te lokken. Op de Tweede 
Conventie van Aliwal-Noord werd nu een nieuwe grens 
tusschen B.-land en den Oranje-Vrijstaat vastgesteld. 
Mosjesj stierf in 1870 en het jaar daarop werd B.-land 
ingelijfd bij de Kaaplokonie. Toen de B. in 1880 
weigerden de Vredesbewaringwet te aanvaarden, 
ontstond de B. -rebellie (1880 — ’83), waarop B.-land 
in 1884 tot Britsche Kroonkolonie verklaard werd. 
Geen Europeaan mocht zonder verlof zich aldaar 
vestigen; de verkoop van sterken drank en vuur- 
wapenen werd verboden. Nog altijd is B.-land een 
smeulend gevaar, daar het bij eersten oproep 
terstond een leger van 60 000 goedgewapende bereden 
manschappen kan leveren. In Mosjesj, als den typischen 
Basoeto, is de zelfhandhaving van zwarte heer- 
schappij en het verzet tegen den blanke verpersoonlijkt. 
De aspiratie van den Afrikaner, nog heden, is, om 
B.-land, zoowel als Swazi- en Betsjoeanaland, de 
eenige gebieden in de Unie, die nog van Londen uit 
bestuurd worden, te brengen onder het gezag van de 
blanke bevolking der Unie van Z. Afr. 

L i t . : Barkley, Among Boers and Basuto (Londen 
(1900) ; Ellenberger and Macgregor, Hist. of the Basuto 
(Londen 1913). Besselaar. 

BasoHoIand (Z. Afr., 28° 35' tot 30° 30' Z., 
27° tot 29° 25' O.) (> Basoeto) grenst in het N. en W. 
aan den Oranje-Vrijstaat en de Caledonrivier; in het O. 
aan Natal. de hellingen van het Quathlamba en de 
Drakens Bergen; in liet Z. aan de Kaapprovincie; 
opp. ca. 11 000 vierk. mijlen of 30 000 km 2 ; zoo groot 
als België; wordt Z. Afrikaansch Zwitserland genoemd; 
is een bergplateau met vruchtbare valleien, opgebouwd 
uit horizontale lagen van de Storm bergreeks in het 
Karoosysteem ; hoogste punt is de N.W. hoeksteen: 
de Montaux Sources(ll 000 voet), oorsprong 
van de Oranje-, Caledon-, Toegela- en Wilgerivieren; 
het bestaat uit vulkanische zandsteen lagen en heeft 
een gezond klimaat: koud in den winter met zwaren 
regenval in den zomer, iets meer dan 80 regendagen 
per jaar, regenval ± 30 duim; is rijk aan delfstoffen, 
die nog onontgonnen zijn. Hoofdplaats Maséroe met 
2 500 zielen, waarvan 400 blanken. Hout is er zeer 
schaarsch, daar de inboorlingen de vegetatie verwaar- 
loozen; gedroogde koemest is brandstof; overvloedig 
gras en wilde bloemen, ook heidekruid. Te veel vee 
veroorzaakt uitputting van den weidegrond; erosie 
of grond verspoel ing ontstaat door ontblooting van 
beschermenden plantengroei, regens spoelen diepe 
slooten (dongas) uit, zelfs 30 voet diep. Wild wordt 
schaarsch, men vindt nog elanden, hartebeesten, 
antilopen (bokken) en hazen. Patrijzen en kwakkels 
kunnen onder jachtakte geschoten worden; veel 
ooievaars en zwaluwen uit Eur. brengen hier den 
winter door. Van N. naar Z. is er een hoofdweg aan- 
gelegd met bruggen; deze verbindt alle gouveme- 
mentsposten en van hier loopen verbindingswegen 
naar dorpen of stations in den Oranje-Vrijstaat, ook 
rijwegen. In het vulkanisch bergachtig gedeelte voor- 


85 


Bas-Oha — Bassani 


86 


zien pakpaarden of dragers in het vervoer. In B.-land 
ligt één mijl spoorweg* de verbinding van Maséroe 
met het Oranje-Vrijstaat-spoorwegnet. 

De regeeringsvorm berust op het grond- 
beginsel van naturellen-zelfbestuur onder opperleiding 
van den blanke en is toepassing van het segregatie- of 
afzonderingsbeleid. De grond is gemeenschappelijk 
bezit; de inlandsche hoofdman (morena) wijst elk lid 
van den stam een deel bouwgrond toe en een weideveld 
in de bergen. De stammen staan met elkander in 
federatief verband. Hun hoofden zijn belast met de 
bewaring van orde en rust en vormen een raad (pitso) 
onder voorzitterschap van den Britschen resident- 
commissaris. Deze w r ordt bijgestaan door zeven 
assistent-commissarissen. Orde wordt gehandhaafd 
door bereden politie, bestaande uit vier inspecteurs, 
10 onder-insp., 2 hoofdkonstabels, 4 konst. en 280 
manschappen; er zijn 7 gevangenissen. Te Maséroe 
woont een medisch hoofdbeambte, in elk district een 
medisch beambte; er zijn 6 hospitalen met blanken- en 
inboorlingen-verpleging. De hutbelasting bedraagt 
een pond sterling per jaar. De handel wordt gedreven 
door 200 handelaars in dekens, kleeding, gereedschap 
en kruidenierswaren en is dikwijls ruilhandel voor 
landbouwprodcuten. De export verloopt: 13 millioen 
pond wol, 2 l l 2 millioen mohair, 130 000 zak koren, 
totaalwaarde driekwart millioen p. st. ; meest naar den 
Oranje- Vrijstaat, ook wel met lastdieren naar Natal 
en O. Griqualand. 

L i t. : G. M. Call Theal, Basutoland Records (Kaap- 
stad 1883) ; Jaarboeken van de Unie van Z.Afr. (Gouv. 
publ. Pretoria) ; Annual Reports on Basutoland (Colonial 
Office, Londen). Besselaar. 

Bas-Oha, Belg. gem. in de prov. Luik, ten W. 
van Iïoei; ca. 1 300 inw.; opp. 702 ha. Bergachtig. 
Maasvallei; landbouw, boomgaarden; steenkool. 
Kasteden van Bas-Oha en Lamalle. De gem. wordt 
reeds vermeld in de 12e eeuw. 

Basoko, plaats in B. Kongo, Oost-prov.; haven 
op den rechteroever van den Kongostroom, aan de 
monding van de Aroewimi. Administratief en handels- 
centrum. Missiepost der Priesters van het H. Hart; 
apost. vicariaat der Stanley-Falls. Volksstammen: 
Basoko en Bangala; ongev. 60 000 inw. Gesticht 1902; 
gedoopten (1932): ca. 6 000. Gasthuis door de Zusters 
Franciscanessen Missionarissen van Maria. Lagere 
scholen voor jongens en meisjes. Ruim kerkgebouw. 

Basonge, volksstam in Belg. Kongo, tusschen 
de Loealaba in het O. en de Loebi in het W., tusschen 
ong. 5° en G° Z. * Kongo (Ethnographie). 

L i t. : Coll. Monogr. Ethnogr. III, Les Basonge 
(Brussel 1908). 

Basongo, plaats in B. Kongo, Kongo-Kasai- 

Ï >rov.; haven op den linkeroever van de Kasai-rivier. 
^otestantsche missiepost ; administratief en handels- 
centrum. 

Basongo-YIeno, naam, gegeven aan de 
> Bankoetsjoe. 

Basophilic, eigenschap van allerlei stoffen om 
zich door basische kleurstoffen te laten kleuren. Het 
woord wordt bijna uitsluitend gebruikt in de genees- 
kunde, wanneer bepaalde weefselgedeelten of sommige 
bloedlichaampjes deze eigenschap vertoonen. Jonge 
roode bloedlichaampjes bijv. kleuren zich met basische 
kleurstoffen veel sterker dan oudere, terwijl er bij 
de witte bloedlichaampjes een bepaalde soort is met 
korrels erin, die door basische kleurstoffen sterk ge- 
kleurd wordt (zgn. basophilen). Wyers. 


Basophyl (basophil) heeten cellen, die basische 
aniline -kleurstoffen gemakkelijk opnemen. 

Basra, havenstad van het koninkrijk Irak 
(W. Azië), aan den rechteroever van de Sjatt el Arab, 
110 km van zee (30° 34' N., 47° 50' O.). 60 000 inw. 
(1921), 60% Arabieren, 20% Perzen. Zeer belangrijke 
invoerhaven van Mesopotamië. Uitvoer van dadels, 
wol, sesam, huiden, paarden. Vliegdienst naar Baedad. 
168 mm regen per jaar; temperatuur 10° tot 33° C. 

U eer e. 

B. is door de Arabieren gesticht, nadat zij na meer- 
dere bloedige veldslagen (o.a. bij Kadesia, 636) 
Perzië hadden veroverd. De stad kreeg een bloeiende 
hoogeschool, welke echter ten tijde van Mcliksjah 
(eind 11e eeuw) geheel vervallen was. Zij werd door 
den vizier van dien veroveraar opnieuw* opgericht. 
De stad ligt op de reisroute, die Marco Polo genomen 
heeft. Slootmans. 

Bas-reliëf, een beeldhouwwerk, dat minder 
dan de helft uitsteekt boven het platte vlak of den 
achtergrond, w*aarmede het geheel verbonden is, 
onverschillig in welk materiaal het is uitgevoerd. 
> Haut-reliëf; > Reliëf. 

Bas-Hliin, Fransch departement. > Rhin. 

Bassa (Ital.), muziekterm, verkorting 
van otava bassa (8va bassa), beteekent: uit te voeren 
in verbinding met het onderoctaaf. 

Bassac, dorp in het N.W. van Arcadië (Grieken- 
land), 1 130 m boven zee. Bekend om de ruïne van een 
Apollotempel uit het einde der 6e eeuw v. Chr., 
gelegen op een soort plateau. Deze tempel werd om 
een reeds bestaand kleiner tempeltje gebouwd met de 
as in N.W. richting i.p.v. Oost- West. De zuilen w*aren 
volgens de drie bekende Grieksche bouworden, rondom 
een Dorische zuilenrij, binnenin 6 nissen, gescheiden 
door zgn. driekwartzuilen van Ionische bouworde, 
waarboven een doorloopend fries met beeldhouw*werk 
en tusschen de nieuwe > cella en het oude tempeltje 
een zuil met vroeg-Korinthisch kapiteel. Men heeft 
het bouw r w*erk toegeschreven aan Ictinus. 

W. Vermeulen. 

Bassani, Giovanni Battista, Ital. 
componist, * 1657 te Padua, f 1716 te Bergamo; leer- 
ling van Castrovillari te Venetië. Van 1677 — ’82 
w*as hij organist van de „Accademia de 11a morte” 
te Ferrara en kapelmeester van den hertog van Miran- 
dola, tevens in 1677 reeds lid van de „Accademia 
filarmonica” te Bologna. In 1682— ’83 w*as hij hiervan 
zelfs voorzitter. Het is moeilijk aan te nemen, dat B. 
de leeraar zou geweest zijn van Corelli die ecnige 
jaren ouder was; niettemin vertoonen hun composities, 
vooral wat de instrumentale werken betreft, veel 
verwantschap. Ook als componist van vocale w r erken 
is B. zeker zoo belangrijk, zoowel voor de kerk als 
voor kleinere ruimten. 

Werken: 1° instrumentaal : Balletti, Concerti, 

Gighe e Sarabande, op. 1 (1677) ; vioolsonates met 
bassocontinuo in Scelta delle suonate (1680) : 12 Sonate 
da chiesa voor 2 violen met bassocontinuo, op. 5 (Bo- 
logna 1683, Amsterdam bij Et. Roger 1688). 

2° Vocaal : L’armonia delle Sirene, op. 2 (1680) : II 
cigno canoro, op. 3 (1682) ; Affetti canori, op. 6 (1684) ; 
Eco armonica delle Muse (1688) ; Amorosi sentimenti 
op. 14 (1693); Armoniche fantasie op. 15 (1694); La 
Musa armonica op. 16 (1695) ; Languidezze amorose op. 
19 (1698) ; La Sirena Amorosa op. 17 (1699) ; Cantate 
amorose op. 28 (1701) ; Corona di fiori musicali op. 29 
(1702) : Cantate ed arie amorose op. 31 (1703) ; al deze 
werken zijn solo-cantates met continuo. Een boek 


87 


Bassano — Basserman 


88 


2-3 st. cantates, La moralita armonica op. 4 (1683) ; 
6 opera’s ; 9 oratoria: geestelijke werken, waaronder 
missen met instrumenten ; Motetti a voce sola c. 2 V. ad 
lib. op. 8 (1690), op. 12 (1692), op. 13 (1693), op. 27 
(1701) ; Armoniei entusuasmi di Davide op. 9 (4-st. 
psalmen met instr. 1690) ; Salmi di compieta op. 10 
(1691) ; Concerti sacri op. 11 (1692^ ; een requiem-mis 
(1698); Salmi concertati op. 21 (1699), op. 24 (1700); 
Lagrime armoniche op. 22 (1699) ; Le note lugubri op. 
23 (1700) ; Antifone a voce sola c. V. 2 Tantum Ergo op. 
26 (1701) ; Completorii concerti op. 25 (1701, 12 stem- 
boeken) ; Salmi per tutti 1’anno op. 30 (1704). — L i t. : 
Wasielewski, Die Violine im 17. Jahrhundert (3-st. 
sonates) ; Torchi, Arte mus. in Italia (VII, 3 sonates op. 
5) ; Riemann, Kantatenfrühling (Dal crudele Daliro) ; 
Fr. Pasini, Notes sur la vie de G. B. B. (Sammelb. der 
Int. Mus. Geselt. VII 1906). Piscaer. 

Bassano, stad in de Ital. prov. Vicenza (Italië. 
45° 48' N., 11° 14' O.), aan de Brenta, 180 m boven 
zee; 20 000 inw. (1921). Prachtige oude stad (muren, 
houten brug, kasteel); Renaissancehuizen. Na 1402 
onder Venetië. Pottenbakkerij, leerbereiding; tabak, 
wijn, olijven. 

Lit.: Brentari, Storia di B. (1884). 

Bassano, naam van een Ital. schildersfamilie 
uit de 15e en 16e eeuw, bijgenaamd da Pon te. 

l°Francesco de Oudere, werkte onder invloed 
van Montagna en Veronese. * ong. 1475, f 1541. 

Voorn, werken: Tronende Maria tusschen 

St. Bartholomeus en St. Jan den Dooper (Bassano, 
museum) ; H. Justina tusschen den H. Michael en Sint 
Joris (1520; Solagna, H. Justina). 

2° J a c o p o. zoon van den vorige. Studeerde te 
Venetië en keerde er later terug. Invloed van zijn 
vad r, Veronese en van de kunst van Titiaan en 
Pordenone. Later van Tintoretto en de Vlaamsche 
kunst. * ong. 1510, f 1592. 

Voorn, werken: H. Petrus en Paulus (Modena, 
pinacotheek) ; Opwekking van Lazarus (Venetië, Aca- 
demie) ; St. Rochus onder de pestlijders (Milaan, Brera) ; 
Rust op de vlucht naar Egypte (Milaan, Pinacotheca 
Antoniana). 

3° Francesco de Jongere, oudste zoon van 
Jacopo. Hielp zijn vader. * 1549, f 1592 (zelfmoord). 

Voorn, werk: Inneming van Padua. 

4°Giovanbattista, tweede zoon van Jacopo 
(* 1553, f 1613), en: Leandro. derde zoon van 
Jacopo (* 1557, f 1622), medehelpers van hun vader, 
evenals G i r o 1 a m o, die aanvankelijk te Padua 
medicijnen studeerde (* 1566, f 1621). 

Lit.: Lottmann, Zur Kunst der Bassani (1908) ; 
Venturi, Storia delP arte italiana (IX 4, 1929, 1113 vlg.). 

Knipping. 

Bassari, > Basari. 

Bassc~Boclcux, Belg. gem. in den Z. hoek van 
de prov. Luik; ruim 400 inw.; opp. 1 706 ha; bosch- 
bouw. Kasteel Haute-Bodeux; kerk van de 18e eeuw, 
met toren van de 11e eeuw. 

Basse-cour, een door muren en poorten om- 
sloten voorhof bij middeleeuwsche burchten. Gewoon - 
lijk ligt de grondslag van de b.-c. hooger dan de 
ingangspoort, zoodat bij het af weren van een aanval 
met kokend water en pek, dit door de poort naar be- 
neden stroomt. Rechts van de poort ligt in de b.-c. 
het versterkt kasteel, van waaruit de aanvallers 
beschoten kunnen worden aan de rechterzijde, welke 
niet door het schild gedekt is. Dikwijls bevinden 
zich nog stallen en dienstgebouwen in de b.-c. 

Thunnissen. 

Basso danse (Fr.), plechtige, deftige dans uit de 
15e en 16e eeuw. 


Basso fondamontale (Fr.), technische term 
in de harmonieleer, afkomstig van de theorieën van 
Ram eau, waarbij aan den ondersten toon der accoorden 
een functioneele beteekenis wordt gegeven, die voor 
het verband der harmonieën belangrijker is dan de 
eenvoudige beteekenis in verticale richting. 

Bassein, 1 ° district van de afdeeling Ira- 
wadi in het Z.W. van Birma (Z.O. Azië). Warm vochtig 
moessonklimaat. Achter de moerassige mangrove- 
kust ligt de delta van de Irawadi met groote rijst- 
velden. Ca. 500 000 bewoners, meest Birmanen; 
in hoofdzaak Boeddhisten. 

2° S t a d in het district Bassein (Azië, 17° 45' N., 
94° 63' O.), 120 km van de kust; rijsthaven aan de 
Irawadi. Belangrijke rivierscheepvaart, vele rijst- 
pelmolens. 42 000 inw. (1921); 50% Boeddhisten. 25% 
Hindoes, 17% Christenen. Heere. 

Bassclin, > Bachelin (Olivier). 

Bassen , Bartholomeus (Bartholdt) 
van, Ned. schilder en architect, * ca. 1590 (te 
Antwerpen?), f 1662. In 1613 als vreemdeling opge- 
* nomen in het Lucasgilde te 

yL Delft, in 1620 in het Lucas - 

]/ CS£A/ gilde te Den Haag, waarvan 
r ^ bij in 1627 deken en in 

c - ü „ 1636 hoofdman was ; trouwde 

Signatuurvan B. Bassen. Januari im met ’ Ae , tge 

Pieters van Gils te Den Haag, die in April 
1652 stierf, waarna hij overleed in November 
van hetzelfde jaar. Van zijn schilderijen, die meest 
paleizen, zalen en kerkinterieurs voorstellen, is het 
vroegst gedateerde van 1615 in het slot Fredensborg, 
een der laatste van 1650 in het Gemeentemuseum te 
Den Haag. Verdere schilderijen te Amsterdam, Augs- 
burg, Berlijn, Glasgow, Kopenhagen, enz. In 1629 — 
1631 bouwde hij het slot van Frederik v. Bohemen, 
den „Winterkoning”, te Renen; in 1630 leverde hij 
prins Frederik Hendrik teekeningen der verbouwing 
van het slot Honselaarsdijk, in 1633 wordt hij, als 
„perspectyff-schilder ende architect” betaald voor 
het teek en en van plattegronden en opstanden voor 
diens slot Ter Nieuburch te Rijswijk. In 1634 ontwierp 
hij waarschijnlijk plannen voor een nieuw raadhuis 
te Arnhem (niet uitgevoerd); in 1636 verbouwde 
hij het Catharinagasthuis aldaar. In 1638 werd hij 
„contrerolleur” der gemeentewerken, in 1639 stads- 
bouwmeester te Den Haag, waar hij in 1647 de bekro- 
ning van den stadhuistoren verbouwde, en in 1648 
een eerepoort ter herdenking van Frederik Hendrik 
ontwierp. Zijn in 1649 ontworpen plan voor de Nieuwe 
kerk op het Spui aldaar, is niet uitgevoerd. Op een 
regentenstuk, in 1647 geschilderd door Com. Janson 
van Ceulen, in het Gemeentemuseum te Den Haag, 
komt zijn portret voor. Zijn zoon Aemout was advocaat 
van het Hof van Holland. 

Lit.: Moes, in Nieuw Ned. Biogr. woordenboek (III 
1914, kol. 70); F. Vermeulen, Handboek d. Gesch. d. 
Ned. Bouwkunst (III, 106 vlg.). F. Vermeulen. 


Bassrnfjc, > Bitsingen. 

Basserman, A 1 b e r t, acteur; * 7 Sept. 1867 
te Mannheim. Na studies bij Otto Brahm, debuteerde 
hij in 1899 aan het Deutsches Theater en treedt sinds- 
dien regelmatig op. B. is een der grootste Duitsche 
tooneelspelers. Hij trad op in een groot aantal klas- 
sieke rollen: Othello, Hamlet, Don Carlos(als Philips 
II)e.a. Beroemd is zijn creatie van Mephisto in Goethe’s 
Faust, waarin zijn geheel origineele opvatting breekt 
met den traditioneelen „operaduivel”. Daarnaast is 


89 


Bassery — Bassus 


90 


B. de aangewezen acteur voor „Kammerspiele”; zoo 
treffen speciaal zijn Ibsen-rollen door sober doch 
karakteristiek spel. Ook in films heeft B. herhaaldelijk 
gespeeld. Zijn rechter van instructie in „Vorunter- 
suchung” (1930) werd daarbij een onver^etelijke 
creatie. v. Thienen. 

Bassery, G u i 1 i e 1 m u s, bisschop van 
Brugge; * 1642 te Brussel, f 18 Juni 1706 te Brugge 
en aldaar begraven in de kathedraal. Hij doceerde te 
Leuven kerkelijk recht, werd er kanunnik in de St. 
Petruskerk, president van het Donatiaansch College 
en rector der universiteit. In 1681 apostolisch vicaris 
van het bisdom Den Bosch geworden, bleef hij te Leu- 
ven wonen. Vooral ijverend tegen de gevaarlijke 
samenkomsten der jeugd, zond hij in 1682 en 1684 
uitvoerig verslag over zijn bevindingen naar Rome. 
Hij deed in 1691 afstand van zijn vicariaat en werd toen 
benoemd tet bisschop van Brugge. 

L i t. : Schutjes, Geschiedenis van het Bisdom ’s Hcr- 
togenbosch (II 1872, 141 en 142). Knippenberg . 

Basscs-Alpes, Fransch departement, > Alpes. 

Basscs-Pyrénécs, Fransch dept., > Pyrénées. 

Basset (muziek). In de vioolscbool van Mo- 
zart wordt b. als oudere naam voor violoncel aange- 
geven. B. in verbinding met een instrumenten -naam 
wijst op tenor-ligging. 

Basset, Fransche jachthond; komt te onzent 
niet voor. 

Basse Terrc, 1° havenstad en hoofdplaats 
der Fr. kolonie Guadeloupe (KI. Antillen), 
16° 50' N., 61° 41' W.; 8 400 inw. (meest kleurlingen). 
Het W. deel van het eiland heet ook B.T. ; bis- 
schopszetel van het bisdom B.T., dat ± 240 000 
Katholieken telt. 

2° Hoofdplaats van het Br. eiland St. C r i s t o p- 
h e r (St. Kitts), KI. Antillen. 8 500 inw. 

Bassethoorn (Ital.: corno di bassetto), gelijkt op 
de altclarinet. De b. is nauwer geboord; de stemming 
is in F, de omvang van groot F tot c tweegestreept. 
Komt thans in de practijk weinig voor. In Mozart’s 
Requiem en Die Zauberflöte is de b. aangewend. 

Bassevelde (rv bas = vruchtbaar), gcm. in het 
N. der prov. O. Vlaanderen, 8 km ten W. van Sas- 
van-Gent. Opp. 2 194 ha., 3 800 inw.; rijke kleigrond; 
landbouw. Kerk met 50 m hoogen toren, uit het eerste 
ogivaal tijdperk. 

Basse-Wavrc, -> Neerwater. 

Bassi , 1° Martino, Ital. bouwmeester uit de 
buurt van Milaan; * 1542, f 1591. Voltooide in Milaan 
de door Alessi begonnen Sint Victors-kerk, en bracht 
in den dom versieringen aan. Van hem is bekend een 
ontwerp voor een Gotischen gevel van den dom van 
Milaan. Restaureerde in 1574 de kerk van San Lorenzo 
en plaatste er een koepel op (na zijn dood voltooid). 
Werkte in de Certosa van Pavia. Schreef een werk 
over architectuur tegen Pellegrino Tibaldi: Dispareri 
in teria d’architettura et perspettiva con pareri di 
eccelenti e famosi architetti che li risolvono (1570). 

L i t. : Jüvon Schlosser, Kunstlitcratur (1924). 

2° M a 1 1 e o da, ten onrechte beschouwd als 
stichter der Kapucijner Orde. * te Bassi, f 2 Aug. 
1552 te Venetië. Als observant ging hij in 1528 naar 
de Kapucijnen over, werd er vic. -generaal en verliet 
deze orde weer in 1537. 

Bassia (plant k.), een geslacht der ganze- 
voetachtigen (Chenopodiaceae), wordt het meest langs 
de zeekusten gevonden. Oorspronkelijk uit Azië af- 
komstig, heeft het zich over Europa en Noord-Afrika 


verspreid. Het is een zeer soortrijk geslacht, maar 
zonder groote beteekenis. 

Bassilly, > Zullik. 

Bassin, bekken voor het verzamelen van water, 
o.a. ten dienste van krach twerken, waterleidingen en 
zwemplaatsen. B. worden nogal eens in bepaalde 
tuinstijlen aangewend als vijver van regelmatigen 
vorm. 

Bassleutel (muziek), > Sleutel. 

Basso continuo, Duitsch: Generalbasz, heet 
de schrijfwijze voor de orgel- of klavierpartij in de 
instrumentale muziek van het einde der 16e eeuw tot 
ongeveer het einde der 18e eeuw. Genoteerd werd de 
bastoon der harmonie, waarboven de samenstelling 
van het accoord in cijfers stond uitgedrukt. De speler, 
die meteen algemeen leider van het ensemble was, 
had de belangrijke taak uit deze becijfering de har- 
monieën op het instrument te realiseeren. Deze klin- 
kende uitwerking was in zekeren zin een improvisatie- 
kunst, omdat het er op aankwam, niet alléén de ac- 
coordopvolgingen te laten klinken, maar de har- 
monieën te ontplooien („breken”) en te versieren. 

E. Andriessen. 

Bassompierre, F r a n 9 o i s, baron de, 
Fransch staatsman; * 1579 in Lotharingen, f 1646; 
werd een gunsteling van koning Hendrik IV; zocht 
avonturen in Oostenrijks chen dienst in den strijd 
tegen de Turken en streed later tegen de Hugenoten 
in Frankrijk. In diplomatieken dienst vertoefde hij in 
Zwitserland, Engeland en Spanje. Als vijand van 
Richelieu moest hij van 1630 tot 1643 in de Bastille 
verblijven, waar hij zijn Mémoires schreef; hij stierf 
drie jaar na zijn vrijlating op zijn landgoederen in 
Normandië. Zijn Mémoires werden nieuw uitgegeven 
door de Société de l’histoire de France (187Q— ’77). 

L i t. : P. M. Bondois, Le maréchal de Bassompierre 
(1925). v. Gorkom. 

Basson , Bassoon (muziek), > Fagot. 

Bassoragotn, verzamelnaam voor alle op > 
tragant gelijkende gomsoorten. 

Bass-straat, gelegen tusschen Australië en 
Tasmanië; 224 km breed, met een gemiddelde diepte 
van 70 m; genoemd naar kapitein George Bass, die 
deze straat in 1797 ontdekte. Er liggen vele eilanden 
in, o.a. het Flinders- en het King-eiland. 

Bassus, 1° C a e s i u s, > Caesius. 

2° J u n i u s, een Rom. prefect (f voor 360), 
Christen. Bekend door de voor hem vervaardigde 
sarcophaag (de zgn. sarcophaag van Ju- 
ni u s B a s s u s), een oud-Christ. lijkkist van Parisch 
marmer. Deze werd in 1595 te Rome (crypte van het 
Vaticaan) ontdekt. De voorzijde bevat twee archi- 
tectonisch geordende rijen voorstellingen uit de H. 
Schrift ; boven: Offer van Abraham, H. Petrus in de 
gevangenis, Christus op troon, Gevangenneming van 
Jesus, en Christus voor Pilatus; beneden: Job met 
vrouw en vriend, Adam (naast korenschoof) en Eva 
(naast schapenvacht), Intocht van Christus in Jeru- 
salem, Danëil tusschen de leeuwen (in later tijd slecht 
gerestaureerd), wegvoering van den H. Paulus. Op 
de tympans: de drie jongelingen in den oven met Engel 
(in de gestalte, van lammeren), Moses, die water uit 
de steenrots slaat, vermenigvuldiging der brooden, 
Doopsel van Christus, Moses, die van God (hand) de 
Wet ontvangt, opwekking van Lazarus. De zijkanten 
vertoonen oogst taf ereelen. De Bassus-sarcophaag 
is voor zijn tijd een vaardig stuk werk, uitmuntend 


91 


Bast — Bastaardachtervoegsel 


92 


in goede natuurwaarneming (menschen, en vooral 
dieren) en een rijke bron voor de geschiedenis der 
vroesr -Christelijke iconograph ie. 

L i t. : Grisar, Der Sarcophag des Junius B., in 
Römische Quartalschr. (10, 1896, 313-333) ; de Waal, 
Der Sarcophag des Junius B. (1900) ; Leclerq, in Dict. 
d’archéologie chrét. et de Liturgie (11, 1, 1911, 608 vlg.). 

Knipping. 

3° S a 1 e i u s, > Saleius. 

Rast (plant k.), phloeem, ook wel leptoom of 
cribraal (zeef) gedeelte, is dat deel van den > vaat- 
bundel, waarin de zeefvaten gevonden worden. 
Deze ontstaan uit rijen van boven elkander gelegen, 
niet verhoute cellen, waarvan de schuine dwars wanden 
met elkander een verbinding vormen door zeefvorm ige 
doorboringen, waardoor protoplasma draden gaan. 
Zij dienen voor liet vervoer naar de groeitoppen en be- 
waarplaatsen van reservevoedsel van organische, in de 
bladeren gevormde voedingsstoffen (neergaande sap- 
stroom). Bij de bedektzadigen worden de zeefvaten 
begrensd door begeleidende cellen, die 
met de zeefvaten uit dezelfde cambiumcel ontstaan 
en zeer eiwitrijk zijn. Bij de naaktzadigen vindt men 
in de plaats van deze langgerekte begeleidende cellen 
eiwithoudende parenchym cellen of bijzondere merg- 
straalcellen. Naast de zeefvaten komen in den bast 
meestal ook bastvezels voor. Dit zijn lang- 
gerekte spoelvormige cellen, zonder protoplasten en 
met verdikte wanden. Zij zijn weinig rekbaar, maar 
zeer buigzaam (zij kunnen per mm 2 tot 25 kg dragen) 
en hebben een hooge elasticiteitsgrens. De lengte is 
gewoonlijk 1—2 mm, bij sommige planten echter veel 
grooter, bijv. jute tot 4 mm, hennep 10 mm, vlas 
20 — 40 mm, brandnetel 77 mm en rameh 220 mm. 
Deze langere zijn dan ook zeer geschikt voor de fabri- 
cage van weefsels (linnen, touw, neteldoek). De bast- 
vezels staan meestal in groepen, bastb undels 
genaamd. Verder bevindt zich in de b. bast paren- 
chym, isodiametrische cellen met levenden inhoud. 
Deze zouden vooral de gevormde suikers vervoeren. 
Bij sommige planten komen in den bast melksapvaten 
voor. bijv. bij samengesteldbloemigcn en papaverachti- 
gen, en kliercellen of kliergangen. Bij planten met 
secundairen diktegroei (naaktzadigen en tweezaad- 
lobbigen) ontstaat een secundaire b., die in het alge- 
meen dezelfde elementen bevat als de primaire b.: 
de zeefvaten zijn echter meestal nauwer en er komen 
dikwijls veel parenchymcellen met kristallen van 
oxaalzure kalk in voor. De mergstraalcellen voeren 
stoffen van den bast naar het hout. De grens van den 
secundairen bast is naar binnen het cambium, waaruit 
hij door deeling ontstaat, en naar buiten de schors. 
> Schors. Bouman. 

Bast (Baste t), Egyptische godin van Boe- 
bastis. Zij werd de officieele godheid van het rijk. 
toen Boebastis residentie van den pharao werd (22e 
dyn.L Gewoonlijk voorgesteld met kattenhoofd of als 
vrouwenfiguur met katten, later ook als valk met 
kattenhoofd. Simons . 

Bast, P i e t e r, graveur, * te Antwerpen, 
f 1605; meestentijds werkzaam te Leiden. Van hem 
bekend serie plattegronden en profielgezichten van 
verschillende Hollandsche steden, die voor de topo- 
graphie zeer belangrijk zijn. Hij kreeg vele opdrachten 
van de overheid. 

L i t. : Maandblad Ned. Leeuw (XI, 21) ; Navorscher 
(VIII, 333) : Obreen’s Archief (II). 

Bastaard (= Poelau Besar), soms M a n g- 


k o e r e genaamd, een eilandje ten N. van Maoemere 
(Flores). 

Bastaard, 1° jn genetische beteekenis, 
een vorm, die ontstaat bij kruising van twee ouders, 
die tot verschillende soorten of rassen behooren. Het 
moderne onderzoek over het gedrag van bastaarden 
of hybriden, die hun ontstaan te danken hebben aan de 
vereen iging van twee erfelijk ongelijke geslachtscellen, 
begon met de publicatie van HendeLs Versuche der 
Pflanzenhybriden (1865). Hoewel Mendel hiermee op 
geniale wijze de oplossing had gevonden van de over- 
erving der eigenschappen binnen de soort, vond 
zijn ontdekking geen weerklank en bleef zijn werk 
35 jaar lang in het vergeetboek. Eerst sinds 1900, toen 
de wetten van Mendel opnieuw werden ontdekt door 
drie botanici, de Vries, Tschermak en Correns, heeft 
het onderzoek der bastaarden of Mendel isme een 
groote vlucht genomen. De bastaardeer ings leer ont- 
wikkelde zich allengs tot de nieuwe wetenschap, die 
men erfelijkheidsleer of genetica noemt en 
waarvan zij een belangrijk onderdeel vormt. 

In de oudere biologische literatuur heerscht heel wat 
verwarring omtrent het begrip bastaard, vooral omdat 
niet steeds het nood ige onderscheid wordt gemaakt 
tusschen bastaardcering van rassen en die van soorten 
of geslachten (> Soortbastaarden). Dumon. 

2° In de rechtsgeschiedenis is b. 
een onwettig kind, d.w.z. een kind, geboren uit ouders, 
die niet wettig met elkaar gehuwd zijn. Wat de rechts- 
positie van den b. betreft, gold de regel, dat de moeder 
geen bastaard maakt, waarmede men aanduidde, dat 
in erfrechtelijk opzicht de b. met betrekking tot de 
moeder behandeld werd als wettig kind. De landsheer 
liad de oppervoogdij over de bastaarden en maakte 
op dien grond aanspraak op de nalatenschap van den 
b., althans op een deel daarvan. Door opvolgend huwe- 
lijk der ouders (> Mantelkinderen) kon wettiging van 
den b. plaats hebben. Eermesdorf. 

Baslaardachtcrvoeflscl of bastaard* 
uitgang is een achtervoegsel, dat ontleend is 
aan een vreemde taal, in de ontleenende taal productief 
geworden is en nu ook achter inheemsche woorden 
gevoegd wordt. Die behoefte aan ontleening van 
suffixen, w r elke vaak nog een vollen klank bezitten, 
ontstaat, wanneer het inheemsche suffix ineen- 
geschrompeld is en voor zijn functie minder geschikt 
werd. Het achtervoegsel qua achtervoegsel wordt niet 
overgenomen. Maar men ontleent aan de vreemde 
taal enkele woorden, die toevallig met dat achter- 
voegsel zijn gevormd en gebruikt later dat zelfde 
achtervoegsel bij inheemsche woorden. Die produc- 
tiviteit treedt gemakkelijker op, naarmate de ont- 
leende woorden door de beteekenis, die het suffix 
aan het geheel geeft, wwden bijeengehouden. Maar 
als die overeenkomst in beteekenis bij die ontleen ingen 
ontbreekt, is de kans op productiviteit gering. Dit is 
bijv. het geval bij -eel, dat niet productief werd, 
ofschoon het Ned. een groot aantal woorden op -eel, 
< Fr. -el, overgenomen heeft. Immers ook reeds in 
het Fr. liggen de ermee gevormde woorden ver uiteen, 
zooals met het oog op de verschillende herkomst 
(nl. Lat. -ellum en -alis) gemakkelijk te verklaren is. 

De invloed van de bastaarduitgangen op de taal- 
structuur kan groot zijn. Immers de klemtoon van Fr. 
bastaardachtervoegsels bewerkte, dat echte Ned. 
suffixen van accent zijn veranderd. Zoo zijn bijv. 
de vrouwelijke woorden op -in den klemtoon van die 
op -es gaan volgen. Vlg. Ned. koningin met Hoog- 


93 


Bastaardanalyse— Bastaardvloek 


94 


duitsch Königin. Enkele bastaardachtervoegsels 
in het Ned. zijn: -aar en -er uit Lat. -arius; -ster uit 
vulgair-Lat. -istria; -aard en -erd uit Fr. -ard; Ned. 
ist..Mnl. -iste uit Fr. -iste; -haftig uit Hoogduitsch 
-haftig; -teit uit oud-Fr. -teit, -tet; -age, -ier en -ment, 
alle drie uit dezelfde Fransche vormen. 

L i t. : M. Schönfeld, Historiese Grammatika van het 
Nederlands ( 3 1932, § 141 vlg.). W rijnen. 

Bastaardanalyse is de moderne genet ische 
onderzoeksmethode, die toelaat, door doelbewuste 
kruising en beoordeeling van de nakomelingschap, 
het erfelijk patrimonium van een bepaalde plant- of 
diersoort te ontleden. Bij de studie van de bloemkleur 
bij erwten kon uit de kruising van purper met rosé 
in de bastaardanalyse uitgemaakt worden, dat het 
purper ras een erffactor B bezit, die bij het rosé ras 
ontbreekt. Dit beteckent echter niet, dat de factor B 
alleen purper geeft, want hiervoor zijn ook de factoren 
A, en A 2 van het rooskleurige ras noodig, wat duidelijk 
bleek uit de kruising van rosé met een bepaald wit 
ras. Verdere kruisingen en bastaardontledingen gaven 
volgende erfformule voor de bloemkleur bij de erwt: 
Aj is de grondfactor voor kleur (licht purper); afwezig- 
heid van Aj geeft wit, zelfs bij aanwezigheid van de A 2 
en B, die dan cryptomcer, dus uiterlijk niet waarneem- 
baar zijn; Ag samen met A 1 geeft rosé of zalmkleur; 
B geeft purper met A t en A 2 , met A t alleen paars, 
zonder A, wit. 

De verdere bastaardanalyse toonde aan, dat de 
factor Ai gekoppeld is met den factor Gc voor de grijze 
zaadhuid en met den factor C, die gekleurde bladoksels 
geeft; dat voor de zaadgrootte verschillende polymere 
factoren samen werken, enz. 

Voor de meeste raseigenschappen werd op die wijze, 
o.a. bij de erwt, de banaanvlieg, het konijn, de leeu- 
wenbek, ook bij een groot aantal cultuurgewassen, 
het onderling gedrag van een groot aantal erffactoren 
bepaald. 

De bastaardanalyse, eenvoudig bij gewone Mendel- 
sche splitsing, wordt meer ingewikkeld in gevallen van 
cryptomerie, polymerie, koppeling en Crossing over. 
Bij kruising tusschen soorten en geslachten heeft zij 
niet hetzelfde belang, doordat de Mendelsche wetten 
voor > soortbastaarden niet gelden. Dumon. 

Bastaardatavisme ( < Lat. atavus = voor- 
ouder) of atavisme na bastaard eer ing noemt men het 
verschijnsel, dat kruising van twee planten of dieren 
van dezelfde soort een bastaard geeft, die niet opmeen 
van de ouderrassen gelijkt, maar een der voorouders 
of zelfs den stamvorm benadert (> Cryptomerie). 

Dumon. 

Bastaardbalk (h e r a 1 d.), meestal een linker 
schu instreep. > Heraldiek. 

Bastaardeer ing, 1° in de nat. hist. 

het op natuurlijke of op kunstmatige wijze bevruchten 
van twee erfeïijk verschillend aangelegde geslachts- 
cellen. Het bastaardeeren is enkel mogelijk tusschen 
planten of dieren, die nauw verwant zijn: tusschen 
rassen van eenzelfde soort, soms tusschen soorten van 
eenzelfde geslacht (tarwe, kool; ■> Soortbastaarden), 
bij uitzondering tusschen verschillende geslachten 
(Laelia en Cattleya). Soort- en geslachtsbastaarden 
gedragen zich op andere wijze dan bastaarden, die 
enkel aan rasverschillen hun ontstaan danken. 

Dumon . 

2° In de t a a 1 k u n d e. a) B. = creoliseering. 
Bastaardtalen zijn dus > creoolsche talen, b) B. vindt 
men, als er ergens twee dialecten van gelijke kracht 


elkaar ontmoeten. Het mengdialect, dat er dan uit 
ontstaat, zal als zoodanig geen echte levensvatbaarheid 
hebben. Dit is een meer algemeen geval dan bastaar- 
deer ing in zijn eerste beteekenis. c) B. = het ontstaan 
van bastaardvormen. En als bastaardvormen of 
compromisvormen betitelt men soms > contaminatie- 
vormen. W rijnen. 

Bastaardeeringsleer, > Mendelisme. 

Bastaard generatie (nat. h i s t.) is de 
vorm, die zijn ontstaan aan een bastaard eer ing dankt: 
eerste bastaardgeneratie (Fj); bevruchting van de 
F 4 -individuën onder elkaar geeft de tweede bastaard- 
generatie of F 2 . > Mendelisme. 

Bastaardklaver (Trifolium hybridum), 
klaversoort, die in blijvende weilanden en kunstweiden 
voorkomt. Verschilt met de roode klaver in winter- 
vastheid en weerstand tegen ziekten. Aan paarden 
mag niet te veel gevoerd worden. Wordt weinig geteeld. 

Bastaardnaeh legaal (Pninella modularis), 
thans algemeen heggemusch genoemd. Een bedeesd, 
muschachtig vogeltje, met loiblauw borstje en roest- 
bruine schouders en rug. Schedel, "ok en rug bru in- 
gevlekt. Broedt vrij algemeen dov,r het heele land. 
Voedt zich met insecten, ’s winters ook met zaden, 
enz. Zingt al heel vroeg in het voorjaar. Het nest is 
van mos, van binnen bekleed met haar, zit in struiken, 
heggen, e.d. 5 blauwe eitjes. 

Bastaardrups, een van de gewone rups afwij- 
kende vorm; bezit drie paar gelede borstpooten en 
meestal aan elk lichaamssegment een paar buikpooten; 
het aantal enkelvoudige oogen bedraagt een paar, 
terwijl de gewone rups er 6 paar heeft; wordt aange- 
troffen bij de * bladwespen. 

Bastaardsatijn vlinder (Euproctis Chry- 

sorrhoea L.), een vlinder, behoorende tot de fam. der 
spinners. De rupsen van dezen vlinder veroorzaakten 
in 1928— ’30 zeer 
groote schade in 
Belgisch en Ne- 
derlandsch Bra- 
bant en Limburg 
zoowel aan loof- 
boomen (vnl. ei- 
ken) alsook aan 
appel- en pere- 
boomen. De jonge 
zwarte rupsjes 
overwinteren gemeenschappelijk in waterdichte 
nesten, die zij opbouwen uit samengesponnen bladeren, 
en die ’s winters in de boomen duidelijk te zien 
zijn. De volwassen rupsen (3 k 4 cm lang) hebben 
twee oranje lijnen op den rug en een rij witte vlekjes 
langs de beide zijden. De haren der rupsen veroor- 
zaken jeuk. De vlinders (13 mm lang en 35 mm 
vlucht) zijn wit en vliegen ’s avonds in Juni. De wijfjes 
leggen eitjes in hoopjes en bedekken deze met 
de gele haren van hun achterlijf. Bestrijding door 
uitknippen der winternesten en door vogelcultuur 
(meezen). J. Goossens. 

Bast aard spinnen, > Spinachtigen; > Hooi- 
wagens. 

Bastaardsteriliteit (nat. h i s t.) is de 
onvruchtbaarheid van de individuen uit bepaalde 
soort- of geslachtskruisingcn. 

Bastaarduitgang, > Bastaardachtervoegsel. 

Bastaardvloek als taalverschijnsel 
is een soort van woordvorming. Vloekwoorden, die 
iemand als krachttermen of onder invloed van ver- 



95 


Bastaardvoorvoegsel — Basterdtrasmortel 


96 


schillende aandoeningen in den mond komen, worden 
opzettelijk vervormd, om den naam van God, 
van heiligen of heilige zaken te vermijden, of om het 
aanstootelijke van een bezwering of verwensching 
weg te nemen (cf. de censuur bij Freud). Zoo werd in 
het Ned. de naam van God in de 17e en 18e eeuw 
vervormd tot gans, later tot jan, gort, gut, grutjes, 
gosje, pot (gans bloed! gans wonden! = bij het bloed, 
bij de wonden van Jesus; jandorie, gosjemijne, pot- 
domme). De naam Jesus werd verbasterd tot jasses, 
ajakkes, jeminie, enz. B. komen in alle talen en tijden 
voor. In het Fr. werd Dieu tot bleu, dié, enz. (parbleu, 
sacrébleu, ventrebleu, pardié); in het D. werd Gott 
vervormd tot Potz (potzblitz, potztauscnd , potzvelten). 
Ned. en Duitsch: sacrament tot sapperment, sapper- 
loot, enz. Minder gebruikelijke benamingen voor b. 
zijn halve vloek en gebroken vloek. 

Tieike. 

Bastaardvoorvoegsel is een voorvoegsel, 
dat aan een vreemde taal ontleend is en, in de ont- 
leenende taal productief geworden, nu ook voor 
inheemsche woorden gevoegd wordt. De Ned. taal kent 
er slechts weinige, bijv. aarts- uit vulgair-Lat. archi-; 
oer- uit Hoogduitsch ur-; her-, dat aan het Fr. ont- 
leend is. Ten aanzien van het ontstaan en de kans 
op productiviteit vergelijke men wat er over 
> bastaardachtervoegsel gezegd is. 

L i t. : M. Schönfeld, Historiese Grammatika van het 
Nederlands ( 3 1932, § 141 vlg.). Voor „her-” : Jac. van 
Ginneken, Neophilologus (XIII, 161 vlg., 241 vlg.). 

W rijnen, 

Bastaardwespcn , > Graafwespen. 

Bastaardwoord is een term uit de Ned. taal- 
kunde en alzoo een andere benaming voor vreemd 
woord en leenwoord. Tegenover het vrij 
neutrale begrip vreemd woord, wijst leen- 
woord meer op de behoefte aan het vreemde woord, 
b. daarentegen op de al dan niet gegronde vrees voor 
taalverbastering. Zoolang nl. vreemde woorden door 
het ongewone van hun klank of spelling hun afkomst 
nog duidelijk verraden, worden ze door sommigen b. 
genoemd. Heeft het oorspronkelijk vreemde woord 
zich echter eenmaal aan het taaleigen aangepast, zooals 
bijv. woorden als kachel, kamer, meester, put, vlam en 
tallooze andere, dan zal niemand ze nog als b. betitelen. 
In de nieuwere taalkunde bezigt men evenwel ook voor 
vreemde woorden, die nog wel als zoodanig te herken- 
nen zijn, liever den term > leenwoord. Tiecke, 

Bastard d’Estang, Auguste, palaeo- 
graaf. Gaf een der kostbaarste publicaties uit, welke 
bestaan, nl. Peintures et omements des manuscrits, 
classés dans un ordre chronologique, pour servir 
k Fhistoire des arts du dessin, depuis le IVe siècle 
de Tére chrétienne jusqu’è. la fin du XVIe. Het exem- 
plaar door B. aan de Bibl. Nationale te Parijs geschon- 
ken en aangevuld met onuitgegeven stukken, beslaat 
elf deelen, waarvan drie over niet-Fransche hand- 
schriften handelen. In 1832 begonnen, in 1848 onder- 
broken; er zijn 20 afleveringen verschenen k 1 800 frs. 
Vooral van belang voor de Karolingische calligraphie. 

L i t. : L. Delisle, L’oeuvre paléographique de M. le 
comte de Bastard, in Bibliothèque de l’Ecole de Chartes 
(XLIII 1882, 498-523) : id., Les collections de Bastard 
d’Estang a xa Bibliothèque Nationale (Parijs 1885) ; 
W. Wattenbach, Das pal&ographische Prachtwerk des 
Grafen Bastard, in Neues Archiv (VIII 1882, 449-472). 

Lampen. 


Bas tarnen, de meest Oostelijke Germ. volks- 
stam; stamland vermoedelijk aan den Boven- Weichsel. 
Bondgenooten van Philippus van Macedonië (2e eeuw 
v. Chr.). Pompeius triomfeerde over hen. 

Bastart de Buillon, L i, fantastisch epos uit 
den vervaltijd (begin der 14e eeuw), behoorende tot 
den kruisvaartcyclus, vervolg van Baudouin de 
Sebourg. Li B. is de zoon van Baudouin van Jenisalem 
en van de Muzelraansche Sinemonde van Mecque 
(Mekka), strijdt vooral om de schoone Ludie onder 
Hugues van Tabarie. Het gedicht vermengt allerlei 
motieven van verschillenden oorsprong. Koning Artus 
met de schoone Morgue woont hier ergens in het land 
van Faerie. Het is het werk van een Fransch-schrij- 
venden Vlaming. 

U i t g. : Aug. Scheler (Brussel 1877). V . Mierlo. 

Bastei (a a r d r ij k s k.), > Elbe-Zandsteen- 
gebergte. 

Bastei (k r i j g s k.) is een vooruitspringende, 
meestal vijfhoekige uitbouw in een versterking. 
> Bastion. 

Bastenaken (Fr. Bastogne), Belg. gem. 
in het O. van de prov. Luxemburg; 4 000 inw.; opp. 
1 347 ha. Klei-achtige verweeringsgrond; landbouw, 
veeteelt; beroemde hespen; leerlooierij; steengroeven. 
Wiltz, bijrivier van de Sauer. Merkwaardige kerk in 
Gotischen stijl, met eigenaardigen toren; kasteel 
d’ Ile la Hesse. B. is een oude vesting met bewogen 
geschiedenis; leed veel schade in 1914. 

Bastcndorf , gem. in het groothertogdom Luxem- 
burg, ten N. van Diekirch; opp. 2 444 ha, 812 inw. 
(1933); drie parochies. 

Baster, Job, medicus te Zierikzee, die in zijn 
grooten tuin belangrijke proeven nam omtrent den 
aankweek van buitenlandsche landbouw- en hout- 
gewassen; schrijver over den Zeeuwschen land- en 
tuinbouw. * 1711, f 1775. 

Basterdcementmortel bestaat veelal uit 
één deel Portland cement, één deel kalkmeel (deeg) 
en drie deelen zand, zoodat voor 1 m 8 mortel noodig 
zijn: 460 kg P. cement, 165 1 kalkdeeg en 0,990 m 8 
zand, waarbij gevoegd worden 17 1 water. Ook andere 
mengverhoudingen vinden toepassing. 

Basterdmortel, een mortel, waarbij meer dan 
twee grindstoffen vermengd zijn; zij wordt bijv. 
gebruikt in den woningbouw en in den waterbouw. 

Bastcrdmuur, > Guichelheil (Anagallis 
arvensis). 

Basterdsuiker is een product, dat verkregen 
wordt uit de stropen der rictsuikerfabricage. De b. is 
van fijne korrel, lichtbruin gekleurd en heeft nog het 
eigenaardige aroma der rietsuikersappen. Zij bevat 
gewoonlijk vrij veel invertsuiker. Men onderscheidt 
witte en bruine basterd. Witte basterd is een product, 
dat veel lichter gekleurd is en in minderen graad 
dezelfde eigenschappen heeft als bruine basterd. Tegen- 
woordig wordt basterd ook in raffinaderijen ver- 
vaardigd. Wegens de fijne korrel en het in ver t -suiker- 
gehalte maakt het den indruk zoeter te zijn dan 
saccharose. P. v. Ginneken. 

Basterdtrasmortel, een mengsel van kalk, 
tras en zand; naar gelang van het trasgehalte onder- 
scheidt men sterke en slappe b. Eerstgenoemde zijn 
geschikt voor waterdicht werk (hydraulische mortels). 

In onderstaande tabel zijn de mengverhoudingen 
aangegeven: 


97 


Basterdwederik — Bastian 


98 



Aantal maatdeelen 


Voor 1 

m 2 mortel 

is noodig: 


Soort 

kalk 



kalk 













meel 

deeg 

tras 

zand 

meel 

deeg 

tras 

zand 

water 







liter 

liter 

liter 

liter 

liter 

Sterke . 



1 

1 Vs 

1 


362 

543 

362 

4,5 

Idem . . 

1 

— 

lVa 

2 

330 

— 

495 

660 

23 

Idem a) 

1 

— 

1V 4 

IV 2 

380 

— 

475 

570 

23 

Slappe . 

— 

2 

1 

4 

— 

340 

170 

680 

9 

Idem . . 

— 

2 

1 

5 

— 

304 

152 

760 

9,5 

Idem . . 

— 

2 

1 

6 

— 

276 

138 

828 

9,5 

Idem a) 

2 

— 

1 

4 

312 

— 

156 

624 

16 


a) van schelpkalk. p. Bongaerts. 


Basterdwederik, Epilobium (plant k.), 
behoorende tot de weder ikachtigen (Onograceae of 
Oenotheraceae), is het meest voorkomende geslacht 
dezer familie in de Noordelijke en Zuidelijke gematigde 
luchtstreken. De 160 soorten groeien in moerassige 
en vochtige streken en bloeien in rosé tot witte tinten ; 
zeer zelden geel. Het zeer algemeene wilgenroosje, 
Epilobium angustifolium, ook katten- 
staart, slangebloem of wilde selve genoemd, groeit op 
vochtigen beschaduwden zandgrond en langs slooten, 
en bloeit van Juni tot September licht purper. In de 
Alpen vindt men Epilobium Duriaei, 
welke de mooiste is, met groote purperen bloemen. 
De ruigharige groote Epilobiumhirsutum, 
de kleinbloemige Epilobium parviflo- 
r u m, en de moerasb., Epilobium palustre, 
zijn vrij algemeen. Zeldzaam zijn Epilobium 
r o s e u m, de rosé b., en Epilobium vir- 
g a t u m, de stijve b. In Europa en Azië komt ook 
voor de bergb., Epilobium montanum, 
die een hoogte van 1 m bereikt. In West-Europa 
wordt in de bergwouden Epilobium lanceo- 
1 a t u m aangetroffen, en op steenachtige plaatsen 
de 30 cm hooge Epilobium collinum. 
Vrij algemeen treft men aan de rose-roode Epilo- 
bium tetragonum, de zgn. vierkante b. 

Bouman. 

Basterna, gesloten Romeinsche draagstoel, voor 
en achter met twee draagboomen (amites), waarmede 
de draagstoel door twee muildieren, ook wel door 
mannen, gedragen werd. 

Bastert, N i c o 1 a a s, Holl. landschapschilder; 
* 7 Jan. 1854 te Maarseveen. Leerling van P. J. Lutjens, 
M. Heyl en van de Amsterdamsche en Antwerpsche 
academies. Schilderde aanvankelijk ook figuurstukken 
en enkele genrestukken. Hoofdzakelijk bekend als 
landschapschilder. Hij werkte, behalve in de omstreken 
van Amsterdam, ook te Den Haag en vooral in de 
Vechtstreek. Was zeer bevriend met Geo Poggenbeek, 
wiens invloed hij soms onderging. Reisde met Poggen- 
beek. Studiereizen naar Italië (Capri); 1897 werkte hij 
te Vethueil. Hoewel minder verfijnd dan Poggen- 
beek, met een neiging zich te veel in groote vlakken 
te verliezen, is hij als kolorist vaak interessant. 
Een aparte figuur, vrij van invloeden van de Haagsche 
school. 

W e r k e n : in de meeste musea en verzamelingen 
in Holland. — Lit. : Alb. Plasschaert, Holl. schilder- 
kunst. de Stuers. 

Bastct, godin, > Bast. 


Bastia, arr. -hoofdstad, dept. Corsica (Fr., 
42° 42' N., 9° 27' O.); 44 630 inw. (1931). Bisschops- 
zetel; handelsstad; zomerverblijf. 

Bastiaans , Johannes Gysbertus, 
organist; * 1812 te Wilp (Geld.), f 1875 te Haarlem; 
leerling van Fr. Schneider in Dessau, van Mendolssohn 
en Becker in Leipzig. Na volbrachte studie werd hij 
in 1839 organist aan de Zuiderkerk te Amsterdam en 
orgelleeraar aan het blindeninstituut. 1868 werd hij 
organist aan het beroemde orgel van de St. Bavokerk 
te Haarlem, waar hij als zoodanig zéér geacht was en 
geprezen als leeraar. B. was mede-oprichter der Bach- 
vereeniging te Haarlem (1867). Zijn zoon Johan B. 
(1854 — 1885) volgde hem op als organist. 

Werken. Hij heeft eenige liederen en een 4-stem- 
mig koraalboek met Evangelische gezangen uitgegeven ; 
6 stukken voor orgel werden bekroond door de Mij. tot 
Bev. der Toonkunst. Verder schreef hij : De zangkunst, 
gegrond op de physiologische kennis van het stem- 
apparaat (1864). Piscaer. 

Bastiaans c, Frans, eigenlijk Wilhelm Ange 
Franpois, dichter uit de na-periode van de zgn. 
tachtiger beweging in de Ned. letterkunde. * 1868 
te Utrecht; een gevoelig en zangerig talent, getuige 
zijn klankvolle en zuivere natuurpoëzie. B. publiceerde 
ook een literair -historisch overzicht der Ned. literatuur. 

Bastiaansz, Cornelis, leider van de zgn. 
Zeeuwsche reis naar Indië van 1601, waarbij hij ook 
Atjeh bezocht. 

Bastian, 1° A d o 1 f, beroemd ethnoloog en 
onderzoekingsreiziger; * 26 Juni 1826 te Bremen, 
f 2 Febr. 1905 op het eiland Trinidad; bevorderde 
door zijn reizen en geschriften de volkenkundige 
wetenschap en gaf den eersten stoot tot scheiding der 
eigenlijke ethnologie van de somatische anthropologie 
en tot stichting van de ethnographische afdeeling van 
het Berlijnsch museum; 1886 directeur van het 
„Museum für Völkerkunde” te Berlijn. 

Met Virchow stichtte hij 1869 de „Berliner Gesell- 
schaft für Anthropologie, Ethnologie und Urge- 
schichte”. Zijn talrijke onderzoekingsreizen leidden 
hem door alle werelddeelen. Het door hem verzamelde 
materiaal legde hij vast in groote publicaties; het eerste 
deel van zijn volkenpsychologisch werk: „Der Menscli 
in der Geschichte”, verscheen gelijktijdig met Darwin’s 
werk over het ontstaan der soorten, en het eerste deel 
van „Anthropologie der Naturvölker” van G. Waitz. 
Zijn volkenpsychologische behandeling van de ethno- 
logie komt vooral uit in zijn „Lehre vom Elementar- 
und Völkergedanken”, die inhoudt: wegens de gelijk- 


IV. 4 


99 


Bastiani — Bastien-Lepage 


100 


heid van den menschelijken geest moeten bij ongeveer 
gelijke omstandigheden de elementen van de cultuur 
overal dezelfde zijn (> Elementargedanke); haar 
verschillende verdere ontwikkeling is een gevolg van 
de bijzondere omstandigheden, onder welke de afzon- 
derlijke volken leven (> Völkergedanke). Critick 
hierop: Schmidt-Koppers: Yölker und Kuituren 

(1924, 27 vlg.). 

Voor Nederland is B. van belang, omdat hij ook 
zeer veel geschreven heeft over den Indischen Archipel: 
in 1896 bezocht hij Java. Voorts is B. de „uitvinder” 
van den naarn Indonesië, Indonesisch, woorden, die 
later in de koloniale politiek van Ned. Indië een niet 
onbelangrijke rol zijn gaan spelen. 

Werken : Der Mensch in der Geschichte (ter verdedi- 
ging van een psychologische levensopvatting ; 3 dln. 
1860) ; Die Völker des östlichen Asien (6 dln. 1866-18711; 
Das Bestandige in den Menschenrassen (1868) ; Ethno- 
logische Forschungen (1871-73) ; Der Völkergedanke 
im Aufbau einer Wissenschaft vom Menschen (1881). — 

Biographie: Achelis, Adolf Bastian (1891). — 
B i b 1 i o g r a p h i e in het „Internat. Archiv für 
Ethnographic” (Leiden 1896) ; K. Th. Preuss, Bastian 
und die heutige Völkerkunde (Büssler- Archiv 1926). 

Andres/ Berg. 

2 ° Henry Charlton, Engelsch geneesheer, 

* 1837, werd 1867 hoogleeraar in de pathologische 
anatomie te Londen. B. is vooral bekend door zijn 
studie van de pathologie van het zenuwsteldel. 

Wet van Bastian. Deze zegt, dat, zoodra de geleiding 
van het ruggemerg volkomen onderbroken is, ook de 
reflexen, wier omslagplaats ligt beneden de plaats 
van het dwarsletsel van het ruggemerg, volkomen 
verdwenen zijn; bijv. bij volkomen dwarslaesie van 
het halsmcrg zouden de knie- en achillespeesreflexen 
geheel verdwenen zijn. 

Bastiani, Lazzaro, Ital. schilder, waarsch. 

* ca. 1430 te Venetië, f 1512. Zijn kunst is verwant 
aan die der Bellini’s en van Vivarini. Hij stiliseert 
streng, heeft smaak voor landschap en architectuur. 
In sommige opzichten kan hij leermeester van Car- 
paccio heeten. 

Voorn, werken: te Venetië in de galerij der 
academie, in de „scuola” van den H. Hiëronymus, en 
in die van Sint Jan, Evangelist. 

Bastianini, G i o v a n n i, Ital. beeldhouwer; 

* 17 Sept. 1830 te Camerata f 29 Juni 1868 te Florence. 
Leerling van Pio Fedi Girolano Torini. Behalve als 
een zeer bekwaam oorspronkelijk kunstenaar, ontwik- 
kelde hij reeds zeer vroegtijdig een groot talent in 
het kopieeren van Ital. beeldhouwwerken van meesters 
van de Quattrocento en lateren. Dit kopieeren leidde 
al spoedig tot het vervaardigen van vervalschingen. 
een bedrijf, waarin B. weldra een groote vaardigheid 
toonde. Bekend is de kwestie van den aankoop van 
de door hem vervaardigde Benivienibuste door het 
Louvre te Parijs in 1866, welke aanvankelijk als echt 
beschouwd , doch later erkend werd als een vervalsching. 
Later werden nog meerdere vervalschingen van zijn 
hand ontdekt. Interessant is de coll. gipsafgietsels 
van zijn werken in het S. Kensington Mus. te Londen, 
welke een goed beeld geeft van het groote talent van 
dezen meester -vervalscher. Van zijn werken zijn 
nog te vermeiden: Savonarolabuste in S. Marco te 
Florence, en sculpturen aan het gebouw van de Nat. 
Bank te Florence. 

L i t. : R. Becker, Die Benivienibuste des Giov. 
Bastianini (Breslau 1889) ; Chronik für vervielf. Kste. 
(II Weenen 1889, 77). de Stuers. 


Bastiat, F r é d é r i c, behoort tot de zgn. 
optimistisch-klassiek-liberale school, ook wel de 
optimistische Franco-Amerikaansche school genoemd, 
welke de ideeën van Malthus en Ricardo verwierp en 
waartoe eveneens belmoren Dunoyer en Carey. 
B. was een bestrijder van protectionisme en socialisme. 
* 30 Juni 1801 te Bayonne, f 24 Dec. 1850 te Rome. 
In zijn kleinere geschriften: „Sophismes” en „Petits 
pamphlets”, leeren wij B. reeds kennen met zijn 
vrijzinnig-optimistische en moralistische tendenzen. 
Na betoogd te hebben, dat de waarde haar bron vindt 
in een dienst door uitsparen van arbeid en berust op 
een ruil van diensten, wijst hij op de hulp, welke door 
de natuur gratis wordt geboden ; de natuur kan volgens 
B. geen waarde scheppen, wijl de waarde alleen voort- 
spruit uit krachtsinspanning en uit het ruilen van dien- 
sten en daarom kan ook hieruit alleen de eigendom 
ontstaan. Wat men grondrente noemt, is niet de 
betaling van de natuurlijke eigenschappen van den 
bodem, maar die van de diensten aan den eigenaar. 
B. leert, dat de algemeene wetten der maatschappe- 
lijke samenleving harmonisch zijn en de strekking 
hebben de menschheid in alle richtingen te vervol- 
maken en altijd de welvaart te bevorderen ; tijdens een 
economische storing is er iets, wat men ziet en iets, 
wat men niet ziet; er zijn nl. altijd reeds de factoren 
van harmonie werkzaam; het goede zal altijd over- 
heerschen. B. schildert, steunend op de beginselen van 
eigendom en vrijheid, op pakkende wijze de voor- 
deelen der vrije concurrentie, welke er voor zorgt, 
dat in allerlei behoeften wordt voorzien; volgens 
een wonderlijke en troostvolle wet, zal de belooning 
van den arbeid in meerdere mate toenemen dan die 
van het kapitaal; de toename der bevolking is geen 
gevaar, maar integendeel een voorwaarde voor den 
economischen vooruitgang. 

Zijn meest bekende werk, dat verscheidene ver- 
talingen mocht beleven, is : Les harmonies économiques 
(1850). — U i t g. : Oeuvres complètes (7 dln. Parijs 
1881). — Lit. : F. Bidet, Bastiat, 1’homme, 1’écono- 
mist (1906) ; W. L. van Malscn, F. Bastiat en zijn Ned. 
beoordeelaars. M . Verhoeven. 

Bastide, La, voorstad van Bordeaux. 

Bastion, Alfred Theodor Joseph, 
Belg. schilder. * 16 Sept. 1873 te Ixelles. Leerling 
van de acad. te Brussel (onder J. Portaels). Schilderde 
figuur, landschappen en genrestukken. Ook portretten. 
Hij wint in 1897 den Godecharlcprijs met zijn schilderij: 
Symbole de 1’humilité chrétienne. Krijgt in Frankrijk 
opdrachten voor interieurdecoraties en schilderde 
nog historische composities. Werkte ook in Algiers 
en Marokko. 

Werken: o.a. in de musea te S. Francisco, Phila- 
delphia en Gent. — Lit.: Bénézit, Dict. des peintres. 

Bastien-Lepage, Jules, Fransch portret-, 
landschap- en genreschilder. * 1 Nov. 1848 te Dam- 
villers, f 10 Dec. 1881 te Parijs. Studeerde te Verdun 
en sinds 1867 te Parijs op de Ec. des Beaux Arts en 
bij Cabanel. Schilderde omvangrijke genrestukken en 
portretten, motieven uit het landleven en een enkele 
maal bijbelsche of hist. tafereelen. Bovenal muntte 
hij uit als portretschilder. Beroemd zijn zijne portret- 
ten, o.a. van Sarah Bemhardt (1879) en 
M. Andrieux (1880). Van zijn grootere composities 
zijn te vermelden de Jeanne d’Arc (1880), de hout- 
hakker en de portretgroep van zijn ouders. Hoewel in 
den beginne een lichte invloed van Manet in zijn 
werk merkbaar was, ontwikkelde hij zich als een 


101 


Bastille — Bataafsch Brabant 


102 


degelijk schilder met een persoonlijke opvatting en kijk 
op de natuur. Zijn onderwerpen, ontleend aan het land- 
leven, missen evenwel de groote kracht en het doorleef- 
de van de boerenfiguren van J. F. Millet. Zij zijn eerder 
smaakvol gearrangeerde, soms eenigszins gemanië- 
reerde ateliercom posities. 

Werken: o.a. in het Luxembourg te Parijs, de 
musea te Lille en Verdun en het Mesdag Mus. te Den 
Haag. — L i t. : A. Theuriet, Jul. Bastien-Lepage ; 
L. de Fourcaud, Bastien-Lepage. Sa vie et ses oeuvres 
(Parijs 1885). de Stuers. 

Bastille is in het algemeen de naam voor elke 
Fransche gevangen is -vesting. De naam geldt echter 
in het bijzonder voor de in Parijs opgetrokken staats- 
gevangenis, ca. 1375 gebouwd als vesting in den 
buitenmuur van Parijs; door stadsuitbreiding lag ze 
ong. 1600 midden in den faubourg Antoinc; werd nu 
arsenaal, verblijf voor hooge bezoekers, sinds Richelieu 
gevangenis. Behandeling goed (eigen kamers en 
bedienden, bibliotheek; slechts weinigen zijn in de 
kelders opgesloten). 14 Juli 1789 werd de B. bestormd 
door het gepeupel, dat er wapenen zocht. De revolutie 
zag in dezen val van de B. een symbool: einde van de 
koninklijke „willekeur” en maakte 14 Juli als 
Bastille-dag tot nationalen feestdag; sinds 
den wereldoorlog gevierd als „Dag der overwinning”. 

L i t. : Funck-Brentano, Archives et Légendes de la 
Bastille. V. Claassen. 

Bastille-dafj, > Bastille. 

Bastlnck, J e r e m i a s, ook Bastingius, 
Gereformeerd theoloog, * 1551 te Tepcren, f 1598 
te Leiden. Hij vluchtte voor Alva in 1556 naar Emden, 
studeerde te Bremen, Heidelberg en Genève. In 1578 
is hij de spil van de Calvinistische beweging te Ant- 
werpen, waar hij o.m. een verweerschrift van Loyseleur 
in het Ned. vertaalde. In 1560 is hij predikant te 
Dordrecht, later rector der Lat. school te Leiden en 
bevriend met Maurits van Nassau. 

L i t. : Biogr. Nat.; Nned. Biogr. Woordenboek; 
Biogr. Woordenboek van Prot. Godgeleerden in Ned. 

Erens . 

Bastion, vijfhoekig vooruitspringend werk op 
de > saillanten van vestingfronten, waarop geschut 
voor het flankement voor de aangrenzende > courtines 



( zie fig.). Eerste verschijnen in de oud-Ttaliaansche 
bevestigingswijze. Ontstaan uit de halfronde b as- 
t e i e n der late M. E. Laatste vorm als bastionnet- 


caponnière bijv. der Ned. forten van vóór 1885. 
> Bastei. 

Bastkevcr, *> Schorskever. 

Bastocjne, > Bastenaken. 

Bastuba, > Tuba. 

Bastvezel. Hieronder verstaat men vezels, die 
meestal door een rotingsprocédé (> Roten) uit bast 
of stengels van verschillende planten worden gewonnen ; 
voornaamste zijn: vlas, hennep, jute, rameh. 

Bast wortels, > Vogellijm. 

Basuel, Philippus Claudius, priester 
en organist van de stad Mechelen, 17e eeuw, schreef 
bij gelegenheid van het ..negenste gulde jaer van onse 
bekeeringe tot den waerachtigen Godt”het Bly-eynden- 
de-treur-spel van het Leven ende wondere daeden 
van den H. Rombout, in 4 bedr. en in Alexandrijnen, 
opgevoerd door de kamer De Peoene op 12, 15, 16 en 
17 Juli 1680; knap geleid spel, sobere, sappige bewoor- 
ding met litteraire allures; naast tafereelen van 
verregaande smakeloosheid en vettig realisme tafe- 
reelen stichtend door diepen ernst en schoon geloof. 

L i t. : Jan Bols, Leven en werken der Zned. schrijvers 
(I, 50) ; G. J. J. Van Mclckebeke, Geschiedkundige aen- 
teekeningen rakende de Sint-Jans-Gilde bijgenaerad 
De Peoene (Mechelen 1862) ; Joz. van den Eynde, Van 
het leven en de wondere daden van den H. Rombout, 
gezuiverde en in moderne spelling overgeschreven en 
toegelichte uitgave van den ouden tekst (Mechelen 1928). 

Godelaine. 

Bas-Warfieton, > Neerwaasten. 

Baszpommcr, > Bomhart; > Fagot. 

Bat. Bij p i n g - p o n g is b. een klein racket, 
heelemaal van hout, met een blad van ca. 15 bij 20 cm. 
Dit blad is bij de duurdere kwaliteiten bekleed met 
schuurpapier, kurk of rubber, zoodat men er het cellu- 
loid balletje goed effect mee kan geven. 

Bat is bij cricket het slaghout, waarmee de 
slagen gedaan moeten worden. Het hout is 37 4 -4 l / 4 inch 
(10,8 cm) breed, het heeft een platten kant voor het 
slaan, en een bollen achterkant, alsmede een steel of 
handvat. De lengte in haar geheel is 36 inch (96.6 cm). 

Bat was bij de Israëlieten een inhoudsmaat van 
ruim 36 1, gebruikt voor vloeistoffen. 

Bat’a (uitspr. Batja), Tomds, zoon van een 
Moravisch schoenfabrikantje, * 1871, f 1932 door een 
vliegongeluk.Heeft in Zlin (Moravië) een schoenfabriek 
opgericht, die tot het grootste schoenenbedrijf van 
Europa is uitgegroeid, met een dagproductie van 76 000 
paar en met export naar alle deelen der aarde, o.a. 
naar Oost-Indië. Met aanverwante bedrijven, o.m. 
leerfabrieken, in 1927: 11 600 employés in Tsjecho- 
slowakije. Bat ’a -schoenfabriek te Best (N.B.) in aan- 
bouw (1933). G. de Vries. 

Bataafsch Brabant, naam van het Ned. 
gewest Brabant in de eerste jaren van de Bataafsche 
Republiek, welke naam te kennen moest geven, dat 
de volslagen onderworpenheid van het generaliteits- 
land Staats-Brabant vervangen was door zelfstandig- 
heid. Theoretisch kwam die zelfstandigheid tot stand op 
31 Maart 1795, maar pas in den nacht van 29 Febr. op 
1 Maart 1796 werd tot toelating der afgevaardigden 
van Bataafsch Brabant tot de Staten -Generaal be- 
sloten, waardoor het gewest inderdaad als achtste 
provincie erkend werd. 

Bij de Constitutie van 1798 werd het Westelijk 
gedeelte (grenslijn iets ten Oosten van Breda) met de 
Zeeuwsche en Zuid-Hollandsche eilanden administra- 
tief vereenigd tot het departement van de Schelde en 


103 


Bataafsche apotheek — Bataafsch legioen 


104 


VRTHEIT. GELTKHEIT. BROEDERSCHAP, 

A°. 1795 


ROTTERDAMSCHE 

Donderdag 



N°. 37 

COURAN T. 
den 26 Maart. 


Hei Eerfle $cim der Bataaffche Vryheit. 

NB. ‘Deze COURANT, met het BYVOEGSEL , word voor den gewonen prys uitgegeven. 
Indicatie der Bataafsche vrijheid in de Rotterdamsche Crt. van 26 Maart 1795. 


de Maas, terwijl het Oostelijk gedeelte een eigen bestuur 
kreeg als departement van de Dommel. De Constitutie 
van 1801 hereenigde wederom de beide deelen als 
departement Brabant (1801—1806). Dit was ook liet 
geval onder het koninkrijk Holland. Het gewest 
omvatte het gebied van de tegenwoordige provincie 
Noord -Brabant, behalve het land van Geertruiden- 
berg en het land van Heusden. Verder miste het de 
graafschappen Bokhoven en Megen, het land van 
Ravenstein, de baronie van Boksmeer, de heerlijkheid 
Oefelt en de commanderij van Gemert, die tijdens de 
oude republiek onder vreemde souvereiniteit gestaan 
hadden. Deze streken werden op 5 Jan. 1800 door 
Frankrijk, dat ze bij de veldtochten van 1794 en 1795 
bezet had, aan de Bataafsche Republiek afgestaan, 
welke afstand in 1801 en 1803 door den keizer van het 
H. Roomsche Rijk en door den keurvorst van Beieren 
bekrachtigd werden. Tot 1805 bleven deze gewesten 
onder provisioneel bestuur en werden toen bij het 
departement Brabant ingelijfd. Tijdens de Bataafsche 
Republiek bleven de enclaves van Baarle-Hertog en 
Luiksgestel buiten het gebied van Brabant. 

L i t. : Geschiedkundige Atlas van Nederland, kaart 
13, de Fransche Tijd, 1795 — 1815, met tekst (1926) ; 
Goosens, Het keerpunt van Brabant, 1 Maart 1796 
(1930). Verbeme. 

Bataafsche apotheek, vertaling van de in 
1805 door het staatsbewind der Bataafsche Republiek 
uitgegeven Pharmacopoea Batava, de eerste Ned. 
landspharmacopee (> Pharmacopee). 

Bataafsche Jacobijnen, > Unitarissen. 

Bataafsche Petroleum Maatschappij , 

B. P. M., opgericht in 1907 als dochtermij. van de 
Kon. Ned. Mij. tot Exploitatie van Petroleumbronnen 
(„Koninklijke” ofwel „Royal Dutch”) en van de Shell 
Transporting and Trading Comp. („Shell”) bij gelegen- 
heid van de fusie dezer beide groepen. 

Tegelijkertijd met de „Bataafsche” werd de A n g 1 o - 
Saxon O i 1 Company in het leven geroepen, 
waarbij de eerste uitsluitend de winning en bereiding 
van de ruwe olie ten doel had , de laatste hoofdzakelijk 
het transport en den verkoop der producten. 

De „Koninklijke” en de „Shell” zijn sindsdien uit- 
sluitend holding-companies, de eerste officieel Hol- 
landsch, de laatste officieel Engelsch, terwijl de ver- 
deeling der aandeelen is resp. 60% en 40%. 

Het kapitaal der Bataafsche, dat oorspron- 
kelijk 80 000 000 gld. bedroeg, is sindsdien, bij de 
voortdurende uitbreiding van hare exploitatie in 


Ned.-Indië, herhaaldelijk verhoogd en bedroeg in 
1931: 300 000 000 gld. De preductie omvat 95% 
der totaalproduct ie van Ned.-Indië en was in 1931: 
3 811 902 kg ton tegen 3 906 399 kg ton in 1928. Zij 
is verdeeld over de „administraties*': Balikpapan op 
en Tarakan bij Bomeo; Pladjoe en Pangkalanbrandan 
resp. op Zuid- en Noord -Sumatra; Tjepoe op Java. 

Het hoofdkantoor der Bataafsche is in Den Haag. 
De centraliseering is ver doorgedreven. De winsten 
bedroegen in 1931 : 21 652 710 gld. tegenover 

95 265 190 gld. in 1928. 

Verder > Koninklijke Petroleum Mij. 

Bataafsche Republiek, naam van den Ned. 
Staat sedert den ondergang van de oude Republiek der 
Vereenigde Nederlanden (1795) tot de vestiging van 
het koninkrijk Holland (1806). 

Bataafsche vlacy, vlag van de Bataafsche Re- 
publiek. Zij was geheel gelijk aan de oude Hollandsche 
vlag (rood-wit-blauw), doch voerde, wat de marine 
betreft, in de roode baan een langwerpig vierkant 
wit vlak (jack) met afbeelding van de vrijheidsmaagd, 
wier eene hand een speer hield, waarop de vrijheids- 
hoed, en de andere rustte op een schild, versierd met 
de Romeinsche f asces. De vlag bleef in gebruik tot 
1807, toen koning Lodewijk Napoleon ook voor de 
marine de oude Nederlandsche als koninklijke Hol- 
landsche vlag voorschreef, welk bevel echter niet 
overal (o.a. in Zeeland) werd uitgevoerd. Verbeme. 

Bataafsche vrijheid. De regeerings verande- 
ring van 1795 geschiedde in menig opzicht naar het 
model van de Fransche revolutie van 1789. De leuze 
„Vrijheid, Gelijkheid en Broederschap” deed opgeld 
en daarom begon op 1 Febr. 1795 het „eerste jaar der 
Bataafsche vrijheid”, welke indicatie in dagbladen 
en officieele stukken als dateering naast de gebrui- 
kelijke gedurende eenigen tijd gebezigd werd (zie 
afb.). Verbeme . 

Bataafsch lefjioen, oorspronkelijke benaming 
van een in Frankrijk (1792) in overleg met Dumouriez, 
toen minister van Buitenlandsche Zaken, gevormd 
korps van uitgeweken Nederlandsche patriotten, 
voor wie toen de naam Bataven in gebruik kwam. 
Het korps werd opgericht na het aftreden van Dumou- 
riez als „légion franche étrangère”. Het zou, onder 
bevel van kolonel Mascheck, met Daendels als luite- 
nent-kolonel, actief deelnemen aan een oorlog tegen 
de Ned. Rep. Van de 2800 man, die het korps telde, 
waren de officieren inderdaad „Bataven” (bijv. 
Chassé, de Winter, van Boecop, Daendels), doch van 


105 


Bataat — Bataksche talen 


106 


de soldaten nauwelijks een 300. Verder bestond het 
uit Zuid -Nederlanders (Brabanders, Luikenaren) en 
Zwitsers* Het nam deel aan den veldtocht van Dumou- 
riez in de Z. Ned. en in Staats -Brabant, welke eindigde 
met de nederlaag bij Neerw inden (1793). Na den val 
van Dumouriez werd het Bataafsche legioen samen- 
gesmolten met het Fr. leger. Bij den inval der Franschen 
in 1794 en 1795 was Daendels brigadegeneraal 
in het Fransche leger. Verberne . 

Bataat (I p omoea batatas) of zoete 
aardappel (sweet potatoe) wordt in alle tropische 
landen verbouwd om de eetbare knollen. De plant 
heeft kruipende stengels en knolvormende wortels, 
welke laatste 3 a 4 mnd. na het uitplanten worden 
geoogst. De langwerpige wortelknollen bevatten 
behalve zetmeel veel suiker en zijn iets voedzamer 
dan aardappe ! en. 

De b. is inheemsch in tropisch Z. Amerika en wordt 
thans ook in Azië veel als volksvoedsel gebruikt. Men 
eet de knollen gekookt of gepoft; ook wel nadat ze 
geschild en in reepjes zijn gesneden, in klapperolie 
gebakken, eventueel nog gemengd met stroop van 
palmsuiker. 

Van een normaal geslaagden aanplant bedraagt de 
opbrengst ongeveer 7 000 kg oogstdroge knollen per ha. 
Botanisch behoort de b. tot de orde der Tubiflorae. 
familie der Convolvulaceae, het geslacht Ipomoea 
en de soort Ipomoea Batatas. De soort is zeer 
variabel, zoowel in bladvorm als in kleur en vorm 
van knollen. 

L i t. : v. Gorkom, O.I. Cultures (II 2 1918). 

Dijkstra , 

Batabwa, volksstam in Belg. Kongo, op den W. 
oever van het Tanganjika-meer, ten Zuiden van 
6° 45' Z. Ze worden soms ook Bamaroengoe 
genoemd. > Kongo (Ethnographie). 

Bataillc, 1° Henry, Fransch tooneelschrijver 
van de psychologisch -realistische richting. * 1872 te 
Nimes, f 1922 te Rueil. Begon met een bundel vaag 
symbolistische verzen (La chambre blanche, 1895), 
om zich nadien uitsluitend te wijden aan tooneel- 
werk, dat bij voorkeur een rake, maar dikwijls onbe- 
scheiden ontleding van de zinnelijkheid geeft, in 
naar het leven geteekende liefdesverhoudingen, waar 
toch alle diepe poëzie en pathetische teederheid niet 
vreemd aan zijn. Dit lyrisme vertoont vooral zijn 
laatste productie. 

Werken: La lépreuse (1896) ; Ton sang (1897) ; 
Résurrection (1902) ; Maman Colibri (1904) ; La marche 
nuptiale (1905) ; Poliche (1906) ; La femme nue (1908) ; 
Le scandale (1909) ; La vierge folie (1910) ; Le phalène 
(1913) ; L’homme a la rosé (1920) ; La tendresse (1921) ; 
La possession (1921) ; La chair humaine (1922). — 
U i t g. : Théfitre Complet (11 dln. Flammarion Parijs). 
— L i t. : P. Blanchart, H. B. son oeuvre (Parijs 1922) ; 
G. de Catalogne, H. B. ou le romantisme de 1’instinct 
(Parijs 1925) ; J. Besan^on, Essai sur le thé&tre d’ H. B. 
(1928). Baur. 

2° N i c o 1 a s, Fransch tapijtwever uit de 14e 
eeuw, voor het eerst documentair vermeld in 1373. 
Van hem zijn de t; pijtwerken, tooneelen uit de Apoca- 
lypse voorstellend, naar teekeningen van Jean de 
Bandol, in de kathedraal van Angers voor de hertogin 
van Anjou (na 1377). * ong. 1340, f voor 1400. 

L i t. : Barbier de Montault, Tapisserie du sacre 
d’Angers (1868) ; Guiffrey, Nic. B., tapissier parisien 
(1884) ; Bouchot, Les primitifs francais (1904). 

Knipping. 

Ba tuk- Instituut, > Bataksch Instituut. 


Balaklanden (zie plaat tegenover kolom 128). 
Geographisch behooren hiertoe de bovenlanden van 
Langkat, Deli, Serdang en Asahan, de Karohoog- 
vlakte, de bovenstreken van Batoebara tot aan 
het Toba-meer en Tapanoeli. Administratief be- 
hooren zij tot de res. Tapanoeli en het gouv. Oost- 
kust van Sumatra. Centrum is het Toba-meer (900 m 
boven zee), omgeven door een landschap met een hoog- 
vlakte-karakter en verdeeld in afzordirlijke plateau ’s: 
Karo- en Timoerhoogvlakte, Pakpak of Dairilanden 
en Toba -hoogvlakte, samen vormend het N. deel der 
Bataklanden. Het Z. deel behoort morphologisch tot 
Midden -Sumatra met evenwijdige gebergten en tus- 
schenliggende lengtedalen, o.a. van Batang Toroe. 
De afwatering geschiedt naar twee zijden: Oostwaarts 
naar Str. Malaka en Westwaarts naar den Ind. 
Oceaan. De gebergten zijn grootendeels met oerwouden 
bedekt; de Karo landen zijn een grasvlakte. De Batak- 
landen zijn van nature scherp geïsoleerd en pas door 
aanleg van wegen gedurende de laatste decennia meer 
ontsloten. (Zie kaart in kol. 107/8). 

Landbouw en veeteelt, benevens het winnen van 
boschprcducten zijn de hoofdbestaansmiddelen. De 
varkensteelt is van beteekenis. Sedert 1908 zijn de 
Eur. cultures binnengedrongen; rubber in de buurt 
van de Batang Toroe, terwiji de Dairilanden geworden 
zijn tot een theedistrict. De boschproducten van N.W. 
Tapanoeli (benzoë, rotan, kamfer) worden veel uit- 
gevoerd over Baroes. De kamferwinning is sterk 
achteruitgegaan. v. Vroonhoven. 

Voor bevolking, > Ned. Indië (Bevolking). 

Batakpaard, vroeger half verwilderd in de 
Bataklanden voorkomend ; thans wordt er meer aan- 
dacht aan de fokk rij en houderij geschonken, nu 
het gouvernement er zich mee is gaan bemoeien. 
Het is een klein p mypa trd (schofthoogto ca. 1,15 m, 
max. 1,40 m), geschikt als luxe tuigpaard, de grootste 
ook als ri piard ; draaft uitstekend, is levendig, 
sterk van bouw, maar ve. toont nogal veel afwijkingen 
in lichaamsl ouw en beenstanden. Uitvoer heeft 
plaats naar Java, Britsch -Indië, M laka, enz. In de 
laatste jaren gekruist met Sandelwoodpaard met 
uitstekend resultaat ; o.a. worden ze er grooter en 
handelbaarder door. Verheij. 

Bataksche talen. Onder den naam Bataksch 
pleegt men samen te vatten een aantal aan elkaar 
nauw verwante, maar niettemin zoowel in phonetisch 
als in grammaticaal opzicht van elkaar onderscheiden 
talen van midden -Sumatra, nl. het Karo, het Pakpak 
of Dairi, het Simeloengoen of Timoer, het Toba en 
het Mandailing. Van deze talen is het Toba het best 
bestudeerd; daarop volgt het Karo; de andere talen 
zijn nog slechts oppervlakkig bekend. Het zijn mor- 
phologisch de rijkst ontwikkelde talen van Sumatra, 
van het gewone Indonesische type overigens. Het 
vocabularium bevat een vrij groot aantal Sanskrit 
woorden, die echter mogelijkerwijze van Java uit 
geïmporteerd zijn; ook Arabische woorden hebben er 
hun weg heen gevonden; voorts Maleische, Javaansche 
en Menangkabausche woorden. Men heeft in de Ba- 
taksche talen, evenals in andere Indonesische talen, 
verscheidene bijzondere talen, waarvan de zgn. An- 
doeng-taal der wichelboeken er een is. Het Bataksch 
werd vroeger met een eigen alphabet geschreven, dat 
weliswaar als de meeste andere alphabetten van den 
Indischen Archipel van Pallawa-herkomst is, maar 
niettemin een geheel eigen type heeft (> Indische 
alphabetten). 


107 


Bataksch Instituut — Batan-eilanden 


108 


BATAKLANDEN 



Schaal 1:2*150000 

° ™ w y 7 y» — 


De Bataksche literatuur omvat naast een groot 
aantal volksverhalen, door Voorhoeve behandeld in 
zijn Leidsche dissertatie, een groot aantal wichelboe- 
ken of poestaha’s. Meestal is boomschors het materiaal, 
waarop geschreven is. 

Van der Tuuk schreef een uitstekende spraakkunst 
benevens een woordenboek van het Toba en publi- 
ceerde een bloemlezing van stukken in verschillende 
Bataksche talen; als zendeling naar het toenmaals 
nog ontoegankelijke land uitgestuurd, vertaalde hij 
ook stukken van het Nieuwe Testament in het Toba. 

Het Karo is voornamelijk beoefend door M. Jonstra. 

Berg. 

Bataksch Instituut, ook wel Batak- 
Instituut genoemd, opgericht te Leiden op 30 
Scpt. 1908, een vereeniging van denzelfden aard als 
het > Bali-Instituut, thans eveneens gevestigd in 
Amsterdam. Het heeft op ongeregelde tijden verschei- 
dene nuttige werkjes over de Bataklanden doen ver- 
schijnen, waarvan de Batakspiegel het voornaamste is. 
In tegenstelling tot het Bali-Instituut werkt het Ba- 
taksch Instituut ook in Indië zelf; het geeft er land- 
bouwvoorlichting (sinds 1911) en handwerkonderwijs 
(sinds 1914) en onderhoudt sinds 1923 te Raja bij 
Brastagi (S.O.K.) een Batak-museum. Aan het B.I. 
werkt een vast archivaris; de naam Joustra is met 
het B.I. onafscheidelijk verbonden. Berg . 

Bataltia, stad in Estramadura (Portugal); 
4 000 inw. Vooral bekend door het vroegere Domini- 
canerklooster S. Maria da Victoria, dat nu tot nationaal 
monument van Portugal verklaard is. Het werd in 
1388 door Jan I na zijn overwinning op Castilië ge- 


sticht en uit lichtgekleurde glanzende kalkzand- 
steen, die den aanblik van marmer geeft, in laat- 
Gotischen, wat overdadigen stijl opgetrokken. 

Bataljon, in Ned. ; afdeeling onbereden sol- 
daten, sterk 800 a 1 000 man; is een deel van een 
regiment en ingedeeld in compagnieën; de comman- 
dant van een b. is een hoofdofficier. 

In B e 1 g i e: infanterie- of genie-troepenafdeeling 
van 600 tot 800 man sterk, onder een majoor. Het b. 
is bij de infanterie samengesteld uit 3 compagnies 
geweerschutters en een compagnie mitrailleuses, ofwel 
uit 3 compagnies mitrailleuses, alsdan b. -mitrailleuses 
geheeten; bij de genie uit 2 compagnies pioniers. 

V. Coppenolle. 

Bataljonsarts, officier van gezondheid, inge- 
deeld bij een onderdeel (bataljon) van het leger te 
velde. > Militaire geneeskundige dienst. 

Batam Archipel (Battam Are h.), 
begrensd ten N. door Str. Singapore, ten O. door Str. 
Riouw, ten Z. door Str. Dempo en Str. Doerian, ten 
W. door Str. Doerian. Tal van eilandjes, niet alle 
bewoond, leveren goede houtsoorten. De Orang Laoet 
komen hier ook nog voor. 

Batanca, een prov. van het rijk van Agrippa II. 
B. komt overeen met de Oud-Testamentischc land- 
streek Basan, doch omvat slechts een klein gedeelte 
daarvan, volgens Flav. Jos. ongeveer de vruchtbare 
vlakte, die thans En Noekra heet. 

Batan-cilanden of Bas h i-e i 1., de N. 
groep der Filippijnen, behoorend aan de Ver. Staten; 
door de Bashi-straat van Formosa gescheiden; vul- 
kanisch; rijk aan koperertsen. 


109 


Batang — Batavia 


110 


Batang , 1 ° regentschap, afd. Pekalongan, 
provincie Midden -Java, omvat de districten Batang, 
Bandar, Soebah en Bawang. Is in het N. vlak, loopt 
naar het Z. op. Op de Zuidgrens ligt het Diengplateau 
(2 045 m). De bevolking plant veel rijst en maïs. De 
batik-industrie en -handel is van heteekenis. Suiker, 
koffie, thee en nog eenige andere producten worden op 
cultuurondernemingen geteeld. De Semarang-Cheri- 
bon Stoomtram (S.C5.S.) doorsnijdt dit ressort. Het 
zielental bedroeg eind 1930: 259 Europeanen, 293 794 
Inheemschen, 2 449 Chineezen en 52 andere Vreemde 
Oosterlingen. Opp. 859,93 km 2 , bevolkingsdichtheid 
344.9 per km 2 . De bevolking is Javaansch. 

2° Hoofdplaats van regentschap en district 
Batang, warm klimaat, belangrijke pasar (inlandsche 
markt), heeft vele barikkerijen, ligt aan de S.C.S.-lijn 
tusschen Pekalongan en Semarang. Inwonertal eind 
1930: 28 658 zielen, waaronder 60 Europeanen en 
1 430 Chineezen. Wordt bezocht door een der pastoors 
van Tegal. Brokx. 

Batangas, hoofdstad der gelijknamige provincie 
aan de Zuidzijde van het eiland Luzon (Filippijnen), 
13° 30' N., 121° O. In 1927: 41 OO» inw. 

Batang Gadis, rivier op Sumatra, ontspringt 
op de grens van de Padangsche Benedenlanden en 
Tapanoeli, stroomt in een lengtedal naar het N.W. 
en daarna door een d warsdal Westwaarts naar den Ind. 
Oceaan. 

Batanghari of D j a m b i, rivier op Sumatra; 
ontspringt in de Padangsche Bovenlanden; 800 km 
lang, met een zeer groot stroomgebied. Bij normalen 
waterstand bevaarbaar tot Djambi, 160 km van de 
kust. 

Batang Kocantan of rivier van In- 
de r a g i r i (Sumatra). Het centrale deel der Pa- 
dangsche Bovenlanden behoort tot den bovenloop. 
Neemt de Oembilin op en voert dus ook het water 
af van het Singkarakmeer. 

Batang Loepar, gebergte op de grens van de 
Wester-afd. van Bomeo en Serawak, waarop de ge- 
lijknamige rivier ontspringt. De bewoners waren 
vroeger beruchte koppensnellers. 

Batang IViia, belangrijke rechterzijrivier van de 
Kampar (Sumatra). 

Batang Toroe of Batang Taro, rivier 
op Sumatra; doorstroomt het landschap van Silin- 
docng in een lengtedal, centrum Taroeroeng, ontspringt 
ten Z. van het Toba-meer en voert het water naar den 
Ind. Oceaan. 

Batanta (N.O.I., 0° 45' tot 0° 51' Z., 130° 23' tot 
130° 55' O.), eiland van de Radja-ampatgroep, aan de 
W. kust van den Vogelkop van Ned. Nieuw-Guinee: 
onderafdeel ing Sorong, residentie Temate, gouver- 
nement der Molukken. 

Batara Goeroe is een naam, die in den Indi- 
schen Archipel (vooral op Java en op Bali) veelal ge- 
geven wordt aan Sjiwa als opperwezen, wellicht ten 
gevolge van identificatie met een oud-inheemsche 
oppergodheid. De vroegere meening, dat de op Java 
veelvuldig uitgebeelde zwaarlijvige man B.G. zou 
zijn, is door Poerbatjaraka op goede gronden bestre- 
den: deze houdt de figuur voor een voorstelling van 
Agastya, den apostel van Zuid-Indië (en Indonesië). 

Berg. 

Ba talos, > Bataat. 

Batava Gastra (a n t. g e o g r.), garnizoen 
van een cohort Bataven in Ra et ia, bij de samenvloei- 
ing van Inn en Donau, teg. Passau. Davids. 


Bataven, vroeger ook ten onrechte Batavieren 
genoemd, een Germaansch volk, verwant aan de 
Kaninefaten, misschien ook aan de Ohatten, vestigden 
zich in de eerste eeuw v. Chr. op het eiland der Bataven, 
de Betuwe. Zij verspreidden zich in een niet nader te 
bepalen omtrek. Zij hadden een zekere beschaving 
bereikt, zooals blijkt uit de vondsten in de „woerden”, 
vluchtheuvels, die zich bevinden in de Lijmers, de 
Ooy bij Nijmegen, de Betuwe, Maas en Waal en 
schaars ten Z. van de Maas. Ook aan den Rijn in 
Holland en in de duinstreek. Zij kenden La Tène-aarde- 
werk, werktuigen van been, vischnetten, bronzen 
vischhaken en messen, hamers van steen. Zij stonden 
onder Romeinschen invloed en sloten met de Romeinen 
een verbond. Zij hadden houten huizen en stallen, 
tot flinke hoeven vereen igd. Van versterkingen tegen 
een vijand geen spoor, hetgeen op groote veiligheid 
wijst. Ook vinden wij nederzettingen op den beganen 
grond, die dijken veronderstellen. Hun hoofdplaats 
en vluchtburcht lag op de Nijmeegsche heuvels, ten 
O. van de tegenwoordige stad bij den Kopschen Hof. 
Misschien was deze burcht het door Julius Civilis 
in 70 n. Chr. verwoeste Oppidum Batavorum. Want de 
Bataven kwamen in 69 n. Chr. in opstand tegen de 
Romeinen, waarbij de Kaninefaten onder Brinno zich 
aansloten. Het eiland der Bataven ging voor de 
Romeinen verloren, Aquilius alleen hield daar nog 
een wijle stand, Gallische en Germaansche benden 
sloten zich bij den opstand aan en de Rijnvloot viel 
Civilis in handen. Van alle kanten, ook uit vrij Ger- 
manje, kreeg hij versterking. Met deze macht sloeg hij 
het beleg voor Castra Vetera (Xanten) en verloor den 
gunst igen tijd. Een ontzettingsleger daagde op. 
Intussohen had de Rom. keizer Vespasianus zijn tegen- 
stander Vitellius volkomen overwonnen. De Romein - 
sche bevelhebber Vocula dwong Civilis het beleg op 
te breken. Een oogenblik nog keerde de kans, toen een 
oproer in het Romeinsche kamp tot den moord op 
Hordeonius Flaccus en de vlucht van Vocula leidde. 
Nu kwamen ook de Galliërs in opstand en de brand 
van Rome’s kapitool gold als het einde van Rome ’s 
macht. Vocula, die het leger had pogen te reorgani- 
seeren, werd door zijn soldaten vermoord, Vetera en 
Mogontiacum (Mainz) moesten zich overgeven. Maar 
de samenwerking tusschen Germanen en Galliërs 
liet veel te wenschen over. In het voorjaar van 70 
daagden nieuwe legioenen onder Petilius Cerialis 
en een nieuwe vloot op. Civilis alleen hield stand en 
wierp zich nog onverhoeds op Trier, dat weer in Ro- 
meinsche handen w\as gevallen. Hij werd tenslotte door 
Cerialis teruggeslagen, kon zich ook te Vetera niet 
handhaven, moest naar Oppidum Batavorum terug- 
trekken en dit opgeven, na het in brand te hebben 
gestoken. Nog wist Civilis eenige maanden in en om het 
eiland der Bataven stand te houden. Hij moest echter 
(op den afgebroken brug over de Nabalia, ligging on- 
zeker) onderhandelen en eenige dagen later volgde 
de overgave. Sindsdien zijn de Bataven woer de trouw'e 
bondgenooten der Romeinen. Naar hen werd Patavium 
(Passau) genoemd; na 480 komt hun naam niet meer 
voor. 

Bron: Tacitus, Hist. (IV). — L i t. : Blok, Gesch. 
van het Ned. Volk ( 3 I, 28-34) ; Holwcrda, Nederland’s 
Vroegste Gesch. ( 2 1 25-1 42). W. Mulder S.J. 

Batavia. 1. Afdeeling (residentie). 

De afdeeling B., provincie West-Java, omvat de 
regentschappen Batavia, Meester-Comelis en Krawang. 
Is 8 126,7 km 2 groot; hiervan zijn 228 164 ha droge 


111 


Batavia 


112 



mm] 



lil! V • 

r mt 



Gezicht op Batavia in 1682. Uit : Nieuhof, „Zee- en landreize door verscheiden gewesten van Oost-Indien”. 


en 323 473 ha natte (sawahs) bouwvelden der inland - 
sche bevolking. De vorm van het inlandsch grondbezit 
is erfelijk individueel. Het aantal erfpachtsperceelen 
voor groot-landbouw is 39 tot een totaaluitgestrekt- 
heid van 10 825 ha. Het oppervlak particuliere lande- 
rijen -plantages met overheidsrechten bedroeg eind 
1931 nog 263 169 ha, toebehoorend aan 64 ondernemers. 
Van de particuliere landerijen — een rechtstoestand, 
die niet gewenscht wordt — zijn van 1919 — ’31 door 
het gouvernement teruggekocht 101 542 ha; de terug - 
koopsom hiervan bedroeg in totaal 40 872 280 gld. 
Deze terreinen zijn met inlandsche rechten aan de 
inheemsche bevolking dan wel meest in erfpacht aan 
niet-inlanders uitgegeven. Vrijwel de geheele afdeeling 
is vlakte. De voornaamste cultuur van de Inlandsche 
bevolking en ook van de ondernemingen is rijst. Het 
aantal rijstpelmolens bedraagt 90. Zielental bedroeg 
eind 1930: 38 561 Europeanen, 2' 440 128 Inlanders, 
149 225 Chineezen en 9 121 andere Vreemde Ooster- 
terlingen, in totaal 2 637 053 zielen; bevolkingsdicht- 
heid 300 per km 2 . De inlandsche bevolking is in hoofd- 
zaak Soendaneesch. In en rond de stad Batavia wonen 
Batavianen, een mengsel van landaarden en rassen; 
hun voertaal is Batavia -Male isch. Brokx. 

II. Regentschap. 

Het regentschap B., afdeeling Batavia, provincie 
West-Java, omvat de districten Batavia, Weltevreden, 
Tangerang, Balaradja en Maoek, bestaat geheel uit 
laagland. Het klimaat is warm. Op menig gebied is 
dit regentschap bij andere ressorten ten achter, doordat 
de aanwezigheid van vele particuliere landerijen de 


ontwikkeling in den weg staat. Het wegennet en irri- 
gatie laten te wenschen over. Ook desawezen en volks- 
onderwijs ontwikkelden weinig. De inlandsche bevol- 
king is in het algemeen arm. Niet minder dan 514 000 
zielen w'oncn op particuliere landerijen buiten de 
gemeente gelegen. Te Tangerang in dit regentschap 
ontwikkelde zich onder Fransche leiding een hoeden- 
industrie. De hoeden w r orden gevlochten van bamboe 
en palmblaren. In tegenstelling met andere regent- 
schappen zijn in dit ressort vele Chineezen landbouwer. 
Door bijzonder omstandigheden, verband houdend 
met de geschiedenis van dit gebied, hebben zij grond- 
rechten verkregen, die elders niet voorkomen. De 
niet-inlandsche cultuur op en buiten de particuliere 
landerijen is in hoofdzaak rijst. Staatsspoorlijnen door- 
snijden dit regentschap in vier richtingen. Zielental 
eind 1930: 31 422 Europeanen, 800 630 Inheemschen, 
112 113 Chineezen en 6 673 andere Vreemde Ooster- 
lingen. Opp. 1 476,89 km 2 , bevolkingsdichtheid (de 
gemeente Batavia niet inbegrepen) 645,1 per km 2 . 
De inlandsche bevolking is rondom en in de stad 
Batavia een mengelmoes van landaarden en rassen, 
verderop is deze bevolking Soendaneesch. Batavia is 
in 1924 een regentschap geworden; tevoren w r erd dit 
ressort bestuurd door een zelfstandig pntih. Brokx. 

III. Gemeente (zie plaat t/o kol. 706, dl. III). 

De stad B. is de zetel van de regeer ing van Ned. 
Indië, hoofdplaats van de prov. West-Java, van de 
afdeeling Batavia en van het regentschap Batavia; 
gemeente; bisschopsstad. 

Historie. Ten tijde, dat de eerste Nederlanders 







113 


Batavia 


114 



AjujoI 


Jtys 'Velden 


Ryr*yck' 


aïavia' 

uur jfaj 

r onJer 

ïbrtrn jéimL 


Kaart van Batavia met omgeving in 1682. 

Uit : Nieuhof, „Zee- en landreize door verscheiden gewesten van Oost-Indien”. 


Java bezochten, lag ter plaatse, waar later de stad 
Batavia zou verrijzen, een negorij, Djakatra genaamd 
(Jav. Djajakerta of Djajakarta), zetel van een pan- 
géran, die vazal was van den vorst van Bantam. 
Met dien vazal werd in 1610 een overeenkomst gesloten, 
waardoor de Nederlanders vasten voet in Djakatra 
kregen. Jan. 1611 verkregen zij te Djakatra een stukje 
grond, waarop een huis gebouwd werd. Aldra bleek 
de vestiging in Djakatra de voorkeur te verdienen 
boven die in Bantam. Doch ook te Djakatra liet de 
veiligheid te wenschen over, waarom J. Pz. Coen 
Djakatra in Juli 1618 een bezetting gaf. Deze sterkte 
bleek echter te zwak, zoodat Coen eenige maanden 
later een fort deed bouwen. Nauwelijks was men 
daarmede klaar gekomen, of de Djakatranen, bijge- 
staan door de Engelschen, vielen het fort aan. Coen 
zeilde Jan. 1619 naar de Mo lukken om versterking 
te halen. Eind Febr. sloot Van Raey een verdrag met 
Djakatra en de Engelschen, waarbij fort, goed en 
mannen zouden worden overgegeven ; fort en goed aan 
de Djakatranen, de mannen aan de Engelschen. 
Doch toen trad de vorst van Bantam, de leenheer 
van Djakatra, tusschenbeide. Het verdrag werd niet 
uitgevoerd; de bezetting bleef ingesloten, doch het 
werd haar verder niet lastig gemaakt, noch door de 
Engelschen, noch door de Djakatranen. Stemming 
en gedrag van de bezetting lieten zeer veel te wenschen 


over. Om er den moed in te houden werd er danig 
gefeest. Op den 12en Maart liet Van Raey „alle 
officiers ten eeten haelen. En sv bedroneken met mal- 
canderen het fort Batavia”. Mei 1619 was Coen ter 
reede van Djakatra terug, veroverde de versterkingen 
der vijanden en legde geheel de negorij Djakatra in 
asch. De versterking der Hollanders bleef den naam 
Batavia behouden. Hiermede was B. gesticht. In 1620 
liet Coen een nieuw fort bouwen, het „Kasteel” 
genoemd. Coen wilde van B. een volkrijke stad maken 
met een overheerschend Nederlandsch element, stond 
daarvoor grond af, ook aan Chineezen en aan Inlanders. 
Dit is het begin van het ontstaan van de particuliere 
landerijen in en rond B., hetgeen veel later groote 
moeilijkheden zou geven. De niet-Europeesche bevol- 
king van B. was allerbontst. Er leefden allerlei 
landaarden en rassen, vooral veel Chineezen. De stad 
B. groeide zeer snel. Na eenige tientallen van jaren 
had zij het aanzien van een typisch Hollandsche stad. 
De huizen hadden het voorkomen van vaderlandscho 
woningen, ze waren aan elkaar gebouwd. Ook grachten 
ontbraken niet. Hierdoor was het in de stad zeer 
warm en ongezond. Toen na verloop van jaren de 
ommelanden van B. veiliger werden, lieten de notabe- 
len al vrij spoedig buiten de stad de landhuizen bouwen. 
Met de jaren vermeerderde het aantal dezer land- 
huizen, zoodat allengs hoe langer hoe meer Europeanen 


115 


Batavia 


116 


het oude B. als woonstad verlieten en zich meer naar 
het Zuiden, het Oosten en Westen gingen vestigen. 
Zoo ontstonden Noorclwijk, Rijswijk en Weltevreden. 
Gouverneur-generaal Daendels gaf in 1809 last tot het 
bouwen te Weltevreden van een nieuw Regeerings- 
gebouw, naderhand het Paleis en ook wel het Groote 
Huis genoemd. Tijdens het bestuur van den com- 
missaris-generaal Du Bus de Ghisignies werd dit 
nieuwe gebouw voltooid en betrokken. Nadien is 
oud-Batavia als woonstad voor de Europeanen allengs 
geheel verlaten, terwijl als zoodanig Weltevreden, 
thans officieel Batavia -Centrum geheeten, gestadig 
groeide, in hoofdzaak in Zuidelijke richting. Tijdens 
het Engelsche tusschenbestuur, van 1811 — 1816. 
was B. de zetel van het Engelsche bestuur, zooals 
na 1816 de Ntd. regeering te B. zou zetelen. 

Ligging, klimaat en bevolking. B. is gelegen 
aan de Tjiliwoeng (106° 48' 0.» 6° 7' Z.).Degemïddelde 
dagtemperatuur is er 28,8°C, de gemiddelde nacht- 
temperatuur 23,3°C. Maximum en minimum tempera- 
tuur is 33,4°C, resp. 20,4 C C. Vooral in de kentering- 
maanden — Maart — April, Oct. — Nov. — is het 
dikwijls zeer warm. Lengte van dag en nacht schomme- 
len zeer weinig. Het vroegst komt de zon op in Nov. 
(5,57 v.m.), het laatst in Maart (6,29 v.m.); het vroegst 
gaat de zon onder in Mei, Juni, Oct. en Nov. (6,14 
en 6,16 n.m.), het laatst in Februari (6,47 n.m.). 
De regenval is het grootst in Jan. en Febr., het gemid- 
delde bedraagt dan 303 en 317 mm; het kleinst is de 
regenval in Aug.. het gemiddelde is dan 42 mm. 
Het jaargemiddelde is 1 806 mm. B. had eind 1930 
435 184 inwoners. Hiervan waren: 



Euro- 

peanen 

Inlan- 

ders 

Chinee- 

zen 

Andere 

Vreemde 

Ooster- 

lingen 

Totaal 

Mannen 

Vrouwen 

16.012 

15.118 

164.816 

161.162 

40.868 

30.820 

3.429 

2.959 

225.125 

210.059 

Totaal 

31.130 

326.978 

71.688 

6.388 

435.184 


Onder de Europeanen komen nogal wat vreemde- 
lingen voor. Hiervan zijn Duitschers en Engelschen 
het grootst in aantal. Ook het getal Japanners — zij 
zijn bij de jongste volkstelling, waaraan bovenstaande 
cijfers zijn ontleend, als Europeanen geteld — is vrij 
aanzienlijk. De Inlanders zijn van allerlei landaard; 
de meesten zijn Batavianen, Soendaneezen en Javanen; 
de taal, die er gesproken wordt, is een eigenaardig 
soort Maleisch, sterk beïnvloed door het Javaansch, 
het Soendaneesch en het Balisch (vroegere Balische 
slaven). De andere vreemde Oosterlingen zijn meest 
Arabieren en diverse rassen van Voor-Indië. 

Batavia als rcgeeringscentrum. B. is de zetel van 
de Nederlandsch- Indische regeering. De gouverneur- 
generaal heeft er zijn paleis, gelegen aan het Konings- 
plein en aan Rijswijk; meestentijds verblijft Z.E. 
echter te Buitenzorg. De Volksraad, alsmede het 
College van Gedelegeerden, vergaderen en hebben 
kantoren in het Volksraadsgebouw in het Hertogs- 
park. De Raad van Indië heeft zijn bureaux mede in 
het Hertogspark. Te B. zijn verder gevestigd de 
departementen van Binnenlandsch Bestuur, van 
Justitie, van Financiën, van Burgerlijke Openbare 
Werken, van Onderwijs en Eeredienst en van Marine; 
dan het Hooggerechtshof, het Hoog Militair Ge- 


rechtshof, de Algemeene Rekenkamer en tal van 
centrales van belangrijke overheidsdiensten. De 
onder volgende landen 
hebben te B. hun consul- 
generaal: de Ver. St. van 
Amerika, België, Engeland, 

China, Cuba, Duitschland, 

Frankrijk, Japan, Noor- 
wegen, Spanje en Zwe- 
den; andere landen zijn er 
vertegenwoordigd door een 
consul. Te B. is ook 
nog gevestigd de Provin- 
ciale Raad van West- 
Java en het College van 
Gedeputeerden uit dien 
Raad. 

Batavia als economisch centrum. B., meest ge- 
noemd een ambtenarenstad, is ook een groote handels- 
stad. Zoowel import als export zijn van beteekenis. 
Te B. hebben tientallen groote import- en export- 
firma’s óf hun hoofdkantoor óf belangrijke filialen. 

De in- en uitvoer bedroeg over de laatste vijf jaren: 


Invoer U itvoer 


Jaren 

Bruto 

gewicht 

in 

1000 kg 

Waarde 
in 1000 
gld. 

Jaren 

Bruto 

gewicht 

in 

1000 kg 

Waarde 
in 1 000 
gld. 

1927 

384.627 

173.652 

1927 

292.888 

237.147 

1928 

382.704 

188.355 

1928 

323.844 

215.676 

1929 

467.262 

207.400 

1929 

284.974 

182.806 

1930 

450.572 

170.589 

1930 

263.272 

147.920 

1931 

418.991 

123.185 

1931 

265.777 

102.811 


De Javasche Bank, N.I. Escompto Mij., Factorij 
der Nederlandsche Handel Mij. en de N.I. Handels- 
bank hebben hun hoofdkantoor te B.; mede zijn te B. 
gevestigd de volgende banken: The Chartered Bank of 
India, Australia and China, The Bank of Taiwan Ltd., 
The Yokohama Specie Bank Ltd. en de Hongkong 
& Shanghai Banking Corporation. B. heeft verder 
hoofdkantoren van de Koninklijke Paketvaart Maat- 
schappij, de Stoomvaart Mij. „Nederland”, de Rotter- 
damsche Lloyd en de Java — China — Japan Lijn, 
alsmede hoofdkantoren van de Batavia Petroleum 
Maatschappij en de Nederlandsche Koninklijke 
Petroleum Maatschappij. B. heeft een zeer goede 
haven te Tandjoengpriok. Het aantal binnengekomen 
schepen bedroeg: 



Stoom- 

en motorschepen 

Zeil- en motor-zeilschepen 

Jaren 

Aantal 

Jniiouü m 
1000 m* 
netto 

Aantal 

Inhoud in 
1 000 m 8 netto 

1920 

1.858 

9.570 

2.127 

61 

1925 

2.269 

13.639 

2.696 

80 

1927 

2.631 

15.632 

2.587 

74 

1928 

2.891 

18.104 

2.590 

72 

1929 

3.205 

20 263 

3.351 

100 

1930 

3.134 

19.182 

3.158 

83 

1931 

2.777 

17.363 

3.097 

89 


Het aantal vandaar vertrokken schepen was 
ongeveer even groot. Grootindustrie heeft B. vrijwel 



Wapen van de stad 
Batavia. 


117 


Batavia 


118 


niet. General Motors is meer een montagewerkplaats 
dan auto-industrie. Een bierbrouwerij is voorjaar 1933 
geopend. Kleinindustrie komt wel voor, vooral 
meubelen en koolzuurhoudende dranken. B. heeft een 
gouvernem en ts -op iumf abr iek . 

Het bestuur van Batavia wordt gevoerd zoowel 
door organen van de centrale overheid als door de 
organen van de gemeente. Voor de centrale overheid 
is B. verdeeld in de districten Batavia en Weltevreden. 
De districten zijn onderverdeeld in on derdist rieten, 
die weer verdeeld zijn in wijken. Deze wijken zijn 
administratieve eenheden en geen desa’s of kampongs, 
welke volkseenheden zijn en waaniit elders de onder- 
districten zijn opgebouwd. B. is door haar historie 
de eenige stad op Java, welke niet uit desa’s of kam- 
pongs bestaat. Dit gemis aan volkseenheden maakt 
het besturen van B. moeilijker dan van eenige andere 
stad op Java. Het centrale bestuur heeft in de stad 
bevoegdheden op menig gebied; zoo is de politie orgaan 
van de centrale overheid en niet van de gemeente. 
Aan het hoofd der wijken, onderdistricten en districten 
staan wijkmeesters, onderdistrictshoofden (assistent- 
wedana's) en districtshoofden (wedana’s), allen onder- 
geschikt aan den regent van Batavia, bijgestaan door 
de Europeesche ambtenaren van het binnenlandsch 
bestuur. Chineezen, Arabieren en andere vreemde 
Oosterlingen hebben hun eieren hoofden met den titel 
van majoor, kapitein, luitenant en wijkmeester. 
Sedert 1905 is B. een gemeente. Aanvankelijk werd de 
gemeenteraad van B. voorgezeten door den assistent- 
resident ter plaatse, sedert 1916 door een burgemeester; 
vanaf 1926 heeft B. ook zijn wethouders. Aan de 
gemeente werden bepaalde werkzaamheden opge- 
dragen. De eerste begroot ing (1905, over negen maan- 
den) bedroeg 299 440 gld. Nu nog bestaat de taak der 
gemeente in hoofdzaak in verrichtingen op hygiënisch 
terrein. Op onderwijsgebied heeft de gemeente een 
aanvullende taak. Het totaal der uitgaven voor den 
gewonen dienst 1932 werd begroot op 6 264 677 gld. 
Het restant der leeningschuld, door de gemeente 
Batavia aangegaan, bedroeg eind 1931 in totaal 
23 793 500 gld. De ingezetenenschap van Indische 
steden is uitermate vlottend, hetgeen voor de stabiliteit 
van gemeenteraden bijzondere bezw r aren oplevert. 
Bij een bezetting van eerst 25, later 27 leden (15 Euro- 
peanen, 8 Inheemschen en 4 Chineezen), had de 
gemeenteraad van B. in de eerste 25 jaren van haar 
bestaan 269 vacatures of rond 11 per jaar. 

Aanzien van tegenwoordig Batavia. De groei 
in de 19e eeuw was geleidelijk; na 1900 nemen groei en 
bloei zeer snel toe door intensiveering van overheids- 
bemoeienis op elk gebied en door de ontplooiing van 
heel Indië. Geheel nieuwe woonwijken ontstonden, 
terwijl oudere woonbuurten omgezet werden in winkel- 
en kantoorstraten. Deze nieuwe wijken, in hoofdzaak 
Gondangdia en Nieuw Menteng, waar bijna uitsluitend 
Europeanen wonen, hebben een totaal ander aanzien 
dan het oudere deel van B. Waren vroeger de huizen 
ruim, maar weinig sierlijk, staande op uitgestrekte 
erven, waaraan weinig zorg werd besteed, de later 
ebouw T de woningen zijn bescheiden van omvang, 
ebben het aanzien en het comfort van villatjes, 
terwijl de erven veel kleiner zijn, met meest goed 
onderhouden tuinen. De nieuwe wijken van B. zien er 
dan ook frisch en vriendelijk uit, gelijken min of meer 
op Hollandsche villadorpen. In de oudere wijken, 
waar in hoofdzaak Europeanen wonen is veel ver- 
bouwd. Vele oudere grootere huizen verdwenen om 


plaats te maken voor kleinere woningen. Toch hebben 
die buurten het aanzien van B. uit het begin dezer 
eeuw nog niet verloren. Vrijwel alle Europeesche 
winkels van B., waarvan de voornaamste in de buurt 
Noord wijk, Rijswijk en Rijs wijkstraat worden aange- 
troffen, zijn in ‘de laatste 20 jaar gebouwd of verbouwd. 
Mede bouwde of verbouwde men in dezelfde periode 
bijna alle banken, gronthandelslichamen en hotels. De 
hotels, waarvan de grootste zijn het Hotel des Indes, 
het Hotel der Nederlanden en het Hotel des Galeries, 
liggen in de winkelbuurt, de banken en groothandels- 
kantoren in de benedenstad. In deze benedenstad, 
oud-Batavia, wonen nog uitsluitend Chineezen en 
inlanders. Veel is daar behouden van hetgeen vroeger 
was. Sommige punten zijn hier zeer pittoresk. 
Zindelijkheid en orde laten echter nog zeer veel te 
wenschen over, hoewel de gemeente hierin zeer veel 
verbetering bracht. De Chineezen wonen verder in 
hoofdzaak in de buurten Pasar Baroe en Senen van 
Weltevreden. Eertijds mochten de Chineezen — en ook 
andere vreemde Oosterlingen — alleen in hun aange- 
wezen wijken wonen. Deze bepaling is sedert opgeheven, 
maar niettemin is het gros der Chineezen in hun 
vroegere wijken blijven w T onen. In die wijken hebben 
de Chineezen hun winkels, hun ambachtswcrkplaatsen 
en hun hotels. De inlandsche bevolking woont over 
de geheele stad verspreid, behalve in de duurdere of 
in de typisch Chineesche buurten. In het algemeen is de 
huisvesting van deze bevolkingsgroep in B. zeer slecht. 
De gemeente doet moeite, daarin verbetering te 
brengen, doch het zal nog jaren duren en schatten van 
geld kosten, vooraleer veel, dat verdwijnen moet, 
opgeruimd is. Aan verbetering van de belangrijke 
wegen te Batavia is van 1919 — ’29 bijna 2 1 / i millioen 
gld. uitgegeven. Eind 1929 was 1 246 000 m 2 geasphal- 
teerd; nog 350 000 m 2 viel toen te asphalteeren. 

Batavia als woonstad. B. is geen mooie, maar wel 
een schilderachtige stad. Vooral in de Europeesche 
wijken is B. niet ongezond. Vroeger was dat heel 
anders. Malaria, cholera, typhus kwamen toen veel 
voor. Door waterleiding, betere afwatering, demping 
van poelen, het schoonhouden van visch vijvers enz. 
kwam zeer veel verbetering in den gezondheidstoestand. 
Toch heerschen in vele inlandsche en Chineesche wijken 
nog ernstige onhygiënische toestanden. Het jaarlijksch 
sterftecijfer van' de inlandsche bevolking is 27,7% 0 
en voor de totale bevolking 25,9% 0 . De medische 
voorziening van B. is voldoende. Bekende zieken- 
huizen zijn: het Militair -hospitaal, het Centraal 
Burgerlijk Ziekenhuis, St. Carolus, het Ziekenhuis 
Tjikini en het Ziekenhuis der Koninklijke Paketvaart 
Maatschappij. De winkels te B. bieden ook den 
Europeaan alles, waaraan hij behoefte heeft. Voor 
woning, kleeding en voedsel kan hij terecht zoowel in 
Europeesche als Chineesche zaken. Vrijwel alles, wat 
in een grootere Europeesche stad te koop is, kan in 
Batavia ’s winkels worden aangekocht. De prijzen 
van sommige artikelen, vooral import-artikelen, zijn 
duurder dan in Nederland, andere artikelen zijn 
daarentegen goedkooper. De huishuur is vrij hoog, 
bedraagt vrij spoedig 100 gld. per maand. Het gebruik 
van waterleiding, gas en electriciteit is algemeen. 
Scholen heeft B. van allerlei aard, zoowel voor de 
Europeesche als voor de niet-Europeesche bevolking. 
Er zijn openbare (gouvemements- en gemeentescholen) 
en bijzondere scholen. Elementair onderwijs aan 
Inheemschen wordt gegeven op volks- en schakel- 
scholen, lager onderwijs op Westerschen grondslag 


BATAVIA 



\ Steenen huizen. Int Kampongs. St. 'Station, tl. 'tialte. f f Klappertuin. - Spoorwegen. Tramwegen. 

Plattegrond van Batavia met naaste omgeving. 


121 


Batavia 


122 


aan Europeanen, Chineezen en Inheemschen resp. 
aan de Europeesche, Hollandsch-Chineesche en 
Hollandsch-Inlandsche scholen. Verder telt B. meerdere 
scholen voor meer uitgebreid lager onderwijs, waarop 
de algemeene middelbare scholen aansluiten, het 
gymnasium Willem III, dat een H.B.S. vijfjarigen 
cursus en geen gymnasium is, eenige particuliere 
H.B.S. -en (3- en 5-j. c.), een lyceum en een handels- 
school. Voor technisch en vakonderwijs heeft B. 
mede eenige instellingen. Cursussen ter opleiding 
voor de lagere en hoofdakte, alsmede voor diverse 
bijzondere lagere akten worden te B. gegeven. Aan 
de bestuursschool te B. wordt aan inlandsche bestuurs- 
ambtenaren, die in de practijk goed voldeden, in een 
tweejarigen cursus de theoretische kennis bijgebracht, 
die zij in hoogere ambten bij den bestuursdienst noodig 
hebben; mede worden aan deze school Europeesche 
jongemannen opgeleid voor het binnenlandsch bestuur 
buiten Java en Madoera als civiel gezaghebber. Het 
hooger onderwijs is te B. sedert eenige jaren vertegen- 
woordigd door een medische hoogeschool en door een 
rechtshoogeschool, waaraan zoowel Europeanen als 
Inlanders en Chineezen studeeren. De medische hooge- 
school is in de plaats gekomen van de school tot 
opleiding van inlandsche artsen. Behalve de boekerijen 
van deze beide hoogescholen heeft B. eenige biblio- 
theken, w.o. die van het Bataviaasch Genootschap, 
gevestigd in het museum, een schat van werken heeft 
op het gebied van taal-, land- en volkenkunde. In 
’s lands oud archief Molenvliet ligt nog veel onbewerkt 
materiaal op het gebied van Indische geschiedenis. 
B. heeft zijn schouwburg, die echter alleen dienst doet, 
als artisten B. bezoeken. Vrij dikwijls geschiedt dit, 
vooral door musici, die alleen of in kleine groepen 
tourneeren. In de latere jaren werd B. door kunstenaars 
van grooten naam bezocht. De kunstkringen verrichten 
op dit gebied verdienstelijk w T crk. Grootcrc gezelschap- 
pen (tooneel, opera) zijn zeldzamer, doch komen voor. 
De staf muziek, tot voor weinige jaren een corps van 
uitstekende reputatie, viel als slachtoffer van de 
jongste malaise. De grootste hotels en een enkel 
restaurant hebben soms verdienstelijke musici in 
dienst. Het aantal bioscopen te B. is legio. Het ver- 
een igings leven te B. is zeer ontwikkeld, zoowel op 
politiek, sociaal, als wetenschappelijk gebied. De poli- 
tieke partijen der Europeanen: Indische Katholieke 
Partij (I.K.P.), Christelijk Sociale Partij (C.S.P.), 
Vaderlandsche Club (V.C.), Indo-Europeesch Verbond 
(I.E.V.) en nog eenige andere hebben te B. hun 
hoofdbestuur. Ook onder Inheemschen en Chineezen 
komen veel vereenigingen voor. Te B. verschijnt een 
drietal Europeesche dagbladen: het Bataviaasch 
Nieuwsblad, het Nieuws van den dag voor N.I. 
en de Java Bode, meerdere inlandsche en eenige 
Chineesche bladen. Tot de bezienswaardigheden van B. 
behoort het museum van het Bataviaasch Genootschap, 
dat een groote hoeveelheid ethnographica herbergt, 
en het aquarium in de benedenstad bij den vischpasar 
(pasar ikan). De afstanden te B. zijn enorm. Daarom 
wordt het gemis aan een behoorlijk trambaannet ten 
zeerste gevoeld. De beide trams, die B. thans heeft, 
voldoen niet aan matige eischen. Voor korten tijd is 
de Nederlandsch-Indische Tram Maatschappij opge- 
richt, waarin ook de gemeente deelneemt, welke het 
tramvraagstuk tracht op te lossen. Groote afstanden 
en gemis aan voldoende en behoorlijke trams 
ontwikkelden in hooge mate het taxibedrijf, vooral als 
kleinbedrijf. Bekend vervoermiddel is de sado, klein 


wagentje, met een inlandsch paard bespannen, waarin 
koetsier en passagier rug aan rug (dos a dos) zitten. 
Ten slotte is de fiets bij alle rassen zeer populair. 

Katholiek Batavia. Bijna twee eeuwen zou B. 
de hoofdstad zijn van Nederlandsch-Indië, vooraleer 
het zijn eersten priester kreeg. In den Compagniestijd 
gold: „dat geen andere godsdienst of religie gepleecht, 
veel min geleert of voortgeplant zal worden, hetzij 
in het heymelick of openbaar, als de Gereformeerde 
Christelijke Religie”. Toch „hielp het weinig of men 
hun (de Kath. priesters) al het verblijf in de stad B. 
ontzeide, hen voor den landraad bracht, hen in de 
Waterpoort opsloot, hen naar het Vaderland zond, etc., 
telkens kwamen er weer nieuwe van Macao, Manilla 
en elders”. Eerst in 1807 werd aan de priesters J. Nelis- 
sen en L. Prinsen vergunning verleend, in Neder- 
landsch-Indië dienstwerk te gaan verrichten. 10 April 
1808 werd voor het eerst te B. in het openbaar de 
H. Mis opgedragen. Aanvankelijk werd het H. Misoffer 
voor de geloovigen opgedragen in een kazerne; daarna 
heeft een gebouwtje, kapel genaamd, op Pasar Senen, 
als kerk dienst gedaan tot in 1828, dank zij den steun 
van den commissaris-gencraal burggraaf Du Bus de 
Ghisignies, een aan het Waterlooplein gelegen pand 
kon worden aangekocht. Hierop is de eerste Kath. 
kerk van B. gebouwd, die 1830 plechtig werd inge- 
zegend. 20 Sept. 1842 kreeg B. zijn eersten bisschop 
in mgr. J. Grooff. Hij werd in 1847 opgevolgd door 
mgr. Vrancken, onder wiens langjarig en zegenrijk 
bestuur B. o.m. de eerste Katholieke school kreeg. 
1856 openden de zz. Ursulinen hun school te Noordwijk. 
1855 is de Vereeniging van den H. Vincentius a Paulo 
opgericht, welke zich hoofdzakelijk bezighield met de 
verzorging van weezen of verlaten kinderen. In 1890, 
onder het bestuur van den derden bisschop, 
mgr. Claessens, stortte de oude kerk te B. in. Na vele 
wederwaardigheden is op dezelfde plaats de kathedraal, 
welke nu de trots is van B., in 1900 ingezegend door 
mgr. Luypen. Langzaam was het Katholieke leven te B. 
gegroeid, tot na 1900 die groei van jaar tot jaar ver- 
snelde. Niet alleen nam het aantal Katholieken sedert 
dien hand over hand toe, maar de Katholieken kwamen 
nu uit andere kringen. Het Kath. vereenigingsleven 
ontwikkelde zich aan alle zijden; op allerlei gebied 
is groote activiteit, overal is ontplooiing. Begin 1906 
openden de broeders van den H. Aloysius van Gonzaga 
de eerste Kath. school voor jongens. Thans telt B. 
drie parochies, waarvan twee bediend door de pp. 
Jezuïeten en de derde door de pp. Franciscanen, met 
tezamen 22 priesters. Het aantal Katholieke Europea- 
nen bedroeg in 1932: 7 730, dat van de Katholieke 
niet-Europeanen (Inheemschen en Chineezen) 236. 
Aan het Katholieke onderwijs wijden zich 15 broeders, 
terwijl 171 zusters onderwijs geven aan de vrouwelijke 
jeugd, zieken verplegen, dan w T el zorgen voor armen 
en verwaarloosden. Katholieke scholen: twaalf Euro- 
peesche lagere scholen, twee mulo-scholen, twee 
H.B.S. met3-j. c., een H.B.S. met 5-j. c., een algemeen 
middelbare school, een kweekschool, cursussen voor 
vreemde talen, handwerken, stenographie en muziek, 
ettelijke fröbelscholen en eenige inlandsche scholen; 
aan een drietaldezer scholen is een internaat verbonden. 
Van de Katholieke vereenigingen zijn te noemen: 
de Derde Orde van St. Franciscus, Maria-congregaties, 
St. Maria-Elisabeth vereeniging, St. Melaniaw r erk, 
Strada-vereeniging, Katholiek Sociale Bond, Secreta- 
riaat voor R.K. ambtenaren en particuliere werk- 
nemers, Katholieke Jongelingen Bond, Katholieke 


123 


Batavia — Batetela 


124 


Padvinders Bond, Leo Comité, Katholieke Onder- 
wijzers Bond, Indisch Katholiek Wetenschappelijke 
Vereen iging, Indisch Katholieke Partij, Pastoor 
Verbraak -stichting, R.K. Onderofficierenbond „St. 
Ignatius”, R.K. Militair Tehuis, Ind. Kath. Radio 
Omroep Stichting en het R.K. Ziekenhuis St. 
Carolus. 

L i t. : Encyclopaedie van Ned.-Indië ; Ned.-Tndiê 
onder leiding van H. Colijn, Indisch Verslag 1932 (II): 
De Kath. Missie in Ned.-Indië, Jaarboek 1932 van het 
Centraal Missiebureau te Batavia : J. H. van der Velden, 
de R.K. Missie in Ned.-Indië 1808-1908. Brok r. 

Batavia, 1° plaats bij den Coppename-mond 
in Suriname; van 1823 tot 1897 verblijfplaats 
van de melaatschen, waar na mgr. Grooff de Eerbiedw. 
P. Donders meer dan 26 jaren gewerkt heeft en 14 Jan. 
1887 gestorven is. 

2° Naam van verschillende plaatsen in de Ver. 
St. van Amerika, a) B. in den staat New 
York (43° N., 78° 12' W.) is het handclscentrum 
van een rijke landbouw- en fruitteeltstreek en bezit 
belangrijke industrieën (o.a. landbouwmachines); 
in 1930: 17 367 inw. b) B. in den staat Illinois 
(41° 48' N., 88° 26' W.): in 1930: 6 045 inw. 

Bataviaansch-Malcisch, speciale vorm van 
de lingua franca, het zgn. laag- of pasar-Maleisch. 
Batavia is de poort van de Soenda-ei landen en Midden - 
Java, het land der Javaansche hoogcultuur; vandaar 
dat er veel Soendasche en Javaansche woorden in het 
B. M. voorkomen. Ook de vreemdelingen, die de 
havenstad bezochten, hebben natuurlijk hun invloed 
niet gemist. De Ncderlandsche leenwoorden bepalen 
zich vooral tot het huishoudelijk gebied; bijv. djongos 
= jongen; setal = stal; pelanel = flanel, enz. Veel 
baren (= nieuw aangekomen Nederlanders), die 
nog geen Maleisch kennen, nemen inlanders als huis- 
bediende; daardoor leeren deze laatsten de huishou- 
delijke woorden. Daarnaast zijn er nog Engelsche en 
Arabische leenwoorden; ook talrijke Portugeesche 
vormen hebben zich kunnen handhaven. > Batavia. 

L i t. : Jac. v. Ginneken, Handboek der Ned. Taal 
(I *1928). 

Bataviaasch Genootschap van Kunsten 
en Wetenschappen (thans: Koninklijk), opge- 
richt in 1778, een der oudste en stellig het meest 
belangrijke wetenschappelijke genootschap in 
Zuid-Oost-Azië. Vooral sinds zijn herleving omstreeks 
1840 heeft het omvangrijk en waardevol werk verricht 
op het gebied van taalkundig, cultuur-historisch 
en oudheidkundig onderzoek van den Indischen 
Archipel, inzonderheid van de hoofdeilanden. In 1926 
is het uitgebouwd tot een soort Academie van Weten- 
schappen. Het geeft verschillende belangrijke tijd- 
schriften uit (Tijdschrift, Verhandelingen, Notulen) 
en heeft een uitstekend museum in Batavia. Berg. 

Batavieren, > Bataven. 

Batavlerlijjn, een stoomvaartlijn, welke een 
geregelden vracht- en passagiersdienst onderhoudt 
van Rotterdam op Londen. Batavier was de naam van 
het eerste Ned. stoomschip, dat omstreeks 1830 in de 
vaart werd gebracht van Rotterdam op Londen door 
de Nederlnndsche Stoomboot Maatschappij, welke 
door Gerhard Moritz Roentgen in 1882 was opgericht. 
De stoomschepen van de tegenwoordige Batavierlijn 
dragen nog alle den naam Batavier (I, II, III, enz.). 
De directie wordt gevoerd door de firma Wm. H. Muller 
te Rotterdam. Bijvoet . 

Batavische Gebroeders, treurspel door Joost 


van den Vondel, verschenen in 1663, verhaalt hoe 
Claudius Civilis in Romeinsche ballingschap werd 
gevoerd, nadat zijn broer Julius Paulus door Nero’s 
stadhouder Fonteius Capito verraderlijk om het leven 
was gebracht. Het stuk had weinig succes, het beleefde 
slechts drie opvoeringen in den Amsterdamschen 
Schouwburg en wordt tot Vondels zwakkere werken 
gerekend. Toch bevat het uitstekende fragmenten, 
bijv. in het tweede gedeelte de Reij van Batavische 
vrouwen, die het leven der Batavieren bezingt. 

L i t. : dr. J. A. Worp, Geschiedenis van den Amster- 
damschen Schouwburg (1920, 95). Asselbergs . 

Batavodurum, plaatsnaam uit de le eeuw r 
n. Ohr., onzeker van ligging. > Nijmegen; > Oppidum 
Batavonim. 

Bateke, volksstam in Afrika, die grootendeels 
in Fransch Kongo woont. In Belgisch Kongo treft 
men de Bateke aan ten Z. van den Stanleypool en 
langs den linkeroever van den Kongostroom tot onge- 
veer Koenzoeloe. > Kongo (Ethnographie). 

Batenburg, gem. in Gelderland, in het Z. van 
het Land van Maas en Waal, aan de Maas. Opp. 730 ha; 
omvat, behalve het dorp B., de buurtschappen Lienden 
en Laak; samen ruim 600 inw., waarvan ruim 
400 Kath. De bodem bestaat uit rivierklei; landbouw 
en veeteelt. Van het vroegere kasteel Batenburg 
bestaan nog enkele bouwwallen (ringmuur met bas- 
tions, een ronde toren en overwelfde kelders). In de 
Ned. Herv. kerk (16e eeuw) een doopvont (13e eeuw), 
oude grafzerken en familiewapens. 

Batcson, W i 1 1 i a m, bioloog, aanvoerder 
van de Mondelisten in Engeland. Hij schreef het 
eerste handboek van de moderne erfelijkheidsleer 
(1902) en wijdde het grootste deel van zijn weten- 
schappelijke bedrijvigheid aan erfelijkheidsonderzoek; 
* 1861, f 1926. Zijn voornaamste medewerkers waren 
Saunders, Pumiett, Doncaster, Durham en Pellew. 

Hij w r as achtereenvolgens proftssor in de biologie 
te Cambridge, directeur van het John Innes Horti- 
cultural Institution en professor in de physiologie 
aan het Royal Institution. 

Werken: Materials for the study of Variation 
(1994) ; Mendels principles of Heredity, met ondertitel 
„A defence” gericht tegen de biometrici, die de geldigheid 
van de Mendelsche splitsingswetten bestreden (1902); 
Segregation (1926) ; oorspronkelijke bijdragen in tijd- 
schriften. Dumon. 

Buletela. In 1896 richtte Léopold II een dubbele 
expeditie in tegen de > Mahdisten (aanhangers van 
den Mahdi), welke de N.O. grens van Kongo- Vrijstaat 
bedreigden. De eerste groep stond onder het commando 
van Chaltin met acht officieren en ongeveer 1 200 man. 
De tweede, tellende 5 000 soldaten van den stam der 
Batetela, werd aan Dhanis, den overwinnaar der 
Arabieren, toevertrouwd, met hooger bevel op beide 
legerkorpsen. Hij kreeg opdracht de oevers van den 
Opper-Nijl te bezetten, waarvan het bezit door Enge- 
land aan Kongo was afgestaan geweest door het 
verdrag van 1894. 

In het Aroewdmiwoud ontstond er een muiterij 
door de moeilijkheden van den tocht veroorzaakt. 
De voorhoede van Dhanis’ legerkorps vermoordde 
haar officieren, keerde terug en versloeg achtereen- 
volgens de verschillende groepen, welke zich niet bij 
haar w ilden aansluiten. 

Kongo -Vrijstaat beschikte niet over de noodige 
macht om de muiterij spoedig te bedwingen. Nochtans 
begon aanstonds de achtervolging. Luitenant Josué 


125 


Bath — Bathurst 


126 


Henry, met 80 soldaten, werd daarmee belast; weldra 
werd hij door andere troepen geholpen. Maar de 
Batetela, steeds dreigend en na elke nederlaag in de 
inlandsche dorpen of in de wildernis van het bergland 
of van het oerwoud schuilend, versterkt door de 
muitelingen van Loelocaburg, hun rasgenooten, plun- 
derden sommige gewesten van Kongo gedurende lange 
jaren. Hun laatste groepen werden eindelijk uiteen - 
gedreven door Malfeyt in 1901, toen zij op het punt 
stonden Katanga te overrompelen. Monheim. 

Bafh, 1° plaats in N e d., > Rilland-Bath. 

2° De beroemdste Eng. badplaats, in het graaf- 
schap Somerset (61° 23' N., 2° 21' W ), aan de Avon- 
rivier; 09 000 inw. De warme minerale bronnen, de 
eenige in Engeland, w^aren reeds bij de Romeinen 
bekend (Aqua Solis): één van de „Roman baths” is nog 
zeer goed bewaard gebleven. Het water (40 — 49°C) 
is gipshoudend en wordt speciaal aangewend voor 
chronische spierrheuma; voor drinkkuren wordt het 
C0 2 -houdend gemaakt. O. de Vries. 

Kunst te Bath. Resten van Romeinsche 
Thermen. De oude stad w r as om de abdij heen gebouwd, 
werd echter door John Wood uit Yorkshire (1725) 
uitgebreid over de heuvels naar het Noorden (Milsom 
Street, Queen Square, Circus). Wood’s zoon zette het 
bouwplan van zijn vader voort: Royal Crescent. halve- 
maan-vormig plein met uitzicht op het dal van de 
Avon. De ligging der stad gaf aanleiding tot het 
aan leggen van meerdere zulke parken in den vorm 
eener wassende maan. In 1789 werd de stad nog verder 
over de heuvels uitgebreid volgens de plannen, die 
Robert Adam gemaakt had (1777— *82). De abdij, 
die in het begin der 16e eeuw begonnen w r as, w r erd 
ongeveer een eeuw later voltooid; haar kerk is drie- 
schepig, met rechthoekigen toren boven de viering. 
Zij geraakte in verval, w'erd echter volgens de plannen 
van sir George Gilbert Scott (1864—73) herbouwd. 

L i t. : Mowbray A. Green, The 18th century Architec- 
ture of Bath (1904). Knipping. 

Bath, Order of the, Ergelsche onderschei- 
ding, door Hendrik IV in 1399 gesticht, in 1725 
door Geo ge I als militaire orde vernieuwd, sedert 
1847 ook voor burgers; drie klassen. Devies: „Tria 
iuncta in uno” en: ,,I serve” op het lint. Teeken: 
op ronden band een ovaal medaillon van goud met 
het devies. In het midden een schepter en drie 
kronen van goud, een distel en een roos op rooden 
grond. 

Bathildis, ook Balthildis, Heilige, Frankische 
koningin; f 30 Jan. 680 (681) te Chelles bij Parijs en 
aldaar begraven. Zij kw r am als Angelsaksische slavin 
in het huis van den hofmeier Erchinoald en huwde 
in 649 met Clodwig II. Na zijn dood (657) nam zij voor 
haar minderjarigen zoon Clotarius III het regentschap 
w T aar en toonde zich vrijgevig tegenover armen, 
gevangenen en kloosters. Feestdag 26 Jan. of 3 Febr. 

• J . v. Rooij. 

Bath-metaal, een soort messing, bestaande uit 
55% of meer koper en de rest zink. De toepassing 
is zeer algemeen in den machinebouw, alsook voor 
ku nstvoorwerpen . 

Baf h och room, > Kleurstof. 

Batholiet (< Gr. bathos = diepte, lithos = 
steen), meestal granietische dieptegesteentemassa Y 
die op onregelmatige wijze in de aardkorst liggen, 
zulks in tegenstelling met laccoliten, die magma- 
intnisies evenwijdig aan bepaalde laagvlakkcn in de 
aarde voorstellen. Een groote intrusie noemt men eerst 


dan batholiet, indien men niet weet, w T clke gesteenten 
er onder voorkomen, m.a.w. wanneer de ondergrond 
onbekend is. Door de erosie kunnen de bedekkende 
lagen weggevoerd worden en kan het dieptegesteente 
aan den dag komen. De afmetingen zijn zeer groot. 
Zoo beslaat de Broeken -batholiet in den Ilarz -j- 
200 km 2 en de intrusie van Eibenstock in het Erts- 
gebergte ± 600 km 2 . De meest gangbare meening over 
het ontstaan der b. is, dat onder zekere invloeden het 
magma zich in gloeiend vloeibaren toestand naar 
boven toe beweegt en zich in de vaste aardkorst insmelt. 
De afkoeling geschiedt langzaam, w r aardoor het 
gesteente een grove kristalliniteit bezit. Tevens zal 
in de meeste gevallen het magma zich differentieeren 
in een basisch en een zure fractie, die verschillende 
gesteenten opleveren. Bij deze gefractionneerde 
kristallisatie kunnen zich soms aanzienlijke hoeveel- 
heden magmatische ertsen afscheiden. Tevens kunnen 
zich in de omgeving der b. h> drothermale ertsen 
afzetten, die vaak van groot economisch belang zijn. 
Doordat de insmelt ing op onregelmat ige wijze plaats 
heeft, kan men, indien door de erosie de deklagen 
verwijderd zijn, soms midden in de in trusief massa 
sedimentaire gesteenten aantreffen, die als resten van 
het dak opgevat worden (zgn. dakhangers). Deze dak- 
hangers vertoonen, evenals het omringend gesteente, 
meestal een zgn. contacthof, d.w.z. een zone van 
gesteenten, die door warmtetoevoer en misschien door 
toevoer van magmatische materie sterk veranderd 
zijn. 

In vrijwel alle geologische tijden hebben zich 
batholieten gevormd. Men kent er reeds uit het 
Archaeïcum. Zij komen in bijna alle plooiingsgebergten 
voor en er zijn aanwijzingen, die erop duiden, dat 
gelijktijdig met de plooiing het magma opsteeg. De 
groote granietintrusies van Baveno (aan het Lago 
Maggiore) en van de Disgrazia (Beminagroep) worden 
wel als batholieten opgevat, die tijdens de Tertiaire 
orogenese opstegen. 

Indien een batholiet zich tot dicht aan de aard- 
oppervlakte insmelt, dan is het mogelijk, dat door den 
gasdruk in het bovenste gedeelte in den batholiet- 
koepel de aan de oppervlakte liggende aardlagen 
doorbroken woorden; er kan dan een vulkaan ontstaan. 

Lit. : Cloos, Das Batholitenproblem (1923). 

Hofsteenge . 

Bathonicn, onderafdeeling van den Dogger. 
> Juraformatie. 

Bathory, Zevenburgsch geslacht, afstammend 
van Zuid-Duitsche kolonisten, waarvan verschillende 
vertegenwoordigers een rol hebben gespeeld. De 
wojwode Stephan B. werd in 1575 kon ing van Polen 
(f 1586); zijn broeder Sigismund in 1595 als zelfstandig 
heerscher over Zevenburgen door de Hongaarsche 
kroon erkend (f 1612). Andreas B. werd in 1583 
kardinaal. De laatste van het geslacht w r as Gabriël, 
de zoon van koning Stephan (f 1613). v. Gorkom. 

Bathron is een term uit de Grieksclie bouwkunst, 
beteekent: trap of voetstuk. 

Baf h Stone, een in Somersetshire (Eng.) voor- 
komende zandsteen, witgrijs, fijnkorrelig en zacht; 
w r ordt bij bouwwerken toesepast. 

Bathurl, zoon van Nachor en Melcha, neef 
van Abraham, vader van Laban en Rebekka. 

Bathurst , l°stad in Nieuw Z. Wales (A u s t r., 
33° 28' Z., 149° 31' O.), in de Downs; 9600 inw. Het 
is de eerste stad, die werd gesticht, nadat in 1813 
de overschrijding der Blauwe Bergen gelukt was. 


127 


Bathyaal — Batikken 


128 


Van ouds veeteelt en akkerbouwcentrum (vnl, tarwe 
en haver); de goudmijnbouw was er vorige eeuw van 
veel belang, beteekent nu weinig meer. Uitvoer van 
agrarische producten en wat goud per spoor naar 
Sydney. Zwagemakers. 

2° Hoofdplaats van de Britsche Garabiakolonie, 
in West-Afrika; havenstad met 10 000 inw., 
aan de monding van den Gambiastroom. 

Bathyaal (<Gr. bathus = diep) worden marine 
sedimenten genoemd, die af gezet zijn in een zee, in 
diepte varieerend tusschen 200 en 1 000 m. Bathyale 
sedimenten , bijv. kalksteenen en dolomieten, worden 
op vele plaatsen op aarde aangetroffen. Zij zijn vaak 
gekenmerkt door een speciale fossiele fauna, waar- 
onder weinig planteneters, daar door het weinige 
licht geen plantengroei mogelijk is. Men treft in het 
algemeen vele cephalopoda, decapoda en visschen aan. 

Hofsteenge. 

BatliyUus, historisch-onzckere persoonlijkheid, 
alleen bekend uit een geïnterpoleerd leven van Ver- 
gilius. Hij zou dezen dichter geplagieerd hebben en 
daarvoor de bekende afstraffing hebben gekregen: 
„sic vos non vobis vellera fertis oves”, enz. 

Bulhyllus van Alcxandric, Griek, vrijge- 
latene van Maecenas; voerde met Py lades ten tijde 
van Augustus te Rome de pantomime in, B. het 
komische, Py lades het tragische genre. 

Batidaeeae (plant k.), de eenige familie van 
de reeks Batidales. Het eenige geslacht Batis heeft 
ook slechts één vertegenwoordiger, Batis mari- 
t i m a. Dit kleine houtachtige struikgewas komt voor 
in Amerika van Florida tot in Brazilië en verder in 
Califomië en op de Sandwich-eilanden. Het is in het 
bezit van dikke bladeren en past zich zeer goed aan 
op zoutrijke gronden. Wetenschappelijke waarde 
heeft deze plant niet, hoewel dit gewas mogelijk een 
gedegenereerd type van een hooger ontwikkelde groep 
kan zijn. Bouman. 

Batiïïol, Pierre Henri, geleerd en gevierd 
Fransch kerkhistoricus, * 27 Jan. 1861, f 13 Jan. 1929; 
uit de school van Duchesne en in Rome van de Rossi. 
Rector van het Institut cath. te Toulouse (1898—1906), 
dat hij tot bijzonderen bloei bracht. Bij de reactie 
op het modernisme zag hij enkele zijner opvattingen 
gewraakt en moest hij genoemd rectoraat neerleggen, 
maar bleef een vroom priester en gehoorzaam zoon 
der Kerk. Hij bewoog zich vooral op het gebied van 
het N. T., oud-Christ. literatuur en liturgiegeschiede- 
nis. Hij was medewerker aan de Revue Biblique, 
Rev. Apologétique, Buil. d’anc. lit. et d’archéol. 
chrét.; stichter van het Buil. de lit. ecclésiastique, 
president van de Amis de 1’art liturgique met grooten 
invloed als zoodanig op clergé en volk. Hij trad op 
tegen het modernisme, vooral op het gebied der N. T.- 
exegesc, en was theoretisch zoo goed als practiscli 
werkzaam bij de moderne hereenigingspogingen der 
Kerken. Verscheidene eeretitels en wetenschappelijke 
onderscheidingen vielen hem ten deel in binnen- en 
buitenland en hij was een der w einige Kath. geleerden, 
die ook door andersdenkenden werd bestudeerd en 
gewaardeerd. 

Voorn, werken: Hist. du bréviaire romain 

(1893) ; Etudes d’hist. et de théol. positive (1902 en 
1905); L’église naissante et catholicisme (1909) ; Le 
Catholicisme de St. Augustin (1920) ; Le Siège Aposto- 
lique (1924) (deze drie werken vormen een geheel en een 
hist. pracht-apologie der Kerk tot haar volgroei in de 
5e eeuw) ; Orpheus et 1’Evangile (1910) ; Le<?ons sur la 
Messe (1919 ; wetenschappelijke vulgarisatie van de ont- 


wikkelingsgeschiedenis der Mis) ; Et. de lit. et d’archéol. 
chrét. (1919). — Lit.: Lagrange, Vie intellectuelle 
(II 1929) : Morin, Hochland (XXVI, 1). J. Sassen. 

Batikken (zie plaat tegenover kolom 129). 
Het woord beteekent etymologisch: schrijven of 
teekenen, en is van inheemschen oorsprong. Brandes’ 
daarop berustende opvatting (geuit in 1887), dat 
de batikkunst van inheemsch- Ja vaansch en oorsprong 
w'as, is onhoudbaar gebleken, vooral door de 
onderzoekingen van Rouffaer. Deze heeft er de 
aandacht op gevestigd, dat de batiktechniek volgens 
de berichten van de Europeesche reizigers van de 
15e tot de 18e eeuw in Voor-lndië inheemsch was, 
en dat er omstreeks 1700 een geweldige export van 
gebatikte goederen plaats vond uit Koromandel. 
Intusschen is de herkomst er van nog niet zeker. 
Rouffaer vermoedt (Encycl. Ned.-Indië I, 201b), 
dat de kunst in Voor-lndië ontstaan is, vandaar naar 
Java is overgebracht en van Java uit weer verbreid is 
naar China en Japan, in welke laatste landen echter 
het batikken niet ingeburgerd is. Intusschen is Java 
hét land van de batikkunst bij uitnemendheid gewor- 
den. Oudtijds was b. er een luxe -hand werk van de 
vrouw r en van hoogen stand ; het hoorde dus thuis in 
den Hindoe- Ja vaanschen kring, hetgeen in overeen- 
stemming is met Rouffaer ’s theorie, dat de kunst op 
Java geïmporteerd is. R. meent echter, dat het niet 
van Oost-, doch van Midden- Java uit zich over de 
rest van het eiland verspreid heeft. Er zijn thans ruim 
1 000 patronen bekend, alle met Javaansche namen, 
die men opgesomd vindt op blz. 454 — 495 van het 
standaardwerk van Rouffaer en Juynboll, De Batik- 
kunst in Nederlandsch-Indië (Utrecht 1914, doch 
tusschen 1900 en 1905 geschreven). De verschillende 
patronen hadden deels sociale beteekenis, doordat 
zij op zware straffen slechts door bepaalde groepen 
van personen gedragen mochten worden, vaak slechts 
bij bepaalde gelegenheden, deels gevoelswaarde, 
doordat zij allegorische of symbolische voorstellingen 
bevatten, waarmede men (vooral vrouwen tegenover 
mannen) gevoelens jegens anderen wilde uitdrukken. 
In do gouvernementslanden, die aan geldig inheemsch 
gezag onttrokken waren, kwam men er echter toe 
patronen te gaan dragen boven zijn stand, en nu dit 
misbruik ook in de vorstenlanden insluipt, gaat 
daarmee de sociale beteekenis der patronen lang- 
zamerhand verloren. Schmutzer heeft bij zijn pogingen, 
om beelden voor den Katholieken eeredienst te schep- 
pen naar Javaanschen trant, van de sociale waarden 
der patronen echter weer gebmik gemaakt. Een andere 
factor, die de door inheemschen aangevoelde waarde 
der patronen ondermijnt, is, dat de bewerking der 
doeken niet langer uitsluitend door adellijke dames 
geschiedt als luxe bezigheid, maar dat het, sinds ong. 
1850, een huisindustrie geworden is, w T aarin volks- 
vrouwen een bestaan vinden, en zelfs fabrieksnijverheid, 
waaraan mannen medewerken. Aan fabrieksgoed kan 
uiteraard nooit de half magische, half religieuze kracht 
worden toegekend, die de eigengemaakte stukken 
bevatten. Daarom is de onder Europeanen verbreide 
opvatting, dat batikpatronen om kleur en teekening 
geliefd zijn en dat dus de Europeesche industrie een 
goede kans op verovering van de markt heeft, wanneer 
zij kleur en teekening goed weet na te bootsen of zelfs 
mooie patronen weet te scheppen, fundamenteel 
valsch, en slechts de materieele nood der Javanen, die 
de duurdpre eigen maaksels niet kunnen betalen, heeft 
de Eur. industrie terrein doen winnen. Eveneens vloeit 


BATIKKEN 




Het batikken van kaïns. 


Tweezijdig gebatikte sarong uit Djambi. 


Gebatikte slendang. 


Eenzijdig gebatikte Koromandelsche doek. 



Bataksche kampong (kampong Pinom). Hui* van oen Bataksch stamhoofd. Op don voorgrond in hot midden een 

duiventil, links daarvan een schedelhuisje. 



BATAKS 




129 


Batikken 


130 


uit het bovenstaande voort, dat onze waardeering 
van batikwerk op geheel andere gronden berust en 
uit geheel andere gevoelens voortkomt, dan bij de 
Javanen het geval is. Berg. 

Aanvankelijk hebben de Europeanen trouwens 
weinig belangstelling voor de batikindustrie getoond. 
Gouverneur -gen. van Goens schrijft in 1656 over het 
„schilderen”, dan komt Chastelein, raad van ïndië, 
met een kort bericht en daarna in 1787 resident de 
Rovere van Breugel: „Cajoe soga is de bast van een 
boom, alzoo genaamt, welkers afkooksel dient om de 
batiks bruijn te verwen.” En later: „De damar catja 
wordt het meest gezogt op Java tot het maaken van 
batiks.” Eerst veel later nam de belangstelling in 
Eur. voor batikken toe. 

Bewerking. In grove trekken is de bewerking van de 
b. als volgt: 1° het doek wordt op de vereischte lengte 
gesneden of gescheurd ; 2° de stukken worden in water 
a gespoeld ter (ge- 

c 



Batikinstrument (tjanting). a. Was- 
reservoir. b. Kanaal voor toevoer van 
de was naar de te behandelen plaats, 
(a en b beide van koper.) c. Rieten 
handvat. 


deeltelijke) ver- 
wijdering van 
appret of finish; 
3° in olie ge- 
dompeld, wordt 
het absorbee- 
ringsvermogen 
voor de verven 
vergroot; 4° met 
een gesmolten 
mengsel van was 
en hars worden 
de plaatsen, 


welke niet geverfd moeten worden, aan beide zijden 
van het doek bedekt; 5° liet doek wordt ondergedom- 
peld of herhaalde malen overgoten met de hoogstens 
lauw-warme verfstof; 6° het was- en harsmengsel 
wordt in kokend water afgesmolten en de doeken 
gespoeld; 7° de doeken worden gelijkmatig nat gemaakt 
met een sago-oplossing in kokend water, teneinde 
opnieuw appret aan te brengen. 

Dessins. Men maakt onderscheid tusschen de 
volgende hoofdgroepen: 1° de zuivere Javaansche 
dessins, tegenwoordig hoofdzakelijk in de Vorsten- 
landen gemaakt met als kleuren soga -bruin tegen 
donker indigo-blauw; 2° de doeken in Batavia, 
Semarang, Soerabaja en nabijgelegen kustplaatsen, 
waar zich allerlei invloeden hebben doen gelden. 

Dikwijls gebeurt het, dat de batikster sommige 
wasplekken, vooral bij de met sogamengsels te kleuren 
gedeelten, met de vingers stuk knijpt, met de bedoeling 
adertjes in bde teekening te brengen. Deze techniek 
wordt echter alleen toegepast op de met sogamengsels 
te kleuren gedeelten van een wit fond; 
nooit ten opzichte van de blauwe plekken. Zij 
wordt niet toegepast bij vorstel ij ke patro- 
nen en in de Vorstenlanden bijna geheel achterwege 
gelaten. 

Het kenmerk van een goede batik is niet 
alleen, dat de blauwe partijen scherp afgelijnd zijn, 
maar ook, dat de witte stippels van de isèn (opvul - 
motieven) scherp rond en helder wit zijn. De 
Javaansche kenner kijkt het eerst naar deze figuren. 
De verschillende benamingen bij batiks: kain-soga, 
kain prada, kain -parang -roesak e.d. hebben betrek- 
king op kleuren-combinaties, teekening, herkomst, enz. 

Hoofddoek, pagi-soré, beteekent letterlijk: 
dag-avond, d.w.z. men kan den hoofddoek zoodanig 
gebruiken, dat nu eens de figuurranden van den eenen 


driehoek, een andermaal die van den anderen driehoek 
zichtbaar worden. Evenals voor den hoofddoek kan ook 
voor de bebeds of kains de term pagi-soré worden 
gebruikt. Het patroon van de eene helft van het doek 
is dan anders dan dat van de andere helft, zoodat men 
om beurten de eene of andere helft als w i r o n (d.i. 
met plooienbundel) kan benutten. 

Kain Prada (met goudblad belegde doeken). 
Tn deze batiks wordt een zekere luxe gelegd door ze 
met bladgoud te beleggen. Niet alle patronen leenen 
zich voor deze techniek, omdat een goede verdeel ing 
van het bladgoud over het geheele vlak een eerste 
vereischte is voor artistiek werk. 

Kain-parang-roesak (dit patroon mag 
alleen door den vorst gedragen worden) leent zich 
buitengewoon voor belegging met bladgoud. 

Kain-tritik en kain-kembangan 
(gekleurde doeken). De figuren van een k. tr. worden 
gevormd door de stof langs een vooraf aangegeven 
lijn door te rijgen en dit rijgsel tot een stijve plisseering 
samen te trekken. Bij onderdompeling dringt de verf- 
stof niet tusschen de plooitjes, zoodat kleine plekken 
uitgespaard worden. Kain-kembangan wordt eveneens 
door uitsparing verkregen. Na de tr itiek -figuren op 
gewone wijze te hebben gevormd, worden bepaalde 
gedeelten van den doek met pisangblad omwonden 
om ook hier het doordringen van de verf te beletten. 

T j a p p a n s (gestempelde doeken). Bij de goed- 
koope doeken, welke bij groote hoeveelheden op de 
markt verkocht worden, heeft het batikken plaats 
gehad met de t j a p (wasstempel). Oorspronkelijk 
van hout, zijn deze stempels nu van rood koper. Bij 
nauwkeurig toezien is de tjappan wel van de batikkan 
te onderscheiden. Elk foutje in den stempel herhaalt 
zich. Het karakteristieke van het handwerk ontbreekt 
geheel en al. Typisch is, dat het toelissen (d.i. het 
aanbrengen van wasfiguren met een tjanting, een 
roodkoperen reservoir, waaruit het vloeibare was- 
en harsmengsel vloeit), uitsluitend gedaan wordt door 
vrouwen, het tjappen door mannen. 

Batikprocven in Nederland. Op het eind van 
de vorige eeuw nam ook onder de kunstnijveren 
in Nederland de belangstelling voor de batik- 
techniek toe. Lion Cachet komt de eer toe, de batik- 
techniek in ons land het eerst toegepast te hebben. 
Het verschijnen van een geïllustreerde monographie 
over Ind. batikkunst, door G. P. Rouffaer, was een 
aansporing om op den ingeslagen weg voort te gaan. 
Er volgde batikwerk van: Dijsselhof, Nieuwenhuis, 
Thorn Prikker, Roelofsen, Chris Lebeau, e.a. Het 
gemis aan goede kleurrecepten stond de uitbreiding 
van de batiktechniek in den weg. Te dien einde werd 
in Sept. 1900, onder leiding van dr. Greshoff, een 
batikonderzoek ingesteld. Een half jaar is aan dezen 
arbeid besteed, met als voornaamste doel: verfrecepten 
uit te vorschen, die het onzen kunstnijveren mogelijk 
maakten, de kleuren van de Ind. batiks zoo dicht 
mogelijk te benaderen. Het onderzoek strekte zich 
eveneens uit tot de wasmengsels. Na beëindiging 
van het onderzoek is door mej. M. Weerman een 
proeflap vervaardigd, overeenkomstig een tijdens het 
onderzoek uitgewerkte methode. De bewerkingen, 
welke deze proeflap heeft ondergaan, zijn beschreven 
in een „Beschrijving eener proeflap, als voorbeeld 
van batikverven in zes kleuren”, door Meta Weerman. 

L i t. : Th. St. Raffles, History of Java (I 1817, 
168-171) ; G. P. Rouffaer en dr. H. H. Juynboll, Do 
Batikkunst in Ned. Indië en haar geschiedenis (1900- 


IV. 5 


131 


Batioesjkow — Bato 


132 


'14^ ; H. A. J. Baanders, Over nieuwe proeven van batik- 
technick in Nederland (1901) ; J. E. Jasper en Mas Pirn- 
gadi, De inl. Kunstnijverheid in N.I. (III, De Batikkunst, 
1916); J. D. Daubanton, De Batikindustrie op Java 
(1916). J. Ruiten. 

Batioesjkow, Konstantin Nicola- 
j e w i t s j, Russisch dichter van de groep Arza- 
m a s.. * 29 Mei 1787 te Wologda, f 17 Juli 1855. Als 
soldaat begonnen en in den strijd tegen Napoleon ge- 
kwetst (1807), werd B. gezantschapsattaché te Napels, 
maar bracht na 1822 zijn leven in zwakzinnigheid 
door. De vaak aangrijpende elegieën van B. (bijv. 
Tasso’s dood) geven uiting aan een innerlijke ver- 
scheurdheid, die hem reeds verbindt met Byron en 
Poesjkin; toch leerde hij vooral van Voltaire en Gel- 
lert, van Goethe en Schiller, en een deel van zijn werk 
is zelfs zuivere Anacreontiek, „poésie légere”, van den 
Franschen slag. Als Iloratius- en Tibullusvertaler 
en nabootser van de klassieke metrische vormen 
heeft B. beteekenis voor den bloei der neo -Klassiek in 
Rusland. 

U i t g . : Saitow en Majkow (Leningrad 1887, met 
uitvoerige biogr. door Majkow). — L i t. : J. K. Grot, 
B. (Leningrad 1887) ; E. Lo Gatto, Storia della lettera- 
tura Russa (111 Rome 1929, 58 vlg.). Baur. 

Ba lis, > Batidaceae. 

Batist (cambrics, kamerdoek, nainsouk), fijn 
platwecfsel, doorzichtig en toch dicht. Materiaal: 
fijne katoenen garens, ook gekamd macogaren. Zacht 
geappreteerd. De minst dichte soort heet batist- 
claire, stijf geappreteerd. Wit, bednikt, met satijn- 
of ajourstrepen in gaasbinding versierd, enz. Wol- 
batist is uit dun kamgaren gemaakt. Linnen batist 
bestaat uit fijne linnen garens. Glasbatist heeft een 
glasachtig doorzichtig uiterlijk. Het is hard en stijf 
en behoudt het glasachtig karakter ook na het was- 
schen. Komt het meest voor in wit, echter ook in 
lichte tinten. Glasbatist wordt vnl. gebruikt voor 
kragen, manchetten op japonnen en voor babyjurkjes, 
schortjes en mutsjes. De beste kwaliteiten komen uit 
Frankrijk. Fijnste linnen weefsels tot 80 draden per 
cm, los geweven. Linon en linnen > voile zijn batist. 

Bal jan, 1° sultanaat, landschap staande 
onder den sultan van B. Voornaamste eilanden: > 
Bat jan -Archipel. Opp. 332 150 ha; 9 G00 inw., 
waarvan 5 100 onderhoorigen van den sultan. Deze 
verblijft op de hoofdplaats Laboeha, ook Batjan ge- 
naamd. 

2° Onderafdeeling der residentie Ter- 
nate, gouvernement der Molukken (N.O.I.), bestaande 
uit het sultanaat B., heteil. Moeari en de Óbi-, Kehik- 
en Law in -ei landen. Jloofdplaats Laboeha; civiel 
bestuur ; 18 000 inwoners. 

3° (Ook S e k i) Grootste eiland van den Bat- 
jan-archipel (N.O.I.). Cappers. 

Baf jjnn-arcliipel, eilandengroep in de Mo- 
luksche Zee (N.O.L, tusschen 0° 5' en 1° Z., 127° 4' 
en 128° O.), behoorende tot de onderafdeeling Batjan. 
residentie Ternate, gouvernement der Molukken. De 
B.-a. bestaat uit het sultanaat Batjan en het onder 
rechtstreeksch bestuur staande Laboeha met het fort 
Barneveld. Voornaamste eilanden: Batjan (Seki). 
Kasiroeta, Latalata en Mandioli. Opp.: 3 321 km 2 . 
De B.-a. is door Straat Patiëntie van Z. Halmahera 
gescheiden. 

Opbouw en reliëf: zeer bergachtig (Sibéla 
2 199 m) en rijk beboscht; in het Z. van vulkanische 
formatie. 


Klimaat: tropisch. In den O. moesson staat 
veelal Z. tot Z.O. wind; in den W. moesson Noorden- 
wind. Gemiddelde jaarlijksche regenval 2 293 mm. 

Flora: Vele houtsoorten, damar- en copal- 

boomen (Dipterocarpaceeën en Agathis Alba), wilde 
muskaatnoot en kruidnagel, verder sago, kokos, enz. 

Fauna: herten, wilde zwijnen, apen (de eenigste 
in de Molukken), papegaaien, parkieten en enkele 
paradijsvogels. 

Bevolking: ca. 10 000 inw., waarvan slechts 
ca. 1 300 eigenlijke Batjanners, die van Alfoerschen 
oorsprong zijn; voor de rest immigranten van Ternate 
en Tidore; allen Mohammedaan; alléén te Laboeha 
en Tomori zijn ± G50 Protestanten. 

Bestaansbronnen: de bevolking leeft 

van jacht, visscherij en tuinbouw. Zij verzamelt bosch- 
producten als damar, copal enz. 2 700 ha land zijn 
ontgonnen door de Batjan Archipel Mij. en de firma 
Diepenheim (kokos, koffie en rubber). Er worden ook 
aardolie, steenkool en edele metalen gevonden (nog 
niet in exploitatie). In 1931 had de uitvoer een waaide 
van 107 575 gld. 

Geschiedenis: 1520 onder Simon Oorrea 

kwamen de eerste Portugeezen in den Batjan-archipel. 
Er werd te Laboeha een fort gebouwd (later door de 
Spanjaarden bezet), dat in 1609 door Simon Janzs. 
Hoen werd veroverd. Het kreeg den naam Barneveld. 
De Paters Jezuïeten Alvarez, Vaz Nunez, 
Koenraads e.a. brachten er het Christendom. Pater 
Nunez bekeerde in 1649 den sultan van Batjan. Na 
de uitdrijving der Portugeezen verdween ook stilaan 
het Katholieke geloof. Het zelfbestuur bleef zich tot 
op heden handhaven. 8 Juni 1910 legde de sultan de 
..korte verklaring” af, waardoor aan het gouvernement 
meer de vrije hand wordt gelaten, wat vooral noodig 
was na de oprichting der Batjan Mij. In 1914 werd de 
geheele bevolking ontwapend. 

L i t. : Mededeelingen van het Encyclopaedisch bu- 
reau, aflevering I Batjan (Weltevreden 1922); W. H. 
Coolhaas, Bijdragen tot de taal-, land- en volkenkunde 
van Ncd. Indië (LXXX1I 1926, 403-485); B. J. J. 
Visser M.S.C., Onder Portugeesch-Spaansche Vlag, De 
Kath. Missie van Indonesië 1511-1605 (1926); C. Wes- 
sels S.J., de Kath. Missie in het sultanaat Batjan (Mo- 
lukken) 1557-1609, in Historisch Tijdschrift (VI II 1929, 
nr. 2 en 3). Cappers . 

Batka, R i c h a r d, muziekcriticus; * 14 JJec. 
1808 te Praag, f 24 April 1922 te Weonen; gaf ver- 
schillende tijdschriften op muziekgebied uit (o.a. de 
Neue musikalische Rundschau, Der Merker), waarin 
feuilletons verschenen. Schreef verschillende biogra- 
phieën, een Geschichte der Musik in Böhmen (I 190G) 
en andere publicaties. 

Batmen, gem. in Ovcrijsel; opp. 2 771 ha; ca. 
1 800 inw., bijna allen Ned. Herv ; grooten deels 
landbouwende bevolking. B. ligt tusschen Schip- 
beek en Dorthcrbeek, op een afstand van ± 10 km 
ten O. van Deventer; aan de spoorlijn Deventer — 
Almeloo. 

De Ned. Herv. Kerk is de vroegere Lieve Vrouwe- 
kerk uit het einde der 13e eeuw met vierkanten toren 
in vier geledingen. Herbouw had plaats in de 15e 
eeuw. Bij de vergroot ing van het gebouw in 1870 
kwamen muurschilderingen aan den 
«lag, voorstellende den dood der tienduizend marte- 
laren, profeten met spreukbanden, waarop de tien 
geboden en een Christushoofd. Deze fresco’s zijn later 
gedoeltelijk weer overgewit. 

Bato, de mythische stamvader der > Bataven. 


133 


Bato de Dalmatiër — Baton 


134 


Bato de Dalmatiër verwekte in 6 n. Chr. in zijn 
geboorteland opstand tegen de Romeinen. Dit vorid 
navolging in Pannon ië. Messalinus overwon B., die 
zich met de Pannoniërs vereenigde. In 8 nam B. zijn 
naamgenoot B..den leider der Pannoniërs, verraderlijk 
gevangen en liet hem dooden. In 9 onderwierp B. zich 
aan Tiberius tijdens de belegering van Andetrium: 
hij werd geïnterneerd in Ravenna. Davids. 

Cal o de Pannonici* verwekte onder de Breuci. 
een Pannon ische stam, in 6 na Chr. een opstand tegen 
de Romeinen, in navolging van de Dalmatiërs. > 
Bato de Dalmatiër. 

Ca toe, bijgenaamd de Goede, was een neef van 
den Mongolen -khan Oktaï of Ogotaï. Hij kreeg in 
1237 van den laatsten het bevel, alles tot aan den Donau 
te veroveren. Om B. tot daden aan te zetten, 
kreeg deze den onversaagden krijger Soeboetaï als 
leider naast zich. Tevens zou deze den gcneralen staf 
adviseeren. Geen wonder, dat we in ^veroveraars zoo 
wild geleid zijn, als de onbeduidende B. Onophoudelijk 
werd hem dcor Soeboetaï de les gelezen; zijn jeugdige 
neven bespotten hem, vooral Goejoek, een dronkaard, 
en Boere, een houwdegen. Die onversaagde krijgers 
waren de oorzaak, dat B. een veroveraar werd. on- 
danks zich zelf. Achtereenvolgens overwon hij in 
vreeselijke slagen de Russen aan de rivier de Sit (ten 
N. van Moskou) in 1238, de Polen bij Chmielmik in 
1240, de Hongaren op de heide van Mohi aan de rivier 
Sajo in 1241. Hiermede w'as heel Groot-Rusland door 
de Mongolen veroverd. Daarna trokken ze naar Zuid- 
Rusland, alwaar in hetzelfde jaar, dat de Polen ver- 
slagen wxrden, na een buitengewone heftige verdedi- 
ging Kiew werd veroverd. Vorst Dimitri lieten zij 
in leven. Toen trok B. met een der vier afdeelingen. 
waarin hij zijn leger had gesplitst, naar Hongarije 
en nadat hier slag geleverd was, werd dit land door 
de wilde horde op een ontzettende wijze vernield; bij 
duizenden werden de inwoners gedood. Men zegt, dat 
er bij Mohi slechts 15 Hongaren ontkwamen. Daarna 
drongen de legerscharen van B. zelfs door tot in 
Illyrië en Dalmatië. Bela IV, de koning der Hon- 
garen, kwam als een vluchteling bij Frederik van 
Oostenrijk aan en verzocht keizer Frederik 11 om hulp. 
Ongetwijfeld was het diens taak geweest, de Christe- 
lijke cultuur uit het dreigende gevaar te redden; de 
paus had hem daarin kunnen steunen. Doch zelfs in 
dezen noodtoestand werd de hangende strijd tusschen 
paus en keizer geen moment bijgelegd; de keizer hielp 
dus niet. Hertog Hendrik de Vrome van Neder- 
Silezië nam zijn taak over. Deze held viel met de 
kern zijner Christelijke legermacht bij Liegnitz (!) 
April 1241) onder de slagen der heidensche horden. 
Hun heldenmoed had echter op B. en de zijnen een 
grooten indruk gemaakt, welke nog werd versterkt, 
doordat de aanvallen der Mongolen op Bohemen en 
Mahren werden afgeslagen. Zij keerden nu naar 
Kroatië terug. Deze veroveringstochten waren door 
B. slechts ondernomen, omdat zijn dienaar Soeboetaï, 
de eigenlijke overwinnaar, het zoo wilde. Intusschen 
had B. de tijding ontvangen, dat Oktaï gestorven was. 
Hij besloot door Servië en Bulgarije temg te trekken. 
Hoewel er veel door de Mongolen is vernield, was door 
dit laatste besluit de Westersche cultuur gered. B. 
hield het Zuidelijk deel van Rusland voor zich en 
stichtte daar een onafhankelijk rijk, bekend onder 
den naam van het R ij k der Gouden Horde 
(< gouden ordoe = koningstent); ook wel naar de 
landstreek Kiptsjak of Kaptsjak geheeten, met de 


hoofdstad Sarai aan de Wolga. Het strekte zich Noord- 
waarts tot Nowgorod uit, zóó dat de vorstendommen 
der Ruriks onder opperhoogheid van B. bestaan ble- 
ven. Sterfjaar van B. is onbekend; zijn dynastie bleef 
twee eeuwen heerschen, tot ze bezweek voor de Russen. 
Zie kaart bij > Mongoolsche Ri k°n. 

Bronnen: Ssanang Setzène, Histoire des Mongols, 
publiée et traduite par Schmidt (Petersburg 1829 ; nouv. 
éd. par E. Hoenisch, Berlijn 1904). Gewaarschuwd moet 
worden tegen het gebruik van het Königinhofer hand- 
schrift, een vervalsching uit de 19e eeuw en het boek 
van Palacky, Der Mongolcneinlall 1242, waarin dit 
handschrift is benut. — L i t. : J. Curtin, The Mongols 
(1908) ; E. H. Parker, A Thousand Ycars of the Tartars 
( 2 1924). Uitgebreide bronnen- en literatuuropgave in: 
Dr. J. Loserth, Gcschichte des spateren Mittelalters 
1197-1492. Slootmans. 

Ba toe- Angoes, vulkaan in de Minahasa, ge- 
legen aan straat Lembeh. De Batoe Angoes, die een 
breeden platten top bezit, is met de Goenoeng Batoe 
angoes ba roe een onderdeel van de vulkaangroep der 
Goenoeng Tonkoko. 

Batoc-cilanclen, een groep van 3 groote en 48 
kleine eilanden ten W. van Sumatra tusschen Nias 
en de Mentawai-eil; de drie hoofdeilanden zijn Pini, 
Tanahmasa en Tanahbala; veel klapperaanplantingen; 
belmoren tot de res. Tapanoeli. 

Batoek, actieve vulkaan op Midden- Java. 

Batoclapa, > Masenrenpoeloe. 

Batoem, haven aan de Zwarte Zee; hoofdstad der 
autonome Sovjet-republiek Adsjaristan (Trans-Kau- 
kasië); G5 000 inw.; belangrijke petroleumhaven; 
sedert 1878 Russisch. 

Batoer, 1° uitgedoofde vulkaan in 
de residentie Bantam op Java, met een hoogte 
van ± 680 m. De Batoer vormt samen met den Gedeh 
het N.W. voorgebergte van Java. 

2° V u 1 k a a n op B a 1 i, gelegen in het O. deel 
van het vulkanische gebergte, dat Bali van Oost naar 
West doorloopt. Door de hoogvlakte van Tjatar is de 
Batoer met het centrale gebergte verbonden. Het Ba- 
toercomplex bestaat uit een 2 250 m hooge ringwal 
van trachiet, die een vlakte (gemiddeld 1 000 m boven 
zeeniveau) omsluit. In het midden dezer vlakte ver- 
heft zich de eigenlijke vulkaan, de G. Batoer, die nog 
in het actieve stadium verkeert. De G. Batoer bezit 
twee topkraters en eenige nevenkraters. Op de O. 
helling bevindt zich een heilig meer; op de Z. hcliing 
ligt de kampong Batoer met een bij de Baliërs in 
hoog aanzien staanden tempel. Hof steenge. 

Batoe-Hadja, stad in de res. Palembang, eenige 
tientallen meters boven zeeniveau, aan de samen- 
vloeiing van de Oganrivier en de Aek Langkajab. 

Ba tor -Ta ra of K o m a b a, een vulkaan, 
gelegen in de Banda -zee. 

Baton, 1° in de Grieksche myth. schild- 
knaap van Amphiaraus, met wien hij in den slag 
der zeven helden tegen Thebe door de aarde werd 
verzwolgen. 

2° Oud-Grieksch dichter der Nieuwe Comedie 
uit de eerste helft der 3e eeuw v. Chr.; in de schaar- 
sche fragmenten valt hij de pseudo-philosophen aan, 
maar prijst Epicurus. 

Baton van Sinope, Grieksch rhetor en histo- 
ricus uit de tweede helft der 3e eeuw v. Chr. (?), wiens 
hoofdwerk handelde over Perzië. Weinig fragmenten 
zijn bewaard. 

Baton, 1° Henri, virtuoos als doedelzak- 
speler; * 1710 te Parijs, f 1758 aldaar; zijn broer 


135 


Batoni — Battel 


136 


Charles B. was meester op de vielle of draailier. 
De laatste heeft werken geschreven voor twee vielles: 
Suite, op. 1 (1733); La Vielle amusante, op. 2; Amu- 
sements d’une heure, op. 4. Hij publiceerde tevens 
„Mémoire sur la vielle en D la ré” in de Mercure de 
France (1757) en heeft deelgenomen aan den strijd der 
buffonisten met een werk, getiteld: Examen de la 
lettre de M. Rousseau sur la musique fran^aise (1753— 
2754 ). Piscaer. 

2° Rhené, > Rhené-Baton. 

Batoni , Pompeo Girolamo, Ital. schil- 
der uit de 18e eeuw. * 1708 te Lucca, f 178 < te Rome. 
Na in zijn jeugd bij zijn vader de goudsmeedkunst 
beoefend te hebben, ging hij zich door toedoen van 
zijn voogd Alessandro Giunigi en der schilders Brugeri 
en Lombard i op de schilderkunst toeleggen. In Rome 
(1728) bestudeerde hij de antieke sculptuur en de 
fresco’s van Raffaël in het Vaticaan. Om in het onder- 
houd van zijn familie te voorzien, begon hij met het 
schilderen van waaiers en het maken van miniatuur- 
portretten, totdat door altaarstukken voor de kerken 
van den H. Gregorius en van den H. Celsus de aan- 
dacht op hem viel. Sindsdien was hij na Raphaël Mengs 
de meest gevierde schilder van Rome. Met hem is hij 
er de vertegenwoordiger van het neo-Klassicisme 
(„Mengs is de schilder der philosophie, B. die der 
natuur”, Onofrio Boni). Van hem ging invloed uit 
op de Fransche school van het eind der 18e en het begin 
der 19e eeuw. 

Voorn, werken: Magdalena (1740; Dresden, 

Gallerie) ; De Kunsten (1740 ; Frankfort) ; Bruiloft van 
Psyche (Berlijn) ; Val van Simon den Toovenaar (Rome, 
St. Maria der Engelen); Portretten. — Lit.: Bom, 
Elogio di P. G. B. (1787). Knipring. 

Baton Bomie, hoofdstad van den N.Amer. 
staat Louisiana, 30° 30' N., 91° 15' W. In 1930: 30727 
inw. (21 782 in 1920). Ligt aan den Mississippi, die 
tot hier voor zeeschepen bevaarbaar is, en werd wegens 
het overstroomingsgevaar op den hoogen linkeroever 
(bluffs) der rivier gebouwd. B.R. is een kruispunt 
van spoorwegen, bezit een luchthaven en een goed 
geoutilleerde rivierhaven. Haar industrie verwerkt de 
producten, die in haar omgeving gewonnen worden 
(vooral suiker, rijst en hout), en produceert schei- 
kundige meststoffen. Belangrijke petroleumraffinaderij 
van de Standard Oil. De aardolie wordt door bus- 
leidingen uit Oklahoma aangevoerd, en per tank- 
wagens of -schepen uit Mexico, Texas en Galifomië. 
In 1929 werden door de haven 397 000 ton (906 kg) 
goederen geïmporteerd en 1 452 000 (vooral suiker en 
katoen) uitgevoerd; bovendien werden 69 000 ton 
door de kustscheepvaart aangebracht en 2 379 000 
verzonden. B.R. is een der oudste nederzettingen 
van de Franschen in Louisiana en bezit nog vele oude 
gebouwen, meestal in Spaanschen stijl opgetrokken. 
B.R. is de zetel van de Louisiana State University, 
die in 1930- ’31 door 2 452 studenten werd bezocht. 

Polsvod. 


Batraehii, > Kikvorschen. 

Batraeliomyomachia (Gr., = kikvorschen- en 
muizenoorlog), Grieksch komisch heldengedicht, niet 
gaaf overgeïeverd, als parodie bedoeld op de Ilias, 
niet van Homerus, waarsch. geschreven in de 5e eeuw 
v. Chr. De oorlogvoerders zijn kikkers en muizen. 
Bilderdijk heeft het in het Nederlardsch bewerkt. 

Voorn, ui tg.: A. Ludwich (Leipzig 1896). 

V. Pottelbergh. 

Batrachospermuiii , > Kikkerdrilwier. 


Batroen, > Botrijs. 

Batschia, ■> Humboldtia. 

Batshecrs, Belg. gem. in de prov. Limburg, ten 
Z.W. van Tongeren; ruim 150 inw.; opp. 227 ha. 
Vruchtbare leemgrond. Kerk uit de 18e eeuw. 

Batsjjioko. De meest verscheidene schrijfwijzen 
vindt men voor dezen Afrikaanschen volksstam: Bad- 
jok, Kioko, Chibokwe, enz. Zij wonen gedeeltelijk in 
Portugeesch, gedeeltelijk in Belgisch Kongo. In Bel- 
gisch Kongo treft men drie groepen aan: ëen belang- 
rijke groep op den linkeroever van Opper-Kasai, 
tusschen 6° en 9° Z.; een tweede groep in de nabijheid 
van Dilolo; een derde groep, minder belangrijk, te 
midden der Basjilele. -> Kongo (Ethnographie). 

De Jonghe. 

Batsjjka (Servisch: B a c k a, Hong.: B a c s k a), 
landstreek in het N. van Zuid-Slavië tusschen Donau 
en Theiss, zeer vruchtbaar door löss en zwarte aarde. 
Veel landbouw (tarwe, maïs, wijn) en veeteelt. De 
bevolking (± 80 per km 2 ) bestaat uit Serven, Magyaren 
en Duitschers, is overheerschend Kath., met daar- 
naast veel Gr. -Kath. en wat Protestanten. Steden: 
Novi Sad (Neusatz 39 000 inw.), Subotitsa (Maria- 
Theresiopel 104 000 inw.), Zombor (31 000 inw.), 
Zenta (30 000 inw.). 

Geschiedenis: in 1699 kwam B. aan den 
keizer, was toen bijna onbewoond en werd in de 
17e eeuw ontgonnen door bovengenoemde volken. 
B. kwam in 1920 aan Zuid-Slavië. Hoek. 

Batsman, in het cricketspel de speler, die het 
slaghout hanteert. 

Batta, 1° Alexandre, zoon van Pierre B., 
cellist, * 1816 te Maastricht, f 1902 te Versailles. 
Het eerste onderricht genoot hij van zijn vader , daarna 
studeerde hij bij Platei aan het conservatorium te 
Brussel. In 1834 behaalde hij den eersten prijs als 
cellist (tegelijk met Demunck), ging naar het buiten- 
land en verbleef hoofdzakelijk in Parijs, waar hij als 
virtuoos zéér gevierd was. Hij heeft romances voor 
cello uitgegeven, fantasieën, variaties, enz. Piscaer. 

2° Pierre. violoncelleeraar aan het conserva- 
torium te Brussel; * 1795 te Maastricht, f 1876 te 
Brussel. 

Battagio, G i o v a n n i, ook Battacchio, 
Ital. bouwmeester en terra-cotta -werker, werkzaam 
in Lodi, einde 15e eeuw. Bouwstijl verwant met Bra- 
mante ’s Sacristie van S. Satiro te Milaan. Als terra- 
cottawerker is hij realistisch, doch van minder belang. 

Voorn, werken: gevel van Palazzo Landi te 
Piaccnza (1484); kerk der Incoronata te Lodi; ver- 
sieringen in de S. Marcellino te Milaan. — Lit.: Mala 
guzzi-Valeri, L’arte alla corte di Lodovico il Moro (II 
1915, 235 vlg.) ; Venturi, Storia dell arte italiana (VIII 
2, 1927, vlg. Index). 

Battaglia, plaats in Italië met keukenzout- 
houdende bronnen, radio-actieve modderbaden. Behan- 
deling van rheuma en jicht. 

Battarlsme ( ( Gr. battarizein == stamelen), 
haastig spreken, waarbij de spreker soms geheele 
lettergrepen weglaat, spraakklanken met elkaar 
verwisselt en soms plotseling ophoudt, om adem te 
halen. > Broddelen. 

Battel, Wouter van, glasschilder van 
Mechelen; kwam met „ghesellen” te Lier zijn spel 
van St. Gommeer opvoeren in 1446; medestichter 
in 1471 van de rederijkerskamer de Peoene, te Mechelen. 

Lit.: G. J. J. Van Molckebeke, Gesch. Aenteek.. 
rakende de St. Jansgilde, bijgenaamd de Peoene (1862 

13) 


137 


Battement — Battlc Crcck 


138 


Battement (Fr. ; muziekterm), een 
versiering, waarvoor geen afzonderlijk teeken bestaat, 
maar die in noten wordt uitgeschreven. Er wordt 
onder verstaan een triller met de onder -secun de; 
de bij trillers gebruikelijke naslag wordt eveneens door 
sommigen b. genoemd. 

Batten (cricket), het slaan met een slaghout 
(bat) naar een geworpen bal, met het oogmerk runs 
(loopen) te maken. 

Battenoord, > Nieuwetonge (Z. H. gem.). 

Batterij (in N e d.), 1° bij de landmacht, 
legeronderdeel, bestaande uit één tot zes kanonnen van 
hetzelfde kaliber, tezamen opgesteld voor de beschie- 
ting van één doel. -> Legerorganisatie. Twee a drie 
batterijen vormen een afdeeling. B. noemt men ook 
de tijdelijke of permanente beschermende inrichting, 
die rondom de kanonnen is opgesteld, bijv. kust- 
batterij, pantserbatterij. Nijhoff. 

2 ° B. aan boord beteekent óf alle aanwezige 
vuurmonden, dan wel de aanwezige vuurmonden van 
een bepaald kaliber. De meest gebruikelijke ver- 
dceling is die in zware batterij, middelbare en lichte 
batterij. De grens tusschen de eerste twee ligt ongeveer 
bij 20 cm inwendigen diameter, die tusschen de laatste 
twee ongeveer bij 10 cm. Ook spreekt men van anti- 
torpedo -batterij en anti-luchtbatterij, waarmede dan 
het doel, waarvoor de batterij dient, wordt aange- 
geven. Meestal is de anti-luchtbatterij ook als anti- 
torpedobatterij te gebruiken. Is de b. in groepen onder- 
verdeeld, dan spreekt men van b.-divisiën. Cikot, 

In België is b. een artillerie -eenheid, bestaande 
uit twee secties elk van twee kanonnen van hetzelfde 
kaliber onder een kapitein. Drie b. vormen een groep. 
Alleen de infanterie-batterij van mortieren 7 cm 6 
bestaat uit 3 peletons van 4 stuks. 

Militaire tactiek: in batterij wil zeggen: 

ter beschieting van een doel opgestelde automatische 
vuurwapens en vuurmonden. ** V. Coppenolle. 

Batter ijk ijker, prismakijker op drievoet, 
bestemd voor de waarneming der artillerie; kan 
tevens dienen om een batterij in de richting te brengen. 

Bnttcux, abbé Charles, Fransch letter- 
kundige en aestheticus, de toonaangevende en vol- 
ledigste theoreticus der neo -Klassiek in West-Europa. 

* 6 Mei 1713 te Alland’hui bij Reims, f 14 Juli 1780 
te Parijs; werd in 1761 in de Académie Fran^aise 
opgenomen. 

Het werk, waarmede B. — die ook de geschiedenis der 
wijsbegeerte beoefende — voortleeft in de aesthetica 
en de letterkundige critiek, heet: Cours de 

belles lettres (1747). Het eerste tractaat 
hiervan. Traité des beaux arts réduits a un même prin- 
cipe (1746), had tot doel, geheel in 18e eeuwsch ver- 
lichten geest, de theorie der fraaie kunsten, met haar 
tallooze „regels”, terug te voeren op één grondbeginsel: 
nl. den Aristoteliaanschen regel der M im es is 
of „nabootsing van de schoone natuur”. Alle 
kunsten moeten nl. zich beijveren een excerpt van de 
fraaiste natuur te geven, een soort anthologie van alle 
natuurvoortreffelijkheden, tot een geheel herschapen, 
dat mooier zou zijn dan de natuur, zonder nochtans 
op te houden natuurlijk te zijn. De strijd tegen B.’s 
opvattingen beteekende in de Germaansche litera- 
turen tevens bevrijding uit den knel van de Fransche 
pseudo-Klassiek (J. E. Schlegel en Klopstock in 
Duitschland, van Alphen bij ons). 

L i t. : M. Schenk, Ch. B. und seine Nachahmungs- 
theorie in Deutschland (Leipzig 1909). Baur. 


Batthyany, Hongaarsch magnatengeslacht, 
sedert 1630 in den gravenstand, terwijl de jongere lijn 
Batthyany-Strattmann in 1764 in den rijksvorsten- 
stand werd verheven. Het bekendst zijn: 

1 ° Karei L o d e w i j k die als veldheer optrad, 
in den Oostenrijkschen Successie-oorlog (f 1772). 
Het geslacht B. speelde een rol in den Hongaarschen 
opstand 1848 — ’49 en bestaat thans nog. v. Gorkom . 

2 ° K a s i m i r, graaf van B., Hongaarsch 
liberaalgezind politicus. * 4 Juni 1807, f 13 Juli 1854 
te Parijs. Nam deel aan den opstand van 1848 en ver- 
sloeg tweemaal de Oostenrijksche troepen. Toen 
Kossuth Hongarije voor onafhankelijk verklaarde, 
benoemde hij B. tot minister van Buitenlandsche 
Zaken, doch beiden moesten na de catastrophe bij 
Villagos (1849) naar Turkije op de vlucht gaan. B. werd 
te Sjoemla opgesloten, doch kon later naar Frankrijk 
ontkomen; hij overleed te Parijs aan de cholera. 

L i t. : L. Tóth, Gr. B. K&smer és emlékivatai 

in Budapesti Szemle (1893); F. Eckhart, Introduction 
a 1’histoirc hongroise (Parijs 1928 ; ook in het Italiaansch, 
Milaan 1929). Lousse. 

3° L o d e w ij k (Lajos), graaf van B., 
Hongaarsch liberaalgezind politicus. * 9 April 1809 
te Pressburg (thans Bratislava), f 6 Oct. 1849 te 
Pest. In 1848 eerste minister zonder portefeuille in 
het eerste Hong. ministerie, doch weldra door de 
radicale partij van Kossuth overvleugeld, daar hij 
aan de unie van zijn land met Oostenrijk bleef vast- 
houden. In 1849 trachtte hij bemiddelend op te treden 
tusschen de overwiimende Oostenrijkers en de revolu- 
tionnaire regeering van Hongarije. Toen deze naar 
Debredczin week, bleef hij te Pest, werd 8 Jan. 1849 
door Windischgratz gevangengenomen, en weldra 
terechtgesteld. 

L i t. : > B., Kasimir; M. Horv&th, Graf Ludwig B., 
ein politiseher Martyrer (Hamburg 1850) ; E. Friedrich, 
Gr. B. L. utolsó nap j ai (De laatste dagen van graaf B. L.), 
in Szazadok (1927). Lousse. 

Bid tt iaden, de afstammelingen van > Battus 
van Thera. 

Batticc, Belg. gem. in de prov. Luik, ten N.O. 
van Herve; ruim 3 100 inw.; opp. 2 005 ha. Heuvel- 
achtige landbouwgrond; veeteelt, boter en kaas; 
steenkool. Kasteelen: Biomont, Crèvecoeur, Rosmei. 
Vroeger belangrijke rechtbank. B.werd in 1914 verwoest. 

Batting, > Badding. 

Battlsta Spagnuoli , > Baptista Mantuanus. 

Battkc, muziektheoreticus; * 1863 te Schiffusz 
(Oost-Pruisen), f 1916 te Berlijn. Studeerde o.a. aan 
de Kgl. Hoehschule te Berlijn. Bekend leeraar en 
dirigent. Stichtte in 1900 een Seminar für Musik. 
Schreef meerdere werken over theorie en aesthetiek, 
o.a.: Elementarlehre der Musik (1898), Tonsprache 
und Muttersprache (1908), en verzamelde vele liederen 
ten gebruike van het volksonderricht. H. Andriessen. 

Baltic, abdij, niet ver van de Engelsche Zuidkust 
gelegen, bij Hastings; opgericht ter plaatse van en ter 
herinnering aan den inval der Normandiërs onder 
Willem den Veroveraar, die aldaar 14 Oct. 1066 de 
Angelsaksen in een bloedigen strijd versloeg. 

Battlc Crcck, spoorwegknooppunt in den 
N. Amer. staat Michigan, aan de muLding van de 
Battle Creek in de Kalamazoo, 42° 20' N., 85° 13' W.; 
vlieghaven. In 1930: 43 573 inw. Handelscentrum van 
een rijk landbouwgebied. Ijzergieterij, productie 
van machines en voedingsmiddelen. Internationaal 
bekend sanatorium. 


139 


Battus van Thera — Baudelaire 


140 


Battus van Thera, historisch-legendarische 
stichter van Cyrene (ca. G30 v. Chr.). B. raadpleegt 
de Pythia om genezing te bekomen van een spraak- 
gebrek; de profetes zendt hem naar Libië, waar hij 
Cyrene sticht en waar hij geneest. Bij de markt aldaar 
werd het graf van den held getoond. 

Battuta (1 tal. ; muziekterm), maatslag. 
De term a battuta geeft aan, dat de vrije voordracht 
geëindigd is cn de strenge maatorde weer vereischt 
woidt. De aanduiding ritmo di trc of di quatro battute 
beteekent, dat de opeenvolgende 3 of 4 maten als 
rhythmische eenheid moeten worden beschouwd. 
Vgl. Beethoven, Scherzo der 9e symphonie. 

Batua, een gouw, tegenwoordig de Betuwe. 

Batwa, naam, gegeven aan talrijke dwergstammen 
of pseudo-dwergstammen, die temidden van Kongo- 
leesche volksstammen wonen. Het zijn gewoonlijk 
rondzwervende stammen, die leven van jacht en roof. 
Zij kennen geen hakbouw. Hun wapens zijn boog en 
pijl. Uiterst primitief op economisch gebied, hebben 
zij familiale inrichtingen en godsdienstige begrippen, 
die gelijk staan met die van meer ontwikkelde volks- 
stammen. > Kongo (Ethnc graphie). 

L i t. : Schebesta, Bambute. Die Zwerge vom Kongo 
(Leipzig 1932). De Jonghe. 

Baty, Gaston, acteur cn regisseur, *1885 
te Pelussin. B. is een der pioniers van de moderne 
tooneel inrichting en wijze van opvoeren. Als geloovig 
Katholiek zoekt hij op het tooneel een religieuze 
synthese van alle kunsten te bereiken. Volgens hem 
is het dan ook bij een tooneel opvoering niet de schrij- 
ver, doch in de eerste plaats de regisseur, die scheppend 
werk verricht. B. begon te Parijs in samenwerking 
met Firmin Gèmier en stichtte in 1922 het theater 
Chimère. In 1924 en 1925 was hij directeur van de 
Studio des Champs Elysées, in 1928 van het Thèatre 
de l’Avenue, in 1930 van het nieuwe Th^atre Pigalle. 
Van zijn hand verschenen tal van bijdragen in de 
tijdschriften „Bulletin de la Chimère” en „Masques”, 
terwijl zijn in 1927 verschenen boek ,,Le masqué et 
1’encensoir” veel bekendheid verkreeg, v. Thienen. 

Batyclcs van Magnesia aan de Maeander, typische 
vertegenwoordiger van de Archaïsche reliëfkunst in 
Griekenland; vervaardigde ca. 550 v. Chr. den trotn 
voor het bronzen beeld van Apollo te Amyclae (bij 
Sparta), waarbij de in reliëf aangebrachte voor- 
stellingen eenvoudig naast elkander geplaatst zijn 
zonder verder innerlijken samenhang. W. Vermeulen. 

Balypnoc, het dieper worden der adembeweging 
bij bewuste ademhaling, bijv. bij het spreken. 

Baubrrger, W i 1 h e 1 m, Duitsch schrijver van 
onderhoudende Katholieke volks- en jeugdromans. 

* 3 Mrt. 1809 te Tannhausen, f 8 Febr. 1883 aldaar. 

Hoofdwerk: Die Beatushöhle (De Beatuskluis, 

ook in het Ned. vertaald, 1839). — U i t g. : Samtliche 
Schriften (1843-’64). 

Bands, > Philemon. 

Baud, Jean Chrétien, gouverneur-gene- 
raal van Ned. -Indië, later minister van Koloniën; 

* 1789. B. kwam omstreeks 1811 naar Java en was 
daar getuige van de hervormingen, die Raffles en de 
commissarissen -generaal in het bestuur van Indië 
aanbrachten. Na in Indië van 1819 tot 1821 algemeen 
secretaris gew’eest te zijn, keerde hij in 1821 naar 
Nederland terug, waar hij het initiatief nam tot 
oprichting van de Ned. Handelmaatschappij, die hij 
als secretaris een tijd lang diende. In 1825 werd hij 
directeur voor de zaken der Oost-lndische bezittingen 


en hielp als zoodanig het cultuurstelsel mede invoeren. 
In 1833 vertrok hij met een speciale opdracht naar 
Indië, verving er eerst v. d. Bosch als gouverneur- 
generaal ad interim om vervolgens tot 1836 gewoon 
gouverneur-generaal te zijn. In Nederland terugge- 
keerd, werd hij in 1838 lid van den Raad van State. 
In 1840 werd hij minister van Koloniën, welke post 
hij tot 1848 vervulde. Hij deed zich daarbij kennen 
als voorstander van de volstrekte heerschappij van 
het moederland, waarbij echter scherp gewaakt zou 
moeten worden tegen machtsmisbruik. Het w T as een 
speling van het lot, dat juist in do bewindsjaren 
van B., die ondanks zijn utopistische opvatting van ko- 
loniale staatkunde een bekwaam bestuursman was, de 
geestelijke basis voor de latere „ethische” opvatting ge- 
legd werd ; hijzelf werkte haar bovendien in de hand door 
mede-oprichter te zijn van 't Koninklijk Instituut voor 
de taal-, land- en volkenkunde van Ned. -Indië (1851). 
Van 1850 tot 1858 was B. lid van de Tweede Kamer, 
waar uiteraard vooral Indië zijn aandacht had. Berg . 

Baudnrtius, Willem, fel Contra-Remon- 
strantsch predikant, * 1565 te Deinse (VI.), f 1640 
te Zutphen; een der vertalers van den Statenbijbel. 
Zijn gevoelens blijken uit de: Memorijen ofte cort 
verhad der gedenckweerdichste so kereklieke als 
w'crltlicke gheschiedenissen (2dln. Arnhem 1624 — ’25). 
Dit onbeholpen verzamelwerk van allerlei documenten, 
zonder eenigen stijl, heeft als bronnenverzameling 
voor de geschiedenis van het Bestand beteekenis. 

Baiicle, 1° H e n r i, Fransch schrijver van de 
school der Rhetoriqueurs, * ca. 1430 te 
Moulins, f ca. 1496 te Parijs. Voor een verloren gegane 
-> moraliteit, waarin hij de omgeving van den koning 
hekelde, werd hij (1486) eenige maanden gevangen 
gezet. De bewaarde werken zijn Lamentacions, Tes- 
taments en Lectres in den stijl van Villonen de Basoche, 
vol scherpe satire tegen geestelijkheid, gerecht en 
hovelingen; een bepaald gedeelte ervan is grof obsceen. 

Ui tg.: J. Quicherat (Parijs 1856); M. Schwob, 
Parnasse satyrique du 15e siècle (3 dln. Parijs). — L i t. : 
II. Guy, Histoire de la poésie fran^aise au 16e siècle 
(Parijs 1910, 21 vlg.). Baur . 

2° Jan Baptist, Vlaamsch dichter en 
tooneelschrijver uit de 18e eeuw, ijverig lid van de 
Brugsche Kamer De Dry Sanctinncn. 

Baudelaire, Charles, Fransch dichter van 
de school der >Parnassiens, hoewel reeds 
af ge weken van en- 
kele hoofdkenmer- 
ken dezer richting. 

* 9 April 1821 te 
Parijs, f 31 Aug. 

1867 aldaar, ver- 
lamd en aphasiek 
ten gevolge van 
een vroeg opgedane 
geslachtsziekte en 
van een leven van 
stelselmatige alco- 
hol-, opium- en 

hasjisjverdooving 
(Paradis artificiels, 

1860) cn van „ele- 
ganfe"liederlijkheid, 
ondor meer met een 
Mulattin, zijn „Vé- 
nus noire”, Jeanne Duval (Infame a qui je suis 
lié, comme le for^at a la chaine). 



141 


Baudewijn — Baudin 


142 


Eenig kind van ouders uit den beteren stand, die 
al te ongelijk in leeftijd waren, wordt B. nog jong 
gewonnen voor liet > Dandyisme op zijn Beau 
BrommeFs, en werkt dezen „godsdienst van de held- 
haftige elegantie” uit — op den grondslag eener van 
zijn vader geërfde, uiterlijke voornaamheid — tot 
een > aesthetismc, dat de schoonhcidswaaiden voor 
de absoluut hoogste in de rangorde der levenswaarden 
verkondigt, en in een donker, pessimistisch getint 
epicurisme uitmondt. In zijn Salons (1845 vlg.). 
critiek der plastische kunsten, die met onbetwistbaar 
gezag de grootheid van Manet, Daumier, Delacroix 
e.a. vooruitzag, en in zijn schaarschere letterkundige 
critiek, gaat hij uit van het 1’art pour Fart-beginsel. 
Zijn politieke idealen schommelden tusschen het meest 
verregaand > Proudhonisme, voor hetwelk hij in 
1848 op de barricaden stond, en liet hoogmoedig 
aristocratisme van later: „Je mefous du genre liumain”. 

In de wereldletterkunde leeft B. voort met zijn 
eenigen verzenbundel, Les fleurs du mal 
(begonnen in 1841, verschenen in 1857, 2 1861), die 
om een aantal stukken (nl. Les Bijoux , Le Lóthé. 
A celle qui est trop ga ie, Leslos, Les métamorphoses 
du vampire) gerechtelijk vervolgd werd. Uitgegaan 
van de betwistbare stelling: „II faut peindre les vices 
tels qu’ils sont”, gaf B. in dezen naar versvorm en 
taalharmonie heerlijken bundel een poëzie van 
morbiede zinnelijkheid en als aangekweekte perversi- 
teit (bijv.: Le vin de Fassasin, Une charogne, Delphi ne 
et Ilippolytc, Le serpent qui danse, Femmcs damnées), 
maar tevens een poëzie van stnurlooze wanhoop in 
het genot, hopelooze ontreddering, hunkerend doods- 
verlangen, schaamteloos satanisme, zuivere ideali- 
soering der vrouw en snikkende Godsaanbidding 
tegelijk (bijv. Spleen, Le gouffre, L'idéal du poète, 
Le possédé, Le reniement de S. Pierre, De profundis 
clamavi). Een aantal der on vergete lijkste gedichten 
(L 'albatros, Correspondances, Le mauvais moine, 
Le cygne, L’homme et la mer, Harmonie du soir, 
Les sept vieillards, Les petites vieilles, enz.) kondigen 
reeds den stijl en gevoelstoon van het > Symbolisme 
aan: een gevoelstoon, waarvan V. Hugo getuigde, 
dat hij een „frisson nouveau” in de lyriek bracht en 
die culmineert in den cultus van een kunstmatig- 
complexe, verdorven moderniteit — vaak in gezochte 
zonderlingheid ontaard („le beau est toujours bizarre 1”) 
— waarbij de geheime schanden van de oververfijndo 
stadscultuur verheerlijkt en tegelijk haar ondraaglijke 
slavernij aangeklaagd worden. Door deze innerlijke 
gespletenheid werd B. de meester van de decadente 
lyriek bij de Westcrsche kunstenaarsgeslachten na 1890: 
bijv. Veria inc, Huysmans, Rollinat, de Régnier, 
Verhaeren, de Noailles in Frankrijk; Van Langendonck 
en de generaties van 1905 in de Nederlanden; St. 
George, R. Dehmcl, R. v. Schaukal in Duitschland; 
Jakocbowitsj, Annensky in Rusland; Z. Przesmycki, 
St. Przybyszewski in Polen; Swinbume, Pater, 
O’Shaughnessy, O. Wilde in Engeland; J. Alcover 
in Spanje; d’Annunzio in Italië. 

Met zijn Petits poèmes en prose (1864) 
werd B. de wegwijzer naar het rhythmisch proza dat, 
na 1900, eenige toekomst in de Europeesche poëzie 
blijkt te hebben. Zijn vertalingen uit de Quincey en 
vooral de meesterlijke uit Edg. Poe (5 dln. 1856 vlg.) 
maakten West-Europa vertrouwd met de vreemde 
sidderingen des geestes van deze Angelsaksische 
fantasten. Daarbij behoorde B. tot de vroegste Wagner- 
propheten van Frankrijk. 


Reeds A. France zag B. als zijnde „moins le poète 
du vice que celui du péché”. Sindsdien hebben jonge 
Katholieken en Katholiccerenden (Le Goffic, de Rey- 
nold, Fr. Porché, St. Fumet e.a.) het waagstuk bedre- 
ven Les fleurs du mal voor Katholieke poëzie uit te 
ireven; maar de schrijnende tweeslachtigheid in een 
ziel, die haar zonde bemint en verafschuwt, is niet de 
specifiek Katholieke levenshouding, welke zich uit 
niet in smartelijke velloïteiten, maar in sterke wils- 
daden. De eigen geest van B. spreekt zich uit in macht- 
spreuken als: „Le plus parfait type de Beauté virile 
est Satan” en ,Siint Pierre a renié Jesus, il abien 
fait!” Zie verder Le R e b e 1 1 e e.a. stukken. 

Dit neemt trouwens niet weg. dat B. als Katholiek 
zijn leven besloot; noch ook dat zijn aanhoudend 
gestegen invloed de uitzonderlijke grootheid van zijn 
dichterschap bevestigt, en een heele poëtische stroo- 
nriing beheerscht: het B a u d e 1 a irisme. 

U i t g. : Oeuvres complètes, édition critique et dé- 
finitive (Parijs 1920 vlg.). — L i t. : Asselineau, B., sa 
vio, et son oeuvre (Parijs 1869) ; Ch. Cousin et Spoelberch 
de Lovenjoul, C. B. souvenirs, correspondanee, biblio- 
graphie (Parijs 1872) ; A. Holitscher, C. B. (Berlijn 1904) ; 
A. Cassagne, Versification et métrique de B. (Parijs 
1906) ; E. Crépet, B. (Parijs 1907) ; M. Turquet, Influence 
of B. in France and England (Londen 1913) : M. Franke, 
Das Artifizielle in der franz. Literatur (Leipzig 1913) ; 

O. Mauclair, C. B. (Parijs 1916); G. de Reynold, C. B. 
(Parijs 1920); F. Brie, Aesthctische Weltanschauung 
(Freiburg 1921); E. Raynaud, C. B. (Parijs 1922); 

P. Flottc, B., 1’homme et le poète (Parijs 1922) ; G. Kahn, 
C. B. (Parijs 1925, met bibliogr.) ; F. Porché, Vie doulou- 
reuse de C. B. (Parijs 1926); S. Fumet, C. B. (Parijs 
1926) ; J. Royère, C. B. (Parijs 1927) ; L. Lemonnier, 
Les traducteurs de Poe en France (Parijs 1928); P. 
Quennell, B. and the symbolists (Londen 1929) ; S. Rho- 
des, The cult of Beauty in C. B. (2 dln. Londen 1929) ; 
P. Klassen, B. (Weimar 1931); De Smaele, B. en het 
Baudelairisme in de Ned. Letterkunde (Gent 1934). 

Baur . 

Baudewijn, prins, hertog van Saksen, prins 
van Saksen-Koburg-Gotha, zoon van den graaf van 
Vlaanderen, neef van koning Leopold II van België, 
broeder van koning Albert I, vermoedelijk troon- 
opvolger na den dood van koning Leopold ’s eenigen 
zoon. Zijn schielijk overlijden deed de crfrechten over- 
gaan op zijn broeder Albert. * 3 Juni 1869 te Brussel, 
f 20 Jan. 1891 aldaar. 

Baudewijns (B o u d e w ij n s), A d r i a e n 
Frans, schilder en graveur te Brussel, in 1665 
lid van het Lucasgilde. * 1644, f 1711. In zijn jeugd 
naar Frankrijk, waar hij met Genoels en van Huchten- 
burg ontwerpen voor tapisserieën teekende. Na 1671 
te Brussel gebleven, waar hij als schilder, vooral van 
landschappen in Ital. stijl, in aanzien was. Zijn kunst 
is bescheiden, niet zonder charme. 

L i t. : Houbraken. Groote Schouburgh ; Alfr. Michiels, 
1’Art flamand (1877). Schretlen. 

Buudin, 1° Charles, Fransch admiraal. 
* 11 Juli 1784 te Sedan, f 7 Juni 1854 te Ischia (Napels). 
Zoon van den revolutionnair Baudin des Ardennes. 
Nam deel aan do expeditie van Nicolas Baudin naar 
Australië (1800 — ’04). Verloor den rechter arm in 
een gevecht tegen de Engelschen in de Indische Zee 
(1808). Na den slag bij Waterloo wilde hij een poging 
doen, Napoleon door de Engelsche kruisers heen naar 
Amerika te brengen, maar de keizer weigerde. Onder 
de Restauratie ontslagen, trad hij na 1830 wederom 
in werkelijken dienst. 1838 schout-bij-nacht en opper- 
bevelhebber van de expeditie naar Mexico. 1839 vice- 


143 


Baudiot — Baudouin de Sebourg 


144 


admiraal. 1841 minister van marine. 1841 — ’47 zee- 
prefect te Toulon. Overleed slechts korten tijd nadat 
hij tot admiraal was verheven. In 1883 werd de naam 
van B. aan een Fr. pantserschip gegeven. 

L i t. : Jurien de la Gravière, La marine de 1812 ; 
id., Une expédition d’outre-mer en 1838 (Revue des 
Deux Mondes LXXIII) ; R. Jouan, Histoirc de la ma- 
rine fran<?aise (II Parijs 1932). Lousse . 

2°Jean-BaptisteAlphonse Victor, 
Fransch arts en politicus. * 20 April 1811 te Nantua 
(Ain), f 3 Dec. 1851 te Parijs. Aanhanger van de 
denkbeelden van Saint-Simon en lid van geheime 
vereenigingen onder de Juli-monarchie. Afgevaardigde 
in de Wetgevende Vergadering (1849), 3 Dec. 1851 
op een barricade in den Faubourg St. Antoine door 
een troep soldaten neergeschoten. In 1889 werd zijn 
lichaam naar het Panthéon overgebracht; op het 
kerkhof te Montmartre werd voor hem, als martelaar 
der vrijheid, een gedenkteeken opgericht en, in 1901, 
een tweede in den Faubourg St. Antoine zelf. 

Werk: Les inflammations intestinales. Lousse. 

Baudiot, Charles Nicolas, violoncel- 
virtuoos; * 1773 te Nancy, f 1849 te Parijs; leerling 
van den cellist Janson en in 1802 diens opvolger als 
leeraar aan het conservatorium te Parijs. Hier schreef 
hij met Levasseur en Baillot de cello -methode, die 
officieel aan het conservatorium moest worden gebruikt. 
In 1816 werd hij eerste violoncellist aan de koninklijke 
kapel, in 1832 gepensionneerd. 

Werken: vooral composities voor cello, 3 strijk- 
kwartetten, een Méthode compléte de violoncelle, op. 
25 ; Traité de transposition musical op. 35 (1837). Hij 
schreef een handleiding voor componisten, waarin hij 
hen wilde aantoonen, hoe zij voor violonccllo kunnen en 
moeten schrijven (1849). Piscaer. 

Bnudissin ,l°WolfHeinrichFriedrich 
Karl, graaf von, Duitsch letterkundige, die 
o.m. met dertien stukken de groote Shakespeare- 
vertaling van Tieck en Schlegel hielp 
voltooien, welke een zoo aanzienlijken invloed op de 
Duitsche romantiek uitoefende. Ook uit Molière. 
Goldoni, Gozzi, e.a. vertaalde hij. * 30 Jan. 1789 
te Rantzau, f 4 Apr. 1878 te Dresden. 

2 ° Wolf Wilhelm Friedrich, graaf 
von, Prot. Duitsch Oud-Testamenticus en oriëntalist. 

* 26 Sept. 1847 op Sophienhof bij Kiel, f 6 Febr. 1926 

te Berlijn. Doceerde O. T. aan de universiteiten van 
Straatsburg (1876), Marburg (1881), Berlijn (1900). 
Zijn meeste werken zijn godsdienst-geschiedkundige 
studies omtrent de betrekkingen tusschen de andere 
Semietische godsdiensten en de Joodsche en Christe- 
lijke godsdiensten. Zijn belangrijkste werken zijn: 
Studiën zur semitischen Religionsgesch. (2 dln. Leip- 
zig 1876 — 1878); Adonis und Eschmun (1911); Kyrios 
als Gottesname im Judentum und seine Stelle in der 
Religionsgesckichte (1926). Brans. 

Baudot, Anatole de, Fransch architect. 

* 14 Oct. 1834 te Sarrebourg, f 1915. Leerling van 
Labrouste en Viollct le Duc. Was een overtuigd 
aanhanger van de theorieën van Viollet le Duc. Werd 
aangesteld als rijksbouwmeester en inspecteur van den 
rijksgebouw’endienst in Frankrijk. Tevens was hij ook 
werkzaam als restaurateur van vele oude gebouwen. 

Werken: de kerken te Privas (Ardèche), Ram- 
bouillet, enz. ; restauraties aan het kasteel te Blois, den 
dom te Puy en Velay ; voltooide den toren van den dom 
te Clermont-Ferrand. — L i t. : Bénézit, Dict. des 
peintres. de Stuers. 

Baudot- telegraaf toestel. In 1875 dacht 


de Franschman Baudot een stelsel uit, waardoor 
dezelfde telegraaflijn tegelijkertijd vier (soms zes) 
verbindingen tot stand kon brengen. In den uitzend- 
en den ontvangpost loopen twee armen, welke met de 
lijn verbonden zijn, synchroon. Zij glijden langs vier 
sectoren, w T elke eenerzijds met de uitzenders, ander- 
zijds met de ontvangers verbonden zijn (zie figuur). 
Daar de armen op 180 t/min draaien, moet iedere 
bediende 3 letters /sec doorsturen. De eigenaardigheid 
van het stelsel is nu, dat elke bediende de door te 
sturen letter kan voorbereiden, terwijl de lijn ten 
dienste staat van de drie andere bedienden. Elke 




Schematische voorstelling van de werkingswijze van het 
Baudot-telegraaftoestel. 

sector van den uitzender is verdeeld in vijf contact- 
stukken, welke met de vijf toetsen van het Baudot- 
klavicr verbonden zijn. De Baudot-signalen zijn 
samengesteld uit vijf stroom -impuls ies, welke ver- 
schillende combinaties zijn van -f en — impulsies. 
Deze worden ontvaugen in vijf electromagneten, die 
vijf selectoren sturen, w r aarvan de combinatie den 
stand van het typenrad bepaalt, waartegen op het 
juiste oogenblik een papierstrook gedrukt wordt 
(> Druk -ontvangst). Gillon. 

Baudouin, LouisMarie, Eerbiedwaardige, 
priester uit den tijd der Fransche revolutie, bijge- 
naamd „apostel der Vendée. * 2 Aug. 1765 te Montaigu 
(Vendée), f 12 Febr. 1835 te Chavagnes-en-Paillers. 
Hij weigerde in 1792 den eed op de Constitutie af te 
leggen, kwam in de gevangenis en ontvluchtte naar 
Spanje. Van 1797—1800 oefende hij in het geheim de 
zielzorg uit te Les Sables d’Olonne en was sedert 
1801 pastoor te Chavagnes. Onvermoeid werker als 
hij was, gaf hij bovendien zijn krachten aan de oplei- 
ding van priester-studenten. Het w^erk van B. leeft nog 
steeds voort in zijn twee stichtingen: de Ursulinen 
van Jesus (Ursulinen van Chavagnes) 
en een congregatie van seculiere geestelijken, zonen 
(of kinderen) van de Onbevl. Ontvangenis van Maria, 
bekend als: Pères de Chavagnes. Het 
decreet tot inleiding van het proces zijner zalig- 
verklaring dateert van 7 Sept. 1871. J. v. Rooij. 

Baudouin de Sebourg, fantastische Fransche 
kruisvaartroman uit het begin der 14e eeuw. De held 
is de zoon van den koning van Nijmegen, w r ordt 
seneschalk van den graaf van Vlaanderen, v T iens doch- 
ter hij o.a. schaakt; beleeft allerlei avonturen, w r aarin 
de kracht van zijn vierkante vuisten en de drang van 
zijn zinnelijkheid hem telkens opnieuw verwikkelen; 
verbonden met de galante en ridderlijke avonturen 
van zijn broeders Esmore it, Gloriant en Alexander; 
in verband gebracht met de kruistochten en met de 
mythische geschiedenis van Godfried van Bouillon. 
Want de held w r ordt koning Boudewijn, derde koning 
van Jerusalem, al blijft er van diens geschiedenis 
weinig meer dan de naam over. Sommige motieven 
zouden wel op oudere Dietsche liederen kunnen 


145 


Baudouinville — Bauer 


146 


berusten. De dichter is ook een Fransch -schrijvend 
Vlaming. Onze abele spelen hebben er uit geput. 
Er heeft een Dietsche bewerking van bestaan, waarvan 
nog 315 w. overblijven. 

U i t g. : L. Bocca (2 dln. Valenciennes 1841). 

V. Mierlo. 

Baudouinville, > Boudewijnstad. 

Boudour, gem. in de prov. Henegouwen, ten 
W.N.W. van Bergen; opp. 2 359 ha, 4 500 inw.; 
rivier de Hainc in de nabijheid; bosch van B.; heuvcl- 
achtige streek, met bosschen en weiden; zandachtige 
kleigrond; landbouw; potaarde; steenkool; potten- 
bakkerij; porseleinfabrieken, houthandel. Kasteden 
van Mont-Garni, de Fuisseaux en Le Louchier; merk- 
waardige Gotische kerk; oude belangrijke heerlijkheid. 

V . Asbroeck. 

Baudrand , Barthélemy, Jezuïet, ascetisch 
schrijver; * 18 Sept. 1701 te Névache, f 3 Juli 1787 
te Vienne. B. was een geliefd en veel gelezen schrijver 
en bijna al zijn ascetische werken zijn meermalen 
herdrukt en vertaald tot op den dag van heden. Zijn 
gezamenlijke geschriften zijn het best uitgegeven door 
Misrnc (2 dln. Parijs 1855). 

L i t. : C. Sommervogel, Bibliothèque de la Comp. de 
Jésus (I, 1020-1048). J. v. Rooij. 

Baudrillarl, l n A 1 f r e d, Fransch prelaat en 
kerkhistoricus, Oratoriaan. * 6 Jan. 1859 te Parijs; 
rector van het Institut Catholique aldaar, sinds 1918 
lid van de Académie Fran^aise; mede -uitgever van 
den Dictionnaire d’histoire et de géographie ecclé- 
siastique (Parijs 1909 vlg.). 

Voorn, werken: Philippe V et la cour de France 
(5 dln. 1890 vlg.) ; Vie de mgr. d’Hulst (2 dln. 1901 vlg.) ; 
L’Eglise catholique, la Renaissance et le Protestantisme 
(1904) ; Quatre cents ans de Concordat (1905). — 
Lit. : C. d’Habloville, Grandes figures de 1’Eglise con- 
temporaine (Parijs 1925). 

2° H e n r i Joseph Léon, Fr. economist, 
vader van mgr. IJ. M. A. Baudrillart, hoogleeraar 
in de economie aan de Ecole des ponts et chaussées, 
leider van het „Journal des économistes”, „Journal 
des débats” en „Journal constitutionel”. In zijn econo- 
mische werken komt het zedelijk-wijsgeerig element 
sterk uit. 

Werken: Jean Bodin et son temps (1853) ; Publi- 
cistes modernes (1863) ; Manuel d’économie politique 
(1872) ; La familie et 1’éducation en France dans leurs 
rapports avec 1’état et la société (1874) ; Histoire du 
luxe privé et public (4 dln. 1878-’80) ; Des rapports de 
1’économie politique et de la morale (1883) ; Les popu- 
lations agricoles de la France (1885-’93). — Lit.: 
Mémoires de 1’académie des Sciences morales et poli- 
tiques (serie 2 XIX) ; Journal des économistes (1892) ; 
Handwörterbuch der Staatswissenschaften. 

M. Verhoeven . 

Baudry, Paul Jacques Aimé, Fransch 
portret-, genre- en decoratieschilder. * 7 Nov. 1828 
te Napoléon (Vendée), f 17 Jan. 1886 te Parijs. Leer- 
ling van Drolling en de Ec. des Beaux Arts. 1850 wint 
hij den Prix de Rome, 1880 werd zijn 'werk bekroond 
met de eeremedaille in de Parijsche Salon. Hij studeer- 
de ook nog in Italië naar de werken van Raffael, 
Titiaan en Correggio. Plafond- en wandschilderingen. 

Werken: decoratieschilderingen voor den foyer van 
de Opera te Parijs (1866-1872), voor het kasteel te 
Chantilly, enz. ; schilderijen van hem o.a. in de musea te 
Nantes, Lille, Bordeaux, en in het Luxembourg te 
Parijs. — Lit.: Bellier-Auvray, Dict gén. des peintres ; 
Ch. Ephrussi, Paul Baudry, sa vie et son oeuvre (Parijs 
1878). de Stuers. 

Bauclry-Laeautinerie, M a r i e Paul 


G a b r i e 1, Fransch rechtsgeleerde, * 14 Juni 1837 
te St. Sauveur de Nuaille; studeerde te Poitiers en 
werd vervolgens professor te Poitiers en in 1871 te 
Bordeaux. In 1886 werd hij aldaar deken der rechts- 
geleerde faculteit. Zijn „Précis de Droit Civil” was 
langen tijd klassiek in de Fransche en Belgische 
rechtsfaculteiten. Zijn groote werk is echter zijn 
„Traité théorique et pratique de Droit Civil”, waarvan 
de derde uitgave vanaf 1907 in 29 deelen met de 
medewerking van de meest vooraanstaande Fransche 
juristen verscheen. Dit werk werd in de laatste jaren 
aangevuld door prof. Bonnecase van de universiteit 
van Bordeaux: 5 deelen van dit „Supplement” zijn 
van 1924- ’33 verschenen. 

Baudry-Lacantinerie wordt terecht beschouwd als 
een der laatste groote vertegenwoordigers van de 
verklarende rechtsschool (école d’exégcse), die bij 
de interpretatie der wetten hoofdzakelijk aan den 
wettekst getrouw bleven — terwijl de wetenschappe- 
lijke verklaringsleer (école scientifique), waarvan de 
eerste groote vertegenwoordiger prof. Geny is geweest, 
ook ruime medezeggenschap toekent aan de maat- 
schappelijke verhoudingen en de gegevens der mensche- 
lijke rede. 

Lit.: Bonnecase, Supplément (I, 372). Orban. 

Bauer, 1° B r u n o, vrijzinnig Duitsch bijbel- 
kundige. * 6 Sept. 1809 te Eisenberg, f 15 April 1882 
te Rixdorf. Bestudeerde vooral het eerste Christendom. 
Behalve enkele werken over politieke geschiedenis, 
schreef B. zijn meeste studies over het N. T. De 
radicale bijbelcritiek van Bauer, vaak voorgedragen 
in den vorm van scherpe polemiek, ontstond en groeide 
onder den invloed van de Hegeliaansche philosophic, 
welke de feiten der geschiedenis verklaart als producten 
of constructie van de reflexie of speculatie; speciaal 
de godsdienstige ideeën concretiseeren zich in geschied- 
kundige legendarische verhalen. Bijzonderen na druk 
legt B. op een beïnvloeding van het eerste Christendom 
door het Hellenisme. 

Werken: o.a. Kritik der Evangeliën und Ge- 
schichte ihres Ursprungs (4 dln. Berlijn 1850-1852) ; 
die Apostelgeschichte (Berlijn 1850) ; Kritik der paulin. 
Briefe (3 dln. Berlijn 1850-1852) ; Das Evangelium 
(Berlijn 1880). Brans . 

2° G u s t a v, Duitsch staatsman, * 1870 te 
Darkehmen (O. Pr.). Eerst bediende, dan sedert 1912 
soc. rijksdagafgevaardigde. In Oct. 1918 min. van 
Arbeid; in Juni 1919 rijkskanselier, onderteekent het 
verdrag van Versa illes. In 1920 ontslag, daarna min. 
van Fin. en later van Verkeerswezen in het kabinet 
Muller. Van Mei 1921 tot Nov. 1922 min. van Fin. 
in het kabinet Wirth. Gewikkeld in Barmatschandaal, 
1925 uit de soc. dem. partij gesloten, later gerehabili- 
teerd. Cosemans. 

3° K 1 a r a (pseud.: KI. D e 1 1 e f), Duitsche 
schrijfster, die de stof voor haar feuilleton istische 
vertelkunst ontleent aan het leven van de Russische 
hoogere kringen. * 23 Juni 1836 te Swinemünde, 
f 29 Juni 1876 te Breslau. 

Hoofdwerken: Nora (1871) ; Schuld und Sühn© 
(1871) ; Benedikta (1876) ; Russische Idyllen (1878). 

4° Leopold, Oostenrijksch bouwmeester, van 
1913 — ’18 prof. aan de Academie van Weenen, leerling 
van Otto Wagner, ijvert voor zakelijke en doelmatige 
woningconstructie. * 1872 te Jagemdorf (Oostenrijk). 

5° Mari Alexander Jacques, Holl. 
schilder, etser, lithograaf en illustrator (zie plaat 
tegenover kolom 160). * 25 Januari 1846 te Den 


147 


Bauera — Bauhaus-groep 


148 


Haag, f 18 Juli 1032 te Amsterdam. Leerling van 
de Haagsche academie en van S. van Witzen. 
Rijke fantasie en bijzonder kleursentiment. Werkte 
in Konstantinopel, Frankrijk, Egypte en in 18% 
in Engelsch-Indië, Rusland en Ned.-Indic. Hij 
is vooral beroemd als etser en tcekenaar van 
Oostersche onderwerpen. Zijn graphisch werk onder- 
scheidt zich door een virtuoos luchtig lijnenspel, een 
groot uitbeeld ingsvcrmogen, een rijkdom in de compo- 
sitie en beheersching van de techniek. Ook als litho- 
graaf was hij persoonlijk en zeer sterk. Zijn composities 
zijn vaak zeer doorwerkt, wel overwogen, de figuren 
goed gearrangeerd in de omringende architectuur, 
groot van visie en nimmer zich al te zeer verliezend 
in het detail. Was ook als schilder een der belang- 
rijkste onder de modernen. Werken van hem bevinden 
zich in de meeste musea van Holland. 

Lit.: Marius, De Holl. schilderkunst; Jan Vcth, 
Notities ; Alb. Plasschaert, Iloll. schilderkunst ; Gram, 
Onze schilders in Pulchri Studio (1880-1904). 

de Stuers. 

0° M o r i t z, componist, dirigent en musicoloog; 

* 8 Apr. 1875 te Hamburg. Van belang zijn de studies 
van B. over Schubcrt, in het bijzonder: Die Lieder 
Franz Schuberts (1 1915). 

7° Peter, Duitsch Katholiek schrijver van 
gedichten, lebenden, novellen en letterkundige kritiek. 

* 5 Juli 1885 te Worms. 

Werken: Der heilige Bund (gedichten, 1919) ; 
Die Gotteswiese (1919); Der Organist von Silberbuchen 
(1921); Die Weggctrcucn (1922); Das Dreigespann 
(1923) ; Der Geschwistorhof (1924). 

8 ° W a 1 1 e r, Duitsch dichter van Christelijk 
getinte arbeidspoëzie. * 4 Nov. 1904 te Merseburg. 

Werken: Kameraden, zu Euch spreche ich (1929) ; 
Stimmen aus dem Lcuna-Werk (1930). 

Bsiucra (plant k.), de eenige vertegen- 
woordiger van de onderfamilic Baueroideae, behoorend 
tot de steenbreekachtigen (Saxifragaceae), is inheemsch 
in Australië. De drie soorten van dit geslacht zijn 
struikgewassen. 

Büuerl, > Peuerl. 

Bauerle, 1° A d o 1 f, Oosten rijksch -Duitsch 
tooneel- en romanschrijver in den volkstrant; schiep 
enkele specifiek-Weensche volksliederen. * 9 Apr. 
1786 te Weenen. f 20 Sept. 1859 te Bazel. 

U i t g. : O. Rommel, Ausgewahlte Werke (2 dln. 
1910 vlg.). — Lit.: R. Fiirst, Raimunds Vorganger 
(1907). 

2°Hermann, componist van kerkelijke muziek 
in den Palestrina-stijl en als musicoloog specialist op 
het gebied der 16e eeuwsche kerkmuziek, * 24 Oct. 1869 
te Egersberg (Wurttemberg). Hij promoveerde in 1906 
te Leipzig op een belangrijk proefschrift over: Die 
7 Buszpsalmen Lassos, en redigeert sinds 1903 een 
Bibliothek altklassischer Kirchenmusik in moderner 
Notation (werken van Palestrina, Lasso, Vittoria 
en Fux). Publiceerde verder over: Liturgie (1908); 
Der Vatikanische Choral in Reformnotation (1907). 

Reeser. 

Baucrnfeiml, prisma van, wwdt gebruikt 
bij het landmeten om rechte hoeken uit te zetten. 
Het is een driehoekig glazen prisma, met een gclijk- 
beenigen rechthoekigen driehoek tot grondvlak. 
Grond- en bovenvlak, benevens het opstaande zijvlak 
van de schuine zijde, zijn verfoei ied, werken dus ais 
spiegels. Over het prisma ABC heen ziende, viseert 


men een baak Q, de baak P wordt dan door een hulp 
zoodanig geplaatst, dat het beeld, door hot prisma 
waargenomen, met Q samenvalt. De gang van de 
lichtstralen in het prisma is in de afb. voorgesteld, 
liet prisma is gewoonlijk op een klein opklapbaar 



handvat gemonteerd, waardoor het geheel een gemak- 
kelijk in den zak mee te nemen, handig instrumentje 
vormt. 

Het prismakruis van B. bestaat uit tw f ee 
boven elkaar geplaatste prisma’s, waarvan de schuine 
zijden loodrecht op elkaar staan. Kijkt men door het 
gemeenschappelijke zijvlak, dan ziet men de beelden 
van twee bakens samenvallen, indien zij met het 
standpunt van den waarnemer op een rechte lijn ligiren. 

Jong . 

Baiicrhfelcl , Eduard von, Duitsch-Oosten- 
rijksch blijspeldichter, wiens gevatte satire de behouds- 
gezinde voorname Weensche kringen van voor 1848 
met scherp-liberale strekking van Fransche herkomst 
ten tooneele voert vooral in zijn meesterstuk Grosz- 
j a h r i g (1846). * 13 Jan. 1802 te Weenen, f 8 Aug. 
1890. 

U i t g. ; Ausgewahlte Werke (4 dln. 1905). — Lit.: 
B. Stern, B. (Weenen 1890); È. Horner, B. (Weenen 
1900) ; W. Zentner, Studiën zur Dramaturgie B.’s 
(Berlijn 1922). Baur . 

Bauffc, gemeente in de prov. Henegouwen, ten 
N.W. van Bergen; opp. 765 ha, 700 inw.; zandachtige 
kleigrond; landbouw; kasteel van Flée. 

Bauffc, V i c t o r, Holl.(?) landschapschilder. 
* 1849, f 31 Oct. 1921 te Den Haag. Leerling van 
I. II. Weissenbruch. Hij werkte o.a. veel te Noorden 
bij Nieuwkoop, daarna ook te Kortenhoef, Renkum, 
Voorschoten, enz. Schilderde in den beginne sterk onder 
invloed van Weissenbruch e.a. meesters van de 
Haagschc School. Maakte ook enkele stillevens. 

Lit.: Alb. Plasschaert, Holl. schilderkunst. 

Baugnics, Belg. gem. in de prov. Henegouwen, 
ten Z.O. van Doornik; 600 inw., opp. 530 ha. Land- 
bouw; kerk met gedeelten uit de 12e en 13e eeuw; 
kapel van O. L. Vrouw, bedevaartplaats. 

Bauhaus-groep, naam gegeven aan beoefenaren 
van kunstvakken, voornamelijk architecten, die 
gestudeerd en gedoceerd hebben aan het Bauhaus te 
Dessau (gebouwd in 1925 door Walter Gropius, 
opgeheven 1933), een onderw’ijs-inrichting w^aar ge- 
streefd w r erd door groote zakelijkheid in de architec- 
tuur en bij het vervaardigen der gebruiksvoorwerpen, 


149 


B au hin — B aum ann 


150 


zonder ornament of bijkomstigheden, aesthetische be- 
vrediging te schenken en een nieuwe kunst te scheppen. 

T hunnissen. 



Bauliin, 1° Gaspar, Zwitsersch plantkundige, 
zoon van een uitgeweken Franschen dokter, broeder 
van Jean B., * 15G0, f 1G24 te Bazel. Hij studeerde 
achtereenvolgens te Bazel, Padua, Montpellier, Parijs 
en Tübingen. Hij werd professor in de plantkunde te 
Bazel. Door zijn vele reizen kende hij veel plant- 
kundigen, wat hem mogelijk maakte een zeer uit- 
gebreide plantenverzameling aan te lessen. 

Werken: Prodromus theatri botanici (1620); Pinax 
theatri botanici (1623), waar 6 000 plantensoorten in 
beschreven worden ; is zeer goed wat nomenclatuur 
betreft. 

2° Jean, broeder van Caspar B., eveneens plant- 
kundige, * 1541, f 1G13 te Bazel. Een zeer belangrijk 
plantkundig werk van zijn hand is „Histoire univcrsefle 
des plantes”, in 1650 — ’51 uitgegeven als Historia 
planturum universalia. Er worden 5 000 planten- 
soorten in beschreven met 3 500 afbeeldingen. 

Douman. 

Bauhinia, een plantengeslacht van de familie 
der peulgewassen (Leguminosae), en van de onder- 
familie der Caesalpinioideae; komt in de tropen met 
200 soorten voor als boomen. struiken en slingerplan- 
ten. Van vele soorten worden de zaden geroosterd 
gegeten, o.a. in Zuid-West Afrika die van B. escu- 
lenta en B. macrantha. In tropisch Azië 
en Afrika wint men olie van B. tomentosa. 
Sommige leveren een goede soort hout, bijv. in Indië 
en China de B. a c u m i n a t a. De bastvezels van 
vele soorten gebruikt men voor het vervaardigen 
van touwen, netten en weefsels. Daarnaast leveren ze 
gom, kina, roode of blauwe plaatselijk gebruikte 
verfstoffen, of dienen als volksgeneesmiddel. Als 
sierplant worden in het Oosten ook enkele soorten 
aangekweekt. Douman. 

Bnuliinieac, een der peulgewassen (Leguminosae), 
bestaat uit drie geslachten, waarvan slechts twee van 
beteekenis zijn, nl. Gereis en Bauhinia. 

Bauhinisclic klep (valvula Bauhini of coli) 
is gelegen bij den overgang van den dunnen in den 
dikken darm. De klep is een trechtervormige plooi 
en zoo geplaatst, dat wel de inhoud van den dunnen 
naar den dikken darm kan passeeren, maar niet 
omgekeerd . 

Bauhüt te, werkruimte der bij een bouw werkzame 
bouwvaklieden; later organisatie der bouwlieden in 
den vorm van gilden; voor enkele bedrijven, die niet 
genoeg werk konden vinden in één stad, werden 
grootere gilden -organisaties toegelaten; zoo werd bij 
het bouwen van een dom de Bauhütte van elders 
ontboden. Men treft de B. reeds aan sinds de 13e eeuw. 

Baukema, 1° Philips, Holl. schilderes. 


* 1863 te Ede. Zij schildert en teekent vooral land- 
schappen, boschgezichten en soms bloemstil levens. 
Werkte o.a. in Heelsum, Tiel, Arnhem. Een talent, 
dat, zonder zich te veel in het detail te verliezen, 
gaarne zich verdiept in een uitvoerige uitbeelding. 
Zij teekent ook portretten. 

L i t. : Alb. Plasschaert, Holl. schilderkunst. 

2° S., Holl. schilder; * 3 Apr. 1852 te Otdemirdum 
(Friesland). Tot 1877 was hij teekenonderwijzor o.a. 
aan de academie Minerva te Groningen. In 1879 deed 
hij examen M.O. Werd directeur en leeraar der 
Arnhemsche teekenschool. Schilderde portretten, 
genrestukken en landschappen. de Stuers. 

L i t. : Alb. Plasschaert, Holl. schilderkunst. 

Bnuldcwijn (B a u d o u y n), N o ë 1 (N a t a - 
lis), Ned. componist; f 1529 te Antwerpen, waar 
hij van 1513 tot 1518 kapelmeester was der O.L. Vrou- 
wekerk. B. schreef motetten, waarvan vele in druk 
verschenen, en missen (o.m. op het lied „Myns lief- 
kens bruyn oghen”), die meestal in hs. bewaard 
bleven. Lenacrts . 

Baulcrs, gem. in Waalsch-Brabant, 1000 inw.; 
opp. 1 074 ha ; landbouw. 

Baulig, H e n r i, Fransch geograaf, prof. aan de 
rijksuniveisiteit te Straatsburg. Volgeling der Amer. 
school voor geomorphologie van W. M. Davis en 
J. K. Gilbert, wiens laboratorium hij in Amer. bezocht. 
Bestudeerde bijzonder de evolutie der erosie-schier- 
vlakten, in zijn meesterwerk: Le plateau du Massif 
Central. B. helt over naar het eustatisme, de absolute 
verticale rijzingen en dalingen van het zeeniveau als 
primordiale oorzaak van de jongste erosiemorphologie 
der aardopperv lakte. * 1878. 

Werken: Questions de morphologie vosgienne et 
rhénane (Ann. de géogr. 1922) ; La notion du profil 
d’équilibre (Kairo 19261 ; Le plateau central de la France 
et sa bordure occidentale (Parijs 1928); Amér. Septen- 
trionale (Canada et Etats-Unis) (Geogr. Univcrselle, 
XIII Parijs 1933). Lejèvre. 

Baum, 1° Oskar, Duitsch schrijver van 

idealistische romans, die veelal spelen in de wereld 
der blinden, waartoe B. zelf sedert 1894 behoort. 

* 21 Jan. 1883 te Pilsen. 

Werken: Die Memoiren der Frau Marianne Roll- 
berg (1904); Die böse Unschuld (1907); Das Leben im 
Dunkeln (1909) ; Die verwandelte Welt (1919) ; Die Tür 
ins Unmöglichc (1920); Die neue Wirklichkeit (1921); 
Die Frauen und ich (1928); Nacht ist umher (1929). 

2° Pan 1, Duitsch landschapschilder. * 22 Sept. 
1859 te Mcissen, f 1932. Werkte eerst aan de Porzellan 
Manufaktur te Meissen. Studeerde daarna aan de 
acad. te Dresden, en vervolgens te Weimar (bij 
Th. llager). Hij reisde, behalve in Duitschland, ook 
in Frankrijk, Holland, België en Italië. Zijn talent 
ontwikkelde zich hoofdzakelijk onder den invloed 
van de Fransche en Belg. neo -impressionisten Seurat, 
Signac, v. Rijsselberghe e.a. 

L i t. : J. Meier-Graefe, Entwicklungsgcsch. der mod. 
Kunst; F. v. Bütticher, Malerwerke des 19. Jahrhs. 

3° V i c k i, Duitsch schrijfster van overdreven 
geprezen, gewild-modeme romans, waarvan vooral 
de laatsten slap van bouw, oppervlakkig van psycho- 
logie en vol ongezonde sensatie zijn. * 24 Jan. 1888 te 
Weenen. 

Werken: Frühe Schatten, das Ende einer Kindheit 
(1920); Ulle der Zwerg (1924); Feme (1926); Helene 
Willfuer (1929) ; Menschen im Hotel (1929). 

Bauniaiin, 1° Alex ander, Oostenrijksch- 
Duitsch blijspeldichter, die met een nog zeer ver- 
litteraird dialect in den dialoog en in de liederen 


151 


Baumbach — Baumker 


152 


komische werking bereikt. * 7 Febr. 1814 te Weenen, 
f 26 Dec. 1857 te Graz. 

Hoofdwerk: Das Versprechen hinterm Herd 
(1848). — L i t. : W. Jaffé, A. B. (Weimar 1913). 

2° E m i 1 e, Fransch, Katholiek romanschrijver 
van nationalistische richting en van streng ethische 
probleemstelling. * 1868 te Lyon. De sterk gesloten, 
als drama’s voortschrijdende romans van B. schilderen 
bij voorkeur kloeke mannenzielen, die op het aambeeld 
van bekoring en leed beproefd worden, maar in hun 
strijd de sterkte der genade ondervinden. 

Voorn, werken: La fosse aux lions (1911) ; 
L’immolé (1912) ; Le baptême de Pauline Ardel (1913) ; 
Le fer sur 1’enclume (1913-’20) ; Job le prédestiné (1923); 
L’abbé Chévoleau. — L i t. : H. Bahr in Hochland 
(1918, 1921) ; V. Klemperer, Die moderne französische 
Prosa (II Leipzig 1923, 69 vlg.). Baur. 

3° Oskar, Afrika-reiziger en geograaf. * 25 Juni 
1864 te Weenen, f 12 Oct. 1899 aldaar; studeerde te 
Weenen in geographie en natuurwetenschappen; 
onderzocht in 1883 het Dormitorgebergte in Monte- 
negro; als geograaf deel uitmakend van de Oosten- 
rijksche Kongo-expeditie, deed hij in 1885 zijn eerste 
reis in Afrika; in 1888 maakte hij met Hans Meyer 
reizen in Du itsch-Oost- Afrika en in de volgende jaren 
zette hij deze onderzoekingen voort, o.a. in Oesambara, 
de gebieden ten Z. en ten W. van het Victoria -meer, 
waar hij vaststelde, dat de Kagera de eigenlijke bron- 
rivier van den Nijl is. Zanzibar, Pemba en Mafia 
werden door B. wetenschappelijk onderzocht. Van 
1896 — 1899 was hij Oostenrijksch consul in Zanzibar. 

Werken: Beitrage zur Ethnographie der Kongo 
(1887) ; Fernando Po (1888) ; In Deutsch-Ostafrika 
(1890) ; Usambara (1891) ; Durch Massailand zur Nil- 
quelle (1894); Der Sansibar-Archipel (1896-1899) ; Afri- 
kanische Skizzen (1900). v. Velthoven. 

Baumbach, 1° Max, Duitsch beeldhouwer. 
* 28 Nov. 1859 te Wurzen. Leerling van de Berlijnsche 
Kunstgewerbeschule (1881 — 1884) en het atelier 
van R. Begas. In 1885 eerste tentoonstelling te Berlijn. 
Zijn werk werd te Berlijn en te München bekroond met 
de kleine gouden medaille. In 1893 de groote gouden 
medaille te Weenen, daarna nog een medaille te 
Chicago. Na voltooiing van het Kaiser-Friedrich 
Monument te Worth in 1895 werd hij benoemd tot 
professor en lid van de Kon. Pruis. acad. van Schoone 
Kunsten. 

Werken: bronzen ruiterstandbeeld van koning Al- 
bert in Dresden (1901) ; monument van hertog Albrecht 
van Pruisen in den dom te Berlijn (1903) ; portretbustes 
van Fr. Haase, Ludw. Pietsch, Fr. Spielhagen e.a. — 
Lit. : Deutsches Zeitgenossenlex. (Leipzig 1905). 

de Stuers. 

2° R u d o 1 f, populair Duitsch dichter van 
gezonde, ietwat zoetige volksliederen, die om hun 
gemakkelijken, vlotten gang in de studentenliedboeken 
opgenomen werden. * 28 Sept. 1840 te Kranichfeld, 
f 21 Sept. 1905 te Meiningen. 

Hoofdwerk: Lieder eines fahrenden Gesellen 
(1878) : Spielmannslieder (1882). — Lit.: K. Fuchs, 
R. B. (Leipzig 1898) ; A. Selka, R. B. (1924). 

Baumé (graden). Door Baumé is een areo- 
meter ingevoerd met een bijzondere schaalverdeeling, 
die in de techniek nog steeds in gebruik is. Volgens 
het Bureau of Standards te Washington is deze schaal 
als volgt berekend: voor vloeistoffen zwaarder dan 
water geldt de formule : s = 145 /145 — n (bij 60°Fahren- 
heit); voorvloeist. lichter dan water: s = 140/130 +n. 
Hierin is s het soortelijk gewicht en n het aantal 
graden Baumé der vloeistof. v. d. Beek. 


Bau meister, W i 1 1 i, Duitsch schilder uit den 
groep der „Konstruktivisten”. Legt zich in later tijd 
vnl. op monumentale vlakke sierschilderkunst toe 
(wanddecoraties). * 1889 te Stuttgart, woont in Frank- 
fort a/d Main. 

Ba timer. Dom Suitbert, Benedictijn, 

* 1845, f 1894; monnik der abdij van Beuron, schrijver 
der belangrijke „Geschichte des römischen Breviers” 
en van andere studies op liturgisch gebied. 

Baumes-Colles, Wet van, > Colles- 
Baumes, Wet van. 

Baumgarten, 1° Alexander Gottlieb, 
Duitsch wijsgeer, aanhanger van Wolff, * 1714, f 1762; 
hoogleeraar te Frankfurt a.O. B. vulde het stelsel 
van Wolff aan met een aesthetica, die de regels voor 
het juiste waarnemen zou moeten geven, zooalsde 
ethica voor het juiste willen en de logica voor het 
juiste denken. Hij heeft groote verdienste voor de 
schepping der Duitsche wijsgeerige terminologie. 
Kant beschouwde B. als den voomaamsten metaphy- 
sicus van zijn tijd. 

Werken: Metaphysica ; Ethica philosophica ; Aes- 
thetica : Philosophia generalis. — Lit.: E. Bergman, 
Die Begründing der deutschen Aesthetik durch A. G. 
Baumgarten und G. F. Meier (Leipzig 1911). 

F. Sassen. 

2° Franziska, lector in de psychotechniek 
te Bern; * 1888 te Lodz (Polen). Zij publiceerde o.a. 
Beitrage zur Berufskunde des Versicherungswesens, 
I Zur Psychologie und Psychotechnik des Versiche- 
rungsagenten (1924), II Zur Psychotechnik und Charak- 
tereologie des Regulierungsbeamten (1926) ; Die 
Berufseignungsprüfungen (1928); tezamen met 
G. Fabian: Psychotechnik der Menschenwirtschaft 
(1930). 

Baumgartner, Alexander, Duitsch 
Jezuïet en vooraanstaand litterairhistoricus, van 
grondig en veelzijdig weten, maar van een dogmatische 
beperktheid, die o.m. ook Goethe (2 dln. 1885) in 
zijn hoogste kunstenaarschap niet wist te erkennen. 
Zijn onvoltooide Geschichte der Welt- 
literatur (6 dln. en supplement, Freiburg 1897 — 
1912) is een stevige aaneenschakeling van afzonderlijke 
monographieën der onderscheiden letterkunden uit 
Oost en West, waar dus de comparatistische beschou- 
wingswijze totaal vreemd aan bleef. Ook Vondel’s 
leven beschreef hij (1882). * 27 Juni 1841 te St. Gallen, 
f 5 Sept. 1910 te Luxemburg. 

L i t. : O. Pfülf in Stimmen aus Maria-Laach (1910) ; 
N. Scheid, A. B. (Luxemburg 1911). Baur. 

Baumliauer, F e 1 i x, Duitsch schilder, vooral 
van onderwerpen uit de Christelijke kunst. Muur- 
schilderingen, kerkramen (van een opvallende helder- 
heid en doorzichtigheid). Zijn Madonna’s hebben een 
wat droomerige uitdrukking. * 1876 in Lüdingshausen 
(Westfalen), nu professor in München. 

Voorn, werken: Kruisweg in den dom van 
Bamberg (1920); vensters in de Lieve Vrouwekerk van 
Worms (1921); mozaïeken in de kathedraal van St. 
Louis (Ver. Staten, 1924-’25). 

Baumker, 1° Clemens, Duitsch nieuw - 
Scholastiek wijsgeer en geschiedschrijver, vooral 
bekend door de „Beitrage zur Geschichte der Philo- 
sophie des Mittelalters” (Beitrage-B.), een serie mono- 
graphieën, sinds 1891 onder zijn leiding uitgegeven. 

* 1853, f 1924, hoogleeraar te Breslau, Bonn, Straats- 
burg en München. 

Werken: Das Problem der Materie in der griech. 
Philosophie ; Die Impossibilia des Siger von Brabant : 


153 


Baumstark — Bautersem 


154 


Wifcelo, Die christliche Phil. des Mittelalters (in Hinne- 
berg’s Kultur der Gegenwart) ; Der Platonismus des 
Mittelalters. F. Sassen. 

2° Wilhelm, Duitsch Katholiek theoloog 
en beoefenaar van de geschiedenis der muziek; 
* 1842 te Elberfeld, f 1905 te Rürich. Hij studeerde te 
Münster en Bonn, was van 1869 — ’92 kapelaan te 
N iederkrüchten en daarna pastoor te Rürich. In 1889 
werd hij doctor honoris causa in de theologie aan de 
universiteit te Breslau. 

Werken: zette het werk voort van Meister : Das 
katholische deutschc Kirchenlicd in seinen Singweisen 
(4 dln. 1886-1911). Verder: Niederlandische geistliche 
Lieder nebst ihren Singweisen aus Hss. des 15. Jh. (1888); 
Ein deutsches geistliches Liederbuch mit Melodien aus 
dem 15. Jh. (1895). Piscaer. 

Baumstark, A n t o n, Duitsch oriëntalist, 
was achtereenvolgens hoogleeraar te Bonn, Utr. en 
Nijmegen (tot 1930), doceert nu te Münster en te Bonn. 
Schreef werken op het gebied der Oostersche talen, 
literatuur en patrologie, der liturgiegeschiedenis, de- 
Oostersch-Christ. archeologie en der klassieke philolo- 
gie. Gaf uit van 1901 — 1905 en na 1911 de „Oriens 
Christianus”. * 1872 te Konstanz. 

Voorn, werken: Aristoteles bei den Syrern 

vom 5. bis 8. Jahrh. (1900) ; Die christl. Literaturen des 
Orients (1911-’12) ; Die Messe im Morgenlande (1916): 
Gesch. der syrischen Literatur mit Ausschluss der christl.- 
palastinischen Texte (1922). Knipping. 

Baur, 1° E r w i n, Duitsch geneticus (* 1875), 
heeft o.a. dcor zijn Antirrhinum -onderzoek veel 
bijgebracht tot de betere kennis van het gedrag der 
erffactoren. Zijn handboek „Einführung in die Ver- 
erbungslehre” (7-n 1930) behoort tot het degelijkste 
op dit gebied. In 1927 stichtte hij te Müncheberg 
het Kaiser-Wilhelm-lnstitut für Vererbungsforschung, 
waarvan hij thans nrg directeur is; hij is tevens 
hoogleeraar aan de landwirtschaftliche Hochschule 
te Berlijn. Met M. Hartmann bezorgt hij de uitgave 
van het monumentale „Handbuch der Vererbungs- 
wissenschaft” in 33 afleveringen, waarvan reeds 18 
zijn verschenen. Dumon. 

2° Ferdinand Christian, vrijzinnig 
Duitsch bijbelkundige. * 21 Juni 1792 te Schmieden 
(Wurttemberg), f 2 Dec. 1860 te Tübingen. Benoemd 
in 1825 tot prof. van kerk- en dogma geschieden is aan 
de universiteit van Tübingen. Schreef talrijke werken. 
B. heeft vooral de geschiedenis van het eerste Christen- 
dom bestudeerd. Hij is de stichter van do zgn. School 
van Tübingen , welke het Christendom foutief verklaart, 
doordat zij ook op den Christelijken godsdienst het 
te algemeen philosophisch Hegeliaansch princiep 
van de thesis, antithesis, synthesis toepassen wil, 
en een objectieve critiek der historische bronnen 
verwaarloost. 

Werken: o.a. Symbolik und Mythologie (Stoccarda 
1824-1825) ; Paulus der Apostel Jesu Christi (Stoccarda 
1845, Leipzig 1866-’67 ; postume uitgave van E. Zeiler); 
Vorlesungen über die christ. Dogmengeschichte (4 dln. 
Leipzig 1865-1867) ; Gcschichte der christl. Kirche 
(5 dln. Tübingen 1863-77). Brans. 

3° Frank, professor in de literatuurgeschiedenis 
aan de universiteit te Gent. * 1887 te Vilvoorde. 
Schreef onder pseudoniem Aran Burfs essays 
over Vlaamsche dichters, o.a. Onze dichters der Heimat 
(1909). Na een degelijke studie over Gezelle’s jeugd 
en leerarend priesterschap: Uit Gezelle’s Leven en 
Werk (1930), bezorgt hij thans met dr. Allossery en 
De Cuyper de jubileumuitgave van Gezelle’s werken. 

A. Boon. 


4° G e o r g e, zoöloog; * 1859 te Weisswasser, 
f 1898 te München. Na zijn studies in het zoölogisch 
instituut te Leipzig en in het geologisch -palaeonto- 
logisch instituut te München, werd hij professor in de 
vergelijkende osteologie te Worcester en daarna 
te Chicago. Hij leverde verschillende vergelijkend- 
anatomische studies over het geraamte der gewervelde 
dieren en een beschrijving over schildpadden en 
hagedissen van de Ga lapagos -eilanden. Van zijn 
studies over den hand- en voetwortel der gewervelde 
dieren verscheen slechts het eerste deel „Batrachia” 
(Jena 1888). Willems. 

5° K a r 1, Dnitsch beeldhouwer. * 21 Dec. 1881 te 
München. Leerling van de acad. te München (onder 
Ad. Hildebrand). Werd eenige malen bekroond, o.a. 
in 1908 met zijn ontwerp van het Ludwigdenkmal te 
Bamberg. Eerst na de tentoonstellingen te München 
in 1908 werd zijn werk meer en meer bekend en kreeg 
hij meerdere opdrachten. Van zijn werken zijn te ver- 
melden: een liggende Narcissusfiguur en het graf- 
monument van Freifrau von Bodmann te Freiburg. 

Lit. : Die Kunst (IX 1904); Kunst für Alle (XIX, 
481). de Stuers. 

G° N i c o 1 a a s, Holl. zeeschilder; * 12 Sept. 1767 
te Harlingen, f 28 Mrt. 1820 aldaar. Leerling van zijn 
vader J. A. B. Hij schilderde aanvankelijk landschap- 
pen en stadsgezichten, daarna zeegezichten en zeege- 
vechten, enz. 

Werken: o.a. in het Rijks Mus. te Amsterdam 
en in het gem. mus. te Den Haag. — Lit.: Catalogus 
Rijks Mus. te Amsterdam ; Van Eynden en v. d. Willigen; 
Immerzeel, De Levens en Werken (I). de Stuers. 

Bausehinger, een Duitsch wis- en bouwkundige; 
* 1843 te Neurenberg, f 1893 te München; heeft veel 
bijgedragen tot de ontwikkeling van het onderzoek 
van bouwstoffen. Hij nam het initiatief tot het brengen 
van internationale eenheid in de verschillende proef- 
methoden. 

Baussart, E 1 i e, Fransch-Belgisch publicist 
van Katholieke denkrichting, die in zijn tijdschriften 
Catholique (1911 vlg.) en vooral Terre wallonne 
(1919 vlg.) een gezonde decentralisatie op regionalis- 
tischen grondslag voorstaat. * 1887 te Couillet. 

Baussnern, Waldemar von, dirigent 
en componist, * 29 Nov. 1866 te Berlijn; een der 
bekendste musici in Duitschland uit de eerste 15 jaren 
van deze eeuw; is sinds 1923 secretaris der Akademie 
der Künste te Berlijn. Schreef talrijke composities 
op elk gebied, zonder tot een persoonlijken stijl te 
geraken. 

Bautain, Louis, philosoof en theoloog, 
eclecticist; * 1796, f 1867 te Parijs; van atheïsme 
tot het geloof teruggekeerd (1824), werd hij priester 
(1828), maar bleef tegenstander der Scholastiek. Enkele 
zijner geschriften werden veroordeeld door het kerke- 
lijk gezag, waaraan hij zich onderwierp. In 1850 werd 
hij vicaris -generaal van het bisdom Parijs en was 
kort daarna tevens prof. aan de Sorbonne. In zijn 
philosophisch systeem huldigt hij het traditionalisme 
en fideïsme. J. Sassen, 

Lit.: De Régny, L’abbé B., sa vie, ses oeuvres (1884); 
Denzinger-Bannwart Enchiridion (no. 1622-1627). 

Bautersem, Belgische gem. in de prov. Brabant, 
aan den weg Leuven — Tienen, ruim 10 km van Leuven; 
opp. 535 ha, ong. 1 200 inw. Oneffen, zandig terrein; 
landbouw; bosschen. Kasteel. 

Bautersem, Brabantsche ministeriale familie, 
geheeten naar het plaatsje in Brabant, arr. Leuven, 


155 


Bautken— Bavay 


156 


kanton Thiencn. Zij komt het eerst voor in 1130, 
verder in de 13e en 14e eeuw. 

L i t. : Ganshof, Etude sur les Ministériales etc. 
(127/128). 

Baulkcn, Lieven, of Lieven Boghaert(?), 
Capellaen ende Facteur van de Barberisten binnen 
der stede van fihendt, schreef een gedicht (21 strophen) 
op de geboorte van keizer Karei, bewaard in Marcus 

van Vaernewyck’s Warachtighe Historie van 

Carolus de vijfstc: in de eerste uitg. (1501) wordt het 
gedicht toegeschreven aan Lieven Boghaert, in de 
tweede (1504) aan Lieven Bautken. 

L i t . : Fr. Van den Haeghen, Bibl. Gantoise (I Gent 
1858, 149 en 181). 

Bauloen. Jan, boer uit de Nieuvaart(De 
Klundert), die een in het moeras verborgen H. Hostie 
opgroef (ca. 1300). Deze gebeurtenis heeft de stof 
geleverd voor het mirakelspel „Van den -> Sacramente 
van der Nieuwervnrt”. 

L i t. : N. Ncd. Biogr. Woordenboek. 

Bautta (bauta), Venetiaansch kleed ingstuk, 
een halflange, zwarte schoudermantel met capuchon, 
vervaardigd van fluweel, zijde of kant. De b. was in 



Venetië in de 18e eeuw voor mannen en vrouwen het 
klcedingstuk bij uitstek voor carnaval en werd dan 
gedragen over den > tabarro en in combinatie met het 
witte, langneuzigc masker, dat den mond vrijliet, 
terwijl over den capuchon de driekantige hoed werd 
gedragen. Terwijl alle andere verklecdingen buiten 
den carnavalstijd niet w’aren gepermitteerd, mocht 
dit stuk ook van 5 Oct. tot 16 Dec. gedragen worden, 
benevens op allerlei wereldlijke en kerkelijke feest- 
dagen. Zoo werd de b. in het laat 18e eeuwsch Venetië 
tot het algemcene nud^kleed. 

L i t. : P. Molmenti, La storia di Venezia nella vita 
privata (Bergamo 1908^ ; Fogolari, Jn tabarro e bauta. 
in Settecento Veneziano, spec. nummer v. d. Illistrazione 
Italiana (l924-’25). v. T Menen. 

B:i ut zen, stad in de Saksische Opper-Lausitz 
aan de Spree; 40 000 inw., overwegend Prot. Boven 


de stad ligt de vesting Ortenburg, gedeeltelijk nog 
uit de 10e eeuw. B. is een belangrijke industriestad 
(textiel, machines). Op 20 en 21 Mei 1813 versloeg 
Napoleon bij B. de Pruisen en de Kussen. Door neder- 
lagen van Franschc maarschalken gingen de vruchten 
van deze overwinning echter weder verloren. 

Bauwens, 1° Cornelis A., stadsonderwijzer 
te Lier en destijds befaamd letterkundige, schrijver 
van een vijftal treurspelen en twee blijspelen. * 1758, 
f 23 Aug. 1824 te Sas-van-Gcnt. 

Werken: treurspelen : Cleomire, ersteld Pheni- 

oiën of de zegepralende godsdienst; St. Gommar; De 
Furie van Lier; Gabiana ; Adclson en Salvanie. Blij- 
spelen: Anselmo en Pasquin ; De Dwaeshcid der Min- 
naers. Godelaine. 

2° I s i d o o r, geneesheer, schrijver van een 
onvoltooid medisch woordenboek, van een paar 
bekroonde tooneelstukken: het blijspel Hertog Philips 
(1894), het treurspel Twee Tygerinncn (1897), van 
het zangspel Quinten Metsys en het historisch melo- 
drama Iwein van Aalst (1886), romantisch, volkseh, 
simplistisch met enkel op effect berekend uiterlijk 
gebeuren. * 1855, f 1918 te Aalst (België). 

L i t. : Valory d’Hondt, lsidoor Bauwens* levens- en 
boekbeschrijving (Aalst). Goddame, 

3° Lieven, Gentsch industrieel uit een Lmilie 
van leerlooiers, die met gevaar voor zijn leven de 
machines voor mechanische katoenspinnerij uit Enge- 
land naar het vaderland overbracht en aldaar ver- 
beterde. * 14 Juni 1769 te Gent, f 17 Maart 1822 te 
Parijs. Richtte fabrieken op te Passy (1798), te Gent 
(1799) en te Drongen, bij Gent. Poogde na 1814 zijn 
verloren fortuin te herwinnen door de verwerking van 
zijde-afval. Voerde, als bestuurder der gevangenis te 
Gent onder het Napoleontisch regime, aldaar het 
stelsel in der werkverschaffing aan de gevangenen. 

L i t. : L. Hebbelynck, Biographie de Liévin Bauwens 
(1853); Biographie nationale de Belgique (II). Elias. 

Buux, Les, Fransch stadje van 200 inw. in het 
dept. Bouches-du-Rhone, ten N.O. van Arles; tegen 
een berg gelegen; bezit schilderachtige ruines. In de 
M.E. een groote stad; de Seigneurs van B. waren de 
stamvaders van het huis van Oranje. In de nabijheid 
veel bauxiet. 

L i t. : Lcnthéric, les Villes mortes du Golfe du Lyon 
(1875). 

Bauxiet (ontdekt door Berthier in 1822 bij Les 
Baux, bij Arles in de Provencc; vandaar de naam), 
mineraal van de samenstelling Al 2 0 3 4- 3H 2 0. 
Bauxiet is een verweer ingspre duet van stollings- 
gesteenten, die rijk zijn aan aluminium. B. is een 
belangrijk bestanddeel der terra rossa en van lateriet. 
> Aluminiumertsen. In zuiveren toestand is het een 
witte stof. Behalve in Frankrijk w T ordt b. gevonden 
in de Vereeni<:de Staten (Arkansas, Georgië, Alabama). 
Vei der in Ierland, Stiermarken, Dalmatië en Italië. 
In Frankrijk is in 1930 meer dan 630 000 ton gew onnen. 
In 1929 was het wereldverbruik 1 883 000 ton, waarvan 
o.m. geleverd door: Frankrijk 600 000, Vereenigde 
Staten 370 000, Hongarije 250 000, Italië 197 000, 
Ned. Guyana 190 000. Het mineraal dient voor de 
bereiding van aluminium. 

Bauxictstccnen, een soort vuurvaste steen, 
bestaande uit 60% aluminiumoxyde en 40% leem. 
Als vuurvast materiaal behoort het tot de meest 
resistente soorten. Het smeltpunt ligt boven 1 800°. 

Bavay , Laurent de, directeur der tuinbouw- 
school te Vilvoorde bij Brussel, pomoloog en schrijver; 
* 1795, f 1855. 



159 


Bavegem — Bax 


160 


Bavecjem (< Bavo(?) persoonsnaam, heim = 
woonplaats), een der oudste gemeenten in de prov. 
O. Vlaanderen, 13 km ten W. van Aalst. Opp. 982 ha; 
1 500 inw. Landbouw. In de 10e eeuw reeds een bid- 
plaats, is B. vermeld in een charter van 976, waarbij 
Otto II de St. Baafsabdij van Gent in het bezit van 
haar goederen bevestigt. 

L i t. : De Potter en Broeckaert (5e red., I) ; Oud- 
heidkundige Inventaris van O. VI. (7e afl. 1916). 

Ba vel, > Ginneken c.a. (N. Br. gem.). 

Baveno, luchtkuuroord aan het Lago Maggiore. 

Baviaan, ■> Aap. 

Bavikhove, of Bavichove, Belg. gem. 
in de prov. West-Vlaanderen, ten N.O. van Kortrijk, 
op den linkeroever van de Leie; opp. 668 ha, 1 900 inw. 
Zand- en kleigrond; landbouw, vlas; kerk uit de 
13e eeuw; oude heerlijkheid. 

Bavinck, Herman, hoogleeraar in de Gere- 
formeerde dogmatiek; Christelijk paedagoog. * 1854 
als dominees-zoon te Hoogeveen, f 1921 te Amsterdam. 
In 1882 benoemd tot hoogleeraar aan de Theol. Sch. 
te Kampen; werkte met succes aan de vereeniging der 
Gereformeerde kerken. Sinds 1902 hoogleeraar aan 
de Vrije Universiteit te Amsterdam, waar ook zijn 
paedagogische werkzaamheid begon. Hij is een der 
eerste mannen van erkende geleerdheid in Nederland, 
die de opvoedkundige wetenschap beoefenden: „hij 
heeft de paedagogiek voor ons gerukt uit de school- 
boekenhoek” : herinnert door zijn philosophisch en 
historische instelling sterk aan het werk van 
Willmann; is een stelselbouwer van vaste beginselen, 
weet het werk van andersdenkenden te waardeeren, 
maar is slecht te spreken over de moderne paedagogiek; 
groot mensch, groot Christen naar de Gereformeerde 
opvatting, groot geleerde en vruchtbaar schrijver. 
Hij was lid van de Eerste Kamer, van de Koninkl. 
Acad. van Wetensch., voorzitter van den Onderwijs- 
raad, afd. lager onderwijs. 

Werken: Gereformeerde Dogmatiek, in 4 doelen 
verschenen in 1895 en meerdere malen herdrukt : Begin- 
selen der psychologie (1897) ; Paedagogische beginselen 
(1904) ; De opvoeding der rijpere jeugd (1916) ; De nieuwe 
opvoeding (1917) ; Bijbclsche en religieuze psychologie 
(1920) ; Verzamelde opstellen op het gebied van gods- 
dienst en wetenschap (1921). — L i t. : ds. J. H. Land- 
wehr. Prof. dr. Herm. Bavinck herdacht door een zijner 
oud-leerlingen (1921) ; fr. S. Rombouts, Prof. dr. H. B., 
gids bij de studie van zijn paedagogische werken (1922) : 
J. Brederveld, Hoofdlijnen der paedagogiek van dr. H. B. 
met critische beschouwing (1927). Bij Landwehr vindt 
men een volledige lijst van B.’s geschriften. 

Rombouts. 

Bavinkhove, gemeente en kerspel in kanton 
Kassei (Fr. Vlaanderen). 800 inw. Vlaamschsprekend. 
Landbouw. 

Bavius of V a v i u s, slecht Romeinsch dichter, 
laatste eeuw v. Chr.; trachtte Vergilius tegen te 
werken. 

Bavo, Allowinus, Heilige, belijder. (Zie afb.) 
Geb. in Haspengouw uit een adellijke familie, f op een 
len Oct. omstreeks 650, waarschijnlijk te Gent. Trad 
in het huwelijk met een dochter van graaf Adilio, 
die het leven schonk aan een dochter Agletrudis. Na 
den dood zijner echtgenoote kwam hij in betrekking 
met den H. Amandus en werd door zijn voorbeeld 
en prediking tot een deugdzamer leven bewogen. 
Hij schonk al zijn goederen weg en begaf zich naar 
Gent, waar de H. Amandus voor kort de twee abdijen 
van S. Pieter en van Ganda had gesticht. In deze 
laatste abdij werd Bavo opgenomen. Na den H. Aman- 


dus een tijdlang op zijn apostolische tochten te hebben 
vergezeld, vestigde hij zich als kluizenaar in de abdij 
van Ganda, later naar zijn naam St. Baafsabdij ge- 
noemd. De H. Bavo is patroon van de bisdommen Gent 
en Haarlem. Feest op 1 Oct., vandaar het woord 
Ba mis (Baafmis). > Bamcspacht. 

L i t. : Vita Bavonis, ed. Krusch, Monumenta Ger- 
maniae Historica rerum Merovingicarum (IV, 527) ; Van 
der Essen, Etude critique et littéraire sur les Vitae des 
Saints Mérovingiens de PAncienne Belgique (Leuven 
1907). De Schaep drijver. 

Voorstelling in de kunst. B. wordt 
afgebeeld als gekroonde Vlaamsche graaf met zwaard, 
scepter, boek en valk; geneest bezetenen, geneest een 
overredene. Als monnik zijn aanneming door den 
H. Amandus en in eenzaamheid mediteerend. Piolin 
kent hem als attributen nog toe een boom, een wagen, 
een kerk en een steen. 

Bavo, Sint, godsdienstig weekblad voor het 
bisdom Haarlem; verschijnt sinds 1 Jan. 1898. 

Bavokcrk, S t., te Haarlem, kathedrale kerk, 
door ir. J. Cuypers gebouwd; gewijd in 1898. Belang- 
rijke baksteenbouw, rijk gedetailleerd. 

Lit. : De Kathedrale kerk te Haarlem (1923 ; be- 
schreven door Th. M. P. Bekkers en C. N. J. Meysing). 

Bawean, een eilandje, in de Java-zee gelegen, 
ten N. van Soerabaja en tot deze afdeeling behoorend. 
Het middengedeelte bestaat uit een vulkanisch 
bergland met den Goenoeng Besar als top (660 m). 
Er liggen een bergmeer en eenige warme zwavel- 
bronnen. De hoofdplaats is Sangkapoera, aan de Zuid- 
kust gelegen, een haven voor schepen, varend tusschen 
Soerabaja en Bandjermasin. Het eilandje is dicht 
bevolkt: in 1930 woonden er 29 837 menschen. Er is 
veel rijstbouw; de sawah’s worden meestal door de 
vrouwen bewerkt. Men vervaardigt slendangs en sarongs 
voor den uitvoer. Verder is er een uitgebreide visch- 
vangst, maar het hoofdbestaansiniddel wordt gevormd 
door den handel: het kleine eiland biedt geen onder- 
houd voor alle bewoners, zoodat vele mannen bijna 
altijd in den vreemde zijn, handel drijvend in alle 
deelen van den Archipel. v. Velthoven. 

Bawit, een oud-Koptisch klooster bij Hermopolis 
(Midden-Egypte), gesticht door den H. Apollo (395), 
leerling van den H. Pachomius. Het beleefde een tijd 
van grooten bloei (was eens door ruim 500 monniken 
bevolkt), maar werd in de 10e eeuw door de Arabieren 
verwoest. De belangrijke resten weerden eenigen tijd 
geleden door Chassinat, Clédat (1901 — 1904) en Mas- 
péro (1913) uit het zand gegraven. Binnen een grooten 
ringmuur lagen twee kloosters (één voor mannen, 
één voor vrouwen), twee kerken, de eene uit gedroogde 
tegels, de andere (grootere) uit groote vierkante steen- 
blokken gebouwd, een pelgrimshuis en een groot aantal 
kapelletjes en cellen, alsmede een uitgestrekte dooden- 
stad. De kerken hebben nog resten van muurschilde- 
ringen en zijn in rijke plastiek geornamenteerd. Ook 
de kapellen zijn rijk aan inschriften en schilderingen 
(uit de 6e — 9e eeuw), die tooneelen uit het O. en N. 
Testament op sterk realistische wijze behandelen, 
verder den tronenden Christus, Maria met Engelen 
en Heiligen, symbolische voorstellingen en jacht- 
tooneelen. De beste dezer schilderingen bevinden zich 
nu in Kaïro en in het Louvre te Parijs. 

Lit.: J. Clédat, Le MonasLère et la Nécropole de B. 
(2 dln. Kaïro 1904 — ’12) ; Dict. d’Archéol. chrét. et de 
Lit. (II 203-251). Knipping. 

Bax, 1° Arno ld, een der meest vooraan- 
staande nieuwere Engelsche componisten, * 8 Nov. 


M. A. J. BAUER 



Oostersche stadspoort. 


Aquarel. 


BEELD-TELEGRAPHIE 



De beeld-telegraphie-installatie op het hoofdtelegraafkantoor te Berlijn. Het origineel wordt op den cylinder 
bevestigd. Het kastje met den witten knop bevat de Kerr-cel. 



161 


Baxter— Bayle 


162 


1883 te Londen; schreef talrijke werken op nagenoeg 
elk gebied, waarin hij zich als een volgeling van de 
impressionistische muziek doet kennen, met veelszins 
persoonlijke elementen. Reeser. 

2° J a c o b u s, bisschopzen deling van de congre- 
gatie van Scheut. * 26 Juni 1824 te Weelde (Antw.). 
f 4 Jan. 1895 te Si-jing-tze (Mongolië). Priester te 
Mechelen (1853), onderpastoor te Scherpenheuvel 
(1854), trad in de pas gestichte congr. van Scheut 
(1863). Bestuurder te Scheut (1865); als apostolisch 
provicaris naar Mongolië in 1871. Eerste apostolisch 
vicaris van Mongolië en titulair-bisschop van Adras 
(1874); gewijd te Si-wan-tze 1875. Bij verdeeling van 
Mongolië in drie vicariaten, in 1883, behield hij 
Midden-Mongolië. Allossenj. 

Baxter, R i c h a r d, Engelsch schrijver van 
het klassiek Puriteinsch devotieboek „The Saints 
Everlasting Rest” (1650) en andere stichtelijke litera- 
tuur voor Protestanten. 

* 1615, f 1691. Oefende de zielzorg uit in Kidder- 
minster van 1641 tot 1662, maar werd na de Restau- 
ratie herhaaldelijk vervolgd door de Staatskerk. Heeft 
enorm veel geschreven, meer dan 150 werken. Alleen 
zijn „Saints Everlasting Rest” en zijn autobiogra- 
phische „Reliquiae Baxterianae” (uitg. 1696) zijn 
bekend gebleven. Zijn theologische opvattingen waren 
piëtistisch, ondogmatisch, vaag-Armeniaansch. Zijn 
stijl is ongekunsteld, monotoon, populair. Pompen. 

Bay, 1° Maria Caecilia, ook: B a ij, 
abdis van het klooster S. Pietro in Montefiascone; 

* 4 Jan. 1694 te Montefiascone, f 6 Jan. 1766. Zij was 
rijk begenadigd en had gedurende haar leven veel 
vernedering en lijden te doorstaan. Haar eenvoudige 
openbaringen worden veel gelezen. 

Uitg.: P. Bergamaschi (2 dln. Viterbo 1923 — *25). 

J. v. Rooij. 

2° M i c h a e 1 de, > Bajus. 

Baya, stamgroep van de Adamanye, behoorend 
tot de Soedan -Manfoe’s; > Afrika (Bevolking). 

Bayanzi, > Bajanzi. 

Bayard, 1° J e a n, Fransch tooneelschrijver 
van tallooze blijspelen en libretti, dikwijls ais mede- 
werker van Scribe. * 1796 te Charolles, f 1853 te Parijs. 

Uitg.: Thé&tre (12 dln. Parijs 1855 vlg.). 

2° P i e r r e du Terrail, seigneur de, 
streed als veldheer in meerdere Italiaansche veldtoch- 
ten onder Karei VIII, Lodewijk XII en Frans I en 
werd als laatste voorbeeld van het middelneuwsche 
ridderideaal, „le chevalier sans peur et sans reproche”. 

* 1476 op het slot Bayard (dept. Isère). Na den slag 
bij Marignano (1515) gaf hij den ridderslag aan koning 
Frans 1. Op 30 April 1524 werd hij bij den terugtocht 
van het Fransche leger uit Noord-Italië bij de rivier 
de Sesia doodelijk gewond. 

L ! t. : Poirier, Vie de Bayard (1889); Wille, Bayard 
(1901); Plan, Histoire du chevalier Bayard (19131. 

v. Gorkom. 

Bay City, belangrijk verkeerscentrum (scheep- en 
luchtvaart, spoorwegen) in den N. Amer. staat 
Michigan, 43° 35' N., 83° 50' W., gelegen aan de 
beide oevers van de Shiawasseerivier, niet ver van 
haar monding in de Saginawbaai (Huronmeer), te 
midden van Michigan’s steenkoolvelden en van een 
rijke landbouwstreek (suikerbieten). In 1930: 47 355 
inw. Voornaamste bestaansmiddelen: visscherij; hout- 
bewerking en houthandel; suikerfabrieken; machine- 
en scheepsbouw; zoutfabrieken en zouthandel; uitvoer 
van gezouten visch en van steenkool. Polspoel. 


Baye, Amour Aug. Louis, Fransch 
archeoloog. Ontdekte de praehistorischc grotten rond 
Baya, onderzocht Frankische en Gallische begraaf- 
plaatsen, en deed ethnographische studiereizen o.m. 
in Engeland, Hongarije, Rusland. 

Werken: Archéologie préhistorique (1880) ; LTn- 
dustrie Anglo-Saxonne (1889). 

Baycr 205 (Germanin) in een gecompliceerd 
ureumderivaat uit de aromatische groep, dat talrijke 
aminobenzoëzuurresten in peptidevormige verbinding 
bevat. Het is een grijs bittei smakend poeder, dat 
sterke trypanosomen doodende eigenschappen heeft 
en het krachtigst werkzame middel is voor de behande- 
ling van de slaapziekte. Zijn werking werd voor het 
eerst in Afrika bestudeerd in 1921 en ’22 dooreen door 
de I. G. Farben industrie uitgeruste expeditie onder 
leiding van prof. Kleine. 

In het eerste stadium van slaapziekte brengt B. 
vrijwel steeds genezing, in het tweede stadium bij 
30—40% der gevallen. Intraveneuze (in de aders) 
toepassing verdient het meest aanbeveling, echter 
ook intramusculaire inspuiting is mogelijk. 

B. kan nadeeligc gevolgen voor de nieren hebben. 

E. Hermans . 

Baycr, Johannes, sterrenkundige, * 1572, 
f 1625. Publiceerde in 1603 in sterrenkaart, waarop 
hij voor het eerst de sterren aanduidt door de letters 
van het Grieksche alphabet. De helderste ster heet 
meestal a, enz. Dit plan is voor de heldere sterren 
bijgehouden ; later zijn ook Latijnscho letters en 
nummers gebruikt. 

Bayes, Regel van. Deze luidt in het een- 
voudigste geval aldus: wanneer een waargenomen 
gebeurtenis E door een van meerdere, a prior i even 
goed mogelijke, oorzaken kan zijn teweeggebracht, dan 
is de > wiskundige kans, dat de oorzaak Ui werk- 
zaam w r as, gelijk aan de kans, dat de gebeurtenis 
E door Ui tot stand komt, gedeeld door de » totale 
kans, dat E tot stand komt. J. Ridder. 

Baycu Subias, Francisco, Spaansch 
schilder; * 9 Mrt. 1734 te Saragossa, f 4 Aug. 1795 
te Madrid. Leerling van José Luxan en van Ant. 
Gonsalez Velasquez te Madrid. Door bemiddeling 
van Ant. Raph. Merys kreeg hij opdrachten voor 
decoratie aan het nieuwe kon. paleis te Madrid, de 
kerken, kapellen, kasteden te Aranjuez, S. Ildefonso, 
de Franciscanerkerk te Madrid, de kathedraal te 
Toledo, enz. Werkte in een eenigszins academische 
conventioneele opvatting. Hij w T as de zwager van 
Franc. Goya. 

L i t. : P. Lafond, Les Bayeu, Revue de Part anc. et 
mod. (XXII, 173). de Stuers. 

Bayeux, arr. hoofdstad in het dept. Calvados 
(Fr., 49° 30' N., 30° W.); 7 500 inw. (1926); 8 km van 
de zee in een vruchtbare vlakte; katoen; boter. 

B. was een bisdom sinds de 4e eeuw; 1802 vereenigd 
met het opgeheven diocees Lisieux. 

De kathedraal Notre-Dame is in Normandisch- 
Gotischen stijl opgetrokken (13 — 15e eeuw); verder 
een archeologisch museum met het bekende t a p ij t - 
werk van B. (zie afb. kol. 163). 

Lit. : Jean Valery-Radot, La cathédrale de B. (z.j.). 

Bayle, P i e r r e, veelwetend Fransch geleerde en 
verlichtingsphilosoof; * 18 Nov. 1647 te Carlat (Fr.), 
f 28 Dec. 1706 te Rotterdam; zoon van Hugenotisch 
geestelijke, onder invloed der Jezuïeten overgegaan 
tot het Katholicisme, na l 1 / 2 jaar weer teruggekeerd 


iv. o 


163 


Baylen — Bayou 


164 



Tapijt van Bayeux. Fragment, voorstellende de kroning van Harold. 


tot Protestantisme; prof. der wijsbegeerte te Sédan en 
te Rotterdam, afgezet wegens vrijdenkerij. 

Scherp critisch verstand, dat aan alles twijfelt, 
behalve aan de onhoudbaarheid van ieder dogmatisch 
standpunt: openbaringsgeloof en wetenschappelijk 
verstand staan in onverzoenbare tegenspraak tegen- 
over elkaar; zedelijkheid is onafhankelijk van gods- 
dienstige overtuiging, daarom zijn noodzakelijk 
scheiding van Kerk en Staat en absolute verdraag- 
zaamheid. Zijn werken oefenden grooten invloed uit 
op de verbreiding der liberale gedachte. 

Hoofdwerk: Dictionnaire historique et critique 
(4 dln. Rotterdam 1740). de Bruin. 

Baylen, stad in Spanje, aan de Z. helling der 
Siërra" Morena, aan de spoorlijn van Puente Genil 
naar Linares; 7 600 inw.; loodmijnen en loodgieterijen. 

Capitulatie van Baylen. 23 Juli 1808 moet de 
Fr. generaal Dupont zich aan den Spaanschen aan- 
voerder Castanos overgegeven. Gevolgen van bijz. 
beteekenis: heel Spanje komt nu in opstand; opleving 
van het nationaal verzet in Duitschland; Napoleon’s 
milit. prestige verzwakt. V. Claassen. 

Baylon, Paschalis, > Paschalis Baylon. 

Bayly, A d a Ellen, Eng. romanschrijfster 
onder pseudoniem Edna Lyall. * 1857, f 1903. Suffra- 
gette, verdedigster van vrouwenrechten, enz. Haar 
meest bekende romans zijn: Donovan (1882), waarin 
een godsdienstig liberalisme wordt geïdealiseerd; 
We Two (1884), een vervolg van den eersten; In the 
golden Days (1885), een historische roman van de 
17e eeuw. * 

Bay-olie, aetherische olie, welke wordt verkregen 
uit de bladeren van verschillende soorten baaibessen- 
boomen (Pimenta acris), die op de West-lndische 
eilanden en vooral op Dominica gekweekt worden. 
Gele, aan de lucht bruin wordende vloeistof met kruid- 
nage lacht igen reuk. Wordt gebruikt in de reuk- 
stoffen -industrie; opgelost in alcohol als haargroei- 
middel en tegen tandpijn aanbevolen. Door distillee- 
ren van Bay-olie met rum verkrijgt men deBay-nini 
welke in warme landen als verfrisschend waschmiddel 
wordt gebruikt. 

In Ned. wordt ook laurierolie als „balsem van Baai” 
gebruikt als rheumatiekmiddel; verwekt dikwijls 
jeuk en uitslag. Hoogeveen. 

Bayonnc, 1° arr. -hoofdstad in Frankrijk, 


dept. Basses-Pyrénées (43° 30' N., 1° 28' W.), aan de 
Adour, 6 km van zee; 31 727 inw. (1931). Eindpunt 
der passen door de Pyreneeën; handelsstad, maar 
zandbanken bemoeilijken de scheepvaart. Scheeps- 
bouw, wol, wijn, chocolade. Sinds de 8e eeuw bisschops- 
zetel; veel Baskische invloed. 

Bezienswaardig zijn de 18e eeuwsche Gotische 
kathedraal, de H. Geestkerk van een uitzonderlijke 
Gotiek (16e eeuw), oud kasteel (15e eeuw) en bruggen 
over de Adour en de Nive. 

Om de Middellandsche Zee en Spanje voor Eng. 
te sluiten, wilde Napoleon een familielid (Joseph) 
op den Spaanschen troon; misbruikte daartoe de 
oneen igheid tusschen Karei IV v. Sp. en diens zoon 
Ferdinand. Op de samenkomst van B. 
(Apr— Mei 1808) deed Karei afstand en werd Ferd. 
daartoe door Napoleon gedwongen. 

L i t. : Ducéré, Dict. Hist. de B. (2 dln. 1911-1915). 

2° Stad in den staat New Jersey (N. A m e r i k a, 
40° 40' N., 74° 7' W.), onmiddellijk ten Z. van Jersey 
City op het uiteinde van de lange smalle landtong, 
die de baai van New York van de baai van Newark 
scheidt; door een brug met Staten Island verbonden. 
In 1930 88 979 inw. B. is een der voornaamste wereld- 
centra voor het raffineeren van petroleum. Het bezit 
een uitgestrekt waterfront en groote steenkooldokken, 
van waaruit deze brandstof over de verschillende 
deelen van Groot-New York wordt verdeeld. Zeer 
belangrijke metaal- en textielnijverheid (zijde); 
productie van zeep en parfumerie-artikelen. B. werd 
rond de jaren 1665 — *70 door Nederlanders gesticht. 

Polspoel. 

Bayot, A 1 p h o n s e, Belgisch Romanist, 
hoogleeraar te Leuven. * 1876 te Chapelle-lez-Her- 
laimont; specialiseerde zich in de studie en tekst- 
kritische uitgave van dc middcl-Franschc epiek en 
didactiek. 

Werken: Le roman de Gillion de Trazegnies (1903); 
La légende de Troie a la Cour de Bourgogne (1908); 
Oeuvres de Jacques de Hemricourt (1910) ; Gormont et 
Isembart (1914) ; Le poème moral (1929). 

Bayou, een Engelsche conuptie van het Fransche 
woord boyau (= darm), is de naam, die in het Z. van 
de Vereenigde Staten gegeven wordt aan moerassige, 
ondiepe meren of zijarmen, die door een rivier ten 
gevolge van meanderdoorbraak werden achtergelaten. 


165 


Bayreuth — Bazaar 


166 


Bayreuth, hoofdstad van het regeeringsdistrict 
Opper-Franken in een door den Rooden Ma in door- 
stroomd keteldal tusschen Fichtelgebergte en 
Frankische Jura. 35 000 inw., overwegend Prot. 

Veelzijdige industrie: textiel, 
machine-, porcelein-, piano-, 
chocolade-, suiker-, zeep- en 
oliefabrieken. De stad wist 
haar karakter van 18e eeuw- 
sche markgravenresidentie 
op merkwaardige wijze te 
behouden. Friedrich Liszt 
ligt op het kerkhof van B. 
begraven. B. is de stad van 
Jean Paul en (waardoor zij 
beroemd werd) van Richard 
Wagner, en door dezen 
laatste het centrum der 
beoefening van het Wag- 
neriaansche muziekdrama. Lijps. 

In 1871 vestigde Wagner zich hier en een jaar later 
legde hij den eersten steen voor het „Festspielhaus”, 
waarvan de stichting niet alleen tot doel bad de opvoe- 
ring van Wagner ’s muziekdrama’s, geheel volgens de 
bedoelingen van den componist, maar ook van andere 
Duitsche muziek -dramatische werken. Door het onder- 
nemen van kunstreizen in en buiten Duitschland 
bracht Wagner de eerste gelden, benoodigd voor de 



Wapen van 
Bayreuth. 



Bayreuth. Opera. 

stichting en bouw van een school ter opleiding der 
artisten, bijeen. Voorts verleenden de met dit doel in 
vele Europeesche steden opgerichte Wagnervereeni- 
gingen haar medewerking in het bijeen brengen van het 
kapitaal. Ook koning Lodewijk II van Beieren schonk 
zijn financieelen steun aan de onderneming. In den 
zomer van 1876 werd het Festspielhaus geopend met 
de uitvoering van den geheelen Ring des Nibelungen, 
die op 13 Augustus aan ving onder leiding van Hans 
Richter. De cyclus werd in denzelfden zomer nog 
tweemaal herhaald. De uitvoeringen leverden zoo’n 
belangrijk deficit op, dat zij eerst in 1882 hervat 
konden worden. Op 26 Juli van dat jaar beleefde het 
„Bühnenweihfestspiel” Parsifal te B. zijn eerste 
opvoering, onder leiding van Hcrmann Levi. 

Wagner had den Parsifal slechts voor B. bestemd. 
Het was zijn bedoeling, dat dit werk nooit op eenig 
ander tooneel het publiek als amusement voorgezet 


zou worden. Nadat echter in 1913 de wettelijke termijn 
voor de bescherming van Wagner ’s werken was afge- 
loopen, is de Parsifal in alle belangrijke Europeesche 
en Amerikaansche steden opgevoerd. 

Nadat Wagner in 1883 gestorven en in den tuin van 
villa Wahnfried, welke villa hij te B. bewoonde, 
begraven was, heeft zijn vrouw, Cosima, de leiding der 
Festspielc, die als regel om de twee jaar plaats hadden, 
oyergenomen, daarbij geassisteerd door haar zoon 
Siegfried, die allengs de leiding geheel in handen nam. 
Sedert zijn dood berust de leiding bij zijn weduwe, 
Winnifred Wagner. 

Richard Wagner ’s erfgenamen hebben het Fest- 
spielhaus in zooverre aan zijn oorspronkelijke bestem- 
ming onttrokken, dat ’t onder hun leiding slechts aan 
de uitvoering van Wagner 's werken is dienstbaar 
gemaakt. Tot op den huidigen dag gelden de Bay- 
reuther Festspiele als de traditioneele opvoeringen van 
Wagner ’s muziekdrama’s; in de latere jaren zijn ze 
qualitatief wel door opvoeringen in andere theaters 
geëvenaard. De Festspiele zijn ten gevolge van den 
oorlog van 1914 — 1923 onderbroken geweest. 

Bekende Bayreuther dirigenten zijn, behalve de 
reeds genoemde : Michaël Balling, Karl Muck, Franz 
von Hoeslin, Wilhelm Furtwaengler, Arturo Toscanini 
en Karl Elmendorf. Hanekroot . 

Bay-rum, aromatische vloeistof, verkregen door 
destillatie van de bladeren van Pimenta acris met rum 
of door oplossen van Bay-olie in rum. 

Bays, Margaretha, gestigmatiseerde, lid 
van de derde orde van den H. Franciscus; * 8 Sept. 
1815 te La Pierraz (Zwitserland), f 27 Juni 1879 aldaar. 
Zij was naaister en bezat een kinderlijken eenvoud. 
8 Dec. 1854 werd zij op de voorspraak van Maria op 
wonderbare wijze genezen van kanker en sinds dien 
tijd droeg zij de wondteekenen des Ileeren (1854 — ’73 
zichtbaar, verder onzichtbaar). Op Vrijdagen en in 
den Vastentijd verdroeg zij ondraaglijke pijnen. Zij 
werd begraven in de parochiekerk van Siviriez. Het 
proces van haar zaligverklaring is aanhangig. 

J. v. Rooij . 

Baijum, dorpje van ongeveer 150 inw. in de 
Fricsche gem. Hennaarderadecl. 

Baza, stad in Spanje (37° 10' N., 2° 44' W.), 
het Romeinsche Basti. Was in den Moorschen tijd een 
rijke handelsstad; thans vervallen. 16 000 inw.; Kath. 

Bazaar is de Perzische naam voor een complex 
van winkelstraten in Perz. steden, later wordt het 
woord meer algemeen voor elke winkelwijk in Ooster- 
sche steden gebezigd, vnl. door de Europeanen. De 
Arab. naam is S u k, de Turksche T s j a r s j i. 
In Perzië is de b. een net van elkaar kruisende enge 
straten, die met koepels en bogen overwelfd zijn. 
Aan eiken boog beantwoordt aan beide zijden der straat 
een overwelfde nis met platten bodem, waarop de ver- 
kooper zijn waren uitstalt. Achter deze winkelruimte 
bevinden zich de magazijnen. Op de kruispunten der 
straten is vaak een fontein aangebracht. Midden 
in het door verschillende straten omgeven blok ligt 
de „Cliane” of „Klian”, vaak twee verdiepingen hoog, 
die als opslagplaats of kantoor dienst doet. In grootere 
bazaars bevinden zich soms badhuizen en kleine 
moskees. Bekende b. in Tsfahan (Perzië); kleiner zijn 
de Syrische (Aleppo) en Turksche bazaars (Konstan- 
tinopel). Soms komen de bazaars uit vrome stichtingen 
voort: hun opbrengst dient dan tot onderhoud eener 
moskee of Madrasa. In Indiè is dit woord tot pasar, 
passer, passar geworden. 



167 


Bazaine — Bazel 


168 


Thans noemt men in de Europeesche ste- 
den de groote winkels, waarin een groote verschei- 
denheid van artikelen te koop is, bazaar. Knipping. 

Bazaine, F r a n q o i s Achille, maar- 
schalk van Frankrijk, dapper soldaat, goed aanvoerder 
maar geen veldheer, * 13 Febr. 1811 te Versa illes, 
f 23 Sept. 1888 te Madrid. Als onderofficier naar 
Algerië ( ’32) ; nam als off . deel aan de veldtochten in Sp. , 
Algerië, de Krim en Italië. 1 Oct. 1863 werd hij tot 
opperbevelhebber van het Fr. bezettingsleger in 
Mexico en 6 Sept. 1864 tot maarschalk benoemd. 
Tegenover keizer Maxim iliaan speelde hij een dubbel- 
zinnige rol. Hoewel hij na zijn terugkeer (1867) zeer 
koel door Napoleon III werd ontvangen, werd hij 
niettemin tot commandant van het 3e armeekorps 
benoemd en in 1869 aan het hoofd van de keizerlijke 
garde gesteld. Bij het uitbreken van den Fr.-D. oorlog 
werd hij belast met het bevel over het 1 in ker- vleugel • 
leger van het Fr. Rijn leger en vervolgens over het 
Rijn leger zelf, maar was niet tegen de hem opgedragen 
taak opgewassen. Hij werd weldra binnen de vesting 
Metz geworpen en moest zich 27 Oct. 1870, met 
173 000 man, aan den vijand overgeven. Na den 
oorlog werd hij door een krijgsraad ter dood veroor- 
deeld, doch deze straf werd in 20 jaar vestingstraf 
veranderd (10 Dec. 1873). Het gelukte hem echter 
te ontvluchten. Hij trok zich met zijn familie naar 
België terug (tot 1875) en ging daarna naar Madrid. 

L i t. : La Guerronière, L’homme de Metz (Brussel 
1871) ; Daisème, L’affaire Bazaine (Parijs 1872) ; Stom- 
por, Bazaine und die Rhein-Armee (Leipzig 1872) ; 
Humbert, Bazaine et le drame de Metz (Parijs 1929). 

Lousse. 

Bazalgctte, L é o n, Fransch letterkundig 
criticus. * 1865, f 6 Jan - 1929. Zi i n Magazin 
international (1895 vlg.) werd een orgaan 
van letterkundige bemiddeling tusschen Frankrijk en 
de moderne Germaansche en Slavische letterkunden. 
B. deed veel voor de verspreiding van de werken 
van\V.\Vhitman,Verhaeren, Tolstoj, Kn. Hamsun,e.a. 

Bazalt, > Basalt. 

Bazard, Saint-Amand, volgeling van 
Saint-Simon en medewerker aan het voornaamste 
werk der Saint-Simon isten: Doctrine de Saint-Simon; 
* 19 Sept. 1791 te Parijs, f 29 Juli 1832 te Courtry. 
B. had behoord tot de samenzwering der Fransche 
Carbonari en had in relatie gestaan met Lafayette; 
hij wilde echter medewerken aan een nieuwen positie- 
ven opbouw der maatschappij, leerde de denkbeelden 
kennen van den graaf Saint-Simon en nam weldra 
een eerste plaats in onder diens leerlingen. Met Olinde 
Rodrigues en Enfentin nam hij de leiding der school 
van Saint-Simon en van het weekblad „Le Producteur” 
op zich. Dit weekblad stelde den productieven arbeid 
op den voorgrond; de arbeidsidee zou de heele samen- 
leving vervormen; tot nu toe was de maatschappij een 
militaire geweest; in de nieuwe maatschappij moest 
ieder werken, maar met dit werken werd niet uit- 
sluitend handenarbeid bedoeld; alle productieve 
klassen moesten vrijgemaakt worden en verheven door 
middel der industrieele associatie. B. werkte later 
mede aan de periodieken: L’organisateur, en: Le 
globe. In reeksen van voordrachten verkondigde B.. 
dat de maatschappij moest worden gereorganiseerd 
als een geheel, gehoorzamend aan een vaste leiding: 
ieder moest er een plaats hebben naar zijn geschiktheid 
en ieders inkomen moest beantwoorden aan zijn 
prestatie; in de bestaande maatschappij wordt op 


goed geluk af geproduceerd; er is geen evenwicht 
tusschen voortbrenging en verbruik; er zijn in de 
maatschappij organische en critische perioden geweest; 
voorbeelden der organische perioden zijn o.a. de 
middeleeuwen; van critische perioden o.a. de hervor- 
ming der 16e eeuw; erfenissen moeten komen ten bate 
van den staat; een groote centrale bank moet belast 
worden met het verdeel ingswerk en moet de productie- 
middelen toevertrouwen aan de meest geschikte 
arbeidenden; de maatschappij zal ingedeeld worden 
in drieklassen: mannen der kunst, geleerden en indus- 
trieelen; naast een algemeene is voor elke klasse een 
speciale opvoeding vereischt. Aan mevrouw Bazard 
werd de leiding van de vrouwelijke adepten der Saint- 
Simon isten toevertrouwd. Wegens oneen igheid met 
Enfentin omtrent de kwestie der vrouw in het Saint- 
Simon isme trad Bazard uit de school. Men zou B. een 
voorlooper kunnen noemen van sommige fascistische 
en nationaal-socialistische denkbeelden. En van die 
eener plan -economie. 

L i t. : Quack, Socialisten, Personen en stelsels (III); 
J. Ruppert, Das soziale System Bazards (1890). 

M. Verhoeven. 

Bazel, 1° (Waas) gemeente in de prov. 
O. V 1 a a n d e r e n, 7 km ten Westen van Temsche, 
opp. 1 694 ha, 4 500 inw. Landbouw en klompen- 
makerijen. Van de kerk is het koor van 1560; de hooge 
spitstoren en de beuken zijn in Gotischen stijl her- 
bouwd in de 19e eeuw. Het kasteel van Wissekerke, 
oorspronkelijk een versterkte burcht uit de 10e eeuw, 
is nu grondig en sierlijk omgewerkt. Blancquaert. 

2° Kanton van het Zwitsersch eedgenootschap, 
grenst in het N. en N.O. aan Baden, in het W. aan den 
Elzas. Sinds 1833 gesplitst in twee halfkantons: 
Bazel-stad (37 km 2 , 

154 000 inw.), waartoe alleen 
de gelijknamige stad met on- 
middellijke omgeving behoort, 
en Bazcl-land (427 km 2 , 

82 000 inw.), dat een deel 
van het Jura-plateau omvat, 
doorsneden door de dalen van 
Birs en Ergolz, en in het Z. 
begrensd wordt door de ketens 
van Hauenstein en Passwang. 

Door economische banden zijn 



verbonden. Het gebied is 


Wapen van Bazel-land. 
rijk aan romantische 



169 


Bazel 


170 


berg-ruïnen. Bloeiende groente- en fruitteelt. Van 
de industrie is vooral de fabricatie van zijde- 
linten, veelal nog als huisindustrie beoefend, be- 
langrijk, verder nog katoen, passementen, chemische 
industrie, machinebouw en bierbrouwerijen. De Katho- 
lieken hooren tot het bisdom Bern. Op het gebied van 
onderwijs en sociale voorzorg staat het land bovenaan. 

3° Hoofdstad van het halfkanton Bazel-stad. 
tweede stad van Zwitserland. Ruim 164 000 
Kath. en 62.6 % Protestant. 
B. ligt aan beide oevers van 
den Rijn, die hier in de Boven - 
rijnsche laagvlakte treedt. 
Op den hoogen linkeroever 
Groot-Bazel, rechts van den 
Rijn, laag gelegen, Klein- 
Bazel. Beide stadsdeelen zijn 
door drie bruggen met elkaar 
verbonden. De in 1460 door 
paus Pius II gestichte uni- 
versiteit w r erd door Erasmus 
tot hoofd zetel van het Huma- 
nisme gemaakt; in 1930 nog 
door 1 460 studenten bezocht. 
Voor industrie, > Bazel, 2° 
(kanton). Vanuit verkeersoogpunt is Bazel een 
hoofdtoegangspoort van Zwitserland; meer dan de 
helft van den in- en uitvoer van het land gaat over 
deze stad. De spoorwegen links en rechts van den Rijn 
en door de Bourgondische Poort vinden hier aanslui- 
ting aan het Zwitsersche net. B. neemt als Zuidelijkste 
haven deel aan de Rijnscheepvaart (1927: 286 600 ton); 
een zijtak voert over Hüningen naar het Rhóne- 
Rijnkanaal. Er bestaan plannen om nog verder 
stroomopwaarts tot het Boden-meer den Rijn be- 
vaarbaar te maken. Lipa. 

Bazel is verdeeld in vijf parochies en behoort tot 
het bisdom Bazel-Lugano. 

Kunst te Bazel. De oude Rijnbrug werd in 
1226 gebouwd. Eerst in 1860 bij den aanleg der spoor- 
lijnen ging men er toe over den muurring om de oude 
stad te doorbreken. De oude stad is zeer onregel- 
matig aangelegd, de nieuw T e echter, met breede, rechte 
straten en typisch Noord-Zwitsersche één-familie- 
huizen, wordt aangenaam door tuin- en park -aanleg 
onderbroken. De kathedraal (het Munster) 
is in zijn oudste deelen (Romaansch middenschip 
en galerijen) van de eerste helft der 12e eeuw. Na den 
grooten brand van 1185 moest veel wmrden vernieuwd 
en bijgebouwd (koor onder invloed der Pransche 
Gotiek met veelhoekigen kooromgang: begin 13e eeuw; 
de rijk met beeldhouwwerk versierde Galluspoort en 
het voorportaal). Na een aardbeving (1356) moesten 
gewelven en koor worden gerestaureerd, in 1421 kw r am 
de St. George-toren gereed, in 1488 de Martinus- 
toren en de laat-Gotische kruisgang. In de kerk 
bevindt zich de graftombe van Erasmus van Rotter- 
dam. 

Een hallenkerk is de door Hans Niesenberger (1492) 
gebouwde St. Leonhards-kerk. Uit de 
14e eeuw dateert de oude Franc iskanerkerk (nu 
Historisch Museum). Typisch voorbeeld van modernen 
betonbouw is de in 1926 door Moser gebouw de Antonius- 
kerk met merkwaardige gebrandschilderde ramen. 
Het raadhuis in Bourgondische laat-Gotiek 
opgetrokken (1504 — ’13), moest reeds in 1535 aan de 
achterzijde vernieuwd worden, terwijl in 1904 het 
heele gebouw grondig gerestaureerd werd. Van de 


poorten zijn de Spalentor (St. Paulus-poort) 
en de Sankt Johanntor de bekendste. Van de vroegere 
gevelfresco’s zijn alleen nog maar de ontwerpen (enkele 
van Hans Holbein) over. Verder rijke gevels van patri- 
ciërswoningen in Renaissance- en Rococo-stijl (Weisse 
Haus, Reichenstein, His. Burckhardt, Seiden-hof, 
enz.). Het museum bevat schilderwerk van Hol- 
bein, Böcklin, Schongauer, Dürer, Grünewald, Hans 
Baldung Grien, Manuel Deutsch, Stimmer, Sandreuter 
e.a. Verder > Bazeler anUpendium. 

L i t. : Sainte-Marie-Perrin, B&le, Bern et Genève 
(1909, in de serie: Les villes d’art célèbres) ; Dehio, 
Ilandb. der deutschen Kunstdenkmaler (IV 1926); 
St&dtebau in der Schweiz (1929). Knip ping. 

Concilie van Bazel. Krachtens vroegere concilie- 
besluiten riep paus Martinus V in 1431 een algemeene 
kerkvergadering te Bazel bijeen. Hij deed dit ongaarne, 
wijl hij de moeilijkheden voorzag, die uit den sterk 
heerschenden geest van ■> Conciliarisme zouden voor- 
vloeien. Slechts weinig bisschoppen en abten ver- 
schenen aanvankelijk; doch groot was het aantal 
doctoren en theologen. Om de weldra blijkende, 
inderdaad sterk conciliaristische gezindheid, en boven- 
dien steunend op verkeerde inlichtingen, hief Martinus’ 
opvolger Eugenius IV reeds eenige dagen na de ope- 
ningszitting het Concilie weer op en beriep het opnieuw 
naar Bologna. Doch de vergaderden bleven bijeen en 
stelden een reglement van orde op, waarbij het over- 
wicht der beslissingen kwam te liggen bij de lagere 
geestelijkheid, professoren en doctoren, niet bij paus 
en bisschoppen (soort van parlementair-constitu- 
tioneel kerkbestuur). In 1433 erkende Eugenius 
nochtans het Concilie, dat nu heilzame hervormings- 
maatregelen voorschreef, maar tegenover het opper- 
hoofd der Kerk steeds meer aanmatigend optrad en 
in diens rechten ingreep. De paus wilde hierop de 
vergadering naar Ferrara verlegd zien (later naar 
Florence; > Ferrara-Florence, Concilie van). Slechts 
een minderheid voldeed aan dit bevel; de meesten 
weigerden opnieuw' en bleven te Bazel. Van nu af 
is dit Concilie schismatisch. Het suspendeerde in 
1438 den paus, verklaarde hem het jaar daarop tot 
ketter en zette hem af, terwijl het hertog Amadeus VIII 
van Savoye tot tegenpaus (Felix V) verhief. Hiermee 
verloor de vergadering alle aanzien; nog tot 1449 
bleef een groep ontevredenen in onvruchtbaren arbeid 
bijeen. De decreten tusschen 1433 en ’37 uitgevaardigd 
gelden als oecumenisch in zoo ver ze door den paus 
zijn bekrachtigd. 

L i t. : Pastor, Gesch. der Pabste (I 5 - 7 1925, 290 
vlg.) ; Hefele-Leclercq, Histoire des Conciles (VII, 2e 
gedeelte, 663 vlg.). Gorria . 

Confessie van Bazel, een geloofsbelijdenis, door 
Oswals Myconius volgens ontw r erp van Oeco lampa dius 
opgesteld en in 1634 door den Raad van de stad afge- 
kondigd. De nuchtere anti-Luthersche avondmaals- 
leer, in deze Confessie vervat, verwekte zulk een tegen- 
stand, dat Bonifacius Amerbach een andere belijdenis 
opstelde. 

L i t. : K. Müller, Die Bekenntnisschriften der ref. 
Kirche (1903) ; dr. Konr. Algermissen, Handbuch der 
Konfessionskunde (1930) Wachters. 

Vrcdes van Bazel. Frankrijk (Barthélemy) sluit 
met Pruisen (Hardenberg, 6 April) en Spanje (Yriarte, 
22 Juli) in 1795 vrede. Pruisen erkent bij voorbaat 
den linker-Rijnoever als Fr. bezit; Spanje staat zijn 
deel van San Domingo aan Fr. af en sluit met Fr. een 
verbond tegen Engeland. Beteekenis: de Fr. régiciden- 


inw., waarvan 30% 



Wapen van 
Bazel-stad. 


171 


Bazel — Bazin 


172 


republiek door vorsten erkend; de coalitie verzwakt, 
overwinning van Fr. op Oostenr. vergemakkelijkt; 
Fr. krijgt zijn „natuurlijke” grens (Rijn). F. Claassen. 

Bazel en Lugano, grootste bisdom van 
Zwitserland, vereen igt de gelijkgerechtigde bisdommen 
Bazel en Lugano. 

Het bhdom Bazel (met bisschop) omvat de kantons 
Luzem, Bern, Solothum, Zug, Aargau, Thu*gau, Bazel 
en Schaffhausen; telt ca. 685 000 Katholieken (op 
1115 000 inw.); is verdeeld in 32 dekenaten en 
422 parochies. Het bisdom Lugano (met apost. ad- 
ministrator) omvat het kanton Tessino; telt ca. 
140 000 Kath. (op 153 000 inw.); bestaat uit 24 
vicariaten, 190 parochies met Romeinschen en 55 
parochies met Ambrosiaanschen ritus. 

Geschiedenis. Het oude bisdom Bazel, 
ontstaan in 346 [zetel Augusta Rauracorum, vanaf 
de 5e eeuw Bazel, in de Reformatie naar Pruntut 
(Porrentruy) verplaatst], werd in 999 vorstendom. 
In 1792 werd de bisschop verdreven door Fransche 
reyolutionnaire troepen; zijn wereldlijke macht w r erd 
opgeheven. In 1828 w T erd het bisdom hersteld (zetel 
Solothum) en in 1888 met het bisdom Lugano 
vereen igd. 

L i t. : J. Trouillat, Monuments de Panden évêché 
de B. (3 dln 1858) ; U. Stutz, Die papstl. Diplomatie 
unter Leo XIII (1926); J. Kaelin, Das Bistum Basel 
1828-1928 (gedenkschrift 1928) ; K. Müller, Die kath. 
Kirche in der Schweiz (1928) ; U. Lamport, Kirche und 
Staat in der Schweiz (1929). 

Bazel, Karei Petrus Cornelis de, 
architect; * 14 Febr. 1869 te Den Helder, f 28 Nov. 
1923 (plotseling). Was o.a. werkzaam bij dr. P. Cuypers, 
vestigde zich in 1900 als architect. Bouwde veel land- 
huizen en groote gebouwen, o.a. Ned. Handelmaatsch. 
te Amsterdam; ontwierp glaswerk, meubels; werkte 
meestal op systeem. Een evenwichtig decoratief 
kunstenaar, waarvan het werk een eigen karakter 
heeft en uitmunt door goede verhoudingen. 

Thunnissen. 

Bazeldijk, dijk tusschen Alblasserwaard en Vijf- 
heerenlanden in de prov. Zuid-Holland. 

Bazeler antipendium, een met plaatgoud 
beslagen houten voorstuk, door keizer Hendrik II 
geschonken voor het altaar van den dom van Bazel. 
Het werd met vele andere kunstschatten in 1836 
verkocht en kwam aldus aan het Cluny-museum in 
Parijs. Het B. a. dateert uit het begin der 11e eeuw 
en is een product van de edelsmeed-school van Regens- 
burg (volgens anderen van Reichenau of Trier). 
Het werk, in ornamentiek en costumeering laat-antiek, 
vertegenwoordigt echter in gelaatsuitdrukking, sym- 
metrie, lichaamshouding en uitvoering (sterk van den 
vlakken achtergrond afgeteekend reliëf der gestalten) 
de hcerschende Ottoonsche kunst. Voorgesteld wordt 
Christus met wereldbol in de linkerhand, de rechter 
zegenend opgeheven, terwijl aan Zijn voeten de gekroon- 
de schenkers neerliggen; naast Hem staan de H. Bene- 
dictus en de drie aartsengelen. Het onderschrift 
luidt: Prospice terrigenas clemens mediator vsias 
(= Zie neer op ons, aardgeborenen, o goedertieren 
Middelaar der natuur, nl. Christus, Die de menschel, 
en goddel. natuur in Zich vereenigt). Het opschrift 
geeft in hexameter de afgebeelde gestalten aan: 
Qvis sicvt hel (wie is als God: Michaël) fortis (de 
kracht Gods: Gabriël) medicvs (de geneesheer: 
Raphaël) soter (de Verlosser) benedictvs. Knipping. 

Bazias, stad in Roemenië (44° 48' N., 21° 24' O.), 


begin van het Donau-dwarsdal door het Banater 
Gebergte. 

Bazielkruid of balsemkruid, Oci- 
m u m, is een lipbloemengeslacht en omvat een 
60-tal soorten, waarvan verschillende in de genees- 
kunde of als specerij gebruikt worden. Het gewone 
b., Ocimum basilicum, wordt hier speciaal voor de 
worstfabricage gekweekt. Het heilige b., Ocimum 
sanctum, is een van de heiligste planten bij de Indiërs. 

Bazilc, naam van een der dramatis personae uit 
Le Barbier de Sévilla van Beaumarchais (1775). 
Een voorbeeld van de ongunstige beteekenis, die een 
naam krijgen kan door een bepaald tooneelpersoon. 
> Barbacole; > Bobèche. 

B. is de lasteraar en rustverstoorder. 

Bazin, 1° FranQois Eraanuel Joseph, 
componist en muziek leeraar; * 1816 te Marsei 11e, 
f 1878 te Parijs. Hij was leerling van het Parijsche 
conservatorium, waar hij in 1840 den Prix de Rome 
behaalde met de cantate „Louyse te Montfort”. Na 
zijn terugkeer uit Italië (1844) .vestigde hij zich als 
zangleeraar, werd in 1849 harmonieleeraar aan het 
conservatorium, en volgde in 1871 aan deze inrichting 
A. Thomas op als compositie leeraar, bij diens benoe- 
ming tot directeur. In 1872 w r erd hij opvolger van 
Carafa als lid der „Académie”. 

Werken: van zijn 9 komische opera’s is er geen 
enkele op het repertoire gebleven ; het meeste succes had 
hij nog met : Le voyage en Chine. Schreef nog : Cours 
d’harmonie théorique et pratique ; La musique & St. 
Malo (1886). Piscaer. 

2 Ü H e n r y E m i 1 e, Fr. ingenieur (f 1917), van 
wien met name op het gebied der hydrodynamica 
enkele formules bekendheid hebben verworven. 
Bij de stroom ing van vloeistoffen door open kanalen 
geldt Chezij’s formule: V = C l/~Kl, waarin V de 
gemiddelde snelheid der vloeistofdeeltjes, R de 
verhouding tusschen de natte doorsnede en den natten 
omtrek van het kanaalprofiel, de zgn. hydraulische 
straal, I het verhang van de vloeistof voorstelt en C een 
coëfficiënt, die afhankelijk is van de geaardheid der 
wanden. 

Volgens B. is nu 

C - 87 /< 1 + ï 7 S > 

w T aarbij y varieert van 0,06 (voor zeer gladde) 
tot 1,75 (voor bijzonder weerstandbiedende wanden). 
De maximumsnelheid in een profiel van een open 
kanaal of rivier ligt even onder den waterspiegel; 
de snelheden der waterdeelen in eenzelfde verticaal 
zijn voor te stellen als een parabool. P. Bongaerts. 

3° R e n é, Fransch romanschrijver van Katho- 
liek-idealistische beginselen. * 26 Dec. 1853 te Angers, 
f 20 Juli 1932; sinds 1903 lid van de Académie Fran- 
Qaise. In zijn vroegste w r erk, dat zelden te Parijs, 
meestal in de rustige provincie speelt, is B. nog wat 
aarzelend en vrouwelijk sentimenteel; omstr. 1900 
durfde hij de groote tijdsproblemen (landsvlucht, 
nationalisme, enz.) en de heldhaftigste verzakingen 
aan in goed- gebouwde, boeiende verhalen, die tevens 
het ethisch peil van den Franschen roman aanzienlijk 
hielpen verheffen, zonder in oppervlakkige strekking 
of loggen preektoon te vervallen. 

Voorn, werken: Ma tante Giron (1886) ; Une 
tache d’encrc (1888) ; La sarcelle bleue (1892) ; De toute 
son &me (1897) ; La terre qui meurt (1899) ; Les Oberlé 
(1901); Donatienne (1902); L’isolée (1905); Le bló qui 
léve (1907) ; Mémoires d’une vieille fille (1908) ; La 


173 


Bazuin — Bearne 


174 


barrière (1910) ; Davidée Birot (1912) ; Les nouveaux 
Oberlé (1919) ; Notes d’un amateur de couleurs (1920). — 
Bloemlezing: Mettcrlé, Pages Choisies (Parijs 
E.j.). — L i t. : Lccigne, R. B. (Parijs 1901) ; J. Mazin, 
R. B. (Parijs 1905). Baur . 

Bazuin, ook trombone genaamd, behoort tot 
de groep der koperen blaasinstrumenten. De meest 
gebruikelijke omvang is van ongeveer groot E tot bes 
ééngestreept. De bijnaam schuiftrompet wijst op het 
in- en uitschuiven der buizen, waardoor het vóórt- 
brengen van alle chromatische tonen moge lijk is. 
Dit „schuiven” bij de b. beteekent een feitelijk ver- 
stemmen van het instrument, waardoor zeven zgn. 
posities, elk met eigen grondtoon, mogelijk vrorden. 
De eerste natuurtoon van elke positie is een zgn. 
pedaaltoon. Oorspronkelijk waren op de b. alleen 
natuurtonen mogelijk. Behalve de schuiftechniek 
wordt sinds lang op de b. het systeem van pistons 
toegepast. Men stelt dit systeem echter muzikaal niet 
hoog, omdat de hierdoor voortgebrachte tonen minder 
edel van klank zijn. De familie der b. bestaat uit alt-, 
tenor- en basbazuin. De tenorbazuin is de meest 
gebruikelijke. R. Wagner schrijft ook een contrabas-b. 
voor. De b. komt in het orgel als pedaalregister van 
16 voet en 32 voet voor. H . Andriessen. 

Bazuin, De, apologetisch weekblad, bestemd 
vooral voor gratis verspreiding. Opgericht 1911 door 
H. van Wely, tegenwoordig onder redactie van 
Th. Welter O.P. en F. Otten (Vragenbus). Verschijnt 
te Amsterdam. 

Bazzania, een levermos van de reeks van de 
Jungermanniales. Het geslacht B. is in ongeveer 
250 soorten over de geheele aarde verspreid; een van 
de meest voorkomende is B . tr ilobata , de drielobbige B . 

Bazzi, Giovanni Ant., > Sodoma. 

B.C.G. -vaccin, afkorting van Bilié-Cal- 
mette-Guérin -vaccin, aldus genoemd naar de profes- 
soren Calmette, onder-directeur van het Instituut 
Pasteur te Parijs (f Oct. 1933), en Guérin, oud- 
bestuurder van het Inst. Pasteur te Rijssel, dir. van 
het tuberculose laboratorium van het instituut Pasteur 
te Parijs, die vanaf 1906 onderzoekingen deden naar 
onvatbaarmaking tegen tuberculose, mede naar aan- 
leiding van de ervaring, dat weerstand tegen een tuber- 
culeuze infectie, dien de volwassen mensch niet zelden 
bezit, zou kunnen worden toegeschreven aan het 
doorstaan eener lichte infectie in de jeugd. Zij bezigden 
hiertoe een vaccin, vervaardigd uit sterk verzwakte 
runder-tuberkelbacillen. Teneinde de virulentie vol- 
doende te verzwakken, kweekten zij een stam van deze 
runder-tuberkelbacillen op een galhoudenden voedings- 
bodem en entten deze cultuur gedurende 13 jaren om 
de 14 dagen op gal (bilis) over. 

Daar het vaccin preventief moet werken, dus vóór- 
dat een besmetting met tuberkelbacillen heeft plaats 
gehad, wordt het in den regel toegediend aan zuige- 
lingen, voordat zij 10 dagen oud zijn, en wel óf drie- 
maal, om den anderen dag, door den mond, óf in 
sommige gevallen, sterk verdund, onder de huid. 
Bij toediening aan ouderen, bijv. verpleegsters in 
sanatoria, geschiedt dit steeds onderhuids. In Frankrijk 
zijn reeds honderdduizenden kinderen met dit vaccin 
behandeld. 

De tot dusverre opgedane ervaringen schijnen de 
onschadelijkheid dezer behandeling te bevestigen, 
alsmede een daaruit volgende onvatbaarheid voor 
tuberculose gedurende enkele jaren. Toch zullen de 
onschadelijkheid en de voorbehoedende werking van 


het B.C.G. -vaccin door de, gedurende vele jaren 
zorgvuldig bij te houden statistieken nog moeten 
bevestigd worden. 

In Nederland wordt het vaccin aan de 
geneesheeren verstrekt door het Rijks-Serologisch 
Instituut te Utrecht en wel door bemiddeling van de 
leiders van de Consultatiebureaux voor Tuberculose- 
bestrijding. Dit B.C.G. -vaccin bestaat uit een emulsie 
van levende tuberkelbacillen Calmette-Guórin inglu- 
cose-oplüssing ter sterkte van 10 mg bacillen per cm 2 . 

Veeger. 

In België wordt het B.C.G. -vaccin voorbereid 
volgens de methode van het instituut Pasteur te Parijs, 
door het instituut Pasteur te Brussel, de instituten 
voor Gezondheidsleer en Bacteriologie der Rijksuniver- 
siteiten te Gent en Luik, het instituut voor Gezond- 
heidsleer te Bergen, en door deze instituten aan de 
geneesheeren op schriftelijke aanvraag verstrekt. 

In 1931 werd door het ministerie van Binnenland- 
sche Zaken en Volksgezondheid een beschrijving 
van de eigenschappen en het gebruik van het B.C.G.- 
vaccin aan al de Belgische geneesheeren verstrekt. 

Vanaf 1924 tot 1933 werden ongeveer 10 000 kinde- 
ren met dit vaccin in België behandeld; geen enkel 
ongeval werd tot nu toe waargenomen. Heymans. 

Bdclliuimjom, op myrrhe gelijkende gomhars. 

Be (s c h e i k.), symbool voor het chemisch 
element beryllium. 

Bcaarding, oude naam voor het kerkelijk 
begraven, zonder voorafgaanden dienst in de kerk. 

Beachcomber, -> Morton. 

Beachy Ilcad, krijtkaap aan de Zuidkust van 
Engeland, tusschen Brighton en Hastings. 

De zeeslag bij kaap Beachy Head vond 
plaats op 1 Juli 1690, in den negenjarigen oorlog 
tusschen Frankrijk eenerzijds, Nederland en Groot- 
Brittannië anderzijds. De resp. admiraals waren 
Tourville, Comelis Evertsen en Torrington. Tourville 
behaalde de overwinning. Evertsen onttrok zijn vloot 
aan nog grootere verliezen, door bij het optreden 
van windstilte met staande zeilen ten anker te gaan. 
Voor zijn tegenstander deze manoeuvre had onderkend, 
was diens vloot door den stroom zoover afgedreven, 
dat Evertsen buiten schot was. Cikoi. 

Bcaconsf iclcl , > Disraeli. 

Beademing (exsufflatio, insufflatio), liturgische 
handeling, verzinnebeeldend den goddelijken geest, 
gebruikelijk bij het toedienen van het Doopsel, de 
wijding van het doopwater en de wijding van het 
chrisma. > Handelingen en gebaren, liturgische. 

Beaglc-kanaal, in Z. Amerika gelegen, eig. 
een zeestraat, ten Z. van Vuurland; de eilanden 
Navarin en Hoste worden hierdoor van de Zuidkust 
van Vuurland gescheiden. 

Béarn, Oostelijk deel van het Fr. dept. Basses- 
Pyrénécs aan de Spaansche grens; bewoond door 
Basken. Een mooi, vochtig klimaat; maïs in de vlakte, 
wijn tegen de hellingen, veeteelt op de bergweiden. 
Graafschap uit de 7e eeuw; in 1920 bij Navarre gevoegd, 
in 1589 met Hendrik IV aan Frankrijk. Hoofstad Pau. 

Li t. : Cadier, Les états de B. (1888). 

Bearne, D a v i d, Engelsch Jezuïet en schrijver, 
bekeerling. * 1856; van aanzienlijke afkomst; bekeerd 
in 1877 ; Jezuïet in 1887 ; priester gewijd in 1896. 

Werken: Ridingdale Stories ; The Golden Stair; 
The Ridingdale Boys ; Stories from de Bright Agcs ; 
Paying the Price ; Lance and his Friends ; Barnaby 
Bright; Francis Apricot; Roddy; Claude Denvil, e.a. 


175 


Beas-rivier — Beatrijs 


176 


Beas-rivier, zijrivier van de Satladzj, een der 
vijf stroomen in het Vijfstroomenland (Pendsjaab). 

Beata, 1° ook Benedicta genoemd, Heilige 
maagd. Zij wordt in het Martyrologium van Usuard 
op 29 Juni vermeld en in Sens (Fr.) op 6 Sept. vereerd. 
Haar leven is onbekend. 

L i t. : Acta S.S. Jun. (VII 1709, 450 vlg.). 

2° Ook Beroma of Beronia genoemd, Heilige, 
martelares uit Afrika. Zij komt onder den naam Beron ia 
in een der oudste Martyrologia voor en is zoo in de 
middeleeuwsche martelaarsboeken overgenomen. Feest- 
dag 8 Maart. 

Li t. : Acta S.S. Mart. (I 1668, 756). 

Bfsila nobis Gnuclia, Pinkstrr-hymne (Met- 
ten) s dort de 10e eeuw algemeen inde West. liturgie. 

Bratcnberj), ook San kt B., dorp in het 
Zwitsersche kanton Bern ten N. van het Thuner-meer. 
1160 m boven zee: ligt beschermd tegen N. en N.O. 
winden. Luchtkuuroord, zeer geschikt voor long- 
patiënten. 

Bcatieum, middeleeuwsche naam voor de 
H. Teerspijze, thans gewoonlijk Viaticum genoemd. 

Beatificatie, * Zaligverklaring. 

Beaton (B e t h u n e), 1° David, kardinaal, 
aartsbisschop van St. Andrews, leider der Katholieke 
partij in Schotland, strijder tegen de invoering van de 
Reformatie en voor de zelfstandigheid van Schotland. 
* ca. 1494, als zoon van John B. van Balfour, f J646 
te St. Andrews. Studeerde te St. Andrews, Glasgow 
en Parijs; bisschop van Mirepoix in Fr. (1537), kardi- 
naal (1638); een jaar later aartsbisschop van 
St. Andrews en primaat van Schotland. Zijn staat- 
kundige arbeid begon met verschillende opdrachten 
van Jacobus V voor Fr., waarvan David dankbaar 
gebruik maakte om den koning steeds dichter tot dat 
land te brengen en hem te weerhouden op de aan- 
biedingen van Hendrik VIII in verband met diens 
godsdienstige politiek in te gaan. In 1528 werd hij 
zegelbewaarder en in 1643 kanselier. Zijn krachtig 
optreden voor de Katholieke zaak leidde tot de 
veroordeeling van den populairen Lutherschen pre- 
dikant George Wishart. Uit wTaak werd hij 29 Mei 
op zijn kasteel vermoord. De beschuldigingen van 
wreedheid en immoraliteit zijn deels overdreven, deels 
onwaar. 

L i t. : Lyndsaye, Tragedy of David Cardinall and 
archbishoppc of Sainct Andrewes (Londen 1546) ; 
Herkless, Cardinal B., Priest en Politician (Edinburgh 
1891) ; The Cath. Encyclop. (II, 372-374). 

2° James, neef van David, laatste Katholieke 
bisschop van Glasgow. * 1617, f 1603 ; zoon van 
John Bethune van Auchmuty. De jaren van 1560 
bracht hij als ambassadeur van Schotland te Parijs 
door. Wachters. 

Bcatrice, naam der geliefde van > Dante. 

Bcutrix, Heilige, martelares uit Rome (in oude 
bronnen altijd V i a t r i x genoemd). Zij werd 
samen met Simplicius en Faustinus onder Diocletiaan 
gemarteld en aan de Via Portuensis begraven. Feest- 
dag 29 Juli. 

Beatrix, dochter en erfgename van Reinald III 
van Bourgondië. f 1184. Om B. als erfgename van 
Reinald onschadelijk te maken, nam haar broer Willem 
haar gevangen. Door keizer Frederik Barbarossa 
bevrijd, huwde deze haar te Würzburg in 1156 en 
kon daardoor het erfdeel van zijn vrouw, Opper- 
Bourgondië, ook Franche-Comté genoemd, aan zijn 
rijk toevoegen. 


Beatrix van Dampierre, gravin van Holland, 
echtgenoote van Flor is V, na eerst verloofd te zijn 
geweest met Floris den Voogd. 

Beatrix van Lotharingen, gravin van 
Toscane, dochter van Frederik van Opper Lotharingen, 
f 1076. B. was gehuwd met Bonifacius III van Toscane. 
Uit dit huwelijk is Mathilde van Toscane geboren. 
Weduwe geworden, hertrouwde B. in 1054 met God- 
fried van Lotharingen, den hardnekkigsten vijand 
van keizer Hendrik III. Zoowel tijdens het leven van 
haar gemaal, die een zeer zelfstandige politiek voerde, 
als na diens dood in 1069, toonde B. zich een toegewijd 
bondgenoote der pausen. Zij streed eveneens voor een 
kerkelijke hervorming in den geest van Gregorius VIL 
Dit gaf den geschorsten kardinaal Hugo aanleiding, 
in zijn mateloos overdreven rede vol beschuldigingen 
tegen dien paus op den Rijksdag van Worms in 1076, 
de schandelijkste dingen te vertellen over diens 
verhouding tot B., keizerin Agnes en Mathilde van 
Toscane. 

L i t. : > Gregorius VIT, Mathilde van Toscane, 
Koenraad II en Hendrik 111. Slootmans. 

Beatrijs. Beroemd en zeer verspreid middel- 
eeuwsch Maria-mirakel: een „nonne, 

costerse”, wordt door de liefde zóó overmand, dat zij 
zich door den jongen ridder, dien zij van haar 
tw r aalfde jaar bemind had, laat ontvoeren. Zeven 
jaar leven ze samen; maar den man „ontbrac die eerste 
trouwe”. Zeven jaar moet zij nu met hare kinderen 
bedelend omzwerven, levend van ontucht. Tot zij 
eens bij haar vroeger klooster komt, waar zij in een 
droom gewaarschuwd wordt naar het klooster terug 
te gaan. Zij gehoorzaamt: Maria, van wie zij eens 
smeekend om erbarm ing had afscheid genomen, wier 
getijden zij dagelijks had gebeden om de genade van 
boete, had al die jaren haar plaats ingenomen en voor 
haar gediend. Dus werd de zondares bekeerd, Maria 
te love, die hare vrienden in den nood niet verlaat. 
Het thema wordt voor het eerst aangetroffen, nog 
wel in tweevoudigen vorm, bij Cacsarius van Heister- 
bach (einde 12e, begin 13e eeuw). In de meeste Euro- 
peesche talen is het behandeld geworden. Veruit het 
meesterstuk is de Middelncderlandsche B. Dit is veel 
meer dan een Maria-legende: het is een brok volle 
menschelijkheid. Hier ligt al de ellende der zonde 
in uitgebeeld, met al hare wanhopige overmacht, 
die boete en gebed en kastijding bezwijken doet voor 
den drang der aardsche liefde, waar die eenmaal in 
het hart werd toegelaten; met dat schrijnend bewust- 
zijn van het kw r ade in de daad zelf, en toch, met dit 
geloof en die liefde, die te voren om vergiffenis smeekt, 
die bij Maria redding zoekt; de psychologische kracht 
en diepte, waarmee die tragiek werd gevoeld en uit- 
gebeeld is eenig. Maar grootcr dan de zonde is de 
barmhartigheid Gods en de goedheid van Maria. 
Een meesterstuk, niet slechts om die psychologische 
diepte, die trouw'ens overal aangevoeld wordt: bij 
de afspraak, bij de ontmoeting, in de werking der 
wroeging bij de eerste vreugde, in de hartstochtelijke 
liefdesontboezeming met het plotse besef der eigen 
ellende; maar ook door de directheid, de natuurlijk- 
heid, den eenvoud van het verhaal, de ongedwongen- 
heid der samenspraken, de innigheid der gebeden; 
door de bezonkenheid en beperking bij allen overvloed, 
door de kieschheid en den eerbied voor het heilige. 
Steeds heeft de dichter onze sympathie w T eten te bewa- 
ren voor de zondares in de hoogheid van haar voelen 
en in de zelfopofferende liefde voor haar kinderen. 


177 


Beatrijs van Nazareth — Beaucaire 


178 


En daarboven hangt de Liefde in het gemoed en de 
ridderlijkheid in heel het vertoon; dit gedicht is nog 
ontstaan in den tijd der hooge ridderlijkheid, vóór 
het einde der 13e eeuw (door Diederic van Assenede?). 
Nog in onzen tijd trekt de legende de dichters aan. 
Karl Yollmöller breidde ze uit in 1911 tot een machtige 
pantomime, die door Max Reinhardt geregisseerd werd 
Bouten» dichtte ze om in een strophisch gedicht 
met gekunstelde versvormen; Herman Teirlinck tot 
een spel: „Ik dien”, waarin de vrome legende geheel 
ontkerstend wordt. „Beatrijs” door Felix Rutten 
(1918) blijft trouw aan den Katholieken geest, zonder 
er de eenvoudige grootheid van te hebben bewaard. 
Het legende-spel „Vallis Gratiae” van Amos Ander- 
son (1924) behandelt de oude middeleeuwsche legende 
als een stuk leven uit het middeleeuwsche Finland. 
Over den oorsprong der legende werd niets ontdekt. 

U i tg. : J. J. Gielen (1931) ; D. C. Tinbergen in Van 
alle tijden (1932). — L i t. : J. Guiette, La Légende de la 
8acristine (Parijs 19261 ; D. Stracke S.J., B. in de wereld- 
literatuur (Brussel 1930). V. Mierlo. 

Beatrijs van Nazareth, zoogenaamd naar 
de Cisterciënserinnen-abdij van O. L. Vrouw van 
Nazareth, bij Lier; mystieke schrijfster van het oudst 
bewaarde, zeker gedateerde Dietsche proza. Zij moet 
in het Dietsch een soort van autobiographie hebben 
opgesteld, met het verhaal van haar inwendig leven, 
met visioenen en geestelijke verhandelingen, dikwijls 
van allegorisehen aard. Wij kennen er de meeste nog 
van, door de samenvatting, die haar Latijnsche 
levensbeschrijver er van gegeven heeft. In het Dietsch 
bleef alleen gespaard de verhandeling van: S e v e n 
Manieren van Minnen. Heel uitvoerig 
is het niet; toch betoekent het een eerste, machtige 
poging in stamelende menschentaal, die meermalen 
tot ware kunst opstijgt, om den opgang der ziel naar 
God langs zeven manieren, trappen of wijzen, voor te 
stellen. Gedragen door een hooge opvatting van den 
liefdedienst en een onstuimigen drang naar God, met 
eenige mooie, reëele beelden uit het leven, is het een 
schrift van blijvende waarde voor de geschiedenis 
der mystiek in de volkstaal. Het ontstond misschien 
nog vóór 1235. B. werd geboren ca. 1200 als dochter 
van een Bartholomeus van Thienen, die drie Cister- 
ciënserinnen-abdijen stichtte, waar zij achtereenvolgens 
verbleef: te Bloemendaal, Maagdendaal en sedert 
1236 te Nazareth. Ze overleed 1268. 

U i t g. : L. Reijpens en J. Van Micrlo (Leuven 1927). 
Vertaald door A. Helman (Utrecht 1928) ; door J. van 
de Kun S.J. (Antwerpen. Bloemen van Ons Geestelijk 
Erf) en Caeymans (Antwerpen 1929). V. Mierlo. 

Beat tic, James, Schotsch dichter en prof. 
in de philosophie te Aberdeen. * 1735, f 1803. Als 
philosoof populair, maar zeer oppervlakkig; meer 
bekend om zijn „The Minstrel” (1771), een lang didac- 
tisch gedicht in de Spenser-strophe over de psycholo- 
gische ontwikkeling van den dichter (voorlooper 
van Wordsworth’s Prelude en van de Romantiek). 
Invloed van Percy’s Reliques. 

Beatus, ■> Zalige. 

Beatus, Heilige, volgens de legende de eerste 
apostel van Zwitserland; f 112. Daniël Agricola, een 
barrevoeter uit Bazel, is de auteur van deze legende 
in 1511 en hij baseerde zich hierbij op een der drie 
levens van den heiligen B. van Vendóme. Latere 
levensbeschrijvers van den Zwitserschen Heilige 
steunen allen op dezen totaal oncritischen tekst, ook 
de H. Canisius, wiens werk aanleiding was tot 


vereering van B. als landspatroon. De vereering 
van B. in Zwitserland gaat terug tot op de 12e eeuw 
en sedert de 15e eeuw is de bedevaart naar „Sankt 
Batten” bekend. Het is een onopgeloste kwestie, of B. 
een nationale Heilige is, of samenvalt met den Fran- 
schen heiligen Beatus. Feestdag (ook van den Fran- 
schen B.) 9 Mei. B. wordt afgebeeld als kluizenaar 
met stok en rozenkrans, meermalen vergezeld van 
een draak. 

L i t. : J. Stammlcr (Bern 1904) ; H. Morctus in Anal. 
Boll. (XXVI 1907, 423-453). J. v. Rooij. 

Bral us Hhetianus, 1° Humanist; scherpzinnig 
handschriftenkenner en voorzichtig tekstcriticus. 

* 1485 te Schlettstadt, f 1547 te Straatsburg. Hij gaf 
o.a. Tacitus uit en schreef een goede gesch. van 
Duitschland; vriend en biograaf van Erasmus. 

2° Pseud. van Theodor > B i r t. 

Bcatus van Liéhana, Spaansch priester- 
monnik uit de 8e eeuw van de abdij van Liébana bij 
Santander (Sp.), gaf in 776, waarsch. gedreven door 
de meening, dat een spoedig wereldeinde (in 800) te 
wachten was, een commentaar uit op de Apocalyps, 
die reeds tijdens zijn leven sterk de aandacht trok (nog 
twee uitgaven: in 784 en 786). Het is een soort catena 
zonder originaliteit, maar die voor ons vele oude 
teksten bewaard heeft. Zijn bronnen zijn hoofdzakelijk 
de II. Hiëronymus, Augustinus, Ambrosius, Fulgen- 
tius van Ruspe, Gregorius de Groote, lrenaeus en 
Isidoms van Sevilla. Belangrijk is vooral de ver- 
luchting van Beatus ’ commentaar geworden voor de 
Spaansche en Romaansche kunst en iconographie. 
Het oudste van de 30 bekende geïllustreerde hss. van 
dezen commentaar, is niet vroeger dan het einde der 
9e eeuw en van onbeholpen uitvoering (nu in de abdij 
van Silos); in de volgende eeuwen werd het vooral 
door de schrij versscholen van Leon en Castilië geco- 
pieerd en allengs vaardiger verlucht. Verder schreef B. 
tegen adoptianistische ketterij van Elipandus van 
Toledo, in welk geschrift vooral zijn grondige kennis 
der H. Schrift tot uiting komt. Men kent hem eenige 
hymnen toe (bijv. ter eere van den H. Apostel Jacobus), 
die later in de Mozarabische liturgie zijn overgenomen. 

Werken: Beati presbyteri hispani Liebancnsis in 
Apocalypsim ac utriusque foederis paginas commentaria 
(uitg. Madrid 1770 door Florez, en Rome 1930 door 
H. A. Sanders) ; Liber adversus Elipandum, sive de 
adoptione Chripti Filii Dei (Migne. P. L. 96, kol. 859- 
1030). — L i t. : Ramsay, The mss. of the Commentary 
ol Beatus de Liebana on the Apocalyps, in Revue des 
bibliothéques (1902, 9) : Goddard King, Divagations on 
the Beatus, in Art Studies (1930) ; Neuss, Die Apoca- 
lypse des hl. Johannes in der alt-span. und altchristl. 
Bibelillustration : Das Problem der Beatus Hss. (1931). 

Knipping. 

Beatus illc. Bedtus ille, qui proeul negótiis, 
Patéma rura bobus exercet suis (Lat.) = „gelukzalig 
de mensch, die ver van het zakenleven, zijn erfgoed 
bewerkt met eigen runderen”. Dit is de vertaling van 
prof. J. J. Hartman in zijn buitengewoon boek: 
Beatus ille (Leiden, S. C. Doesburg 1913, blz. 131 vlg.). 
Uitdrukkelijk wil hij (blz. 128) niets weten van een 
„idyllische beschrijving van landelijke bezigheden 
enz.”, maar noemt het met Simon Karsten „een satire- 
tje, of om met Tuckwell te spreken, een conversa tion” 
(blz. 129). Brouwer . 

Beau Brunimcl, > Brummel. 

Beaucaire, mooi stadje van 8 480 inw. (1926) 
aan de Rhöne, in het Fr. dept. Gard (43° 49' N., 
4° 39' 0.). In de M. E. bekende jaarmarkten. In de 


179 


Beaucamps-Ligny — Beaufort 


180 


nabijheid het Romeinsche Ugemum. Sinds 1226 aan 
Frankrijk. In 1576 een der veiligheidsplaatsen van de 
Hugenoten. 

Bcaucamps-Lic/ny, gem. en kerspel in kanton 
Harbodem (llaubourdin) in Fr. Vlaanderen, 600 inw. 
Franschsprekend. Landbouw. Jongenspensionaat der 
Broeders Maristen; meisjespensionaat der Zusters 
van het Kindeke Jezus (Rijsel). 

Beauee, Fransch landschap ten Z. van Parijs 
(grootte ca. Friesland); Tertiaire kalk, bedekt met 
vruchtbaar leem; de korenschuur van Parijs (tarwe 
en suikerbieten). Vlakke plateau ’s, doorsneden door 
vele beken, met vele dorpen en boomgaarden. Veel 
grootgrondbezit. Belgen als seizoenarbeiders. 

Beauccns, plaats in de Pyreneeën op 480 m 
hoogte. Zacht klimaat, weinig nevel, lithiumhoudende 
bronnen. Behandeling van rheuma, jicht en neuralgie. 

Bcauchamps, l°Charles Louis, ballet- 
mecster, dansleeraar van Lod. XIV, medewerker van 
den operacomponist Lully e.a. (in de blijspelen van 
Molière), choreograaf. * 1636, f 1705 te Parijs. Onder 
zijn le id in g valt de o verga ng van het ballet de cour naar 
het tooncelballet. Hij voegde de dansmomenten als 
divertissementen, als rustpunten, tusschen de opera - 
acten in. Terlingen-Lücker. 

2 ° Pierre Franco is Godard de, 
muziekhistoricus. * 1689 te Parijs, f 1761 aldaar; 
schreef: Recherches historiques sur les théatres de 
France depuis 1’année 1161 jusqu’k présent (1735) 
en: Bibliothèque des théatres (1746 ; een opsomming 
van opgevoerde drama’s, opera’s, enz., benevens 
aanteekeningen over verschillende toonkunstenaars). 

Piscaer. 

Beauduin, N i c o 1 a s, Fransch dichter van 
de richting van het zgn. Paroxysme. Zijn poëzie, naar 
eigen bevestiging de vrucht van brandend-visionnaire 
toestanden en een bestendige exaltatie, vertoont 
eenige ongelijkmatigheid van vorm en stijl; maar 
indrukwekkend is desondanks de schildering van den 
innerlijken strijd tusschen de steeds hongerige zinnen 
en den drang naar zuiverheid en spiritualistische 
verheffing in den dichter. Vooral B.’s verzen van na 
den oorlog, duidelijk door Rabindr. Tagore beïnvloed, 
vertoonen in trouwens weelderig-exotische beelden 
en in vormen, die, als bij Tagore, gaarne het vrije vers 
tot een zacht rhythmisch proza laten vervloeien, 
de gevaarlijke vermenging van Oostersche mystiek 
en zwoele zinnelijkheid. * 10 Sept. 1881 te" Poix 
(Somme). 

Werken: Le chemin qui monte (1908) ; Les 
triomphes (1909); La divine folie (1910); Les deux 
règnes (1911) ; Les cités du Vcrbe (1911) ; Les princesses 
de mon songe (1912): Les soeurs du silence (1912); 
L’offrande héroïque (1916) ; Rhythmes et chants dans 
le Renouveau (1920) ; Signes doublés (1921) ; Les enfants 
des hommes (mystère, 1922) ; L'homme cosmogonique 
(1922) ; Synopsis (1927). 

L i t. : H. Maassen, La poésie paroxyste ; J. Muller et 
G. Picard, Les tendances présentes de la littérature 
fran^aise (Parijs 1913). Baur. 

Braufays, Belg. gem. in de prov. Luik, ten Z.O. 
van Luik; ruim 900 inw.; opp. 676 ha; bergachtig. 
Kasteelen: Tiège, Bruyères, Wéhiret, Abbaye. B. 
leed veel schade in 1914. 

Beaufort, gem. in het groothertogdom Luxem- 
burg, ten W. van Echternach; opp. 1 374 ha, ong. 
1 200 inw. Aantrekkelijke wandelingen in de om- 
geving; rijk versierde kerk; ruïne van oud kasteel 
van B. 


Beaufort, tak van het Huis Plantagenet* 

1 ° H e n r y , kardinaal en staatsman.* 1374 of 1375, 
f 1447 als bisschop van Winchester. Hij was een zoon 
van John of Gaunt, hertog van Lancaster en daardoor 
een halfbroer van den Eng. koning Hendrik IV, al 
stamde hij dan ook uit een concubinaat met Catharina 
Swynford. Door Richard II werden de kinderen in 
1396 gewettigd. Na studies te Oxford tot priester 
gewijd, maakte hij spoedig promotie en beklom in 
1398 den bisschoppelijken zetel van Lincoln, dien hij 
in 1405 verliet voor Winchester. Op het Concilie van 
Konstanz wist hij een compromis tot stand te brengen 
tusschen keizer Sigismond met de Eng. legatie, die 
eerst de reformatie van de Kerk verlangden, en de 
kardinalen, die de onmiddellijke keuze van den paus 
voorstonden. Uit dankbaarheid bekleedde de nieuwe 
paus Martinus V B. met het kardinalaat en benoemde 
hem tevens tot legaat van Eng., Wales en Ierland, 
welke waardigheid hij wegens protest van den aarts- 
bisschop van Canterbury, met beroep op zijn rechten 
bij den koning, niet kon aanvaarden. Zijn deelname aan 
den kruistocht tegen de Hussieten na zijn benoeming 
tot legaat van Duitschland, Hongarije en Bohemen 
liep uit op een mislukking. De dood van Martinus 
V maakte aan deze missie een einde (1431). Als bis- 
schop ontplooide hij geen groote kracht, maar zijn roem 
ligt meer in zijn optreden als staatsman. Tot driemaal 
toe was hij kanselier van Eng. en als zoodanig toonde 
hij zich een bekwaam financier en ijveraar voor den 
vrede. Bij zijn vredespogingen met Fr. werd hij jaren- 
lang gedwarsboomd door Humphrey, hertog van 
Gloucester, die hem bij den koning wist te verdringen, 
maar na 1440 het onderspit moest delven. Het sombere 
verhaal, dat Shakespeare van zijn dood heeft gegeven, 
mist eiken historischen grondslag. Hij werd begraven 
in de onder hem voltooide kathedraal van Win- 
chester. 

L i t. : K. Yickers, Humphrey, duke of Gloucester 
(Londen 1907) ; L. B. Radford, Henry B., bishop, 
chancellor, Cardinal (Londen 1908) ; Dict. Hist. Géogr. 
Eccl. (VII, 128-131). 

2 ° John, graaf van Somerset, broer van Henry 
* ca. 1373, f 1410. Hij steunde Richard II in de machts- 
beperking der lords, waarvoor hij tot markies van 
Dorset verheven werd, een titel, die hem na de afzet- 
ting van Richard in 1399 weer werd ontnomen. Later 
voerde hij het commando over de Eng. vloot. Zijn 
dochter Janc huwde met Jacobus I, koning van Schot- 
land. 

3° Thomas, broer van Henry en John, kanselier 
van Eng., f 1426 te Greenwich. Hij nam actief deel 
aan het onderdrukken van den opstand in het N. van 
Eng. en aan den strijd met Fr., waar hij een tijdlang 
gevangen zat. Wachters . 

Beaufort, 1°sir Francis, Britsch admiraal 
en hydrograaf, * 1774, f 1857. De > Beaufort- 
schaal (1806) voor windkracht en, in mindere 
mate, de Beaufort-noteering van het 
weer, door middel van letters van het alphabet, worden 
nu nog in de meteorologie gebruikt. 

2° Louis de, geschiedschrijver; voorlooper 
van Niebuhr in de critische beschouwing der oudste 
Rom. geschiedenis. Hij schreef in het Fransch. * 1703 
te Den Haag, f 1795 te Maastricht. 

L i t. : Nieuw Ned. Biogr. Woordenboek (VI, 85). 

3° Willem Hendrik de, jurist, staatsman 
en verdienstelijk geschiedschrijver. * 1845 te Leusden, 
t 1918 te Den Haag. Werd in 1877 lid van de Tweede 


181 


Beauf ort-noteering— Beauj on 


182 


Kamer (Liberaal). In het ministerie Pierson-Borge- 
sius (1897—1901) was hij minister van Buiten landsche 
Zaken. In zijn ambtsperiode als zoodanig valt de eerste 
Haagsche Vredesconferentie (1899), waarvan hij het 
eere-voorzitterschap bekleedde, terwijl hij op de tweede 
vredesconferentie (Den Haag 1908) optrad als gedele- 
geerde van de Ned. regeering. Ook had hij zitting in 
het bestuur van de Carneg ie -stichting en was hij langen 
tijd lid van de redactie van „de Gids”. 

Werken: o.a. Geschiedkundige opstellen (1892) ; 
Staatkundige Opstellen (1904) ; Nieuwe Geschied- 
kundige Opstellen (1911); dl. II van de Gesch. van 
onzen tijd van P. L. Muller (1913). Verberne. 

Beautfort-notcering , > Beaufort, sir Francis. 

Beaufort-schaal. Oorspronkelijk werd de 
kracht van den wind door de zeevarenden genoemd 
naar de zeilen, die op een volgetuigd schip nog konden 
worden gevoerd. Zoo sprak men van bramzeilskoelte, 
gereefde marszeilskoelte enz. Ter nadere aanduiding 
en ter bevordering der eenheid ontwierp in 1805 de 
(latere) Eng. admiraal Beaufort een schaal, welke 
naar hem genoemd werd en bij de zeevarende naties 
ingang vond. In deze schaal werden de verschillende 
windkrachten door getallen van 1 tot 12 voorgesteld. 
Zij waren gebaseerd op een volgetuigd schip uit zijn 
tijd; waarnemers op deze schepen verkregen al spoedig 
voldoende ervaring om volgens deze schaal ook op 
ander soort schepen de windkracht te schatten. Der- 
gelijke waarnemers waren in staat ook op de latere 
stoomschepen dezelfde schaal toe te passen en hun 
kennis op jongere waarnemers over te planten. Hoe 
wel de tegenwoordige zeevarenden meestal hun zee- 
manschap alleen nog maar op stoomschepen opdoen, 
is het in de praktijk gebleken, dat zij door nauwkeurig 
acht te geven op de schattingen van oudere en meer 
ervaren personen, spoedig met de toepassing der schaal 
vertrouwd raken. De schaal wordt dan ook nog alge- 
meen gebruikt en het schatten van de windkracht aan 
boord der schepen geschiedt over het algemeen nauw T - 
kcurig. Aan den w r al, waar men zich vroeger tot wind- 
schattingen bepaalde, gebruikt men tegenwoordig 
ter beoordeeling van den wind verschillende toestellen 
om windsnelheid en -druk te meten. Bij de Beaufort- 
schaal heeft men voor de verschillende w’indkrachten, 
de gemiddelden voor windsnelheid en druk bepaald, 
waardoor men in staat is bij waarnemingen met deze 
instrumenten toch de windkracht volgens genoemde 
schaal op te geven. Er bestaan groote verschillen in de 
bepalingen van de gemiddelden; ten einde hierin een- 
heid te brengen is men de laatste jaren met succes be- 
zig dit internationaal te regelen. In de schaal op 
kol. 183-184 zijn de kolommenl, 2 en 3 volgens de oor- 
spronkelijke schaal, zooals Beaufort die ontwierp. 
Kolom 6 is snelheid op 6 m hoogte boven het niveau, 
dat vrij van huizen, boomen e.d. is, volgens de confe- 
rentie van het Internationaal Meteor. Comité te 
Weenen 1926. Kolom 8 is de classificatie volgens 
de resolutie der conferentie te Hamburg in 1932. 
Kol. 7 geeft een globaal equivalent voor den wind- 
druk, ook stuwdruk genoemd, voor groote oppervlak- 
ten, hetwelk men nog doende is internationaal vast 
te leggen. Wissmann. 

Beaugeney, Fransche vesting aan de Loire in 
het dept. Loirct (47° 60' N., 1° 40' O.); 3 300 inw. 
(1926). Wijnbouw. Kerkgebouwen uit de 10e— 12e 
eeuw; Renaissanceraadhuis. Bekende slag 8 Dec. 
1870, door de Duitschers gewonnen. 

B emigrant, G u y o t, de, ook de Beau- 


gran of Beaulgrant, Vlaamsch beeldhouwer 
uit Mechelen, waar hij werkte voor de regentes Marga- 
retha. f 1551 te Bilbao. In Brugge decoreerde hij met 
Glosen camp, Rasch e.a. den schoorsteenmantel van 
„het Vrije” (gedachtenis der overwinning van Karei 
V op Frans I). In 1533 ging hij naar Spanje; te Bilbao 
in de Sint Jacobskerk bevindt zich nog een altaar- 
stuk van hem op het hoofdaltaar. Knipping. 

Beauharnais, 1° Alexander, graaf; Fr. 
generaal, * 1760 op Martinique, f 1794 te Parijs; 
maakt den Amer. vrijheidsoorlog mee; heeft, als lid 
van de Constituante ruim aandeel aan de besluiten 
van 4/5 Aug. 1789; 1793 commando over het Rijn- 
leger, neemt ontslag en wordt geguillotineerd als 
medeplichtige(P) aan het verlies van Mainz aan de 
Pruisen. Uit zijn mislukt huwelijk met Joséphine, 
de latere echtgenoote van Napoleon I, twee kinderen: 
Hortense en Eugène. 

2° Eugène; door Napoleon als zoon geadop- 
teerd; de keizer vond in E., die wel talenten had, een 
gedwee helper. * 1781 te Parijs, f 1824 te München. E. 
maakte den Ital. veldtocht en de Egypt. expeditie 
mee; 1805 Fr. rijkskanselier en vice-koning van Italië; 
huwt Augusta van Beieren; onderscheidt zich op den 
tocht naar Rusl. en bij Lützen (1813). Leeft na 1815 
in Beieren als hertog van Leuchtenberg en prins van 
Eichstadt. 

3° Hortense, koningin van Holland van 
1806— ’10, huwde in 1801 op aandrang van Napoleon 
met zijn broer Louis, ofschoon zij niets voor elkaar 
voelden; sinds 1807 gescheiden. * 1783 te Parijs, f 1837 
te Arenberg (Zwitserland). De jongste van hun drie 
zonen was de latere Nap. III; 1815 werd H. uit Fr. 
verbannen. V.Claassen . 

4° Joséphine, keizerin der Franschen, eerste 
echtgenoote van Napoleon I Bonaparte; * 23 Juni 
1763 op het eiland Martinique, f 29 Mei 1814 te Mal- 
maison. Dochter van den havenmeester Joseph 
Tascher de la Pagerie; huwde in 1779 met vicomte 
Alexandre de Beauharnais, die in 1794 werd geguil- 
lotineerd; uit dit eerste huwelijk werden geboren 
Eugène en Hortense. Tijdens het schrikbewind zat 
Joséphine in de gevangenis. 9 Maart 1796 huwde ze 
met generaal Napoleon Bonaparte, die haar 5 Dec. 
1804 de keizerskroon opzette. Wijl Napoleon een erf- 
genaam en troonopvolger wilde en Joséphine in dit 
tweede huwelijk kinderloos bleef, werd een echtschei- 
ding bewerkt (1809). Joséphine leefde daarna te 
Malmaison met haar hofhouding en titel, en bleef met 
Napoleon in verbinding. 

U i t g. : Briefwisseling met Napoleon (2 dln. 1833 ; 
laatste uitg. in het Duitsch door H. Szasz, 1929). 

B i o g r a p h i e : Turquan (2 dln. 1895-’96) ; Masson 
(3 dln. 1899-1901); Gérard d’Houville (1925); Driault 
(1930) ; Mc Noir Wilson (1930) ; E. A. Rheinhardt (1932). 

Beaujolals, beroemde Fr. wijn uit het landschap 
tusschen Loire en Saöne, ten N.W. van Dijon. Centrum 
Beaujeu. 

Beau jon, A n t o i n e, hoogleeraar te Amster- 
dam, opvolger van Pierson, economist der Ned. 
school van den vrijhandel, bekend door zijn werk: 
Handel en handelspolitiek. *28 Juni 1853 te Den Haag; 
t 12 Dec. 1890 te Heidelberg. Was werkzaam aan het 
ministerie van Financiën en werd buitengewoon 
hoogleeraar in 1884; was hoofdredacteur van het statis- 
tisch jaarboek van het Koninkrijk der Nederlanden 
en zijn koloniën en van het in 1885 opgerichte tijd- 
schrift: Bijdragen van het Statistisch Instituut. Sinds 


Bcaufort-schaal 



185 


Beaulieu— Beaumont 


186 


1888 was hij lid der redactie van de Economist. Zijn 
geschriften laten zich verdeelen in 3 groepen: prac- 
tisch -economische, theoretisch -economische en statis- 
tische. Naar aanleiding van „Merchant Shipping Act” 
van 1876, schreef B. „Zeewaardigheid van schepen” 
en op de prijsvraag, door het comité ter voorbereiding 
der „International Fisheries Exhibition” in 1882 
uitgeschreven, zag zijn bekroond werk „History of 
Dutch Seafisheries” het licht. In 1888 schreef B. 
„Handel en handelspolitiek”, dat ten doel had de 
theorie te geven van den internationalen ruil en dit 
dienstbaar werd gemaakt aan de bestrijding van het 
protectionisme. Van protectionistische zijde werd het 
bestreden door Armand Diepen in diens werk: „De 
jongste uitingen van het anti-protect ion isme”, waar- 
tegen B. zich verdedigde met zijn opstel: „Een leer- 
boek van protectionisme” in de Economist van 1889. 
Naar aanleiding van Leon Walras’ „Eléments d’écono- 
mie politique” schreef B.: „Wiskunde in de economie”. 
In de Revue d 'économie politique schreef hij: „A 
propos de la théorie du prix”, waardoor hij de belang- 
stelling voor de grenswaardeleer trok. Als directeur 
van het Statistisch Instituut en door bijdragen in 
binnen- en buiten landsche publicaties, maakte hij 
zich verdienstelijk voor de statistiek. 

L i t. : N. G. Pierson, A. Beaujon, De Economist 
(1891) ; Handwörterbuch der Staatswissenschaften. 

AL Verhoeven . 

Beaulieu, wintersportplaatsje in de Fransche 
Riviera, ten O. van Nizza in het dept. Alpes-Mariti- 
mes; 2 250 inw. (1926). Zeer beschutte ligging, sterke 
isolatie, vandaar de bijnaam Petit Afrique. 

Bcaumanoir, Philippe de Remi, 
seigneur de, Fr. rechtsgeleerde en dichter; 

* 1246, f 1296. Uit een adellijke familie van Bretagm* 
gesproten, bracht hij klaarblijkelijk verscheidene 
jaren van zijn jeugd in Engeland door als page, om 
er het hofleven en de krijgskunst te leeren. Daarna 
leefde hij in Frankrijk als rechter op vele plaatsen. 
In zijn gedichten verwerkte hij de oudste legenden van 
zijn geboorteland. Zijn voornaamste werk echter, 
vervaardigd in 1280— ’83 onder den titel Coutumes de 
Beauvaisis, is een opteekening van het toen geldende 
gewoonterecht, niet slechts van Beauvaisis, doch ook 
het gemeenschappelijke van geheel Frankrijk. Hij 
wijzigde het echter niet zelden volgens het Romeinsche 
en canonieke recht, dat hij uitstekend kende. Ook 
verwerkte hij hierin de ordonnances der Fransche 
koningen. Het heeft echter weinig invloed gehad op 
de latere juridische literatuur. 

* Lit. : H. Bordier, Philippe de Remi, sire de Beau- 

manoir, 1246—1296 (2 dln. Parijs 1869— '73, met 
platen). v. d . Kamp. 

Beaumarchais, Pi e r r e A u g u s ti n 
Caron, genoemd de, Fransch tooneclschrijver 
en onmiddellijk wegbereider van de Omwenteling 
van 1789 (la révolution déjü en action, noemt hem 
Napoleon I). * 24 Jan. 1732 te Parijs, f 18 Mei 
1799 aldaar. Door zijn wrok om de omkoopbaarheid 
van het gerecht, waarmede hij in langdurige 
processen te doen had (zie Mémoires pour le Sieur 
B., 1774 vlg.), kwam deze zoon van een uurwerk- 
maker, die achtereenvolgens alle maatschappe- 
lijke rangen had bekleed, tot de wrange heke- 
ling van het ancien régime. In de wereldletter- 
kunde leeft Beaumarchais met Le Barbier de 
Sév il le (1776) en Le mariage de Figaro 
(1781, pas toegelaten in 1784): twee blijspelen 


in proza, die (vooral het laatste) de levendige, bonte 
intrigue, den schitterenden, vlotten, nerveuzen dialoog 
en de gekruide 
scherts van de klas- 
sieke comedie ver- 
binden met de po- 
litiek-sociale tijds- 
satire in onbeheer- 
schte heftigheid. 

Figaro is de 
aanklager van alle 
sociaal onrecht, alle 
adelsprivilegiën, 
alle verdorvenheid 
en hypocrisie der 
hoogere standen ; 
de spreekbuis, op 
het tooneel, voor 
al de strevingen 
van den t i e r s 
é t a t, zooals de Revolutie dien zal uitwer- 
ken. De graaf Almaviva, de luchthartige Brid’oi- 
son, en de jonge Cherub in werden spreekwoordelijke 
figuren; Mozart maakte Figaro onsterfelijk in een 
opera. De pogingen van B. op het gebied van het 
burgerlijk drama behaalden minder bijval. 

U i t g. : tekstkritische door de Marescot en de 
Ileylli (4 dln. Parijs 1869 vlg.) ; — Bloemlezing: 
Bonncfon, Pages choisies (Parijs 1902). — Lit.: H. 
Cordier, Bibliographie des oeuvres de B. (Parijs 1883) ; 
L. de Loménie, B. et son temps (Parijs 4 1880) ; E. Lintil- 
hac, B. et ses oeuvres (Parijs 1887) ; P. Toldo, Figaro et 
scs origines (1893) ; A. llallays, B. (Parijs 1897) : F. 
Funck-Brentano. Figaro et ses devanciers (Parijs 1910) ; 
A. Scligmann, Figaro’s Hochzeit in d. deutschen Lit. 
(Troppau 1910); A. Bettelheim, B (München 2 1 91 1 ) ; 
E. Ziegler, Das Drama der Révolution (Berlijn 1911); 
A. Seligmann, L'influence du mariage de Figaro sur la 
littérature frangaise (1914). Daur. 

Beaumont, 1° Belgisch stadje, in het Z. van de 
prov. Henegouwen, ten Z. van Thuin ; 1 700 
inw., opp. 696 ha. Rotsachtig, kalk- en leisteen; 
landbouwnijverheid; rivieren van B. en van Feaux. 
Ruïne van versterkt kasteel, „Tour Salamandre”. 

Zeer oude nederzetting, machtige vesting in de M.E., 
herhaaldelijk verwoest door oorlog en ziekte. 

V . Ashroeck. 

2 ° Stad in den N. Amer. staat Texas, 30° 10' N., 
94° 5' W.; spoorwegknooppunt aan de tot hier voor 
zeeschepen bevaarbare Neches; handelsccntrum van 
Z.O. Texas en Z.W. Louisiana, een streek met dichte 
pijn- en cypresbosschen, uitgestrekte rijstvelden en 
rijke petroleumbronnen, waarvan B. de producten 
verwerkt. Het heeft zich vooral tengevolge van de 
groote vlucht der petroleumindustrie ontwikkeld en 
telde in 1930: 57 732 inw. In 1929 exporteerde de haven 
830 000 ton (906 kg) en importeerde er 205 000 ; 
bovendien werden 80 000 ton door do kustscheepvaart 
aangebracht en 10 403 000 verzonden. Polspoel . 

Beaumont, > Jan van Beaumont. 

Beaumont, 1° Christophe de, aarts- 
bisschop van Parijs, bijgenaamd de Fransche Atha- 
nasius. * 26 Juli i703 op het kasteel la Roque, f 12 
Dec. 1781 te Parijs. Na verschillende kerkelijke func- 
ties werd hij in 1741 bisschop van Bayonne, vier jaar 
later van Vienne en in 1746 van Parijs. Zijn regeering 
stond in het teeken van strijd. Hij was in voortdurend 
conflict met het parlement, omdat hij in verband met 
de Jansenistische woelingen had voorgeschreven, 



187 


Beaumontgeweer-— Beaunier 


188 


niemand de Sacramenten der Stervenden toe te dienen 
zonder vertoon van een biechtbewijs, uitgereikt 
door een geapprobeerden priester. Verder streed hij 
tegen de Jansenisten en de Encyclopaedisten, bij 
wier aanvallen hij de krachtige beschermer der Je- 
zuïeten was. Tot viermaal toe werd hij uit zijn diocees 
verbannen. Zijn geestelijkheid volgde hem in trouwe 
gehoorzaamheid. Hij was enthousiast voor de kerkelijke 
liturgie en een vriend der armen. Zijn overtuiging en 
ridderlijk karakter dwongen zelfs zijn vijanden eerbied 
af (brief van J. J. Rousseau). Zijn waarschuwingen 
voor het gevaar eener revolutie sloeg men in den 

wind. . 

L i t. : Biographie van E. Régnault, Chnst. de B. 
(2 dln. Parijs 1882) ; Dict. Hist. Géogr. Eccl. (VII 1933, 
204-206). Wachters. 

2 ° Francis, Engelsch tooneelschrijver, wiens 
naam onverbrekelijk met dien van John Fletcher ver- 
bonden is. * 1584, f 1616. Studeerde voor rechtsge- 
leerde. maar werd uitsluitend dramaturg; vriend van 
Drayton en Jonson, en werkte samen met Fletcher 
van 1605 tot zijn dood. Hun gezamenlijke tooneel- 
stukken werden gedrukt in 1647. Hun levendigste, 
lucht igste, meest gevarieerde blijspel, dat nog altijd 
als volop modern aandoet, is „The Knight of the 
Buming Pestle” (1609); hun meest Shakespaereaansch 
drama, °maar zonder Shakespeare’s diepgang: „Phi- 
laster” (1610); hun meest pakkende en tragisch -ont- 
zettende „The Maid’s Tragedy” (1611). B. alleen 
schreef in 1613 een „Masqué”, een der beste en dichter- 
lijkste, die er bestaan. In de uitgave van 1647 staan 
34 tooneelstukken op naam van B. en Fletcher, doch 
slechts aan een twaalftal heeft B. meegewerkt. 

13 i t g. ontelbaar ; de voornaamste en nieuwste zijn : 
de groote Variorum-uitgave, onder leiding van A. H. 
Bullen (in 12 dln., sedert 1904) ; de uitgave van A. Glover 
en A. W aller (in 10 dln., sedert 1905). Pompen. 

3 ° Jean Baptiste Armand Louis 
Léonce Elie de, Fransch geoloog en de grond- 
legger van onze kennis van de geologie van Frankrijk, 
senator en permanent secretaris van de Académie 
des Sciences. * 25 Sept. 1798 en f 22 Sept. 1874 te 
Canon (Calvados). B. studeerde aan de Ecole Poly- 
technique, waar hij in 1824 het diploma van mijn- 
ingenieur behaalde, werd professor aan de Ecole des 
Mines en aan het Collége de France (1832); hij werd 
benoemd tot lid van verscheidene geleerde genoot- 
schappen, de Royal Society te Londen, e.a. Met 
Dufresnoy publiceerde hij voor de tentoonstelling 
van 1855 de eerste geologische kaart 
van F r a n k r ij k. Als een van de eersten venverpt 
hij de heerschende opvatting van de gelijktijdigheid 
van alle gebergtevorming, ziet het verband tusschen 
discordantie en plooiing en schept het begrip der 
orogenetische perioden. 

Werken: Recherches sur quelques-unes des révo- 
lutions do la surface du globe, Annales des Sciences 
naturelles (XVI II en XIX 1829 — *30) ; Note sur les 
8ystème8 des montagnes, een artikel in D'Orbigny’s 
Dictionnaire des Sciences naturelles, later alzonderlijk 
gepubliceerd (Parijs 1852). Jong . 

4 ° Sir John, Engelsch dichter, oudere broeder 
van Francis B., schreef eenige vrome Puriteinsche 
gedichten en een (nu verloren) gedicht in 8 boeken: 
„The Crown of Thoms”. 

5 ° Simon van, Ned. dichter, rechtsgeleerde 
en staatsman ; * 1574 te Dordrecht, f 1654 te Den Haag. 
Bekleedde hooge staatsbetrekkingen als afgevaardigde 
van Zeeland ter Algemeene Vergadering van de Staten, 


buitengewoon gezant naar Zweden en Polen, pensiona- 
ris van Middelburg 1623 — ’34, van Rotterdam 1634- ’49 
en was een oorspronkelijk dichter, wiens sonnetten 
vooral een groote frischheid bewaarden. 

Werken: Rymspreucken (na 1630) ; Grillen naar 
Martialis ; Tijdsnipperingen, Rijmen en Verzen (Den 
Haag 1638). — L i t. : J. Tideman, Gedichten van Simon 
van Beaumont (Utrecht 1843). Asselbergs . 

6° Simon van, bezitter van een belangrijken 
plantentuin, waarvan Kiggelaar in 1690 een catalogus 
uitgaf en waaruit de hortus medicus te Amsterdam 
veel materiaal ontving. * 1641 of 1642, f 1726 te Den 
Haag. Linnaeus roemt zijn verdiensten voor de plant- 
kunde en den invoer van vreemde gewassen. 

Beaumontgeweer , achterlaadgeweer met 

grendelsluiting, dat in 1871 in het Nederlandsche 
leger is gewijzigd. Het voldeed als zoodanig niet en is 
in 1895 vervangen door het thans nog in gebruik 
zijnde Mannlichergeweer. 

Beaumont sur OIsc, Fransch stadje van 5 170 
inw. (1926) in het dept. Seine et Oise, ten N. van 
Parijs. Kerk uit de 13e eeuw. Industrie. 

Bcaune, arr. -hoofdstad in het Fr. dept. Cöte 
d’Or (47° 1' N., 4° 52' O.); 11 860 inw. (1931). Oude 
vesting; kathedraal (12e — 15e eeuw), oud ziekenhuis. 
Wijnbouw. De stad kwam in 1477 met Bourgondië 
aan Frankrijk. 

In genoemd ziekenhuis bevindt zich het beroemde 
Beaune-altaar, schilderwerk door Rogier 
van der Weyden, voorstellend het Laatste Oordeel. 
Vervaardigd in opdracht van Nicolas Rolin, kanselier 
van Philips den Goeden, hertog van Bourgondië, 
voor het hospitaal van Beaune (1448). Op den buiten- 
kant der vleugels zijn Rolin en zijn gemalin knielende 
afgebeeld met hun patroonheiligen. Rijp werk van den 
meester. Zie pl. bij Rogier v. d. Weijden. 

L i t. : F. Winkler, Rogier v. d. Weyden u. der Meister 
v. Flémalle; Mely, Gaz d.b. Arts (XXXV 1906); M. J. 
Friedknder, Alt-Niederl. Malerei (II). 

Beaune, Florimond de, Fr. wiskundige. 
♦ 27 Sept. 1601, f 19 Aug. 1652. Eerst officier, later 
Conseiller Royal te Blo is. Was bevriend met Descartes, 
met wien hij over wiskundige onderwerpen correspon- 
deerde en wiens Géométrie hij voorzag van een com- 
mentaar, die door Descartes zelf hoog wordt geroemd: 
Notae Breves in Geometriam Renati Des Cartes, 
opgenomen in de tweede Latijnsche editie van de 
Géométrie door van Schooten (Amsterdam 1659). 
Voor de geschiedenis van de infinitesimaalrekening 
zijn van belang de krommen van de Beaune, 
die gedefinieerd zijn door een eigenschap van hun 
raaklijnen. Dijksterhuis. 

Beaunevcu, A n d r é, schilder, boekverluchter 
en beeldhouwer, geboren midden 14e eeuw te Valen- 
cijn, f ca. 1413 te Bourges. 

Voorn, werken: versiering van het kasteel 

van Yolanthe van Bar te Nieppc (1360), op bevel van 
koning Karei V le Sage ; beelden voor de abdij van 
St. Dénis ; verluchting van psalter voor den hertog 
van Berry ; grafmonumenten in de basiliek van St. Dénis 
(van Philips VI van Valois, Jan den Goeden, koningin 
Johanna van Bourgondië, Karei V). Hem wordt met 
eenige waarschijnlijkheid een graf-bceld voor het monu- 
ment van Philips VI toegeschreven, dat nu in het 
Louvre berust. — L i t. : Marcon, Catalogue raisonné 
du musée de sculpture comparée (1892, 35-42). 

Bcaunier, A n d r é, Fransch romanschrijver 
en letterkundig criticus, die vooral in de Revue des 
deux mondes optrad. * 22 Sept. 1869 te Evreux, 
f 10 Dec. 1925 te Parijs. B. verbindt als criticus de 


189 


Beaupré-eilanden — Bebel 


190 


documentaire werkwijze van den oud-leerling der 
Ecole Normale met de smaak- en stijlvolle gratie van 
den schoonheidsgenieter. 

Voorn, werken: La poésie nouvelle (1902) : 
Picrate et Siméon (1904) ; Le roi Tobol (1905) ; La fille 
de Polichinelle (1909); Eloges (1909); Trois amics de 
Chateaubriand (1910) ; L’homme qui a perdu son moi 
(1912) ; Visages de femmes (1913) ; Les idéés et les 
hommes (3 dln. 1913 vlg.) ; Joseph Joubert (3 dln. 1918 
vlg.) ; Mme. de la Fayette (1922) ; Sous le regard de la 
Déesse (1923) ; Eloge de la frivolité (1925). Baur. 

Beaupré-eilanden, > Loyalty-eilanden. 

Bcauraing, gem. in de prov. Namen, ten N.O. 
van Rochefort; ruim 1 800 inw., grootendeels Kath.; 
opp. 2 086 ha; landbouw, steengroeven. Merkwaardig- 
heid: oud kasteel. Plaats, waar vijf kinderen uit de 
familiën Vo is in en Degeimbre en later nog de arbeider 
Tilman Cöme verklaren de Allerheiligste Maagd 
Maria te hebben gezien en gehoord in den loop der 
maanden Nov., Dec. 1932 en Jan. 1933. Naar aan- 
leiding daarvan buitengewoon talrijke toevloed van 
pelgrims. Bouw eener groote kerk in voorbereiding. 
Wat de waarde der visioenen en genezingen betreft, 
achten godgeleerden van naam nog de grootste reserve 
geboden. Men doet goed, daaraan niet te groote 
waarde te hechten. Onafhankelijk daarvan kan men 
echter vrij Maria ter plaatse vereeren. 

Ghoos/Brandsma. 

Beauregard, Pierre Gustave Tou- 
t a n t de, Noord-Amerikaansch generaal. * 28 Mei 
1818 in Louisiana, f 21 Febr. 1893 te New Orleans. 
Hij heette eigenlijk Toutant, doch noemde zich B. 
naar de plantage van zijn vader. In 1833 ging hij naar 
militaire school te Westpoint en werd in 1838 officier 
bij de artillerie in het leger der V.S. Onderscheidde 
zich in den oorlog tegen Mexico (1847). Tijdens den 
Secessie-oorlog koos hij de zijde van de Zuidelijke 
Staten, werd spoedig tot generaal benoemd, overwon 
in den slag aan de Buil Run (20 Juli 186D, versterkte 
en verdedigde Charleston (1863) en werd zelfs voor 
korten tijd tot opperbevelhebber der gezamenlijke 
legers verheven (Oct. 1864). Na den oorlog leefde N. 
als eigenaar eener plantage. 

L i t. : A. Roman, Military operations of gen. B. 
(1884) ; Dictionary of American biography, onder 
redactie van A. Johnson (II Londen-New York 1929). 

Lousse. 

Bcaurepard, > Mont Comillon. 

Beau saiiit, Belg. gem. in de prov. Luxemburg, 
ten Z.W. van Laroche; 670 inw.; opp. 2 692 ha. 
Moerassige verweer ingsgrond; veeteelt, bosschen; 
kasteel van B. Het is een oude heerlijkheid. 

Beausoleil, stad in het Fr. arr. Nice, dept. 
Alpes-Maritimes, nabij Monte Carlo; 13000 inw. (1931); 
bekende winterbadplaats. 

Bcauvais, hoofdstad van het Fr. dept. Oise, 
ten N.W. van Parijs in het landschap Beauvaisis 
(49° 27' N., 2° 4' O.), vruchtbaar leemgebied. 18 740 
inw. (1931). Bisschopszetel. In de oudheid Bellovacum, 
centrum van een Belgischen stam. In 1358 brak hier 
de > Jacquerie uit. Karei de Stoute ontmoette in 1472 
grooten tegenstand der vrouwen van B., onder aan- 
voering van Jeanne Hachette. In dus t re (tapijten, 
knoopen, borstels, enz.). 

L i t. : Labande, Histoire de B. (1892). Heere. 

Het oudste deel van de kathedraal is uit 
na-Karolingischen tijd (990). Met den Gotischen bouw 
werd omstreeks 1225 begonnen, doch wegens geldge- 
brek moest men in 1272 ophouden: het koor was gereed 


gekomen. In 1290 stortte het gewelf in. Men trachtte 
dit nu verder te voorkomen door de pijlers te verdubbe- 
len en zoodoende de spanwijdte te verminderen. De 
overdadig versierde gevel is uit de late middeleeuwen. 
De kathedraal van Beauvais wordt de laatste groote 
schepping der Fransche Gotiek genoemd. 

L i t. : Dehio en v. Bezold, Die kirchliche Baukunst 
des Abendlandes (1884) ; Leblond, La cathédrale de B. 
(1926). 

Tapijtwerk van Beauvais. Hoewel 
de weverijen van B. reeds eerder vermaardheid genoten, 
werden ze toch eerst door Colbert (1661) georganiseerd. 
Na een korte periode van verval kwamen ze in 1726 
tot nieuwen bloei, die slechts onder de Revolutie 
voor korten tijd onderbroken werd. Het tapijtwerk, 
dat vervaardigd wordt, is hoofdzakelijk bestemd als 
meubelbekleeding en als hanggordijn en trekt vooral 
de aandacht door zijn rijke bloemenornamentiek. 
Men werkt met kettingen, waarin wol en zijde zijn 
vermengd: dit geeft het weefwerk vastheid, doch 
tegelijk grooteren glans. 

L i t. : Bousson, La manufacture nationale de tapisse- 
rie de B. (1904). Knipping. 

Bcauvcau, Renatus Franciscus de, 
was in 1700 bisschop van Bayonne. Werd in 1708 
bisschop (46e) van Doornik. Later, 9 Juli 1713, aarts- 
bisschop van Tolosa en daarna metropolitaan van 
Narbonne. 

Bcauvcchain, > Bevekom. 

Beau voorde, > Wulveringen. 

Beauwelz, Belg. gem. in de prov. Henegouwen, 
ten Z.W. van Chimay; 600 inw.; opp. 609 ha; rots- 
achtige ondergrond; vijver van 40 ha opp.; veeteelt, 
kaas. 

Bcauxamis, Thomas, ook Bellamicus 
genoemd, Karmeliet, bekend prediker en schrijver 
uit de 16e eeuw; * 1624 te Parijs, f 1 Mei 1589 aldaar. 
Hij bekleedde eenigen tijd het ambt van hofprediker 
onder Catharina de Medici. Karei IX en Hendrik III, 
en was kerkelijk legaat onder Hendrik III. 

L i t. : Ilurter ( 3 III, 268 vlg.) ; Bibliotheca Carmcli- 
tana (II 803). J. v. Rooij. 

Bcauxiet, > Bauxiet. 

Beaverbrook, William Maxwell 
A i t k e n, Engelsch publicist; * 25 Mei 1879 te 
Newcastle. Na een succesvolle handelsloopbaan in 
Canada in 1910 in de politiek gegaan. In 1918 Engelsch 
minister; na den wapenstilstand teruggetreden uit de 
politiek, wijdde zich daarna geheel aan The Daily 
Express, in welk blad hij reeds financieel geïnteres- 
seerd was. Stichtte in 1921 The Sunday Express, 
thans, na groote moeilijkheden een der populairste 
Engelsche Zondagsbladen. Verschafte zich overheer- 
schende invloeden in The Evening Standard. Staat met 
zijn bladen een politiek voor, die de absolute autarkie 
van het Britsche keizerrijk nastreeft. Weterings. 

Beaver Indianen, stam der -> Indianen van 
N. Amerika, Mackenzie-gebied; in het huidige Britsch- 
Columbia (Canada). 

Beavertecn of Beverteen, > Bever. 

Bebbor, Wilhelm Jacob von, Duitsch 
meteoroloog, aan de Deutsche Seewarte te Hamburg. 
Classificeerde weerstypen en bepaalde de depressie- 
banen over W. Europa. * 10 Juli 1841 bij Emmerik, 
f 1 Sept. 1909 te Hamburg. 

Bebel , August, stichter en leider der Duitsche 
Sociaal-Democratische Partij, volksredenaar, bestrijder 
van het kapitalisme en meer agitator dan theoretisch 


191 


Beboki— Beccari 


192 


socialist. * 22 Febr. 1840 te Keulen -Deutz, f 13 Aug. 
1913 te Zürich. B. was de zoon van een onder-officier 
werd schrijnwerker; sloot zich aan bij een vereen iging 
tot ontwikkeling der arbeiders te Leipzig, verklaarde 
zich eerst tegen het algemeen kiesrecht, wijl de arbei- 
ders onvoldoende politieke ontwikkeling bezaten; 
bestudeerde de geschriften van Lassalle; zijn omgang 
met Liebknecht en de studie van de werken van 
Karl Marx wonnen hem voor het Socialisme; in 1866 
werd hij lid der Internationale. Bij de invoering van hel 
algemeen kiesrecht werd hij tot afgevaardigde gekozen 
van den Saksischen Landdag en later van den Rijksdag. 
Met korte onderbrekingen duurde zijn parlementaire 
loopbaan 40 jaren. Als demagoog werkzaam, kreeg hij 
grooten invloed onder de arbeiders; van de tw*ee Duit- 
sche fracties van het Socialisme wist de partij van 
Liebknecht en Bebel bij de arbeidersverenigingen 
den grootsten invloed te verkrijgen en Liebknecht 
en Bebel bestreden samen de partij van Schweizer, 
den leider der Lassalleanen; zij riepen in 1869 een 
congres samen te Eisenach, om een zelfstandige 
arbeiderspartij te stichten en zoo kwam de Duitsche 
sociaal-democratische arbeiderspartij tot stand. In 
1870 onthield B. zich van stemming voor de oorlogs- 
uitgaven en werd door Marx in het gelijk gesteld. 
Wegens zijn protest tegen de annexatie van Elzas- 
Lothn ringen werd hij tot twee jaren kerkerstraf ver- 
oordeeld. Ten einde de partij van Lassalle te winnen, 
werden op het Congres te Gotha verscheidene concessies 
gedaan en B. werkte mee aan de vereen iging der 
volgelingen van het program van Eisenach met die 
van Lassalle. Hij verdedigde met Liebknecht, Singer 
en Auer het program van Erfurt tegen de linker- en 
rechterzijde van het Congres en verklaarde zich tegen 
het revisionistisch streven van Bemstein en tegen het 
anarchisme. B. handhaafde den klassenstrijd tegen 
den heerschenden staat, maar hij verzwakte den klas- 
senstrijd door vele concessies; in 1877 kwam hij op 
voor de verded iging des vaderlands en stemde in 1913 
voor het budget van een verdediginpoorlog. B. nam 
deel aan alle congressen der Internationale. Zijn werk 
Die Frau und der Sozialismus beleefde tientallen 
van uitgaven en werd in bijna alle talen der beschaafde 
landen vertaald. 

Werken: Unsere Ziele (1870) ; Der deutsche 
Bauernkricg (1876) ; Die Frau u. der Sozialismus (1879) : 
Au 8 meincm Lebcn (3 dln. 1 91 0-’l 4). — L i t. : Quack, 
Socialisten, Personen en stelsels ; II. Wendel, Aug. Bebel. 
ein Lebensbild (1913). Al. Verhoeven. 

Beboki, een radjaschap op Timor, in Beloe. 

Bcbosscliing, ■> Irrigatiewerken. 

Bebouwing, Bouwverordeningen; > Uit- 
breidingsplan. 

Bebuiig (D.; Fr. balancement) (muziek) 
was een licht beven van den toon op het •> clavichord 
welk effect verkregen werd door den vingerdruk op 
den neergedrukten toets afwisselend te vergrooten en 
te verminderen. De tangent, die daarbij tegen de snaar 
bleef, correspondeerde op deze bewegingen, en deelde 
daardoor den toon een eigenaardig vibrato mede. 
Op de tegenwoordige klavieren is uit den aard der 
zaak (toonvorming door hamerstoot) deze speelwijze 
niet mogelijk. W. Andriessen. 

Bec, voormalige Benedictijner abdij in Normandië; 
gesticht 1034; bloeiende kloosterschool onder leiding 
van Lanfranc en Anselmus van Canterbury; tijdens 
de Fransche revolutie verwoest. 

Becaiius, 1° Johannes Goropius, de 


eerste Nederlander, die aan vergelijkende taalweten- 
schap deed. Kil iaën steunt voor een groot deel op hem. 
* 1518 te Hilvarenbeek, f 1572 te Maastricht. B. 
bracht het voornaamste deel van zijn leven te Antwer- 
pen door, waar hij een beroemd medicus was. Later 
echter wijdde hij zich geheel aan de taalstudie. Van 
hem stamt de beroemde verklaring, dat het Antwerp- 
sche dialect de oudste taal der wereld is, immers 
duyts = douts; en duytse taal is dus „denudste’' taal! 

Voorn, werken: Origines Antverpianae (1569). 
— L i t. : Biographie nationale de Belgique (8, 120 vlg.) ; 
A. Kluyver, Proeve eener critiek op het wdb. van 
Kiliaan (Diss. Leiden 1884, 30-45); K. Kooiman, Spie- 
ghels Twe-spraack (Diss. Leiden 1913, 76-80); C. G. N. 
de Vooys, Gesch. van de Ned. taal (1931, 60). O/Jermans 

2° M a r t i n u s, Jezuïet (familienaam waarschijn- 
lijk Schel leken s), controversist; hoogleeraar 
te Keulen, Würzburg, Mainz en Weenen. Biechtvader 
van keizer Ferdinand II. * 6 Jan. 1563 te Hilvarenbeek, 
f 24 Jan. 1624 te Weenen. 

Voorn, werken: Analogia veteris et novi 

Testamenti : Manuale controversiarum huius temporis. — 
L i t. : N. Ned. Biogr. Woordenb. (IV, 93); Sommcr- 
vogel, Bibl. de la Comp. de Jésus (I. 1091-1111 ; VIII, 
1789 ; XI, 1598) ; Dict. Hist. Géogr. Eccl. 

Beccadelli, A n t o n i o, Italiaansch Huma- 
nist, beroemd om zijn uitstekende kennis van het Latijn 
maar ook om zijn frivoliteit. * 1394 te Palermo 
(Panormus) en daarom Panormita genoemd, f 6 Jan. 
1471 te Napels. 

Werken: o.a. Hermaphroditus, een verzameling 
epigrammen (Bologna 1425, nieuwe uitg. Koburg 1824, 
Parijs 1893) ; De dictis et factis Alphonsi regis Aragoniae 
(1455, Duitsche uitg. 1925). Zijn brievon werden ver- 
zameld in Antonii Panormitae familiarium liber' Napels 
1470), later in Antonü Beccatelü . . . Epistolarum Galli- 
carum libri IV (Napels 1746). — L i t. : Barozzi en Sabba- 
dini, Studï sul Panormita e sul Valla (Florence 1891); 
M. v. Wolff, Leben u. Werke des Antonio Beccadelli 
(Leipzig 1894). Ulrix. 

BeccaÜumi, D o m e n i c o, bijgenaamd i 1 
Mecherino, Ital. schilder, die omstreeks 1510 
te Rome werkte en Michelangelo en Raffaël bestu- 
deerde, daarna in Siena zich vestigde en tot 1512 
met II Sodoma samen werkte. Schilderde verder 
in Pisa en Genua (verloren fresco’s in Palazzo Doria). 
Tusschen 1518 en 1546 werkte hij aan den vloer van 
Siena ’s dom. Goed colorist; invloed van Michelangelo, 
Penigino, fra Bartolommeo en II Sodoma. 

Voorn, werken: Stigmata der H. Catherina 
(Siena, Accademia) ; Christus in de onderwereld (ibi- 
dem) ; Geboorte der H. Maagd (ibidem). — L i t : von 
Trotta-Treyden, Das Lebcn und die Werke des seneser 
Malers D.B., genannt Mecarino (1913) ; Voss. Die Malerei 
der Spatrenaissance in Rom und Florence (1 1920, 198 
vlg.). Knipping . 

Beccari, O d o a r d o, Italiaansch plantkun- 
dige, * 1843, f 1022 te Florence. Hij studeerde te Pisa, 
ging vervolgens naar Engeland, maakte in 1865 met 
Doria een reis naar Borneo, in 1870 met Antinori naar 
Abessinië, in 1871 — ’73 met d’Albertis naar Nieuw 
Guinea, Kei- en Aroe-eilanden en Celebes. In 1875 
j?ing hij weer naar Nieuw-Guinea. In 1876 werd hij 
directeur van de hortus en het plantkundig museum 
te Florence, waar zijn verzamelingen bewaard worden. 
Gedurende zijn laatste levensjaren bestudeerde hij 
vooral de Aziatische Palmae. 

Werken: Reisbeschrijvingen, Malesia raccolta d’os- 
«ervazioni botaniche interno alle piante dell* Arcipelago 
indomalcse e papuano (3 dln. Florence 1877-’89). 

Bouman . 


193 


Beccaria — Bechstein 


194 


Beccaria, Cesare, Italiaansch rechtsphilo- 
soof en econoom. * 1738 te Milaan, f 1794; zoon van 
markies Giovanni Saverio Beccaria en van Donna Maria 
Visconti da Rho. B. was een publicist, wiens werken 
van zeer uiteenloopenden aard zijn. Hij dankt zijn 
vermaardheid en roem aan zijn boek: Dei delitti e 
delle pene (Over misdrijven en straffen), uitgegeven 
te Livorno in 1764, dat hetzelfde jaar nog verschillende 
uitgaven kende en spoedig in vele talen vertaald werd. 
De Fransche vertaling verscheen met een lange inlei- 
ding van Voltaire. In dit werk oefent B. een uiterst 
scherpe critiek op het bestaande strafrecht en het 
heerschende straffenstelsel, en vooral op de wille- 
keurige macht der rechters, de wreedheid der lichame- 
lijke straffen, het overdreven toepassen der doodstraf, 
welke de rechters door allerlei middelen gruwelijker 
trachtten te maken; hij hekelt de inquisitoriale en 
geheime rechtspleging, welke te dien tijde in gebruik 
was, en vooral de pijnbank als middel van onderzoek. 
B., die een groote vermaardheid verwierf, ook buiten 
Italië, wordt beschouwd als een van de stichters der 
klassieke school in het strafrecht. Het is ook onder 
meer aan zijn invloed toe te schrijven, dat in het 
begin der 19e eeuw de vrijheidstraf voor vele misdrijven 
in de plaats van de doodstraf werd opgelegd. 

Voorn, werken: Dei disordini a dei remedi 
delle monete nello Stato di Milano (1762) ; Dei delitti e 
delle pene (1764) ; Ricerche intorno alla natura dello 
stile ; Lezioni o elementi di economia publica. — U i t g . : 
Opere (2 dln. Milaan 1821- , 22). — L i t. : C. Cantu, 
Beccaria e il diritto penale (Florence 1862) ; Baradez, 
Etude sur Beccaria (Besan$on 1898) ; F.Scaduto, C. 
Becc. (Palermo 1913) ; U. Spirito, Storia del diritto 
penale italiano (I Da Beccaria a Carrara, Rome 1925) ; 
Alex. Passerin d’Entrèves, B., in Görres, Staatslexikon 
( 5 1926) ; De Marchi, Cesare Becc. e il processo penale 
(1929). Collin, 

Beccos, > Joannes Beccos. 

Becelaerc, •> Beselare. 

Becerra, Gaspar, Spaansch schilder, beeld- 
houwer en bouwmeester, die omtrent 1550 naar Italië 
trok en daar onder den invloed kwam van de navolgers 
van Michelangelo. Zoo hielp hij Vasari bij de decoratie 
van de groote zaal van het Palazzo della Cancelleria 
te Rome, voerde een „Geboorte van Maria” uit in de 
kapel van Lucrezia della Rovere in de Trinitè, dei 
Monti, illustreerde het anatomie-boek van den medicus 
Valverde (1556). Spoedig daarna vestigde hij zich in 
Valladolid, beeldhouwde voor de kathedraal van 
Astorga en werd in 1563 hofschilder van koning Phi- 
lips II (schilderwerk in het Pradopaleis en het Alcazar 
van Madrid; 1734 verwoest), maakte een liggenden 
gestorven Christus (voorstelling, die langen tijd op 
Goeden Vrijdag groote volksvereering genoot) en een 
Geeseling. Hij is een der meest bekende italianiseeren- 
de manieristen uit Spanje, zijn werk is echter hard en 
droog en zonder veel levensgevoel. * ong. 1520 in 
Baëza (Andalusië), f 1570 of 1571 te Madrid. 

Knipping. 

Bech, gem. in het groothertogdom Luxemburg, 
ten Z. van Echtemach; opp. 2 331 ha, ong. 1 000 inw., 
drie parochies. 

Béchard, beenkern van, de verbeen ings- 
kern van de onderste epiphyse van het dijbeen. Deze 
beenkern zou bij een voldragen vrucht aanwezig zijn 
en bij een onvoldragen vrucht nog niet. Men heeft 
echter ingezien, dat dit onderscheid ingsteeken niet 
deze waarde heeft. 

Beeher, 1° Alfred Julius, een van de 


hoofdleiders der omwenteling van 1848 te Weenen. 

* 1803 te Manchester, 23 Nov. 1848 te Weenen ge- 
fusilleerd. 

2° E r i c h, wijsgeer en ervaringszielkundige; 

* 1 Sept. 1882 in Reinshagen (Rijnland), f 5 Jan. 
1929 te München; leerling van B. Erdmann; prof. te 
Munster en München. Zelfstandig, maar oppervlakkig 
denker; uitgaande van de natuurwetenschappen komt 
B. in de kennisleer tot een critisch realisme (neemt 
een werkelijkheid aan onafhankelijk van ons den- 
ken), in de metaphysiek tot een deductief verwerken 
van de inductieve waamemingsgegevens. Het meest 
bekend is hij door de aanname van een „fremddien- 
liche Zweckmassigkeit” in de natuur, waaruit hij 
concludeert tot een „überindividuellisch seelische”, 
dat hij later God noemde, wien hij echter geen abso- 
lute volmaaktheid toekende; waarom de menschen 
met Hem mede moeten werken, om het kwaad in de 
wereld te overwinnen; zedelijkheid bestaat in het 
bevorderen van het maatschappelijk geluk. 

Werken en leven in : Die deutsche Philosophie 
der Gegenwart in Selbstdarstellungen (I Leipzig 1921). 

de Bruin. 

3° Johann Joachim, Duitsch mercan- 
tilist (Kameralist), een der eerste en meest invloed- 
rijke schrijvers van Duitschland over economische 
problemen. * 1625 (volgens eigen opgave 1635) te 
Spiers, f 1082 te Londen. Legde zich toe op de 
toenmaals opkomende natuurwetenschappen en op de 
zgn. kameralistiek ; publiceerde een honderdtal ge- 
schriften op verschillend gebied, zooals: scheikunde, 
natuurkunde, politiek en economie. Zijn voornaamste 
economisch werk is: Politischer Discurs von den eigent- 
lichen Ursachen des Auf- und Abnehmens der Stüdte, 
Lander und Republiken, in specie wie ein Land 
voUpeich u. nahrhaft zu machen u. in eine rechte 
Societatem civilem zu bringen (1668). Ofschoon B. 
mercantilist is, hecht hij toch groote beteekenis aan 
den landbouw, want zonder den arbeid der boeren zou 
de handwerksman niets te bewerken en zonder boer 
en handwerksman zou de koopman niets hebben te 
verhandelen. B. stond onder den invloed van Holland- 
sche economisten als Pieter de la Court en zegt van 
Holland, dat de handel dit land volkrijk heeft ge- 
maakt, het in staat heeft gesteld zich voedsel te ver- 
schaffen en dat er een „rechte Gemeinschaft” is ge- 
schapen. 

Werken: behalve bovengenoemde : Moral Discurs 
von den eigentlichen Ursachen des Glücks u. Unglücks 
(1669) ; Psycho-sophia oder Seelen Weisheit . . . (1678). 

L i t. : P. Mombert, Gcschichte der Nationalökonomie 
11927, 161 vlg.) ; Handwörterbuch der Staatswissen- 
schaften ( 4 II, 447). M. Verhoeven . 

Bechi, G i u 1 i o, Italiaansch romanschrijver, 
schreef zedenromans, vaak met politieken ondergrond 
en met een program van wereldverbetering en sociale 
hervorming. * 20 Aug. 1870, f 1917 te Görz. 

Werken: o.a. Tra il bianco e il nero, bozzetti afri- 
cani (1898) ; Caccia grossa, scene e figure del banditismo 
sardo (1899) ; La gaia brigata ; Lo spettro rosso (1909); 

I seminatori (1913). 

Bechstein, 1° Johann Matthaeus, 
houtvester en vooral bekend als ornitholoog, entomo- 
loog en botanicus; * 1757 te Waltershausen, f 1822 
to Dreiszigacker. Studeerde theologie te Jena en werd 
daarna leeraar aan een onderwijsinrichting te Schnep- 
fenthal; in 1795 richtte hij nabij Waltershausen een 
school op voor boschbouwkunde en stichtte het ge- 
nootschap voor bosch en jachtkunde, vanwaar uitging 


IV. 7 


195 


Becht — Becke 


196 


het tijdschrift „Diana”; in 1800 werd hij eerste direc- 
teur der acad. voor boschbouw te Dreiszigacker. 

Werken: Spaziergange auf alle Tage im Jahre 
(8 dln. 1790-’93) ; Naturgesch. der Stubenvögcl (Gotha 
1800 ; 6 1870 door E. Berge, Leipzig) ; Gcmeinnützige 
Naturgeschichte Deutschlands (4 dln. Leipzig 2 1801- 
1809) ; Naturgesch. der Vögel Deutschlands ( 2 1804-’09); 
Forst- und Jagdwiss. nach allen ihren Teilen (14 dln. 
Erfurt 1810-'27). Willems . 

2° Friedrich Wilhelm Karl, piano- 
fabrikant; * 1 Juni 1826 te Gotha, f 6 Maart 1900 te 
Berlijn. Werkte eerst in verschillende Duitsche piano- 
fabrieken, maakte studiereizen naar Londen en Parijs, 
waar hij bij Pape en Kriegelstein werkte, en richtte 
in 1856 een eigen fabriek op te Berlijn. Deze groeide 
in den loop der jaren uit tot een der voornaamste 
pianofabrieken ter wereld; in 1897 werd een vierde 
fabriek in werking gesteld, en het naar aanleiding van 
den lOOen terugkeer van Bechstein’s geboortedag 
uitgegeven herinneringsboek (1926) vermeldt, dat de 
firma B. tot dien 130-000 instrumenten afleverde. De 
nood der tijden bracht de fabriek in 1932 in ernstige 
financieele moeilijkheden. Bechstein’s instrumenten 
behooren tot het beste, wat de Duitsche pianofabri- 
cage heeft voortgebracht. W. Andriessen. 

3° L u d w i g, Duitsch Germanist, die, op het 
spoor der Grimms, vooral de folklore beoefende. * 24 
Nov. 1801 te Weimar, f 14 Mei 1860 te Meiningen. 

Hoofdwerk: Sagenschatz und Sagenkreise des 
Thüringer Landes (4 dln. 1835 vlg.) ; Deutsches M&rchen- 
buch (1844). — L i t. : Th. Linschmann, L. B.’s Schriften 
(1907). 

4° R e i n h o 1 d, zoon van Ludwig B., Duitsch 
Germanist uit de school van K. Bartsch; speciali- 
seerde zich in de tekstkritiek van middel-Hoog- 
duitsche werken (Gottfrid v. Strassburg’s Tristan; 
U. v. Lichtenstein). * 12 Oct. 1834 te Meiningen, 6 
Oct. 1894 te Rostock. 

L i t. : W. Golther in Allgem. D. Biogr. (XLVII 1903). 
Bedil, E d u a r d, Holl. schilder, etser en kunst- 
criticus. * 25 April 1868 te Den Haag. Studeerde aan de 
Haagsche academie. Behalve eenige schilderijen, 
etste hij enkele platen in het vern is -mou -procédé. 
Hierin bereikte hij soms verrassende effecten, o.a. in 
sommige landschappen. Schilderde ook enkele figuur- 
stukken en schreef enkele artikelen over kunst. Hij was 
als kunstcriticus verbonden aan de Avondpost. 

L i t. : Alb. Plasschaert, Holl. schilderkunst. 
Beclitel, Friedrich, taalkundige, * 1855 
te Dürlach, f 1924 te Halle, van 1884 af hoogleeraar 
te Halle in de taalkunde. Zijn werken handelen inzon- 
derheid over de oud-Grieksche taal: Die Vokalkon- 
traktion bei Homer (1908); Die historischen Personen- 
namen des Griechischen (1917). Op zijn: Sammlung 
der griech. Dialektinschriften (1892) volgde zijn 
standaardwerk: Die griech. Dialekte(3dln. 1921 — ’24), 
tot hiertoe de volledigste beschrijving der oud-Griek- 
sche dialecten. V . Pottelbergh. 

Bcchterew, W 1 a d i m i r, Russisch neuroloog, 
* 1859 te Wjatka, f 1927 te Moskou. B. was hoog- 
leeraar te St. Petersburg en te Kazan. Hij is de grond- 
legger der psychoreflexologie (iedere neuropsychische 
handeling kan worden teruggebracht tot een reflex). 
Hiermede sloot hij aan aan Pavlow’s proeven over 
voorwaardelijke reflexen bij dieren: de methode der 
voorwaardelijke reflexen werd door B. overgenomen 
en niet slechts in dier-psychologie, maar ook in andere 
takken van psychologie toegepast. 

Werken: Objektive Psychologie (3 dln. 1907-*12); 


Grundzüge der Reflexologie des Menschen (1918) ; 
Die kollektive Reflexologie (1921). v . Daél . 

Beek, 1° Jakob Sigismund, Duitsch 
wijsgeer, * 1761, f 1840; te Königsberg leerling van 
Kant, later hoogleeraar te Rostock. B. verwerpt de 
opvatting van Kant, dat ons van buiten een indruk 
toekomt. die aanleiding geeft tot onze voorstellingen, 
en bereidt daardoor de verdere ontwikkeling van het 
Kantianisme voor. 

Werken: talrijke leerboeken van alle onderdeden 
der wijsbegeerte. F. Sassen . 

2° Johann Baptist, schrijver over muziek, 
vooral over de troubadours; * 1881 te Gebwciler 
(Elzas-Loth.); bezocht hier het gymnasium en ontving 
muziekonderricht van den organist Brumpt, waarna 
hij zijn studies te Parijs voortzette. Hij promoveerde 
te Straatsburg; zijn dissertatie was de inleiding tot 
een veel omvattend werk over de lieder-hss. der 
troubadours. B. sluit zich geheel aan bij de theorie 
van Runge en Riemann, door het rhythme der melo- 
dieën ook af te leiden uit de versmaat van den tekst. 
Nieuw is echter zijn leer, om de mode, zooals men 
deze bij de mensuraal-theoretici aantreft, toe te passen 
op de rhythmiek van den tekst. 

Werken: Die Melodien der Troubadours (1908); 
Der Takt in den Musikaufzeichnungen des 12. und 13. 
Jahrhunderts (Riemann-Festschrift 1909) ; La musique 
des Troubadours (Musiciens célébres, 1910) ; Corpus 
Cantilenarum Medii Aevi, Les chansonniers des Trouba- 
dours et des Trouvères (2 dln. 1928). Piscaer. 

3° J o s e p h, Zwitsersch Katholiek theoloog, 
paedagoog en socioloog, hoogleeraar aan de Kath. 
staatsuniversiteit te Freiburg. * 28 Oct. 1858 te Sursee 
(kanton Luzern). Met Decurtins en Feigenwinter was 
hij een der leidende figuren der Katholieke sociale 
beweging in Zwitserland, speelde een gewichtige rol 
in de „Union de Fribourg” en was bestrijder van het 
staatssocialisme. Sedert 1891 was hij hoogleeraar in 
de pastoraal aan genoemde universiteit; van 1902 — ’06 
was hij hoofdredacteur der „Monatschrift für christ. 
Sozialreform”. 

Werken: Die Kath.-soziale Bewegung in der 
Schweiz (1903) ; Volkswirtschaft u. Sittengesetz (1908) ; 
Ueber Socialp&dagogik (1911). M. Verhoeven. 

4° Leonhard, schilder te Augsburg, werkte 
veel in dienst van keizer Maximiliaan. Zijn kunst is 
sterk beïnvloed door Burckmaier. Men kent ook 
miniaturen van hem en een groot aantal houtsneden, 
die lang niet de verdiensten hebben van zijn schilder- 
werk. * 1480 te Augsburg, f 1542 aldaar. 

L i t. : S. Laschitzer, Die Heiligen aus der Sipp- und 
Magschaft des Kaisers Maximilian I (Wiener Jahrbuch 
1887). Schretlen. 

Beckboog, > Koolbooglamp. 

Becke, Friedrich, Oostenrijksch minera- 
loog en petrograaf van groote beteekenis. * 31 Dec. 
1865 te Praag. Op 19-jarigen leeftijd ving hij zijn 
studie te Weenen aan onder leiding van Tschermak. 
Na in 1878 zijn studietijd beëindigd te hebben, werd 
hij in 1882 benoemd tot buitengewoon, in 1886 tot 
gewoon leeraar in de mineralogie te Czcrnowitz. In 
1890 werd B. professor aan de Duitsche universiteit 
te Praag; in 1898 tenslotte hoogleeraar aan de Ween- 
sche hoogeschool, waar hij tot 1927 doceerde. B. heeft 
uitgebreide onderzoekingen verricht op het terrein 
der kristaloptica, terwijl hij ook veel publiceerde 
over kristalhjne schiefers. Verder werkte hij o.a. mede 
aan Tschermak ’s „Lehrbuch der Mineralogie” (8e uit- 
gave 1921) en was van af 1907 medewerker aan Tscher- 


197 


Becker 


198 


mak’s mineralogische und petrographische Mit- 
teilungen. Hofsteenge. 

Lichtlijn van Beckc. Indien men een mineraal- 
fragment inbedt in een vloeistof met een verschillenden 
brekingsindex en het geheel door een microscoop 
beschouwt, dan zal, als men den stand van den tubus 
wijzigt, een lichtende lijn op de grens der twee media 
optreden. Is de brekingsindex (n) der vloeistof 
> n mineraal, dan beweegt zich, bij het opschroeven van 
aen tubus, de lichtlijn naar de vloeistof toe; is daaren- 
tegen n vloeistof < n mineraal, dan beweegt zich de licht- 
lijn naar het centrum van het mineraalpartikel. Het 
blijkt dus, dat bij het vergrooten van den afstand 
tusschen het voorwerp en het objectief, de lichtlijn 
zich beweegt naar de tusschenstof met den grootsten 
brekingsindex. In de petrographie wordt deze methode 
herhaaldelijk toegepast. Hofsteenge. 

Indceling van Becke der chemische bestanddcelen 
van een gesteente. Becke onderscheidt de volgende 
groepen: 1° Si0 2 (Si); 2° CaO + K 2 0 + Na 2 0 = L; 
3° Al 2 O a + Fe 2 O a 4- FeO + MgO = U. Uit chemische 
analysen van gesteenten kan men de hoeveelheid 
aan Si, L, en U in moleculair procenten uitdrukken. 
Becke bracht de totaalsom op 20 en projecteerde ver- 
volgens de analysen in een gelijkzijdigen driehoek 
met als hoekpunten Si, L en U. Becke heeft deze 
methode uitgedacht, om van de metamorphe gesteen- 
ten na te gaan, of zij uit emptiva dan wel uit sedimen- 
ten zijn ontstaan. Uit Becke ’s onderzoekingen bleek, 
dat de projecties van emptiva en metamorphe emptiva 
een bepaald gebied binnen den driehoek innemen, 
gescheiden van dat der sedimenten. Hofsteenge. 

Boeker, 1 ° Albert Ernst Anton, 
componist van orkestwerken (o.a. een symphonie in g, 
door de Gesellschaft der Musikfreunde in Weenen 
bekroond, 1861), koorwerken (o.a. een groote mis in b, 
1878), twee bundels Minnel ieder aus dem 13. Jahrh. 
(bewerking van melodieën uit het zgn. liederenhand- 
schrift van Jena) en kamermuziek. * 13 Juni 1834 
te Quedlinburg, f 10 Jan. 1899 te Berlijn. Reeser. 

2 ° Diedrich, organist te Alirensburg (Holste in), 
later stadsmusicus te Hamburg, f 1679 aldaar; uit- 
muntend violist. 

Werken: B. heeft gepubliceerd : Musikalische 
Frühlingsfrüchte (3-5-stemmige kamersonates met basso 
continuo, Hamburg 1668 ; ook uitgegeven door P. Pha- 
lèse, Antwerpen) ; dit werk heeft even groote waarde als 
de eerste kamersonates van Rosemüller. Verder 2-stem- 
mige sonates en suites met dubbelen basso continuo 
(2 dln. 1674-1679). Een sonate werd in Einstein’s 
Zur deutschen Literatur für Viola da Gamba (1905) 
uitgegeven. Eenige geestelijke en wereldlijke gezangen 
bleven in hs. 

3° F r e d e r i k (F r i d o 1 i n), Holl. schilder. 

* 24 Mrt. 1830 te Den Haag, f 2 Maart 1895 aldaar. 
Schilderde portretten, genrestukken en landschappen 
en behoorde tot den vriendenkring der Marissen. Dit 
was niet zonder invloed op zijn werk. 

L i t. : Alb. Plasschaert, Holl. schilderkunst. 

4° F r i t z, Duitsch bouwmeester, werkt veel 
samen met E. Kutzner in Dusseldorf. Sinds 1919 is 
hij aldaar professor aan de Staatliche Kunstakademie. 

* 1882 te Worms a /d Rijn. 

Voorn, werken: woon- en landhuizen in Dussel- 
dorf en omgeving ; huis van den intellectueelen arbeider 
op de „Gesolei” (1926) te Dusseldorf. 

5 ° G u n d a h 1 Carl Johann, Duitsch 
schilder en illustrator. * 4 April 1856 te Ballweiler, 
f 1925. Leerling van de acad. te München. Daarna 


leeraar aan de Stadt. Gewerbeschule te Kiel; 1882 
wederom te München, studeerde bij Gabr. Max. 
Schilderde en teekende figuur en landschap. Hij 
werkte in de buurt van Braunau. Sedert 1905 begon 
hij zich toe te leggen op fresco-schildering. Kreeg 
opdrachten om kerken te versieren, o.a. de St. Maxi- 
milianskirche en de St. Annakirche te München. 
Was ook als teekenaar verbonden aan de Fliegende 
Blatter. 

Werken: wandschilderingen o.a. in de Kath. kerk 
te Fremdingen bij Nördlingen ; schilderijen o.a. in de 
Sezessions Galerie en de Neue Pinakothek te München. — 
Lit. : Franz Wolter, Die Christl. Kunst (II, 173-177); 
Kunst für Alle (XVII, 331 ; XXI, 236 ; 336, 427 ; XXIII, 
216). de Stuers. 

6° H u g o, violoncellist; * 13 Febr. 1864 te Straats- 
burg; leerling van zijn vader Jean B. en van Kanut 
Kündinger, later ook van Friedrich Grützmacher Sr., 
Karl Hess, Piatti en Jules de Swert. B. vormde een 
eigen methode op physio logische basis. Van 1890 tot 
1906 was hij cellist in het Heerman -kwartet. In 1901 
volgde hij Piatti op als cellist bij de Londensche 
Maandagconcerten, in 1896 werd hij Koninklijk 
Pruisisch professor, in 1902 lid van de Koninklijke 
Zweedsche Academie te Stockholm en in 1909 leeraar 
aan de Kgl. Hochschule für Musik te Berlijn. Voorts 
is hij bekend door zijn medewerking in het Trio 
Flesch-Friedberg. B. componeerde een celloconcert 
in A-dur, variaties en andere cellostukken. 

Hanekroot. 

7 ° Jean, violist; * 11 Mei 1833 te Mannheim, 
f 10 Oct. 1884 aldaar. Leerling van Al. Kettenus en 
Vincenz Lachner. Na korten tijd concertmeester te 
Mannheim te zijn geweest, ondernam B. groote reizen 
als virtuoos. In 1866 richtte hij te Florence het Floren- 
tiner Quartett op, dat zich groote bekendheid verwierf, 
tot het in 1880 ontbonden werd. 

8° J é r o m e, Belgisch officier, ontdekkings- 
reiziger ten dienste van het Belgisch Comiteit 
der Internationale Afrikaansche Vereen iging. * 1850. 
Vertoefde van 1880 tot *88 op den oever van het 
Tanganjika-meer. Zijn vertrouwen in de Arabieren 
werd door de feiten tegengesproken, toen de slaven- 
handelaars de posten van den Staat overvielen. 

0 ° J o h a n, Holl. schilder, etser en lithograaf; 
* 11 Sept. 1870 te Soerabaja. Eerst opgeleid voor den 
handel, was hij daarin een korten tijd werkzaam. 
Leerling van de Haagsche acad. Na een verblijf van 
een jaar te Londen, waar hij lessen gaf, keerde hij weer 
naar Holland terug en schilderde veel landschappen * 
o.a. uit de omstreken van Den Haag, in Overijsel en 
Gelderland. 

Lit.: Alb. Plasschaert, Holl. schilderkunst. 

10 ° Johannes Robert, Duitsch schrijver 
van de expressionistische, later van de pacifistisch - 
communistische richting, hoewel in den beteren stand 
te München geboren op 22 Mei 1891. De politieke lyriek, 
waarin deze burgerjongen, niet zonder pathos en val- 
sche rhetoriek, het proletariaat tot de revolutionnaire 
daad opwekt, vervlakt steeds meer tot berijmd Jour- 
nal isme. 

Werken: De profündis Domine (1913) ; Verfall 
und Triumph (1914) ; Das neue Gedicht (1918) ; Ewig 
in Aufruhr (1920) ; Der Leichnam auf dem Thron (1925); 
Arbeiter, Bauern, Soldaten (1925) ; Der einzig gerechte 
Krieg (1926) ; Ein Mensch unserer Zeit (1930) ; Graue 
Kolonnen (1930). Baur. 

11 ° Johann Philip, Duitsch staatkundige, 
schrijver en revolutionnair. * 19 Maart 1809 te Fran- 


199 


Beckerich — Becket 


200 


kenthal in de Palts, f 1886. Reeds vóór 1830 werd hij 
lid van revolutionnaire vereenigingen. Wegens de 
aanvallen, die hij te verduren had, verhuisde hij in 
1837 naar Zwitserland, verwierf het burgerrecht te 
Biel en stelde zich in dienst van Ochsenbein, bij diens 
strijd tegen den Sonderbund. In 1848 — ’49 begaf hij 
zich wederom naar Duitschland, met het doel om 
Hecker in den Badenschen opstand bij te staan. Werd 
lid van de pas gestichte socialistische partij en een 
vurig propagandist voor de Eerste Internationale. 

Werken: Geschichte der Süd-deutschen Mai- 
Revolution des J. 1849. Vorbote (Genève 1866) ; Neue 
Stunden der Andacht : satyrische Psalmen in Reimform 
(Zürich 1868) ; Wie und wann (1869). Lousse. 

12 ° Joseph Blasius, prof. in de theol. en 
lid van het domkapittel te Mainz; * 3 Febr. 1857 te 
Gonsenheim, f 28 Mei 1926 te Mainz. Hij studeerde 
aan het Coll. Germanicum te Rome, en was verbonden 
aan het groot -seminarie te Mainz achtereenvolgens 
als assistent, professor in moraal, later dogmatiek, 
en regens. B. schreef verschillende werken. 

13 ° J u 1 i u s, Duitsch schrijver van mystisch- 
getinte tooneelstukken, die bij de middeleeuwsche 
tooneeltraditie aansluiten en van enkele romans. 
* 29 Mrt. 1887 te Aschaffenburg. 

Werken: Das letzte Gericht (1919) ; Der Sch&cher 
zur Linken (1923); Das Friedensschiff (1926); Gilgamesch 
(1928). 

14 ° Kar 1 Ferdinand, Duitsch organist 
en muziekleeraar; * 17 Juli 1804 te Leipzig, f 26 Oct. 
1877 aldaar. B. is vnl. bekend door zijn muziekhisto- 
rische verzameling en publicaties op dit gebied, in 
het bijzonder: Systematisch-chronologische Darstel- 
lung der Musikliteratur (1836, aanvulling 1839); 
Die Tonwerke des 16. und 17. Jahrh. ( 2 1865); Die 
Hausmusik in Deutschland im 16., 17. und 18. Jahrh. 
(1840); e.a. Gaf J. S. Bach’s vierstemmige kerkzangen 
(1843) en een Evangelisches Choralbuch (1844) uit. 

15 ° N i c o 1 a u s, Duitsch dichter van conserva- 
tief -patriottische liederen, o.m. van „Sie sollen ihn 
nicht haben, den freien deutschen Rhein”, het voor- 
beeld van da Costa’s: Aan Nederland, in de lente van 

1844 (slotzang) en van H. van Peene’s Vlaam- 
s che Leeuw. * 8 Oct. 1809 te Bonn, f 28 Aug. 

1845 te Hünshoven. 

Uitg. : Gedichte (1841). — Lit. : A. Jacob, in De 
Nieuwe Taalgids (1915, 132); W. Deetjen, Sie sollen ihn 
nicht haben (1920). 

16 ° Philipp August, Duitsch Romanist, 
die zich met tekstkritiek van middel-Fransche werken, 
Fransche metriek, oud-Fransche en Spaansche lite- 
ratuurgeschiedenis, later ook met de studie van Marot, 
Pascal, Molière e.a. ophield. * 1 Juni 1862 te Mül- 
hausen (Elzas). hoogleeraar te Leipzig. 

Hoofdwerken: Der Südfranzösische Sagenkreis 
(1898); Geschichte der spanischen Literatur (1904) ; 
Grundriss der altfranzösischen Literatur (1907) ; Clé- 
ment Marot (1926) ; Aus Frankreichs Frührenaissance 
(1927). — Lit.: Hauptfragen der Romanistik, Fest- 
schrift für Ph. A. B. (Heidelberg 1922). 

17 ° Wilhelm Adolf, van 1836 af hoogleeraar 
te Leipzig in de wetenschap der klassieke Oudheid. 
Buiten belangrijke werken over antieke cultuurge- 
schiedenis, als: Charikles oder Bilder altgriech. Sitte 
(uitg. door Göll 1846) en: Gallus oder Römische Szenen 
aus der Zeit Augusts (uitg. door Göll 1880), was zijn 
hoofdwerk het in 1843 verschenen: Handbuch der 
römischen Altertümer, dat in de latere bewerkingen 
van Marquardt en Mommsen nog immer gebruikt wordt. 


Beckerich, gem. in het groothertogdom Luxem- 
burg, ten N.O. van Aarlen; opp. 2 841 ha, 1 800 inw.; 
vijf parochies. 

Beckcl, Thomas, Heilige, martelaar voor de 
vrijheid der Kerk, aartsbisschop van Canterbury 
en kanselier van Eng., * 1117 te Londen, f 1170 te 
Canterbury. Zijn ouders, die uit Normandië naar Eng. 
waren overgestoken, lieten hem in Parijs en Londen 
studeeren. Door de gunst van aartsbisschop Theobald 
van Canterbury, in wiens dienst hij was getreden, 
en die hem op zijn reizen meenam, kon hij zich aan de 
universiteiten van Bologna en Auxerre nog bekwamen 
in het kerkelijk en burgerlijk recht. In 1154 benoemde 
Theobald hem tot zijn aartsdiaken. Zijn leven nam 
een andere richting, toen hij door koning Hendrik II, 
tot wiens troonsbestijging hij veel had bijgedragen, tot 
kanselier werd benoemd (1156). Hendrik wilde den staat 
uit het verval, waartoe zijn voorganger Stephanus 
dien gebracht had, oprichten. B. stond hem daarin 
trouw ter zijde. Beiden waren één van geest en één 
van hart, ook één in hun liefde voor pracht en praal. 
B. volgde Hendrik, die niet altijd rechtvaardig was 
in de keuze zijner middelen, tot in zijn caesaro-papis- 
tische maatregelen. Een jaar na den dood van Theobald 
werd B. aartsbisschop van Canterbury (1162). Hij 
legde het kanselierschap neer en was van nu af de 
onwrikbare strijder voor de rechten van zijn Hemel- 
schen Koning. Van laveeren was nu geen sprake meer. 
Met den Eng. koning, die den staat steeds machtiger 
wilde maken ten koste van de Kerk, volgde de eene 
botsing op de andere, de vriendschap werd vijand- 
schap. Deze bereikte haar hoogtepunt, toen Hendrik 
zich op den Rijksdag van Clarendon (1164) ontpopte 
als de man, die het leven van de geestelijkheid perma- 
nent onder de controle van den souverein gesteld wilde 
zien en de stichting van een van den koning afhanke- 
lijke nationale Kerk beoogde. In 16 artikelen liet hij 
de rechten des konings ten opzichte van de Kerk 
samenvatten. Deze zgn. rechten noemde hij „consue- 
tudines avitae, voorvaderlijke gebruiken” en op dien 
grond eischte hij hun herstel. Door deze eischen over- 
bluft en door de sterke pressie van den koning in het 
nauw gedreven, aanvaardde B. na lang aarzelen deze 
Constituties van Clarendon. Maar nauwelijks had paus 
Alexander III zijn veto uitgesproken, of B. herriep 
de hem afgedwongen toestemming. Een lange laster- 
campagne volgde, waarbij al zijn daden en heel zijn 
financieel beheer als kanselier aan de meest hatelijke 
critiek werden onderworpen, zoodat men hem zelfs 
van hoogverraad beschuldigde. Aan deze onwaardige 
behandeling wist hij zich te onttrekken door een 
heimelijke vlucht naar Fr. (1164). Koning Lodewijk XII 
ontving hem hartelijk. Daarna maakte hij zijn opwach- 
ting bij paus Alexander III in Sens. Deze was zoozeer 
van zijn onschuld overtuigd, dat hij van een ontslag- 
aanvrage van B. als aartsbisschop van Canterbury 
niets wilde weten. Na jarenlange onderhandelmgen 
tusschen Hendrik, den paus en B. kwam in 1170 een 
verzoening tot stand, die niet van langen duur kon 
zijn, omdat beide partijen hun standpunt met betrek- 
king tot de Clarendonsche artikelen handhaafden. 
Óp 1 Dec. landde hij onder groote geestdrift in Eng. 
Vier weken later werd hij in zijn kathedraal tijdens de 
vespers door enkele edelen vermoord. In dc vijandige 
uitdrukkingen van den koning, aan het adres van B. 
gericht, schijnen zij een aanleiding te hebben gevonden 
om de koninklijke gunst te winnen door hem van 
dezen tegenstander te verlossen. Groote verslagenheid 


201 


Beckford — Becquerel 


202 


heerschte en de koning zag zich gedwongen, wilde hij 
de volksgunst niet verliezen, openbare boete te doen 
voor een misdaad, die hij wel niet direct bedreven, 
maar toch door zijn vijandige houding geprovoceerd 
had. In 1174, een jaar na Becket’s heiligverklaring, 
bezocht hij als pelgrim diens graf. Feest 29 Dec. 

L i t. : E. A. Abott, St. Thomas of Canterbury, his 
death and miracles (2 dln. Londen 1898). Voor den tekst 
van de constituties van Clarendon, zie Stubbs, Select 
charters and other illustrations of English constitutional 
history (Oxford 1870, 9 1913). Het artikel van de Ene. 
Britannica (III, 289-290) is weinig waardeerend. 

Wachters. 

Beckford, W i 1 1 i a m, de zonderlinge schrijver 
van „Vathek”. * 1759, f 1844; zoon van een Londensch 
koopman, die een millioenenfortuin gemaakt had in 
West-Indië; onderricht van huisleeraren; fantasie 
ontvlamd door de verhalen van 1001 Nacht. Bracht 
20 jaar (1777 — ’96) meestal in het buitenland door, in 
Zwitserland, Italië, Frankrijk, Portugal en Spanje; 
besteedde millioenen aan fantastische bouwerijen 
op zijn landgoed Fonthill in Wiltshire, waar hij leefde 
als boeken- en curiosa -verzamelende kluizenaar; en 
toen zijn fortuin in 1822 een knak had gekregen, zette 
hij op kleinere schaal zijn levenswijze voort te Bath, 
waar hij stierf in 1844. Oostersche weelde van ver- 
beelding en sombere hartstocht hebben gedurende de 
18e eeuw nergens in Europa een rijker en kunstvoller 
uiting gevonden dan in B.’s Vathek, geschreven te 
Fonthill in klassiek Fransch proza in 1783, en uit- 
gegeven in 1787 te Parijs en Lausanne en opnieuw 
in 1815; herdrukt door St. Mallarmé in 1876 en 1893. 
Een slechte Engelsche vertaling verscheen in 1786 
(vóór het Fransch origineel!), en is tallooze malen 
herdrukt. Een nieuwe vertaling door H. B. Grimsditch 
verscheen in prachtuitgave in 1929. Van B.’s andere 
werken verdienen vooral zijn fantastische en levendige 
reisbeschrijvingen in helder klassiek Engelsch ver- 
melding; zij dateeren van 1783, 1834 en 1835. 

L i t. : Lewis Melville, Life and Letters of W. B. 
(1910). In 1912 heeft L. Melville voor het eerst uit- 
gegeven The Episodes of Vathek in het Fransch en 
Engelsch. Vathek en The Episodes, uitg. G. Chapman 
(2 dln. 1929). De reisbeschrijvingen zijn in prachteditie 
in twee deelen uitgegeven door G. Chapman in 1928 
(The Travel Diaries of W. B.). Volledige bibliographie, 
ook van andere werken, door G. Chapman en J. Hodgkin 
(1930) ; Life, J. W. Olivcr (1933). Pompen. 

Breking, G u s t a v, musicoloog, * 4 Maart 
1894 te Bremen; studeerde muziekwetenschap te Berlijn 
en Leipzig, promoveerde in 1920 op een proefschrift, 
getiteld: Studiën zu Beethovens Personalstil, Das 
Scherzo thema ; werd in 1922 privaatdocent te Erlangen, 
kort daarop hoogleeraar, en ging in 1930 als zoodanig 
naar Praag. Publiceerde verder o.a.: Der musikalische 
Rhythmus als Erkenntnisquelle (Augsburg 1928) 
en gaf de „Veröffentlichungen des Musikwissenschaft- 
lichen Seminars der Universitat Erlangen” uit. 

Reeser . 

Beekman, M a x, Duitsch schilder, * 12 Febr. 
1884 te Leipzig. Leerling aan de acad van Weimar. 
Daarna studies te Parijs en te Florence. Schilderde 
figuur, genre en landschappen. Daarna ook kerkelijke 
composities, o.a. een Kruisiging (nu in het mus. te 
Weimar). 

L i t. : Zeitschrift für b. Kst. (1907, 259). 

Beckmann , 1 ° Ernst Otto, natuurkundige, 

* 4 Juli 1853 te Solingen, f 13 Juli 1923 te Berlijn. 
Werd in 1882 privaatdocent voor chemie en pharmacie 


aan de Techn. Hoogeschool te Brunswijk, in 1891 
directeur van het physico -chemisch instituut der 
universiteit te Giessen, in 1912 professor en directeur 
van het chemisch instituut te Berlijn. Behalve om een 
groot aantal publicaties is hij bekend om den naar hem 
genoemden thermometer met veranderlijke kwik- 
vulling. 

2° G u s t a v, Duitsch musicoloog en dirigent, 

* 28 Febr. 1883 tc Berlijn; publiceerde: Das Violin- 
spiel in Deutschland vor 1700 (1918; proefschrift 1916), 
waarbij in 1921 een uitstekende Beispielsammlung 
verscheen (uitg. Simrock). 

Beckx, Petrus, Jezuïet, 22e generaal der 
Orde. In 1853 gekozen; deed in 1884, wegens hoogen 
leeftijd, afstand. * 8 Febr. 1795 te Sichem (België), 
t 4 Maart 1887 te Rome. 

L i t. : Verstraeten, Leven van den H.E. Pater Petrus 
Beckx (Antwerpen 1889). 

Beclers, Belg. gem. in de prov. Henegouwen, 
ten O. van Doornik: opp. 1 334 ha, ca. 1 200 inw. 
Landbouw. Kasteelen van Pétrieux en du Roy; 
kerk met Gotischen toren. 

Bccoringhen, Van vier, werk van Ruus- 
broec; tegen de zucht naar zingenot, den geest van 
pharizeïsme, den geestelijken hoogmoed, de valsche 
ledigheid. 

Bccque, H e n r i, Fransch tooneelschrijver, 
de voornaamste figuur uit L e T h é a t r e 1 i b r e. 

* 9 Apr. 1837 te Parijs, f 12 Mei 1899 aldaar. 

Voorlooper van het naturalisme op het tooneel, 

zoekt B. zijn kracht in overzichte lijken, eenvoudigen 
bouw van de handeling, eerlijke, nuchtere onopge- 
smuktheid van den dialoog en een teruggave van 
karakterwerkelijkheden die alle vermooiende ideali- 
seer ing uitsluit. Vooral de Fransche vrouw ontgeldt het 
dikwijls bij hem. De atmosfeer van B. ’s meeste stukken 
wordt daardoor donker, pessimistisch; en daar de 
kijk, dien hij op de wereld heeft, uitgesproken materia- 
listisch is, geeft dat alles bij de opvoering een onmee- 
doogende hardheid, waartegen een reactie in den zin 
van het lyrische, ook wel het luchthartige, opper- 
vlakkige tooneel-als -amusement niet zou uitblijven. 

Voorn, werken: Les corbeaux (1882) ; La 

Parisienne (1885) ; Les ■ olichinelles (1891). — Uitg.: 
Oeuvres complètes (7 dln. Parijs 1924 vlg.). — L i t. : 
F. Dubois, H. B. (Parijs 1888) ; A. Got, H. B. (Parijs 
1920) ; E. Dawson, H. B. (Parijs 1923) ; Arnatowitsj, 
H. B. (3 dln. Parijs 1927) ; L. Treich, H. B. (1927). 

Baur. 

Béequer, Gustavo Adolfo, Spaansch 
dichter, * 1836 te Sevilla, f 1870 te Madrid. B., bijge- 
naamd De Arme Poëet trekt van Sevilla naar Madrid, 
waar hij met vertaalwerk en het schrijven van dagblad- 
artikelen in zijn noodzakelijk onderhoud voorziet. 
Zijn werken, deels in proza, deels in poëzie, zijn melan- 
cholisch van stemming, eenvoudig, vloeiend en 
melodieus. B. uit zijn dichter lijke visie met bewonde- 
renswaardige kunst. 

Werken: Leyendas (invloed van Hoffmann ?) ; 
Rimas (invloed van Heinc ?), na zijn dood gedrukt. — 
Lit. : Monogr. van J. Andres Vasquez (1929). Borst. 

Becquerel, 1° Alexandre Edmond, 
natuurkundige, * 24 Mrt 1820 te Parijs, f 13 Mei 1891 
aldaar. Zoon van Antoine César B. Leverde eerste 
bruikbare photo van het zonnespectrum en van infra- 
roode stralen. 

2° Antoine Cés ar, natuurkundige, * 7 Mrt. 
1788 te Chat illon-sur-Lo ing, f 18 Jan. 1878 te Parijs. 
Hii construeerde bijna tegelijkertijd met Daniell het 


203 


Becquereleffect — Bed 


204 


eerste constante galvanische element; verder is van 
hem de nauwkeurige bepaling van thermo-electrische 
krachten. 

L i t. : Bassal, Eloge biograph. de A. C. B. (Parijs 
1879). 

3° Henri An t o in e, natuurkundige, * 16 Dec. 
1862 te Parijs, f 26 Aug. 1908 te Le Croisic. Zoon van 
Alexandre Edmond B. Werd in 1908 permanent 

secretaris van de 
Parijsche acade- 
mie. In 1876 vond 
hij de draaiing 
van het polarisa- 
tievlak door het 
magnetisch veld. 
Door het onder- 
zoek naar de wer- 
king van infra- 
roode stralen op 
phosphoresceeren - 
de stoffen kwam 
hij op de uraan - 
verb indingen, 
waarvan hij in 
1896 de radioac- 
tieve werking 
Henri Becquerel. vond. In den elec- 

troscoop vond hij 

een middel om deze naar hem genoemde stralen te 
onderscheiden (a-, /?- en y-stralen). In 1903 kreeg 
hij met het echtpaar Curie den Nobelprijs voor 
natuurkunde. 

L i t. : Revue générale des Sciences (1908, 802) ; 
Victor Junk, Die Nobelpreistrager (Leipzig 1930). 

J. v. Santen . 

Becquereleffect, ontdekt in 1839 door E. Bec- 
querel, die vond, dat bij belichting van een der beide 
zich in een electrolytische vloeistof bevindende 
electroden, deze een > potentiaalverschil vertoonen; 
dit is enkele microvolts bij toepassing van goud- of 
platina-electroden; sterkere effecten met > Sele- 
niumelectroden of zulke, die een oxydhuid bevatten. 
Oorzaak van het B. is vermoedelijk het > photo- 
electrisch effect, zoodat door lichtabsorptie 
in het huidje electronen worden vrij gemaakt, die in 
de vloeistof treden, waardoor deze electrode pos. wordt; 
soms echter (langgolvig licht) kan zij neg. worden. 
Sommigen beschouwen photochemische werkingen als 
oorzaak van het B. Voor lichtsterktemeting vindt het 
B. weinig toepassing, omdat de zgn. photogalvanische 
stroom ingewikkeld afhangt van electrodenoppervlak, 
golflengte en intensiteit van het licht. 

L i t. : B. Gudden, Lichtelektrische Erscheinungen 
(Berlijn 1928). Custers. 

Bed (in de meubelkunst) is een houten 
of metalen meubel, tot rusten bestemd en voorzien 
van matras, dekens, kussens, enz. 

Bed in de Oudheid. Bij Egyptenaren, Assy- 
riërs, Meden en Perzen vindt men het b. rijk versierd 
met metaal, paarlemoer en ivoor Bij de Grieken 
bestond het uit een houten, soms bronzen geraamte 
met dwarslatten, waarop men kussens legde; voor ver- 
siering gebruikte men kostbaar hout en ivoor, terwijl 
de voeten van het b. soms van zilver waren. De rijken 
belegden het b. met kostbare kussens en dekens. 
Speciale fabricatie in Milette, Korinthe en Carthago. 
Het Romeinsche b. was hoog, zoodat men er een 
bankje bij gebruikte; aan het hoofd- en voeteneinde 



lagen smalle kussens; dikwijls hingen kostbare kleeden 
af tot op den grond. Het geraamte was, evenals bij de 



Vormen van het bed in de oudheid : 
1 en 2 Egyptisch, 3 Romeinsch. 


Grieken, veelal van brons en met zilver ingelegd; 
keizer Elegabalus bezat zelfs een b. geheel van zilver. 
Men had lage b. voor zieken, voor het opbaren van 
dooden, rustbedden voor lezen, enz., overeenkomend 
met onze sofa’s. W. Vermeulen . 

Nog zeker tot in de 6e eeuw bleven de aanligbedden 
aan tafel bestaan. Tot aan de 13e eeuw zijn de bedden 



meestal van brons en door kussens zoo opgehoogd, 
dat men er ongeveer in zittende houding in moest 
rusten. Geheel ontkleed wikkelde men zich in een laken. 
De houten bedden, die in de 12e eeuw in zwang komen, 


205 


Beda — Bedammen 


206 


zijn vaak rijk met snij- en beeldhouwwerk versierd, 
dek en matras zijn rijk geborduurd. Aan dwarsbalken 
of aan een hemel worden bedgordijnen opgehangen, 
een gewoonte, die tot in de 19e eeuw blijft voortbe- 
staan. Meestal hing bij het bed (nog in de 13e en 14e 
eeuw) een nachtlampje. De bedden worden luxueuzer: 
een door vier pooten gedragen balustrade, aan een der 
lange kanten middenin geopend, om aldus den toe- 
gang tot het bed te vergemakkelijken. Men ligt laag, 
alleen het hoofd is hooger gelegen, in de 14e eeuw is 
het vooral het beddek, dat de belangstelling der 
sierkunstenaars heeft, en waarvoor zijde, fluweel en 
soms goudlaken gebezigd worden. Men gebruikt twee 
lakens, zooals tegenwoordig. Uitermate groote afme- 
tingen krijgt het 15e-eeuwsche bed; veeren matrassen 
raken in gebruik („Sterfbed van Maria” van Hugo 
v. d. Goes, ong. 1480). Omstreeks denzelfden tijd 



Empirebed (ca. 1810). 


komen in Frankrijk de zgn. paradebedden in zwang. 
Hierop liggend ontving de koning gezanten, enz. Sinds 
de 16e eeuw zijn alkoven bekend. Eind 19e eeuw gaat 
de hemel verdwijnen en worden de bedden eenvoudiger. 
In den laatsten tijd hebben stalen bedden, zgn. veld- 
bedjes en opklapbedden de oudere vormen verdrongen. 

L. v . d . Broek . 

Beda , bijgenaamd Venerabilis (de Eer- 
biedwaardige), Heilige, Benedictijn, kerkleeraar en 
geleerde; * 673 (of 674) in Northumberland (Eng.), 
f 26 Mei 735 in het klooster te Yarrow. Ging op 
7 -jarigen leeftijd naar de kloosterschool te Wearmouth, 
verhuisde in 682 met abt Ceolfrid naar het nieuw- 
gestichte klooster Yarrow, behoorde met den abt tot 
de eenigen, die aan de groote pest van 686 ontkwamen, 
ontving in 692 de diaconaats- en in 703 de priester- 
wijding. B. was een stipt en plichtgetrouw klooster- 
ling en een ijverig leeraar met universeele kennis; 
was buitengewoon vertrouwd met de geschriften der 
oude Christelijke en heidensche schrijvers en schreef 


tal van werken op elk gebied der toenmaals bekende 
wetenschap. 

Zijn grooten roem heeft B. vooral te danken aan 
zijn geschiedkundig werk in vijf boeken: „Historia 
ecclesiastica gentis Anglorum”, dat de kerkelijke 
en politieke geschiedenis van Engeland 
behandelt vanaf den inval van Caesar in Brittannië 
tot het jaar 731. Om dit werk van groote historische 
betrouwbaarheid, dat een rijke verzameling van 
bronnen en gegevens bevat, wordt B. de „Vader der 
Engelsche geschiedschrijving” genoemd. Waar B. soms 
in dit werk wegens politieke toestanden niet alles onom- 
wonden kon neerschrijven, heeft hij toch zoo’n weer- 
gave gekozen, dat bedoeling en werkelijke toedracht 
der geschiedkundige feiten duidelijk worden en een 
betrouwbaar licht valt op verschillende duistere 
vraagstukken uit dien tijd. Zijn werk; „De sex aeta- 
tibus mundi” is mede de grondslag voor de universeele 
kronieken der middeleeuwen. In zijn exegeti- 
sche werken over Oudo en Nieuwe Testament 
neemt B. vooral de allegorische verklaring aan, die 
hij met zorg uit de Grieksche en Latijnsche Vaders 
verzamelt. 

B. is de eerste wetenschappelijke theoloog der 
middeleeuwen en een voorlooper van de Scholastiek. 
Zijn geschriften hadden nog lang een grooten invloed. 
Paus Leo XIII heeft B. op 13 Nov. 1899 tot Doctor 
Ecclesiae verheven. Feestdag 27 Mei. 

Werken: in Migne P. L. (XC-XCV). — L i t. : 
K. Werner ( 2 1881) ; G. F. Browne, The Venerable Bede 
( 2 1928). 

Verder schreef B. over cosmologie, chronologie en 
rekenkunde. In zijn cosmologisch werk: De 
natura rerum liber, maakt hij gebruik van het gelijk- 
namige geschrift van Isidorus van Sevilla, maar 
tevens van de aan dezen onbekende Historia Naturalis 
van Plinius Maior, waardoor zijn werk op hooger 
wetenschappelijk peil staat. Over chronologie 
handelt: De temporum ratione (na 716), een uitwerking 
van het in 703 geschreven: De temporibus. Hierin 
wordt de berekening van het Paaschfeest geleerd en 
een theorie van eb en vloed behandeld, waarin de oudste 
vermelding van het begrip havengetal voorkomt 
Het aan rekenkunde gewijde hoofdstuk: De 
loquela per gestum digitorum, vormt de oudste en 
voornaamste bron voor onze kennis der middeleeuw - 
sche vingerrekening. Ten onrechte staat op naam 
van Beda een geschrift uit de eerste helft der 9e eeuw: 
De mundi caelestis terrestrisque constitutione liber, 
waarin de planetentheorie van Heraclides (Mercurius 
en Venus satellieten van de zon) wordt aanvaard. 

U i t g. : Bedae Presbyteri Anglosaxonis opuscula 
complura de temporum ratione, ed. Joh. Noviomagus 
(Keulen 1537) ; Migne, Patrologia Latina (XC). 

Dijksterhuis. 

Voorstelling in de kunst. Bij Ros- 
weyden (27 Mei) voorgesteld als middeleeuwsch klerk 
met bonnet, in de eene hand een kruik, in de andere 
een boek. Op de titelpagina van den Homiliarius 
Doctorum (1498) zonder bonnet en alleen met een 
boek. Hij wordt verder afgebeeld, schrijvend in zijn cel. 

Bedagei, landschap met gelijknamige rivier in het 
gouv. Oostkust van Sumatra. 

Bedaja, > Bedojo. 

Bedak, poeder, uit rijstmeel bereid, dat op Java 
gebruikt wordt als toiletartikel, ongeveer op de wijze,, 
waarop wij talkpoeder gebruiken. 

Bedammen, > Bedijken. 


207 


Bedanye — Bedekte knoppen 


208 


Bedanye, Neder -Koes j iet ische stam van de Ha- 
mieten; > Afrika (Bevolking). 

Bédarieux, oud Fr. industriestadje (laken, leer), 
8 000 inw. (1926), in het arr. Béziers, dept. Hérault 
(43° 30' N., 3° 10' O.). Kerk uit de 15e eeuw. 

Bedburg, of „B e t h a u s”, voormalig Prc- 
monstratenser klooster in het diocees Keulen. Het 
werd in 1124 als dubbelklooster gesticht door Arnold 
II, graaf van Kleef; later alleen voor zusters; 1619 
verwereldlijkt; na verschillende veranderingen te 
hebben ondergaan in 1802 opgeheven. 

L i t. : Ch. Hugo, S. Ord. Praem. annales (I, 241-245) ; 
L. Sloet, Het hoogadellijk, vrij wereldlijk stift de B. 
bij Kleef en zijne juffers (1879). 

Boddegoed bestaat tegenwoordig meestal uit een 
staaldraadmatras, waarop een matras met kapok ge- 
vuld; verder uit wollen of molton-dekens, peluw en 
hoofdkussen, eveneens met kapok gevuld. De lakens 
zijn meestal van katoen, linnen of flanel. De veeren 
bedden uit ouden tijd zijn broeierig warm en moeilijk 
te hanteeren evenals de springmatrassen. In België 
wordt dikwijls wol ter opvulling gebruikt. Voor 
kinderen is zeegras aan te bevelen. Paardenhaar is een 
geschikte, maar dure vullingsstof. De lakens mogen 
niet te kort zijn; het is doelmatig de bovenste deken 
van knoopen te voorzien, ongev. 50 cm van den boven- 
rand af en daarop den overslag van het laken, waarin 
knoopsgaten zijn aangebracht, te bevestigen. Droog. 

Bedding, 1° van een rivier, de terreingeul 
waardoor een rivier stroomt. Het gedeelte, dat bij 
middelbaren rivierstand of bij normalen vloed door 
de rivier wordt ingenomen, heet het zomerbed. Het 
geheele terrein, ingesloten tusschen de hooge oevers 
of tusschen de dijken, wordt het winterbed genoemd. 
Bij hooge waterstanden neemt het werkzame winter- 
bed deel aan den waterafvoer, terwijl het overige ge- 
deelte dienst doet tot waterberging. J. ten Brink. 

2° In de k r ij g s k., vloer, waarop een kanon bij 
het schieten wordt opgesteld om het omwoelen 
en het indringen van den vuurmond in den grond te 
voorkomen. In eenvoud igen vorm soms door de onder- 
deelen der artillerie medegevoerd (noodbedding). 
Zwaar geschut in vaste opstellingen heeft dikwijls 
een b. van beton. Nijhoff. 

3° (T e c h n.) Onderdeel rond den toe- of doorlaat 
van aflsuiter of veiligheid, waarop de afsluitklep 
rust; wordt met het oog op de door te laten substantie 
van een daartegen bestand materiaal vervaardigd. > 
Zitting. 

Beddoes, Thomas L o v e 1 1 , de Engelsche 
schrijver van „Death’s Jest Book”. * 1803, f 1849. 
Zoon van een beroemd en welgesteld geneesheer, 
studeerde te Oxford, schreef drama’s, en woonde van 
1825 af in Duitschland (Göttingen, Würzburg, Zürich, 
Berlijn, Frankfort), waar hij deel nam aan verschil- 
lende revolutionnaire intriges. Hij stierf onder ge- 
heimzinnige omstandigheden te Bazel. „Death’s Jest 
Book or The Fool’s Tragedy” werd begonnen in 1825 
en hij heeft eraan gewerkt tot zijn dood. Uitg. door 
zijn vriend T. E. Kelsall in 1850. Een fantastisch 
historisch griezeldrama in blanke verzen met prachtige 
liederen. 

L i t. : Grete Moldauer, monogT. (Weenen 1924) ; 
Werken uitg. E. Gosse (1928) ; Bloemlezing van F. L. 
Lucas (1932). Pompen. 

Bede, 1° (ook petitio, precaria). B. 
was oorspronkelijk waarschijnlijk de som gelds — 
slechts korten tijd was het een tegemoetkoming in 


natura — op verzoek van den landsheer door de 
onderdanen bijeengebracht als steun bij het uitoefenen 
van diens taak als landsheer. De beden werden onder- 
scheiden in gewone en buitengewone. De gewone, die 
reeds in de 12e eeuw vaste heffingen zijn geworden, 
moesten op bepaalde tijden (bijv. een- of tweemaal 
per jaar) of bij bepaalde gelegenheden (bijv. huwelijk 
van den landsheer) worden opgebracht; weigering 
was onmogelijk. De buitengewone beden konden 
rechtens worden geweigerd, hoewel weigering prac- 
tisch nog grooter moeilijkheden meebracht. De Staten- 
vergadering, het volk vertegenwoordigende, moest 
de beden inwilligen en dankt daaraan juist, dat zij 
zoo lang bleef voortbestaan, terwijl ze, door het stel- 
len van voorwaarden, nog zijdelings invloed kon 
uitoefenen op de regeering (-> Precarium). 

2° (G o d s d.), > Gebed. 

Beclcau, Mar ie Alphonse, Fransch 
generaal. * 10 Aug. 1804 te Yertou bij Nantes, f 30 
Oct. 1863 aldaar. Trad in 1825 als luitenant in het 
leger. Werd in 1831 kapitein-adjudant van generaal 
Gérard; nam in diens staf aan de belegering van Ant- 
werpen deel (1832) en werd hier als parlementair naar 
Chassé gezonden. Van 1836 tot ’47 onderscheidde hij 
zich in Algerië en was, in Juli — Oct. 1847, waarne- 
mend gouverneur -generaal van dit land. Vervulde 
een zeer gewichtige rol tijdens de revolutie van 1848 
en de Tweede Republiek, o.a. als min. van oorlog en 
militair -gouverneur van Parijs. Bij den coup d’état 
van 2 Dec. 1851 werd hij gevangen genomen en 
vervolgens verbannen; hij ging naar België en leefde 
daar teruggetrokken te Brussel. Na de amnestie van 
1859 keerde hij naar Frankrijk terug. Lousse. 

Bedeguar, ook rozenspons of slaapappel, gal 
aan rozen, veroor- 
zaakt door larven 
van de rozengal- 
wesp (Rhodites 
rosae L.). 

Bedekkings- 
vermogeu, 1° 
uitstrijkbaarheid 
van een verf; het 
min of meerdere 
gemak, waarmede 
de verf zich over 
een gegeven op- 
pervlak laat uit- 
strijken. Niet te 
verwarren met 
> dekvermogen 
van een verf. 

2° Het afdekkingsvermogen van een verf; het ver- 
mogen om het onderliggend materiaal te beschermen 
tegen schadelijke invloeden. 

Bedekovics, 1° Franz, Hongaarsch edelman. 
* 1765, f 1825. Afgevaardigde van I&oatië. Vervulde 
ook hooge functies aan het hof van keizer Franz I 
van Oostenrijk, dien hij op verschillende veldtochten 
vergezelde. 

2° K o 1 o m a n, Hongaarsch edelman. Minister 
voor Kroatië in het kabinet Andrassy (1867). 

Bedekte knoppen zijn, in tegenstelling met 
naakte knoppen (bijv. walnoot), jonge spruiten aan 
planten, voorzien van een aantal schubben, vervormde 
bladeren of deelen van bladeren, die de jonge bladeren 
en /of bloemen in het ongunstige jaargetijde bescher- 
men. 



Bedeguar. 


209 


Bedektzadigen — Bedelarij 


210 


Bedektzadigen (Angiospermen, ^ Gr. aggeion 
= vat, sperma = zaad) vormen die groep van zaad- 
planten, waarvan de zaden in vruchtb la deren opge- 
sloten zijn. Voor de bevruchting komt de stuifmeel- 
korrel op den stempel en groeit vandaar met een 
stuifmeelbuis naar het eitje. Men noemt deze groep 
dan ook wel stempelplanten (Stigmateae, ^ Gr. 
stigma = stempel). 

Bedelaarsopera, > Ballade-opera. 

Bedelarij is het herhaalde bedelen, of vragen van 
aalmoezen door iemand, die armoede heeft of armoede 
veinst; ook de toestand van degenen, die zich aan 
bedelarij overgeven. De openbare onderstand en de 
private liefdadigheid zorgen voor de armen. De ge- 
zonde mensch, die geen inkomsten heeft, dient door 
werken in zijn behoeften te voorzien. B. wordt dan 
ook als een sociaal kwaad beschouwd, waartegen de 
maatschappij zich heeft te vrijwaren. B. geeft overigens 
aanleiding tot misbruiken van allerlei aard: afpersing, 
diefstal, kindermishandeling, enz. 

België. De wet van 27 Nov. 1891 (gewijzigd 
door die van 15 Febr. 1897) en de wet van 15 Mei 
1912 op de kinderbescherming, regelen de beteugeling 
van de landlooperij en de bedelarij. De wet rangschikt 
de bedelaars en de met bedelaars gelijkgestelde per- 
sonen in verschillende categorieën. Voor elke categorie 
wordt het meest geschikte stelsel aangewend in de 
door den staat ingerichte instellingen: te w r eten in de 
bedelaarsgestichten, de toevluchtshuizen, de weldadig- 
heidsgestichten. 

De bedelaarsgestichten zijn verbeter- 
huizen, uitsluitend bestemd tot intemeering: 1° van 
de personen, die de rechterlijke macht ter beschikking 
stelt van de regeering, zooals de uitbuiters der lief- 
dadigheid, de dronkaards, degenen, die zich aan de 
de ontucht overgeven, enz.; de vrederechter kan op 
hen intemeering van 2 tot 7 jaar toepassen ; 2° van de 
landloopers en de bedelaars, die strafrechterlijk ver- 
oordeeld zijn tot een straf, welke in bijkomende orde 
het ter beschikking stellen van de regeering nasleept; 
deze intemeering, w r elke aanvangt na het verlaten 
der gevangenis, kan gaan van een tot zeven jaar. De 
minister van Justitie mag te allen tijde een geïnter- 
neerde in vrijheid stellen, indien hij oordeelt, dat een 
langere intemeering niet noodzakelijk is. Al deze 
geïnterneerden zijn aan werkplicht onderworpen; zij 
ontvangen een loon, waarvan een gedeelte wordt in- 
gehouden om bij het verlaten van het gesticht aan den 
belanghebbende overhandigd te w r orden. 

De toevluchtshuizen zijn liefdadig- 
heidsinrichtingen, waar worden ondergebracht dege- 
nen, die voor gewone bedelarij, zonder eenige bezwa- 
rende omstandigheid, ter beschikking der regeering 
worden gesteld, alsook de personen van meer dan 18 
jaar, die, op verzoek der gemeente-overheid, er in 
toestemmen voor een jaar — termijn w r elke kan ver- 
lengd worden — geïnterneerd te worden. Werkplicht en 
loonuitkeering zijn ook hier aan de basis van hetstelsel. 

De weldadigheidsgestichten zijn 
bestemd om de jeugdige misdadigers en de kinderen, 
die misdadige neigingen vertoonen, te herbergen. 

Wanneer minderjarigen van minder dan 18 jaar 
zich gewoonlijk aan bedelarij of landlooperij over- 
geven, kan de kinderrechter krachtens de wet van 15 
Mei 1912 ofwel ze aan hun familie terug geven met 
opdracht er voortaan beter over te waken, ofwel ze 
tot hun meerderjarigheid toevertrouwen aan een be- 
paald persoon, aan een vereeniging, of aan een open- 


bare of private instelling van weldadigheid of van 
onderwijs, ofwel ze ter beschikking stellen van de 
regeering, die ze in een weldadigheidsgesticht kan 
intemeeren, of ze insgelijks aan hooger bedoelde per- 
sonen of vereenigingen kan toevertrouwen. De minister 
van Justitie doet de plaatsen inspecteeren, waar min- 
derjarigen zijn ondergebracht. 

De kosten van inrichting der openbare bedelaars- 
gestichten, toevluchtshuizen en weldadigheidsge- 
stichten worden door den staat gedragen; doch de 
onderhoudskosten van den geïnterneerde kunnen ten 
laste gelegd worden hetzij van de familie, hetzij, in 
de meeste gevallen, van de gemeente, w'aar de geïnter- 
neerde zijn bijstandswoonst heeft. 

In het stelsel der Belgische wetgeving w r orden 
bedelaars en landloopers niet behandeld als mis- 
dadigers, die men moet straffen, maar als hulpbe- 
hoevenden, die men moet opbeuren en zedelijk ver- 
heffen. F. Boon . 

Nederland. Krachtens art. 432 W. v. Str. 
is het in het openbaar bedelen strafbaar met hechtenis 
van ten hoogste 12 dagen. Gepleegd door drie of meer 
personen boven den leeftijd van 16 jaar wordt het 
gestraft met hechtenis van ten hoogste 3 maanden 
(art. 433). Bovendien kan de bedelaar, zoo hij tot 
werken in staat is, in een rijkswerkinrichting worden 
geplaatst voor ten hoogste 3 jaar; dit is een bijkomende 
straf (art. 434). Dezelfde straffen zijn gesteld op > 
landloopen en op de overtreding van een geheel ander 
karakter, •> souteneurschap. B. is een zeer eigenaardig 
strafbaar feit. De berechting geschiedt vaak op ver- 
zoek van den bedelaar zelf, die daardoor onderdak in 
een rijkswerk inr i ch t ing w r enscht te krijgen. De politie 
spoort dit strafbaar feit veelal niet zelf op. Slechts 
enkele rechtbanken zijn gul met het opleggen der door 
de schuldigen gewenschte plaatsing in een rijksw r erk- 
inrichting. Daarom wordt de berechting grootendeels 
op deze rechtbanken geconcentreerd. Het verblijf in 
de rijkswerkinrichtingen, in Veenhuizen, van zoovele 
bedelaars en landloopers tezamen w T erkt in het alge- 
meen immoraliseerend. Pogingen tot verbetering 
zijn tot nog toe vrijwel mislukt. De rechtsgrond van de 
bestraffing van bedelarij is hoofdzakelijk gelegen in de 
gevaarlijkheid der bedelaars, in dien zin, dat men 
allerlei misdrijven en met name overlast op het platte- 
land van hen vreest. Deze rechtsgrond is bedenke lijk, 
omdat bedelaars dan in den grond gestraft w orden voor 
misdrijven, die men hun niet bewezen heeft. Een 
statistisch onderzoek, in het begin dezer eeuw inge- 
steld, heeft de vermeende gevaarlijkheid niet kunnen 
aantoonen. B. kan onder omstandigheden onbehoorlijk 
zijn. De Ned. wet is, in tegenstelling tot het oorspron- 
kelijk ontw r crp voor het Wetboek, en in tegenstelling 
tot latere ontwerpen, stellig te ruim in de strafbaar- 
stelling. De oplossing van het vraagstuk der bedelarij 
ligt wel in drie punten: 1° zooveel mogelijk voorko- 
men, door maatschappelijke maatregelen; 2° voor- 
zoover iemand tot bedelen komt, den bedelaar ver- 
zorgen in particuliere gestichten (liet Leger des Heils 
is hierin wel vooraan; men denke verder o.a. aan de 
Katholieke inrichting Luctor et Emergo te Nijmegen); 
3° voorzoover de bedelaar strafwaardig optreedt, bijv. 
met bedrieglijke middelen of zoo, dat hij zijn gezin 
schuldig verwaarloost, hem straffen. 

Lit: o.a. Geschriften van de Nederlandsche Ver- 
eeniging voor Armenzorg en Weldadigheid (L en LI 
1930-’31); W. Pompe, in De Gemeenschap (Maart 1932). 

Pompe. 


211 


Bedell — Bedelorden 


212 



Bedell, W i 1 1 i a m, Anglic. bisschop van 
Kilmore in Ierland van 1629 — ’42, schrijver van vele 
theologische werken in het Latijn en Engelsch, vooral 
bekend wijl men aan hem de eerste Iersche vertaling 
van het O. T. toeschrijft. * 1571 te Black Notley 
(Essex, Eng.), f 1642 te Drumlor (Ierland). Stnd. 
Cambridge, huiskapelaan van Sir Iienry Watton, Eng. 
gezant te Venetië, waar hij Paolo Sarpi ontmoette; 
rector van het Horanigshearth in 1615, proost van 
Trinity College, Dublin, in 1627. De Iersche bijbel- 
vertaling is niet van hemzelf afkomstig, maar is op 
zijn last vervaard igd door Maoilin Mac Bruadadha, 
Murtogh O Cionga en Dennis Sheridan. Deze vertaling 
werd pas gedrukt in 1685. 

L i t. : Two biographies of W. B. (1902) ; Feüm O 
Briain, Analecta Franciscana Hibernica (1933). 

O Briain. 

Bedelorden. Over het ontstaan en de beteekenis 
der B. is in de laatste jaren veel gedisputeerd. Vooral 
trok daarbij de aandacht: de verhouding der B. tot 
de zgn. Armoedebeweging der 12e eeuw en verder de 
vraag, welk aandeel paus Innocentius III in het stich- 
ten der B. heeft gehad. De naam Bedel orden 
is eerst in de tweede helft der 13e eeuw ontstaan, als 
benaming van de Orden, wier leden door bedelen in 
hun levensonderhoud voorzagen. Juister zou eigenlijk 
de naam Armoede - orden zijn, want in de strenge 
onderhouding der armoede van Christus en de Aposte- 
len bestond het karakteristieke der B. Zij wilden geen 
bezit, ook niet voor het klooster. Het eigendomsrecht 
van die goederen, welke de schenkers zonder eenig 
voorbehoud af stonden, werd later door den Aposto- 
lischen Stoel overgenomen. 

Het ontstaan der B., waarvan de eerste is de door 
Franciscus van Assisi gestichte Minderbroedersorde 
(1209), is de verwerkelijking van het idee der na- 
volging van de armoede van Christus, zooals dit 
geheel de 12e eeuw door telkens weer de geesten 


trok. Als bijzondere karaktertrekken onderscheidden 
ze verder nog van de bestaande oudere Orden: het 
sterk op den voorgrond treden van het actieve 
leven, het geheel afzien van stabiliteit (het blijven 
leven in een bepaald klooster), de vestiging midden 
tusschen de bevolking der steden. In de ont- 
wikkelingslijn, die de B. verbindt met het voor- 
afgaande Órdewezen, neemt een heel bijzondere 
plaats in: de door St. Norbertus gestichte Orde van 
Premonstreit. 

In het begin werden tot de B. gerekend: Minder- 
broedersorde, Dominicanerorde; even later: Karme- 
lieten, Augustijner Eremieten; en ten slotte nog ver- 
schillende andere, als Servieten, Minimen, Jezuïeten, 
enz. Het Kerkelijk Wetboek (can. 621) geeft bepalingen 
over het bedelen der B. (vgl. Vermeersch-Creusen, 
Epitome Juris Can. I). 

L i t. : P. Mandonnet, Les origines de 1’Orde de 
Poenitentia (Fribourg 1898); Lambermond, Der Armuts- 
gedanke des hl. Dominikus (Zwolle 1926) ; Coll. Franc. 
Neerl. (I 1927, 68 vlg.) ; Ons Geestelijk Erf (VII 1933, 
188 vlg.) ; Doelle, in : Lex. Theol. Kirche (II, 266 vlg.). 

v. d. Borne . 

Kerkenbouw der Bedelorden. Ofschoon hiervoor 
geen algemeen geldende voorschriften bestonden 
(er werd zelfs door Humbertus de Romans O.P. 
omtrent 1270 geklaagd over gebrek aan eenheid in het 
bouwen), valt toch vanaf het begin een met den tijd- 
geest samenvallend streven naar eenvoud in bouwplan 
en versiering te bespeuren. De bepaling van den 
H. Dominicus om de kerken niet hooger dan 30 voet, 
zonder steenen gewelf, marmer of mozaïek te bouwen, 
werd op het generaal-kapittel van 1297 geschrapt, 
was echter reeds eerder niet meer nageleefd; de aan- 
sluiting aan den bouwtrant der Cisterciënsers, in 1260 
op het generaal-kapittel der Minderbroeders in Nar- 
bonne voorgesteld, werd, op het verbod van torens na, 
niet doorgevoerd. In midden-Italië waren 





213 


Bedevaart 


214 


het vooral de Bedelorden, die den weg naar de Gotiek 
baanden, meestal in den geest van den Zuid-Franschen 
baksteen -bouw. Gotisch zi jn bijvoorbeeld de Fran- 
ciscus -basiliek te Assisi, de Frari in Venetië, de 
S. Chiara van Assisi, de S. Francesco in Viterbo en 
Pemgia. Aanvankelijk waren de kerken een- of drie- 
schepig, vlak gedekt (zelden gewelfd), met dwarsbeuk 
en in het O. een rij kapellen, waarvan de middelste 
ruimte gaf voor het koor (S. Croce in Florence; zie 
plattegr.). In de steden van het Noorden waren het 
meestal de burgers, die de kerken bouwden, waaruit 
aansluiting aan den heerschenden kerkenbouw volgde. 
In het begin waren het dan basilicale kerken met klein 
koor en zonder dwarsbeuk, zoodat het grootste deel 
voor de leeken gereserveerd bleef; in den aan vang 
der 14e eeuw (door grooter aantal kloosterlingen) 
werd het koor verlengd. Een drie-schepige pseudo- 
basiliek is bijv. de Dominicanerkerk in Maastricht 
en de Franciscaner- (zgn. Broeren-)kerk te Bolsward. 
Daarnaast ontstond de zgn. zaal- of hallenkerk, later 
met één lageren zijbeuk, ofwel als een samenstel van 
twee even hooge beuken (tweeschepige hallenkerk), 
zonder toren, met alleen dakruiter (Dominicaner- 
kerken S. Jacques te Parijs en Toulouse). In Ned. 
werd de tweeschepige hallenkerk met smalleren zijbeuk 
ongeveer regel: Dominicanerkerk in Nijmegen (1375); 
de derde Zuiderbeuk werd in 1866 door dr. P. J. H. 
Cuypers aangebouwd; zie plattegr.). Soms had elk 
der beuken een eigen koorsluiting; in den hoek van 
beide koorsluitingen verrees dan een kleine, achtkan- 
tige traptoren (Kampen, Deventer; zie plattegr.). 
Sinds einde 16e eeuw sloot men in verschillende 
Minderbroederskerken het koor door een jubee af 
(bijv. in de kloosterkerk te Venray, in 1926 verbrand, 
en in Weert). Op dit jubee bevindt zich het orgel, 
voor de beide flanken staan zij -altaren. 

L i t. : Burckhardt, Cicerone (II z.j.) ; Biebrach. 
Franziskaner und Dominikaner-Kirchen in Umbrien und 
Toskane, in Bcitrage zur B au wissenschaft (1908 — 1909); 
Gillet, Histoire artistique des Ordrcs Mendiants (1912, 
29-62) ; Dehio, Geschichte der deutschen Baukunst (II 
1921) ; Krautheimer, Die Kirchen der Bettelorden in 
Deutschland (1925) ; Vermeulen, Handb. tot de gesch. 
der Ncd. Bouwkunst (I 1928, 393 vlg.). Knipping, 

Bedevaart. 

I. Godsdienstig. B. is het groepsgewijs trekken 
(Duitsch: wallen, vandaar Wallfahrt) naar een heilig- 
dom, zoodat het daar druk is van vreemden 
(Latijn: peregrini, vandaar peregrinatio ; Fransch 
pèlerin, waarvan pèlerinage), die er komen bid- 
den en vragen (Nederlandsch: bede, vandaar 
bedevaart) onder allerlei vormen en ceremoniën: 
stil (Stille Omgang bijv. naar en in Amsterdam ter 
eere van het H. Sacrament van Mirakel) of zingend 
en luide gezamenlijk biddend, onder meevoering van 
banieren, vaandels, emblemen en beelden, of ook 
dansend en springend (Springprocessie te Echtemach). 
Soms spreekt men alleen van vaart, zooals te 
Boxmeer van den tijd (week na H. Sacramentsdag) 
waarin de „vreemden” komen om te bidden bij het 
H. Bloed, elders, als te Aken en Maastricht, van 
heiligdomsvaart; om het groepsgewijs 
trekken spreekt men ook vaak van processie, 
zooals in den regel, als men spreekt van de b. naar 
Kevelaer, ook wel van de b. naar Lourdes en andere 
plaatsen. De grondgedachte is, dat God aan bepaalde 
plaatsen een bijzondere zegening, of heiliging heeft 
verbonden en men daar moet heengaan om deze deel- 


achtig te worden. Zoo moesten de Joden telken jare 
naar Jerusalem gaan om in den éénen tempel voor 
geheel het volk te komen bidden en offeranden op 
te dragen. De jaarlijksche b. was bij het Joodsche volk 
evenals ook bij vele anderen tevens een middel tot 
bevestiging van de volkseenheid en de gemeenschap. 
Vele volkeren hebben aldus hun heilige plaatsen. Voor 
de Mohammedanen is een bezoek aan Mekka het ideaal 
en de bron van zeer bijzondere heiliging. Wie Mekka 
heeft bezocht, is daar van zijn zonden gereinigd en een 
heilige hadsjii geworden, wiens tusschenkomst bij 
God veelvermogend is. De b. naar Mekka is een der 
fundamenteele instellingen van den Islam, waardoor 
Gods zegen telkens weder over het volk wordt gebracht. 
In Engelsch-Indië is de rivier de Ganges de heilige 
stroom, waarin men zich onder allerlei riten en cere- 
moniën komt baden om van alle zonde gereinigd, 
voor alle kwaad behoed en van alle zegening vervuld 
te worden. Ook de Grieken en Romeinen alsook de 
Germanen hadden hun heilige bronnen, waar men zich 
moest baden, hun heilige eiken of andere boomen, hun 
heilige bergen en heilige steden, waar men een inniger 
vereeniging met de godheid zocht en een bijzondere 
bescherming kwam afsmeeken (orakel te Delphi, 
H. Eik door Bonifatius in Hessen geveld, Helgoland). 
Voor de Christenen waren van ouds vooral de plaatsen 
of „staties” van het Leven en Lijden des Ileeren heilig 
en gold het bezoeken daarvan als bron van zegening. 
In de Brieven van den H. Hiëronymus en de Kerk. 
Gesch. van Theodorctus wordt er reeds uitdrukkelijk 
melding van gemaakt. Ook werden de graven der 
apostelen Petrus en Paulus te Rome, later ook het 
graf van St. Jacobus (San Jago of Santiago) te Compos- 
tella in Spanje druk bezochte bedevaartsoorden. Zoo 
kreeg men velerlei „genade-oorden”. Daar bewaarde 
men gedachtenissen aan vereerde personen, relikwieën, 
tafereelen uit hun leven. Hoe groote waarde men 
vooral aan de H. Plaatsen in Palestina hechtte, blijkt 
uit de onderhandelingen door Karei den Grooten met 
succes met sultan Haroen al Rasjid gevoerd om deze 
voor de Westersche bedevaarten opgesteld te krijgen 
en nog sterker uit de Kruistochten, ondernomen om 
ze weder in het bezit der Christenen te brengen. Velen 
beschouwden den kruistocht tevens als een bedevaart 
en bleven ook niet zelden op de H. Plaatsen om ze 
geregeld te vereeren. Hadewych spreekt van haar 
vrienden aldaar. Jacobus van Vitry schrijft er uitvoerig 
óver in zijn Annalen. De Orde der Karmelieten dankt 
daaraan haar opkomst in de 12e en 13e eeuw. Deze b. 
worden niet zelden ondernomen zeer in het bijzonder 
tot uitboeting van zonden en herhaaldelijk ook als 
boete opgelegd. In oude vonnissen, ook in Nederland, 
werd vrij dikwijls een grootere of kleinere b. als straf 
gegeven (zie Bedevaart II. juridisch in dit 
artikel). Zeer dikwijls ook maakte een b. het voorwerp 
uit van een belofte ter verkrijging van een gunst. Zoo 
werden de bedevaartplaatsen oorden van biecht en 
boete en de b. een gewone vorm van boete en straf en 
daarnaast een geliefde godsvrucht ter verkrijging van 
gunsten. Een b. werd daarbij vaak aan zeer strenge 
voorwaarden gebonden, men ging te voet, in armoede, 
enz., zoodat voor de „arme” pelgrims toevluchtshuizen 
moesten worden gebouwd, het pelgrimsgewaad het 
symbool was van armoede en soberheid. In de b. zag 
men ook een beeld van het leven, dat een „pelgrimagie” 
is naar den hemel. Geleidelijk ontstond aldus ook een 
meer geestelijke opvatting van de b. Vooral 
toen de H. Plaatsen voorgoed in de macht der Moham- 


215 


Bedevaartmaaltijd — Bedford 


216 


medanen waren, voelde men bij den opbloei van de 
godsvrucht tot het H. Lijden in den tijd der Moderne 
Devotie behoefte aan een geestelijke b. naar het 
H. Land. Typisch is hier het werkje van den Karmeliet 
Jan Pascha: Een devote maniere om gheestelijck 
pelgrimagie te trecken tot den heylighen lande (Leuven 
1663 — 1576), waarin men in den geest naar Jerusalem 
reist en daar den Kruisweg doet. Dit boekje vond veel 
verspreiding en droeg veel bij tot invoering van den 
Kruisweg in den huidigen vorm. Daarnaast bleef de 
luisterrijke viering van godsdienstige feesten aanleiding 
tot b., die heel licht periodiek werden. Vooral de 
Maria -vereer ing deed vele bedevaartplaatsen opkomen, 
bijv. in Nederland: de Zoete Lieve Vrouw van 
Den Bosch, Onze Lieve Vrouw ter Nood te Heiloo, 
Maria van Sevenwouden te Bolsward, „Us Ljeaffrou” 
(met Friesche kap) te Hemelum, „de Sterre der Zee” 
te Maastricht, enz. Beroemde Maria-heiligdommen 
buiten Nederland zijn van ouds in België: Halle 
en Scherpenheuvel, in Fr. Lourdes, in ZwL Einsiedeln, 
in Sp. Montserrat bij Barcelona, in Ital. Loreto, in 
Polen Czenstochowa, in Beieren Altötting, in het Rijn- 
land Kevelaer, sinds het begin dezer eeuw in Portugal 
Fatima, in België in den aller laatsten tijd Beau- 
raing. Behalve de Mar ia -b. blijft de godsvrucht der 
Katholieken ook de b. in eere houden naar het graf 
of de plaats van vereer ing van andere Heiligen. 
Men blijft naar Rome gaan naar het graf der apostelen, 
naar Echtemach (H. Willibrord), naar Fulda en 
Dokkum (H. Bonifatius, tot wiens vereering de 
kruistochtprediker Olivier in 1214 meer dan 12 000 
pelgrims te Dokkum vond en waar nu nog ieder jaar 
meerdere duizenden samenkomen), Egmond (H. Adel- 
bert), Brielle (H. martelaren van Gorkum), Schiedam 
(H. Liduina), Assisi (H. Franciscus en H. Clara), 
Padua (H. Antonius), Napels (Bloed van den H. Janua- 
rius), enz. De geestelijke b. naar de graven der Heiligen 
en andere H. Plaatsen leeft nog voort in de „Staties”, 
waarnaar bij de H. Mis het Missale verwijst en aan 
welker gedachtenis door de pausen de zgn. „Statie- 
aflaten” zijn verbonden. De b. naar Rome wordt nog 
bijzonder bevorderd door de Jubilé -af laten, waardoor 
de geloovigen ten tijde van een Jubilé naar Rome wor- 
den getrokken en de banden der geloovigen met Rome 
als middelpunt der Christenheid weder enger worden 
aangehaald. Ook hier de b. als middel ter bevestiging 
der eenheid. Brandsma. 

Over de eerste bedevaarten in de 
Z. Nederlanden ontbreekt het aan bijzonder- 
heden. Wel mag verondersteld worden, dat een volk 
zooals het Z. Neder landsche, gekerstend door de 
pelgrims-geloofsverkondigers, al heel spoedig met 
bedevaarten vertrouwd werd. En dat het in de Z. Ned. 
gewesten aan bedevaartplaatsen niet heeft ontbroken, 
zelfs vóór de 10e eeuw, mag afgeleid worden uit het 
feit, dat voor het Merovingische tijdvak alleen niet 
minder dan 82 Heiligen in België vermeld worden. 

De Schaepdrijver. 

L i t. : J. Marx, Das Wallfahren in der katholischen 
Kirche (Trier 1842 ; historisch -critisch) ; Georg Ott, 
Mariamim (Regensburg 1877) ; A. D. R., Les Vierges 
miraculeuses en Belgique (Doornik 1878) ; J. A. F. 
Kronenburg, Maria’s Heerlijkheid in Nederland (VI 
1909) ; Maria’s heiligdommen in Nederland en België 
(Den Bosch z.j.). 

Bedevaart voor den koek heet de bedevaart naar 
Wannegem-Lede in Vlaanderen, waar de H. Machutus 
wordt aangeroepen tegen buikpijn door darmverstop- 


ping, hetgeen aangeduid wordt met „den koek”; de 
bedevaartgangers koopen drie koeken, waarvan éen 
wordt geofferd, de beide andere thuis bij het houden 
van een noveen worden gegeten. 

L i t. : J. H. Nannings, Brood- en Gebakvormen en 
hunne Beteekenis in de Folklore (1932, 141). 

Knippenberg . 

Bedevaarten onder de Republiek, > Plakkaten. 

Bedevaart in de liturgie. De Kerk rekende niet 
alleen de bedevaarten onder de goede werken en 
verrijkte ze met af laten, zij legde ze ook als sacramen- 
teele boete op. Verder voorzag zij, tegelijk met de 
burgerlijke overheid, van geleidbrieven hen, die ze 
ondernamen, te weten: na verplichte Biecht en H. Com- 
munie, of na ontvangst van een plecht igen zegen over 
persoon en uitrusting; gelijk zij hen ook zegende bij 
terugkeer. Het Rituale Romanum bevat heden nog zulk 
een dubbelen zegen (Benedictio peregrinorum). De 
eerste bevindt zich ook, bijna volledig, in het Brevier, 
als aanbevolen gebed bij het aanvaarden eener reis. 
Zie verder > Processie. 

L i t. : A. Franz, Die kirchlichen Benediktionen im 
Mittelalter (Freiburg i. Br.). Louwerse. 

II. Juridisch. In het strafrecht der M. E. een 
straf, die zoow T el door den kerkelijken als wereldlijken 
rechter voor de meest verschillende misdrijven werd 
opgelegd. Zij ontstond in het kerkelijk recht uit de 
verbanning; men schreef den misdadiger nl. voor, 
gedurende dezen tijd een bepaalde bedevaartplaats 
te bezoeken. Zoo bijv. veroordeelde Petrus Damianus 
als pauselijk legaat in 1069 simonistische geestelijken 
van Milaan tot bedevaarten naar Rome en Tours. 
Voorts werden vaak Jerusalem en Santiago de Com- 
postela, het Jerusalem van het Westen, aangewezen. 

Sinds de 2e helft der 13e eeuw vindt men deze straf 
ook in het wereldlijk recht. Aanvankelijk legde de 
misdadiger deze aan zichzelf op in het vrede -contract 
met het slachtoffer of diens familieleden. Later werd 
ze wettelijk voorgeschreven. In de 14e en 15e eeuw 
was zij in België zelfs de straf, die door den wereld- 
lijken rechter het meest werd opgelegd. Men had lange 
lijsten van bedevaartplaatsen voor alle soorten mis- 
drijven, van moord tot de geringste overtreding. 

L i t. : Et. v. Cauwenbergh, Les Pèlerinages expiatoi- 
res et judiciaircs dans le droit communal de la Belgique 
au moyen &ge (Leuven 1922). v. d. Kamp . 

Bedevaartmaaltijd heet een oud Antwerpsch 
gebruik, om op Witten Donderdag in het St. Julianus 
Hospitaal twaalf armen feestelijk te onthalen aan een 
welvoorzienen disch. 

Bedevaartplaatsen, > Bedevaart; voor Ne- 
derlandsch-Indië, > Islam; Java (Gods- 
dienst) ; Kramat. 

Bedford, 1° stad in den N. Amer. staat Indiana, 
38° 50' N., 86° 30' W., vooral bekend om haar kalk- 
steen, een der meest gewilde bouwmaterialen van de 
Vereen igde Staten. In 1930: 13 208 inw. 

2° Oude stad in Engeland aan de Ouse (52° 8' N., 
0° 28' W.), hoofdstad van het graafschap Bedfordshire; 
40 000 inw. ; marktplaats ; groote fabrieken voor land- 
bouwmachines. De omgeving van Bedford Levels in 
het district Holland werd droogggelegd onder den 
Hollandschen ingenieur Vermuyden, ca. 1630. 

G. de Vries . 

Bedford, John Plantagenet, hertog 
van, derde zoon van koning Hendrik IV van Eng., 
broer van Hendrik V, die hem in 1414 tot hertog van B. 
verhief. * 1389, f 1435. Hij verdedigde Noord-Eng. 


217 


Bediende — Bédier 


218 


tegen de invallen der Schotten en bestuurde Eng. 
tijdens het verblijf van Hendrik in Fr. Na Hendrik ’s 
dood (1422) moest, krachtens het verdrag van Troyes, 
diens zoon den troon beklimmen. Aan B. had Hendrik 
het regentschap over Eng. en Fr. opgedragen. Vooral 
Fr. bracht hem zorgen, want de verdragen mochten 
nog zoo plechtig zijn, eenige provincies mochten zich 
hebben onderworpen, van een rustig bezit was geen 
sprake. Met den steun van Philips van Bourgondië 
versloeg B. het eenige weerbare Fr. leger van den 
dauphin bij Verneuil in Aug. 1424. Zijn succes bleef 
voortduren tot het beleg van Orleans, dat na een half 
jaar in April 1429 door het optreden van de H. Jeanne 
d’Arc opgebroken moest worden. Hij stuurde aan op 
minnelijke scnikking, maar de gevolgde vredesonder- 
handelingen te Arras (1435) leidden door de overdreven 
eischen der Engelschen tot geen resultaat. Hij stierf 
te Rouen, waar zijn lijk in de kathedraal werd bijgezet. 
Voor de bevrijding van Jeanne d’Arc gaf hij zich geen 
moeite. . ‘ Wachters . 

Bediende (Belg. Recht), = beambte in 
een private onderneming. De wet van 7 Aug. 1922 
(zie onder), die het arbeidscontract van den bediende 
regelt, heeft opzettelijk geen bepaling gegeven van den 
b., wat aanleiding geeft tot moeilijkheden. De wet 
van 9 Juli 1926 op de Werkrechtersraden bepaalt 
echter in art. 4: Bediende is hij, die gewoon lijk en voor 
rekening van een patroon geestesarbeid verricht, ge- 
durende het gansche jaar, of op zekere tijdstippen. 
Volgt een serie beroepen, die bij het bediendenberoep 
moeten gerangschikt worden. 

Het practisch belang nu van het voorgaande komt 
neer op het volgende: de werkman valt onder toepas- 
sing van de wet op het arbeidscontract; de bediende 
onder toepassing van de wet op het dienstcontract. 
Maar wanneer de b. meer dan 24 000 frs. per jaar ver- 
dient, valt ook deze niet meer onder de wet van 1922 
en 'wordt zijn toestand geregeld door de bepalingen 
van het B.W. 

Voornaamste bepalingen der wet van 1922: 

Het contract kan worden nietig verklaard, wanneer 
het overeengekomen loon meer dan de helft minder is, 
dan het in de plaats gebruikelijke (art. 6). Gedurende 
de eerste 30 dagen bij ziekte of ongeval behoudt de 
bediende recht op het overeengekomen loon (art. 8). 
Duurt de onmogelijkheid tot arbeiden langer dan een 
maand, dan kan de patroon het contract doen eindigen, 
doch moet dan een schadeloosstelling betalen van 3 
maanden loon (art. 9). Gedurende den termijn van 
opzegging kan de bediende, om een andere betrekking 
te zoeken, twee maal per week uitgaan, mits dit te- 
zamen niet langer is dan een dag arbeid (art. 13). De 
vrouwelijke inwonende bediende kan het contract 
doen eindigen, wanneer de vrouw des huizes sterft of 
vertrekt (art. 19). Het beding, dat den bediende ver- 
biedt na afloop van het contract een eigen zaak te 
beginnen of bij concurrenten in dienst te treden, is 
nietig (art. 20). Alle waarborgsommen tot nakoming 
van het contract moeten worden geplaatst op de Ban- 
que Nationale, de Caisse générale d’épargne of het 
Grootboek der nationale schuld (art. 26). 

Voor Nederland, > Kantoorbediende; Winkel- 
bediende. 

Bedienen is het toedienen van de verschillende 
genademiddelen der H. Kerk als voorbereiding voor 
den overgang tot het leven na den dood. Deze genade- 
middelen zijn: het Sacrament der Biecht; het 
H. Oliesel, de H. Communie als Teerspijze. Hieraan 


wordt dan nog toegevoegd de Pauselijke Zegen met 
vollen af laat in het oogenblik van sterven. Iemand alle 
genoemde Sacramenten toedienen heet: ten volle 
bedienen. De bediening is voor den zieke steeds een 
groote weldaad en heel bijzonder, wanneer hij in staat 
van doodzonde is. Wie in stervensgevaar geraakt, 
heeft de zware verplichting voor zijn dood de H. Com- 
munie te ontvangen en, wanneer hij in staat van 
doodzonde is, ook te biechten. Het ontvangen van 
het H. Oliesel is niet onder zware zonde verplicht. 
Een goed Katholiek zal echter niet nalaten, alle drie 
deze Sacramenten in stervensgevaar te ontvangen. 
Volgens het Kerkelijk Recht is het de eigen taak der 
parochiegeestelijken, hun parochianen te bedienen; 
zij zijn uit strikte rechtvaardigheid daartoe verplicht, 
als de geloovigen er om vragen. Andere priesters zijn 
uit naastenliefde ertoe verplicht in noodgeval. Verder 
rust op alle menschen een plicht van naastenliefde, 
om naar vermogen mede te werken, dat een zieke tijdig 
bediend worde, hetzij door een priester te ontbieden, 
als de zieke er om vraagt, maar ook door een priester 
er van in kennis te stellen, dat iemand ziek is, opdat 
deze den zieke voorlichte en zoo noodig aanspore 
om de H. Sacramenten te ontvangen. Een bijzondere 
taak heeft hier de geneesheer. Deze immers kent in 
den regel beter en eerder het gevaar, waarin de patiënt 
zich bevindt; op hem rust dus de plicht, om zoo 
noodig den zieke zelf of de familie of een priester te 
waarschuwen. Vrees, dat de mededeeling een ongun- 
stigen invloed op den zieke zal uitoefenen, mag geen 
motief zijn, om hem bloot te stellen aan het gevaar 
om zonder bediening te sterven. Het eeuwig heil mag 
niet worden verwaarloosd uit vrees voor een tijdelijk 
'nadeel. Bovendien is de vrees, dat de patiënt van deze 
mededeeling nadeel zal ondervinden, veelal over- 
dreven. De meeste geneesheeren zijn door een lang- 
durige ondervinding tot de overtuiging gekomen, 
dat een voorzichtige voorbereiding met de spoedig 
daarop gevolgde bediening in den regel geen nadeelige 
gevolgen heeft; integendeel bijna altijd aan den zieke 
groote gerustheid geeft. Men moet met de bediening 
ook niet wachten tot het uiterste stervensgevaar, 
opdat aan den zieke niet de gelegenheid ontnomen 
worde, zich goed voor te bereiden en met vol bewust- 
zijn de H. Sacramenten te ontvangen en aldus zooveel 
mogelijk deelachtig te worden aan de rijke uitwerkselen: 
genade, troost en kracht in het lijden en soms lichame- 
lijke genezing. Eender . 

Bediening, 1° (liturgische term), 
> Bedienen. 

2° (O n d e r w ij s), > Benoeming. 

Bédier, Joseph, Fransch Romanist en litte- 
rairhistoricus der middeleeuwen. * 28 Jan. 1864 te 
Parijs, hoogleeraar bij het Collége de France, sedert 
1920 lid van de Académie Fran<jaise. Smaakvolle aan- 
voeling van den middeleeuwschen geest stelde B. in 
staat den bijna geheel verloren T r i s t a n van 
Thomas en Béroul, naar de bewaarde vreemde bewer- 
kingen ervan, te reprist ineeren (1902 vlg.). Zijn schran- 
dere en grondige commentaren (o.m. Chanson 
de Roland, 1927 vlg.) maken hem tot den 
grootsten Romanist van Frankrijk na G. Paris en 
P. Meyer (zie ook Etudes critiques, 1903). 
Maar vooral blijft zijn naam gehecht aan Les légen- 
des épiques (4 dln. 1908 vlg., 2 1914r— ’21): 
een indrukwekkende poging om de geheele epische 
productie der middeleeuwen naar haar oorsprong 
vrijwel geheel los te maken van de vroegste, mondelinge 


219 


Bedilzucht — Bedojo 


220 


volksoverleveringen, die het historisch gebeuren 
raken, dat erin verwerkt is. B. maakte ze tot een zuive- 
re, bewuste kunstschepping, niet ouder dan de 12e 
en 13e eeuw, geschreven door reizende joculatores 
of speellieden, met het oog op de bedevaarten naar 
die kloosters, waar de grafsteden of de reliquieën der 
groote heldenfiguren uit den Merovingischen en 
Karolingischen tijd vereerd werden. Niet aan de 
gepoëtiseerde en door geleidelijke agglutinatie ver- 
meerderde volkstradities dus, maar, met behulp 
van de geïnteresseerde monniken dier abdijen, aan 
Latijnsche V i t a e en andere documenten werd de 
epische stof rechtstreeks ontleend. Niet alles in B.’s 
theorie was nieuw: reeds hadden W. Ker (Epic 
and romance, 1896) en Ph. A. B e c k e r (Grundriss 
der altfranzösischen Literatur, 1907) in die richting 
gewezen; maar B. bouwde de theorie uit tot een 
gesloten geheel van imponeerenden omvang. Zooals 
meestal met algemeene theorieën gebeurt, wordt ook 
thans reeds de stelling der volslagen discontinuïteit 
van middeleeuwsche volkstradities en letterkundige 
epiek, in de absolute geldendheid, die B. ervoor op- 
eischt, scherp aangevallen. F. L o t (Romania, 1926) 
bracht er bedenkingen tegen in, die het vermoeden 
wettigen, dat andere bronnen dan de monacale voor 
den oorsprong der epiek moeten worden aanvaard. 

Lit. : J. Salverda de Grave, in De Gids (II 1914, 
432) ; G. Busken Huet, in De Beweging (II 1909, 282) ; 
J. Nothomb S.J., in Essais pédagogiques (Brussel 1928). 

Baur . 

Bedilzucht is de ondeugd, waardoor de mensch 
geneigd is ; anderen kleingeestig te becritiseeren, 
zich met andermans zaken te bemoeien en aan iedereen 
in alles zijn wil op te dringen. 

Beding ten gunste van derden (Belg. 
Recht). Beding is een rechtsterm en duidt de 
wilsuitdrukking aan, waardoor iemand iets in zijn 
voordeel bepaalt. 

Volgens art. 1119 B.W. kan in het algemeen nie- 
mand iets in eigen naam bedingen dan voor zichzelven, 
zoodat het b. ten gunste van derden in principe waar- 
deloos is. De wet gaat uit van het idee, dat degene, die 
iets ten voordeele van een derde bedingt, daarbij geen 
in geld waardeerbaar belang heeft, en derhalve de 
uitvoering van dat b. in rechte niet vervolgen kan. 

Ieder maal echter, dat de stipulant een geldelijk 
belang bij de uitvoering van het b. ten gunste van een 
derde heeft, kan hij er ook de naleving van opeischen. 
Dit is volgens art. 1121 B.W. het geval, wanneer het b. 
ten gunste van een derde de voorwaarde is van een b., 
dat men voor zichzelven maakt, of wanneer het b. 
ten gunste van een derde de voorwaarde is van een 
schenking. Feitelijk blijft er van het verbod van art. 
1121 B.W. niet veel meer over. 

Het b. ten gunste van een derde doet zich vooral 
voor in het contract van verzekering op het leven. 
In dat geval komt het kapitaal, dat ten gunste van een 
bepaalden persoon bedongen werd, rechtstreeks aan 
den derde toe, maar de assurantie-premiën, die de 
stipulant betaald heeft, maken een schenking ten 
voordeele van den beneficiaris der verzekering uit, 
zoodat zij aan de regels van inbreng en inkorting onder- 
worpen zijn. Kluyskens. 

Voor Ned. Recht, > Derdenbeding. 

Beding hum, 1° Engelsch componist uit de 
tweede helft der 15e eeuw. Verscheidene zijner werken 
bleven bewaard in de codices van Trente. Moderne 


herdrukken vindt men in de Denkmaler der Tonkunst 
in Oesterreich (VII, XI en XXXI). 

2° John, ook Bedyngham, Eng. componist uit 
de tweede helft der 16e eeuw. 

Bedingtcr anlaut noemt men den > anlaut, 
zooals deze zich onder den invloed van sandhi ontwik- 
kelde. > Bedingter auslaut. De klanken van een 
woord immers zijn van de verschillende plaatsing van 
het woord in den zin afhankelijk, wijl de woorden, die 
tot een gedachte-eenheid vergroeid zijn, ook meestal 
met elkaar verbonden uitgesproken worden. Daarom 
vindt men den anlaut van een woord zoo vaak afhanke- 
lijk („bedingt”) van den auslaut van het voorafgaande. 
Reeds in het oud-Indisch veranderde de anlaut soms 
tengevolge van een onmiddellijk voorafgaanden 
auslaut. En zoo vindt men ook in het Ned. gevallen 
als: in ’t fuur < in ’t vuur; of se! < of ze! > Sandhi. 

Weijnen. 

Bedingtcr auslaut noemt men den •> auslaut, 
zooals deze zich tengevolge van sandhi ontwikkelde. 
> Bedingter anlaut. Immers de klanken van een woord 
zijn van de verschillende plaats van het woord inden 
zin afhankelijk, wijl de woorden, die tot een gedachte- 
eenheid versmolten zijn, meestal ook met elkaar 
verbonden uitgesproken worden. Daarom is de auslaut 
van een woord ook afhankelijk („bedingt”) van den 
anlaut van het volgende. Zoo wordt bijv. Ned. op den 
boom: obdemboom en zijn de b en m voorbeelden 
van bedingter auslaut. Reeds in het oud-Indisch 
veranderde de auslaut soms tengevolge van een 
bepaalden anlaut van het volgende woord. > Sandhi. 

Weijnen. 

Bedja-Bcdzja, Neder-Koesjietische stam van 
de Hamieten; > Afrika (Bevolking). 

Bed jakje, > Ziekenjakje. 

Bcdkruik, steenen of metalen flesch, ook wel een 
gummizak, welke, met heet water gevuld, in bed ge- 
legd wordt om dit te verwarmen. De electrische 
bedkruik bevat een in een warmte -accu muleerende 
massa opgenomen verwarmingselement. Na een aan- 
sluiting op het lichtnet van hoogstens 10 min blijft 
de b. meerdere uren flink warm. Mag nooit ingescha- 
keld in bed gelegd worden. Stroomverbruik ca.0,5kWh. 

Bedlington, industriestad in het graafschap 
Northumberland in Engeland (55° 7' N., 1° 38' W.). 
30 000 inw. Kolenmijnen. 

Bednyj Dein jan, > Pridworow. 

Bcdocg, ccn sc inbekken, waarop op Java geslagen 
wordt voor allerlei gelegenheden, alarm, oproep, enz. 
Men geeft er ook de tijden voor de Mohammedaansche 
godsdienstoefeningen mee aan (> Bang), en daar 
deze op vaste tijdstippen vallen, is de bedoeg tevens 
een tijdsein. 

Bedocïnen (< Arab. badawi = bewoner van 
de vlakte), veeteeltdrijvende nomaden uit het binnen- 
land van Arabië. Honger en dorst, avonturenlust en 
vraag naar nieuwe weiden dreef hen naar Noord -Afrika, 
Syrië en xMesopotamië (> Arabieren). 

De B. zijn slanke, magere, geharde menschen, die 
leven van hetgeen schaap en kameel hun leveren aan 
melk en vleesch, boter en wol. Lang wit kleed, hoofd- 
doek; wapens, tenten en waterzak; tapijten als tent- 
versiering. Zie pl. bij Arabië. 

Lit.: E. Banse, Das Beduinenbuch (1931). Eeere . 

Bedojo (Jav.; uitspr. o als in kom). De oorsprong 
van den naam ligt in het duister. Op Oost- Java komt 
hij in de H indoe- Javaansche periode niet voor. Moge- 
lijkerwijze is het woord terug te brengen op Sanskrit 


221 


Bédos de Celles — Bedrog 


222 


boeddhaja(h) en verstond men er Boeddha -priesteres- 
sen of in elk geval priesteressen onder. 
De priesteressen in Achter-lndië zijn nl. qualitate qua 
ook (tempel)danseressen en staan veelal in sexueele 
relatie tot den koning of den opperpriester. Op Java 
zijn tegenwoordig de bedojo ’s kratondanseres- 
sen, die in een groep van negen plegen op te treden 
en meestal tevens bijvrouwen zijn van den vorst. 
> Srimpi. Berg . 

Bédos de Celles, Benedictijn, de geleerdste 
orgelbouwer en -kenner van zijn tijd. * 1706 te Caux 
bij Béziers, f 1779 te Toulouse in het Benedictijner 
klooster aldaar. Schrijver van het zeer belangrijke werk: 
L’art du facteur d’orgues (3 folio-banden). Het boek. 
dat o.a. zeer bijzondere teekeningen bevat, is de 
grondslag voor alle latere orgelbouwkundige 
geschriften. H. Andriessen. 

Bed plaat bij een machine is het onderstel, waarop 
de overige deelen steunen. > Frame. 

Bedr al Dzjamali, > Badr al Dzjamali. 

Bedreiging, 1° (N e d. Recht) is a) een 
m i s d r ij f , duidelijk omschreven in art. 285 W. v. Str. 
In de rechtspraak op dit artikel komt tot uiting, dat 
strafbare bedreiging niet is: bedreiging met iets 
anders dan feitelijkheden (Hooge Raad 19 Nov. 1923, 
Ned. Jurisprudentie 1924, blz. 153), evenmin een 
bedreiging, die niet zulk een indruk kan maken, dat 
de persoonlijke vrijheid van den bedreigde in het 
gedrang komt. 

b) Bedreiging is ook een middel, waarmede 
sommige misdrijven worden gepleegd, bijv. het mis- 
drijf, omschreven in art. 95 W. v. Str., welk misdrijf 
wordt gepleegd door geweld of bedreiging met geweld. 
Men zie ook de artikelen 138, 180, 246, 248ter, 284 
W. v. Str. 

2° Belg. Recht. Art. 483 W. v. Strafrecht 1. 2 
verstaat onder b. „alle middelen van zedelijken dwang 
door vrees voor een nakend kwaad”. B. is a) een zelf- 
standig misdrijf. Als zoodanig is strafbaar de b. met 
een aanslag op personen of eigendommen, op welke 
wijze dan ook, die strafbaar is met doodstraf of dwang- 
arbeid (art. 327 — 329) of opsluiting (art. 330). De straf 
is verschillend voor de verschillende gevallen en 
bestaat in gevangenisstraf tot ten hoogste 3 jaar en 
geldboete tot ten hoogste 500 frs. b) Een middel, 
waarmee een misdrijf wordt gepleegd, bijv. weder- 
spannigheid (art. 269), aanranding 1 der eerbaarheid 
(art. 373), verkrachting (door „erge bedreigingen”) 
(art. 375). c) Een strafverzwarende omstandigheid, 
oijv. bij diefstal (art. 468 — 474). v. d. Kamp. 

3° O p v o e d k. B. is de aankondiging van een be- 
paalde straf of een straf in het algemeen. Iedere b. 
moet uitgevoerd worden. Daarom zij men voorzichtig, 
vooral met de eerste, die bindt aan een onzekere 
toekomst. Zeer bovenmate onpaedagogisch is de bedrei- 
ging met zulke vreeselijke straffen, dat angst ontstaat 
of toeneemt, want angst is een gevaarlijke vijand voor 
normale ontwikkeling. p. Gervanus. 

Bedriaeum of Betriacum, in de Oudheid 
stadje in N. Italië (teg. waarsch. Calvatone), aan 
het strategisch belangrijk punt, waar de wegen Verona- 
Cremona en Mantua-Cremona samenkomen. Veld- 
slagen April en Oct. 69 n. Chr. 

Bedrieglijke nootsclir ij vingen, > Trug- 
schlusz. 

Bedrog. 1° Ned. en Belg. Burg. Recht. 
B. is een bedrieglijke kunstgreep, waarvan iemand 


gebruik maakt om de tot een rechtshandeling vereischte 
toestemming van een ander te verkrijgen. Art. 
1357 Ned. B.W. (art. 1109 Belg. B.W.) verklaart, 
dat de door bedrog verkregen toestemming niet van 
waarde is. De bedrogene kan dan ook in rechten de 
opheffing van de rechtsgevolgen zijner toestemming 
vorderen, indien dat de tegenover hem gebezigde 
kunstgrepen (aldus art. 1364 Ned. B.W.; art. 1116 
Belg. B.W. ; een enkele kunstgreep is echter voldoende) 
van dien aard geweest zijn, dat hij, zonder dezelve, 
klaarblijkelijk de verbintenis niet zou hebben aange- 
gaan. In het B.W. is van bedrog sprake: bij erkenning 
van kinderen (art. 337 Ned. B.W.), bij testamenten 
(art. 940 Ned. B.W.), bij aanvaarding of verwerping 
van nalatenschappen (art. 1099 en lill Ned. B.W.; 
art. 783 Belg. B.W.), bij boedelscheiding (art. 1158 
Ned. B.W.; art. 887 Belg. B.W.), bij overeenkomsten 
(art. 1357 en 1364 Ned. B.W., 1109 en 1116 Belg. 
B.W.), bij betaling (art. 1434 Ned. B.W.), bij spel en 
weddenschap (art. 1828 Ned. B.W.; art. 1967 Belg. 
B.W.), bij dading (art. 1896 Ned. B.W.; art. 2053 
Belg. B.W.), en in het Ned. W.v.K. bij wissel- 
acceptatie (art. 119 Ned. W. v. K.). Niet slechts 
door leugen en overdrijving kan men zich aan b. 
schuldig maken, doch ook door zwijgen, nl. wanneer 
spreken plicht was geweest, teneinde de bij de weder- 
partij bestaande valsche voorstellingen op te heffen. 
B. kan, behalve tot herstel in den vorigen toestand, 
ook verplichten tot schadevergoeding wegens onrecht- 
matige daad. Petit/V. Dievoet . 

2° B e 1 g. S t r a f r e c h t. Er is b., wanneer 
een persoon een ander persoon, met het inzicht, om 
zichzelven of anderen een onwettig voordeel te ver- 
schaffen, in dwaling brengt nopens zekere feiten. 
De Belgische strafwet straft: 1° het b., gepleegd door 
personen, belast met lever ingen, aannemingen of 
regieën voor rekening van het leger of van het zee- 
wezen, aangaande den aard, de hoedanigheid of de 
hoeveelheid van de werken of den arbeid of de geleverde 
zaken (art. 297 W. v. Str.) en de openbare ambtenaren 
of agenten, die aan dit b. deelnemen ; 2° het b. omtrent 
de identiteit, den aard of den oorsprong der verkochte 
zaak (art. 498 W. v. Str.); 3° het b. omtrent de hoe- 
veelheid van de verkochte zaken (art. 499, 1° W. v. 
Str.); 4° het b., gepleegd door de in een overeenkomst 
van huur betrokken partijen omtrent de hoeveelheid 
van het geleverd werk, indien deze moet dienen om 
het bedrag van het loon vast te stellen (art. 499, 2° 
W. v. Str.). In het Burgerlijk Recht wordt b. meestal 
> arglist geheeten. Collin. 

3° In de moraal. Onder b. in algemeenen zin 
valt iedere opzettelijke en kunstmatige misleiding 
van den evenmensch door valsche voorspiegelingen, 
gefingeerde voorwendsels, sluwe kunstgrepen, listig 
ontveinzen der waarheid, enz. Het is een uitvloeisel 
van een arglistig gemoed (astutia, een vorm van valsche 
voorzichtigheid) en is onmiddellijk in strijd met de 
waarachtigheid en den Christelijken eenvoud in handel 
en wandel, en met de eerlijkheid en de goede trouw 
in het verkeer aan den evenmensch verschuldigd 
(cf. Ps. 5. 7; Prov. 11. 20; 12. 17; 20. 22; 1 Petr. 2. 1). 
Dit geldt evenzeer van het vroom b. in den eigen- 
lijken zin, dat door valsche en bedrieglijke middelen 
de overwinning van het goede en den godsdienst wil 
bevorderen ; voor een goed doel mogen slechts ware en 
eerlijke middelen worden aangewend (Rom. 3. 8). 
Niet zelden echter wordt vroom b. in een oneigenlijken 
zin gebezigd voor onschuldige verschalking ten goede, 


223 


Bedrijf — Bedrijfsbelasting 


224 


waaraan iedere leugenachtigheid en dubbelhartigheid 
vreemd is. 

Meer bepaaldelijk vallen onder b. die vormen van 
misleiding, waardoor het recht van den evenmensch 
of van de gemeenschap geschonden wordt (onrecht- 
matig b.); hier wordt b. een vergrijp tegen de 
rechtvaardigheid, dat, voorzoover het ruilrecht wordt 
geschonden, tot herstel van het aangedane onrecht en 
van de daadwerkelijk toegebrachte schade verplicht. 
Zoodanig b. is aanwezig, als men, door positieve mis- 
leiding of door arglistig verzwijgen of ontveinzen 
van wat men rechtens verplicht is te openbaren (bijv. 
verborgen gebreken), den ander bij het stellen van een 
rechtshandeling beïnvloedt en in zijn vrijheid van han- 
delen belemmert; en verder in al die gevallen, waarin 
men door welkdanig b. ook iemand in zijn rechtmatig 
bezeten geestelijke, lichamelijke of uitwendige tijde- 
lijke goederen of in zijn rechtelijke aanspraken daarop 
schaadt. Overeenkomsten en andere rechtshandelingen, 
onder invloed van dusdanig b. (dolus) tot stand ge- 
komen, zijn volgens het natuurrecht vanwege de 
veroorzaakte dwaling en het schenden der goede trouw 
in sommige gevallen volstrekt nietig, in andere ver- 
nietigbaar, in weer andere blijft de verbindende kracht 
der overeenkomst onaangetast; dit hangt af van den 
aard der veroorzaakte dwaling en van den invloed, 
dien het b. op het aangaan der overeenkomst uitoefent; 
maar in alle gevallen is de pleger van hetb. verplicht, 
de daadwerkelijk toegebrachte schade te vergoeden. 
Overigens behoeft het natuurrecht hier de nadere 
omschrijving door het positieve kerkelijk en burg. 
recht, welks normen daarom, voor zoover zij niet met 
het natuurrecht in strijd zijn, ook in geweten gelden 
(cf. C.I.C. can. 103—104; B.W. 1357, 1364). Het 
meest voorkomende is het ge winzuchtig b. 
(fraus), dat in handel en verkeer, vooral bij overeen- 
komsten, en met name bij koop en verkoop, door op- 
zettelijke misleiding of listig zwijgen bij het aangaan, 
of door arglistig weigeren of ontduiken bij de uitvoe- 
ring der verbintenis, aan het recht van de andere 
partij te kort doet om zichzelf of een derde te bevoor- 
deelen. Het is een zonde van onrechtvaardigheid, die 
in de ongeregelde hebzucht haar wortel heeft. Met 
uitbuiting van den nood van den evenmensch door 
woeker vormt het de twee hoofdtypen van onrecht- 
matige vervreemding van andermans goed in het vrij- 
willige goederenverkeer (naast diefstal en roof, buiten 
het vrijwillige verkeer om), die dan ook in de H. Schrift 
(cf. Lev. 19. 11; 35 vlg.; Prov. 11. 1; 16. 11; 20. 10; 
17. 6; 1 Cor. 6. 8; 1 Thess. 4. 6) en de documenten der 
Kerk. Trad. (cf. X de empt. et vend. 3. 17) herhaal- 
delijk worden gebrandmerkt. In zijn klaarblijkelijkste ' 
en meest nadeelige verschijningen wordt het ook 
voor het burg. forum bestraft (W. v. Str. II, tit. 25 
en 26). Speciale vormen, naast bedrog in straf- 
rechtelijken zin, zijn valsche munt, valschheid in 
zegels en merken, valschheid in geschriften, be- 
drieglijke bankbreuk, oneer lijke concurrentie e.d. 
Schoon van algemeen zedelijk standpunt veelal niet 
te rechtvaardigen, mogen toch niet als eigenlijk 
gezegd b., of althans niet als onrechtmatig b., worden 
aangemerkt verschillende convent ioneele trucs, over- 
drijvingen e.d., in handel en reclame, die, tot de 
algemeene handelszeden behooren en daarom door ieder 
worden doorschouwd of althans door de weder zijdsche 
vrijheid daartoe zijn verrekend en zoo het karakter van 
onrecht missen. Waar deze geoorloofde of niet-onrecht- 
vaardige trucs eindigen en eigenlijk b. begint is dikwijls 


moeilijk uit te maken; het W. v. Str. kan zeker de 
norm niet zijn, daar voor het burg. forum alleen de 
allerergste misdrijven kunnen worden bestraft; do 
opvatting en practijk van ervaren en gewetensvolle 
mannen van het vak is in den regel een veilige gids. 
Overigens blijft het vooral van het standpunt der 
publieke moraal van het allergrootste belang, dat alles 
wat naar sluwheid en bedrog zweemt, zooveel mogelijk 
uit de handelszeden worde gebannen ; het is uitermate 
bedenke lijk, als door speculatie op de dwaasheid en 
de grillen van het publiek, de zedelijke en rechtelijke 
begrippen worden verward en verwaterd. 

L i t. : St. Ambrosius, De officiis ministrorum (1. 3, 
c. 9-11 ; M. P. L. 16, 163-166) ; St. Thomas Aq., Summa 
tkeol. (II II, q. 55, q. 77, q. 118 a. 8) ; St. Alph. de Lig., 
Thcol. mor. lib. (III, 714, 715, 806, 808 vlg.) ; de Lugo, 
De just. et jure (disp. 22, 67 vlg.) ; Banez, De jure et 
just. (q. 77) ; Dict. Théol. Cath. (VI, 785 vlg. s.v. fraude); 
Marres, De justitia (II 2 1888, 40 vlg., 342 vlg.); F. X. 
Linsenmann, Lehrbuch der Moraltheol. (1878, 570 vlg., 
589 vlg.); Sweens, Inst. theol. de just. ( 2 1913, 459 vlg., 
520 vlg.); Duynstee, Burg. recht en zielzorg ( 3 1932, 
152 vlg.). Buijs. 

Bedrijf, > Bedrijfsorganisatie. 

Bedrijfsbegrooting is de, in cijfers weerge- 
geven, prognose van de werkzaamheid van het bedrijf 
eener onderneming voor een kortere of langere, in de 
toekomst gelegen periode, en de daarmede gepaard 
gaande waardenverplaatsingen. Daarnaast spreekt 
men ook van b. van publiekrech te lijke bedrijven, die 
hun door wet of verordening wordt voorgeschreven. 

Doel: 1° een program te geven, waarin de toe- 
komst mogelijkheden — na onderzoek van alle het be- 
drijf beïnvloedende factoren — concreet zijn vastgelegd 
en dat als zoodanig dus als richtsnoer dient; 2° een 
contröle-middcl (budget-contröle); 3° de samen- 
stelling van een geschatte winst- en verliesrekening 
en een balans voor het einde der bedrijf sper iode. 

Grenzen. De b. is een schatting; geschat kan 
slechts worden datgene waarvoor voldoend betrouw- 
bare gegevens ter beschikking zijn, en voor een tijdvak, 
dat afhangt van den aard van het bedrijf en het daarin 
voortgebrachte product. 

Uitgangspunt: meestal de afzet; ook de 

productie-capaciteit, de financieele middelen, do 
inkomsten en de uitgaven. Welk punt van uitgang zal 
worden gekozen, hangt weer geheel af van den aard 
van het bedrijf, de positie van de onderneming en de 
gegevens, waarover kan worden beschikt. Een belang- 
rijk onderdeel der b. is de kostenbegrooting. 

L i t. : Mc. Kinsey, Budgetary Control (1922) ; M. Loh- 
mann, Der Wirtschaftsplan des Betriebes und der Unter- 
nehmung (1928). C. Janssens . 

Bedrijfsbelasting. 1° N e d. Recht, 
a) Tot 1914 werd in Ned. krachtens de wet van 2 Oct. 
1893, Stbl. 149, een belasting op bedrijfs- en andere 
niet-vermogens inkomsten geheven. De inkomst en 
uit vermogen werden tot 1914 getroffen door de ver- 
mogensbelasting. In 1914 is de bedrijfsbel. afgeschaft 
en vervangen door de inkomstenbel. , die alle inkomsten 
treft zonder onderscheid, of zij uit onderneming en 
arbeid dan wel uit vermogen vloeien. 

b) Afkorting voor: 

Zakelijkc belasting op het bedrijf (Ned. Bel. 
recht), een belasting, welke een gemeente krachtens 
art. 282 gem. wet mag heffen van zoodanige onder- 
nemingen en inrichtingen (ook van publiekrechtelijke 
lichamen), 1° welke binnen de gem. een bedrijf uitoefe- 
nen anders dan in stations en 2° waar ten minste 


225 


Bedrijfscontröle — Bedrijfshuishoudkunde 


226 


gemiddeld tien arbeiders werkzaam zijn, die minder 
verdienen dan een bedrag, vast te stellen bij alg. maat- 
regel van bestuur. Deze is vastgesteld bij K.B. van 
12 Juli 1921, Stbl. no. 93G, waarin de loongrens is 
bepaald op een jaarloon van 2 500, 2 300 en 2 000 gld., 
resp. voor de drie klassen van de gemeenten, genoemd 
in bijl. D van het Bezoldigingsbesl. voor Burgerlijke 
Bijksambtenaren 1920, Stbl. no. 37. Maatstaf voor de 
heffing van deze bel. is het gemiddeld aantal van zoo- 
danige arbeiders. Zij wordt verder geregeld bij gem. 
verordening, doch mag nooit meer bedragen dan 
12 gld. per arbeider. Over 1931 werd zij in 90 gemeen- 
ten geheven; haar opbrengst bedroeg in totaal 
2 270 000 gld. Smeets. 

2° B e 1 g. Recht. De b. wordt geheven op de 
inkomsten, voortgebracht door de uitoefening van 
hetzij welk beroep of bedrijf. Behoort tot de groep der 
rechtstreeksche (indirecte) belastingen en vormt een 
der inkomstenbelastingen. De b. vervangt het vroe- 
gere patentrecht. 

Grondslag is het netto inkomen, voortge- 
bracht door de uitoefening van hetzij welk beroep of 
bedrijf, en namelijk op: 

a) de winsten van de nijverheids-, handels- of 
landbouwbedrijven; b) de bezoldigingen, toegekend 
aan derden, niet verbonden door een contract van 
aanneming; c) de bezoldigingen van beheerders, 
commissarissen of vereffenaars van vennootschappen 
op aandeelen; d) de baten van vrije beroepen, ambten 
of posten. Zekere minima, die veranderen naar gelang 
van het aantal inwoners der gemeenten en naar gelang 
van de gezinslasten van den belastingschuldige, worden 
van de belasting forfaitair vrijgesteld. 

Bedrag. Het tarief verandert naargelang het 
inkomen (progressieve belasting), de gemeente door 
den belastingschuldige bewoond, en diens gezins- 
lasten. De barema’s of schalen, uitgewerkt per klasse 
van gemeenten, zijn vastgesteld door Kon. Besluit. 

W i j z e van inning. De belastingschuldige 
moet ieder jaar een aangifte doen. De personen, 
die een nijverheids-, handels- of landbouwbedrijf of 
een vrij beroep uitoefenen, betalen rechtstreeks in 
handen van den ontvanger op voet van den aanslag, 
volgens hun aangifte opgemaakt, zoo deze recht- 
zinnig wordt bevonden. De bedrijfsbelasting, verschul- 
digd door personen, die in dienst van anderen staan, 
wordt in beginsel afgehouden aan de bron, en door 
den werkgever ter ontlasting van den belasting- 
schuldige aan den ontvanger overgemaakt. 

L i t. : prof. G. Béatse, Impöts sur les revenus (1925) ; 
Fr. Requette, Traité des impóts sur les revenus (1928) ; 
Art. Claes en Ed. Gilet, Les Impots directs (1930) ; 
Ch. Smeth en J. Carmois, Dictionnaire Fiseal (1929), 
aangevuld door Supplément (1931). De Weerdt/Rondou. 

Bedrijfsconlróie (landbouw), > Landbouw. 

Bedrijf scrediet ontvangt een onderneming 
ter voorziening in haar behoefte aan meerder los werk- 
kapitaal, indien zij reeds over het noodzakelijke 
anlagecrediet beschikt. B. geniet de onderneming 
dus ter financiering van die vermogensbestanddeelen, 
welke, zonder dat het bestaan der onderneming zelve 
wordt aangetast, kunnen worden geliquideerd, zooals 
daar zijn de vrij verkoopbare voorraden en de gemakke- 
kijker inbare vorderingen. Veelal zal het b. worden 
verkregen bij een bank (in reken ing-courant, door 
verdisconteering of anderszins) of in den vorm van 
leverancierscrediet. > Landbouw. Huysmans. 

Bcdrijfsdemocratie, > Bedrijfsorganisatie. 


Bedrijf sd rukte is een graad van productieve 
benutting van de in het bedrijf beschikbare capaciteit. 
Zij kan bepaald worden zoowel voor het bedrijf in zijn 
geheel als voor zijn onderdeden. Haar uitdrukkings- 
vormen zijn: eenheden voortgebracht product, een- 
heden van dienstprestaties, uren nuttige aanwending, 
verbruik aan grondstoffen of uitbetaalde loonen. 
Van beteckenis als factor in de kostprijsberekening. 
Het is voor een doelmatige verkoops- en prijspolitiek 
van belang te weten, hoe de verschillende kosten op- 
en afgaan met een wisselende b.; te kennen hun mate 
van afhankelijkheid van die b. Bij de berekening van 
den normaalkostprijs gaat men uit van een normale b., 
d.i. een voor een bepaalden bedrijfstak gemiddeld 
bereikbare b. Deze prijs is van belang voor de verge- 
lijking van eigen kosten met kosten van andere bedrij- 
ven. Verder speelt de b. een rol in de zgn. rentabili- 
teitsberekeningen bij de oprichting van nieuwe 
ondernemingen, de wijziging in bestaande voortbren- 
gingsmethoden en het ter hand nemen van de fabricage 
van nieuwe producten. Meer in het algemeen wordt 
de belangrijkheid van den factor b. bepaald door: 
de kapitaal-intensiviteit van het bedrijf, d.w.z. door 
de meerdere of mindere mate. waarin gelden zijn vast- 
gelegd in machines, installaties, gebouwen en andere 
langduriger gebruikte hulpmiddelen; den aard van het 
bedrijf en het daarin bestaande directe of meer indi- 
recte verband tusschen kosten- en prestatie-eenheden. 

L i t. : Simon-Saarloo8, Kostprijsberekening en Ad- 
ministratieve Fabrieksorganisatie ( 3 1920) ; H. Peiser, 
Der Einflusz des Beschaftigungsgraden auf die indu- 
strielle Kostenentwicklung (1924); Müllor-Bernhardt, 
Industrielle Selbstkosten bei schwankendem Beschafti- 
gungsgrade (1925) ; J. M. Clark, Studies in the Econo- 
mics of Overhead Costs ( 2 1926) ; Schmalenbach, Grund- 
lagcn der Selbstkostenberechnung und Preispolitik 
( 5 1930). C. Janssens. 

Bedrijfseconomie, > Bedrijfshuishoudkunde. 

Bedrijfshuishoudkunde, ook genoemd 
bedrijfsleer of bedrijfseconomie, is geen zelfstandige 
wetenschap, doch een onderdeel van de economie. 
Evenals de economie zoowel theoretische als practi- 
sche wetenschap is, draagt ook de b. dit gemengd of 
dubbel karakter. Terwijl de economie zich bezig houdt 
met de individueele en maatschappelijke verschijnselen 
onder het opzicht van het economisch-rationeele 
welvaartsstreven van de maatschappij, beziet de b. 
meer in het bijzonder de handelingen, die binnen het 
bedrijf en de onderneming geschieden en wel onder het 
opzicht van het rationeele streven naar het onder- 
riem ingsdoel, d.i. de welvaart van de onderneming 
en de tot deze organisatie behoorende groepen van 
personen, welke welvaart gewoonlijk gemeten wordt 
met den niet gelukkigen maatstaf van de kapitaal- 
winst. Kort samengevat zou men kunnen zeggen, 
dat de economie vooral het economisch organisme 
der maatschappij als geheel en den ouderlingen 
samenhang der organen beschouwt en dat de b. de 
cellen van dit organisme in haar samenstelling en 
levensuitingen bestudeert. De overtuiging, dat het 
economisch organisme niet volledig kan worden ver- 
staan en nog minder kan worden geleid, wanneer ook 
niet het innerlijke leven der ondernemingen en even- 
tueel andere bedrijfsvormen behoorlijk gekend is, 
heeft geleid tot opbloei van de wetenschappelijke 
beoefening der b., welke systematisch pas ter hand 
is genomen tegen het einde der 19e eeuw. In Nederland 
heeft de b. voor het eerst een plaats in het hooger 
onderwijs gekregen aan de Technische Hoogeschool 


IV. 8 


I 


227 


Bedrijfshygiëne— Bedrijfsleiding 


228 


te Delft, waar prof. dr. J. G. Ch. Volmer in 1909 als 
buitengewoon hoogleeraar optrad. Sinds de oprichting 
der Ned. Handelshoogeschool te Rotterdam in 1913 
staat de b. aldaar, evenais in Amsterdam (handels- 
faculteit 1922) en in Tilburg (R.K. Handelshooge- 
school, Hoogeschool voor Economische en Sociale 
Wetenschappen, 19271 met de economie in het middel- 
punt der studie. Doch ook vóór deze systematische 
beoefening hadden sommige economie-beoefenaars 
aan de eene zijde en mannen van de practijk en de 
met hen nauw in contact staande beoefenaars van de 
accountancy en het boekhouden, aan den anderen kant, 
zich met speciale vraagstukken bezig gehouden. Bij 
de keuze dier vraagstukken stond met name bij de 
laatste groep van beoefenaars het practische doel voor- 
op, om in de gegeven omstandigheden zich voordoende 
bedrijfsprob lemen op te lossen. Studiën op het gebied 
van het bedrijfsbeheer, de balansleer, kostprijsvraag- 
stukken en financiering zagen het licht. De groeiende 
beteekenis van de moderne groote ondernemingen 
en het inzicht in de essentieele belangrijkheid van deze 
voor de algemeene welvaart, heeft echter in de latere 
jaren de belangstelling geprikkeld der economisten, 
die inzien, dat zonder een diepgaande kennis van de 
ondememingsproblemen een vruchtdragende beoefe- 
ning der economie niet meer mogelijk is. Zonder deze 
kennis van het steeds ingewikkelder wordend onder - 
nemingsleven ontbreekt echter aan de economische 
en aan de sociale politiek de zoo noodzakelijke reëele 
basis. Juist nu de overtuiging steeds meer doordringt, 
dat het vrije en ongebonden nastreven van de grootst 
mogelijke rentabiliteit in de onderneming de juiste 
economische orde niet brengen kan, en dus gezocht 
moet worden naar een ander concreet ordenend begin- 
sel, is het objectieve kennen van het ondernemings- 
leven een punt van essentieel belang. Practische, 
uitvoerbare en met de ethische nonnen overeen- 
stemmende richtlijnen kunnen niet worden opgesteld 
zonder deze kennis. De onderwerpen, die de b. behan- 
delt, kunnen in enkele groepen worden ingedeeld: 
1° de externe en interne organisatie van het bedrijf 
en de onderneming (bijv. de ondernemingsvormen, 
de ondernemingsconcentraties, de vestigingsplaats, 
organisatie van den arbeid, de leiding, de toonstelsels); 
2° de financiering; 3° de kostprijs; 4° de balansleer en 
de waardeering; 5° de winst en de winstverdeeling. 
De jeugd van dezen tak van wetenschap brengt mee, 
dat een algemeen samenvattend leerboek, dat als 
standaardwerk kan gelden, niet bestaat, alhoewel 
meer of minder gelukte pogingen in die richting zoowel 
in het buitenland als in Nederland niet ontbreken. 
De publicaties betreffen in hoofdzaak monographieën, 
die een of ander onderdeel der b. vaak zeer uitvoerig 
en diepgaand behandelen. 

Li t. : prof. dr. M. J. H. Cobbenhagen, De Bedrijf 8- 
huishoudkunde als wetenschappelijk studievak ; haar 
object en grondbegrippen (overdruk uit het Maandblad 
voor het Boekhouden, 1932); prof. dr. ir. J. Goudriaan Jr., 
Bedrijfsleer als theoretische en als toegepaste weten- 
schap (1926) ; dr. C. Huysman, Leerboek der bedrijfs- 
huishoudkunde (1930) ; prof. dr. M. J. H. Cobbenhagen, 
De Verantwoordelijkheid in de onderneming (1927); 
Semaines Sociales de France, Les nouvelles conditions 
de la vie industrielle (1929) ; Semaines Sociales de 
France, La Morale Chrétienne et les affaires (1931); 
J. G. de Jongh, dr. J. G. Ch. Volmer, Th. Limperg Jr., 
dr. W. J. Polak, dr. M. J. H. Cobbenhagen en dr. ir. J. 
Goudriaan Jr., Bedrijfseconomische Studiën (1932). 

Cobbenhagen. 


Bedrijfshygiëne omvat behalve de > beroeps- 
hygiëne, die in hoofdzaak de gezondheid van het 
personeel behartigt., ook de bescherming tegen schade 
en hinder aan omwonenden en omgeving toegebnicht 
door de aanwezigheid van onhygiënische bedrijven, 
waarvoor dan vooral fabrieken en werkplaatsen in 
aanmerking komen. 

Brand- en explosiegevaar (kruitmagazijn), hinder 
voor gezonden en zieken door geraasmakende werk- 
zaamheden, rook en roet van schoorsteenen, stank van 
vetsmelterijen enz., die sluiten van ramen en vensters 
noodig maken, vervuiling van bodem en water door 
afvalproducten (wasscherijen, beender- en lijm- 
fabrieken enz.) zijn even zoovele schadelijkheden, 
die hinder voor gezondheid en rust der omwoners 
opleveren of nadeelig zijn voor de gemeenschap. 
De Ned. > hinderwet (in België de „Wet op 
de gevaarlijke, ongezonde of hinderlijke inrichtingen”) 
voorziet zooveel mogelijk in deze bezwaren: luid 
geraas kan door geluiddempende muren, roet en 
rook door liooge schoorsteenen, onvolledige ver- 
branding door betere roosters, waterverontreiniging 
door zuivering van afvalwater voorkomen worden, 
en de hinderwet geeft in vele gevallen de be- 
voegdheid daartoe maatregelen te nemen; terwijl 
ook de gemeentewet toelaat verordeningen betreffende 
de openbare orde, zedelijkheid en gezondheid te maken 
(politieverordening en bouwverordening) en te doen 
na leven. Droog . 

Bedrijfskapitaal is het geheel van middelen, 
dat noodig is om een bepaalde onderneming te finan- 
cieren. Men onderscheidt b. in eigen kapitaal en vreemd 
kapitaal, naargelang het zgn. uit eigen middelen is 
verkregen, dan wel ter leen is genomen. 

Bedrijfskosten van een bemalings inrichting zijn 
de kosten, welke bijv. op de installatie drukken, zuiver 
als gevolg van de exploitatie daarvan, dus zonder 
berekening van rente en afschrijving. Daarin zijn dus 
begrepen de kosten van toezicht, bediening, verbruikte 
materialen, brandstoffen (resp. kolen, benzine, ruw- 
olie, electriciteit), reparatie en onderhoud. Een zoo 
nauwkeurig mogelijke begroot ing der b. is voor de 
berekening van de rentabiliteit van een onderneming 
een eerste vereischte. Ook > Kostprijs. 

P . Bongaerts. 

Bedrijfsleer, Bedrijf shuishoudkunde. 

Bedrijfsleiding. De grondleggers van de weten- 
schappelijke b. zijn geweest F. W. Taylor (f 1916) 
en H. Fayol (f 1926). Zij onderzochten de voorwaarden, 
die zoowel den leidenden als den uitvoerenden arbeid 
in het bedrijf beheerschen en bouwden op grond daarvan 
een organisatiesysteem op, waardoor de hoogste 
effectiviteit in het bedrijf kon worden bereikt. Taylor 
ging daarbij uit van den uitvoerenden arbeid en bouwde 
van die zijde uit zijn systeem op, Fayol begon met den 
leidenden arbeid. Do groote fout van Taylor (Taylor- 
stelsel) is geweest, dat hij met den mensch als mensch 
te weinig rekening hield. Fayol vermeed in zijn stelsel 
(Fayolisme) deze fout. Organisatievormen der leiding, 
die vnl. in deze stelsels hun oorsprong vinden, zijn: 

1° functioneel beheer; de leidende arbeid wordt ver- 
deeld volgens functies; één man neemt een functie 
waar in alle of meerdere afdeelingen; 

2° militaire organisatie; het geheele beheer is een 
hiërarchie, waarbij elke opvolgende instantie onder- 
geschikt is aan de voorafgaande; ieder is verantwoor- 
delijk voor zijn afdeel ing; één man neemt dus alle 
functies waar in één afdeeling; 


229 


Bedrijfsorganisatie 


230 


3° de Line and Staff organisatie; de zorg voor de 
uitvoering van den arbeid wordt gescheiden van de 
voorbereiding van den arbeid, de planning. Het eerste 
deel omvat de line, het tweede deel de staff. Het 
systeem bestaat in werkelijkheid meestal uit een 
combinatie van 1 en 2. 

L i t. : H. Fayol, Administration Industrielle et 
Générale (1920); F. W. Taylor, Principles of Scientific 
Management (1923) ; O. Sheldon, The Philosophy of 
Management (1930). C. Janssens . 

Bedrijfsorganisatie. Geschiedkundige ont- 
wikkeling. Toen de door het economisch liberalisme 
sinds Let einde der 18e en het begin der 19e eeuw 
gepredikte algemeene welvaart, als gevolg van vol- 
komen doorvoering van individualisme, vrijheid en 
internationalisme, vooral voor de arbeiders uitbleef, 
werd langs twee wegen beproefd verbetering te brengen 
in het economisch lot der arbeidersklasse: de sociale 
wetgeving en de vorming van vakvereenigingen. Deze 
vakverenigingen waren strijdvereenigingen, die door 
de inschakeling van macht beproefden, het economisch 
resultaat van het productieproces — dit in den ruini- 
sten zin genomen — voor de arbeiders te verbeteren. 
Geheel onafhankelijk van deze strijdvereenigingen der 
arbeiders kwam er sinds de zeventiger jaren der vorige 
eeuw, toen, naar algemeene erkenning, het hoog- 
kapitalisme zijn intrede in het economisch leven deed, 
aaneensluiting tusschen de ondernemingen van hetzelf- 
de bedrijf. De trusts en kartels en vele andere vormen 
van aaneensluiting beginnen te ontstaan. Geleidelijk 
nu wordt een deel van die vereenigingen van onder- 
nemers-kapitalisten vakvereenigingen en als zoodanig 
strijdvereenigingen der werkgevers tegenover de 
strijdvereenigingen der arbeiders in hetzelfde complex 
van ondernemingen, het bedrijf. Zetten de arbeiders 
met hun vakvereenigingen een werkstaking door, 
de werkgevers beginnen antwoord te geven met hun 
vereen iging en kondigen een uitsluiting af. In vele 
gebieden wordt het een wedstrijd, welke partij met haar 
strijdmiddel, staking of uitsluiting, zal beginnen. 

Een groot deel van het bedrijfsleven verkeert nog 
in dezen toestand. Telkens opnieuw breekt de strijd 
uit en het perspectief van een anderen toestand is 
nauwelijks te zien. In een ander deel van het bedrijfs- 
leven echter hebben de vakvereenigingen van beide 
partijen hun toevlucht genomen tot > collectieve 
arbeidsovereenkomsten, als vredcstractaten, die voor 
één of enkele jaren de minimumvoorwaarden vast- 
stellen, waarop de arbeiders in dienst kunnen worden 
genomen. Ook als vredesovereenkomst in het bedrijfs- 
leven is de collectieve arbeidsovereenkomst ten zeerste 
overschat. Van den kant der werkgevers beoogde men 
dikwijls niets anders dan het bevorderen van zekere 
rust en regelmatigheid in de ondernemingen, soms 
zelfs het voorbereiden van strijd op het meest geschikte 
tijdstip. Bij de arbeiders was de collectieve arbeids- 
overeenkomst dikwijls een onderdeel van hun strijd- 
politiek. 

Het gewone type collectief arbeidscontract opent 
geen perspectief. Het loonvraagstuk, het vraagstuk 
der werkgelegenheid, worden geen stap verder gebracht 
met het sluiten van deze overeenkomst. De arbeiders - 
leiders, die hun handteekening hebben gezet, zijn nog 
even wijs omtrent de economische mogelijkheden van 
het bedrijf. De leiders der ondernemingen zijn evenmin 
iets wijzer geworden. Zij moeten maar zien, of zij de 
verhoogde kosten der arbeidsvoorwaarden in den prijs 
terugvinden. 


Economische bedrijfsorganisatie. Vakvereeniging 
en collectieve arbeidsovereenkomst hebben sinds 1913 
in het Ned. > boekdrukkersbedrijf een 
heel bijzondere economische beteekenis gekregen. 
Omstreeks 1910 was dit bedrijf er een, welks onder- 
nemingen als zoodanig in een deerniswaard igen econo- 
mischen toestand verkeerden. Dit was uitsluitend te 
wijten aan de ongebreidelde vrije concurrentie. Als 
gevolg daarvan voortdurend loonconflicten en toch in 
verhouding tot bedrijven met ongeschoolde krachten 
veel te lage loonen; in verhouding tot den om vang 
van de ondernemingen en de gevraagde werkzaamheid 
zeer lage belooningen voor de leiders der onder- 
nemingen; zeer dikwijls volstrekt geen winst; talrijke 
faillissementen. 

In 1910 nu heeft men in dit bedrijf naar het middel 
van de vakvereeniging gegrepen, ten einde in den 
economischen toestand der ondernemingen een gron- 
dige verandering teweeg te brengen. Dit verschijnsel 
op zichzelf vertoont geen principieel verschil met de 
kartelvorming, maar zeer spoedig werd aan het middel 
der vakvereeniging in het plan der economische leiding 
der werkgevers dit andere groote middel verbonden: 
de arbeiders bondgenooten in de bedrijfspolitiek door 
een collectief arbeidscontract met verplicht 
lidmaatschap. 

Het eerste collectief contract, 1914-H6, luidde een 
geheel nieuw economisch stelsel, dat der economische 
bedrijfsorganisatie, in. Prijspolitiek en andere bedrijfs- 
politiek werd voor de gezamenlijke ondernemingen 
mogclijk. Immers handhaving daarvan kon door het 
verplichte lidmaatschap, later ook door contracten 
met de bonden der leveranciers (papierhandelaren, 
lettergieterijen, handelaren in graphische artikelen), 
worden afgedwongen. Een geheel systeem van regelen 
werd — volmaakter nog sinds het collectief arbeids- 
contract 1917- ’19 — ingevoerd. Rechtspraak over 
arbeids- en prijsgeschillen; tariefcommissies; syste- 
matische bestrijding van drukkerijen in huurkoop, enz. 
Kortom, het boekdrukkersbedrijf werd een economisch 
geheel van werkgevers en werknemers, weldra de 
honderd procent van beide groepen omvattende, 
waarin steeds meer op de basis der redelijkheid, binnen 
de grenzen van het economisch mogelijke, aan werk- 
gevers en werknemers een bestaan werd verzekerd. 

Niet lang heeft dit stelsel der economische bedrijfs- 
organisatie ongeschonden stand gehouden. Daarvoor 
zijn tal van redenen aan te wijzen. Tal van andere 
bedrijven, voor welke deze opbouw even dringend en 
noodzakelijk was, bleven afzijdig, terwijl in het boek- 
drukkersbedrijf een vastberaden en deskundige econo- 
mische leiding weldra kwam te ontbreken. Het 
economisch liberalisme bleek nog zeer machtig in de 
publieke opinie. De leiding in het boekdrukkersbedrijf 
zelf deinsde daarvoor terug. Een matelooze, verre van 
objectieve critiek barstte los, terwijl de regeering, 
die behalve voor uitbouw ook voor afweer van niet 
denkbeeldige gevaren had zorg te dragen, geheel in 
haar taak te kort schoot. 

Bedrijf. Met dat al was het begrip bedrijf, zoowel in 
de practijk van het economisch leven, als in de econo- 
mische wetenschap doorgedrongen. Onder bedrijf 
werd van nu af verstaan: het geheel van ondernemingen 
in denzelfden tak van productie of distributie. Of ook: 
het geheel van ondernemingen in denzelfden tak van 
handel, transport, nijverheid of landbouw. De begrip- 
pen onderneming en bedrijf werden voortaan scherp 
uiteengehouden. Onderneming werd het zelfstandig 


231 


Bedrijfsorganisatie 


232 


onderdeel van kapitaal en arbeid, dat, met andere min 
of meer gelijkwaardige onderdeelen, het bedrijf 
opbouwt. Daarmede werd ook bereikt, dat door over- 
heid en particulier initiatief het bedrijf als een eenheid 
op velerlei gebied — sociaal, economisch, juridisch — 
werd gezien, wat in de naaste toekomst tot zeer belang- 
rijke gevolgen moet leiden. 

Bedrijfsradenstelsel. Op het einde van den oorlogstijd 
was de vakbeweging der arbeiders in Ned. tot groote 
macht gekomen. Waar de arbeiders streden om ver- 
meerdering van het geldloon, daar wonnen zij ook. 
Voor veel arbeidersgroepen was de verhooging van het 
geldloon meer dan een schijnsucces; in sommige 
bedrijven stegen de loonen zóó hoog, dat de arbeiders- 
gezinnen de beschikking kregen over goederen en 
diensten, waaraan zij in den tijd vóór den oorlog niet 
hadden kunnen denken. 

Het jaar 1919 is het jaar van de talrijke arbeids- 
conflicten, die bijna alle met groot succes voor de 
arbeiders eindigden. Geen wonder dan ook, dat de 
stemming onder de Ned. arbeidersbevolking een zeer 
opgewekte was en dat men gaarne het oog richtte naar 
een toekomst, die den handenarbeid een beter lot 
beloofde. 

Over de Oostgrenzen lrwam het tooverwoord „socia- 
lisatie”. Daarmee kwam echter geenszins een klaar 
begrip van wat er in afzienbare toekomst ten bate van 
de arbeidersmassa kon gebeuren. Maar zooveel was 
zeker, dat de socialisatieleuze beteekende: afschaffing 
van het privaat bezit der productiemiddelen, afschaf- 
fing van het particulier ondememers-initiatief. Voor 
hem, die de oplossing zocht in een samengaan van 
ondernemers-kapitalisten en arbeiders bedrijf sgewij ze 
en de vele goederen, door de economische organisatie 
van het boekdrukkersbedrijf in het bijzonder voor de 
arbeiders verkregen, beschikbaar wilde gaan stellen 
voor alle arbeiders, was het dus betrekkelijk spoedig 
beslist, dat hij aanvankelijk althans van de socialis- 
tische arbeiders niets had te verdachten. Daarmee 
was eigenlijk vanzelf aangewezen, dat een eerste 
poging moest worden gedaan bij de Christelijke vak- 
beweging, die altijd openlijk den grondslag der soli- 
dariteit had erkend. En toen om tot dusver onverklaar- 
de redenen de Prot.-Chr. vakbeweging zich afzijdig 
hield, bleef de destijds reeds zeer sterke Kath. vakbewe- 
ging over, om het initiatief te nemen tot ingrijpende 
verandering in de sociaal-economische verhoudingen 
in het bedrijfsleven. 

De belangrijkste en meest practische hervorming, 
die moest worden ingevoerd, was het overbrengen 
van de rechtspositie der arbeiders in het boekdrukkers- 
bedrijf naar het geheele verdere bedrijfsleven. Men be- 
sloot tot de uitvaardiging van een Paaschmanifest, 
waarvan dit het belangrijkste onderdeel zou zijn. 
De vertegenwoordigers der Kath. grootwerkgevers 
wilden hieraan echter slechts medewerken, indien de 
uitspraak over de wenschelijkheid en mogelijkheid 
van deze hervormingen aan een congres werd over- 
gedragen. Daartoe werd dan ook besloten. Het Be- 
drijfsradcncongres der R. K. Vakbeweging werd in 
Juli 1919 te Den Haag gehouden. Driehonderd afge- 
vaardigden, honderd vijf tig van werkgevers- en werk- 
nemerszijde ieder, samengebracht in snel gevormde 
bedrijfsraden, namen actief deel aan dit luisterrijk 
congres. Er moest echter, naar de meening van den 
initiatiefnemer, verder worden gegaan ten aan zien 
van de rechtspositie der arbeiders. Naast de indivi- 
dueele rechtsgoederen — beschermde plaats in de 


onderneming der dagelijksche werkzaamheid, geldige 
reden bij ontslag — naast de arbeidsrechtspraak 
door colleges van werkgevers en arbeiders, moest er 
komen: medezeggenschap in de bedrijfspolitiek. Het 
beginsel der medezeggenschap van de collectiviteit 
der arbeiders deed zijn intrede in het Ned. bedrijfsleven. 

Door de heftige bestrijding, die de vertegen- 
woordigers der grootwerkgevers ten beste gaven, kon 
de in het Paaschmanifest geformuleerde conclusie 
nog niet anders luiden dan aldus: „De organisaties der 
werknemers werden door de organisaties der werk- 
gevers geraadpleegd, ten aanzien van de prijsregelingen 
en de overige bedrijfspolitiek in verband met de 
arbeidsvoorwaarden” . 

Een derde gedeelte uit het Paaschmanifest verdient 
w’el zeer bijzondere aandacht. De laatste conclusie van 
het Paaschmanifest luidde als volgt: „De R.K. Cen- 
trale Raad van Bedrijven — dit w r as het lichaam, dat 
in 1919 door de R.K. Vakbeweging in het leven werd 
geroepen — tracht ten spoedigste tc komen tot de 
publiekrechtelijke organisatie van het bedrijfsleven 
in Nederland. Zij tracht de bedrijven te maken tot 
organen van den Ned. staat, die grondw’etteiijk en 
door een Bedrijvenw^et (weldra Bed rijf sradenw r et) 
de bevoegdheden erlangen tot het vervaardigen van 
bedrijfs- en arbeidsregelingen en tot het uitoefenen 
van bedrijfs- en arbeidsrechtspraak.” 

Toen w r eldra weinig of niets meer van het bedrijfs- 
radenstelsel en den R. K. Centralen Raad van Bedrij- 
ven over was — de grootwerkgevers verlamden bij het 
begin der economische crisis 1920- ’23 alle activiteit 
— w'as deze conclusie de meest blijvende winst. De 
gedachte der publiekrechtelijke bedrijfsorganisatie 
had haar intrede gedaan in practijk en wetenschap. 
Zij raakte niet meer weg uit de openbare belangstelling 
en luidde een der grootste hervormingsstelsels van het 
economisch leven in. 

Bedrijfsorganisatie in den Ffoogen Raad van Arbeid. 

De ontwikkeling tot economische bedrijfsorganisatie 
en tot het bedrijfsradenstelsel kon niet ontgaan aan 
den minister van Arbeid, mr. P. J. M. Aalberse, die in 
1918 als zoodanig was opgetreden. Hij legde aan den 
door hem ingestelden Iloogen Raad van Arbeid een 
aantal vraagpunten over dit onderwerp voor, die in 
de Commissie XII van den Raad, onder leiding 
van dr. W. H. Nolens, allereerst werden behandeld. 
Twee jaren werden door deze commissie aan haar 
arbeid besteed en het resultaat ervan werd neergelegd 
in een prae-advies. 

Drie standpunten traden vooral op den voorgrond. Dat 
van de liberaal-economische werkgevers, die den 
staat geheel buiten dit complex van vraagstukken 
wilden houden; dat van de voorstanders van een 
wettelijke regeling tot publiekrechtelijke bedrijfs- 
organisatie; en eindelijk van een groep, die zich aan- 
sloot bij een in 1911 reeds vaag ontwikkeld denkbeeld 
(door de commissie ingcsteld door de „Vereen iging 
van voorzitters en secretarissen van Kamers van Arbeid 
in Ned.”) van de verbindendverklaring van collectieve 
arbeidsovereenkomsten (> Bindendverklaring, -> Col- 
lectieve arbeidsovereenkomst). Bij het voorstel voor 
een wettelijke regeling tot publiekrechtelijke bedrijfs- 
organisatie was als bijlage gevoegd de Proeve van Wet 
(gepubliceerd in prof. dr. J. A. Veraart, Beginselen 
der Economische Bedrijfsorganisatie, 1921). 

De behandeling van het prae-advies in de plenaire 
zitting van den Iloogen Raad van Arbeid bracht de 
groote verrassing, dat een tusschenvoorstel of beter nog 


233 


Bedrijfsorganisatie 


234 


een grootste-gemeene-deeler-voorstel van de voor- 
stellen tot publiekrechtelijke bedrijfsorganisatie en 
tot verbindend-verklaring van collectieve arbeids- 
overeenkomsten met groote meerderheid (20 — 7 
stemmen) aan den minister werd geadviseerd. Dit voor- 
stel luidde aldus: Afgezien van de problemen tot 
verbindendverklaring van de collectieve arbeidsover- 
eenkomsten en van de publiekrechtelijke bedrijfs- 
organisatie in den zin van bijlage 3 (de reeds genoemde 
Proeve van Wet) van het prae-advies van Commissie 
XII, spreekt een groote meerderheid in den Raad 
(20 — 7 ) als haar meening uit, dat in ieder geval de 
overheid thans geroepen is tot het nemen van een 
aantal maatregelen, die bevorderlijk kunnen zijn voor 
den vrede in het bedrijfsleven en kunnen dienen om de 
zoo gewenschte decentralisatie bij opbouw en uitvoe- 
ring der sociale wetgeving te verkrijgen. Deze meerder- 
heid meent, dat de volgende maatregelen thans bij 
de wet zouden kunnen worden voorbereid: 

1° Een aantal ondernemingen, behoorende tot die 
takken van handel, nijverheid, transport, landbouw, 
w T aar reeds geruimen tijd sprake is van regelmatig 
overleg tusschen de organisaties van werkgevers en 
werknemers, kunnen in publiekrech telijke lichamen, 
zoogenaamde bedrijven, worden georganiseerd. 

2° ln elk dezer bedrijven komt tot stand een bedrijfs- 
raad, samengesteld uit een even groot aantal werk- 
gevers- en W'erknemersafgevaardigden, gekozen op den 
grondslag van evenredig kiesrecht door de vakvereni- 
gingen, voorzoover die werkgevers en werknemers 
van het bedrijf omvatten, en verder uit door den minis- 
ter van Arbeid, Handel en Nijverheid te benoemen 
personen als vertegenwoordigers van het algemeen 
belang, onder wie de voorzitter van den bedrijfsraad. 

3° De bedrijfsraad krijgt tot taak: a) de vakvereni- 
gingen in het bedrijf te adviseeren over te sluiten 
collectieve arbeidsovereenkomsten; b) mee te werken 
aan de uitvoering van de sociale wetgeving, in zoover 
de verschillende sociale w r etten die medewerking vast- 
stellen; c) den minister van Arbeid, H. en N. en de 
vakverenigingen van het bedrijf te adviseeren over 
sociale en economische toestanden van het bedrijf, 
en in aansluiting hiermede het in overweging geven 
van maatregelen, hetzij door den wetgever, hetzij door 
de regeering, hetzij door den bedrijfsraad te nemen. 

4° Komt een wettelijke regeling omtrent het stellen 
van algemeen bindende regels voor werkgevers en 
arbeiders ten aanzien van de arbeidsvoorwaarden 
in een bepaald bedrijf tot stand, dan zal de be- 
drijfsraad : a) den minister hebben te adviseeren 
omtrent het stellen van zoodanige algemeen bindende 
regels ten aanzien van dat bedrijf; b) met recht- 
spraak moeten werden belast omtrent de uitvoering 
van zoodanige algemeen bindende regels. 

Van deze of een andere regeling kwam echter niets. 
De minister legde het advies van 1923 eenvoudig naast 
zich neer. De zaak kwem weer voor het eerst aan de 
orde, toen minister Verschuur kort na zijn optreden 
in 1929 zijn ontwierp Bedrijf sraden wet bij den Hoogen 
Raad van Arbeid aanhangig maakte. Deze heeft 
echter met Bedrijfsorganisatie w r cinig of niets te maken 
(> Bedrijfsradenwet). 

Publiekrechtclijke bedrijfsorganisatie. De zaak 
der publiekrechtelijke bedrijfsorganisatie blijft als 
voornaamste resultaat van de hier geschetste ontwikke- 
ling als sociaal-economisch systeem van de toekomst, 
aanhangig. De uit het oogpunt van menschenwaarde 
en redelijke voorziening in redelijke behoeften vol- 


komen onhoudbare kapitalistische organisatie van het 
economisch leven roept om deze hervorming. Zij bergt 
in zich de rechtspositie der arbeiders individueel en 
als collectiviteit (> Medezeggenschap). Zoo bevordert 
zij een gezonde bedrijfsdemocratie. Zij houdt in een 
organisatie van de productie, die o.a. het crisisver- 
schijnsel en de daarmee samenhangende werkloosheid 
bestrijdt. Zij beteekent een arbeidsloon en voorzie- 
ningen in tijden van nood, die de menschenwaarde 
der arbeiders recht doen. Zij beteekent belemmering 
van overmatige ondernemerswinst en kapitaalrente. 
Zij decentraliseert de sociale wetgeving en past die 
aan aan de behoeften van bepaalde groepen. Zij voert 
de bestaande en te behouden sociale wetgeving in het 
bedrijfsleven zelf uit. Zij grijpt heen over de grenzen 
van de landen en verbindt uiteindelijk de bedrijven 
van de geheele wereld tot verspreiding der juiste 
rechtsbeginselen en tot ordening van een redelijke 
productie. Kortom, zij vervult de redelijke idealen voor 
het sociaal-economische en vele juridische vormen 
van de geheele menschenmaatschappij. 

L i t. : prof. dr. J. A. Veraart, Vraagstukken der 
Economische Bedrijfsorganisatie (1917) ; mr. L. G. 
Kortenhorst en mr. J. A. Veraart, Praeadviezen over de 
collectieve arbeidsovereenkomst (1919) ; prof. dr. J. A. 
Veraart, Beginselen der Economische Bedrijfsorgani- 
satie (1921) ; prof. dr. H. W. C. Bordewijk, dr. J. van den 
Tempel en prof. dr. J. A. Veraart, Is publiekrechtelijke 
bedrijfsorganisatie wenschelijk ? Zoo ja, in welken vorm ? 
(1921) ; jhr. G. W. van der Does, Ontwikkeling van de 
Bedrijfsorganisatie in de Typografie ; F. M. Wibaut, 
Economische Bedrijfsorganisatie ; prof. dr. H. W. C. 
Bordewijk, Het tegenwoordige stadium der Economische 
Bedrijfsorganisatie (1923) ; dr. R. E. Smits, Beschou- 
wingen over economische bedrijfsorganisatie in hare 
beteekenis voor de maatschappelijke welvaart (1924) ; 
prof. dr. J. A. Veraart, Medezeggenschap en Bedrijfs- 
organisatie (1931). Veraart. 

In België. 

Hier ontbreekt nog de basis, waarop een systeem 
van publiekrechtelijke bedrijfsorganisatie zou kunnen 
opgebouwd worden, nl. een wet op de > Collectieve 
Arbeidsovereenkomst. Toch bestaat hier en daar een 
begin van collectieve bedrijfsregeling, hoewel nog in 
zeer bescheiden mate: in 1930 (meer recente cijfers 
waren niet te achterhalen) waren te zamen 329 000 
industrie-arbeiders bij gemeenschappelijke overeen- 
komsten betrokken. Overigens, de Belgische vakver- 
eenigingen ontberen een wettelijk statuut en bezitten 
geen rechtspersoonlijkheid. Wel is er een wet op de 
> Beroepsverenigingen van 31 Maart 1898, doch er 
zijn zeer weinig vakverenigingen, die zich aan de door 
die wet gestelde voorwaarden onderwerpen. 

Hoewel dus de grondslag, de C.A.O., ontbreekt voor 
het instellen van een publiekrechtelijke bedrijfs- 
organisatie, toch werd het vraagstuk aan Katholieke 
zijde niet uit het oog verloren. De theoreticus, die de 
kwestie grondig uiteenzette, is de Leuvensche prof. 
M. Defoumy, met zijn werk: Vers la réorganisation 
corporative. Verder hebben de Sociale Weken, te 
Leuven in 1932 en 1933 door het Alg. Secretariaat 
der Kath. Sociale Werken ingericht, daaraan lessen 
gewijd. De Kath. werkgevers, gegroepeerd in het Alg. 
Christelijk Verbond van Werkgevers, hebben eveneens 
op hun eerste congres, gehouden te Kortrijk in Sept. 
1933, het vraagstuk besproken. Sommige Kath. werk- 
gevers hebben spontaan in hun onderneming een zekere 
bedrijfsorganisatie verwezenlijkt ten voordeele van 
hun personeel, sommigen in vorm van fabrieksraden, 
anderen door het inrichten van een Socialen Dienst. 


235 


Bedrijfspolitiek — Bedrijfsradenwet 


236 


Opvallend is het wel, dat de uitbreiding der Christelijke 
vakbeweging in enkele ondernemingen een einde heeft 
gesteld aan de bestaande fabrieksraden, wat er wel op 
schijnt te wijzen, dat de arbeiders min of meer wan- 
trouwig stonden tegenover deze instellingen en hun 
voorkeur gaven aan hun syndicale organisatie. 

Van staatswege uit' beschouwd bestaan er 
consultatieve organismen, die bijdragen tot een vreed- 
zame bedrijfsregeling, en die als uitgangspunten zou- 
den kunnen dienen voor een publiekrechtelijke bedrijfs- 
organisatie. Onder deze organismen dienen vermeld 
de door de wet van 16 Aug. 1887 ingerichte arbeids- en 
nijverheidsraden, waarin werkgevers en werknemers 
zouden samenkomen, ten einde de algemeene belangen 
te bespreken omtrent de nijverheid, voor zoover de 
arbeiders er in betrokken zijn. De bedoeling was vooral 
een plaatselijke bedrijfsvertegenwoordiging te voor- 
zien met bijzondere afdeelingen volgens de vakken. 
Deze wet werd niet toegepast. > Arbeidsconflict 
(België); > Arbeidsraad (België). 

Een meer doelmatige en degelijke verwezenlijking 
is die der > paritaire commissies, door ministerieele 
besluiten ingericht sinds 1919. Naast de nationale 
commissies voor bepaalde nijverheden, treft men ook 
gewestelijke commissies aan voor gewesten met 
specifieke gelocaliseerde nijverheden. De nationale 
commissies bestaan uit een gelijk aantal werkgevers- en 
werknemersafgevaardigden, benoemd door ministe- 
rieel besluit. Hoewel deze commissies bij de oprichting 
hun bevoegdheid slechts beperkt zagen tot den arbeids- 
duur, hielden zij zich weldra bezig met andere vraag- 
stukken betreffende de arbeidsvoorwaarden; zoo zien 
wij hen vaak loonovereenkomsten vaststellen, bijzon- 
dere regelingen uitvaardigen in verband met den 
acht-urigen arbeidsdag (> Achturenwet), enz. Gewes- 
telijke of regionale commissies kunnen op aanvraag van 
een der partijen opgericht worden, na goedkeuring 
van de nationale commissie. 

Het ligt voor de hand, dat de paritaire commissies 
kunnen uitgroeien tot een hechte bedrijfsorganisatie. 
Doch om dit te verwezenlijken zouden enkele hervor- 
mingen dienen doorgevoerd, die reeds door het alge- 
meen Christelijk Vakverbond van België werden voor- 
gesteld. De voornaamste zijn: vervol lediging der 
paritaire commissies, verbindendverklaring van de 
besluiten der nationale commissies, uitbreiding van 
hun bevoegdheid tot de controle over de toepassing 
der sociale wetten en tusschcnkomst in verband met 
de voortbrenging en den verkoop der producten. 

L i t. : R. Carels, Over bedrijfsorganisatie (1920) ; 
prof. Defourny, Vers la réorganisation corporative 
(Brussel 1926); Verslag 10e Congres van het A.C.V. 
(Brugge 1932); Verslagen der Vlaamsche Sociale Weken 
van Leuven van 1932 en 1933. Kuypers . 

Bedrijfspolitiek, > Bedrijfsorganisatie. 

Bedrijf sraad, > Bedrijfsorganisatie. 

Bedrijfsradenstelsel, > Bedrijfsorganisatie. 

Bedrijfsradenwet (Ned., wet van min. 
Verschuur 7 April 1933, inzake instelling bedrijfsraden, 
Stbl. no. 160). Door de Kroon kan een bedrijfsraad 
worden ingesteld in elk bedrijf, „waarin de omstandig- 
heden daartoe aanleiding geven”. Onder „bedrijf” 
volgens de Mem. van Toelichting te verstaan: „Een com- 
plex van ondernemingen, die een soortgelijk product 
voort brengen”. De wet handelt dus niet — zooals 
het Duitsche „Betriebsrategesetz” — over onder- 
nemingsraden, fabrieksraden of zgn. „kernen”, die 
ingesteld worden voor de arbeiders van een bepaalde 


fabriek of onderneming, doch over bedrijfsraden, 
waarvan de werkkring zich uitstrekt over de sociale 
verhoudingen in een bepaalden tak van productie 
(> Bedrijfsorganisatie). 

Men zal veelal als regel kunnen aannemen — aldus 
de Memorie van Toelichting — dat alleen die bedrijven 
rijp zijn voor een bedrijfsraad, waarin het organisato- 
risch overleg tusschen werkgevers en arbeiders vol- 
doende gevorderd is. 

De bedrijfsraad kan worden ingesteld hetzij voor 
het geheele land, hetzij voor een gedeelte des lands 
en verder voor het geheele bedrijf (bedrijfstak) of voor 
een gedeelte van het bedrijf of voor een bepaalde groep 
van ondernemingen. De wet geeft hier de noodige 
vrijheid zich bij de practijk van het bedrijfsleven aan te 
sluiten. 

Het minimum aantal leden van den bedrijfsraad 
is gesteld op 6 en het maximum op 20. De Kroon 
bepaalt het aantal. Deze leden worden benoemd voor 
de helft door een of meer vakverccnigingen van werk- 
gevers, die de minister van Sociale Zaken daartoe aan- 
wijst en voor de andere helft door een of meer eveneens 
door den minister daartoe aangewezen vakvereni- 
gingen van arbeiders, wier leden allen of voor een 
gedeelte in het betrokken bedrijf werkzaam zijn. 
Daarenboven kunnen door den minister aan den 
bedrijfsraad nog een aantal leden en een voorzitter 
worden „toegevoegd”, mits het personen betreft, die 
niet werkzaam in het bedrijf zijn, waarvoor de bedrijfs- 
raad is ingesteld. Het is mogelijk, dat een derge lijke 
voorzitter slechts wordt toegevoegd voor bepaalde 
werkzaamheden van den raad, bijv. alleen wanneer 
de bedrijfsraad optreedt bij de beslechting van geschil- 
len. Wanneer de minister geen onpartijdigen voor- 
zitter aanwijst, of dezen alleen aanwijst voor bepaalde 
werkzaamheden, wijst de bedrijfsraad zelf uit zijn 
midden een werkgever-voorzitter en een arbeider- 
voorzitter aan, die om beurten telkens voor een half 
jaar als voorzitter optreden, tenzij bij door den minister 
goedgekeurd reglement door den bedrijfsraad anders 
is bepaald. 

Alvorens tot de instelling van een bedrijfsraad door 
de Kroon wordt overgegaan, wint de minister van 
Sociale Zaken het advies in van een door hem aange- 
wezen of samengestelde commissie. Ten aanzien van 
de samenstelling van deze commissie is de minister 
geheel vrij, doch in de Memorie van Toelichting wordt 
gezegd, dat uiteraard in ieder geval gezaghebbende 
personen uit de kringen van werkgevers en arbeiders 
zullen worden uitgenoodigd in die commissie zitting 
te nemen. 

Omtrent den internen gang van zaken in den bedrijfs- 
raad kan worden gezegd, dat de raad zoo mogelijk ten 
minste 6 maal per jaar bijeenkomt in niet-openbare 
vergaderingen, tenzij bij door den minister goedgekeurd 
reglement anders is bepaald. Geen besluit mag worden 
genomen, zoo niet de helft der leden, behoorende tot 
den kring der werkgevers en de helft der leden, behoo- 
rende tot den kring der arbeiders, aanwezig is. De 
regeling van het stemrecht wordt overgelaten aan den 
bedrijfsraad zelf, die daarvoor een reglement vast- 
stelt, dat door den minister moet worden goedgekeurd. 

De bedrijfsraad kan optreden als orgaan van 
overleg, als orgaan van advies en als orgaan 
van uitvoering in algemeenen zin en ook in 
het bijzonder ten aanzien van bepaalde met name 
genoemde wetten, en ten slotte als orgaan van be- 
slechting van geschillen en van 


237 


Bedrijfsregeling — Bedrijfsuitkomst 


238 


bemiddeling. In de wet komen ook nog eenige 
bepalingen voor over een mogelijk optreden van den 
bedrijfsraad als zgn. „verordenend” orgaan, doch 
alvorens deze bepalingen elfect zullen kunnen sor- 
teeren, zal een nadere wettelijke regeling noodig zijn. 

Als orgaan van overleg is de bedrijfsraad be- 
voegd — niet verplicht — tot : 

1° het ontwerpen van arbeidsvoorwaarden, zoo 
mogelijk in den vorm van een collectieve arbeids- 
overeenkomst; 

2° het ontwerpen van regelen ter bevordering van 
een goede vakopleiding in de vakschool, op vak- 
cursussen en in de werkplaats; 

3° het overwegen van maatregelen ter voorkoming 
en bestrijding van werkloosheid en ter verruiming 
der werkgelegenheid; 

4° het bevorderen van het overleg tusschen den 
werkgever en de arbeiders in de afzonderlijke onder- 
nemingen, door middel van een daartoe strekkend 
orgaan ; 

6° het bevorderen van het tot stand komen van 
fondsen en andere instellingen in het belang der arbei- 
ders, hetzij voor het geheele bedrijf, hetzij voor een 
of meer ondernemingen in dat bedrijf; benevens, op 
verzoek van belanghebbenden, het uitoefenen van 
toezicht op die fondsen en instellingen en de uitvoering 
of het deelnemen aan de uitvoering van de reglementen 
betreffende die fondsen en instellingen; 

6° het bespreken van de technische en commer- 
cieele aangelegenheden van het bedrijf, voorzoover 
van invloed op de positie van den arbeider; 

7° het verzamelen van statistische gegevens betref- 
fende het bedrijf; 

8° het bevorderen van al die maatregelen, welke 
de goede verstandhouding tusschen werkgevers en 
arbeiders in het bedrijf kunnen versterken. 

Als orgaan van advies in algemeenen zin zal 
de bedrijfsraad gevraagd of ongevraagd van advies 
kunnen dienen aan overheid en particulieren over 
onderwerpen, die betrekking hebben op den arbeid 
in het bedrijf. Van beteekenis is, dat het advies van 
den bedrijfsraad door den minister moet worden 
ingewonnen, wanneer de minister als hoogste instantie 
moet beslissen over een hooger beroep, ingesteld tegen 
een voorschrift van een ambtenaar, die belast is met 
de uitvoering resp. van de Arbeidswet, de Caissonwet, 
de Stuwadoorswet, de Steenhouwerswet en de Veilig- 
heidswet. Dit advies behoeft alleen niet ingewonnen 
te worden in „spoedeischende gevallen”, en mag 
niet worden ingewonnen, wanneer hij, die het beroep 
instelt, daartegen bezwaar maakt. Wanneer de minis- 
terieele beslissing afwijkt van het advies van den 
bedrijfsraad, moeten de beslissing van den minister 
en het advies van den bedrijfsraad in de Staatscourant 
worden gepubliceerd. 

De bedrijfsraad moet verder zijn medewerking 
verleenen bij de uitvoering van wetten en algemeene 
maatregelen van bestuur, welke deze medewerking 
vorderen. Hier treedt de bedrijfsraad op als orgaan 
van uitvoering in algemeenen zin. 

Als orgaan van advies en uitvoering in bijzondere 
gevallen treedt de bedrijfsraad op ten gevolge van een 
aantal wetswijzigingen, die de Bedrijfsradenwet aan- 
brengt in een aantal sociale wetten, nl. de Arbeidswet, 
de Invaliditeitswet, de Ongevallenweten de Ziektewet. 
Deze wetswijzigingen komen in hoofdzaak hierop neer, 
dat telkens, wanneer in deze wetten verwezen werd 
naar de vakverenigingen van werkgevers of arbeiders, 


nu de bedrijfsraad, wanneer deze bestaat, wordt inge- 
schakeld. 

Ten slotte kan de bedrijfsraad optreden als orgaan 
tot beslechting van geschillen en van bemiddeling. 
Uiteraard bestaat de mogelijkheid, dat de bedrijfsraad 
bij collectieve arbeidsovereenkomst of bij een andere 
regeling, die in het bedrijf tot stand komt, wordt 
aangewezen als arbitrage-commissie, doch ook wanneer 
de bedrijfsraad niet als een zoodanige commissie is 
aangewezen, mag hij eigener beweging pogingen 
aanwenden om een geschil, dat ontstaat of dreigt 
te ontstaan, op te lossen of te voorkomen. Bij 
wijziging van de Arbeidsgeschillenwet is vastgelegd, 
dat de zgn. Rijksbemiddelaars zich moeten onthouden 
van tusschenkomst of van verdere tusschenkomst in 
een geschil, wanneer hun blijkt, dat de bedrijfsraad 
pogingen aanwendt om het geschil te vereffenen. 

De wet kent de zgn. verordenende bevoegdheid 
aan den bedrijfsraad ni e t toe, doch regelt slechts de 
procedure, die bij het totstandkomen en uitvaardigen 
van eventueele verordeningen moet worden gevolgd, 
voor het geval die verordenende bevoegdheid b ij 
nadere wet aan den bedrijfsraad mocht worden 
verleend. 

De kosten van een bedrijfsraad zullen in het alge- 
meen gedragen worden door de vakvereenigingen van 
werkgevers en van arbeiders, die in den bedrijfsraad 
zijn vertegenwoordigd. Daarnaast kan een over- 
heidssubsidie worden verleend, wisselende tusschen 
500 gld. en 2 000 gld. per jaar per bedrijfsraad. De wet 
heet Bedrijfsradenwet. 

L i t. : Commentaar, uitgegeven door het Verbond 
van Ned. Werkgevers en Centraal Overleg in Arbeids- 
zaken voor Werkgeversbonden ; Advies van den Hoogen 
Raad van Arbeid over een voorontwerp van een Bedrijfs- 
radenwet. Veraart. 

Bedrijfsregeling (middenstand), > Distri- 
butie. 

Bedrijfssehap, vertaling van het Lat. woord 
ordo, waarmee in de encycliek „Quadragesimo Anno” 
de organisatie wordt aangeduid, die de werkgevers 
en de werknemers van een bepaalden bedrijfstak moet 
vereen igen. Gesteld tegenover de huidige maatschap- 
pelijke „klassen” en de daaruit voortvloeiende klassen- 
tegenstellingen, zooals deze tusschen vragers en 
aanbieders op de arbeidsmarkt tot uiting komen, is 
het b. een ordelijke aaneensluiting van diegenen, die 
in weliswaar naar rang verschillende, maar niettemin 
door het gemeenschappelijke van het object verwante 
functies werkzaam zijn. 

De eenheid, die hier door het gemeenschappelijke 
doel, het gemeenschappelijke object verkregen wordt, 
is uiteraard op haar terrein binnen zekere grenzen 
autonoom, waarvoor een publiekrechtelijke regeling 
onontbeerlijk is. De verschillende b. dienen verder 
te worden ingepast in een algemeen verband, vaar- 
voor het algemeen welzijn richtsnoer van het handelen 
is. Verder > Beroepsorganisatie. de Mast. 

Bedrijfsstelsels (landbouw), > Land- 
bouw. 

Bedrijfsstofwisseling, » Stofwisseling. 

Bedrijfsuitkomst. In de psychotechniek tracht 
men de waarden van de proeven te bepalen door keu- 
ringsresultaten te vergelijken met de individ. prestaties 
bij de uitoefening van het beroep. Deze prestaties 
noemt men b. De b. kunnen subjectief en objectief 
zijn. Men noemt ze subjectief, indien de 
waardeering van de individueele prestaties der arbeids- 


239 


Bedrijfsvereniging — Bedstede 


240 


krachten afhankelijk is van een persoonlijken in druk 
van een bedrijfsleider; objectief, indien deze 
prestaties worden gemeten aan de hand van de hoe- 
veelheid en hoedanigheid van de productie. 

De objectieve b. hebben alleen dan waarde, indien 
de beoordeelden onder volkomen gelijke voorwaarden 
gewerkt hebben. In de werkelijkheid kan men om die 
reden bijna nooit een objectieve b. tot vaststelling van 
de waarde der psychotechnische proeven krijgen. 

De betrouwbaarheid der subjectieve b. kan men ver- 
grooten door meerdere personen onafhankelijk van 
elkaar een dergelijk oordeel te laten geven. Indien dan 
aangaande een psychotechnisch gekeurde de meeningen 
der beoordeelaars uiteenloopen, mag men hem niet 
meerekenen bij de waardeering (ijking) van de proeven. 

> Landbouw. de Quay. 

Bcdrijfsverceniging in N e d. is een rechts- 
persoonlijkheid bezittende vereen iging, welke opge- 
richt is eenerzijds door één of meer centrale organisaties 
van werkgevers, anderzijds door vakcentrales of daarbij 
aangesloten vereenigingen van arbeiders, en welke 
ten doel heeft de uitvoering van een wettelijk geregelde 
verzekering. Het begrip bedrijfsvereniging in Ned., 
voor het eerst voorkomend in de Land- en tuinbouw- 
ongevallenwet 1922, is in de Ziektewet tot verdere 
ontwikkeling gekomen. De b. in de Ziektewet heeft, 
behalve de uitvoerende bevoegdheid, verordenende 
bevoegdheid, inzoover zij haar eigen organisatie 
autonoom kan vestigen, en rechtsprekende bevoegd- 
heid, inzoover zij zelf een scheidsgerecht instelt. Deze 
bevoegdheden worden verleend door de erkenning 
door den minister van Arbeid. Het toezicht op de 
uitvoerende bevoegdheid is opgedragen aan een daartoe 
ingesteld college van toezicht. Het aantal bestuurs- 
leden, aangewezen door de vereenigingen van arbei- 
ders, moet minstens even groot zijn als het aantal 
bestuursleden, aangewezen door de vereenigingen van 
werkgevers. Om een b. te kunnen vormen, moeten de 
arbeiders, voor risico der vereenigingen verzekerd, 
minstens 2 1 / 2 millioen gulden loon per jaar ontvangen. 

> Sociale verzekering. 

L i t. : v. Bruggen en v. Lakerveld, de Ziektewet 
(1930) ; Tien jaren Raden van Arbeid (1930). Struben. 

Voor België, > Arbeidsongeval; > Arbitrale 
Commissie. 

Bedrijvende vorm, > Activum. 

Bedrijvcnwct (N c d. Recht). Volgens 
art. 88 der Comptabiliteitswet 1927, Stbl. 259, kunnen 
bepaalde takken van Rijksdienst (> Staatsbedrijven) 
op andere wijze worden beheerd dan in deze wet voor 
de Rijksbegrooting en de Rijksrekening in het algemeen 
is bepaald. Voorts bepaalt dit artikel, dat voor het 
beheer van deze takken van Rijksdienst de noodige 
algemeene regelen bij de wet zullen worden vast- 
gesteld. Deze algemeene regelen omtrent het beheer 
dezer diensttakken zijn vervat in de Bedrijven- 
wet van 21 Juli 1928 (Stbl. 249); de wet, 
welke deze diensten als bedrijf aanwijst, kan aanvul- 
lingen of afwijkingen van deze algemeene wet bevatten. 
Vóór de Bedrijvenwet 1928, Stbl. 249, gold de 
Bedrijvenwet 1912, Stbl. 85 (houdende regeling van de 
begroot ingen en rekeningen der staatsbedrijven). 

De diensten, die als > staatsbedrijf zijn aangewezen, 
zijn 1° de Algemeene Landsdrukkerij, aangewezen bij 
de wet van 21 Dec. 1928, Stbl. 474; 2° de Rijksmunt, 
aangewezen bij de wet van 21 Dec. 1928, Stbl. 483; 
3° de Artillerie-inrichtingen, aangewezen bij de wet 
van 29 Dec. 1928, Stbl. 511, gewijzigd bij de wet van 


18 Maart 1931, Stbl. 110; 4° de Posterijen, Telegrafie 
en Telefonie, aangewezen bij de wet van 29 Dec. 1928, 
Stbl. 514; 5° de visschershaven te IJmuiden, aange- 
wezen bij de wet van 29 Dec. 1928, Stbl. 515; 6° de 
Staatsmijnen in Limburg, aangewezen bij de wet van 
29 Dec. 1928, Stbl. 516, gewijzigd bij de wet van 
18 Maart 1931, Stbl. 109. 

De financiën dezer bedrijven zijn gescheiden van de 
overige financiën van het Rijk. Zij hebben een eigen 
begrooting en eigen rekening, sinds de Bedrijvenwet 
1928 op commercieele leest geschoeid. De bedrijven, 
die kunnen worden gedefinieerd als bestuurseenheden 
met financieele zelfstandigheid, bezitten geen rechts- 
persoonlijkheid; hun financieele zelfstandigheid is 
van intern -a dm in istratieven aard. 

Volgens art. 21 der Bedrijvenwet wordt van de 
geldelijke betrekking tusschen het Rijk en een bedrijf, 
voortvloeiende uit de bepalingen dezer wet, door den 
minister van Financiën en door het bedrijf een reke- 
ning-courant aangehouden, terwijl, indien noodig, 
ook van de geldelijke betrekkingen tusschen de onder 
deze w r et vallende bedrijven onderling rekeningen- 
courant zullen worden aangehouden, een en ander 
volgens regelen, bij algemeenen maatregel van bestuur 
te stellen. Deze algemeene maatregel van bestuur is 
vastgesteld bij besluit van 14 Mei 1930, Stbl. 182. 

Stoer . 

Bedsa, plaats in Britsch-Indië, ten Zuid-Oosten 
van Bombay. Hier bevindt zich een groep in de rotsen 
uitgehouwen Boeddhistische kloosters met als middel- 
punt de ong. 17o voor Chr. eveneens uit de rots gekapte 
Tsjaitja-hal. verwant aan de rotstempels van Ajanta 
en Bhadsja. Het middenschip heeft een door 36, 
oorspronkelijk beschilderde achthoekige pijlers ge- 
dragen tongewelf. De pijlers zijn naar binnen ingebogen 
en dragen klokkapiteelen, op wier breeden abacus 
groepen dieren (stieren, olifanten) liggen (verwant- 
schap met de Perzische kunst van Persepolis). 

L i t. : Fergusson en Burgess, The cave temples of 
India (1880) ; Coomaraswami, Geschichte der indischen 
und indonesischen Kunst (1927). Knipping. 

Bedsohakelaar dient om, onafhankelijk van 
den schakelaar bij de deur, het electr. licht aan en 
uit te doen. > Schakelaar. 

Bedstede, ouderwetsche slaapplaats, met haar 



Hollandsch binnenhuis met bedstede. 


door betimmering vernauwden ingang eigenlijk 
een diepe kast, die men met deuren of gordijnen 


241 


Bedum — Beechy 


242 


zelfs overdag nog voor licht en lucht kan afsluiten. 
Ze is gewoonlijk vochtig en vormt een ideaal asyl 
voor ziektebacteriën (tuberculose) en menschelijke 
parasieten. Soms bevindt zich aan het voeteneinde 
nog een kribbe voor een zuigeling. 

In een b. kan de geneesheer een zieke moeilijk 
onderzoeken of behandelen, omdat deze maar van 
één zijde te bereiken is. Ook is ze vaak te hoog (be- 
zwaar voor oudere menschen). 

Meestal is de b. berekend op meerdere personen 
en biedt dan vaak te weinig ruimte, zoowel in breedte 
als lengte, zoodat gebruikers hun beenen niet kunnen 
uitstrekken. Ook de trap, waaronder de b. dikwijls 
gebouwd werd, neemt soms een groot stuk van de 
ruimte weg, zoodat men zich moeilijk kan oprichten. 
Bij voorkeur werd de b. vroeger in de woonkamer 
aangebracbt en wel in den achterwand; er bleef 
dan geen plaats voor een raam over en doorluchting 
van de ruimte was uitgesloten. In dit ééne vertrek 
werden de bedden geschud en opgemaakt, werd soms 
het eten gekookt, werd ’s winters de wasch bij de 
kachel gedroogd, werd ’s avonds gerookt, en moet 
dus een vochtige, stoffige, zwoele lucht hangen. 
Uit hygiënisch oogpunt is deze ..behaaglijke” broeikas- 
atmosfeer niet streng genoeg te veroordeelen. Onder 
de b. bevindt zich vaak een bergplaats (aardappelen, 
vuile wasch!). Wanneer de b. op den beganen grond is 
aangebracht, dus practisch in alle plattelands- 
woningen, werd dit keldertje vaak tot den onderkant 
der fundeering uitgediept. Afsluiting tegen vocht 
en bodemstank was echter meestal zeer onvoldoende. 
Vele bouwverordeningen verbieden tegenwoordig 
het maken van bedsteden of eischen bepaalde ver- 
beteringen (grootere afmetingen, ventilatie-raampje 
in den bedstedewand, luchtdichte afsluiting of steenen 
overwelving van den kelder). 

Het gebruik van b. kan echter beter geheel worden 
uitgeroeid. > Arbeiderswoning. 

L i t. : dr. E. Droog, Kath. Soc. Weekblad (7 Mei 1910). 

Bedum, gem. in de prov. Groningen, ten N. 
van de stad Groningen; bestaat uit de kom en de 
dorpen: Onderdendam, Zuidwolde, Noord wolde en 
de gehuchten Westerdijkshom, Willemsstreek, Onder- 
wierum, Terlaan, de Poel, Ellerhuizen en Noorder- 
hoogebrug. Ca. 6 000 inw., ca. 6% Kath. Opp. 6 036 ha, 
waarvan 2 364 ha bouwland en ± 2 100 ha grasland, 
220 ha tuinbouw met glascultuur en warenhu isbouw. 
Industrie: Coöp. fabriek van Melkproducten, met 
2 000 leden en ± 140 arb.; grootste van Europa; 
omzet in 1929 35 millioen gld. Verder: rijwielfabriek 
(Veeno), steen- en pannenfabrieken , electr. groenten- 
zouterij; landbouwwerktuigenfabriek, beton industrie. 
Verschillende bankinstellingen. Kantongerecht te 
Onderdendam. De dorpen B., Onderdendam en 
Zuidwolde hebben ieder een Ned. Herv. en Geref. 
kerk. Bedum bovendien een Chr. Geref. kerk en een 
Kath. kerk. De parochie te Bedum werd na de her- 
vorming opnieuw opgericht in 1642. 

In het begin der 9e eeuw arbeidden in B. de evangelie- 
predikers Ludger en Wilfridus. De laatste legde dijken 
aan. Het wapen van B. met spade, kruis en wetstafel 
herinnert aan zijn wereldlijken en geestelijken arbeid. 
± 810 werd hij door de Noormannen vermoord. In 1636 
werd het dorp B. door de Gelderschen verbrand. 

B., oudtijds Bederawalda, beteekent waarschijnlijk: 
wal (of dijk) van het bed der (rivier) Aa. Een andere 
opvatting is afgeleid van Bedeheim (plaats om te 
bidden). Nijenhuis. 


Bedwan ts, andere naam voor > Wandluis.’* 

Redwateren (E n u r e s i s nocturna), 
nachtelijke onwillekeurige urineloozing, zoo genoemd 
in tegenstelling met de enuresis diurna, welke over- 
dag en niet in bed plaats heeft. 

Wanneer b. bij kinderen na voltooiing van het derde 
levensjaar geregeld voorkomt, moet dit beschouwd 
worden als een ziekelijke afwijking. De oorzaak is in 
de meeste gevallen van zenuwachtigen aard, doch 
kan ook aan plaatselijke aandoeningen der urinewegen 
te wijten zijn. Dikwijls treft men het b. bij zwak- 
zinnige en idiote kinderen aan. Het geneeskundig 
schooltoezicht herkent de daaraan lijdende scholieren 
vaak gemakkelijk aan de kwalijk riekende urinelucht, 
welke zij in hun omgeving pl gen te verspreiden. 

Meestal verdwijnt de afwijking na het intreden van 
de puberteit vanzelf. In enkele zeldzame gevallen 
blijft zij gedurende het verdere leven bestaan, waardoor 
de lijder onmaatschappelijk wordt. 

Geneeskundige behandeling, die grootendeels 
psychisch moet worden aangewend, kan tot genezing 
leiden, doch slaagt dikwijls niet en moet gedurende 
langen tijd, liefst in een vreemde omgeving, worden 
voortgezet. v. Kranendonk Duffels. 

Bedwelmende middelen zijn middelen, die 
de functies van het centrale zenuwstelsel geheel of 
gedeeltelijk kunnen opheffen. 

Bedijken, het omringen met een dijk of dam van 
een door aanslibbing verhoogd gedeelte van den zee- of 
rivierbodem. > Aanwas. 

Bedijking, het bedijken; ook: de aangelegde 
dijken. Men spreekt bijv. van de bedijking van den 
W ieringermeerpolder. 

Beêbieren heetten oudtijds feestelijke samen- 
komsten uit dankbaarheid voor bewezen burenhulp. 

Beecher, Henry Ward, Amer. Puri- 
teinsch zeer welsprekend dominé, broer van Harriet. 

* 1813 in Connecticut, f 1887 in Brooklyn, New York, 

waar hij sedert 1847 de leiding had van de Plymouth 
congregational Church. Zijn theologie ontwikkelde 
zich zeer snel tot een liberaal ondogmatisch Christen- 
dom; en grootendeels door zijn bezielende woorden 
en geschriften zijn de Congregationalists in Amerika 
van een kleine, achterlijke sekte uitgegroeid tot een 
machtige, vooruitstrevende organisatie. Pompen . 

Bcecher-Stowe, Harriet Elizabeth, 
> Stowe. 

Beeching, Henry Charles, Angli- 
caansch geestelijke, letterkundig criticus en historicus. 

* 1869, f 1919. Kanunnik van Westminster Abbey 
in 1902, deken van Norwich in 1911. Gaf een paar 
versbundels uit, verschillende preeken, een goede 
uitgave van Milton’s gedichten in 1900, en van 
Shakespeare’s sonnetten in 1904. Artikelen, essays, 
enz. 

Bcechworth, stadje in Victoria (Austr.), 
270 km ten N.O. van Melboume; 4 900 inw. Door 
spoorlijn met Melboume verbonden, heeft B. om zijn 
mooie ligging aan de N.W. afhelling der Vict. Alpen 
veel toeristenbezoek. Voornaamste bron van bestaan 
is de goud- en tinwinning; B. is ook marktplaats voor 
landbouwprod. van den omtrek. Zwagemakers. 

Beechy, 1° sir F r e d. W i 1 1 i a m F. R. S., 
Engelsch marine-officier en ontdekkingsreiziger, 

* 1796, f 1856. In 1848 nam hij deel aan de Noordpool- 
expeditie van Buchan en John Franklin, waarvan hij 
een verslag uitbracht. In 1819 was hij onder sir E. 
Parry in den Arctischen Archipel. Met zijn broer 


243 


Beeching — Beekbezinking 


244 


H. W. Beechey bereisde hij in 1821 de N. kust van 
Afrika en onderzocht de streken van de oude Penta- 
polis. In 1825 werd hij met de Blossom om Kaap Hoorn 
gezonden naar de Beringstraat om samen te werken 
met de expeditie van J. Franklin en Parry, in hun 
poging de N.W. doorvaart te vinden. Drie jaren 
was hij in dit gebied en ontdekte o.a. de Kotzehue 
Sont, punt Barrow en Bonin-eiland. Later was hij 
voorzitter van het Engelsche Koninklijk Aardrijks- 
kundig Genootschap (Royal Geographical Society). 

Werken: Voyage of discovery towards the North 
Pole (1818) ; Proceedings of the expedition to explore 
the Northern Coast of Afriea (1827); History of the 
Cruise of the Blossom between 1825-’28 (1831). 

de Visser. 

2° Sir W i 1 1 i a m, Engelsch portretschilder. 
Hij studeerde in de Royal Academie onder Zoffany en 
copieerde veel Reynolds. Werd portretschilder van 
koningin Victoria. * 1753 te Burdford, f 1839 te 
Londen. 

L i t. : Redgrave, A Century of Painters (I z.j., 
337-341) * Dayot, La peinture anglaise (1908). 

Bceck, Martin van der, > Becanus 
(Martinus). 

Becckman, 1° I s a a c, Ned. geleerde, * 10 Dec. 
1588 te Middelburg, f 19 Mei 1637 te Dordrecht. 
Aanvankelijk theoloog, later medicus, 1619 conrector 
van de Lat. school te Utrecht, woonde vanaf 1620 
te Rotterdam, waar hij 1624 — '27 conrector van de 
Lat. school was. Van 1627 tot zijn dood was hij rector 
van de Lat. school te Dordrecht, die hij tot grooten 
bloei bracht. B. is een autodidact van bijzondere 
begaafdheid op het gebied der natuurwetenschappen, 
die »n zijn tijd een groote reputatie genoot en die 
veel invloed op de ontwikkeling der physica zou 
hebben kunnen uitoefenen, indien hij zijn denkbeelden 
had gepubliceerd. Hij verzamelde zijnaante keningen 
in een omvangrijk handschrift, het Joumael, dat in 
1905 door C. de Waard is teruggevonden en dat 
sindsdien, vrijwel persklaar, op publicatie wacht. 
B. kwam in 1618 te Breda in kennis met Descartes, 
met wien hij natuurkundige problemen, de muziek- 
theorie, de hydrostatica en de valbeweging betreffend, 
bestudeerde. Descartes roemt den heilzamen invloed, 
die hun omgang op zijn ontwikkeling heeft gehad. 
Het belangrijkste werk van B. ligt op het gebied van 
de dynamica der valbeweging; samen met Descartes 
gaf hij 1618 de eerste dynamische afleiding van de 
valwet, waarbij waarschijnlijk de physische gedachten- 
gang van hem. het mathematische hulpmiddel (gra- 
phische voorstelling) van D. afkomstig was. In zijn 
denkbeelden over traagheid en luchtdruk is hij even- 
eens zijn tijd vooruit. 

L i t. : Miihatid, Descartes savant (Parijs 1921) ; 
Oeuvres de Descartes, ed. Adam et Tannery (X Parijs 
1908); E. J. Dijkstcrhuis, Val en Worp f1924). 

Dijksterhuis. 

2° J o h a n, Vlaamsch architect en academie- 
leeraar, ging door voor een der knapste tooneelisten 
van Vlaanderen. Alleen een paar lijkdichten ver- 
schenen in druk. * 2 Juni 1786 te St. GiPis-bij-Dender- 
monde, f 23 Febr. 1870 te Dendermonde. 

Lit. : J. Broeckaert, Leven en Werken der Zned. 
Schrijvers (I, 63). Godelaine. 

Beefgras, > Trilgras (Briza). 

Bcegrien, gem. in Ned. Limb., gelegen 6 km ton 
Z.W. van Roermond. 764 inw. (1932), uitsluitend 
Kath. Landbouw, baksteenfabriek. 


Berk, 1° gem. in N e d. L i m b u r g, gelegen 
13 km ten Z. van Sittard; omvattend het dorp Beek 
en de gehuchten Neerbeek, Grootgenhout, Kleingren- 
hout, Kelmond, Oensel, Geverik en Kerensheide; 
6 440 inw. (1933), waarvan 96% Kath. en 6% Prot. 
Te Beek industrie (sigarenfabrieken, cementsteen- 
fabrieken, baksteenfabrieken); in de gehuchten land- 
bouw en veeteelt. Drie parochies: Beek, Genhout 
en Neerbeek. Toerisme; sportpark; oudheidkundig 
museum van dhr. Beckers. Belangrijke fruitveiling. 

v. Thitl. 

2° > Bergh (Geld. gem.). 

3° > Ubbergen (Geld. gem.). 

4° > Princenhage (N. Br. gem.). 

5° (ook: Beeck), Belgische gem. in de 
prov. Limburg, ten N. van Bree; ong. 650 inw.; 
opp. 1 590 ha; zandgrond; kanaal. Merkwaardige 
Gotische kerk; kasteel Ghen-Aa. 

Beek, d e, een klein watertje uit de duinen, dat 
in Den Haag de vijvers in het Haagsche Bosch voedt. 

Beek, 1°A. van der, Holl. graveur, werk- 
zaam in het eerste kwart der 19e eeuw. Graveerde in 
stippelprocédó en werkte naar composities en teeke- 
ningen van H. W. Gaspari, N. Sonnenberg, A. Berg- 
man, e.a. Met D. Sluijter graveerde hij het fraaie por- 
tret van P. Chevallier naar Ch. H. Hooges. 

de Stuers. 

2° Henricus van, bisschop. * 24 Maart 
1816 te Amsterdam, f 14 Oct. 1884 te Breda. Stu- 
deerde te Hageveld en Warmond. 1842 priester gewijd, 
kapelaan te Den Haag. 1848 professor te Hageveld, 
1851 deken van Haarlem, 1862 vicaris-generaal van 
het bisdom Haarlem. 1874 — ’84 bisschop van Breda. 
Tijdens zijn episcopaat is de administratie van de 
tijdelijke goederen van het bisdom nauwkeurig gere- 
geld en een nieuw klein -seminarie gebouwd. 

Lit.: Neerlandia Catholica (1888) en Katholiek 
Nederland (1930). de Haas. 

3° J. L. van der, Holl. graveur. Werkte op 
het eind van de 18e eeuw, vermoedelijk in Amsterdam. 
Graveerde portretten, hist. prenten en boekillustra- 
ties. Zijn werken zijn gedateerd van 1782, 1794 en 
1814. Graveerde eveneens in stippelprocédé. 

4° P. van der, Holl. graveur. Werkzaam in het 
eerste kwart der 19e eeuw. Stippelgravures. Vermoe- 
delijk leerling van L. Portman. Werkte ook wel ge- 
meenschappelijk met den graveur A. van der Beek, 
vermoedelijk zijn broeder. 

Lit.: Kramm, De Levens en Werken (65-66). 

de Stuurs. 

Beekbergen, dorp in de gem. Apeldoorn. On- 
geveer 1 300 inw., meest Ned. Herv. Landbouw, 
hoenderteelt, vreemdelingenverkeer, en door het 
heldere water der beekjes, die van de Oost-Veluwe 
afstroomen, wasscherijen. De Ned. Herv. kerk (13e 
en 14e eeuw) is in 1905 gerestaureerd. In een prachtige 
omgeving liggen tusschen B. en Loenen de stichting 
Het Hoogland en Troelstra-oord. Ileijs . 

Beekbezinking noemt men die grondsoort, die 
ontstaat door mater iaalsedimentat ie in beken. Een 
speciaal soort zijn de zgn. groengronden , die zich in 
den winter, wanneer de beken buiten hunne oevers 
treden, afzetten. Locaal bevatten de groengronden 
soms mergel en ijzeroer. Dergelijke gronden vindt 
men o.a. langs de Overijselsche Vecht, Dinkel, Regge, 
Geleen en Dommel. Volgens van Baren dateert de 
vorming van beekbezinking pas van na de vorming 
van het laagterras der rivieren. Hofsteenge. 


245 


Beekdalen — Beelaerts van Blokland 


246 


Beekdalen zijn negatieve terrein vormingen, ver- 
oorzaakt door de uitschurende werking van stroomend 
water met de daarin aanwezige transportabele, niet 
oplosbare stoffen. Fossiele beekdalen, die tijdens het 
Diluvium zijn gevormd, werden o.a. bij Wageningen 
in den Z. Veluwezoom aangetoond. Hofsieenge. 

Beek en Donk, gem. in N. Brabant ten N. van 
Helmond, bestaat uit twee parochiedorpen Beek en 
Donk; 3 200 inw., bijna allen Kath.; opp. 1 613 ha. 
Landbouw en veeteelt; veel industrie (ijzerdraad, 
draadnagels, bouten, sluitringen, lascheinden; verder 
naaigaren, gebreide kleed ingstukken e.d.). Oude toren 
(ca. 1400); staat bij het dorp Beek, waarin drie klok- 
ken. in 1801 gegoten door Henricus Petit. Het huis 
Eikenlust heeft nog het oude poortgebouw van ± 1500. 

v. Velthoven . 

Beekforel, > Forel. 

Beckkork, Herman Wouter, Holl. 
schilder; * 12 Nov. 1756 te Leeuwarden, f 3 Juni 
1796 aldaar. Kreeg eerst teekenonderricht in Leeuwar- 
den, daarna van 1773 — ’76 te Amsterdam van Johan 
van Dregt. Vestigde zich te Leeuwarden. Schilderde 
vnl. landschappen, veestukken, historische composi- 
ties en enkele kerkschilderingen en altaarstukken. 

L i t. : Immerieol, De Levens en Werken ; v. Eijnden 
en v. d. Willigen (II, 421); W. Eeckhoff, Beschrijving 
van Leeuwarden (II. 347). de Stuers. 

Beekman, 1° Antoon Albert, water- 
staatkundige. * 5 Jan. 1854 te Amsterdam; doorliep 
van 1870—1873 de Kon. Militaire Academie te Breda; 
tot 1880 genie-officier. Daarna leeraar, achtereenvol- 
gens te Zutphen, Schiedam en Den Haag. Maakte 
een diepgaande studie van de Ned. waterstaatkundige 
toestanden in het verleden en het heden. B. is (met 
anderen) de grondlegger van den Geschiedk. Atlas 
van Nederland. In 1914 werd B. dr. honoris causa 
(universiteit Groningen). 

Werken: Tactiek en Versterkingskunst ; Het Dijk- 
en Waterschapsrecht in Nederland voor 1795 (2 dln. 
1904-1906); Polders en droogmakerijen (1909-1913); 
vele kaarten en verklarende beschrijvingen van den 
Geschiedk. Atlas van Nederland ; Nederland als polder- 
land ( 8 1932). v. Velthoven. 

2° E 1 i a s, vaandrig in het Staatsche leger; 
bekend door de verdediging van Aardenburg met 36 
è, 38 soldaten en 175 weerbare burgers tegen den 
Franschen generaal de Nancré, die het plaatsje op 25 
en 26 Juni 1672 trachtte te overmeesteren met 8 a 
9 000 man voetvolk en 900 ruiters. De Franschen 
trokken, nadat Beekman versterking had ontvangen 
(160 man), terug met een verlies van 500 man aan 
dooden en gewonden en 620 gevangenen, v. Voorst . 

Beckprik, > Prik. 

Bcekpunge, Veronica beccabunga 
van de familie der leeuwenbekachtigen of helm- 
kruiden (Scrophulariaceae), is een op vochtige plaat- 
sen veel voorkomende plant. 

Beekvliet, klein-seminarie. Zie ’s > Hertogen- 
bosch (bisdom). 

Beekvlookreeft of zoetwatergamaal (Gamma- 
rus pulex) behoort tot de familie der vlookretften. 
Zijdelings afgeplat lichaam ; met drie paar zwtm- 
en drie paar springpnoten aan het achterlijf ; komt 
voor in snelstroomende wateren. 

Beelaerts van Blokland, 1° Frans, Ned. 
staatsman en diplomaat. * 21 Jan. 1872 te Den Haag. 
Studie te Leiden. Werd in 1903 commies-griffier van 
de Tweede Kamer. Van 1909—19 was hij minister- 


resident te Peking met den persoonlijken titel van 
buitengewoon gezant en gevolmachtigd minister. Na 
zijn terugkeer in Nederland werd hij gedetacheerd aan 
het departement van Buitenlandsche Zaken. In 1921 
werd hij met minister van Karnebeek en dr. Moresco 
aangewezen als vertegenwoordiger van Nederland 
op de conferentie van Washington. Na het vertrek 
van minister van Karnebeek trad B. v. B. op als 
leider van de Ned. delegatie, om na de totstandko- 
ming van het Negen mogendheden verdrag wederom 
zijn functie in Den Haag op te nemen. Bij de minister- 
crisis van 1923 (naar aanleiding van de verwerping 
van de Vlootwet) werd B. v. B. belast met de vorming 
van een extra-parlementair kabinet, in welke opdracht 
hij niet kon slagen. In 1927, kort na zijn benoeming 
tot gezant te Brussel, aanvaardde hij de portefeuille 
van Buitenlandsche Zaken, toen minister van Karne- 
beek, wegens het verwerpen van het Nederlandsch- 
Belgisch verdrag in de Eerste Kamer, zijn functie 
neerlegde. Tot 1933 is B. v. B. onder de opvolgen- 
de ministeries in 
functie geweest. 

Als vertegenwoor- 
diger van ons land 
bij den Volken- 
bond trok hij de 
aandacht door zijn 
helder inzicht in 
de internationale 
verhoudingen en 
door zijn kordaat 
optreden ten gun- 
ste van de inter- 
nat iona le toenade - 
ringsgedachte. 

Een herziening 
van het verdrag 
tusschen Neder- 
land en België jhr. mr. F. Beelaerts van Blokland, 
werd tijdens zijn 

ministerschap niet bereikt. April 1933 werd B. v. B. 
vice-president van den Raad van State. Verherne. 

2° Gerard, Ned. jurist en staatsman. * 1772, 
f 1844. Werd in 1802 procureur-generaal bij den Raad 
van Justitie in de Kaapkolonie, toen dit gebied onder 
Ned. gezag terugkeerde. Ook trad hij op als gemachtig- 
de van Gijsbert Karei van Hogendorp bij diens be- 
kende kolonisatiepoging. Na de herovering van de 
Kaap door de Engelschen in 1806 bleef B. v. B. nog 
tot 1817 in Engelschen dienst. Toen keerde hij naar 
Nederland terug. Na eenigen tijd bij de rechterlijke 
macht werkzaam te zijn geweest, werd hij in 1823 lid 
van de Tw eede Kamer. Dit bleef hij tot 1841, ook toen 
hij in 1837— ’39 optrad als minister van Financiën. 
Als kamerlid trok hij de aandacht als verdediger van 
de handelsvrijheid en bij de behandeling van juridische 
kwesties. In 1841 werd B. v. B. lid van den Raad van 
State. Verberne. 

3° Gerard Jacob Theodoor, Ned. 
jurist en staatsman. * 1843, j* 1897. Studie te Leiden. 
Na zijn promotie in de rechtsgeleerdheid werkzaam 
achtereenvolgens als adjunct-commies, commies en 
referendaris aan het departement van Justitie, tot 
1883, toen hij gekozen werd tot kamerlid (Antirevo- 
lutionnair). Van 1888 tot 1891 bekleedde hij het voor- 
zitterschap van de Twxede Kamer. Ook nam hij de 
functie waar van diplomatiek vertegenwoordiger van 
de Zuid-Afrikaansche Republiek bij de Europeesche 



247 


Beeld — Beeldenstorm 


248 



Oude gravure, voorstellende den beeldenstorm. 


hoven, behalve bij het Engelsche. Meermalen weigerde 
hij zitting in een ministerie; eveneens werd hem drie- 
maal vruchteloos een professoraat aangeboden. 

Verberne. 

Beeld. 1° In de s t ij 1 1 e e r is b. een indirecte 
naam ; men noemt nl. iets niet met zijn eigen gebrui- 
kelijken naam, doch met den naam van iets anders, 
dat er op lijkt of er eenig verband mee heeft. Bijv. 
„Je bent een ezel!” > Troop. 

Lit. : dr. Jao. van Ginneken, De beeldspraak in 
het alg. (Leuvensche Bijdragen, X 1912). 

2° In de natuurk., > Afbeelding. 

3° > Beeld Gods. 

Beeldconstructie, > Afbeelding (natuurk.). 

Beeldemakcr, Adriaen Cornelisz., 
schilder, * 1625 te Rotterdam, f 1690 te Den Haag; 
werkzaam te Leiden, Dordrecht en Den Haag. Hij 
schilderde voornamelijk portretten, die aan Maes 
herinneren, maar veel zwakker zijn; ook wel jacht- 
scènes in landschappen. Zijn zoon Frans (f 1728) 
en nog twee naamgenooten Cornelis en Jo- 
hannes werkten in zijn trant. Schretlen. 



Signatuur van A. Beeldemaker. 

Beeldenaar, afbeelding van een persoon op 
een munt of penning. 

Beeldende kunsten zijn volgens de meest 
algemeene en meest verantwoorde beteekenis die 
kunsten, welke een bepaald gegeven uitbeelden in de 


ruimte. Hieronder vallen dan de beeldhouwkunst, 
de schilderkunst en alle daarmee verbonden kunsten, 
als teeken-, graveer- en etskunst, alsmede de photo- 
graphische kunst. Dessoir neemt het „uitbeelden” 
zeer breed en betrekt dan de bouwkunst ook onder de 
b. k. Verder veronderstelt hij, dat de b. k. zijn de 
kunsten van het rustige (niet dus van de bewe- 
ging), waar de elementen naast, niet na elkaar 
bestaan, en komt er dan toe de mimische kunsten 
(mimiek, poëzie en muziek) uit te sluiten. Toch is 
ook de beweging veelal van uitbeeldend karakter 
en men zal bijv. moeten bekennen, dat de filmkunst 
in groote mate uitbeeldend vermogen bezit. Enkelen 
nemen het begrip b. k. zoo eng dat ze alleen beeld- 
houwkunst daaronder willen ordenen. De term heeft 
dus geen vaste beteekenis; de boven aangegeven 
opvatting is echter de meest verantwoorde. 

Lit.: Utitz, Grundlegung der allg. Kunstwissen- 
schaft (II 1914, 28-39) ; Dessoir Aesthetik und allg. 
Kunstwissenschaft (1923, 310 vlg.). Knipping. 

Beeldendienst, > Beeldenvereering. 

Beeldenmuur, » Iconostase. 

Beeldenstorm. De B. is een woeste, plotseling 
tot uitbarsting gekomen beweging in de Nederlanden, 
waarbij op barbaarsche wijze de beelden en kerkramen 
in de Katholieke kerken en kloosters werden stuk- 
geslagen, de H. Hostiën over den grond gestrooid en 
andere gruwelijke heiligschennissen bedreven, kost- 
bare gewaden en boeken verscheurd en tallooze 
schatten van middeleeuwsche kunst vernield werden. 
Zij begon 10 Aug. 1566 in de buurt van St. Omer en 
sloeg weldra over naar Antwerpen, Gent, Holland 
(Delft 24 Aug.) en naar het Noorden en duurde de 
geheele maand Augustus door. 





249 


Beeldenstrij d — Beeldenvereering 


250 


Van het geheele land bleven alleen Luxemburg, 
Artois, Namen en Henegouwen voor den geesel 
gespaard. In Vlaanderen alleen werden 400 kerken 
geplunderd. Door panischen schrik verlamd, zag 
de overheid meest overal werkeloos toe; de landvoogdes 
Margaretha was niet in staat krachtig op te treden, 
daar zij niet op het leger rekenen kon, welks aan- 
voerders grootendeels tot het verbond der edelen 
behoorden. Eerst toen de storm eenigszins geluwd 
was, kwamen de Katholieken tot bezinning en beloof- 
den aan Margaretha hun steun; de rust was nu spoedig 
hersteld. Om den ongehoorden smaad, den godsdienst 
aangedaan, te wreken, zond Philips II Alva naar ons 
land. 

W ie draagt de verantwoordelijkheid van den 
beeldenstorm? Nuyens meent, dat hij is uitgegaan 
van de Calvinistische consistories en predikanten 
en volgens een te voren opgesteld plan, om zich door 
een plotselingen overval van de Katholieke kerken 
meester te maken. Ofschoon een vooropgezet plan 
moeilijk te bewijzen is, ,,was de beeldenbreking stellig 
een uiting van Gereformeerden geloofsijver” (Knappert, 
blz. 389). Jarenlang hadden de Calvinistische predi- 
kanten, die de beeldenvereering en vele Katholieke 
ractijken als afgoderij beschouwden, in heftige 
ew'oordingen hun volgelingen opgezweept. En talrijke 
voorbeelden zijn bekend, dat predikanten en leden 
van consistories een leidende rol bij de excessen 
speelden. De Calvinistische leiders, die de beweging 
ontketend hadden, waarbij zich spoedig ook ongure 
elementen uit niet-godsdienstige motieven aansloten, 
hadden haar spoedig niet meer in handen en hebben 
haar in dezen vorm niet gewild. Doch „slechts 
zagen zij er een (taktische) fout, geen misdaad in” 
(Knappert, blz. 391). 

L i t. : W. Nuyens, Gesch. der Ned. beroerten (I, 
2, 100-145); L. Knappert, Het ontstaan en de vesti- 
ging van het Protestantisme in de Nederlanden (382- 
400) ; Corpus iconoclasticum, Documenten over den 
Beeldenstorm van 1566, I Haarlem door J. Klcyntjcns 
en B. Becker, II Nijmegen door F. van Hoeck (1929). 

J . de Jong . 

Beeldenstrijd. 1° In het Oosten. 
Keizer Leo van Byzantium beval in 726 de verwijde- 
ring van alle voorstellingen van heiligen en engelen 
en in 730 de vernietiging van alle afbeeldingen van 
Christus, Maria en de heiligen. Dat de vereering 
vooral bewezen werd aan iconen of losse schilder- 
stukken blijkt uit een bevel, om de beelden hooger te 
hangen, opdat de geloovigen ze niet meer konden 
kussen. De patriarch Germanus, die zich verzette, 
werd tot abdicatie gedwongen. De pausen Gregorius II 
en III excommun 'roerden de beeldstormers, maar 
keizer Leo en zijn opvolger Constantijn Copronymus 
voerden hun besluit met geweld door. De monniken, 
die zich het krachtigst verzetten, werden gruwzaam 
vervolgd. Eerst keizerin Irene maakte een eind aan 
de vervolging, en de overwinning werd bekroond 
door de detinitie van het tweede Concilie van Nieea 
(787), dat de beeldenvereering goedkeurde en aanbeval. 
Opnieuw woedde de vervolging onder Leo V den 
Armeniër (813 — 830) en zijn opvolgers, totdat er in 
842 onder keizerin Theodora voor goed een eind aan 
kwam. 

2° In het Westen. De b. van keizer 
Leo III en zijn opvolgers was niet naar het W. over- 
geslagen. Maar de besluiten van Nicea (787) waren 
in zoo’n onjuiste Latijnsche vertaling aldaar bekend 


geworden, dat men weigerde, het Concilie te erkennen. 
Karei de Groote liet het protest tegen Nicea door 
zijn theologen opnemen in de Libri Carolini en ook 
officieel afkondigen op de synode van Frankfurt 
(794). Ten onrechte werd verklaard, dat de beelden 
of voorstellingen uitsluitend tot doel mochten 
hebben versiering der kerken en beleering der geloo- 
vigen. De stemming tegen de beeldenvereering werd 
nog scherper onder Lodewijk den Vromen. Maar 
tegenover bestrijders als Claudius van Turijn en Ago- 
bard van Lyon stonden verdedigers op als Jonas van 
Orleans en Dungal van St. Denis en de b. hield 
weldra voor goed op, nadat Anastasius Bibliothecarius 
een juiste vertaling der besluiten van Nicea had 
gepubliceerd. Voor de b. in de Reformatie, Beel- 
denstorm. 

Lit. : Dict. Théol. Cath. (VII 1922, 577-590; 
774-783) ; Lexikon f. Theol. u. Kirche (II 1931, 346 vlg.). 

Frans es. 

Beeldenvereering. T. Christelijk. 

B. is godsdienstige vereering der beelden van God, 
Christus, de heiligen. In het O. T. verboden (Ex. 20. 4; 
Lev. 26. 1). Het N. T. zwijgt erover. De Kath. geloofs- 
leer stelt de geoorloofdheid en het nut der beelden- 
vereering vast (Conc. van Nicea II Denz. 30? vlg.; 
Conc. van Trente, Denz. 984 vlg.). Het Conc. van 
Nicea beroept zich op de traditie. De b. is een 
relatieve vereering, geen absolute; d.i. het beeld 
wordt niet vereerd om zichzelf, om eigen aard en 
qualiteiten, maar alleen als voorstellende een ver- 
eerenswaardige persoon. Het motief der vereering is 
niet de vereerenswaardigheid van de zaak, die beeld 
is, maar van den persoon, die is uitgebeeld. Het 
Conc. van Trente stelt vast (Denz. 986): „In het beeld 
zelf ligt geen kracht, waarom het is te vereeren. . . . 
de eer, die aan de beelden wordt gebracht, gaat tot 
het prototype, dat wordt uitgebeeld, zoodat wij door 
de beelden, die wij kussen en voor welke wij het hoofd 
qntblooten en knielen, Christus aanbidden, en de 
heiligen, wier afbeeldsel ze zijn, vereeren.” De b. 
is dus dogmatisch verantwoord en de gelijkstelling 
van b. met afgoderij volstrekt ongegrond, liet verbod 
in het O. T. werd den Joden gegeven om het gevaar 
voor afgoderij, uit de heidensche omgeving en de 
neiging der Joden zelf voortkomend, te ontgaan. 
Een beeld is vereerenswaardig om de vereerenswaar- 
digheid van den uitgebeelden persoon en niet om de 
kerkelijke wijding van het beeld. Hierdoor wordt het 
beeld aan profaan gebruik onttrokken en voor den 
eeredienst bestemd. 

Lit.: It. Beissel, Verehrung dor Heiligen usw. 
1890-1892). Kreling. 

Geschiedenis. Voor de eerste eeuwen is het woord 
eigenlijk onjuist en moest men spreken van afbeel- 
dingen. Losse beelden werden destijds nog niet ge- 
maakt (uitgezonderd misschien: de jeugdige Christus 
als Goede Herder en als Leeraar) en het Oosten kent 
nog steeds uitsluitend schilderingen en mozaïeken. 
Wel spreekt reeds Irenaeus (ca. 180) over Chris- 
tusbeelden, maar daar schrijft hij tegen 
> gnostieken, die dergelijke beelden maakten om ze 
dan naast die van Pythagoras, Plato, Aristoteles te 
bekransen en te eeren. Losstaande beelden zonden 
te veel gelijken op de heidensche godenbeelden en daar- 
door tot denzelfden cultus, tot afgoderij, kunnen 
verleiden. Religieuze voorstellingen daarentegen als 
wandschildering, als reliëf op sarcophagen, als mozaïek, 
vindt men reeds in de eerste eeuwen vooral in de 


251 


Beeldenvereering. 


252 


catacomben. Eerst symbolen, bijbelsche figuren en 
tafereelen, weldra ook voorstellingen van Christus, 
Maria, de Apostelen en andere heiligen. Na de ver- 
volgingen nam dit zeer sterk toe in de grootsche kerk- 
gebouwen vooral in het Oosten. Aanwezigheid van 
religieuze voorstellingen beteekent echter nog niet 
per se b. Aanvankelijk was de bedoeling: passende 
versiering der liturgische plaatsen en onderrichting 
der geloovigen. Nog Gregorius de Groote legt ca. 600 
sterk den nadruk op dit dubbele element. Op de 
zijwanden boven de zuilen bracht men bij voorkeur 
dé geschiedenis van Oud en Nieuw Testament in 
beeld, in de concha van de apsis den verheerlijkten 
Christus met de apostelen en de symbolen der Evange- 
listen. In de 4e eeuw worden de eerste getuigenissen 
gevonden van eer aan de beelden bewezen. Gelei- 
delijk nam dit toe naarmate het gevaar voor afgoderij, 
door den ondergang van het heidendom, verminderde. 
In het Oosten droeg tot de verbreiding bij het geloof 
in de zgn. Achiropoïeten, die door geen menschenhand 
gemaakt, maar van den hemel neergedaald zouden zijn. 
Ook in huis had men later beeltenissen (iconen), 
waaraan men eer bewees. Het verbod der synode 
van Elvira (ca. 300) om kerken te beschilderen, en 
protesten van Eusebius van Caesarea en Epiphanius 
hebben de b. niet kunnen tegenhouden en toen zij in 
de 8e en 9e eeuw door de keizers werd bestreden, 
werd zij krachtig verdedigd door kerkelijke 
schrijvers en ten slotte officieel goedgekeurd en aan- 
bevolen door het zevende Alg. Concilie (Nicea 787). 

L i t. : Dict. Theol. Cath. (VII 1922, 766-844) ; Lexi- 
kon für Theol. und K. (II 1931, 348 vlg.). Franses. 

Liturgie. De beeldenvereering, in het bijzonder 
de openbare, wordt door de Kerk gereceld door ver- 
schillende voorschriften en bepalingen, bij welke 
aanstonds het verschil in het oog springt tusschen 
het Oosten en het Westen. Niet slechts w’aren los- 
staande beelden, zooals die in het W. bijna uitsluitend 
in gebruik zijn, in het O. over het geheel slechts 
kort, en dan nog in beperkte mate, in gebmik, en kent 
men er feitelijk slechts: óf geheel vlakke (schilderijen, 
émails) óf vlak-reliëfs (in hout, steen, ivoor), maar de 
vereer ing zelf heeft er een verschillend karakter, 
alhoewel op hetzelfde beginsel berustend, nl. dat de 
eer aan de beeltenis van een persoon bewezen, een 
betrekkelijke is, d.w.z. niet die afbeelding maar den 
persoon zélve geldt. In het O. wordt daarbij aan die 
beelden feitelijk een plaats onder de > Sacramen- 
taliën toegekend, d.i. onder die gewijde voorwerpen 
waarvan het godvruchtig gebmik op zichzelf hcil- 
veroorzakend is; iets wat in het W. minder op den 
voorgrond treedt. Vandaar, dat aan de liturg, wijding 
der beelden ginds meer gewicht wordt gehecht dan 
hier, en het gebmik er van (in het bijzonder het 
private) dat van de relieken in het W. evenaart. 
Hierbij sluit zich aan. dat in het O. de uiterlijke vorm 
strenger is (hiëratisch), en ook nauwer aan traditie 
gebonden. Wel schrijft- ook in het W. de Kerk voor, 
met de tradities niet te breken, maar zij laat overigens 
vrijheid, onder toezicht der bisschoppen. Door nadere 
voorschriften regelt zij zekere punten, als die van 
aureool of stralenkrans, van de stoffen, waaruit 
openbaar te vereeren beelden vervaardigd moeten zijn, 
van hun plaatsing (> Patroonheilige), verder van 
hun omsluiering op zekere tijden, van hun zegening 
(plechtige bisschoppelijke, eenvoudige), van de 
liturgische eerbewijzen (bewierook ing, groet: buiging, 
knieling, enz.), van de plechtige > kroning van 


beelden van Jesus of Maria. Kenschetsend voor de 
vereering der beelden in het O. is, dat er daar op de 
kalenders feesten voorkomen, waarvan beelden het 
voorwerp zijn (Pontificale rom., Caeremoniale episcop., 
Rituale rom., Decreta authentica der Riten -Congr., 
Wetboek van het Kerktiijk Recht). Louwerse. 

1 1 • Buitcn-Christclijk. 

1° P r a e h i s t o r i s c h. Of de godheid in 
het oud-steenen tijdperk in beeld werd voor- 
gesteld en onder beeldvorm vereerd, hangt af van 
de beteekenis, die men aan de steenen vrouwen- 
beeldjes met weelderige lichaamsvormen uit dit 
tijdperk toeschrijft. Moeten ze inderdaad als vrucht- 
baarheidsgod innen verklaard worden, dan moet ook 
de vereering van beelden der godheid tot in dien 
tijd opklimmen. In het nieuw’ - steenen 
tijdperk vindt men in de graven vaak een reliëfbeeld 
van een vrouwelijk wezen, dat hoogst waarschijnlijk 
wel een godin voorstelt, maar op w’elke manier dit 
beeld vereerd werd, is onbekend. In het bronzen 
tijdperk vindt men beeldjes van stieren, die w T aar- 
schijnlijk als amuletten dienst deden, uit hout gesneden 
mannelijke beeldjes, die vruchtbaarheidsgoden voor- 
stelden, de afbeelding van de zon op haar zonnewagen 
uit den Hallstatt-tijd, die waarschijnlijk rondgereden 
w’erd om den weldoenden invloed der zon over de 
streek te verspreiden. Er zijn ook beelden van dieren 
(bison, beer) in deze tijdvakken, die naar veler meening 
cultusobject waren. 

2° Ethnologisch. Kenmerkend voor het 
Hoogste Wezen der oerculturen is de afwezigheid 
van beelden in zijn eeredienst. Een eerste poging om 
het Hoogste Wezen voor te stellen vormen de figuren, 
die, ter gelegenheid der inwijdingsceremonies, in 
schors uitgesneden of op den grond uitgeteekend, 
maar daarna weer vernietigd werden. De gewoonte, 
die later ontstond om de dooden onder vorm van een 
houten beeldje, dat echter niets met een portret van 
den doode te maken had, voor te stellen of den schedel 
met klei aan te vullen en zoo een hoofd te modeleeren, 
verder de voorstelling onder beeldvorm van de stam- 
ouders, van het totemdier op rotswanden, houten 
palen, enz. kunnen tot de ontwikkeling van de beel- 
denvereering hebben bijgedragen. > Fetisjisme; 
> Totemisme ; > Polytheïsme ; > Maskers; > Wa- 
jangpoppen. 

3° Cultuurvolkeren. Meest alle volkeren 
met een hoogere cultuur hebben beelden van hun 
hoogcre wezens. Uitzondering hierop maken de 
oude Litauers, de Joden, de Mohammedanen. (Voor 
de Christenen, zie onder.) De Japanners kennen 
beeldenvereering alleen onder den invloed van het 
Boeddhisme, de Perzen waarschijnlijk alleen onder 
den invloed van Babylon, de Romeinen onder den 
invloed van Griekenland. 

De góden werden meest altijd onder menschelijke 
gedaante uitgebeeld. Goden met vele koppen, armen 
en beenen vindt men in Indië, bijzonder ook in het 
Noordelijk Boeddhisme; góden onder dierlijke gedaante 
in Egypte, gemengde dierlijke en menschelijke vormen 
vooral in Indië en Gallië; góden op een dier staande 
bij de Hethiten en ook in Indië. Verder nog góden 
onder koningsgedaante op Java. Aan die godenbeelden 
werden offers opgedragen en wel vaak in een vorm, 
die laat veronderstellen, dat het beeld op een of andere 
manier geacht werd van het offer te genieten. In 
Egypte w r erd het beeld der godheid spijs en drank 
voorgezet, ’s morgens werd het gew r ekt, gewasschen 


253 


Beeld Gods— Beeldhouwkunst 


254 



Beeldenverering. Zonnewagen van Trundholm. 


en gekleed, ’s avonds weer ter niste gelegd. De meeste 
volkeren kennen ook processies met godsbeelden. 
Vaak ook worden de góden, die niet helpen, getuchtigd. 
Uit dit alles blijkt, dat men het beeld toch als iets 
meer dan als een levenloos ding beschouwde, maar 
daar mag men toch niet uit besluiten, dat de godheid 
met het beeld geïdentificeerd werd. Het is voor ons 
zeer moeilijk de juiste gemoedsgesteltenis der afgoden- 
dienaars te begrijpen. We zouden bijna voor iederen 
odsdienstvorm afzonderlijk moeten kunnen nagaan, 
oe de beeldenvereering er ontstaan is. 

L i t. : C. Clemen, Bilderverehrung, in Die Religion in 
Geschichte und Gegenwart (I, 1098-1102); Images and 
Idols (verschillende auteurs), Encyclopaedie ol Religion 
and Ethica (Vil, 110-160). Belton. 

De identificeering van den god met het beeld is 
noch bij de G r i e k e n, noch bij de Romeinen 
te bewijzen. Sinds de 6e eeuw v. Chr., toen men ook 
menschen ging uitbeelden, werden de godenbeelden 
steeds volmaakter uit een oogpunt van kunst. Rome, 
dat zich aanvankelijk zeer heeft verzet tegen den 
cultus van anthropomorphische beelden (Cato), volgde 
weldra in ieder opzicht het voorbeeld van Griekenland. 
Dat ook hier een beeld ten slotte symbool bleef volgt 
o.a. duidelijk uit den plicht om de keizerbeelden te 
aanbidden, terwijl de keizer elders leefde. Slijpen. 

Beeld Gods. Een beeld van iets is datgene, wat 
als gelijkenis van iets is voortgebracht. Volgens de 
II. Schrift is de mensch als een gelijkenis van God 
door God voortgebracht (Gen. 1. 26; 6. 1 — 3); alleen 
de mensch wordt in onderscheid met de andere aard- 
sche schepselen beeld Gods genoemd, omdat de mensch 
alleen, krachtens zijn geestelijke ziel en qualiteiten, 
op God, den zuiveren Geest, gelijkt. Wijl de mensch 
krachtens zijn geest heerscht over de aarde, ziet de 


H. Schrift in deze heerschappij het beeldschap Gods 
zich uiten (Gen. 1. 26). Beeld Gods te zijn komt den 
mensch dus van nature toe. Maar door de boven- 
natuurlijke verheffing wordt hij als b. G. vervolmaakt. 
Door de genade krijgt hij een bijzondere gelijkenis 
met Gods natuur; door zijn bovennatuurlijke kennis 
van en liefde tot God lijkt hij op den Drieëenen God, 
in Wien krachtens de Goddelijke kennis en liefde 
de Goddelijke personen voortkomen. 

L i t. : Diekamp, Kath. Dogmatik (II, §23); A. Stin- 
ker, Die Gottebenbildlichkeit des Menschen in der 
christlichen Litteratur der ersten zwei Jahrhunderte. 

Kreling . 

Beeldhouwkunst (a e s t h e t i c a) is de 
nabootsende kunst om een geestelijken inhoud in de 
ruimte uit te beelden en wel in drie afmetingen. De 
schilderkunst kan ook het tridimensionale uitbeelden; 
doordat zij dit echter in een vlak doet, stelt zij ons 
slechts den schijn der derde afmeting, de diepte, voor 
oogen (perspectief). De b. gebruikt het geometrisch 
lichaam voor haar gegeven, den meest volkomen 
zinnelijk waarneembaren vorm, die niet enkel op 
’s menschen gezichtsvermogen, doch ook op zijn tast- 
vermogen is aangewezen. Deze plastische vorm is 
ondergeschikt 1° aan den geestelijken inhoud; 2° 
aan de bestemming van het beeldwerk (bijv. aan de 
architectuur gebonden of vrij -staand); zie ook > 
Bouwbeeldhouwkunst ; 3° gedeeltelijk aan het materi- 
aal (graniet eischt andere vormgeving dan bijv. 
brons). Wat het materiaal betreft, bestaat er veeleer 
een wisselwerking, niet ongelijk aan die, welke er is 
tusschen geestelijken inhoud en den vorm: de vorm 
moet in harmonie zijn met den natuurlijken aard van 
het materiaal (hij moet het marmer „bezielen”, doch 
niet den bijzonderen aard van het marmer trachten 
weg te tooveren). Elk beeldhouwwerk zal dus de voor 



255 


Beeldkromming — Beeldschrift 


256 


zijn geestelijken inhoud meest expressieve tridimen- 
sionaliteit moeten bezitten. Deze bepaalt in elk geval 
de mate van streven naar natuurwaarheid bij den na- 
bootsenden kunstenaar. liet is derhalve onjuist te 
denken, dat afwijken van de natuurgetrouwheid per se 
aan de kunstschoonheid van het beeldhouwwerk 
afbreuk doet. „Men kan een groot beeldhouwer zijn, 
zonder zich de juiste uitbeelding der organische sa- 
menstelling van een menschenlichaam tot taak te 
stellen” (Pinder). Ondergeschikt aan den vorm is 
ten slotte de kleur, welke aan het beeld gegeven zal 
worden (> Polychromie). In grove lijnen onderschei- 
den we: 1° het eigenlijke beeld, dat een meer in 
zichzelf besloten leven uitdrukt: standbeeld, portret- 
buste enz.; 2° de groe p, die een zeker naar buiten 
treden van dat leven verbeeldt, altijd binnen het ver- 
band van de groep; 3° het reliëf, een overgangs- 
vorm naar de schilderkunst, waarin zich dan ook meer 
de eischen van deze laatste kunnen doen gelden. 

Lit. : Kuhn, Gesch. der Kunst. Plastik I (1890), 
inleiding; Hildebrand, Das Problera der Form (1897); 
Pinder, Der Begriff des Plastischen in der spatmittel- 
alterlichen Kunst Deutschlands in Die Deutsche 
Plastik vom ausgehenden Mittelalter bis zum Endo der 
Renaissance I [z.j. (1924)]; Hermann Cohen, Aesthetik 
des reinen Gelühls (II z.j., blz. 2 40-308). KniypinQ . 

Technieken der beeldhouwkunst. De beeldhouwer 
begint, evenals de schilder, zijn gedachte op papier 
te schetsen. Zijn gegeven denkt hij zich steeds „en 
relief” en niet gelijk de schilder in het vlak. Zijn 
schets dient hem dan ook uitsluitend om het idee 
vast te leggen, niet de verdere uitvoering daarvan. 
Daartoe gaat hij over tot het „schetsen in klei”, d.w.z. 
het maken van zijn ontwerp in drie dimensies, in 
tegenstelling van zijn schets, waarbij hij zich slechts 
van twee dimensies kan bedienen. Het begrip schets 
houdt in, dat zijn maaksel slechts de opzet, compo- 
sitie, omvang, enz. in hoofdzaak zal behandelen. Zijn 
deze zaken eenmaal naar zijn intenties geregeld, dan 
eerst gaat hij over tot het maken van een model, 
waarin alle details, enz. uitvoerig en zorgvuldig be- 
handeld worden. Van het materiaal, waarin zijn ont- 
werp zal worden uitgevoerd, bezorgt hij zich een blok, 
dat de grootste breedte, diepte en hoogte van zijn 
model in klei zal hebben. Op dit blok worden de ver- 
schillende punten gezet en lijnen getrokken, waarmede 
het model als het ware op alle zijden van het blok 
geprojecteerd is. Ter bepaling van de verschillende 
diepten, welke hij vervolgens moet hakken om het 
beeld te voorschijn te brengen, bedient hij zich van ver- 
schillende passers en meetwerktuigen, die hem de 
juiste diepte kunnen bepalen. Het beitelen in steen 
vereischt groote ervaring, omdat men door een on- 
juiste behandeling bepaalde materialen, bijv. marmer, 
zgn. „dood” kan hakken, d.w.z. den glans verdrijven. 
Het boetseeren geschiedt in den regel in klei, die voor 
dit doel speciaal geprepareerd is. Voor werken van 
grooteren om vang wordt vooraf een geraamte uit hout 
of ijzerdraad vervaardigd, opdat de klei niet uit 
elkaar zal vallen. De beeldhouwer werkt vooral met 
zijn duim en vingers. Voor fijnere details gebruikt 
hij boetseerstiften, houten pennen in verschillende 
vormen en afmetingen. Wordt het boetseeren voor 
eenigen tijd gestaakt, bijv. des avonds, dan wordt 
het boetseerwerk bedekt met vochtige doeken om het 
opdrogen der klei te voorkomen. Is nu de modeleur 
gereed met zijn werk, dan wordt vervolgens het model 
in gips gegoten en verkrijgt men het zgn. > afgietsel. 


Voor fijnere werken met weinig reliëf wordt ook wel, 
in plaats van klei, was gebruikt. Swillens, 

Voor de geschiedenis der b., zie onder de ver- 
schillende landen. 

Becldkroinining (natuurkunde), beeldfout 
(> Afbeelding), hierin bestaande, dat de beeldpunten 
bij een optische afbeelding niet in één plat vlak, maar 
op een gebogen oppervlak liggen. Men heeft, gebruik 
makende van de nieuwere glassoorten van Schott, 
lenzen geconstrueerd, waarbij de b. is opgeheven, 
tegelijkertijd met het astigmatisme. Rekveld. 

Beeldlijn, > Afbeelding. 

Beeldoppervlak, > Afbeelding. 

Beeldpunt, > Afbeelding. 

Beeldschrift staat tegenover > klankschrift. 
In het beeldschrift (ook ideographische teekens of 
pietographie genoemd), een vorm van primitieve 
kunst, werden oorspronkelijk alleen de dingen en 
begrippen, en niet de woorden, door afbeeldingen 
voorgesteld. Het is dus onmiddellijk en voor iedereen 


/ /vwwv = water (n) 4 L _J * huis 

2. CN== \ s slang (d ) «5. J\ » gaan 

3. ^ * mond (P) 6. O « zon Jicht 


Voorbeelden van beeldschrift, ontleend aan de Egyp- 
tische hiëroglyphen. Men teekende dus het beeld om 
het begrip op papier weer te geven. Bij de eerste drie 
voorbeelden ziet men, dat het teeken ook de waarde 
gekregen heelt van een klank, die in het Egyptische 
woord voorkwam. 

verstaanbaar. Later hebben sommige beeldschriften 
zich verder ontwikkeld, als bijv. dat van het Chi- 
neesch, dat woordenschrift werd: aan elk eenletter- 
grepig woord beantwoordt een speciaal teeken; m.a.w. 
hier wordt het heele woord door één teeken weer- 
gegeven. Het b. is figuratief, als het bijv. een man of 
een huis voorstelt door hun graphische afbeelding, of 
symbolisch, als het bijv. een struisvogelveer gebruikt 
om de rechtvaardigheid weer te geven. Het voordeel 
van b. bestaat hierin, dat er geen bepaalde klanken 
als bemiddelaars behoeven op te treden om den ge- 
dachten-inhoud begrijpelijk te maken. Nadeelen 
echter vindt men in het feit, dat het aantal beelden 
veel te gering is voor het onbeperkt aantal voorstel- 
lingen of begrippen, en dat vele van deze moeilijk of 
niet door afbeeldingen kunnen worden weerg geven, 
al bedient men zich nog volop van symbolen. 

Men vindt b. op rotsen, steenen, leder, boomschors, 
enz. Het komt voor in den steen- en bronstijd van 
Europa, bij de Australiërs, de Micronesiërs, de Poly- 
nesiërs, de Eskimo’s en de Indianen van N. en Cen- 
traal -Amerika. Een beroemd Indiaansch beeldschrift 
is bijv. „Walam-Olum” van de Lenape-Indianen. 
Tot het figuratieve schrift kan ook gerekend worden 
het knoopschrift van de Inka’s, den heerschenden 
stam in Peru ten tijde der verovering door de Span- 
jaarden. Het hiëroglyphen- en spijkerschrift is ten 
deele figuratief, ten deele klankschrift. Beide schrift- 
stelsels hebben zich tot gewoon klankschrift ontwik- 
keld. > Alphabet ; > Schrift. 

_^L i t. : Weule, Vom Kerbstock zum Alphabet ; Th. W. 


257 


Beeldspraak — Beelt 


258 


Danzei, Die Anf&nge der Schrift ; H. Jensen, Geschichte 
der Schrift (Hannover 1925) ; Ebert, Reallexikon der 
Vorgeschichte (Berlijn 1927, s.v. Schrift). Weijnen. 

Beeldspraak, spreken in beelden, figuurlijke 
of overdrachtelijke taal. B. ontstaat, wanneer wij den 
indruk, door een ding of gebeurtenis vroeger op ons 
gemaakt, voelen ineenvloeien met een indruk van het 
tegenwoordig oogenblik, en dit uitspreken door woor- 
den, die eigenlijk bij dat vroegere passen, met dit 
tegenwoordige te verbinden. Dat ineenvloeien steunt 
op de gelijkenis, die werkelijk of althans voor ons 
gevoel bestaat tusschen het vroegere en huidige; 
gewoonlijk gaan uiterlijke, objectieve gelijkenis en 
subjectieve indruksgelijkenis tezamen. De reden 
van b. is behoefte: b. wordt uit nood geboren; men wil 
zijn eigen indruk bij een ander wekken en kan het niet 
anders dan door te herinneren aan een vroegeren in- 
druk, ook den ander in den geest. Soorten: 
men onderscheidt gevoels-, verstands- en verbeel- 
dingsbeeldspraak, naar gelang de overeenkomst of 
het verband van beeld en verbeelde door het gemoed 
gevoeld, door het verstand begrepen, door de phan- 
tasie gezien wordt. Eigenschappen: b. 

moet zuiver zijn, d.i. geheel beantwoorden aan gevoel, 
verstand, verbeelding, al naar de soort. Een b. kan 
onzuiver zijn voor het verstand en toch zuiver voor 
het gevoel; b. moet oorspronkelijk zijn, minstens 
nieuw van voorstelling; versleten b. (> Cliché) is 
immers niet in staat den gewenschten indruk van 
vroeger bij een ander wakker te roepen; b. moet ook 
edel zijn: een beeld kan op zich of in bepaalde omgeving 
grof of belachelijk wezen. 

L i t. : P. Zeegers, De theorie der beeldspraak (Studiën, 
LXX vgl.) ; G. Gezelle, Loquela ; Weinel, Die Bilder- 
8prache Jesu (1900) ; A. Wünsche, Die Bildersprache 
des Alten Testamentes (1906-’07) ; J. v. Ginnoken, 
Het Gevoel in taal en woordkunst (Leuv. Bijdr. X, 
afl. 1-2, 1912) ; H. Padberg, De mooie Taal (1924). 

v. d. Eerenbeemt, 

Beeld-telegraphie, het electrisch overzenden 
van beelden door middel van stroom-impulsies, welke 
analoog zijn aan die van de telegraphie. Vóór 1850 
uitgedacht, heeft ze zich eerst onlangs uitgebreid, 
en wordt nu veel, vooral door nieuwsbladen, gebruikt. 
Zie plaat t/o kolom 161. 

Voornaamste onderdeelen: 

l°de uitzender, waarin het beeld „afgetast” 
en de stroom-impulsies voortgebracht worden; deze 
kan op verschillende princiepen berusten. Vooral 
wordt nu de „photocel” gebruikt. Het op een cylinder 
C vastgemaakte en ronddraaiende beeld (eerst op door- 
schijnende film afgedrukt) wordt door een lichtstraal 
schroefvormig afgetast: naarmate de helderheid van 
het belichte punt grooter of kleiner is, wordt meer of 
minder licht naar de photocel doorgelaten, waardoor 
deze meer of minder stroomt levert. 

2° De ontvanger werkt soms op electro- 
chemische wijze (invloed van een stroom op een met 
jodium en stijfsel bestreken papier), nu echter meer 
electrisch. De aankomende stroom-impulsies worden 
gestuurd in een oscillograaf O, waarvan de trildraad 
min of meer het van L aankomende licht afspert. De 
zoo gemoduleerde lichtstraal wordt dan geconcen- 
treerd op een photographisch papier P, dat ook een 
schroefvormige beweging heeft. De uitslag is een lijn, 
waarvan de breedte met de hevigheid der stroom- 
impulsies verandert (zie fig. 1). Ook gebruikt men de 
Kerr-cel (in 1926 door Karolus uitgedacht), welke 
berust op het Kerr-effect. De stroom-impulsies wor- 


den versterkt en aangelegd aan een condensator, waarin 
zich nitrobenzol bevindt. Deze wordt daardoor meer 
of minder dubbelbrekend, en zal dus een gepolariseer- 



Beeldtelegraphie. Boven : schema van uitzender. 
Onder : schema van ontvanger. 


den lichtstraal in veranderlijke mate tegenhouden 
volgens de hevigheid der stroom-impulsies. De uit- 
slag is in dit geval een lijn met constante breedte, maar 
veranderlijke intensiteit (zie fig. 2). 

De goede overzending der beelden vereischt een vol- 
komen synchronisatie van uitzender en ontvanger. 
Dit wordt dikwijls verkregen door middel van een 
phonisch rad (insgelijks gebruikt voor de synchroni- 
satie van televisie -toestellen). 

L i t. : H. E. Ives, Picture transmission over telephone 
line8 (Bell System Technical Journal 1925, 187). Gillon. 

Beelen, Jan Theodoor, Nederlandsch 
Kath. biblist en Oriëntalist; * 12 Jan. 1807 te Am- 
sterdam, f 31 Maart 1834 te Leuven. Benoemd in 
1833 tot prof. van de H. Schrift aan het Groot-Semi- 
narie van Luik, in 1836 tot prof. aan de na de Fransche 
revolutie heropgerichte Leuvensche Universiteit, 
waar B. het initiatief nam tot een vernieuwde studie 
van de Oud- en Nieuw-Testamentische exegese en van 
de Oostersche talen. Zijn meest verspreide publicatie 
is zijn gecommentarieerde Nederlandsche vertaling 
van het Nieuwe Testament (Het N.T.O.H.J.C. volgens 
den Lat. tekst der Vuig. in het Nederduitsch vertaald 
en in doorloopende aanteekeningen uitgelegd, 3 dln. 
Leuven 1859 — 1869), en van enkele boeken van het 
O.T., daarbij inbegrepen een verdienstelijke commen- 
taar op de Psalmen (Leuven 1878). Sedert 1926 ver- 
schijnt bij K. Beyaert, Brugge, een nieuwe bijgewerkte 
uitgave van Beelcn. Het O. en N.T. vroeger bewerkt 
door mgr. Beelen, hoogl. te Leuven, en andere mede- 
werkers; opnieuw bewerkt door Camerlijnck, Ceup- 
pens O.P., Dignant, Keulers, Roelands S.J., Rijck- 
mans, Van der Heeren, van Grinsven. Als een der 
eersten onder de Katholieken stelde hij een Gram- 
matica samen van het Nieuw-Testamentisch Grieksch 
(Leuven 1857). Als exegeet trachtte B. vooral den 
letterlijken zin van de H. Schrift vast te stellen, en 
sprak zich uit tegen de pluraliteit van den letterlijken 
schriftuurzin. 

L i t. : J. Coppens, Ephem. Theol. Lov. (1932, 609- 
611) ; G. Rijckmans, ib. (688-690). Brans, 

Beelmeon, > Baalmaon. 

Beelt, C o r n e 1 i s, schilder, werkzaam te 
Haarlem in de 2e helft van de 17e eeuw; er is weinig 
van zijn leven bekend. Eenige musea (o.a. te Haarlem) 
bezitten schilderijen van hem (strandgezichten en 
landschappen), die niet onverdienstelijk zijn en aan 
Iz. van Ostade en Claes Molenaer herinneren. 

L i t. : v. Wurzbach, Niederl. Künstlerlex. 

Schretlen. 


IV. 9 


259 


Beëlzebub — Been 


260 


Beëlzebub, 1° (Baalzebub) naam van een in de 
Filistijnsche stad Accaron vereerde godheid (4 Reg. 
1.2.6. 1G). Deze naam beteekent „heer der vliegen” en 
werd waarschijnlijk aan den god gegeven, omdat hij 
volgens de opvatting der Filistijnen de vliegenplaag 
over het land bracht en het daarvan kon verlossen. 
Zoo vereerden de Grieken Zeus als vliegenafweerder. 
Als orakelgod werd B. o.a. door koning Ochozias ge- 
raadpleegd (4 Reg. 1.2). 

2° Benaming van den vorst der duivelen in den 
Vulgatatekst van het N.T. (Mt. 12.24; Mc. 3.22; 
Lc. 11.16). In het Grieksch vindt men telkens Beëlze- 
bub wat de juiste lezing is. Dit woord wordt verklaard 
als „heer van den mest”, omdat de afgodendienst in 
de latere Joodsche literatuur met sibul (mest) aange- 
duid werd. Anderen vatten het op als „heer der wo- 
ning”, d.w.z. van het verblijf der booze geesten; 
Mt. 10.26 schijnt op die beteekenis te zinspelen. 

Keulers. 

Beemd, drassig land, dat gew'oonlijk of reeds bij 
een waterstand, die eenigszins boven den normalen 
is, onder water staat. 

Beemdcliampignon, > Weidechampignon. 

Beemdgras, grassoort, welke vroeg, smakelijk 
en voedzaam is. Men onderscheidt: v e 1 d - b. (Poa 
pratensis) en r u w - b. 
(Poa trivialis) ; het eerste 
groeit vooral op hoogen 
zandgrond, het tweede op 
klei, veen en lagen zand- 
grond. 

Beeindlangbloem 

(Festuoa praten* 
s i s), goede grassoort, 
w r elke lang doorgroeit en 
voedzaam is. 

Beemdooievaars- 
bek (Geranium pra- 
ten s e), familie der 
ooievaarsbekken (Gerania- 
ceae). Grootbloemige, over- 
jarige plant. Groeit op 
beschaduwde vochtige 
plaatsen. Heeft insecten- 
bestuiving. 

Bceindvosscslaart 

(A 1 o p e c u r u s pra- 
tens i 8), grassoort met 
lange groeiperiode en 
groote hooiopbrengst. 
Groeit het meest op lage 
veen weiden. 

Becmster, droogma- 
kerij en gem. in de prov 
N.H., ten N. van Purme- 
rend; opp. 7 098 ha; één 
groot dorp: Midden -Beem- 
ster, verder landelijke be- 
bouwing. Op 1 Jan. 1932: 
6 212 inw. De Kath. (1/6 
der bevolking) behooren 
grootendeels tot de parochie 
B., enkelen tot Purmerend en Schermerhorn. Na de 
Haarlemmermeer is de B. de grootste droogmakerij 
van N.H., onder leiding van Leegwater drooggelegd 
van 1607—1612; het werk werd gefinancierd door 
Amsterdamsche en Haagsche kooplieden. Op de oude 
zeeklei worden veeteelt, land- en tuinbouw uitgeoe- 


feDd; industrie ontbreekt vrijwel. De tramlijn Pur- 
merend — Alkmaar gaat door de B. van der Meer . 

Been, 1° (lidmaat), noemt men de achterste 
ledematen van den mensch. Het bestaat uit het 
bovenbeen, het gedeelte van bekkengordel tot knie, 
het onderbeen vanaf knie tot enkel en uit den voet. 
> Skelet. Voor menschelijke anatomie. -»* Ledematen. 

2° Been of bot is de meest harde en vaste vorm 
van steun weefsel, waaruit het geraamte der gewervelde 
dieren, met uitzondering van de haaiachtigen en rond- 
bekken, hoofdzakelijk is opgebouw T d. > Beenderen. 

Samenstelling. Men kan in b. een organi- 
sche en een anorganische substantie onderscheiden. 
De organische of grondsubstantie (osseïnc) vormt 
een onverkalkt, lijmgevend weefsel, opgebouw T d uit 
tot bundels gerangschikte, uiterst fijne fibrillen, 
waarin stervormig vertakte beencellen of been vormers 
(osteob lasten), door fijne protoplasma -uitloopers 
onderling samenhangend, liggen ingebed. De anorga- 
nische substantie (beenderaarde) is een mengsel van 
phosphorzure en koolzure kalk met gennge hoeveel- 
heden phosphorzure magnesia en fluorcalciura. De 
organische substantie geeft aan b. elasticiteit, de 
anorganische hardheid. Procentsgewijze wordt 36% 
organische substantie, 66% phosphorzure kalk, 8% 
koolzure kalk, 1% phosphorzure magnesia en in het 
email der tanden 1% fluorcalcium aangetroffen. 
Deze samenstelling is echter zeer wisselend en ver- 
andert sterk, o.a. naar leeftijd. In de jeugd bevat b. 
meer organische substantie en is dientengevolge meer 
elastisch, geneest gemakkelijker bij beenbreuken; 
op ouderen leeftijd bezit b. meer anorganische sub- 
stantie, is dan harder doch minder buigzaam en 
geneest moeilijker. Ook de meer naar buiten gelegen 
compacte massa van b. (compacta) bevat meer anor- 
ganische substantie dan de meer naar binnen gelegen 
spongieuze massa (spongiosa). Wordt b. in verdund 
zoutzuur gelegd, dan worden de kalkzouten opgelost 
en blijft alleen de organische substantie over, die nu 
zeer buigzaam en gemakkelijk te snijden is. Bij gloeien 
wordt b. eerst zwart, daarna krijtwit, waarbij alleen 
de anorganische substantie overblijft, die broos doch 
zeer hard is; ook na langdurig koken verdwijnt de 
organische substantie. Na elk dezer behandelingen 
blijft b. zijn vorm behouden. 

Ontstaanswijze en groei. De grondvorm, 
waarin b. wordt gevormd, is door bindweefsel of 
kraakbeen gepraeformeerd. In het eerste geval hoopen 
zich in het embryonale weefsel beencellen op, die 
tusschen zich de grondsubstantie afscheiden, waarin 
later de kalkzouten worden afgezet. Naar gelang het 
verbeen ingsproces (ossificatieproces) vordert, komen 
de beencellen als plasma-eenheden, onderling door 
fijne uitloopers verbonden, in de grondsubstantie te 
liggen. Deze bind weef sel verbeen ing treft men o.a. 
aan in de dekbeenderen van den schedel. In geval 
een reeds embryonaal aangelegd kraakbeen ig skelet- 
stuk door b. wordt vervangen, moet men onderscheid 
maken tusschen perichondrale en enchondrale been- 
vorming. Bij perichondrale beenvorming w r ordt 
vanuit het perichondrium (een het kraakbeen omge- 
vende min of meer verdichte bindw'eefsellaag) buiten 
op het kraakbeenmodel een beenmantel gevormd. Bij 
enchondrale beenvorming woekeren van de 
oppervlakte bloedvaatjes het kraakbeen binnen, 
die beencellen meevoeren. Deze beencellen worden 
in concentrische lagen om de bloedvaatjes gerang- 
schikt en zetten nu de beenlamellen af. Door steeds 



Veldbeemdgras. 


261 


Been 


262 


verder voortwoekeren der bloedvaatjes wordt ten 
slotte het geheele kraakbeen geresorbeerd en door 
been of beenmerg vervangen. Ook kandoor binnen- 
drineende bloedvaatjes beenvormend materiaal naar 
een centraal punt van het kraakbeen worden vervoerd. 
De verbeening gaat dan uit van dit centrum (ossificatie- 
centrum) en schrijdt van hier onder oplossing van het 
kraakbeen naar de oppervlakte voort. Ook in deze 
gevallen zijn het de osteoblasten, die tusschen zich 
de grondsubstantie (osseïno) afscheiden, waarin 
later de kalkzouten optreden. 

Peiichondrale en cnchondrale beenvorming kunnen 
in hetzelfde kraakbeenmodel plaats grijpen. Bij lange 
skeletstukken begint de beenvorming perichondraal, 
doordat om het middenstuk (diaphyse) vanuit het 
perichondrium een beenen mantel wordt afgezet, 
die het middenstuk als een manchet omgeeft. De uit- 
einden (epiphysen) van het kraakbeenmodel blijven 
voor loop ig nog kraakbeenig en steken buiten de 
manchet der beenige diaphyse uit. In de dikte neemt 
nu de beenmantel toe, doordat steeds nieuwe lagen 
tegen dc oppervlakte worden afgezet (appositioneele 
groei). Binnenin wordt door binnendringende bloed- 
vaten en vooral door bijzondere cellen ^beeneters of 
osteoklasten) het kraakbeen geresorbeerd. Naarmate 
dit in de richting der epiphysen voortschrijdt, begint 
ook de enchondrale beenafzetting (de spongiosa), 
waarin uitspringende balken der kraakbeenige epi- 
physen blijven bestaan en daardoor een vaste verbin- 
ding houden met de diaphyse. In de lengterichting 
groeit de beenmantel der diaphyse uit, doordat de 
epiphysen, die nog steeds onder uitzetting hunner 
kraakbeenige grondmassa in dikte, vooral echter in 
lengte uitgroeien (interstitieele groei), steeds hooeer 
door de nieuw afgezette beenlagen der diaphyse 
worden omvat. Binnenin w T ordt door verdere afbraak 
van het nog aanwezige kraakbeen en gedeeltelijk ook 
van het enchondraal gevormd been de mergholte 
gevormd. Van den anderen kant echter wordt, naar- 
mate het been in de lengte groeit, binnenin in de 
richting der steeds verder uitschuivende epiphysen 
nieuw enchondraal been gevormd. Opbouw van buiten, 
afbraak van binnen houden ten slotte gelijken tred. 
Ook in de kraakbeenige epiph) T sen begint eindelijk 
de beenvorming en wel van een centraal gelegen 
enchondraal beenweefsel, dat van hier zich onder 
oplossing van het kraakbeen naar de oppervlakte 
uitbreidt en met de nu ook hier begonnen perichon- 
drale beenvorming het ossificatieproces voltooit. 
Op de gcwrichtsvlakken blijft echter een kraakbeen- 
kapsel behouden. Ook tusschen epiphysen en diaphyse 
blijft, zoolang het beenstuk nog niet zijn definitieve 
lengte heeft bereikt, een kraakbeenschijf bestaan, 
die er voor zorgt, dat nog steeds groei in de lengte kan 
plaats hebben. Eerst dan, wanneer de volwassen toe- 
stand intreedt (bij den mensch op ca. 20-jarigen leef- 
tijd), verdwijnt deze laatste rest van het kraakbeen- 
model. Verbeening van korte skeletstukken zooals 
wervels, hand- en voetwartelbeentjes geschiedt 
enchondraal en verloopt meestal op dezelfde wijze als 
de verbeening der epiphysen der lange beenderen. 

Anatomie. Wordt een beenstuk dwars door- 
gesneden, dan treft men op de sneevlakte de volgende 
onderdeden aan. Naar buiten ligt om het been het 
•> beenvlies (periost) als een noodzakelijke bescher- 
ming van het daaronder liggende been, daar dit 
onbedekt te gronde gaat. Op het beenvlies volgt de 
harde beenmassa, waaraan te onderscheiden valt 


de naar buiten gelegen schorslaag of compacta en de 
naar binnen gelegen spongiosa. In de compacta vindt 
men talrijke openingen (0,08—0,12 mm middellijn), 



Beenweefsel. a *= becnliolte, b = binnenwand, e — been- 
cellen, d = kanaal van Havers, e = buitenwand. 


die in lengterichting kanalen (kanalen van Havers) 
vonnen en die onderling door dwarsverbindingen 
(Volkmannschc kanalen) samenhangen. Om deze 
kanalen vindt men de beenlamellen (Ilaversche 
lamellen) in concentrische lagen gerangschikt, waarin 
eveneens concentrisch geordend de beencellen met 
hun fijne uitloopers liggen ingebed. De Ilaversche 
kanalen dienen tot opname van zenuwen en bloed- 
vaten, die vanuit het beenvlies of als vertakkingen 
van in de buurt liggende groote zenuwen en bloedvaten 
binnendringen. Naar buiten openen de Haversche 
kanalen in het beenvlies, naar binnen in het been- 
merg. Op de compacta volgt de enchondraal aan- 
gelegde spongiosa, bestaande uit een systeem van 
kanalen en holten, opgevuld met merg, en omgeven 
door uit beenweefsel opgebouwde wanden. Het geheel 
vertoont een sponsachtigen bouw. De balkjes en dwars- 
balkjes zijn echter zoo gerangschikt, dat bij aan- 
wending van de geringste hoeveelheid materiaal de 
grootste steunkracht wordt verkregen. Bij de pijp- 
beenderen heeft deze spongiosa grootendeels plaats 
gemaakt voor de centrale mergholte. Korte beenderen 
bestaan hoofdzakelijk uit spongiosa, terwijl de com- 
pacta niet of bijna niet ontwikkeld is. Het beenmerg, 
dat in kanalen en holten wordt aangetrolfen, is aan- 
vankelijk zeer bloedrijk (rood beenmerg): later wordt 
hierin (vooral in de groote holten der pijpbeenderen) 
veel vet afgezet en krijgt het merg een gele kleur (geel 
beenmerg). De roode bloedlichaampjes vinden hun 
ontstaan in het roode beenmerg. 

Technische verwerking. Been wordt 
tot velerlei voorwerpen, als knoopen, knoppen, mes- 
heften, pijpenroeren, toetsen van pianoborden, enz., 
verwerkt. De beenderaarde wordt tot beendermeel 
vermalen en wordt dan als meststof gebruikt. Als 


263 


Beenbeweging — Beenderen 


264 


bijproduct wordt bij de beendermeelfabricatie uit 
b. lijm gewonnen. Ook weet men door uitkoken het 
vet te extraheeren, dat o.a. als grondstof bij de zeep- 
fabricage dient. Willems . 

3° In de meetkunde, > Hoek; Driehoek; 
Trapezium. 

Beenbeweging, de beweging der beenen, het 
voetwerk genaamd, één der belangrijkste onderdeden 
der bokssport. De b. speelt een aanzienlijke rol zoowel 
bij aanval als bij verdediging. De voornaamste b. 
zijn achter- en voorwaartsche passen, en zijwaartsche 
sprongen achterwaarts, uitvallen voor- en schuin - 
voorwaarts. 

Beenbrand, heftige ontsteking van een beenstuk, 
tot gevolg hebbende, dat een deel van het aangedane 
bot af sterft. Dit afgestorven beenstuk komt na ver- 
loop van enkele weken tot maanden los te liggen. 
Zoo ’n losliggend dood beenstuk wordt sequester 
genoemd. Het proces gaat met ettering gepaard, waar- 
door > fistels ontstaan. v. Haeff. 

Beenbreek, Narthecium ossifra- 
g u m, familie der lelieachtigen (Liliaceae), zoo ge- 
noemd, omdat het 
vee door het eten 
van deze planten 
broze beenderen zou 
krijgen. Zwak ver- 
giftig en komt alge- 
meen voor op moe- 
rassige hei- en veen- 
streken. 

Beenbreker, 

> Zeearend. 

Beenbreuk 
(Fractura ossium), 
opheffing van den 
normalen samen- 
hang van de beenige 
lichaamsdeelen, in 
den regel veroor- 
zaakt door geweld 
(traumatische frac- 
tuur), soms ook zon- 
der aantoonbaar 
geweld bij verande- 
ringen in de been- 
structuur (spontane 
of pathologische fractuur), zooals voorkomt bij gezwel - 
vorming, ontsteking of voedingsstoornis in het been. 
De samenhang kan geheel zijn opgeheven (Fractura 
completa) of slechts ten deele, zoodat de beenstukken 
niet geheel los van elkaar zijn (Fractura incompleta). 
Naar de wijze van breken onderscheidt men: b. door 
afscheuring, door buiging, door afdraaiing, door 
indrukking, door verbrijzeling. Het been kan breken 
op de plaats van het inwerkend geweld (directe frac- 
tuur) of op een afstand daarvan (indirecte fractuur). 

Verschijnselen: 1° plaatselijke zwelling 

door bloeduitstorting, omdat steeds bloedvaten mede 
verwond worden; 2° plaatselijke drukpijnlijkheid ; 
3° plaatselijke misvorming; 4° abnormale stand; 
deze ontstaat direct door het inwerkend geweld, door 
de zwaartekracht en door de reflectorisch optredende 
spiertrekkingen ; 6° abnormale beweeglijkheid; 6° het 
voel- en hoorbaar wrijven der beenstukken over elkaar 
(crepitatie); 7° onbruikbaarheid van het gewonde 
lichaamsdeel. Als complicaties kunnen optreden 
verlamming door verwonding van zenuwen, verwon- 


ding der huid (Fractura complicata), waarbij geheel 
nieuwe gevaren optreden door de kans op infectie. 

Verloop. Vanuit de wondvlakten wordt nieuw 
granulatieweefsel gevormd, overgaande in bind- 
weefsel, dat de breukstukken omhult. Meestal wordt 
in het beenweefsel na een aantal weken nieuw been 
gevormd (beenweer of callus). Geschiedt dit zeer laat, 
dan spreekt men van vertraagde callusvorming; wordt 
de breuk niet meer vast, dan spreekt men van pseud- 
arthrose. 

Behandeling. De eerste behandeling tracht 
met een noodverband (spalken) de beenstukken zoo 
te fixeeren, dat verdere complicaties of verschui- 
vingen der breukstukken bij het transport voorkomen 
worden. Bij de eigenlijke behandeling is het beginsel 
om de callus te laten groeien bij goeden stand der 
breukstukken. Daartoe moeten de breukstukken in 
den goeden stand gebracht worden (gezet, gerepo- 
neerd), al of niet onder verdooving in één zitting of door 
langzame rekking in een > rekverband. De goede 
stand wordt onderhouden door een fixeerend verband 
(spalkverband, gipsverband) of in een rekverband. 
Gelukt de repositie niet langs dezen weg, dan wordt 
operatie noodig, evenals bij pseudarthrose en verlam- 
mingen. 

Bij gecompliceerde fractuur is de eerste zorg voor- 
komen en bestrijden der infectie. Krekel. 

Beencellen, > Been. 

Beenderasch , beenderaarde, ontstaat 
door verhitting van beenderen van zoogdieren onder 
toetreding van lucht. De aldus overblijvende massa 
bevat ongeveer 85% calciumphosphaat, 12% cal- 
ciumcarbonaat, 1% magnesium carbonaat, en 1 tot 
2% calciumfluoride. De toepassing bestaat in het 
gebruik als kunstmeststof, in de glasindustrie voor 
het maken van melkglas. Ook in de emailbereiding 
wordt het gebruikt (als vertroebelingsstof). Vroeger 
diende het ook voor de bereiding van phosphorus. 

v. d. Beek. 

Beenderbreccle, gesteentelagen, bijna geheel 
opgebouwd uit beenderfragmenten van fossiele ge- 
wervelde dieren. Beenderbreccies zijn o.a. bekend uit 
het Rhétien (Juraformatie). 

Beenderen worden de harde, uit beenweefsel 
opgebouwde deelen van het geraamte der gewervelde 
dieren genoemd. Dikwijls maakt men de volgende 
onderscheiding: 1° lange of pijpbeende- 
r e n met meest sterk ontwikkelde compacta en 
sterk gereduceerde spongiosa, waarvoor een centrale 
mergholte in de plaats treedt. Hiertoe behooren de 
lange beenderen der ledematen. 2° Platte been- 
deren, die meestal dienen om een holte te omslui- 
ten en de daarin liggende organen te beschermen. 
Zij bestaan uit twee platen compact beenweefsel, 
waartusschen zich een dunne laag spongiosa, opgevuld 
met merg en vele bloedvaten, uitbreidt. Hun groei 
geschiedt meestal in de vlakke afmeting van de randen 
uit en in de dikte vanuit een centraal punt. Men 
rekent hiertoe de beenderen der schedelholte, van het 
bekken, het schouderblad en de ribben. 3° Korte 
beenderen, die in alle dimensies gelijk ontwik- 
keld zijn. Het beenweefsel bestaat hoofdzakelijk uit 
spongiosa met gering ontwikkelde schorslaag, zoodat 
een werkelijke compacta ontbreekt. Hiertoe behooren 
de beentjes van den hand- en voetwortel en wervels. 
4° Sesambeenderen, aldus genoemd, omdat 
hun vorm op een sesamzaad gelijkt. Zij ontstaan door 
verbeening van een band- of peesgedeelte, zooals de 



265 


Beenderentuberculose — Beenstanden 


266 


knieschijf, het achtste handwortelbeentje en de twee 
beentjes naast den grooten teen. 

Naar hun ontstaan kan men de beenderen ver- 
deden in dekbeenderen (ossa investientia of allostosen), 
wanneer zij in bindweefsel ontstaan, en vervangings- 
beenderen (ossa substituentia of autososen), wanneer 
zij in kraakbeen ontstaan en dit geheel of gedeeltelijk 
verdringen. > Been (2°). Willem . 

Beenderentuberculose, beter nog g e - 
wrichtstuberculose, omdat de tuberculose 
van been, zonder dat een naburig gewricht tevens 
aangedaan is, zeldzaam voorkomt. Dit komt, doordat 
de tuberculose zich bij voorkeur ontwikkelt in been- 
weefsel, dat vlak bij een gewricht is gelegen, zoodat 
spoedig tevens het zieke gewricht geheel aan de tuber- 
culose ten offer valt, waardoor het stijf en pijnlijk 
wordt. De genezing vergt vooral bij volwassenen veel 
tijd, in sommige gevallen zelfs tien of meer jaren. 
Behalve de stijfheid van het gewricht kan de tuber- 
culose ook tot gevolg hebben, dat op den duur een 
min of meer sterke verminking ontstaat. Bij de ern- 
stigste vormen van b. en gewrichtstuberculose kan de 
lijder te gronde gaan; dit is echter zeldzaam. Voor 
de behandeling zijn vele maatregelen aangewezen. Zee- 
en bergklimaat hebben een gunstigen invloed, alsmede 
een bepaald vitaminerijk voedsel; ook de plaatselijke 
behandeling met doelmatige verbanden, bestralingen, 
eventueel operatieve maatregelen kunnen de genezing 
bespoedigen. v . Eaeff. 

B eender kool (Spodium) of beenzwart. Door 
verhitting van beenderen van zoogdieren buiten toe- 
treding van lucht ontstaat een product, dat voor 
6 tot 12% uit koolstof bestaat en verder uit calcium- 
phosphaat (80%), calciumcarbonaat (8%), calcium- 
sulfaat, alkalizouten, een weinig ijzeroxyde en wat 
gebonden stikstof. 

Bereiding. De beenderen worden in verticaal 
staande gesloten ijzeren (ook wel chamotten) retorten 
verhit door de verbrandingsgassen van een ernaast 
gestookt vuur. De gevormde b. valt omlaag in een 
ruimte, waar ze wordt gekoeld, en vandaaruit verder 
getransporteerd. 

Toepassing. De groote toepassing van b. 
is het ontkleuringsvermogen, w T aarvan men o.a. ge- 
bruik maakt in de suikerraffinaderijen en de olie- 
industrie. Dikwijls wordt het te ontkleuren materiaal 
over b. gefiltreerd, zoo bijv. oplossingen van ruwe 
suiker. Bij een temp. van 60° gaat dit het beste. 
Ook drinkwater wordt vaak over b. gefiltreerd. In 
de geneeskunde vindt b. toepassing als absorptie- 
middel voor vergiften. In het laboratorium en in de 
pharmaceutische industrie dient b. veel voor het 
zuiveren van allerlei producten. Ook de techniek der 
oliën en vetten verbruikt een groote massa van dit 
roduct voor de ontkleuring der ruwe, vaak donker- 
ruin gekleurde producten. 

L i t. : L. Singer, Anorganische und organische Ent- 
f&rbungsmittel (1929). v . d. Beek . 

B. heeft het vroegere lampenzwart, dat meestal 
uit roet was samengesteld, geheel verdrongen, daar 
het zeer constant in gehalte is en dus ook van kleur, 
een eigenschap, die lampenzwart niet bezit, omdat roet 
niet steeds van dezelfde grondstoffen afkomstig is, 
en daardoor somtijds bruin, rood-bruin, geel-bruin, 
blauwachtig en grijs is. Swillens. 

Beenderlijm wordt vervaardigd door bewerking 
van beenderen met stoom. Men ontdoet de gesorteerde 
beenderen van vet en stof, maakt ze in een wals fijn 


tot de grootte van een hazelnoot, wascht ze met koud 
water en laat ze eenige dagen liggen in zwaveldioxyd- 
houdend water, zoodat kleur- en reukgevende bijstoffen 
verdwijnen. In een stoomketel wordt de lijmstof onder 
een druk van l 1 / 2 atmospheer in lijm veranderd. Na 
ongeveer een half uur wordt de stof weer onder nor- 
malen druk gebracht en met kokend water bedekt; 
na 2 uur is er 18% lijm door het water opgelost; nu 
wordt het water afgegoten en de stof nog eenige malen 
beurtelings door stoom en water bewerkt; de ver- 
werking van de dan ontstane stof tot vaste lijm ge- 
schiedt op dezelfde wijze als bij uit leder gemaakte 
lijm. De b. heeft een melkachtige kleur. 

Beendermeel, kunstmeststof; bevat phosphor- 
zuur en stikstof. Wordt weinig gebruikt; werkt alleen 
goed op zure en humusrijke gronden. B. wordt ook 
als voederstof gebruikt. 

Beendervet, door extractie uit beenderen ge- 
wonnen vet voor zeep- en kaarsen industrie; smeervet. 

Beenenscliaats, de oervorm van dc schaats, 
dateerend van ong. 1160, vervaardigd uit dieren- 
beenderen, vooral schenkels van paarden. Zeer sterk 
drogen maakte deze b. ijzerhard. 

Beeneter, een slepende ontsteking van het been- 
weefsel, meestal van tuberculeuzen aard. 

Beeneters of osteoklasten zijn bepaalde groote 
cellen, die door bloed worden meegevoerd naar be- 
paalde plaatsen in been en dit aanvreten en oplossen. 
> Been (2°). 

Beenlistel, > fistel, waarvan de inwendige 
opening uitmondt in een beenholte. Oorzaak meestal 
een > sequester, ontstaan na chronische of acute 
beenmergontsteking of door een vreemd lichaam 
(bijv. projectiel). Behandeling bestaat in verwijdering 
van vreemd lichaam of van sequester, als de ontsteking 
tot rust is gekomen. 

Beenliaak, haakvormig chirurgisch instrument, 
waarmee bij operaties beenstukken aangehaakt en 
gefixeerd of verplaatst kunnen worden. 

Beenhuid, > Beenvlies. 

Beenmergontsteking (Osteomylitis), een op 
jeugdigen leeftijd voorkomende heftige ontsteking van 
het beenmerg, gepaard gaande met hooge koorts en 
veelal hevige pijn. De behandeling eischt meestal een 
operatief ingrijpen, waarbij de ontstoken plaats door 
het wegbeitelen van een stukje beenschors bloot 
gelegd wordt. v. Haeff. 

Bccnnaad is de vereeniging van twee beenstuk- 
ken 1° direct door spijkers, schroeven of draad (metaal, 
kangoeroepees); 2° indirect door spalkjes (van metaal 
of levend of dood been); toegepast bij beenbreuk of 
pseudarthrose. 

Beennecrose, > Beenbrand. 

Beenschuhben, > Schubben. 

Beensclerosc, verdichting van de structuur 
van het beenweefsel. Komt meestal plaatselijk voor 
in aansluiting aan de een of andere ontsteking van het 
beenweefsel. 

Beensplinter (sequester), los beenstuk, dat zijn 
samenhang met de omgeving verloren heeft door 
trauma of ziekteproces (vaak beenmergontsteking). 

Beensplintertang (sequestertang), chirurgisch 
instrument, dat beensplinters onwrikbaar kan vast- 
pakken ter fixatie of verwijdering. 

Beenstanden (veeteelt) zijn bij de ge- 
bruiksbeoordeeling vooral bij het paard van belang. 
In normalen stand moet het paard vierkant staan, 
zóó dat voor- en achterbeenen en van terzijde gezien 


267 


Beentang — Beer 


268 


linker- en rechterbeen elkaar dekken. De voornaamste 
afwijkingen in voor- en achterbeenen zijn: bodemwijd 
en bodemnauw; O en X beenen; Fransohe- en toon- 
tredersstand ; gestrekte stand; onderstand igheid; steile 
kogels; weeke kogels; beervoet igheid; terwijl nog bij 
de voorbeenen kunnen voorkomen: bokbeenigheid en 
holle knieën. Verhey. 

Boen tang, chirurgisch instrument, tangvormig 
ebouwd in verschillende maten, om bij operaties 
eenstukken te kunnen fixeeren en bewegen. 

Becntje-over rijden, een soort van schaatsen- 
rijden, waarbij bij iederen slag het eene been over het 
andere wordt geslingerd en tevens sierlijke figuren in 
het ijs worden gesneden. 

Becntransplantatic, het overbrengen van een 
stuk been op een plaats, waar dit om een of andere 
reden gewenscht wordt. > Albee (operatie van). 

Been verharding, > Beensclerose. 

Bcenvervvceking, > Ostcomalacie. 

Beenvisschen (T e 1 e o s t e i) zijn de meest 
vormrijke orde der visschen. Van de ongeveer 12 000 
bekende vischsoorten behooren er 95% tot de b. Hun 
geraamte is hoofdzakelijk uit been opgebouwd, vooral 
de schedel telt vele beenstukken; de kieuwen zijn 
bedekt door een kieuwdeksel (operculum) ; de huid is 
voorzien van echte schubben en wel uitsluitend rond- 
of kamschubben. Deze schubben zijn hoofdzakelijk 
uit kalk opgebouwd en bedekt door een laagje „gua- 
nine”, een uitscheidingsproduct der huid. Soms zijn 
de schubben microscopisch klein en in de huid ver- 
borgen (aal). 

Fossielen der beenvisschen w T orden reeds in Trias 
gevonden. Willems. 

Beenvlies (periost, < Gr. peri = om, osteon = 
been) is een om het been heenliggend bindweefsel vlies 
en een voor het been zeer gewichtig orgaan. Het bezit 
een rijk bloedvatennet, dat in het kanalensysteem en 
de mergholten van het been doordringt en daar voor 
opbouw en voeding het noodige materiaal aanvoert. 
Onbedekt been sterft dan ook spoedig af, daar het 
van de bestanddeelen, die voor her instandhouden 
noodzakelijk zijn, verstoken blijft. Men kan aan het 
vlies onderscheiden een naar buiten gelegen gedeelte: 
pars fibrosa, bestaande uit elkander kruisende vezelige 
bind weef sellagen, waartusschen de pezen der skelet- 
spieren vastgrijpen, en een naar binnen gelegen ge- 
deelte: pars synovialis of cambiumlaag, met een losser 
en meer cellenrijk weefsel, waarin, zoolang het been 
groeiend is, de osteoblasten worden aangetroffen. 
Waar twee tegen elkander grenzende beenderen een 
gewricht vormen, grijpt het beenvlies van het eene 
been op het andere over en vormt om de gewrichts- 
spleet het gewrichtskapsel of de gewTichtsbeurs. Het 
bindweefsel is hier veel sterker en dikker ontwikkeld 
en scheidt meestal een gele taaie vloeistof af, die als 
gewTichtssmeer dient om de gewrichtsvlakken meer 
glijbaar te maken. > Been. Willems . 

Beenvliesontsteking (Periostitis) komt zelden 
op zichzelf staande voor. Meestal zijn het beenweefsel 
en het beenmerg er tevens bij betrokken. Bij acuut 
verloop is de oorzaak een infectie met etterbacteriën, 
bij chronisch verloop is de tuberkelbacil veelal de 
oorzaak. v. Haeff. 

Bcenvormers, > Been. 

Beenweefsel, > Been. 

Beemveer (> Callus), beenige verbinding, die 
bij > beenbreuk ontstaat tusschen de breukuiteinden. 

Beenzwart, > Beenderkool. 


Beenzweer (Ulcus cruris), weefsel verlies aan de 
oppervlakte van het onderbeen, dat slechts traag of 
in het geheel niet door vorming van nieuwe weefsels 
wordt aangevuld. 

Oorzaak: 1° ontsteking (tuberculose, syphilis); 
2° trauma (bevriezen, verbranden); 3° zenuwstoornis; 
4° voedingsstoornis door slechte bloedverzorging, 
waartoe de meest voorkomende vorm behoort, die in 
den regel optreedt in vereeniging met aderspatten 
(Ulcus varicosum). 

Behandeling: bij alle soorten de zweer in 
zuiveren toestand brengen en houden, daarnaast de 
oorzaak bestrijden; bij het Ulcus varicosum bijv. door 
de bloedsverzorging te verbeteren (hoogleggen van 
been, elastisch verband) en de aderspatten te behan- 
delen. Krekel. 

Beer, 1° > Beerachtigen. 

2° Volwassen mannelijk varken. 

Beer, mest, bestaande uit menschelijke uit- 
werpselen. Het gebruik van b. in de groententeelt is 
niet hygiënisch. 

Beer (bouwk. vakterm), > Steunbeer. 

Beer, Groote, (sterrenkunde) > Ursu major. 

Beer, Kleine, (sterrenkunde) > Ursa minor. 

Beer, 1° Arnold de, geestelijke, * te Ooster- 
wijk. f 1679 als kapelaan aan St. Pieter te Leuven. 
Stichtte een beurs aan het Pauscollege aldaar. 

Lit. : N. Ned. Biogr. Woordb. (VI). 

2° August, natuurkundige, * 1 Aug. 1825 te 
Trier, f 18 Nov. 1863 te Bonn, waar hij sinds 1855 
professor was. Bekend door de naar hem genoemde 
absorptiewet in een medium: twee oplossingen van de 
concentraties Cj en c 2 en de dikten hj en h a laten even- 
veel licht door als <4 hj = c 2 h 2 (1862). J. v. Santen. 

Wet van Beer. Volgens deze w T et is de absorptie- 
coëfficiënt van een oplossing evenredig aan de con- 
centratie der daarin opgeloste absorbeerende stof. 
Dit komt hierop neer, dat, onafhankelijk van de dikte 
der absorbeerende laag, de hoeveelheid geabsorbeerd 
licht alleen afhankelijk is van de hoeveelheid 
absorbeerende stof in die laag. De W. v. B. gaat alleen 
op bij die stoffen, die bij verdunning geen verandering 
(dissociatie, hydrolyse, e.d.) ondergaan. Vooral in 
verdunde oplossingen gaat de W. v. B. goed op, daar 
dan bij verdunning de kans op chemische veranderin- 
gen klein is. Zij vindt practische toepassing in de 
> kolorimetrie. A. Claassen. 

3° F r a n z, bouwmeester uit Vorarlbe/g, * ca. 
16G0, f 1726; één van degenen, die druk het zgn. 
„Vorarlberger Schema” toepasten, waarin naar groote 
soepelheid en zwierigheid in kerkenbouw gestreefd 
werd. 

Voorn, werken: Kloosterkerken van Irsee, 

St. Urban, Rheinau, Weissenau. 

4° J a k o b L i e b m a n n, > Meyerbeer. 

5° Pieter de, Brabantsch priester-dichter der 
17e eeuw. Schreef: Gheestelijcke Rijmkonst (Ant- 
werpen 1667). 

6 ° R i c h a r d, > Beer-Hofmann. 

7° T a c o H a j o de, Ned. letterkundige; 
* 18 Nov. 1838 te Maarseveen, f 1913 te Amsterdam. 
H.B.S.-leeraar te Goes cn later te Amsterdam, redi- 
geerde het maandblad „Noord en Zuid”, schreef eenige 
werkjes van geringe letterkundige waarde, doch 
had beteekenis wegens zijn groote vakkennis. 

Asselbergs. 


Beerachtigen 



1. Bruine beer (Ursus arctos). 2. Grijze beer (Ursus horribilis). 3. IJsbeer (Thalarctos maritimus). jï 


271 


Beerachtigen — Beer-Hofmann 


272 


Beerachtigen , U r s i d a e, eene familie van 
roofdieren, waarvan de verschillende soorten over 
Europa, Azië, Amerika en misschien over een deel van 

N. W. Afrika verspreid zijn; uit de Romeinsche Oud- 
heid is nog bekend de naam van den Numidi- 
schen beer, thans uitgestorven. In het Dilu- 
vium leefde de holenbeer, iets grooter dan de 
bruine beer, waarvan vele overblijfselen in Europa 
gevonden zijn. 

Beren zijn alleseters en in verband daarmee bevat 
het gebit een aantal groote knobbelkiezen; zij zijn 
zoolgangers, d.w.z. bij het loopen raakt de geheele 
voet den grond. Alle soorten zijn gemakkelijk te 
temmen en toonen dan slimme dieren te zijn. Zie afb. 

Soorten. De bruine beer bewoont haast alle 
hooggebergten van Europa: Pyreneeën, Karpaten, 
Transsylvanische Alpen, den Balkan, de Skandinavi- 
sche Alpen, den Kaukasus en Oeral, geheel Rusland, 
geheel Noord- en Midden-Azië en in Afrika misschien 
den Atlas; hij voedt zich met planten, fruit, insecten 
en kleine dieren, hij klimt goed en zoekt graag naar 
honig. In N. Amerika leeft de zwarte beer 
of baribal; in Canada de groote en gevaarlijke 
g r ij z e (grizzly-)b eer. De i j s b e e r bevolkt de 
kusten der Noordelijke Poolzee, is een uitstekend 
zwemmer en voedt zich met robben, jonge vogels, 
eieren en wier. Op Sumatra, Bomeo en Banka leeft 
de kleine Maleische beer, door de inlanders 
B r o e a n g genoemd, een klein ongevaarlijk dier, 
dat echter op Bomeo het grootste en gevaarlijkste 
roofdier is. In Japan en Tibet leeft de kraagbccr 
of K o e m a met eene groote V-vormige witte teeke- 
ning boven op de borst. In Voor-Indië komt de 
lippenbeer voor met groote sikkelvormige 
klauwen en stompen snuit met ver uitsteekbare lippen; 
zijn voedsel bestaat hoofdzakelijk uit vruchten en 
insecten. 

Tegenwoordig worden als afzonderlijke familie afge- 
scheiden de kleinberen (Procyonidae). 
De bosschen van het Himalaya -gebergte worden be- 
woond door den Panda of rooden katbeer, 
die zoo groot is als een kater en wiens voedsel hoofd- 
zakelijk uit vruchten en honig bestaat. Over geheel 
Amerika zijn de w T aschberen verspreid, die 
om hun pels veel vervolgd worden; zij voeden zich met 
eieren, vogels en zoogdieren; een Z. Amerikaansche 
soort geeft de voorkeur aan kreeften en krabben. In 
het Noorden van Z. Amerika komen de neusberen 
voor, die een slurfvormigen snuit bezitten; in 
gevangenschap worden zij spoedig zeer mak; zij leven 
van vruchten, eieren en insecten. Keer. 

Becrblock, M a u r i c e, Fransch-Belgisch 
dichter van het > expressionisme, die ook als ver- 
taler uit de Engelsche letterkunde (J. K. Jerome, 

O. Henry, H. de Vere) verdienste heeft. * 21 Sept. 
1880 te Verviers. 

Werk: L’atelier, poèmes. 

Beerbohm, Max, Engelsch caricatuur-tee- 
kenaar en essayist; halfbroeder van sir Herbert 
Beerbohm Tree, den tooneelspeler. * 1872 te Londen, 
studeerde Charterhouse en Oxford, huwde een 
Amerikaansche, en ging wonen te Rapallo in Italië. 
Is in Engeland vooral bekend om zijn geestige en 
fijne, elegante caricaturen. Schrijver van keurig, 
ietwat gekunsteld proza. Zijn eerste werk, op 24-jari- 
gen leeftijd, was getiteld The Works of M. B. 

Latere werken: More (1899) ; Yet again (1909); 
Zuleika Dobson or An Oxford Love-Story (1911) ; A 


Christmas Garland (1912, parodieën o.a. op A. C. Benson, 
Chesterton, Wells, Conrad, Bennett, Shaw) ; And Even 
Now (1920) ; Things New and Old (1923) ; The Dreadful 
Dragon of Gray Hill (1928). 

Beerbohm Tree, sir Herbert, > Tree. 

Beerdiertjes, Tardigrada, een groep 
van meestal bij de spinnen ingedeelde, microscopisch 
kleine dieren, die op vochtige plaatsen, op mos, muren 
enz. of in zoetwater (dakgoten, wijwatervaten) 
leven. Zij zijn te kennen aan de 4 paar korte pooten, 
die klauwtjes dragen, en aan de trekkende beweging 
van het lichaam. Droogt het water uit, dan omgeeft 
zich het diertje met een chitinehuid, waarin het lang 
kan blijven leven. B. zijn over de geheele aarde ver- 
spreid. M. Bruna. 

Bcercndruiï, Arctostaphylos, een 
plant van de familie der heideachtigen (Ericaceae) 
en de onderfamilie der Arbutoïdeae. Met ongeveer 
18 soorten komt dit geslacht meest voor in Westelijk 
N. Amerika, in struikvorm. De gewone b. (A. uva 
ursi) treft men in naaldwouden en heidevelden aan 
op het geheele Noordelijke halfrond. De weinig sma- 
kelijke vruchten worden soms door de Laplanders 
gegeten. De bladeren worden gebruikt voor nier- en 
blaasziekten; verder dient dit gewas nog voor de 
bereiding van looistoffen en een zwarte kleurstof. 

Bouman. 

Beerendruifbladen, uva-ursi bladen, 
enkelvoudige, kortgesteelde, tot 2,5 cm lange, ovaal- 
langwerpige, of lancetvormige, omgekeerd-eironde, 
gladde, groene bladeren van arctosthaphylos 
uva ursi, een altijd-groene, boschbesachtige 
heester, die in naaldbosschen en op heiden, zoowel in 
Skandinavië als in Midden- en Zuid-Europa in het 
wild voorkomt. B. zijn van andere vaccin iumsoorten 
te onderscheiden, doordat hun waterig aftreksel met 
ferrosulfaat een blauw-violette verkleuring geeft. 
Bestanddeelen: de glucosiden arbutine en ericoline, 
die bij splitsing o.a. hydrochinon geven, verder 
looistof, chinazuur, galluszuur. Gebruikt als » af- 
kooksel tegen blaaskatarrhen. 

L i t. : Ned. Pharm. Ed. (V). Hillen. 

Beercnhouclcrij, in Ned. een vereeniging 
van enkele varkensfokkers, die een of meer beeren ter 
dekking van zeugen houden. In sommige streken 
leidt men den beer naar de zeugen (zgn. padbeeren). 
Voor het houden van raszuivere beeren worden in 
Nederland en in België aan de beerhouders premies 
gegeven. Het is dan noodzakelijk, dat de beerhouder 
behoorlijk en geregeld een dekboek (springlijst) 
bijhoudt. 

In België wordt elke private uitbating van 
een of meer beeren een b. genoemd. Verhey. 

Becr-Hoïmann, R i c h a r d, Duitsch- 
Oostenrijksch dichter van de > neo -Romantische 
richting. * 11 Juli 1866 te W T eenen. Als geboren Jood 
in den kring der Blatter für die Kunst 
(> St. George) opgenomen, begon B.-H. met klein- 
epiek vol Weensche atmosfeer en een roman, maar 
oogstte meer bijval met enkele treurspelen, waarvan 
het laatste zijn stof aan den Bijbel ontleent en met 
nadruk de roeping van het Joodsche volk tot God’s 
uitverkorene verkondigt. Der Graf von Oha- 
r o 1 a i s (1905) hervat het thema van Ph. Massinger’s 
gruwelstuk: The fatal dowry, maar verrijkt het met 
de diepe symboliek der moderne levensverhoudingen. 

Werken: Novellen (1893) ; Der Tod Georgs (roman, 
1900) ; Der Graf von Charolais (1905) ; Jaakobs Traum 


BEETHOVEN 








Ludwig van Beethoven. 


Het geboortehuis van Beethoven 
te Bonn. 


Théróse von Brunswick. 




Beethoven's geboortekamer. 



Beethoven’s handen. 


Hoorapparaten. 




Masker, tijdens het leven gemaakt. 


Doodenmasker. 









BEGRAAFPLAATSEN 








PrS 

\m*ëi * i 


Het Campo Santo te Genua. 


Een begraafplaats te Nizza. 



Een Duitsche oorlogsbegraafplaats te St. Laurent Blangy. 


273 


Beëri — Beers 


274 


(1918 ; eerste dl. van de trilogie : Historie von König 
David) ; Schlaflied für Mirjam (1919). — L i t. : Th. Reik, 
Das Werk B.-H.’s (Weenen 1919). Baur. 

Beërf, 1° een Hethiet, vader van Esau’s vrouw 
Judith (Gen. 26. 34); 2° vader van den profeet Osee 
(Os. 1. 1). 

Beerlegem, gem. in de prov. O. Vlaanderen, 
20 km ten Z. van Gent. Opp. 225 ha; 400 inw. Land- 
bouw. 

Beermaki , arctocebus calabarensis, halfaap bij 
de Nigermonding en in West-Airika, met grooteoogen 
en ooren en wolligen pels; de staart ontbreekt bijna 
geheel; een spoor van een wijsvinger is aanwezig in 
den vorm van een wrat. 

Becrmarter, arctitis binturong, vertoont over- 
eenkomst met marter en met waschbeer; leeft in Indië. 

Becrnacrt, 1° A d o 1 f, Vlaamsch dichter 
van verschillende bundels huiselijke poëzie. * 1825 te 
Evergem, f 1883 te Alveringem. 

2° A u g u s t e, Belgisch Katholiek staatsman; 

* 26 Juli 1829 te Ostende, f 6 Oct. 1912 te Luzem. 
1873 min. van Openbare Werken in het min. Malou, 
1876 verkozen als volksvertegenwoordiger te Tielt 
(W. VI.). Na 1884 (val van het min. Frère-Orban) 
terug als minister van Openbare Werken in het min. 
Malou, zelf in Oct. van dat jaar kabinetsformateur.' 

1884 — ’94 eerste 
minister, tevens 
min. van Finan- 
ciën. Onder zijn 
beleid: herziening 
van de Grondwet 
met algemeen 
stemrecht; 1886 
stichting der 
Vlaamsche Aca- 
demie; 1889 ver- 
betering der wet 
op het gebruik van 
het Nederlandsch 
in strafzaken. 
Breed van ge- 
dachten en ver- 
draagzaam, leidde 
B. de Kath. partij 
in de richting eener politiek van sociale hervorming 
(heftige tegenstand onder leiding van Woeste). De 
strijd om de evenredige vertegenwoordiging, waarvan 
B. voorstander was, bracht hem ten val (1894, her- 
vorming pas doorgevoerd in 1899). Was van 1895 — 
’99 voorzitter der Kamer van Volksvertegenwoor- 
digers. Bestrijder van de koloniale politiek der re^ee- 
ring, alhoewel hij Leopold II bijstond in zijn koloniaal 
werk. B. behaalde in 1910 den Nobelprijs voor den 
Vrede, ingevolge zijn activiteit op de Vredesconferen- 
tie te Den Haag. 

Lit. : Van der Smissen, Leopold II et B. d’après 
leur correspondance inédite, 1884 — ’94 (2 dln. Brussel 
1920). Elias. 

3° Euphrosine, Belg. landschapschilders. 

* 11 April 1831 te Oostende, f 6 Juli 1901 te Brussel. 

Werken: in verschillende musea in België, o.a. 

te Antwerpen, Brussel, Brugge, Gent, Leuven, Oostende, 
Namen enz. — Lit.: Kramm, De levens en werken ; 
Chronique des arts (1901, 215). de Stuers. 

Becrnem, gem. in de prov. West -Vlaanderen, 
ten Z.O. van Brugge; ruim 5 000 inw., opp. 2 947 ha. 
Zandachtige grond; kanaal; landbouw; weldadig- 



heids inrichting voor meisjes; kasteelen van: Beemem, 
Reygerloo, Bloemendal, Bulskamp, Meerberg, Drie 
koningen, Wildenborg. Oude heerlijkheid. 

V. Asbroeck. 

Beer Poortugael, jhr. J. C. C. den, gep. 
luitenant-generaal, lid van den Raad van State, lid 
van het „Institut de Droit international”, van 1 Febr. 
tot 20 Aug. 1879 min. van Oorlog, bekend deskundige 
op het gebied van oorlogs- en neutraliteitsrecht, 
gevolmachtigd gedelegeerde van Nederland op de 
le en 2e Vredesconferentie te Den Haag en op de 
Conferentie van Genève in 1906. * 1832, f 1913. 

Werken: o.a. Het oorlogsrecht (1872 en 1882) ; Het 
Internationaal maritiem recht (1888) ; Oorlogs- en 
neutraliteitsrecht (1900) ; Oorlogs- en neutraliteitsrecht 
op den grondslag van de conferentie van Genève 1906 
en de twee Haagsche Vredesconferenties (1907). 

Nijhoff. 

Beerput, ondergrondsch reservoir, waarin de 
faecaliën, meestal tezamen met andere afvalstoffen 
van woningen (wasch-, schrob- en keukenwater), 
worden verzameld. B. kunnen afzonderlijk zijn of 
door een overstort met de rioleering zijn verbonden. 
Ze dienen waterdicht (beton of metselwerk) te zijn 
en nu en dan door een verplaatsbaar pomptoestel 
pneumatisch geledigd te worden; wenschelijk is ook 
een ventilatiepijp. 

Lit.: Carl Flügge, Grundriss d. Hygiene (1927). 

Droog . 

Beerrob (Arctocephalus ursinus), > Pelsrob. 

Beerrups, > Beervlinder. 

Beers, 1° gem. in N. Brabant, ten Z.O. van Grave; 
ca. 900 inw. (Kath.); opp. 1 115 ha. Landbouw en 
veeteelt; een weinig industrie. De beruchte > Beer- 
sche Maas is naar dit dorpje genoemd. 

2° Dorpje van bijna 200 inw. in de Friesche gem. 
Baarderadeel. 



Beers, 1° Jan van, VI. dichter. * 1821 te 
Antwerpen, f 1888 aldaar. Reeds als student in klein- 
seminarie te Mechelen door geloofstwijfels gekweld; 
later vrijzinnig. On- 
der-b ibliothecar is te 
Antwerpen, 1849 
leeraar aan nor- 
maalschool te Lier, 

1860 aan Athenaeum 
te Antwerpen. In 
een week -vrouwe - 
lijken huiskring op- 
gevoed, ooglijder en 
zwak van gestel, 
schreef hij zijn heele 
leven door zwaar- 
moedige, vaak zie- 
kelijk-sentimenteele 
verzen (De Zieke 
Jongeling, uit eer- 
sten bundel, toen Jan van Beers. 

zéér populair, later 

geparodieerd; De Blinde, De Zoon van den Metsel - 
diender). Over zijn later werk, een toenadering tot de 
buitenwereld, straalt meer zon en licht. Confiteor, uit 
Rijzende Blaren, is een pleidooi voor zijn vrijzinnige le- 
vens opvatting. Hij dichtte ook zangerige, maar senti- 
menteele cantates, als De Oorlog, door P. Benoit getoon- 
zet. Zeer populair, ook in Holland, w T aar hij dikwijls 
met buitengewoon succes voorlas. Dat dankte hij aan 


275 


Beersche Maas — Beersche Overlaat 


276 



Orenjasse/t 


rRAVE 


Katwii 


ïrootUnden 


laren 


Wëross 

FGtffen 

'land 


finalen 


Jt. Mubert 


Traverse beersche Maas. ^ Geprojecteerde Maas. 

„ « Dijken. 


EES3 Beersche Maas en orerstroomde uiterwaarden bij 
hooge Maasstanden m den winter. 


Beersche Maas. 


zijn gemoed el ijken toon en aan den keurigen vorm; 
de visie is dikwijls vaag en zwak. 

Werken: Jongelingsdroomen (1853) ; Levensbeel- 
den (1858) ; Gevoel en Leven (1869) ; Rijzende Blaren 
(1884), met den vijfjaarlijkschen prijs bekroond. — 
Lit. : Pol de Mont, Drie groote Vlamingen (1901). 

A. Boon. 

2° Jan van, Belg. historie* en genreschilder, 
* 27 Maart 1852 te Lierre (bij Antwerpen). Zoon van 
den Vlaamschen dichter Jan van B. Leerling van de 
Antwerpsche academie. Tusschen 1870 en 1880 schil- 
derde hij hoofdzakelijk historiestukken, onderwerpen 
uit de geschiedenis van Vlaanderen. Na 1880 genre- 
tafereelen met sierlijke, modieuze vrouwenfiguren, ook 
voortreffelijke portretten, o.a. het portret van Peter 
Benoit (mus. te Antwerpen). B. heeft ook voor den 
kunsthandel gewerkt. 

Werken: o.a. in do musea te Antwerpen en te 
Amsterdam. — Lit.: Cat. Sted. Mus. te Amsterdam ; 
Pol de Mont in het Schilderboek van M. Roozes Wester- 
voorde, Jan v. Beers in de Nieuwe Gids (1887). 

de Stuers. 

Beersche \Iaas, een periodiek tijdelijke af- 
voer van het Maaswater, dat ten gevolge van de wer- 
king van den -> Beerschen Overlaat uit de rivier- 
bedding is afgeleid. De traverse van de B. M. loopt 
van Escharen en Gassel tot Den Bosch* de breedte 
bedraagt op enkele plaatsen 500 m, doch wisselt 
overigens van 2 500 tot 4 000 m. J .ten Brink . 

Beersche Overlaat, bestond voor 1880 uit 
twee onbedijkte gedeelten op den linkeroever van de 
Maas. De bovenmond van den B.O., lang 800 m, 
gelegen tusschen Kuik en Mook, begon te werken, 


wanneer te Grave een peil van omstreeks 10 m 
+N.A.P. was bereikt. Ten behoeve van den aanleg 
van den spoorweg Nijmegen — Venlo is de boven mond 
tusschen 1880 en 1882 afgesloten. De benedenmond, 
oorspronkelijk lang 2 500 m, is verbreed tot 4 100 m. 
De benedenmond begon te werken bij een waterstand 
te Grave van 10,35 m +N.A.P. In 1922 is in de B.O. 
een kade aangebracht, aansluitende aan den dijk 
van den sluispolder van Linden en aan de benedenzijde 
aan den dijk van den polder van Gassel en Escharen. 
De hoogte van de kade is zoodanig, dat de overlaat 
over de geheele lengte begint te werken bij een water- 
stand van 10,80 m -f N.A.P. te Grave overeenkomende 
met ongeveer 5 m boven den middelbaren rivierstand. 

Voor de verbetering van het afvoerend vermogen 
van de rivier de Maas zal worden uitgegaan van een 
hoogsten stand te Grave van 10,80 m + N.A.P. bij 
een maximum te verwachten afvoer van 3 200 m 2 per 
sec. (Rapport betreffende de verbetering van de Maas 
voor groote afvoeren, door dr. C. W. Lely, hoofd- 
ingenieur van den Rijkswaterstaat). De tot 10,80 m 
+N.A.P. te Grave verhoogde B.O. zal dan tijdens de 
uitvoering der rivierverbetering als veiligheidsklep 
blijven bestaan, totdat door waarneming van de ver- 
andering der hooge standen tijdens do uitvoering met 
voldoende zekerheid kan worden vastgesteld, dat de 
stand van 10,80 m -fN.A.P. te Grave inderdaad bij 
den maximum afvoer niet noemenswaard zal worden 
overschreden. 

Als dit is vastgesteld, kan ten slotte als laatste 
werk van de rivierverbetering beneden Grave de B.O. , 
die tijdens de uitvoering der verbeterwerken, waarmede 
uiteraard in hoofdzaak van beneden af moet worden 


277 


Beerse — Beesd 


278 


begonnen, vanzelf geleidelijk minder zal gaan werken, 
tot bandijkshoogte worden opgevoerd. 

Mocht de waarneming van de verandering der hooge 
standen tijdens de uitvoering leiden tot de gevolg- 
trekking, dat de stand van 10,80 m -f N.A.P. te Grave 
bij den maximum afvoer nog noemenswaard zon wor- 
den overschreden, dan zullen de rivierwerken nog 
zoodanig moeten worden uitgebreid als noodig is 
om een definitieve opheffing van den B.ü. te bereiken. 

J. ten Brink . 

Beerse, gem. in de prov. Antwerpen, ten W. van 
Turnhout, met 5 245 inw. (einde 1930), Kath. Opp. 
2 973 ha. Kanton en dekenaat Turnhout. Heide- en 
zandgronden, landbouw. De ondergrond bevat klei: 
steenbakkerijen; fabrieken van cement, zeep en koper - 
sulfaat. B. behoorde eertijds aan de heeren van Re- 
nesse, later aan die van Turnhout; vormde tot 1776 
één parochie met Vosselaar, eerst onder het patronaat 
van het vrouwenklooster van Groot-Bijgaarden, later 
van de St. Michielsabdij van Antwerpen. De pasto- 
rie van 1776 draagt het wapen van prelaat De Vos. 
St. Lambertuskerk, gebouwd in 1909, met toren van 
1562 en ouden Calvarieberg. St. Comeliuskapel uit de 
15e eeuw: het oude altaarstuk (uit de school van Jan 
Lombard) staat thans in de kerk. Kasteel Tempelhof: 
men vond er in 1880 een uitgeholden versteenden eik, 
die in het Gallo-Romeinsch tijdvak tot put diende. 
Monument der gesneuvelden 1914 — ’18, door J. Clei- 
rens. 

L i t. : Van den Eyndc, Historische aanteekeningen 
rakende de heerlijkheid Beersse, de kerk en de kapel 
van den H. Comelius (Turnhout 1892) ; Taxandria 
(1931) ; Oudheid en Kunst (1932). Lauwerijs. 

Beersel, 1° Belg. gem. op het hoogste punt der 
prov. A n t w e r p e n (60 m), 14 l / 2 km ten O. van 
Mechelen. Opp. 787 ha; ca. 3 200 inw. Zand- en leem- 
grond. Steenheek. Klompenmakerijen. St. Remigius- 
kerk met toren uit de 16e eeuw. 

2° Gem. in Z. B r a b a n t, ten Z. van Brussel; 
opp. 632 ha, ong. 2 500 inw.; landbouw, kaasmakerijen 
(Brusselsche of stinkaardkaas). Merkwaardig middel- 
eeuwsch, thans gedeeltelijk gerestaureerd burgslot, 
verwoest door de Brusselaars in 1488. 

Lit. : A. Wautcrs, Hist. des Environs de Bruxelles 
(111 1854) ; Teirlinck-Stijns, Beersel bij Brussel (1883). 

Becrsmans, 1° Catharina, Belgisch 
toon eelspeel ster, * 30 Aug. 1845 te Turnhout, f No- 
vember 1899 te Rotterdam; autodidacte, debuteert 
in Vlaamsche schouwburgen, o.m. te Brussel onder 
F. van de Sande (1857), verwerft in een prijskamp 
onder Belgische tooneelisten (1869) den prijs van beste 
speelster, maakt deel uit van het eerste gezelschap 
van den officieelen Ned. Schouwburg te Gent (1871), 
gasteert in Holland (1872), creëert er de Koningin 
Louise, in Multatuli’s Vorstenschool, wordt opge- 
merkt en geëngageerd bij het Rotterdamsch tooneel- 
gezelschap (1877). In 1878 heet ze de eerste rol der 
schouwburgen van Holland en België te zijn. Buiten 
een ziekverlof wegens overspanning (1894), werkt ze 
onverpoosd door tot aan haar dood. 

Lit.: M. Sabbe, L. Monteync en II. Coopman Thz., 
Het Vlaam8ch tooneel (1927). 

2° Maria Hortensia, in de tooneehvereld 
M i n a, dochter van Catharina B. en echtgenoote 
van den Vlaamschen acteur Jan Dilis. * 21 Nov. 
1863 te Antwerpen. Opgeleid tot tooneelspeelster in 
Holland, maar werkzaam in België. Godelaine . 

Bccrst, gem. in de prov. West- Vlaanderen, ten N. 


van Diksmuiden; ca. 1 100 inw.; opp. 1 165 ha; land- 
bouwstreek; merkwaardige kerk en kasteel; vernield 
gedurende den wereldoorlog. 

Beerstraten, naam eener schildersfamilie; er 
zijn drie leden bekend, waarschijnlijk broeders: 
Abraham, Jan Abrahams z en Jo- 
hannes, allen werkzaam in het midden der 17e 
eeuw te Amsterdam. Hun werken zijn moelijk te 
onderscheiden, w r at gedeeltelijk komt, omdat zij allen 
dezelfde onderwerpen schilderen, nl. meest stads- 
gezichten (veelal bij wdnter) en Zuidelijke zeehavens. 
De verdienstelijkste is Jan Abrahamsz, f 1666, 
van wiens kunst het Rijks Museum eenige zeer goede 
stalen bezit. Men kent van hem ook vele teekeningen, 
evenals de schilderijen voluit gesigneerd. Ten slotte 
heeft men door een handteekening nog een vierde 
van den naam, A n t o n i e B., ontdekt, die w T at 
zwakker, eveneens dezelfde onderwerpen schildert. 

Lit.: ’t Hooft in Oud-Holland (1904) ; v. Wurzbach, 
Niederl. Künstlerlex. Schretlen. 

Beert, Waalsch B r a g e s, gem. in Z. Brabant, 
arr. Brussel, op de taalgrens, met bijna uitsluitend 
Vlaamsche bevolking; ruim 500 inw.; opp. 298 ha; 
landbouw. 

Beerta, gem. in de prov. Groningen, ten N. van 
Winschoten; bestaat uit de kom, Nieuwbeerta, Ulsda 
en Drieborg. Ca. 4 000 inw., bijna allen Prot.; opp. 
4 630 ha, bijna geheel uit kleigrond bestaande, in 
gebruik voor landbouw. In Nieuw T beerta is een coöpe- 
ratieve proefboerderij opgericht ter voorlichting van 
de leden der plaatselijke landbouworganisaties. Do 
teelt van bloembollen breidt zich uit. B. bleef bij de 
Dollart -vloeden der 13e, 14e en 15e eeuw gespaard; 
het Oosten der gemeente verdronk en werd later weer 
ingedijkt. Nijenhuis. 

Beerveldc, gem. in de prov. O. Vlaanderen, 
tusschen Gent en Lokeren, 1 066 ha; 2 900 inw. Land- 
bouw. 

Bccrvlincler, bruine beer, Arctia caja, vlinder- 
soort, middelmatig van grootte. Het lijf is dik, de 
zuiger zwak; de voorvleugels donker met gele of witte 
teekening; achtervleugels rood of geel. De vlinders 
vliegen van Mei tot Augustus. Zelden zijn tw T ee exem- 
plaren precies aan elkaar gelijk. Door ze te voeden 
met de bladeren van den noteboom, radijsboompje 
of sneeuwbes, verkrijgt men donker gekleurde vlinders. 
Voor- en achtervleugel kunnen tijdens het vliegen 
verbonden worden. De rups is zwart, met witte 
wratten en lange zwarte, bruine en soms witgepunte 
haren. B^rnink, 

Beervoctiflheid, een gebrek in de > beenstan- 
den van een paard. Het dier is sterk week in het kogel- 
gewTicht en treedt door; er bestaat een knik tusschen 
kogel en hoef. 

Becsclitera, bijb. levietenstad in Trans-Jor- 
danië (Jos. 21.27; Vuig.: Bosra), wellicht = Astarot, 
zoodat B. eeo corrupte schrijving is voor Beth Ascktera 
(Huis van Astarte), vgl. 1 Par. 6.71 (Hebr. 66). 

Sxmons . 

Beesd, gem. in Geld., in de Neder-Betuwe, aan 
den rechteroever van de Linge en aan de spoorlijn 
Dordrecht — Kesteren. De gem. omvat, behalve het 
dorp B., de doqien Acquoij en Rhenoij en de buurt- 
schap Mariënwaard. Gezamenlijke opp. 3 470 ha met 
ongeveer 2 600 inw., waarvan ca. 1 400 Ned. Herv. 
en 1 100 Kath. De bodem bestaat uit rivierklei en in 
het N. uit laagveen. Landbouw is hoofdbedrijf, daar- 
naast veeteelt en tuinbouw. Acquoij is de geboorte- 


279 


Beesel — Beethoven 


280 


5 laats van pastoor C. Jansen, grondlegger van het 
ansenisme. Mariënwaard (Mariëndaal) is het 
landgoed, dat op de plaats ligt der in de 16e eeuw 
verwoeste gelijknamige adbij. Heijs. 

Beesel, gem. in Ned. Limburg, gelegen 8 km ten 
N. van Roermond, omvattend de dorpen Beesel en 
Reuver en de gehuchten Bakheide, Rijkel, Bussereind, 
Leeuwen en Offenbeek. In 1932: 4 367 inw. Twee 
parochies: Beesel en Reuver. Te Reuver gresbuizen-, 
dakpannen- en baksteenfabrieken (ca. 400 arb.); 
daarnaast ook landbouw en veeteelt. Te Reuver R.K. 
kweekschool voor onderwijzeressen en R.K. Bijz. 
U.L. O. -school. Prachtige boschrijke omgeving. Te B. 
hoofdzakelijk landbouw en veeteelt. Om de 7 jaren 
wordt er het historisch spel van het draaksteken 
opgevoerd. v. Thiel. 

Beest, 1° Albertus van, Holl. zeeschil- 
der, * 11 Juni 1820 te Rotterdam, f 8 Oct. 1860 in het 
St. Lukas Hospita! te New York. Zwierf in zijn jeugd 
veel op zee, leidde een avontuurlijk leven. Teekende 
en schilderde veel. Vormde zich in hoofdzaak door 
zelfstudie. Zijn werk trok de aandacht van prins Hen- 
drik der Nederlanden. Hij vergezelde den prins op 
een reis naar het Oosten. Veel studies naar schepen. 
Daarna vertoefde hij in Amerika, woonde in Boston 
en New York. Kreeg hier spoedig naam, doch ging 
te gronde aan de gevolgen van een ruwe en ongebonden 
levenswijze. Vooral een uitmuntend teekenaar van 
vlugge, rake met sepia of O.-Ind. inkt gewasschen pot- 
lood- en krijtsch etsen en penteekeningen met voor- 
stellingen van schepen enz. Ook maakte hij eenige 
goede dier- en landschapstudies. 

Werken: o.a. in het Mus. Fodor en in het Rijks 
Prentenkabinet te Amsterdam. — L i t. : A. Demmin, 
Le peintre de marine realiste Alb. v. Beest (Parijs 1863). 

de Stuers. 

2° Petrus van, priester, * 1658 te Utrecht, 
t 6 Dec. 1738, studeerde en doctoreerde te Rome, was 
kapelaan te Leiden en pastoor te Voorburg, werd door 
den provicaris Th. de Koek benoemd tot aartspriester 
van Schieland, maar wegens zijn verstandhouding 
tot dezen provicaris bij plakkaat van 10 Mei 1704 door 
de Staten van Holl. verbannen. Hij hield zich een 
jaar schuil bij de kruisheeren van S. Agatha bij Cuyck, 
was 1705 — 1709 rector te Emmerik, 1709 — 1738 rector 
te Huissen en tevens 1736 — 1738 aartspriester van 
Gelderland. 

Lit.: Arch. aartsbisd. Utr. (II, 145; IX, 250 en 
passim ; XIX, 304) ; Knuttel, De toest. der Ned. Kath. 
ten tijde der Rep. (II, 48) ; Van der Heijden in N. Ned. 
Biogr. Wbk. (IV, 101). Rogier. 

3° S y b r a n d van, schilder te Den Haag 
en Amsterdam; * 1610, f 1674; zijne schilderijen, die 
een levendig karakter dragen, stellen meest markt- 
scènes of historische gebeurtenissen voor. Zijn beste 
werken in Den Haag (Gem. Mus. en Mauritshuis). 

Lit.: O. Holland II en IX; v. Wurzbach, Niederl. 
Künstlerlex. Schretlen. 

Beet, > Beetwortel. 

Beetgum, dorp van ruim 1600 inw. in de 
Friesche gem. Menaldumadeel. 

Beethoven, Lu d wig van, (zie pl. t/o 
kolom 272; zie signatuur bij > Autograaf) een van 
de grootste muzikale genieën van den klassieken tijd, 
die door de kracht van zijn uitdrukkingsvermogen een 
muziek heeft geschapen, die zal blijven leven, wanneer 
alle andere stijlen en richtingen reeds tot het verleden 
zullen behooren. Hij is erin geslaagd het tijdelijke met 


het eeuwige te verbinden; zijn scheppingen zijn het 
resultaat van een worstelen om het hoogste gevoel 
tot uiting te brengen en getuigen van een geest, die 
de menschheid in liefde wil omvatten; een geest, 
die zich zelfs door het grootste leed niet heeft laten 
terneerdrukken. 

Zijn muzikale beteekenis ligt vooral 
in de instrumentale, meer in het bijzonder in de 
symphonische kunst, waarin hij een hoogte heeft 
bereikt, als geen enkele van zijn voorgangers. De 
symphonie, de sonate, het strijkkwartet, kortom alle 
vormen op het gebied der instrumentale muziek werden 
door hem uitgebreid, naarmate zijn gedachten grooter 
werden. B. was de eerste componist van uitgesproken 
subjectieve muziek. Volgt hij in den aanvang nog zijn 
groote voorgangers en tijdgenooten, na opus 21 (zijn 
eerste symphonie) gaat hij zijn eigen weg. Terwijl zijn 
doofheid voor hem als musicus eigenlijk een groote 
ramp beteekende, werd het zijn scheppende kunst tot 
zegen. Afgesloten van elk verkeer met de buitenwereld, 
sloot hij zich als kunstenaar geheel in eigen wereld op 
en zoo werden zijn gedachten, door geen enkelen invloed 
gestoord, omgezet in machtige klankbeelden. Alleen 
in de vocale composities komt zijn gemis aan contact 
met de techniek der zangstem soms tot uiting: er 
komen passages voor, die practisch bijna onuitvoer- 
baar zijn (Missa Solemnis, 9e Symphonie). Op instru- 
mentaal gebied daarentegen was hij absoluut heer en 
meester. 

Naar verhouding van zijn leeftijd heeft B. betrekke- 
lijk weinig geschreven; uit de nagelaten schetsen 
blijkt, dat hij langdurig en zorgvuldig aan een com- 
positie werkte. Daarbij kwamen er tijden voor, waarin 
vaak uiterlijke omstandigheden zijn scheppingsdrang 
verhinderden. 

Lu d wig van B., * 16 Dec. 1770 te Bonn, 
f 26 Mrt. 1827 te Weenen, stamt uit een familie van 
beroepsmusici, oorspronkelijk uit Vlaanderen afkom- 
stig. Zijn grootvader, eveneens Ludwig geheeten 
(* 1718 te Antwerpen, f 1773 te Bonn), was kapel- 
meester in den schouwburg te Bonn en zijn vader, 
Johann (* 1739, f 1792 te Bonn) was als tenor verbon- 
den aan de kapel van den keurvorst, den aartsbisschop 
van Keulen, wiens residentiestad Bonn was. Zijn 
vader was ruw en drankzuchtig, zijn moeder, voor wie 
B. een hooge vereering had, was ziekelijk, zoodat zijn 
jeugd buitengewoon tragisch is geweest. Het eerste 
onderricht ontving B. van zijn vader en op voorbeeld 
van den jongen Mozart wilde ook Johann van B. zijn 
zoontje Ludwig voor een wonderkind laten doorgaan. 
Reeds op 8-jarigen leeftijd gaf B. zijn eerste concert. 

Zijn tweede leermeester was de hoboïst Pfeifer en 
later had hij nog les van den hoforganist Van den 
Eeden en Rovantini; hij studeerde orgel bij pater Koch 
en Zeese. Van al deze musici was het onderricht naar 
het schijnt zeer middelmatig. Beter was het onderwijs 
van den hoforganist Christian Gottlob Neefe (1748 — 
1798), die hem bekend maakte met Bach’s „Wohl- 
temperiertes Klavier’’, toen nog in manuscript. 
Behalve van J. S. Bach was de invloed van Ph. Em. 
Bach op den jongen B. het sterkst, vooral door diens 
sonates. (Naar men zegt was Neefe de leerling van 
Ph. Em. Bach.) B. had intusschen reeds zulke 
vorderingen gemaakt, dat hij 1782 Neefe mocht ver- 
vangen als organist. 1783 werd B. benoemd als accom- 
pagnist in de hofkapel, zoodat het ongetwijfeld de 
practijk is geweest, die toen zijn eigenlijke leermeester 
was. Hij wekte aller bewondering door zijn impro- 


281 


Beethoven 


282 



visatiën aan het klavier en reeds nu schreef hij zijn 
eerste 3 klaviersonates, welke hij opdroeg aan den 
keurvorst van Keulen. 1787 ging hij op aanbeveling 
van Neefe bij Mozart in Weenen studeeren; tot lessen 
is het evenwel niet gekomen, hoewel hij wel voor 
Mozart heeft gespeeld. Kort na zijn aankomst immers 
werd hij teruggeroepen wegens een ernstige ongesteld- 
heid van zijn moeder, die haar dood tengevolge had. 

Belangrijk voor zijn ontwikkeling was het verkeer 
te Bonn met de families von Breuning en Wegeler; 
hier leerde hij ook graaf von Waldstein kennen. 
Vooral door toedoen van dezen laatste Irwam B. 
(echter eerst in 1792) voor de tweede maal en nu voor 
goed naar Weenen, om bij Haydn les te nemen. Dit 
werd B. ook mogelijk gemaakt door een stipendium, 
dat hem door den keurvorst was geschonken. Het 
onderricht bij Haydn duurde slechts twee jaar en ook 
in dezen tijd was de eigenlijke leermeester niet Haydn, 
maar de bekende componist van Singspiele: Joh. 
Schenk. Met de tweede reis van Haydn naar Londen 
(1794), kwam er definitief een einde aan de lessen bij 
Haydn. B. studeerde nu contrapunt en kerkmuziek 
verder bij Joh. Georg. Albrechtsberger, en dramati- 
sche compositie bij Ant. Salieri, kapelmeester aan het 
hof. Te Weenen werd B. spoedig bekend als voor- 
treffelijk klavierspeler en zoo kwam hij weldra in 
aanraking met verschillende aristocratische families: 
Lichnowski, Brunswick, Van Swieten, Erdödy, e.a. 
In dezen tijd, 1794, brak de Fransche Revolutie uit 
en werd het keurvorstendom van Maximiliaan Frans, 


zijn beschermer, opgeheven. Daar hierdoor het stipen- 
dium niet meer werd uitbetaald, werd B. genoodzaakt 
een tijd lang van lessen en composities te leven. Door 
graaf von Waldstein, die naar Weenen was verplaatst, 
genoot hij vooral nu veel steun van den Weenschen 
adel. Zoo kende vorst Lichnowski hem in 1800 een 
jaargeld toe (de relaties met dezen vorst werden in 
1806 verbroken, omdat laatstgenoemde B. wilde 
dwingen voor Fransche officieren te spelen). In 1809 
was hij de huisgenoot van graaf Erdödy, enz. B. was 
de eerste onder de groote meesters, die het wagen kon 
om zonder vaste aanstelling geheel van de compositie 
te leven. Dit w T erd vooral ook mogelijk gemaakt, 
doordat von Waldstein een groep aristocraten op B. 
opmerkzaam maakte, die hem in 1809 4 000 thaler per 
jaar garandeerden, toen hem door koning Jeröme 
Napoleon het ambt van kapelmeester te Kassei werd 
aangeboden. Zoodoende bleef B. te Weenen gevestigd. 
Genoemde som was in 1811 door de valuta reeds sterk 
gedaald; toch is het leven van B. financieel niet zoo 
zorgelijk geweest, als men zich gewoonlijk voorstelt. 
De meeste moeilijkheden ontstonden door zijn karakter 
en door een gehoorlijden, dat in 1802 begon en in 1818 
in volslagen doofheid overging. Sedert dien kon men 
slechts schriftelijk met hem converseeren; zijn „Kon- 
versationshefte” zijn dan ook belangrijk biograpkisch 
materiaal. Dit lijden is vnl. oorzaak geweest van B.’s 
teruggetrokken, luimig karakter. Daarbij kwam nog, 
dat zijn neef Karl, over wien B. voogd was, hem door 
zijn lichtzinnig gedrag in zware zorgen bracht. Ook 


283 


Beets 


284 


op den duur toonde Karl voor de zorgen van zijn 
oom niet de minste dankbaarheid. Dit alles onder- 
mijnde B.’s gezondheid. Sinds jaren teruggetrokken 
van de wereld, stierf hij in de benardste omstandig- 
heden 26 Maart 1827, ’s avonds om kwart voor zes. 

Reeds in 1802 had B. het „Heiligenstadter Testa- 
ment” geschreven, w T aarin zijn karakter zeer sym- 
pathiek uitkomt. B. is nooit gehuwd geweest, ofschoon 
hij meermalen voor een vrouw liefde opvatte; belangrijk 
als document is nog een driedeelige liefdesbrief aan 
de „Unsterbliche Geliebte”; aan wie deze brief gericht 
was, is tot nu toe onbekend. 

In zijn werken onderscheidt men gewoon lijk 
drie perioden: tot de eerste belmoren zijn composities 
tot ca. 1802, een tweede tijdperk loopt tot ca. 1812 
(van de 3e tot de 8e symphonie), een derde omvat zijn 
laatste werken. 

Instrumentale werken: 1° Voor orkest: 

9 Symphonieën ; Ouvertures, o.a. : Egmont (1810) ; 
Coriolao ; 3 Leonore-ouvertures (I en II 1805, III 
1806) ; Fidelio-ouvcrture (1814). Balletmuziek : Prome- 
theus (1801' ; 2 marschen ; 12 ContreULnze ; 12 Menu- 
etten; 12 Ecos8aisses ; 12 Deutsche T&nze. Allegretto 
voor orkest; 11 Mödlinger Walzer, Menuette und 
Landler. 2° Voor solo met orkestbegeleiding : 5 
klavierconcerten ; 1 vioolconcert: D*dur, op. 61, later 
ook bewerkt als klavierconcert ; Tripelconcert ; Chor- 
phantasie ; Rondo ; 2 Romancen voor viool en orkest. 
3° Kamermuziek: Octet, op. 103, septet, op. 20, 
2 sextetten op. 71 en op. 86. kwintet op. 16 voor klavier 
en blaasinstrumenten, 2 strijkkwintetten. 1 klavier- 
kwintet, 2 kwartetten voor bazuinen, 4 klavierkwar- 
tetten, 16 strijkkwartetten, 5 strijktrio’s, 9 klaviertrio’s, 
trio voor fluit, viool en altviool, i rio voor 2 hobo’s en 
althobo, 3 duo’s voor klarinet en fagot, 7 variaties voor 
fluit en klavier, 3 variaties voor violoncel en klavier, 

10 sonates voor viool en klavier, 5 sonates voor violoncel 
en klavier, rondo en variatie voor viool en klavier, 
6onatc voor hoorn en klavier, trio voor klavier, klarinet 
en cello. 4° Voor klavier: 38 sonates : 21 variatie- 
werken, rondo’s, bagatellen, preludiën, andante, fantaisie, 
dansen. 4-handig : sonate, 2 variatiewerken, 3 marschen. 

Vocale werken: 1° Voor koor (soli) en orkest : 
o.a. Oratorium Christus am Oelberg ; Mis C-dur ; Missa 
Solemnb» ; opera Fidclio (1805). 2° Voor soli en 
orkest: o.a. Ah perfido O 796 ) Elegischer Gesang. 
3° Voor koor: 18 canons. 4° Verder 5 liederen, aria’s 
en 66 liederen met pianobegeleiding, o.a. An die ferne 
Geliebte. 7 Bundels Schotsche, lersche, Eng. en Wales- 
sche liederen met begeleiding van klavier, viool en vio- 
loncel. 

Een catalogus der werken van B. werd uitgegeven 
door Nottebohm (Thematische Verzeichnis, 1864) en 
Thayer (Chronologische Verzeichnis, 1865) ; De „Gcsamt- 
au8gabe‘* zijner werken verscheen bij Breitkopf und 
Hkrtel van 1864-1867 in 24 deelen met een supplement 
in 1888. 

L i t. : Deze is over B. en zijn werken zóó uitgebreid, 
dat volstaan moet worden met de opsomming der 
voornaamste werken. Een complete uitgave van B.’s 
brieven bezorgden Alfr. Kalischer (5 dln. 1906-1908) ; 
Fritz Prelinger (5 dln. 1907) en Emerich Kastner (1901). 
Bijzonderheden over B.’s leven vindt men in de bio- 
graphieën, waarvan de bekendste zijn : G. Wegcler en 
Ferd. Ries, Biografische Notizen über Ludwig von B. 
(1838/1906); A. B. Marx, Ludwigs von B. Lebcn und 
Schaffen (1859/1901); Th. von Frimmel, Beethoven 
(1901); A. W. Thaycr-H. Riemann, Ludwigs von B. 
Leben (5 dln. 1907/1923) ; Paul Bekker, Beethoven 
(1911); Vincent d’lndy. Beethoven (1911, in Musicien6 
Célèbres) ; R van Aerde, Les ancëtres flamands de B. 
(1928) ; Ed. Herriot, Beethoven (1932). 

Vrijwel al zijn composities worden in een of ander 
werk besproken ; om ccnige te noemen : H. Riemann, 
B.’s Klaviersonaten (1817-1919, Analyse) ; Th. Helm, 


B.’s Streichquartette (1885) ; Grove, B. and his 9 Sym- 
phonies (1896) ; W. Weber, B.’s Missa Solemnis (1898) ; 
W. Nagel, B. und seine Klaviersonaten (1903/1924) ; 
H. Wetzel, B.’s Violinsonaten (I, 1924) ; Brunstpin, B.’s 
Leonore-ouvertüren. IHscaer. 

Het religieuze element in Beethoven ’s werken. 
Hoewel B. niet kerksch was, geloofde hij toch vast in 
een hoogere macht, die het Al bestuurt, en in de kracht 
van den menschelijken wil. Zijn leven is dan ook ge- 
kenmerkt door een steeds weer opgevatten strijd om 
een beter mensch te w T orden; zijn w’erken hebben een 
ethischen grondslag en strekking, bedoelen do men- 
sche lijke persoonlijkheid te veredelen en te verheffen. 
Reeds zijn kleinere werken geven meer dan een 
persoonlijke opvatting, maar vooral zijn grootere 
werken (de meeste symphonieën en ouverturen en de 
opera Fidelio) zijn een oproep tot de menschheid om 
mee te strijden voor de idealen van humaniteit, vrij- 
heid en zedelijke zelfoverwinning. Die ethische strek- 
king, welke de werken uit de tweede periode kenmerkt, 
komt tot een hoogtepunt in de derde periode, waarin 
Beethoven geheel los van het aardsche staat, zijn 
gedachten slechts gericht zijn op het hoogste en 
eeuwige. Zijn Missa Solemnis, waarvan het religieuze 
karakter langen tijd onbegrepen bleef, is een strijd 
tegen een Christendom-uit-sleur, een steeds herhaalde 
opwekking tot bidden, een aansporing tot een daad- 
werkelijk beleven. 


Becls, 1° gem. in het laagveengebied van de 
prov. Noord-Holland, doorsneden door 
de spoorlijn Purmerend— Hoorn; opp. 673 ha; omvat- 
tend het dorp B. en de buurtschap Schardam aan het 
Uselmeer. Op 1 Jan. 1933* 466 inw., grootendcels 
Prot. Veeteelt met een zuivelfabriek, tuinbouw 7 en een 
houtzagerij. van der Meer . 

2° Dorp van bijna 1 700 inw. in de F r i e s c h e 
gem. Opsterland. 

Beets, N i c o 1 a a s, dichter en prozaschrijver. 
Hij stond als student sterk onder den invloed van 
Byron, en in het algemeen van de Engelsche en 
Fransche Romantiek. 

De Engelsche humo- 
ristische literatuur 
(Sterne) heeft hem 
zeker mede tot den 
schrijver van de Came- 
ra Obscura gevormd ; 
een verzameling ro- 
mantisch - realistische 
prozastukken, welke 
hij onder het pseud. 

Ilildebrand publiceer- 
de. Dit proza ken- 
merkt zijn zachtaar- 
digen, vromen inborst, 
die een zekeren hang 
naar het weemoedige 1,eet8# 

en zacht-mclancholische vertoont. Dit was het 
eigenlijke deel zijner natuur, dat hij in zijn zooge- 
naamden ,, zwart en tijd” als dweepziek, jeugdig Byron- 
vereerder tevergeefs had trachten te forceeren tot 
het tragische levensgevoel van de door hem be- 
wonderde Romantiek. 

Als dichter stelde hij zijn lier herhaaldelijk in dienst 
van het vaderland, bij vreugdevolle en smartelijke 
voorvallen. Hij was in zekere mate een zuiver dichter- 
lijk talent; als poëet van de gezeten Hollandsche 
burgerij en als schrijver van natuurgedichten heeft 



285 


Beetsjoeana 


286 


hij daarvan blijk gegeven. Beets was daarnaast geen 
onverdienstelijk letterkundig essayist. * 1814 te Haar- 
lem, f 1903; studeerde theologie te Leiden, werd 
in 1840 predikant te Heemstede, in 1854 te Utrecht, 
daarna in 1874 benoemd tot professor in de theologie 
aan de universiteit van dezelfde stad. 

Werken: gedichten-bundels : Korenbloemen (1853), 
Najaarsbladen (t881), Dennennaalden (1900); proza: 
Camera Obscura (1851 compleet); Verscheidenheden 
meest op letterkundig gebied. — L i t. : E. J. Potgieter, 
De copieerkunst des dagelijkschen levens (Krit. Stud. I) ; 
L. v. Deyssel, Nic. Beets’ Camera Obscura ; P. D. Chante- 
pie de la Saussaye, Leven van Nicolaas Beets ; A. Verwey, 
Het Leven van Nic. Beets (De Beweging II 1905); 
C. Scharten, Beets-Hildebrand (De Gids III 1914). 

A. Sassen. 



Beetsjoeana, een Bantoegroep, woonachtig in 
Beets joeanaland, W. Transvaal en in den Oranje 
Vrijstaat (zie kaart Afrika, staatkundig); is verdeeld 
in vsch. stammen, bijv. Bak- 
wena en Barolong, hoofdzake- 
lijk landbouwers; de Bakala- 
hari, nog nomaden. De voor- 
naamste stammen der Oost-B. 
zijn de Basoeto en Makolelo; 
der West-B. de Barolong, 
Bangwaketse, Batlapi, Ba- 
mangwato en de Bakalahari. 
Aantal wordt geschat op ca. 
200 000, waaronder 2 000 blan- 
ken verspreid wonen. Huid- 
kleur is koffiebruin, die der 
Barolong lichter getint. Tn 
kleur gelijk aan de Amer. In- 
dianen, maar kleiner in sta- 
tuur; symmetrisch gebouwd; 
haar wolachtig. Voor ethno- 
logische samenstelling, > Ban- 
toe. In taal, alsook in maatsch. 
en staatkundige instellingen 
vertoonen zij zekere elemen- 
taire beschaving, en munten 
zelfs uit in nijverheid en kunst: 
houtsnijwerk, pottenbakkerij 
en smeedkunst. Hun dorpen 
zijn ook beter aangelegd dan 
bij de Zoeloe ’s; hun woningen 
kennen verdeel ing in kamers, 
ook luchtverversching, hetgeen 
stijging in cultuur toont. Hun 
kralen (= dorpen) hebben 
hutton met kegelvormig dak, 
omgeven door een schaduw- 
verstrekkende gang. Zij kennen 
hoofdbekleed ing en schouder- 
vellen, en zijn zacht en vrede- 
lievend, zoodat hun stamtwis- 
ten maar zelden leiden tot 
bloedvergieten. Hun wapenen 
bepalen zich tot een lichte speer (hun lievelings- 
wapen) en schild, en zonder veel tegenstand werden 
zij gemakkelijk onderworpen door hun meer oorlog- 
zuchtige buren: de Koranna s en de Kaffers. Slavernij 
is nauwelijks bekend. 

Waar zulks mogelijk is, wordt de bodem zorgvuldig 
bew’erkt; zij kennen geen bevloeiing. Veeteelt 
wordt beoefend. Zij hebben talrijke kudden schapen, 
maar weinig hoornvee, buiten de zeer gewaardeerde 
melkkoeien. Zij onderscheiden zoet- en zuurveld, 


Mestype der 
Beetsjoeanen. 


naar den smaak van het gras. De runderpest woedt 
soms, maar verliezen w r orden snel hersteld. Zij bezitten 
ca. een half millioen runderen, 150 000 schapen, 



Doorsnede van een Beetsjoeaansch huis. 


260 000 geiten, 10 000 ezels. Paard en ziek te komt veel 
voor, waakzaamheid hiertegen blijkt uit toezicht op 
invoer en verplaatsing van vee binnenslands. 

De B. hebben een vaag Godsbegrip ; maar 
geen tempels of priesters, geen afgoden of voor- 
werpen van vereering, behalve apen, slangen en kroko- 
dillen. De toovenaars, vooral de regenmakers, vreezen 
zij. Veelwijverij en besnijdenis worden toegepast. 
Door invloed van het Christendom is het lot der vrouw 
verzacht, zij is ontslagen van de zwaarste vormen 
van landarbeid. Zij zijn aanhangers van het 
> totem isme. 

Met o n d e r w ij s is door regeering en missie en 
zending een begin gemaakt. Er zijn 10 scholen voor 
blanken, 75 inboorlingscholen en 1 opleidingsschool 
voor inlandsche onderwijzers. 

De regeer insfs vorm der B. is monarchaal 
en patriarchaal, en zeer menschlievend. Aan de meeste 
stammen wordt volgens de beginselen, die bij de 
Basoeto proefhoudend gebleken zijn, een eigen gebied 
toegewezen, bestuurd door het stamhoofd, woonachtig 
in de grootste kraal en krachtens erfrecht onschend- 
baar. Onder deze hoofden of konimren komen de 
districts- en dorpshoofden, dan de rijken, de aristo 
craten van den stam. De macht der vorsten, overigens 
zeer verstrekkend, wordt bepaald door een p i t s o, 
den raad der magistratus minores. Het Beetsjoeana- 
protectoraat staat onder een commissaris, benoemd 
door de Britsche Kroon; hij is verantwoordelijk aan 
den Br. Hoogen Commissaris in Z. Afr. Het protecto- 
raat is verdeeld in een N. en een Z. gebied, elk onder 
een assistent-comm., resp. te Francistown en te 
Gaberones; elk gebied is onderveideeld in twee deelen 
onder een magistraat en politie. Hoofdzetel der 
regeering is te Mafeking, hoew T el buiten protectoraat- 
gebied gelegen. Rechtsspraak over blanken berust 
bij het Speciale Hof van het Br. protectoraat; die over 
inboorlingen bij de inlandsche hoofden, met recht 
van beroep op magistraat of ass. -commissaris. Belas- 
ting op elko hut als woning gebruikt, bedraagt 3 p. st., 
en 3 sh. voor een fonds voor opvoeding en alg. belan- 
gen; wordt geïnd door de hoofden, die 3% commissie 
ontvangen. Het land is vrij van openbare schuld. 

Handel e n verkeer. In het O. ligt 65U km 
spoorweg, ter verbinding met Kaapprov. en Rhodesia; 
wegen geschikt voor motorverkeer verbinden de voor- 
naamste dorpen met den spoorweg; w^at daarvan meer 
dan 80 km verwijderd is, moet van den ossenwagen 
gebruik maken. Ngami, ruim 600 km van Talapye 
(aan den spoorweg), heeft een rijweg. 

Statistiek voor den handel ontbreekt. 
Inkomende rechten worden aan de Uniehaven geheven 
en kwartaalsgewijze wordt een vaste som door de 
Unie-regeering aan het protectoraat van Beetsjoeana- 
land betaald, behalve op sterken drank en vuur- 
wapenen, die aan de protectoraatsgrenzen belast 


287 


Beetsterzwaag — Beetwortel 


288 


worden. Alcoholische drank mag aan een inboorling 
verkocht noch gegeven worden. Invoer: dekens, 
landbouwgereedschap, huishoudelijke art. en kruide- 
nierswaren; uitvoer: huiden, vellen, wol en vee, doch 
alleen boven zeker gewicht. 

Lit. : Broadbent, Narrative of introduction of Chr. 
among Bechuana (1865) ; Dehérain, L’expansion des 
Boers (Parijs 1905) ; Annual Reports on B. Protectorate 
(Colonial Office, Londen). 

Geschiedenis der Beetsjoeana. Volgens volksover- 
levering stammen de B. uit een grot, nog aangewezen 
in het land der Bakoni, waar op een rotsplaat de 
voetindruk van den eersten mensch, een B., nog te 
zien is. Oudste historische grenzen: in het Z. de Oranje- 
rivier, in het O. de kust van Natal en Mozambique, 
in het N. Ngamimeer, in het W. Damara- en Nama- 
qualand. Tegenwoordig kleiner door binnengedrongen 
Afrikaners, die hun maatsch. en econ. overwicht 
steeds meer vestigen. Over verbreiding der Bantoe en 
hun evolutie tot B., > Bantoe. Reisbeschr. van Truter 
en Sommerville (1801), Towan en Denavon (1808) 
tot Mozambique; Burchell (1812) tot de Maloppo’s; 
Campbell (1820) tot Karichoeene. Toen bestond reeds 
een zendingspost te Litakoe. Smith drong 1834 — *35 
door tot de Limpopo. Verdere bekende reizigers waren 
Moffat en Livingstone; ca. 1817 heeft Moselikatze 
Basoeto, grondvester van de Metabele en Basoeto- 
natiën,als vluchteling voor Chaka het land bezocht 
en zich in Metabeleland gevestigd. In 1818 stichtte 
de Schotsche zendeling Robert Moffat een post te 
Koeroemaa in het centrum van Beetsjoeanaland en 
is daar een halve eeuw werkzaam geweest als opvoeder 
der B. In 1841 voegde zich bij hem David Livingstone, 
doorvorscher van het N. en zendeling der Bakwena. 
Bij de Zandrivier-conventie van 1852, waarbij Groot- 
Brittannië de onafhankelijkheid van Transvaal erken- 
de, kwamen beide partijen overeen geen vuurwapenen 
aan inboorlingen te leveren. Expedities tegen de 
Bapedi en Bakwena waren noodig om deze stammen 
tot rede te brengen. Verkeerd ingelicht omtrent de 
naturellenpo litiek der Boeren (> Bantoe) door 
Engelsche zendelingen ter plaatse, volgde de regeering 
te Londen een politiek, die geweld deed aan de bepa- 
lingen der Zandrivier-conventie. Dit leidde herhaal- 
delijk tot wrijving, zooals met de stammen der 
Bakwena en Barolong, totdat een verdrag van Paul 
Kruger en Marth. Wessel Pretorius met Montsioa in 
1870 tot stand kwam. Dat de toegeeflijke politiek 
der Engelschen toch niet de juiste was, bleek wel, 
toen gen. Charles Warren Beetsjoeanaland moest 
bezetten. De Afrikaners hadden hun aloud beleid 
van bevrediging door organisatie voortgezet, door 
stichting van de republieken Goosen met hoofdplaats 
Vrijburg en Stellaland in 1882, op Beetsjoeanagebied; 
wegens voorgewende handelsbelemmering slaagde 
Engeland er in ze te verdeelen tusschen Gr. Brit. 
en Transvaal. Cecil J. Rhodes, met toepassing van 
zijn imperiale expansie-politick, gebruikte hot nu 
Britsche Beetsjoeanaland (evenals Metabele- en 
Mashonaland) als een rooden gordel om Transvaal 
Noordwaarts in te snoeren. In 1885 werd het N. deel 
tot een Britsch protectoraat gemaakt; het Z. deel, 
Britsch Beetsjoeanaland, wordt door de British S. 
Africa Co. beheerd; is ingelijfd in de Kaapprov. 
(1895). 

Lit.: R. Moffat, Missionary labours and scenes in 
S. Afr. (1842) ; G. W. Stow, The native races of S. Afr. 
(Londen 1915). 


Voor missie, zie kaart (Kerkelijke indeeling), 
t/o kolom 537/8, deel I. 

Beetsjoeanaland bestaat uit Britsch Beetsjoeana- 
land tusschen Oranje- en Molopo-rivier en Br. protec- 
toraat ten N. hiervan; grenst in het W. aan Z.W. Afr., 
in het N. aan Portugeesch W. Afr.; N.O. aan Zuid- 
Rhodesia; Z.O. aan Transvaal en Kaapprov.; is nog 
niet behoorlijk opgemeten en in kaart gebracht. Opp. 
712 000 km 2 ; hoogte gemiddeld 3 300 voet. De meeste 
bergen staan alleen; men vindt er pannen, holten, 
waarin water kan voorkomen, vermoedelijk ontstaan 
door werking van winden, of kaaltrappen en rond- 
rollen van wild; bodem is zand of modder. Weinig 
bovengrondsch water. In droge waterbeddingen vindt 
men doorgaans water op een paar voet diepte. Water- 
houdende rivieren zijn: Zambesi, Marico en Limpopo. 
In het N. moerassen, vooral bij het Ngamimeer. 
Zomers heet met koele nachten. Regenval: 15 tot 20 cm 
in Dec. tot April. Weinig bosch; stofstormen. Doom- 
bosschen belemmeren het verkeer. Hoofddeel is de 
Kalahari, tusschen Oranje-rivier en Zambesi; het is 
een hoogvlakte, in het O. snel dalende naar de Limpopo 
en Vaal; alleen geschikt voor runderen, geiten en 
schapen. De O. deelen zijn het dichtst bevolkt; door 
dit gebied loopt de eenige spoorweg, van Kimberley 
over Mafeking naar Boelawayo. In de woestijnvlakten 
van de droge Kalahari zwerven nog Bosch jesraannen 
en Beetsjoenastammen. Sommige inboorlingen-dorpen 
hebben aanmerkelijken om vang, bijv. Serowe 
met 25 000 inw. Indigo en katoen groeien in het wild, 
ook watermeloen. Onverantwoordelijke verwaarlo- 
zing van boomen en bosschen is oorzaak voor de opdro- 
ging van het land, evenals onverstandige veeteelt 
en grasbranden. Vooral de stichting van Kimberley 
werkte de ontbossching in de hand (brandhout en 
mijnstutten); toch komt er nog goed grasland voor. 
Er zijn veel wilde dieren, zooals antilopen (bokken), 
olifanten, nijlpaarden, rhinocerossen, giraffen, buffels, 
leeuwen, luipaarden, hyena’s en jakhalzen; voorts: 
struisen; slangen, pofaders en cobra; verder schor- 
pioenen, tarantula, sprinkhanen, witte mieren en 
muskieten en in enkele rivieren krokodillen. 

Lit.: zie boven. Besselaar. 

Beetsterzwaag , dorp van bijna 1 200 inw. in 
de Friesche gem. Opsterland aan de tramlijn Heeren- 
veen — Drachten, te midden van de grootste bosch- 
gebieden van Friesland; toerisme. 

Beetsyndicaten, vereenigingen van planters, 
die ten doel hebben de suikerbietenopbrengst van hun 
leden gezamenlijk en tegen de voordeeligste voor- 
waarden te verkoopen. 

In België bestaan dergelijke vereenigingen in alle 
beetenstreken. Zij hebben als werkgebied een of meer 
gemeenten en zijn gegroepeerd in gewestelijke verbon- 
den, die over het afsluiten der contracten met de sui- 
kerfabrieken onderhandelen. Luytgaerens . 

Beetwortel, Bèta vulgaris, van de 
familie der ganzevoetachtigen (Chenopodiaceae), werd 
vroeger B. maritima genoemd, doch thans Bèta 
vulgaris var. maritima. Afkomstig uit het Oosten, 
heeft deze plant zich sterk langs de kusten van Europa 
verbreid en zijn er door een zorgvuldige teelkunst 
verschillende uiterst belangrijke variëteiten ontstaan. 
De oorspronkelijke wilde soort bezat dunne wortels, 
welke bij vele gekweekte soorten sterk verdikt zijn, 
zooals de landbouwvar. veevoederbieten of mangel- 
wortelen en de suikerbieten, bèta vuig. cicla en bèta 
vuig. rapa(cea). Deze laatste heeft in de gematigde 


289 


Beetwortelsuiker — Begaafdenscholen 


290 


luchtstreken den grondslag gelegd voor de zoo belang- 
rijke suikerindustrie. In den tuinbouw treft men nog 
aan de roode bieten of kroten en snijbiet, welke laatste 
zeer dunne wortels bezit. Bonman. 

Beetwortelsuiker, suiker (> Saccharose), 
dus niet druivensuiker, glucose, enz., verkregen uit 
beetwortelen. > Beetwortelsuikerfabriek. 

Beetwortelsuikerfabriek, inrichting, waar 
uit beetwortelen suiker wordt vervaardigd. Zgn. ruw- 
suikerfabrieken leveren een product af, dat bruin 
gekleurd is, nog ca. 1 % asch bevat en van ± 96%pola- 
risatie d.w.z. suikergehalte is. Steeds meer leveren de 
b. een wit product af, daar de beetwortelsuikersappen 
zich veel beter leenen tot het vervaardigen van witte 
suiker dan de rietsuikersappen. Het witte product, dat 
door de witsuikerfabrieken resp. witsuikerfabrieken- 
raffinaderijen afgeleverd wordt, is van zeer verschil- 
lende hoedanigheid. Gewone witsuiker is in West- 
Europa niet voor de consumptie geschikt. Vele Ned., 
Tsjecho-Slowaaksche, Engelsche en tegenwoordig ook 
Duitsche fabrieken leveren een product af, dat met 
geraffineerde suiker kan worden gelijkgesteld en trou- 
wens ook bij de fabricage zelf een soort raffinageproces 
heeft ondergaan. P. van Ginneken. 

Bectwortelvljanden, > Bietenvijanden. 

Bcever, E. van, Holl. schilder, * 28 Maart 
1876 te Antwerpen, f Juni 1912. Leerling van de 
Quellinusschool te Amsterdam en van Alex Boom, 
daarna van Ed. Frankfort te Amsterdam. Hij studeerde 
ook 3 jaren aan de Acad. te Amsterdam. Schilderde 
stillevens, interieur, genre en dorpsgezichten. Ook 
enkele etsen. 

L i t. : Alb. Plasschacrt, Holl. schilderkunst. 

de Stuers. 

Bcez, gem. in de prov. Namen, ten O. van Namen, 
aan de Maas; 1 000 inw., grootendeels Kath.; opp. 
314 ha; landbouw; kalksteen. Merkwaardigheid: 
Romaansche kerk. 

Bel. In de 17e eeuw benaming voor lederen platten 
kraag (zoo is dan ook 
van mantelbeffen sprake). 
Waar de ontwikkeling 
van den kraag in den loop 
der 17e eeuw leidt tot een 
vorm, smal rondom den 
hals en met een breed 
plat stuk op de borst, 
gaat het woord bef voor- 
al op dit laatste over. 
Zoo is b. gebleven als 
benaming van den hals- 
tooi bij het ambtsge- 
waad van advocaten en 
predikanten, welke in de 
laat-17e eeuwsche bef 
haar oorsprong vindt. 

v. Thienen. 

Befana (etymol. afleiding van Epiphania onze- 
ker), een heks, die in het Italiaansche volksgeloof een 
zelfde rol speelt als bij ons vrouw Holle. In den Drie- 
koningennacht wordt te Rome op de Piazza Navona 
(Circo Agonale) met toeters en ratels een helsch lawaai 
gemaakt om B. op de vlucht te drijven. De verdrijving 
van het oude jaar en feestelijke inhaling van het 
nieuwe, dat vroeger op Driekoningen gevierd werd, 
zou hier aan ten grondslag liggen. Door kinderen wordt 
een schoen of kous onder den schoorsteen geplaatst, 


welke ’s morgens met suikergoed gevuld is (vgl. St. 
Nicolaas). 

L i t. : H. Usener, Religionsgeschichtl. Untersuchun- 
gen (I 2 1911, 218 vlg.). J. van Rooij . 

Beïfe, Belg. gem. in de prov. Luxemburg, ten O. 
van Marche; 350 inw.; opp. 1109 ha. Rotsachtige, 
beboschte omgeving; Ourthe; heerlijke ligging. 

Beflljster (Turdus torquata), ook 
krans-, kring- of kraaglijster genoemd, zangvogel uit 
do familie der lijstervogels. Is grooter dan onze gewone 
zanglijster en merel. Kenmerkend is de groote ring- 



vormige witte keelvlek (bef); overigens is de kleur bij 
het mannetje dofzwart met halvemaanvormige grijze 
vlekjes, ontstaan door grijze omzooming der dek- 
veertjes; de snavel is aan den wortel geel; bij het 
wijfje is de kleur meer bruinachtig. De vogel komt in 
het voor- en najaar op den doortrek in ons land en 
blijft soms als wintergast; werd bij ons ook op enkele 
plaatsen broedend aangetroffen; broeit overigens op 
het hooggebergte van Skandinavië, maar ook in de 
Pyreneeën en andere gebergtestreken van Europa. 

Willems. 

Bega, linker zijrivier van de Theiss in Z. W. Roe- 
menië en N.O. Joego-Slavië, beneden Neliki-Betsj- 
kerek gekanaliseerd. Van deze stad loopt het ruim 
100 km lange B e g a-k anaal evenwijdig aan de B. 
naar Temesvdr. 

Bega, Cornelis, schilder en etser te Haar- 
lem, * 1620, f 1664; leerling en navolger van Adr. v. 
Ostade. Bijna uitsluitend kiest hij als onderwerpen 
het boerenleven en kroegscènes. Deze zijn vrijwel 
geheel in den trant van zijn leermeester behandeld, 
echter veel zwakker. Hij was zeer productief. Zijn 
teekeningen en etsen zijn verdienstelijker dan zijn 
schilderwerk. 

L i t. : v. Wurzbach, Niederl. Künstlerlex. 

Schretlen. 

Begaafdenscholen. Worden scholen voor zwak- 
zinnigen steeds algemeener, ook met inrichtingen voor 
de hoogstbegaafden werden hier en daar proeven ge- 



Befvorm van omstreeks 
1690. 


v. i« 


291 


Begaafdheid— Begeerlijkheid 


292 


nomen, eerst te Berlijn, later ook in Hamburg, Frank- 
fort en in Oostenrijk. De beweging ontstond tijdens 
den grooten oorlog: ten gevolge van het enorme 
menschen verlies kwam men tot. de overtuiging, zuinig 
te moeten zijn met de verstandelijke gaven van het volk, 
en met name de talenten, die ook onder de lagere 
standen schuilen, niet in den grond te graven. Luid 
klonk de leuze: Freie Bahn den Tüchtigen ! Daarom 
moest tusschen lager en hooger onderwijs een brug 
geslagen worden, die tot dusverre niet bestond: de 
Ign. „Aufbauschulen” werden de weg, waarlangs 
leerlingen met uitstekenden aanleg, die tot hun 13e 
jaar de gewone volksschool bezocht hadden, een der 
inrichtingen van het hooger onderwijs konden bereiken. 
Aanvankelijk speelde bij de > selectie het testonder- 
zoek een groote rol. Voor het samenstellen van zulke 
be^aafdentests maakte zich, naast Moede en Pior- 
kowski, vooral W. Stem verdienstelijk. Door de in- 
voering van de vierjarige „Grundschule”, toegankelijk 
voor iedereen, zijn de kansen van het gewone volkskind 
vanzelf veel grooter geworden en heeft het probleem 
der begaafdcnschool een eenigszins ander aspect ge- 
kregen. Het is overigens een groote vraag, of bij de 
selectie voor het hooger onderwijs alleen verstandelijke 
aanleg den doorslag moet geven: voor het bekleeden 
van hoogere betrekkingen zijn zeker ook traditie en 
een zekere cultureele standing niet te venvaarloozen 
factoren, terwijl de plotselinge verheffing uit minderen 
stand gemakkelijk kan leiden tot een overdreven 
gevoel van eigenwaarde met de nadeelige moreele 
gevaren daarvan. 

L i t. : S. Rombouts, Hist. Ped. (III 1928). 

Romboufs. 

Begaafdheid, een begrip, vooral gebruikt in 
verband met het verstand. Men select ionneert de 
begaafden door middel van verstandstesten: * Intel- 
lectueel quotiënt. .. 

Begard , begardisme, > Begijn. 

Begas, 1° Karl (de Oudere), Duitsch 
schilder, * 30 Sept. 1794 te Hainsberg bij Aken, f 23 
Nov. 1864 te Berlijn. Leerling van Philippart te 
Bonn, 1813 naar Parijs op het atelier van Jean Ant. 
Gros; deze studietijd slechts onderbroken door den 
oorlog; daarna keerde hij weer naar Parijs terug en 
vestigde zich later te Berlijn. Schilderde voor den dom 
te Berlijn een altaarstuk: De uitstorting van den H. 
Geest (1821). Schilderde vele religieuze onderwerpen 
doch ook genrestukken en portretten, zooals die in de 
musea te Keulen en de National Galerie te Berlijn. 

Voornaamste werk: „De doop van Christus” 
in de Garnizoenskerk te Potsdam (1823). 

2° Karl (de Jongere), Duitsch beeldhou- 
wer, * 23 Nov. 1845 te Berlijn. Zoon van Karl B. 
Leerling van de acad. te Berlijn en van zijn broeder 
Reinold. Werkte ook nrg bij den beeldhouwer L. 
Sussman. Studeerde te Rome. Werd leeraar van de 
acad. te Kassei. Vestigde zich daarna te Berlijn. 
Van zijn tabijke werken zijn te vermelden bronzen 
bustes van Moltke, prins Friedrich Karl en van 
Otto van Sparr (1882) in het Zeughaus te Berlijn ; 
het marmeren standbeeld van den architect Knobels- 
dorff in de Voorhal van het Alt. Mus. te Berlijn 
(1887). 

Lit. : Kat. der Berl. Nat. Gal. (1907, 411). 

de Sluers. 

Begbfe, H a r o 1 d, Engelsch journalist en 
romanschrijver. * 1871, f 1930. 

Werken: romans, politiekeren^ sociologische wer- 


ken : The Ilandy Man (1900) ; Mastcr Workers (1906) : 
The Priest (1906) ; In the Hand of the Potter (1911) : 
Religion and the Crisis (1913) ; The Proof of God (1914); 
enz. 

Begeerlijkheid (Lat. concupisccntia, Gr. epi- 
thumia). 1° In meer algemeenen zin isb. 
het zinnelijk streef- of begeervermogen, waardoor 
men liet door de zinnen waargenomen goed nastreeft. 
Tn dezen zin is de b. uit zich noch goed noch kwaad: 
het zinnelijk begeeren is goed of kwaad, al naar gelang 
het al dan niet trouw blijft aan de zedelijke orde, 
gelijk deze door de rede erkend w T ordt. Men onderscheidt 
de voorafgaande en de gevolgelijke b. (coneupiseontia 
antecedens et consequens), naar gelang zij het oordeel 
der rede en het bevel van den vrijen wil voorafgaat of 
door den vrijen wil wordt geboden en dezen dus volgt. 
Natuurlijkerwijze heeft de wil geen „onbeperkte 
heerschappij” over de b. (potestas despot ica >: het 
redelijk en zinnelijk begeervermogen immers (wil en b.) 
hebben ieder hun eigen sfeer en eigen voorweq) 
(redelijk of zinnelijk goed): bovendien gaat zinnelijk 
waarnemen en begeeren vooraf aan het verstandelijk 
waarnemen en begeeren. Wel heeft de wil een „leidende 
macht” (potestas politica of dominativa), in zooverre 
hij macht heeft over het voorstellingsvermogen en 
over de uitwendige zintuigen. 

2° In engeren, theologischen, meest gebrui- 
kelijken zin is b. het streven der zinnelijke begeer- 
vermogens, dat ingaat tegen de zedelijke orde, gelijk 
die door de natuur zelf is afgekondigd (natuurwet) 
en voornamelijk, gelijk die in de bovennatuurlijke 
openbaring is neergelegd (bovennatuurlijke zedenwet). 
Gal. 5. 16, 17, 24; Eph. 2. 3; 2 Petr. 2. 10; 1 Joh 2. 16; 
Jac. 1. 14; 4. 3; 4. 1,2; (zie Statenbijbel Gal. 6. 16; 
24; Ef. 2. 3; 1 Joh. 2. 16; Jac. 1. 14. 15;) vandaar 
de stereotype combinatie „ongeregelde (booze) b.”. 
Deze beteekenis wordt soms uitgestrekt tot alle 
begeeren, dat ingaat tegen de wet des geestes (Rom. 
7. 7, 8): zoo spreekt men vaak, vooral op den kansel 
en in ascetische geschriften, van de „drievoudige 
begeerlijkheid” naar aanleiding van 1 Joh. 2. 16. 
In den staat der > oorspronkelijke gerechtigheid 
bestond ook de b. in algemeenen zin, maar het zinne- 
lijk begeeren was volkomen onderworpen aan de rede, 
gelijk deze aan God onderworpen was. Door de zonde 
werd die harmonie verstoord en kw r am de b. in opstand 
tegen de rede, evenals deze tegen God was opgestaan ; 
aanduiding daarvan vindt men in Gen. 2. 25; 3. 7 — 11. 
Die onderworpenheid van het zinnelijk begeeren aan 
de rede was een gave, welke krachtens ’s menschen 
natuur niet werd gevorderd. De tegenovergestelde 
leer van Bajus werd door Pius V verworpen (Denz. 
1026, 1065). De ongeregelde b. is dus feitelijk een 
gevolg van de erfzonde; daarbij is zij een bron van 
> dadelijke zonden, „fomes peccati”, een haard van 
zonde (Conc. van Trcnte, Denz. 792). Zij blijft ook 
na het Doopsel; echter kan zij in den gedoopte geen 
zonde genoemd woorden in eigenlijken zin, daar in 
het Doopsel al, wat den eigenlijken aard van zonde 
deelt, wordt weggenomen. Wanneer de b. zonde 
genoemd w’ordt door St. Paulus (Rom. 6. 12 vlg.), 
kan dit t.o.v. den gedoopte alleen in wijderen zin 
verstaan worden, in zoover de b. uit de (erf-)zonde 
voortkomt en tot de (dadelijke) zonde voert. Deze 
leer is door het Conc. van Trente als geloofspunt 
vastgelegd (Denz. 792). 

Volgens St. August inus ligt in de b. een wezenlijk 
element der erfzonde. Hij onderscheidt in de erfzonde 


293 


Begeerte — Beginschop 


294 


het „kwaad” en de „schuld” (malum en reatus). In 
het Doopsel nu wordt het karakter van „schuld”, 
dat ook de b. draagt, weggenomen: het „kwaad” 
echter, hierin bestaande, dat de b. strijd voert tegen 
de wet des geestes, blijft ook in den gedoopte. 

St. Thomas preciseert St. Augustinus’ leer, als 
hij de b. vel niet als het formeele, maar als het mate- 
rieele element der erfzonde aanduidt (I, II q. 82 a. 3). 
De Hervorming leert, dat de b. ons schuldig maakt 
voor God ; zij ziet er het wezen in der erfzonde, doch 
b. moet dan verstaan worden in wijderen zin als het 
ongeordend begeeren, zetelend zoowel in de hoogere, 
als in de lagere vermogens. De b. blijft als zonde 
ook in den gedoopte. Calvijn zelf erkende, dat de leer 
der Ilcrv. hierin afwijkt van St. Augustinus (Instit. 
II ï, 3, 10). Logisch leidt de Ilerv. hieruit af, dat de 
uitingen der ongeregelde b., zelfs wanneer de wil er 
zich tegen verzet, zonde zijn. Deze leer werd gedeelte- 
lijk overgenomen door het Jansenisme (Bajus, Janse- 
nius, Quesnel), dat eveneens in de ongeregelde b. en 
in het ongeordend begeeren, ook als de vrije wil niet 
erin toestemt, zonde ziet, gelijk het overigens alles 
tot zonde stempelt, wat zonder de genade geschiedt: 
„de begeerlijkheid of de wet des vleesches en hare booze 
begeerten, welke de mensch tegen zijn wil gevoelt, 
zijn eene echte ongehoorzaamheid aan de wet” (Bajus. 
Denz. 1051). 

Het standpunt der Kerk t.o.v. de uitingen der b. 
zet het Conc. van Trente uiteen, als het leert, dat de 
b. na het Doopsel weliswaar blijft, maar tot beproe- 
ving: daarom kan zij „dengenen, die niet daarin toe- 
stemmen en mannelijk met de genade van J. Chr. 
daartegen strijden, niet schaden. Integendeel hij, 
die wel zal gestreden hebben, zal worden gekroond 
(2 Tim. 2. 6)” (Denz. 792). Zoo stelt de Kerk ook hier 
tegenover het sombere pessimisme van Hervorming 
en Jansenisme een gezond en krachtig optimisme. 

L i t. : S. Thomas Aq. (I, II q. 30 ; q. 83 a. 3) ; Dict. 
Théol. Vacant, art. Augustin, Concupiscence, Péché 
Originel ; Diekamp, Katholische Dogniatik (II 5 1921); 
Kors, La Justice Primitive et le Péché Originel d’après 
S. Thomas (1922) ; Gredt, Elementa Philos. Aristot.- 
Thom. ( 6 1 929) ; Mausbach, Die Ethik des hl. Augustinus 
( 2 1929); Bavinek, Gereformeerde Dogmatiek (III 4 1929); 
Geesink, Gereformeerde Ethiek (I 1931); Noble, Les 
Passions dans la Vie M orale (I en II, 1931, 1932) ; Pohle, 
Lehrbuch der Dogmatik (II 8 1932). v. d. Meulen. 

Begeerte, booze, in den meest algemeenen 
zin is ieder in de booze > begeerlijkheid wortelend 
verlangen (concupiscentia actualis), iedere dadelijke 
lust tot het kwade in onze zinnelijke streefvermogens 
of in onzen wil. Ze is zondig, in strijd met het negende 
en tiende gebod (Ex. 20. 17; Deut. 5. 25), als en inzoo- 
verre de vrije wil er in betrokken is, door ze zelve te 
verwekken of door in de spontaan opkomende roerselen 
der zinnelijkheid toe te stemmen. Meer speciaal 
wordt in de Katholieke moraaltheologie onder booze b. 
verstaan het beraden wilsverlangen, dat uitgaat naar 
de booze daad, of de toestemming van den wil tot 
het daadwerkelijk volvoeren van het kwaad: een zonde 
van dezelfde zwaarte (doodzonde of dagelijksche zonde) 
en dezelfde soort als de daad zelf, waar zich het ver- 
langen of het voornemen op richt, volgens Mt. 5. 28: 
„wie een vrouw beziet om haar te begeeren, heeft 
reeds overspel met haar gepleegd in zijn hart”. In 
dezen zin vormt de booze b. met de vrijwillige ver- 
lustiging in een voorgesteld kwaad en de vreugde over 
een bedreven kwaad de drie hoofd typen van inwendige 
zonden. 


Lit. : jSt. Thomas Aq., Summa theol. (I II, qu. 
74) ; Quacst. disp. de malo (qu. 2 en 7) ; Quaest. disp. de 
ver. (qu. 15 en 25) ; St. Alph. de Lig. Theol. mor. (V, 
12-15); Homo apost. (III, 47-54). Buys. 

Begeleidende cellen, > Bast. 

Begeleiders noemt men die mineralen in een 
ertsafzetting, die, hoepel zelf geen erts zijnde, in een 
bepaald genetisch verband staan met de belangrijkste 
ertsen der ertsafzetting. 

Begenncligingswaan, term, gebruikt in de 
psychiatrie voor een bijzondere waan vorming, welke 
voorkomt bij levenslang veroordeelden, die een 
langdurige celstraf achter den rug hebben. 

Bcgga, Heilige, dochter van Pepijn van Landen 
en Itta, en zuster van S. Gertruud; was gehuwd met 
Ansegisus, hofmeier onder den Frankischen koning 
Sigebert III. Zij stichtte in 691 een klooster te Andenne 
(België, prov. Namen), waar zij in 693 overleed. Haar 
naam wordt ten onrechte in verband gebracht met de 
Begijnen. 

Lit.: Ghesquière, Acta SS. Belgii (V 1789, 70-111). 

Lindeman. 

Voorstelling in de kunst. Begga, 
gekleed als begijntje, de handen gevouwen, zonder 
eenig verder attribuut (van Lochom); als vorstelijke 
vrouwe in wijden mantel en bij haar twee volkomen 
gelijke kloosterkerken (Beckh). 

Beggar’s Opera, > Ballade-opera. 

Beggiatoa, > Zwavelbacterie. 

Beghlnen, Vanden twaelf, laatste 
werk van Ruusbroec, zoo genoemd, omdat het begint 
met twaalf begijnen, die in verzen, door Hadewych 
ingegeven, twaalf stemmingen in den dienst van Jesus 
uitdrukken; een zeer los samenhangend werk, dat 
handelt over de beschouwing, over den invloed der 
planeten, over het liturgisch leven met Jesus’ lijden; 
het belangrijkste deel gaat over de ketterijen, waarin 
Ruusbroec Eckehart vooral op het oog heeft. 

U i t g. : Nieuwe uitg. door J. van Mierlo (Mechclen 
1932). — Lit.: J. van Mierlo, Ruusbroec’s bestrijding 
der ketterij in : Ons Geestelijk Erf (1932). V. Mierlo. 

Beginaccent. Bij b. valt het > intensiteits-, 
ook wel druk- of expiratorisch accent genoemd, op 
de eerste lettergreep van een woord. > Accent. 

Beginlamp (Eng.: master-oscillator, Duitsch: 
Steuerröhre). Hieronder verstaat men bij radiozenders 
de eerste lamp, welke gebruikt wordt, om de frequentie 
van de zendgolf af te leiden. De b. geeft óf dezelfde 
frequentie als de zendgolf, óf een fractie van deze 
frequentie. In dit laatste geval wordt de frequentie 
van de b. één of meer malen verdubbeld of verdrie- 
voudigd door daartoe geschikte schakelingen. De b. 
geeft alsdan 1 / a , 1 / 4 , 1 / e , 1 / 8 of van de uiteindelijk 
gezonden frequentie. Meer dan driemal ige verdubbe- 
ling wordt met het oog op de stabiliteit van het 
systeem zelden toegepast. Ten einde de b. zoo constant 
mogelijk te houden, kunnen speciale voorzorgen 
genomen worden. Ze wordt dan zeer weinig belast, 
electrisch gescheiden van de rest van den zender 
door middel van een zgn. separatorlamp. Haar span- 
ningen worden zorgvuldig constant gehouden, terwijl 
ze ook wel in een thermostaat geplaatst wordt. 

Dubois. 

Beginrijm, Alliteratie. 

Beginschop. bij het voetbalspel een schop, waar- 
mede het «pel begint, gedaan van het middelpunt 
van het veld in de richting van de doellijn der tegen- 
partij. 


295 


Beginsel— Begraafplaats 


296 


Beginsel of principe (^ Lat. principium, 
Gr. archè — begin) is eigenlijk al wat op een of andere 
wijze aan iets anders voorafgaat. Men onderscheidt 
zijns- en denkbeginselen: het eerste in de zijnsorde 
is het laatste in de denkorde, en omgekeerd. De weten- 
schap der eerste beginselen heet wijsbegeerte. 

Een z ij n s b e g i n s e 1, dat uiteraard het zijn 
van iets anders bewerkt, heet oorzaak (Lat. causa); 
een denkbeginsel, dat uiteraard het kennen 
van iets anders bewerkt, heet grond (Lat. ratio). 
Beginselen, die niet uiteraard maar op meer bijkom- 
stige wijze het zijn en kennen van iets anders bewerken, 
heeten hiervan de noodzakelijke voorwaarde (Lat. 
conditio sine qua non) of aanleiding (Lat. occasio). 

Eerste denkbeginselen zijn de allereerste enkel- 
voudige begrippen (Lat. prima simplicia) en de aller- 
eerste oordeelen (Lat. prima principia). Deze laatste 
zijn de denkbeginselen in strikten zin en heeten 
axioma’s. Het zijn de beginselen, die in de verschil- 
lende onderdeelen der wijsbegeerte worden uiteengezet, 
bijv. wat niet wezenlijk aan iets toekomt, komt van 
iets anders (oorzakelijkheidsbeginsel) ; het goede 
moet worden gedaan, het kwade moet worden gelaten 
(moraalbeginsel). Ze moeten voor eenieder duidelijk 
zijn; al onze verdere kennis (conclusies) berust er op, 
maar zelf worden ze onmiddellijk gekend en kunnen 
dus nooit in strikten zin worden bewezen. 

Beginselen bezitten absolute geldigheid: onder 
geen enkel beding mag er van worden afgeweken. 
Ze worden toegepast in de zgn. regels, die uit- 
zonderingen toelaten. Het allereerste denkbeginsel, 
tevens zijnsbeginsel, is het beginsel van tegenspraak 
(het axioma der axioma’s): iets kan niet tegelijkertijd 
en onder hetzelfde opzicht zijn en niet zijn. 

Lit. : Reg. Garrigou-Lagrange O.P., Dieu ( 5 1928); 
J os. de Tonquédec, La critique de la connaissance (1929); 
L. Fuetscher S.J., Die ersten Seins- und Denkprinzipien 
(1930) ; P. Manser O.P., Das Wesen des Thomismus 
(1932). v. d. Berg . 

Beginselenwet (N e d. Recht), > Ge- 
vangeniswezen. 


Begin van een uitvoering (N e d. R e c h t), 
> Poging. 

Begonia, planten- 
geslacht, waarvan ver- 
schillende, meest Zuid- 
Amerikaansche soorten 
gekweekt worden in serre, 
woning en bloementuin. 
Soms groote, gewoonlijk 
talrijke bloemen, fraai 
gekleurde en geteekende 
bladeren. De b. zijn niet 
winterhard. Vermenig- 
vuldiging door zaaien of 
stekken. In de omgeving 
van Gent heeft de han- 
delscultuur der knol- 
begonia’s een zeer groote 
uitbreiding genomen: 
haar begoniavelden zijn wereldberoemd. 

Lit.: Vilmorin-Andrieux et Cie., Fleurs de Plaine 
Terre ( 4 1894) ; K. Fotsch, Die Begonien (1933). 

Begoniaceeën (Begoniaceae), een familie 
met 420 soorten; grootendeels bewoners van de tro- 
pen, met eenige soorten in gematigd klimaat; ook in 
de koelere streken der tropische bergen treft men vele 
soorten aan tot op 2 000 m hoogte; B. gemmipara 



zelfs tot op 3 000 m. Behalve de geslachten Hille- 
brand ia op Hawaii, Synbegonia op 
N. Guinee en Begoniella in Columbia, welke 
alle drie slechts enkele vertegenwoordigers hebben, 
behooren de overige ongeveer 400 soorten tot het ge- 
slacht Begonia en worden veelal als sierplanten 
gebruikt. Voor den tuin komen in aanmerking de 
grootbloemige knolbegonia’s en als kamerplanten de 



bladbegonia’s, waarvan de bekendste is B. r e x. De 
doorbloeiende B. semperflorens is zeer geschikt voor 
bloembedden en balconversiering. Bonman. 

Bcgovic, M i 1 a n, Serbo-Kroatisch dichter en 
tooneelschrijver. * 19 Jan. 1876 te Wrlica (Dalmatië). 
De poëzie van M.B. is pamassiaansch van vorm: 
vooral de Italiaansche strophiek heeft hij, als geschoold 
romanist, meesterlijk nagebootst. Later ging hij tot 
het vrije vers over. Als dramaturg gaf B. enkele eigen 
tooneelspelen in verzen en vertaalde hij vooral uit 
Goldoni, Grillparzer en Ibsen. 

(Werken: Pjesme (Verzen, 1890) ; Knjiga Bocca- 
dora (Het boek Boccadora, 1900) ; Zivot za Cara (Het 
leven bij den Isar, 1904) ; Knjiga sunce (Het boek van 
de zon, 1907). T o o n e e 1 : Myrrha (1902) ; Venus 

Victrix (1906) ; Gospogja Walewska (1906). Baur. 

Begraafplaats. Zie plaat tegenover kolom 273. 
Begraafplaats heet terrein, waar overleden personen 
begraven worden. Ook kerkhof genoemd, 
aangezien de b. vroeger meestal bij of om een 
kerk lag. Bij voorkeur moet de b. vrij, op een hooge 
plaats, niet aan een grooten weg aangelegd worden, 
zoodat de lijken boven den hoogsten waterstand liggen. 
Indien dit onmogelijk is, dan moet de b. opgehoogd 
worden ofwel gedraineerd, waarbij men het ciraineer- 
water moet behandelen als rioolwater. Er moet gelet 
worden op de eventueele aanwezigheid van een grond - 
waterstroom, welke verontreinigd zou kunnen worden, 
en dat de meest heerschende wind niet eerst over de b. 
en dan over de stad strijkt. De grootte van de b. is te 
bepalen naar het aantal te verwachten sterfgevallen, 
vermenigvuldigd met het aantal jaren, dat het graf 
onberoerd moet blijven. De grootte van een graf is ca. 


297 


Begrafenis 


298 


2x1 m 2 . De graven worden in secties samengevat met 
oppervlakten van bijv. 30x50 m 2 (Mftnchen) en 
100x180 m 2 en 180x180 m 2 (Weenen). Voor geeste- 
lijken een afzonderlijke sectie; eveneens voor kinderen. 
Èr is een streven om van de b. een park te maken met 
groote ruimte voor groen, bosch en alleeën. Voor een 
Kath. b. moet het grafveld de hoofdzaak blijven, aan 
de randen alleen parkaanleg. De plaatsing der graf- 
teekens moet naar kunstzinnige opvattingen geregeld 
worden. Voor beplanting en hoofdwegen te rekenen 
op 20% van de opp. van de b. Behalve het genoemde 
zijn voor een goed kerkhof noodig in de eerste plaats 
een goed plan, waarin rekening gehouden wordt met: 
a) het zakelijk benutten van den bodem ; b)gemakkelijke 
oriëntatie en verkeer; c) de plaatsing van bouwwerken 
van eenvoudige architectuur in harmonie met de om- 
geving, en orde en rust in die van de grafteekens; d) 
goed overwogen beplanting, welke de zonbestraling niet 
te veel beperkt. Boomen met dichte kroon te beperken 
tot de hoofdwegen; e) weloverwogen afscheidingen 
ofwel hagen, waarachter boomen, ofwel karaktervolle 
muren van goed baksteen materiaal (handvormsteen) 
met zware contreforten, af gedekt met ezelsrug, 
leien of pannen; f) de stemmige kapel voorde Kath., 
het geestelijke middelpunt, gelegen aan de hoofdallee; 
aan de kapel nevenruimten; g) het hoogkruis, hoogge- 
plaatst van vier zijden zichtbaar; h) de ingangspoort, 
die een waardige voorbereiding moet zijn voor den 
doodenakker. Daarboven toepasselijke reliëfs, bijv. 
Christus Victor, Piëta ofwel toepasselijke opschriften. 
Bij den ingang administratie-gebouw, waarbij tuin- 
derij; i) grafkniisen van hout, brons, ijzer of steen, 
met goede opschriften, makkelijk leesbaar en verwerkt 
zooals het karakter van het materiaal zulks vraagt. 
Geen marmer, noch gepolijst graniet; doch bijvoor- 
beeld kalksteen in rustige groote vormen, vlak be- 
handeld; j) bloemversiering: de gewone veldbloem, 
mossoorten, vingerhoed, kamillen, klimop, wilderoos, 
wingerd en verder boomen als pinus, els, en voor de 
hoofdwegen eik, beuk, berk; k) grafkelders van ge- 
wapend beton, water- en luchtdicht. Veel middelen 
kan de kundige ontwerper van een b. toepassen. Op 
de wegkruisingen rustpunten voor het oog te maken 
bijv. eenvoudige fonteinen, kapelletjes, banken met 
hagen omzoomd. 

In laag land kunnen vijvers met terrassen -aanleg 
gecombineerd worden; is het terrein heuvelachtig, 
dan boomgroepen en heuvels in het plan verwerken. 
Soldatengraven dienen om veel lijken te begraven. 
Groote, gelijk-verdeelde velden, waarin zich op rijen 
de graven bevinden, elk met eenvoudig kruis. Markee- 
ring door groote kruisen, hagen of lage muren. Onze 
landgenoot architect Ritzen ontwierp de b. voor de 
gevallen Duitschers in België. 

L i t. : Handbuch der arch. (IV 1907, nr. 3, Halbband 
8) ; Anton Geitner, Das Christliche Grabmal (1922), 
Gesellschaft für Christl. Kunst ; J. Hempelmann, Die 
Praxis der Fricdhofsgartenerei, Verlag Paul Barey 
(Berlijn 1927). Thunnissen. 

De b. in het Ned. Rechl. De > begrafenis- 
wet geeft in art. 13 — 30 regelen omtrent b. Zij onder- 
scheidt algemeene, bijzondere en eigen begraafplaatsen. 
Geen b. mag worden aangelegd op minder dan 50 m 
buiten de bebouwde kom. De toegang tot een graf of 
grafkelder mag niet in een kerk of ander besloten ge- 
bouw zijn. Schaepman. 

Belg. Recht. De teraardebestelling van de li- 
chamen der afgestorvenen moet gebeuren in daar- 


toe ingerichte gemeentelijke b., tenzij verlof wordt 
gegeven om de begrafenis te doen op privaten grond. 

Het decreet van 23en Prairial, jaar XII, regelt 
deze kwestie. Er mag slechts op 35 * 40 m afstand van 
de bebouwde kom der gemeenten begraven worden. 
Geen onderscheid mag worden gemaakt tusschen per- 
sonen. Ook werd de verdeeling van de b. volgens de 
verschillende eerediensten impliciet door de Belgische 
Grondwet afgeschaft. 

De politie der begrafenissen en der b. ligt in de be- 
voegdheid van den burgemeester. Hij is belast met de 
toepassing der gemeentelijke reglementen en, bij gebrek 
aan een reglement, handelt hij ingevolge art. 90, in 
fine, en art. 94 der gemeentewet. > Begrafeniswet, 
> Kerkhof, > Lijkverbranding. 

L i t. : M. Vauthier, Précis de Droit administratif ; 
Répert, Droit beige (II s.v. cimetière). V. Boon. 

Liturgie. Voor de wijding der begraafplaatsen, > 
Kerkhofwijding. Verder > Begrafenisgebruiken. 

Hygiëne. Begraafplaatsen moeten o.a. om hygië- 
nische redenen overal aan wettelijke eischen voldoen. 
-> Begrafeniswet. > Begraafplaats. 

Vroeger dacht men over de schadelijkheid 
van b. veel ongunstiger dan tegenwoordig. Goed ge- 
constateerde feiten tot bewijs dier schadelijkheid zijn 
althans bij behoorlijk aangelegde kerkhoven niet 
aangevoerd. In rotsachtige streken en bij massa - 
begravingen kan het voorkomen, dat wegens onvol- 
doende bedekking der graven onaangename geuren 
opstijgen; maar in ’t algemeen werkt de omringende 
grond op gassen zoo opslorpcnd en op ziektebacteriën 
zoo vernietigend, dat ook gevaar voor verspreiding 
van infectieziekten niet te vreezen is. De tuberkelbacil 
is twee maanden na den dood van den lijder nog ge- 
vonden, de cholera -viboio en de typhusbacil houden 
het zoo lang niet uit. Het gelukte dan ook aan Fleck 
in Dresden niet na onderzoek van het grondwater van 
9 kerkhoven daarin kenmerkend verschil te vinden met 
water van elders. Na 3 maanden is gewoonlijk het 
rottingsproces met stankontwikkeling afgeloopen en 
komt vermolming met schimmelvorming tot stand. 
Na 7 jaren zijn de lijken der volwassenen tot op het been 
verteerd, die van kinderen reeds na 4 jaar. In leem- 
en kleigrond duurt het proces langer dan in losse 
zand- of kiezelgronden. 

L i t. : Saltet, Voordrachten over Gezondheidsleer 
(1913) ; Carl Flügge, Grundriss der Hygiene (1927). 

Droog. 

Begrafenis. De kerkelijke begrafenisplechtighe- 
den zijn zeer oud, zij dagteekenen van het ontstaan van 
het Christendom zelf. Wat de hoofdtrekken betreft, 
zijn zij dezelfde in het Oosten als in het Westen. In 
de onderdeden bestaat een groote verscheidenheid, 
deels doordat, reeds bij den aanvang, de Kerk zich 
bepaalde bij het verchristenen van de bestaande (en 
dus uiteraard verschillende) burgerlijke gebruiken, 
deels doordat in den loop der eeuwen wijzigingen wer- 
den aangebracht. Oorspronkelijk onderscheidden zich 
de Christelijke plechtigheden door den eerbied aan het 
lichaam bewezen en door haar triomfantelijk karakter. 
Sinds heeft zich in het Westen de rouwtoon meer 
op den voorgrond geplaatst, onder het besef, dat het 
leven van velen niet dat van een strijder was geweest 
(verbod van alleluia-zang en van Gloria in excelsis 
in de 9e eeuw). In het O. bleef het oude karakter 
bewaard (ten deele wel door de ontkenning, theoretisch 
althans, van het Vagevuur). 

Het Romeinsche Rituale maakt onderscheid tus- 


299 


Begrafenis 


300 


schen drie deelen, r die men overal terugvindt: de 
overbrenging van het lijk naar de kerk, de dienst in 
de kerk, de overbrenging van het lijk uit de kerk naar 
het graf (meerdere plaatselijke, goedgekeurde, ge- 
bruiken hechten zich hier op het voorschrift). Eigen- 
lijk dient de geestelijkheid, processiegewijze, met 
kruis, wijwater- en wierookvat en kaarsen, het lijk te 
gaan afhalen van het sterfhuis, waar de priester den 
psalm „De profundis” (met antiphoon) bidt (hier en 
daar gevolgd door een gebed). Op weg naar de kerk 
wordt de ps. „Miserere” (soms nog andere) met anti- 
phoon gezongen, onder het gelui der klokken. (Ver- 
ondersteld wordt, dat het lijk daarbij gedragen wordt.) 
Waar dit afhalen om allerlei omstandigheden niet 
kan plaats vinden, wordt het vervangen door het 
inhalen aan de deur der kerk. Onder het vervoer 
dóór de kerk wordt het responsorium „Subvenite” 
gezongen of gebeden, waarna het Doodenofficie (zoo 
dit niet reeds plaats vond, of ervan werd gedispen- 
seerd), waarna de H. Mis wordt gezongen voor den 
overledene, wiens lichaam midden in de kerk is ge- 
plaatst. Na afloop wordt bij het lijk zelf een absoute 
gedaan (voor bisschoppen 6), met wijwater-bf spren- 
keling en bewierook ing. Op weg naar het graf wordt, 
onder klokgelui, de antiphoon „In paradisum” gezon- 
gen, waarin de oude jubeltoon behouden bleef. De be- 
grafenis zelf is uiterst eenvoudig, maar wordt, ook hier 
te lande, met plaatselijke gebruiken verrijkt. Zij wordt 
besloten met een laatste gebed in absoute-vorm. Inliet 
O. kent men verschil, in onderdeden, voor bisschoppen, 
priesters, monniken en leeken. In het W. bestaat dit ver- 
schil hoofdzakelijk in de kleeding, die moet w r ezen: 
de liturgische hunner waardigheid. In het O. hebben 
zalvingen plaats van het lijk, wordt het gelaat van een 
priester bedekt met een sluier in de H. Mis gebruikt, 
en hem een Evangelieboek op de borst gelegd, welke 
gebruiken tijdelijk ook voorkwamen in Spanje (7e 
eeuw), ten deele ook te Rome. Een oud gebruik was 
ook, een absolutie-formule mede te geven in het graf, 
gegrift op een kruis of geschreven op perkament. Het 
laatste bleef in het O. bewaard. Een ander oud Ro- 
meinsch gebmik was, den overledene een H. Hostie 
mede te geven in het graf; in Spanje drupte men hem 
van het H. Chrisma in den mond. Verder > Begra- 
fenisgebruiken. 

Lit. : Martène, De antiquis eccl. ritibus (III); 
Bintcrim, Dcnkwürdigkciten (VI) ; Catalani, Comment. 
in rit. rom., caerem. epis" 1 ., pontif. rom. ; Maltzer, 
Begrabniss-riten (Berlijn 1896). Louwerse. 

Kerkelijke begrafenis. Definitie. Kerkelijke 
begrafenis bevat drie zaken: overbrengen van het lijk 
naar de kerk, uitvaart in de kerk, begrafenis op het 
kerkhof. Zoo mogelijk moet het lijk zelf in de kerk 
worden gebracht, en het lichaam wordt in ge wijden 
grond begraven, terwijl lijkverbranding in gewone 
omstandigheden verboden is. 

Kerkelijk begraven worden mogen niet: voor- 
eerst niet-gedoopten, uitgenomen catechumenen, en 
kinderen in den moederschoot met de gedoopte moeder 
gestorven. 

Vervolgens gedoopten na bepaalde misdrijven nl., 
tenzij een duidelijk teeken van berouw den dood vooraf- 
ging: publieke apostaten; zij, die publiek behooren bij 
een kettersche of schismatieke sekte of bij een ma<;on- 
nieke of andere dergelijke vereen iging; zij, die door 
uitspraak van den rechter in den ban zijn of onder 
persoonlijk interdict; zij, die met overleg zelfmoord 
pleegden, of in een duel, of gewond, ten gevolge van 


een duel stierven; zij, die geboden hun lijk te verbran- 
den en andere publieke zondaars, bijv. die jarenlang 
hun Paaschplicht verzuimden. In twijfel beslist de 
bisschop der plaats. 

Kerk der uitvaart. Sterft men in eigen 
parochie, dan is de uitvaart per se in de parochiekerk 
der plaats van het sterfgeval (ook in geval van meer- 
dere eigen parochies). Sterft men buiten eigen parochie, 
dan is de pastoor aldaar bevoegd, tenzij ófw T el de af- 
stand, naar het oordeel van den bisschop van den 
overledene, niet te groot is om te voet het lijk over te 
brengen (d.w.z. in het diocees Breda niet meer dan 8 
km, in Dtrecht geen 8 km, in Den Bosch en Roermond 
niet meer dan 5 km), ófwel het lijk toch, bijv. door de 
erfgenamen op eigen kosten, wordt overgebracht. 
Kardinalen en bisschoppen hebben een door den codex 
aangegeven kerk voor de uitvaart. Mannelijke reli- 
gieuzen en de novicen (niet de postulanten), wanneer 
zij binnen het klooster sterven, of wanneer ze daar- 
buiten sterven en de afstand is niet te groot, of het 
lijk wordt toch naar het klooster gebracht, hebben de 
uitvaart in de kloosterkapel; hetzelfde geldt voor 
inwonend dienstpersoneel, doch alleen, wanneer deze 
in het klooster sterven. Vrouwelijke religieuzen en 
hare novicen hebben, als ze in het klooster sterven, 
slechts dan de uitvaart in eigen kapel, wanneer zij 
exempt zijn van de jurisdictiemacht van den pastoor, 
anders in de parochiekerk of, naar gewoonte, in eigen 
kapel; sterven ze buiten het klooster, dan volgen ze 
de algemeene w r et. De bewoners van een seminarie 
hebben de uitvaart in de kapel van het seminarie, 
indien zij in het seminarie sterven. 

Wanneer een kerk wettig is gekozen voor de uit- 
vaart, en deze zulks aanneemt, dan geschiedt de uit- 
vaart aldaar. Allen mogen persoonlijk of door een 
afgevaardigde kiezen, uitgenomen: jongens beneden 
14 en meisjes beneden 12 jaar (voor hen mogen ouders 
of voogd kiezen), en geprofeste religieuzen (die geen 
bisschop zijn); gekozen worden kan iedere parochie- 
of reguliere kerk, en iedere kerk, die begrafenisrecht 
ontving. 

Plaats der begrafenis op het kerkhof. Per se 
wordt het lijk begraven daar, waar de uitvaart plaats 
had, volgens het principe „ubi funus, ibi tumulus”, 
het oude adagium „ubi tumulus, ibi funus” schijnt 
vervallen. Ieder, die de plaats van uitvaart mag kie- 
zen, mag ook de plaats van begrafenis kiezen, en moet 
dan aldaar, met verlof van hen, aan wien het kerkhof 
behoort, worden begraven. Bestaat er een sepulcrum 
majorum (familiegraf, algemeen graf eener religieuze 
orde), dan heeft de begrafenis aldaar plaats, tenzij 
de afstand te groot zij of een ander graf wettig 
gekozen zij. De echtgenoote wordt, tenzij ze zelf een 
begraafplaats koos, daar begraven, waar haar echt- 
genoot of haar laatste echtgenoot begraven is. 

Lit.: Coronata „Institutiones juris canonici” (vol, 
II n. 797 ss.) ; „Ned. Kath. Stemmen»’ (1932 p. 147 ss.. 
p. 207 ss., p. 343 ss.). Beijersbergen. 

Begraven te velde (in Nederland) van 
gesneuvelde militairen geschiedt na het gevecht en 
wel zoodra het mogelijk is. In Ned. wordt de tegenwoor- 
digheid vereischt van een officier van gezondheid, 
die den dood vaststelt en die adviseert omtrent de 
plaats en de wijze van begraven. Na de schouwing 
worden van elk lijk afgenomen het halve > herken - 
ningsplaatje en het > veldzakboekje. In dit boekje 
worden aangeteekend: de datum van overlijden, de 
oorzaak van den dood en de plaats van begraving. 


301 


Begrafemsgebruiken— Begrafeniskosten 


302 


Verder ontneemt men aan het lijk brieven en brief- 
kaarten, gelden en voorwerpen van waarde, welke 
eveneens in het veldzakboekje worden geïnventari- 
seerd. Een en ander wordt gezonden aan liet > Infor- 
matiebureau van het Neder landsche Roode Kruis, 
gevestigd te Den Haag. 

Voor het begraven wordt bij voorkeur een droog, 
licht hellend terrein uitgekozen; in lage terreinen, bijv. 
in polderland, moet gezorgd worden, dat de bodem 
van elk graf minstens 0,6 m boven het grondwater 
gehouden wordt, ten einde het wegspoelen van de 
hjkengiffen te voorkomen. Dit leidt er vanzelf toe, 
dat men overgaat tot het maken van zgn. grafheuvels. 
De laatste rustplaatsen worden op de een of andere 
wijze kenbaar gemaakt, waarbij naam en rang ver- 
meld warden. Lijken van paarden worden in het 
algemeen verbrand. 

L i t. : W. S. Göbel, De zorg voor de dooden (Mavors 
2e jg. 1932). v. Leeuwen. 

In België. Door besluit-wet van 5 Sept. 1917 
worden blijvende begraafplaatsen verzekerd aan de 
militairen van de Belg. en verbonden legers, die 
tijdens den oorlog in België gestorven zijn. Afzonder- 
lijke begraafplaatsen werden aldus ingericht op de 
gemeentelijke kerkhoven en ook elders. Betreffende 
de begraafplaatsen van militairen, die tot de vijande- 
lijke legers behoorden, w r erd door het Tractaat van 
Versailles (art. 225) een accoord getroffen. V. Dievoet. 

Begraven op zee geschiedt bij de Kon. Mar. met het 
volgende ceremonieel. De wacht is gewapend, de 
commandant met de beschikbare officieren en schepe- 
lingen zijn ongewapend aan dek. Het stoffelijk over- 
schot, overdekt met de Ned. vlag, waarop zijn gehecht 
het wapen, de distinctieven en de versierselen van 
ridderorden en andere eereteekenen, wordt op het 
voorschip neergezet en in den volgenden stoet drie- 
maal het dek rondgedragen. Voorop gaan de p i j p e r s 
en tamboers., het muziekkorps en het vuur- 
peloton. De trommen zijn met blauw vlaggedoek over- 
trokken, de instrumenten voorzien van een strik van 
blauw vlaggedoek of floers. Hierop volgt het stoffelijk 
overschot, gedragen door onderofficieren of man- 
schappen afhankelijk van den rang van den overledene. 
Achter het lijk volgt een deel der bemanning. Bij het 
passeeren presenteert de wacht de wapens; de onge- 
wapenden ontblooten het hoofd. Eventueel wordt bij 
den laatstcn rondgang op het achterschip halt gehou- 
den, waarna een toespraak van den commandant 
volgt. Hierna w r ordt verder gegaan tot stuurboord ’s 
valreep, alwaar, na afname van vlag en distinctieven 
op commando van den chef der équipage „een, twee, 
in Gods naam!” het lijk overboord wordt gezet. Bij 
het opnemen voor den rondgang en onmiddellijk voor 
en na het overboord zetten, geeft het vuurpeloton een 
salvo af. Na het eerste salvo worden voor een over- 
leden officier minuutschoten afgegeven en wel voor 
een vice-admiraal 15 schoten en voor eiken rang lager 
2 schoten minder. Cicot. 

Begraïenisgebruiken verschillen in stad en 
dorp, ook naar het gewest. Algemeen is het dragen 
van rouwkleederen. Op plaatsen in Limburg en Noord - 
Brabant dragen de vrouw r en der naaste familie nog de 
falie. Vroeger droegen de mannen ook mantels en 
hoeden van bepaald model, door don doodgraver 
bezorgd. Voor volwassenen wordt een zw T art, voor 
kinderen en ook voor ongehuwden hier en daar, een 
w r it baarkleed gebruikt. Op dorpen dragen de buren 
vaak nog het lijk, of het wordt geplaatst op een kar, 


waarop cenige der naaste verwanten, meestal vrouwen, 
plaatsnemen; vroeger zat de weduwe op de kist. De 
stoet der deelnemers wordt gesloten door den hekken- 
sluiter, op Walcheren rollcnsluiter genoemd, want 
reeds dagen tevoren waren alle hekken geopend op 
den lijkweg, doönweg, noodweg of reeweg, dien de 
stoet volgen moest. Hier en daar in Limburg en Noord - 
Brabant w r orden nog voor overleden meisjes door 
meisjes palmtakken, voor overleden jongens door 
jongens hulsttakken gedragen: grafmei of doodenmei, 
omdat de takken op het graf worden geplant. Plaatse- 
lijk w T orden de dooden nog met het gezicht naar het 
Oosten gericht in de groeve neergelaten. Familieleden 
en de andere begrafenisdeelnemers werpen ieder een 
schep aarde op de kist. Men siert later het graf met 
groen en bloemen. In Oostelijk Noord-Brabant wordt 
bij de begrafenis van een in kraambed gestorven vrouw 
een witte doek op de kist of op het graf gelegd. Een 
begrafenismaal besluit de uitvaart. In België wordt op 
sommige plaatsen uitvaartbrood aan de armen uit- 
gedeeld. Op eenige grensplaatsen van Friesland en 
Drente wordt bij den terugkeer van de begrafenis 
een licht uitgeblazen, dat brandde zoolang de doode 
boven aarde stond. De rouwtijd verschilt in duur 
naar den graad der verwantschap. Voor b. in 
Indonesië, > Ned. Indië (volkenk.). 

L i t. : Herm. Grolman, Volksgebruiken bij sterven 
en begraven in Ned., in het Tijdschrift van het Aardr. 
Genootschap (XL) ; dr. Jos. Schrijnen, Ned. Volkskunde 
(I 2 1930, 339-344). Knippenberg. 

Begrafenisgebruiken bij Grieken en Romei- 
nen. A) Griekenland. In de Myceensche 
tijden werden de dooden in den regel begraven of 
(en) ingebalsemd. In den tijd van Homerus is verbran- 
ding de regel. In de 6e en volgende eeuwen werd zoowel 
verbrand als begraven. Van de oudste tijden af werd 
het lijk gewasschen, gekleed en op een praalbed uit- 
gestrekt (ekthèsis); dood enklach ten (thrènoi) en andere 
heftige uitingen van smart, als het slaan op de borst, 
vasten, het verscheuren der wangen, enz. gingen in de 
klassieke eeuwen geleidelijk uit het gebruik. Met die 
voorwerpen mede, die eens het liefste bezit waren 
(of symboliseerden) van den overledene, werd dan het 
lijk verbrand of begraven. Van de 4e eeuw v. Chr. 
af werden de bijgiften veelal geheel of gedeeltelijk 
vervangen door het „vaargeld”, een obool door den 
doode te betalen aan Charoon, den ondcraardschen 
veerman, die hem over den hellestroom, den Styx, 
naar zijn bestemming bracht. In de vroege eeuwen 
grepen ook, althans in voorname gevallen, lijkspelen 
plaats, zoo bijv. ter eere van Patroclus (Ilias). 

B) Rome. Hier waren de bijkomstige gebruiken 
in wezen dezelfde. De oudste gewoonte in Italië 
schijnt de verbranding; in den loop der 8e eeuw v. Chr. 
komt het begraven op en wordt overheerschend in de 
7e en 6e eeuw v. Chr. Later wordt in den regel ver- 
brand en in de laatste tijden der Republiek werden 
nog enkel kleine kinderen begraven. Van het begin 
van den Keizertijd kwam het begraven weer in voege 
en, onder den invloed van het Christendom, verdrong 
het geleidelijk de verbranding. > Columbarium. 

V. Poltelbergh. 

Begrafeniskosten (Ned. Recht), komen, 
blijkens de art. 178 en 1195 2° B.W., ten laste van de 
nalatenschap van den begravene en zijn daarop zelfs 
bevoorrecht; de rechter kan dit voorrecht echter 
beperken tot een geringer bedrag, indien, naar stand 
en vermogen van den begravene, bovenmatige kosten 


303 


Begrafeniswet — Begripsassociatie 


304 


ten nadeele der schuldeischers aan de begrafenis 
zijn besteed. Niet steeds wordt de opdracht tot begra- 
ven gegeven door alle erfgenamen; het valt echter te 
betwijfelen, of de begrafenisondernemer, of die dezen 
betaald heeft, wel den erfgenaam, die niet mede op- 
dracht heeft gegeven, persoonlijk naar evenredigheid 
van zijn erfdeel kan aanspreken. Vgl. Suyling-Dubois 
(III, Ï07, 108). Rouwkleeding, grafzerk en zielmissen 
zijn geen b., uitvaart, grafkruis en opschrift volgeas 
sommigen evenmin. 

L i t. : Vrieze, Begrafeniskosten, pr. (1932). Petit. 

(Belg. Recht) De erfgenamen, de algemeene 
legatarissen en, voor een evenredig gedeelte, de lega- 
tarissen onder algemeenen titel zijn gehouden de 
lasten van de nalatenschap te voldoen (B.W. art. 724, 
art. 1009, art. 1012), en onder die lasten zijn de b. 
begrepen. Tot de b. van den man behoort ook de rouw- 
kleeding van zijn weduwe (B.W. art. 1481). 

De b. zijn bevoorrecht op de roerende goederen 
van de nalatenschap. Naar Belg. Recht komen deze 
schulden op den tweeden rang. De aldus bevoorrechte 
bedragen moeten bepaald worden naar den stand en 
het vermogen van den overledene (Wet van 16 Dec. 
1851, art. 19, 2°). 

Het voorrecht wordt beperkt tot de noodzakelijke 
uitgaven. 

L i t. : Fr. Laurent, Droit civ. (XXIX, nrs. 357-380) ; 
Suppl. (VII nr. 389). 

Begrafenisfondsen bij de Romeinen. De Romeinen 
stelden op een eervolle begrafenis en een behoorlijk 
graf grooten prijs, met het oog op het rustig voort- 
leven van de schim van den overledene in het hierna- 
maals. Ten einde de kosten van begrafenis en graf te 
bestrijden, sloten groepen van minder bedeelden 
zich aaneen. Op het einde der Republiek ontstonden 
zoo vereenigingen van socii columbarii. 
De socii, deelgenooten, zonderden maandelijks een 
klein bedrag af, dat door den quaestor, penningmeester, 
geïnd werd. Bij overlijden van een socius zorgde de 
vereeniging voor een behoorlijke begrafenis en voor 
bijzetting van de asch-urn in het columbarium. 
De aschumen werden nl. in nissen geplaatst, die in 
een of meer rijen boven elkaar gebouwd werden en op 
een columbarium of duiventil geleken. In den keizer- 
tijd raakten de socii columbarii op den achtergrond; 
ze maakten plaats voor de collegia funera- 
t i c i a, begrafenisvereenigingen (benaming van 
Mommsen), of collegia tenuiorum (antie- 
ke benaming), vereenigingen van minderbedeelden. 
De collegia waren niet zoo zeer begrafenisfondsen, 
gelijk de socii columbarii bedoelden, als wel vereeni- 
gingen voor levensverzekering. Deze collegia brachten 
gelden bijeen om bij overlijden een zeker bedrag te 
kunnen uitkeeren, waaruit op de eerste plaats de kosten 
der begrafenis bestreden konden worden. Langzamer- 
hand ging de zorg voor de begrafenis op den achter- 
grond raken en werden de bedragen, die door ver- 
schillende collegia uitgekeerd werden, voor diverse 
doeleinden gebruikt. In deze collegia ziet men de 
eerste sporen van een werkelijk levens verzekeringsidee, 
zooals dit door de tijden heen meer en meer volmaakt 
tot uiting is gekomen. > Vereenigingswezen in de 
Oudheid. 

L i t. : W. A. E. A. v. d. Grinten, Sporen van Ver- 
zekering in dc Oudheid (1931, 60 vlg.). Davids. 

Begrafeniswet (N e d. Rech t). Wet van 
10 April 1869 Stbl. 65. Art. 1 bepaalt, dat elk over- 
leden persoon of doodgeboren kind moet worden 


begraven. Tegen lijkverbranding bevat de b. geen 
sanctie. Ontleding en bewaring van een lijk in het 
belang der wetenschap vereischen beschikking van 
den doode of toestemming van de nabestaanden, 
bovendien verlof van den burgemeester. Bij lijkonder- 
zoek op rechterlijk gezag vervallen deze vereischten, 
bij lijkopening of gedeeltelijke ontleding alleen het 
verlof van den burgemeester. Geen begraving geschiedt 
vroeger dan 36 uren of later dan na den vijfden dag na 
het overlijden. Voor begraven is verlof van den ambte- 
naar van den burgerlijken stand vereischt, gegeven na 
overlegging van een overlijdensverklaring van een 
geneeskundige. Schaepman. 

Belg. Recht. Geen begrafenis mag geschie- 
den dan 24 uren na het overlijden, en mits een geschre- 
ven toelating van den ambtenaar van den burgerlijken 
stand (B.W.a. 77; S.W.B.a. 315). Door de wet van 
21 Maart 1932 en door het Kon. Besluit van 17 October 
1932 wordt de lijkverbranding toegelaten en geregeld. 
> Begraafplaats; > Kerkhoven; > Lijkverbranding. 

L i t. : M. Vauthier, Précis do Droit admin. ; Rép. 
prat. du Droit beige (II s.v. Cimetière). 

Begraven, > Begrafenis. 

Begrensd (wiskunde). 1° Een > puntver- 
zameling E heet b., als er een positief getal G bestaat, 
zoodanig, dat de onderlinge afstand van ieder 
tweetal tot E behoorende punten kleiner dan G is. 

2° Een > verzameling van reëele getallen is b. 
naar boven, als zich een getal A laat aanwijzen, 
zoo dat ieder getal der verzameling kleiner dan A is ; 
ze is b. naar beneden, als er een getal B 
bestaat, zoodanig dat ieder getal der verzameling 
grooter dan B is. Een naar boven én naar beneden b. 
verzameling van reëele getallen heet b. J. Ridder. 

Begrinden, het opbrengen van grind voor weg- 
verharding. > Wegenbouw. 

Begrip is naar Thomistische opvatting de ver- 
standsact (subjectief b.) of de kenvorm (objectief b.), 
waardoor een voorwerp van buiten in ons kennen 
wordt tegenwoordig gesteld, met ■> abstractie van 
het individueele of eigen bepalende. Op grond van de 
abstractie is ieder begrip algemeen, d.w.z. als prae- 
dicaat van meerdere subjecten zegbaar. 

Inhoud van het b. is datgene, wat in het b. wordt 
uitgedrukt, of het geheel der kenmerken, die het bevat; 
omvang is de som der subjecten, waarvan het als prae- 
dicaat kan worden gezegd. Inhoud en omvang zijn 
omgekeerd evenredig: het b. mensch bijv. is rijker 
aan inhoud, maar kleiner van omvang dan het begrip 
levend wezen. 

Lit. : J. Th. Beysens, Logica ( 3 1923); M. Honecker, 
Das Denken (1925). F. Sassen. 

Begrippentaal is de taal, waarin hoogere. 
bijv. wetenschappelijke, begrippen besproken worden; 
zij heeft heel andere idealen dan de practische taal 
en zal zich altijd slechts voor bepaalde doeleinden 
in het leven houden, en wel als geschreven taal over 
philosophische of abstracte stoffen. Maar daarom is 
zij nog niet minderwaardig. Veeleer het tegendeel. 

Begripsassociatie is het verschijnsel, dat een 
begrip zich in zekere mate aan een ander begrip vast- 
hecht, zoodat wanneer het eerste begrip wordt gewekt, 
het geassocieerde tegelijkertijd min of meer bewust 
wordt. De oorzaken hiervan kunnen zoowel binnen als 
buiten den persoon gelegen zijn, bijv. in den klank 
van het woord, dat een bijna gelijkluidend woord 
in het geheugen roept (gelijkenis-associatie), of in 
een persoonlijk ondervinden van bepaalde indrukken 


BEGIJNHOVEN 




Begijnhof te Amsterdam. 


Begijnen voor den ingang van hun woning in het 
Groot Begijnhof te Gent. 




Groot Begijnhof te Gent. 


Begijnhof te Brugge. 




Begijnhof te Breda. 


Begijnhof te Kortrijk. 


\ 


BEIEREN 




Zuid-Beiersche boerentypen. 


Type van Zuid-Beiersche boerinnedracht. 




Beiersch vakwerkhuis te Forchheim. 


Beschilderde kerk te Füssen. 




Gezicht op Gormisch-Partenkirchen. 


De Ramsau bij Berchtesgaden. 



305 


Begroetingsformules — Begrooting 


306 


op het oogenblik, dat het eerste begrip in het bewust- 
zijn was (contiguiteits-associatie). Deze indrukken 
worden dan opnieuw gewekt, zoodra het begrip bewust 
wordt. In de taalwetenschap speelt b. een belangrijke 
rol, met name bij de beteekenisontwikkeling. 

v. Marrewijk. 

Begroetin f|sformules. Bij een heele reeks 
volkeren en stammen over geheel de wereld verspreid, 
is het de gewoonte zich bij het begroeten, het afscheid 
nemen, het aanbieden van gelukwenschen of betui- 
gingen van deelneming etc. te houden aan bepaalde 
vaste ritussen, waartoe ook zekere hoofsche b. belmo- 
ren. Zoo zegt men bijv. bij de Mossi-stammen, die 
tusschen de beide takken van den Volta in den W. 
Soedan wonen, bij het bezoeken van een zieke: „Dat 
God U bijsta in Uw zorgen”; tegen een vertrekkenden 
reiziger: „Dat God met U ga en dat hij U beware op 
Uw reis !” (F. Froger, Manuel pratique de langue 
mörè, Parijs 1923). Wils. 

Begrooting. 1 . Van een staat. 

1 ° In Nederland isb. het aangeven van de maxima 
door den wetgever voor de bedragen, door de regeer ing 
te besteden. Het belang van het recht van b. springt 
in het oog, wanneer men bedenkt, dat regeeren zonder 
geld onmogelijk is. De staatsb. bestaat uit hoofd - 
stukken : Iluis der Koningin, Hooge Colleges van 
Staat en Kabinet der Koningin, hoofdstukken voor 
de onderscheidene departementen en voorts een 
hoofdstuk Onvoorziene Uitgaven. Elk hoofdstuk 
bevat bovendien nog een post Onvoorziene Uitgaven, 
waaruit overschrijving mogelijk is. Ieder hoofdstuk 
wordt in een of meer ontwerpen van wet vervat 
(art. 126 G.W.). Het tijdperk, waarvoor de be- 
grootingen moeten dienen, mag niet langer zijn dan 
twee jaar (art. 125 G.W.). Er bestaan afzonderlijke b. 
voor verschillende instellingen en fondsen en voor de 

> staatsbedrijven. Verder > Provinciale begrooting; 

> Gemeentebegrooting. Schaepman , 

2° In België is b. de ramingstaat der voorziene 

inkomsten en uitgaven tijdens een bepaalde tijdruimte, 
welke men dienstjaar of begrootingsjaar noemt. De 
„rekening” daarentegen is een hcrhalingstaat van de 
werkelijk verwezenlijkte inkomsten en gedane uit- 
gaven. 

De Belgische landsbegrooting 
moet elk jaar onder vorm van wet door de Kamers 
gestemd worden en alle voorziene inkomsten en uit- 
gaven vermelden (art. 116 G.W.). Het principe der 
jaarlijksche stemming (art. 115, al. 1) vormt den grond- 
slag van het Belgisch parlementair regiem; het stelt 
de uitvoerende macht onder controle van de volks- 
vertegenwoordiging. 

Het principe der specialiseering van de begrootings- 
artikclen (al. 2) behelst: 1° de aanwending voor het 
aangegeven doel van de sommen, in elk artikel ver- 
meld; 2° het verbod, de voorziene credieten te over- 
schrijden, tenzij de wetgevende macht zelve een krediet 
niet beperkend heeft verklaard wegens de onmogelijk- 
heid, het bij benadering vast te stellen; 3° verbod, 
overschrijvingen van kredieten te doen. 

De regeering heeft tot grondwettelijken plicht de 
begroot ing(en), zoo rechtzinnig mogelijk opgemaakt, 
jaarlijks ter stemming aan de Kamers voor te leggen. 
Regelmatig zouden de begrootingen vóór 1 Januari 
van elk jaar dienen gestemd te worden. Deze regel 
is echter moeilijk te volgen. Wanneer de begrooting 
niet tijdig gestemd is, vraagt de regeering voorloopige 
twaalfden aan, voorschotten, berekend per maand, 


op de inkomsten van de begrooting, welke nog moet 
aangenomen worden. 

Wanneer tijdens het begrootingsjaar een noodzake- 
lijke uitgave, welke niet voorzien werd, moet gebeuren, 
of de voorziene credieten niet toereikend zijn, dan kan 
op vraag van de regeering een buitengewoon crediet 
door de Kamers aangenomen worden. 

In theorie zou er voor den Staat maar één b. moeten 
zijn, maar in werkelijkheid zijn er verschillende, of 
beter, wordt de Landsbegrooting onderverdeeld en 
deze onderverdeelingen worden insgelijks b. genoemd. 
De gewone inkomsten van den Staat worden opge- 
nomen in een enkele b.: de b. van landsmiddelen. 
De uitgaven worden onderverdeeld volgens de be- 
hoeften van de groote Staatsdiensten. Zoo heeft men 
in het algemeen een b. per ministerieel departement, 
een b. van de dotaties, welke insluit de dotatie van 
de civiele lijst, de dotaties van de Kamers en de 
dotatie van het rekenhof; voorts een b. voor de open- 
bare schuld, een b. van de onwaarden en tegoed - 
vindingen (oninbare belastingen en terugbetalingen 
aan de schatkist); eindelijk een afzonderlijke b. voor 
de buitengewone inkomsten en uitgaven, alsook voor 
de inkomsten en uitgaven bij orde. •> Gemeentebe- 
grooting, > Provinciebegrooting. F. Boon. 

3° De b. voor Ned. Indië bestaat uit 12 afdeelings- 
gewijze begrootingen: één voor regeering en hooge 
colleges, negen voor de dep. van Alg. Bestuur, één 
voor Ind. schuld en één voor den dienst der volks- 
gezondheid. Iedere afdeelingsgewijze begrooting be- 
staat uit vier hoofdstukken: A) begrooting van uit- 
gaven, 1° uitgaven in Nederland, 2° uitgaven in N.I.; 
B) begrooting van inkomsten (wet op de middelen), 
3° inkomsten in Nederland, 4° inkomsten in N.I., 
terwijl daarbuiten nog een raming voor de middelen 
in Ned. en een raming van de middelen in N.I. wordt 
opgenomen. Ieder hoofdstuk is verdeeld in posten, 
de posten der uitgaven bestaan uit een of meer artike- 
len. Iedere afdeeling is gesplitst in onderafdelingen 
van welke de laatste dient voor de onvoorziene uit- 
gaven. In de eerste helft van het jaar houdt de raad 
van Indië, door den gouv.-gen. gepresideerd, een 
begrootings vergadering, bijgewoond door alle depar- 
tementshoofden en eventueel daartoe uitgenoodigde 
hoofdambtenaren. Deze vergadering heeft tot doel de 
eindredactie vast te stellen van de begrootingsontwer- 
pen, die door den gouv.-gen. aan den volksraad ter 
behandeling zullen worden aangeboden. Bij de opening 
van de eerste zitting van den volksraad (15 Juni 
of de eerstvolgende vrije dag) biedt de gouv.-gen. 
den volksraad deze begrootingsontwerpen aan, ge- 
durende welker behandeling de departementshoofden 
als regeeringsgemachtigden bij den volksraad, die 
recht van initiatief en amendement bezit, voor toe- 
lichting en verdediging zorg dragen. De ontwerpen 
worden na behandeling en stemming door den volks- 
raad uiterlijk 29 Aug. aan den gouv.-gen. terugge- 
zonden. Deze stelt nu de begrooting en eventueele 
aanvullende begrooting (waarbij de termijn van 
terugzending der ontwerpen door volksraad aan den 
gouv.-gen. door den laatste wordt bepaald) bij beslui- 
ten (voor iedere afdeeling een besluit), in de Javasche 
Courant te publiceeren, vast, voor zoover hij zich 
met het gevoelen van den volksraad vereenigt. Is 
de gouv.-gen. het met den volksraad betreffende een 
geheele afdeeling niet eens, dan geschiedt vaststelling 
bij de wet, wat ook kan voorkomen bij verschil van 
gevoelen omtrent een onderaf d., indien en voor zoover 


307 


Begrij pen — Begijn 


308 


de behoefte daaraan bestaat. Vervolgens worden de 
wetsontwerpen tot goedkeuring van de besluiten van 
den gouv.-gen. bij de wet uiterlijk 16 Nov. van het- 
zelfde jaar den Staten-Generaal ter behandeling aan- 
geboden. waarna de gewone parlementaire weg wordt 
gevolgd. De voorbereiding en vaststelling der begroo- 
ting voor N.I. geschiedt alzoo in N.I., de eindbehan- 
deling en wette lijke bekrachtiging in Nederland. De 
gouv.-gen. kan, indien noodzakelijk, de in een zijner 
besluiten vermelde uitgaaf doen, voordat de defini- 
tieve goedkeuring is afgekomen (I. S., hfst. 4). 

B. Damen. 

4° Belgisch Kongo. Luidens art. 12 der Koloniale 
Keure wordt de begroot ing der ontvangsten en uitgaven 
van Belgisch Kongo jaarlijks door de Wetgevende 
Kamers goedgekeurd. De minister van Koloniën stelt 
de begrooting op en verdedigt ze. Te dier gelegenheid 
worden de belangen der Koloniën in de Kamers be~ 
sproken. Feite lijk is er geen sprake van éëne, maar 
van verscheidene koloniale begroot ingen ; begrooting 
der gewone ontvangsten en uitgaven der kolonie, 
begrooting der buitengewone uitgaven der kolonie, 
begrooting der uitgaven van het Ministerie van Kolo- 
niën, begrooting der inkomsten en uitgaven voor 
order, begrooting der gewone ontvangsten en uitgaven 
van Roeandi-Oerandi, enz. 

Als gevolg van art. 1 der koloniale keure, dat een 
scheidingslijn trekt tusschen de geldmiddelen der 
kolonie en die van het moederland, vallen de kolo- 
niale begroot ingen niet onder de bepalingen en voor- 
schriften der financieele wetten van het moederland, 
namelijk voor het toezicht van het Rekenhof. Daaren- 
tegen wordt de begrooting van het Ministerie van 
Koloniën op denzelfden voet gesteld als de begrootin- 
gen der andere ministeriën van het Rijk. 

In principo worden de koloniale begrootingen ge- 
stemd voor een dienstjaar ingaande met 1 Januari 
tot 31 December. In feite heeft soms de wet der be- 
grooting deze geldig gemaakt voor een termijn van 2 
jaren. 

Met de uitvoering der begrootingen is belast in de 
kolonie de gouverneur-generaal en, in België, het 
Ministerie van Koloniën. Luidens art. 12 der koloniale 
keuren, staat het aan den kon ing en aan den gouver- 
neur-generaal vrij overschrijvingen van een artikel op 
een ander, en zelfs, bij hoogdringendheid, nieuwe niet- 
voorziene uitgaven te bevelen. Maar, in dergelijke 
gevallen, moet de Minister van Koloniën, binnen de 
drie maanden, een afschrift van het Koninklijk Be- 
sluit of van de verordening van den gouverneur- 
generaal aan de Wetgevende Kamer overmaken met 
een wetsontwerp van goedkeuring. 

Hier volgen voor de zes laatste jaren de cijfers der 
gewone ontvangsten en uitgaven van Belgisch Kongo: 



Jaar 

Gewone ontvangsten 

Gewone uitgaven 

1928 

521.563.586 

621.241.955 

1929 

575.619.000 

674.810.492 

1930 

690.810.000 

690.732.121 

1931 

626.860.190 

699.564.422 

1932 

434.674.476 

608.666.921 

1933 

367.736.580 

725.757.940 


De Jonghe. 


II. Van een werk is b. de raming van de te maken 
kosten. Eerst wordt daartoe een voor loop ige (globale) 
b. opgemaakt en na vaststelling van het plan van 
uitvoering de definitieve. Bij aanbesteding van Rijks- 
werken wordt het b. -cijfer (de raming) bekend gemaakt 
en als regel het werk gegund, wanneer dat cijfer met 
niet meer dan 10% is overschreden. P . Bongaerts. 

Begrijpen is naar Thomistische opvatting de 
functie van het verstand, waardoor wij de wezensken- 
merken van een ding kennen, d.w.z. weten, wat een 
ding is. Dit geschiedt in het > begrip, dat door 
» abstractie tot stand komt. 

L i t. : J. Th. Bcysens, Logica ( 3 1923) ; M. Honecker, 
Das Denken (1925). F. S fissen. 

Begrijpende psychologie, > Structuur- 
psychologie. 

Bégudien, onderafdeel ing van het boven-Krijt 
in de Basse-Provence (Frankrijk), voor een groot deel 
bestaande uit Pisolitische kalksteenen, genaamd 
naar het plaatsje La Bégude. 

Béguinet, Jan Baptist, Belg. landschap- 
schilder. Werkzaam te Antwerpen. 1782 leerling van de 
academie aldaar. 1794 werd hij nog vermeld, als te 
Antwerpen werkzaam. 

L i t. : Siret, Diet. des peintres (1883) ; v. d. Brander, 
Antwerpsche schilderschool (1883). 

Beguinisme, > Begijn. 

Begunstiging is in de strafrechtwe- 
tenschap de algemeene naam voor de strafbare 
hulp, die aan een misdadiger, na de voltooiing van 
zijn misdrijf, door een derde verleend wordt en die er 
toe strekt hem de voordeelen van zijn misdrijf te ver- 
zekeren, of hem aan strafvervolging te onttrekken. 
B. moet als zelfstandig misdrijf strafbaar gesteld 
worden, aangezien het niet mogelijk is den schuldige, 
die zijn hulp eerst na de voltooiing van het misdrijf 
verleent, als medeplichtige of als mededader te straffen. 

1° Ned. Recht. Het eigenlijke begunstigings- 
misdrijf is omschreven in art. 189 W.v.S. Dit art. 
verbiedt het opzettelijk verbergen, of bij zijn vlucht 
behulpzaam zijn van iemand, die schuldig is aan of 
vervolgd wordt ter zake van een misdrijf, alsook het 
vernietigen, wegmaken enz. van voorwerpen, waar- 
mede of waarop een misdrijf gepleegd is, of van andere 
sporen van een misdrijf (max. straf: zes maanden 
gev. straf of 300 gld. boete). Intussehen is dit mis- 
drijf niet opgenomen in Titel XXX van Boek II 
(art. 416 — 420), die het opschrift „Begunstiging” 
draagt. Hierin worden behandeld > heling en een 
tweetal > drukpersdelicten, w r aarvoor de naam b. 
hierom minder passend is, omdat zij over het alge- 
meen niet gepleegd worden met het oogmerk een 
misdadiger te begunstigen, doch veeleer uit winst- 
bejag. 

2° B e 1 g. Recht. De Belg. wet noemt als 
begunstigingsmisdrijven: a) verschillende soorten van 
> heling, nl. van personen, van lijken, van kinderen, 
van onrechtmatig verworven voorwerpen, van goede- 
ren eens gefailleerden; b) het bevorderen of vergemak- 
kelijken van de ontucht, het bederf of de prostitutie van 
een minderjarige, ten einde eens anders driften te 
voldoen. Collin/Weitjens . 

Begijn, lid van een religieuze gemeenschap 
zonder eigenlijke kloostergeloften, voor jonkvrouwen 
en weduwen, die samenleven in b e g ij n h o v e n, 
(zie plaat tegenover kolom 304) hetzij velen tegelijk 
in een conventhuis, hetzij afzonderlijk, onder het 
bestuur van een groot- juffrouw L (groot-meesteres , 


309 


Begijn 


310 


magistra), ter beoefening van de evangelische raden, 
in een ernstig godsdienstig leven, in handenarbeid, 
werken van liefdadigheid en gebed, met tijdelijke 
beloften (steedsel) van kuischheid voor den duur van 
haar verblijf op het begijnhof, en van gehoorzaam- 
heid aan de oversten en de statuten. 

In de middeleeuwen had het woord een veel uit- 
gebreidere beteekenis. Het komt op in de Zuidel. 
Nederlanden en de Rijnlanden, tegen het einde der 
12e eeuw. Toen beteekende het, duidelijk genoeg, 
ketter, en bepaaldelijk A 1 b i g e n s. In de Chronica 
regia Coloniensis worden door verschillende conti- 
nuatores, tusschen de jaren 1205 en 1220, de Albi- 
genzen herhaaldelijk B e g g h i n i geheeten. Onder 
dien naam zijn de in de 2e helft der 12e eeuw opko- 
mende Albigenzen te onzent bekend geraakt. Men 
stelt het soms voor, alsof Begghini toen reeds een 
algemeene naam voor ketter zou zijn geweest. Maar dit 
blijkt nergens, en wordt ten stelligste tegengesproken 
door de vroegste geschiedenis van het woord. Een 
gewone fout is in dezen de chronologie te verwaar loozen. 
Het woord was in het begin der 13e eeuw nog een 
nomen novum. Geen andere ketters worden door die 
chronica, noch door wien ook in dien tijd, begghini 
genoemd. Alleen en uitsluitend de Albigenzen heetten 
zoo; en dezen zijn aanvankelijk te onzent onder geen 
anderen naam bekend. Trouwens, uit diezelfde chronica 
blijkt, dat begghini geen algemeene naam voor 
ketters, maar de eigenlijke naam der Albigenzen was: 
sprekende van het albigelsme wordt gezegd: „heresis 
quaedam cujus cultores Begghini denom ina- 
bantur”, een ketterij, waarvan de aanhangers 
niet begghini waren, maar begghini heetten: 
begghini was de naam zelf der Albigenzen. De nog 
nooit gehoorde naam dier nieuwe ketters, Albigenses 
of Albighini, is te onzent door het volk verbasterd 
geworden tot bigghini, begghini, b e - 
g u i n i, welke, met het vrouwelijke op -ae, de 
vroegste vormen zijn van het woord. Dit stelt een 
einde aan de zoo betwiste vraag naar de etymologie 
van begijn, en plaatst de geschiedenis van het begui- 
nisme in een geheel nieuw daglicht; de vroegste 
beguini en beguinae waren Albigenzen, die zich echter 
de kettersche grondslagen dier beweging niet bewust 
waren en er alleen het kuischheids ideaal met gods- 
dienstige oefeningen en gestrengheden van overnamen ; 
wat trouwens ook weer uit de geschiedenis der vroegste 
begijnen blijkt, die allerlei practijken, spreekwijzen 
en bestrevingen met de Albigenzen gemeen hebben 
gehad. Want de vroegst geheeten beguini en 
beguinae (beguttae is niet oorspronkelijk 
en stamt in den zin van kwezel eerst uit de 15e eeuw) 
waren mannen en vrouwen uit die merkwaardige 
mystieke vroomheidsbeweging, die, ook te onzent 
in de 10e eeuw begonnen, in de 11e en vooral de 12e 
eeuw zich machtig had uitgebreid over zoo goed als 
geheel Westelijk Europa. Hiermee in verband staat, 
behalve de opbloei der beschaving in die machtige 
opwekking van het godsdienstig leven, onder de wer- 
king van Cluny in Frankrijk in de 10e, van Hirsau 
in Duitschland in de 11e eeuw, de ontwikkeling van 
het oblaten- en conversenwezen, de uitbreiding der 
kloosterorden, de vermenigvuldiging der abdijen, 
de opkomst van nieuwe orden, evenals aan den anderen 
kant de vele kettersche woelingen. Te onzent werd 
die beweging in de 12e eeuw geleid door de Premon- 
stratensers, later door de Cisterciënsers. Vele vrome 
priesters hielden er zich mee bezig. De Luiksche 


prediker Lambert li Beges (f 1177), wiens toenaam 
wel zal geweest zijn 1 i b e g n i n, schijnt de bewe- 
ging bepaaldelijk te hebben geleid in de richting van 
het kuischheidsideaal, aansluitend bij het opkomend 
albigeïsme. 

Vele vrouwen traden in een der reeds bestaande 
orden, of gingen de in het begin der 13e eeuw zich 
sterk vermenigvuldigende Cisterciënzer innen -abdij en 
bewonen. Zij, die om gelijk welke reden in geen orde 
wilden of konden treden, werden bijeengebracht in 
afzonderlijke vergaderingen en huizen, waartoe in 
1215 toelating van paus Honorius III verkregen werd. 
Zulke begijnenhuizen bestonden er in sommige steden 
zeer vele: te Nij vel bijv. in het begin der eeuw 15; 
te Keulen in de 14e eeuw 141. In de Nederlanden 
ging de ontwikkeling nog een stap verder: tot de 
begijnenparochiën, met omheiningsmuur en poort, 
met de huizen en conventen langs straten opgetrokken, 
als parochiën, met eigen kerk en pastoor, ingericht: 
de b e g ij n h o v e n. 

De oorzaken dier beweging waren wel vooral 
van godsdienstigen aard, al kunnen andere, econo- 
mische, sociale, demographische (het grooter aantal 
vrouwen) er toe hebben bijgedragen. Tot die beweging 
behoorden de meeste onzer heiligen uit de 13e eeuw; 
daarin is de mystiek in de volkstaal ontstaan, met 
Hadewijch, Beatrijs van Nazareth, Mechtild von 
Magdeburg, enz. Aanvankelijk sterk aristocratisch, 
werd de beweging, met de ontwikkeling der begijn- 
hoven in de steden, steeds meer democratisch. 

Van de mannen, de beguini, sloten velen zich 
bij de bestaande of nieuwe orden, de bedelorden, aan. 
Anderen, voornamelijk uit de arbeidersklasse, waar- 
toe economische toestanden hebben bijgedragen, 
vergaderden eveneens in afzonderlijke conventen. 
Omstreeks 1250 werden ze beghardi geheeten: 
woord van Dietschen oorsprong, ontstaan doordat de 
uitgang -ijn, vr., in onze taal niet kon dienen voor de 
mannen. Tot den verderen stap van begarden- 
parochiën is het niet gekomen. 

Beguini, beguinae heetten echter nog 
steeds mannen en vrouwen in de wereld, die zich toe- 
legden op een meer dan gewoon godsdienstig leven 
en er de uitwendige kenteekenen, in kleedij. gedraging, 
enz., van aannamen, hetzij ze leefden in eigen woning 
of enkelen samen, hetzij ook omtrekkend, bedelend, 
soms dweperig predikend, over het land. Sommigen 
konden ook samenkomen in andere godsdienstige 
gemeenschappen dan de begijnen- of begardenconven- 
ten: in lazaretten, gods- of gasthuizen; zelfs voor het 
geven van volksonderwijs. Welke dan, naast andere 
namen, ook nog als beguini of beguinae konden 
bekend staan. 

Eerst omstreeks 1240 — ’50, als het woord zijn oor- 
spronkelijke beteekenis niet meer laat voelen, geraakt 
het ook elders, als nu ook in Frankrijk, bekend. Dan 
ook, niet vroeger, begint de beteekenis ervan zich 
uit te breiden: voor de aanhangers van allerlei ketter- 
sche of verdachte richtingen, voor de broeders en 
zusters van den nieuwen, of (14e eeuw) vrijen geest, 
de Spirituales, de Fraticelli, de derde-ordelingen, enz., 
zoowel als soms voor de bedelmonniken. 

Die mystieke beweging, bekend sedert het einde der 
12e eeuw, weer niet vroeger, als beguinisme of 
begardisme, onder welken naam op die wijze zeer ver- 
schillende elementen werden opgenomen, sloeg ook 
meermalen in dweperijen en buitensporigheden over. 
Ze werd gevoelig getroffen door de veroordeeling 


311 


Begijnendijk — Behaim 


312 


op het concilie van Vienne (1311, doch eerst in 1317 
bekend gemaakt) van een aantal kettersche stellingen: 
errores beguinorum, waarin wij eerder 
quietisme, dan, als gewoonlijk beweerd wordt, pan- 
theïsme zien. De Kerk stond bijzonder wantrouwig 
tegenover de vrije begijnen en begarden. De samen- 
levende begijnen bleven meestal gespaard, zelfs 
beschermd, al hadden ze door de onvermijdelijke 
verwarring, daar ook zij geen echte kloosterlingen 
waren, veel te lijden. In Zuid -Nederland konden de 
begijnhoven zich verder ontwikkelen, onder leiding 
meestal van de bedelorden, in het bijzonder van de 
Dominicanen. Na een periode van inzinking, door 
de Hervorming geteisterd, bloeide het instituut, door 
de bemoeiingen van bisschoppen en ijverige priesters, 
Nic. Eschius, Pelgrim Pullen bijv., met buitengewonen 
luister weer op in de 17e eeuw. Kort te voren hadden 
geleerden de begijnen doen gelooven, dat ze van hooge 
afkomst waren en gesticht door de H. Begga, die ze 
van toen af zijn gaan vereeren. De begijntjes waanden 
zich nu een soort van kanunnikessen en kleedden en 
gedroegen zich soms als zoodanig. 

Na de Fransche revolutie zijn de begijnhoven, hoewel 
minder geteisterd dan andere religieuze orden, voor- 
goed gaan kwijnen, wijl ook allerlei nieuwe congre- 
gaties de taak der vroegere begijnen hebben overge- 
nomen. In een twaalftal begijnhoven van Zuid- 
Nederland wonen nog soms slechts enkele 
begijnen, terwijl er de andere huizen betrokken worden 
door vrome dames of weduwen, of ook rustende 
priesters, die er in een stil leven van afzondering en 
gebed het einde hunner dagen afwachten. Alleen te 
Gent herinneren het klein begijnhof en het thans te 
St. Amandsberg gevestigde groot begijnhof aan den 
vroegeren bloei. Ook N. -Nederland kende de 
begijnen en zelfs de begijnhoven: te Breda kwamen ze 
reeds in de 13e eeuw; te Amsterdam in de 14e, sinds 
1304; in 1346 ontstond er het tegenwoordig begijnhof. 
Geert Groote met zijn zusters van het gemeene leven 
bracht feitelijk een vernieuwing van het begijnwezen. 
In andere landen gedijden de begijnhoven minder. 
In Duitschland, waar de begijnen in de Rijn- 
landen bijzonder talrijk waren, gingen velen vanaf 
de 14e eeuw, om aan vervolging te ontsnappen, tegen 
de ketterij uitgesproken, tot een of andere der derde- 
orden over, onder verschillende benamingen, als zoo 
vele vertakkingen. In F r a n k r ij k ontstonden 
ook eenige begijnhoven, zelfs reeds onder den 
H. Bodewijk, bij Parijs. Zij overleefden echter zelden 
de 14e eeuw. 

De mannen, begarden, meestal uit den arbeiders- 
stand, die in hun onderhoud voorzagen door hand- 
werk (kam- en weverij vooral, de begijnen deden spill- 
en bleekerij, doch ook anderen arbeid) of door werken 
van barmhartigheid, om door de veroordeeling der 
beguini niet getroffen te worden, verkozen het ook 
dikwijls tot een der derde-orden toe te treden, onder 
verschillende benamingen, met verschillende doel- 
einden, als in de 14e eeuw de lollaards, de matemanen 
en matewiven, die zich toelegden op ziekenverpleging 
en doodenbegraving: alle vertakkingen ten slotte van 
het begardisme. 

De geschiedenis van het beguinisme als hier ge- 
schetst zal verklaren, waarom begijnen en begarden 
vooral in de Nederlanden en de Rijnlanden zijn ver- 
spreid geweest. De begijnhoven vooral, en de begarden- 
gemeenschappen, zijn, naast de andere vertakkingen, 
de eigenaardige vorm, waarin die groote mystieke 


beweging derJ12e~eeuw zich heeft opgelost. Elders 
gaf dezelfde beweging aanleiding tot soortgelijke 
instellingen, die er echter onder andere namen bekend 
zijn en zich minder voorspoedig hebben ontw T ikkeld. 
Zelfs de bedelorden van het begin der 13e eeuw, de 
Franciscanen en Dominicanen, moeten in die alge- 
meene godsdienstige strooming beschouwd worden, 
als wellicht de voornaamste oplossing ervan. 

Lit. : J. Greven, Die Anfange der Beginen (Münster 
i.W. 1912) ; L. J. M. Philippen, De Begijnhoven (Ant- 
werpen 1918) ; J. Van Mierlo, Het Begardisme, in Versl. 
en Med. der kon. VI. Academie (Gent 1930); id., Op- 
helderingen bij de vroegste geschiedenis van het 
woord begijn ib. 1931) en de daar vermelde literatuur. 

V. Mierb. 

Begijnendijk, gem. in Belg. Brabant, N.W. 
van Aarschot; 2 000 inw. (Kath.); opp. 988 ha; land- 
bouw. 

Begijiienrijst was met suiker en saffraan toe- 
bereide rijst (een lievelingsspijs der begijnen), die te 
Breda nog in de 19e eeuw aan vorstelijke personen bij 
stadsbezoek werd aangeboden. Thans bestaat het 
gebruik niet meer. 

Begijnhof, > Begijn. 

Begijntje (plant k.), > Randjesbloem. 

Behaard, -> Haren. 

Behacismc, de klank b wordt in het spreken 
steeds door een anderen spraakklank vervangen. B. 
komt voor als stamelgebrek; maar ook als dialectisch 
verschijnsel. > Stamelen. 

Behaeghel, P i e t e r, Vlaamsch onderwijzer 
en taalkundige, die in den Spellingstrijd van 1839 
heftig optrad tegen het voorstel der Commissie. * 1783 
te Tielt, f 1857 te Brugge. Schreef een Nederduytsche 
Spraekkunst in 3 dln. A. Boon. 

Behaghel, Otto, Duitsch Germanist, hoog- 
leeraar te Giessen; bevorderde o.m. de studie van de 
Heliand- en de Veldeke -problemen; is vooral in de 
taalstudie gespecialiseerd. * 3 Mei 1854 te Karlsruhe. 
B. stichtte het Literaturblatt für germanische und 
romanische Philologie (1880 vlg.), een der critische 
hoofdorganen van dit dubbel studievak en gaf de 
eerste beschrijvende syntaxis van het Duitsch op 
historischen grondslag. 

Werken: Die deutsche Sprache (1886, 8 1930) ; 
Geschichte der deutschen Sprache (1891, 6 1928) ; Deut- 
sche Syntax (3 dln. 1923 vlg.) ; Von deutscher Sprachc 
(verz. opstellen 1927). — Lit.: in den B.-feestbundel, 
uitg. W. Hom, Heidelberg 1924. Baur. 

Behaim 1° (ook Beheim of Beha m), 
Hans de Oudere, bouwmeester in Neuren- 
berg, bekend sinds 1499. f 1538. 

Voorn, werken: De zgn. Kaiserstallung auf 
der Burg (eigenlijk een Graanhuis, 1494), het Waag- 
gebouw (1497 — ’98) en de verbouwing van het Raad- 
huis (1520). 

2° Hans de Jongere, zoon van den vorige, 
vestingbouwer in Neurenberg, Augsburg, Ulm e.a. 
f1535. 

3° Heinrich (Balier), misschien (volgens 
Dehio) zoon van Heinrich Parler de Oudere, bouw- 
meester. Werkzaam te Neurenberg aan het Oostkoor 
der S. Sebaldus-kerk (1363 — ’78), ontwierp de 
„Schone Brunnen” en verbleef na 1378 te Praag en in 
Moravische steden. 

Lit.: Neuwirth, Peter Parler von Gmünd (Praag 
19011. j Knipping. 

4° Martin, cosmograaf, * ca. 1460 te Neuren- 


313 


Behaïsme — Behangselpapier 


314 


berg, f 29 Juli 1607 te Lissabon; behoorde tot een 
voorname patriciërsfamilie en reisde als koopman naar 
de Nederlanden. Van 1484 — ’86 vergezelde hij Diëgo 
Cao op zijn ontdekkingstocht langs de West-Afri- 
kaansche kust en verbleef van 1486 — ’90 op de Azoren. 
Daarna woonde hij tot 1493 te Neurenberg, waar hij 
zijn beroemde aardglobe vervaardigde. Daarmee 
stelde hij de aarde als een bol voor (zie afb. bij art. 
> Aardrijkskunde, deel I, kolom 183/4). Deze globe 
had invloed op Columbus’ tocht; hij bevindt zich nu 
in het Germaansch museum van Neurenberg. In deze 
stad is een standbeeld voor B. opgericht. 

L i t. : Günther, Martin Behaim (1890) ; Ravenstein, 
Martin Behaim, his life and his globe (1908). 

v. Velthoven. 

5° (ook Bcheim), M i c h a e 1, meesterzanger, 
* 1416 te Sulzbach bij Weinsberg, f 1474 aldaar. Na 
een veel-bewogen leven als soldaat en zanger in dienst 
aan de hoven van Duitsche, Deensche en Hongaarsche 
vorsten, werd hij als baljuw van Sulzbach vermoord. 
Een der meesterzangers, die het nauwst verwantschap 
toont met de oudere minnezangers. 

Werken. Tijdens een gedwongen verblijf te Heidel- 
berg (na 1462) schreef hij met Mathis von Kemnat een 
groot heldendicht : „Friedrich I”. De meeste gedichten 
van B. bleven in hs. Zijn „Buch von den Wienern”, 
waarin hij de belegering bezingt van den keizerlijken 
Hofburg door de Weeners, is uitgegeven door Karajan 
(1843). Ook publiceerde deze 8 kleinere gedichten van 
B. — L i t. : Alfr. Kiilm, Rhythmik und Melodik 
M.B/s (1907). Piscaer. 

6° Paul, zoon van Hans den Oudere, vesting- 
bouwer in Neurenberg, f 1661. 

Behaïsme, godsdienstige sekte, ontstaan als af- 
scheiding van het > Babisme. De stichter Beha-Allah 
(glans Gods) beriep zich erop, dat de Bab een volmaak- 
ter openbaring voorspeld had en gaf zich uit als 
emanatie der godheid en als belichaming van de 
definitieve openbaring voor heel de menschhcid. Hij 
noemde zich „schoonheid Gods” en „geschapen uit het 
licht Gods”; zijn aanhangers bewezen hem dan ook 
goddelijke eer. 

Was het Babisme in wezen slechts een hervorming 
van den Sjiïetischen Islam, het Behaïsme wierp zich 
op als wereldgodsdienst. Alle wetten en voorschriften 
van den Islam werden opgeheven, monogamie ge- 
propageerd, oorlogen veroordeeld en een broederschap 
der menschen als ideaal gesteld. Het kitab akdas 
(heiligste boek) en zendbrieven dienden als tegenhanger 
van de Ba jan. Beha-Allah, gestorven in 1892, na zijn 
leven grootendeels te Haifa en Akka in Palestina te 
hebben doorgebracht, werd opgevolgd door zijn zoon 
Abbas Effendi, die door het gros der Behaïsten erkend 
werd. Hij accentueerde nog sterker pacifisme en inter- 
nationalisme, de band met den Islam werd geheel ver- 
broken en ideaal werd, het beste van Christendom, 
Islam, Boeddhisme, theosophie, enz. te vereenigen. 
Hij had eenig succes onder vrijzinnige kringen in 
Amerika, dat hij in 1912 persoonlijk bezocht; Haifa 
werd pelgrimsoord voor vele Amerikaansche dames. 
Een oncontroleerbare schatting geeft één millioen 
als het aantal der Behaïsten in Perzië. Abbas Effendi 
stierf in 1921 ; over de opvolging is nog geen eenstem- 
migheid. 

L i t. : Myron W. Phelps, Abdul Baha Abbas Leben 
und Lehren (1922) ; zie verder > Babisme. 

Zoetmulder . 

Beham, 1° Barthel, schilder en graveur, 


* 1602, f 1640; werkzaam te Neurenberg en München; 
met zijn broeder Hans Sebald een der hoofd- 
figuren der zgn. „Klein- 
meister”. Hij is een 
oorspronkelijk talent 
met groote phantasie 
en vrijwel onafhanke- 
lijk van Dürer. Jong 
gestorven op een reis 
in Italië. Zijn gravures 
zijn talrijk en geven 
een volledig overzicht 
van zijn kunst. Men 
kent daarentegen slechts 
weinig schilderijen van 
hem ; hoofdwerk is 
het „Kruiswonder” (in 
Pinacotheek te Mün- 
chen). Hij kreeg vele 
opdrachten van Beier - 
sche vorsten (portret- 
ten), waarvan er nog verscheidene bestaan. Een ty- 
pische vertegenwoordiger van den rijken bloei der 
Zuid-Duitsche Renaissance. 

L i t. : Singer, „Die Kleinmeister” ; Friedlander in 
Rep. f. Kw. XVIII. 

2° Hans Sebald, schilder en graveur, * 1500, 
f 1560; werkzaam te Neurenberg, München en Frank- 
fort a.M. ; oudere broeder van Barthel (zie boven). 
Schilderijen van hem zijn zeer schaarsch, maar gra- 
vures en vooral houtsneden zéér talrijk. Hij is niet vrij 
van Dürer ’s invloed, maar een belangrijk en vrucht- 
baar talent met veel phantasie en enorme metier- 
kennis. 

L i t. : Singer, „Die Kleinmeister”. Schreden. 

Behang , een lange beharing bij een paard aan den 
achterkant van het onderste gedeelte van voor- en 
achterbeen; speciaal bij zware paardenrassen voor- 
komend, o.a. het Friesche en Shirepaard. 

Behangselbesluit, K. B. ex art. 14 en 15, > 
Warenwet. 

Behangselpapier is decoratief papier, waar- 
mede muurvlakken in kamers bedekt worden. Het 
raakte in gebruik als een veel goedkooper surrogaat 
voor behangsels van brocaat, brocatel, zijde enz. en 
voor wandgobelins en wandtapijten. Omtrent de op- 
komst van b. tast men nog in het duister. Het oudste 
voorbeeld, dat bekend is (1911 gevonden in den ingang 
van het Christ College te Cambridge) dateert waar- 
schijnlijk uit de eerste decennia der 16e eeuw. De eigen- 
lijke ontwikkeling begon in Frankrijk (Rouaan), waar 
onder Italiaanschen invloed het zgn. domino-papier 
gefabriceerd werd. Dit papier, in blokdruk, versierd 
met kleine geometrische figuren of grotesken, werd in 
Italië voor boekomslagen gebezigd. In Frankrijk ging 
men er nu de wanden mee behangen. Aanvankelijk 
werden de kleine stukken papier (30 — 40 cm) aan den 
muur vastgespijkerd, eerst veel later kleefde men 
ze op het wandvlak. Het werd op een handpers ge- 
drukt, met de hand volgens schablonen in gegomde 
kalkverven gekleurd („papier peint”). Dit domino- 
papier kwam druk in gebruik en in 1666 kennen we in 
Frankrijk het gilde van de „dominotiers, tapissiers 
et imagiers”. Naast dit soort papieren kwam al spoedig 
ook gemarmerd papier (geschepte en volgens verschil- 
lende marmerdessins geschifte kleuren) in omloop. 
Jean Papillon (1661 — 1723) verbeterde het plaatsen 
der patronen, zoodat deze op de verschillende papier- 



Bocrendans. Gravure van 
Hans Sebald Beham. 


315 


Behar — Behaviorisme 


316 


stukken aan elkander sloten en men zoowel horizon- 
taal als verticaal een loopende teekening over het 
wandvlak kon behouden. Zijn leerling Jacques Chauvau 
ging er toe over ook de kleuren te drukken. Spoedig 
ontstonden door geheel Frankrijk drukkerijen van dit 
zeker minder fijn uitgevoerde papier. Foumier (1700) 
maakte door het aan elkander kleven van 30x40 ern- 
stukken de eerste rollen, ong. 12,60 m lang. In het 
begin der 17e eeuw was men zich gaan toeleggen op 
fijnere papiersoorten en trachtte men daarmee het 
fluwcelen behang en het gobelin na te volgen. De zgn. 
„pluizen- of v 1 o k k e n-” papieren, die, na 
met een klevend vernis bedrukt te zijn, belegd werden 
met verschillende kleuren fijn gehakte wol- of zijde- 
draden, komen sinds 1G20 in Rouaan voor en worden 
ook in Engeland spoedig nagevolgd, maar daar ge- 
bruikt men als ondergrond in plaats van papier linnen, 
zijde of leer (de zgn. „Londoniana”). Engeland gmg 
in deze techniek zelfs zóó vooruit, dat het na 1760 
leverancier van Frankrijk werd. Deze „v 1 okke n-” 
papieren werden in houten lijsten op dikken linnen 
ondergrond geplakt. Zoo ontstonden paneelen en 
wellicht was het daardoor, dat de Franschman Reveil- 
lon in de laatste helft der 18e eeuw geïnspireerd werd, 
om geschilderde wandversieringen op b. na te bootsen. 
Zijn ontwerpen liet hij door kunstenaars van naam 
maken: Huet, Prieur, Lavallée-Poussin e.a. (voor- 
beelden in Musée des Arts Décoratifs te Parijs). Hij 
liet een bijzonder sterk soort papier voor zijn doel 
fabriceeren. Nadat zijn personeel in 1789 de werkplaats 
verwoest had en hijzelf als balling in Engeland was 
overleden, zetten Jacquemart en Bénard het werk 
voort. Engeland volgde. John Baptist Jackson schreef 
een verhandeling: „Invcntion of Engraving and 
Printing in Chiaro obscuro .... and the Application 
of it to the Making of Paper Hangings”. Jackson 
drukte in olie, graveerde zelf voor zijn doel naar Cana- 
letto, Rembrandt, Titiaan enz. Nicolas Louis Robert 
uit Essönes bracht in 1799 behangselrollen uit één 
stuk in den handel. Men ging nu kamers met één 
groot tafereel of met meerdere samenhangende scènes 
behangen (de zgn. P a n o r a m a-papieren). Be- 
kende voorbeelden: „De Jacht” te Compiègne, verder 
stukken in het Victoria and Albert Museum te Londen. 

Beroemd werden naast de papieren van Jacquemart 
en Bénard, die van den Elzasser Zuber: „Vues de 
Suisse” (1804), Joseph Dufour te Parijs: „Ontdek- 
kingsreizen van kapitein Cook” (1804), „de twaalf 
maanden” (1808), Jourdan Villers: „Slag van Auster- 
litz” (1806). Naar Amerika werd veel Fransch en 
Engelsch werk geëxporteerd. Aldaar verrees in 1739 
de eerste fabriek van b., maar vooral sinds het begin 
der 19e eeuw ontstond er een ware manie van be- 
hangen. 

Een ander soort papier was het naar Chineesche 
modellen gecopieerd zgn. Ghineesch b. Reeds 
door de handelslui der verschillende Oost-Indische 
Compagnieën werden kostbare voorbeelden daarvan 
uit China meegevoerd, maar men begreep, dat men 
voord eeliger en even goed zelf door de drukpers de met 
de hand geschilderde vogels en bloemen (gecopieerde 
vaasmotieven) kon vervaardigen. In Engeland kwa- 
men in de laatste helft der vorige eeuw vooral onder 
invloed van Augustin Welby Pugin papieren met 
Gotische patronen in zwang. In het begin dezer eeuw 
ging men weer terug naar de 18e, doch spoedig werd 
door de groote productie van mindersoortige namaak- 
sels de fijnheid bedorven. Weer begon men het papier 


bij wijze van paneelen te bezigen, terwijl dan de vrij- 
gebleven wandvlakken een met het papier overeen- 
komstige kleur kregen. Een tijdlang, vooral in Enge- 
land en de Vereenigde Staten omtrent 1914, herleefde 
de zin voor het oude panorama-papier en vonden 
antieke maaksels gretig koopers. Ondanks het feit, 
dat de fabrieken in de laatste jaren telkens nieuwe 
modellen op de markt brengen, kan men toch niet 
zeggen, dat de kunst van het behangsel na den wereld- 
oorlog een groote vernieuwing heeft mecgemaakt. 
We hebben nu het, meestal effen, soms nagebootst 
juten enz., achtergrond -papier, waartegen schilderijen 
en ingelijst werk behoorlijk moeten uitkomen; daar- 
naast zijn vooral de effen of w ? einig gepatroneerde 
zéér hel gekleurde soorten, zelfs ongebroken goud- en 
zilverpapieren in gebruik. Deze worden dan in pa- 
neelen gevat; verschillende kleuren past men in een 
vertrek toe, soms 4 tot 6, een werkwijze, die herinnert 
aan den eersten Pompejaanschen vers ieringsstijl, waar 
men met verven hetzelfde effect verkreeg. Er is ge- 
glazuurd papier voor keuken en badkamer, gemarmerd 
voor de hall, gesatineerd, imitatie houtwerk en leer 
etc. In Nederland zijn als ontwerpers van b. bekend 
Cris Lebeau en L. Zwiers. 

Behangselpapier is verkrijgbaar in uniform -rollen 
van 8x0,60 m. Er bestaat het goedkoope, onbedrukte, 
in het bad geverfde nature 1-papier. Wordt de 
voorzijde met patroon bedrukt, dan spreekt men van 
bedmkt naturelpapier. Is de voorkant eerst met een 
grondkleur bestreken, dan heet het g e g ron- 
de e r d papier. Is het bij het effenen onder de wals 
glanzend gemaakt, dan wordt het gesatineerd 
genoemd. Een mooie ruw-soort is het zgn. i n g r a i n- 
papier (samengewalste lagen geverfde en ongeverfde 
papierstof). Tecco en metaxin imiteeren 
zijde, r e 1 i ë f-papieren gewuven stoffen en leder. 
De opdruk w r ordt soms verguld, waardoor het idee van 
goudleer ontstaat. 

L i t. : Ackerman, Wall Paper, its History, Design 
and Use (1923) ; Mc Clelland, Historie Wall Paper (1924); 
Mc Clelland. in The Encycl. Brittanica (XII 17 1929, 
490 vlg.) ; Zwiers, Ons huis [z.j. (1924)]. Knijyping. 

Behar, > Bihar. 

Beharing, > Haar. 

BehavJor (Amer., = gedrag) heeft in de moderne 
psychologie de beteekenis van uitwendig waarneem- 
bare reactiewijze van een levend organisme, plant, 
dier of mensch, in een bepaald milieu of prikkel- 
situatie. 

Behaviorisme (Eng. Behaviorism; Duitsch: 
Verhaltungspsychologie; Fransch: Psychologie du com- 
portement), psychologische richting, die zich vooral 
of uitsluitend toelegt op de studie van „behavior” 
(Amer.), d.w.z. de lichamelijke gedragswijze, die door 
meerderen en niet enkel door het individu zelf geobser- 
veerd of die door een instrument geregistreerd kan 
woorden: de bewuste reacties op spieren en klieren, 
alsook de onbewuste reflexen, zooals pupilreflex, 
verandering van bloedsomloop en ademhaling, psy- 
chogalvanische reflex, enz. Wanneer bijv. een mensch 
in gevaar op de vlucht slaat, interesseert de behavio- 
rist zich enkel voor de uitdrukking van zijn gelaat, 
de snelheid van zijn loop, den hartslag, de zw r eetaf- 
scheiding, zonder zich te bekommeren om wat zich 
in de ziel van dien mensch afspeclt. Observatie van 
zulke uitwendige reacties wordt objectieve methode 
genoemd (vandaar objectieve psycholo- 
gie), in tegenstelling met de subjectieve, 


317 


Beheer — Behendigheidsgymnastiek 


318 


die steunt op de zelfwaarneming der in het bewustzijn 
voorhandene psychische verschijnselen. 

Het b. werd vooral verbreid in Rusland door 
Bechterew, en in de Ver. St. door John B. Watson 
sinds 1912. Gronden van zijn ontstaan: 1° 
reactie tegen een overdreven introspectionisme en 
tegen dierpsychologen als Brehm en Romanes, die 
de dieren menschelijke kennis en gevoelens toe- 
schreven; £° invloed van het Amer. neo-realisme; 
3° de succesvolle proeven van Pavlow, die het pro- 
bleem der associatie en discriminatie bij de dieren 
volgens een zuiver objectieve methode, die der > voor- 
waardelijke reflexen, benaderde. De grondleggers 
van het b. trachtten deze methode ook op kind en 
volwassen mensch toe te passen, met verwerping van 
de introspectieve, subjectieve methode. Een psy- 
chisch verschijnsel is volgens hen niets anders dan een 
zenuwstroom, die onder invloed van een prikkel- 
consteilatie (stimulus) in het organisme wordt opge- 
wekt en die zich naar buiten in een musculaire of 
glandulaire verandering openbaart (response = 
antwoord; vandaar stimulus -response 
psy c h.). Het b. behandelt dus zijn subjecten op 
dezelfde manier als de physiologie; verschil tusschen 
beide is, dat de behavioristische psych. de reactie 
van het individu als een geheel, de physiologie de 
reactie van bepaalde organen beschouwt. Rich- 
tingen: de radicale behavioristen verwerpen de 
subj. methode volledig, hetzij ze eenvoudig het 
bewustzijn ontkennen, hetzij ze dit als betrouwbare 
bron van psych. kennis loochenen, zooals J. B. Watson, 
A. P. Weis, W. S. Hunter; de gematigde partij, zooals 
H. C. Warren, H. Piéron, W. Pillsbury, R. Wood- 
worth, aanvaarden de introspectie enkel en alleen in 
zooverre zij eenig licht op de uitwendige gedragswijze 
kan werpen; tenslotte is er nog een derde groep, die 
zich, gelijk Mc Dougall, wel behav. noemen, maar die 
inderdaad niet ver van de traditioneele psychologie 
af staan. 

De biologische oriëntatie van het behav. is een heil- 
zame reactie tegen de eenzijdige bewustzijns -psycho- 
logie van Descartes en een terugkeer naar Aristoteles 
en Scholastiek; maar in zijn loochening van het 
bewustzijn maakt het zich evenzeer schuldig aan 
eenzijdigheid: een bewustzijnsakt is evengoed een feit 
als een uitwendige beweging en krachtens het argu- 
ment der analogie zijn we gerechtigd aan andere men- 
schen een zelfde bewustzijn toe te kennen als aan ons 
zelf. Door mensch en dier als een machine op te vatten, 
valt het b. in mechanisme en materialisme. 

Lit. : Bechterew, La psych. objective (Parijs 1913); 
Watson, Psych. from the standpoint of a Behaviorist 
(N.York 2 1924) ; Piéron, Psych. expérimentale (Parijs 
1927). v. d. Veldt. 

Beheer, > Vennootschap; > Gemeenschap van 
Goederen. 

Bebeercn (N e d. en Belg. Recht), staat 
tegenover beschikken. In de algemeene bevoegdheid, 
dien den eigenaar ten aanzien van zijn eigen vermo- 
en pleegt toe te komen, kan men onderscheid maken 
tusschen zijn bevoegdheid tot beheeren van, en zijn 
bevoegdheid tot beschikken over zijn vermogen. Be- 
heeren is te omschrijven als het verrichten van hande- 
gingen, die enkel het behoud en het vruchtbaar maken 
van een zaak of vermogen ten doel hebben. Een scherpe 
grens tusschen beheeren en beschikken is moeilijk 
te trekken. Buiten twijfel zijn daden van beschikking 
bijv.: vervreemding en bezwaring van onroerend goed, 


schenking en verpanding'van roerende goederen ."Een 
daad van beheer daarentegen is even zeker het soliede 
beleggen van jaarlijksclm overgespaarde gelden, die 
door uitloting van obligatiën of door andere schuld- 
aflossingen zijn vrijgekomen. Evenwul, met die beleg- 
gingen komt men alras op een gebied, waar de grens 
tusschen beheeren en beschikken moeilijk te trekken 
valt. Speculatieve beleggingen bijv. zijn zeker eerder 
als daden van beschikking, dan als daden van beheer 
te beschouwen. Maar het is niet mogelijk om objectief 
uit te maken, hoe soliede de belegging wel moet zijn 
om nog een „beheersdaad” te mogen heeten. Ook van 
verkoopen van roerende goederen zal niet in het alge- 
meen te zeggen zijn, of het beschikkings- dan w T el 
beheersdaden zijn: het verkoopen van een versleten 
automobiel zal bijv. een beheersdaad zijn, maar de 
verkoop van een kostbaar schilderij zal als een daad 
van beschikking moeten gelden. Intusschen levert 
deze vage afgrenzing van beheer en beschikking voor 
de practijk natuurlijk geen enkel bezwaar op, zoolang 
maar dezelfde persoon zoowel tot beschikking als tot 
beheer over een bepaald vermogen bevoegd is, en dit 
is tenslotte het normale geval. Moeilijkheden zouden 
eerst kunnen rijzen, wanneer iemand het beheer over 
anderer goederen is opgedragen, met uitsluiting 
evenwel van het recht om over dezelve te beschikken. 
Zoo heeft bijv. de voogd het beheer van de goederen 
van zijn pupil, de curator het beheer over de goederen 
van den curandus, de man het beheer over de goederen 
zijner vrouw. Bedoelde moeilijkheden heeft de wet- 
gever echter in een zekere mate kunnen ondervangen, 
of wel door het begrip „beheer” tamelijk ruim op te 
vatten, maar dan ook den beheerder aansprakelijk 
te stellen voor alle verzuimen in zijn beheer (op deze 
wijze is het beheer van den man over de eigen goederen 
zijner vrouw geregeld), of wel door nauwkeurig voor 
te schrijven tot w T elke beheersdaden de beheerder be- 
voegd is en hoe hij zich van zijn taak moet kwijten 
(dit systeem is gevolgd ten aanzien van voogd en 
curator). In het algemeen zij nog opgemerkt, dat de 
wetgever in zijn terminologie de onderscheiding 
tusschen beheeren en beschikken niet streng doorvoert, 
zoodat men vaak uit het verband moet opmaken, welk 
der twee begrippen hij op het oog heeft. 

Kluyskens/ Stoop. 

Beheercncl vennoot (complementaire vennoot, 
complementaris) is de vennoot, die bij een comman- 
ditaire vennootschap tegenover derden voor het geheel 
aansprakelijk is. Zulks in tegenstelling met den 
commanditairen vennoot, die niet verder aansprake- 
lijk is dan tot het bedrag, hetwelk door hem in de 
commanditaire vennootschap is ingébracht. Zijn er 
meer beheerende vennooten, dan vormen deze samen 
een vennootschap onder firma (art. 19 W. v. K.). 
Alleen de beheerende vennoot kan de toegezegde 
bedragen van den commanditairen vennoot opvorderen. 

Voor België: zie W. v. K. tit. IX Vennoot- 
schappen (art. 18 — 25). J. Schouten. 

Beheerraad, > Vennootschap. 

Bclicim, > Behaim. 

Behcim-Schwarzbaeh, Martin, Duitsch 
dichter van de richting der nieuwe > zakelijkheid, 
en talentvcl verteller. * 27 April 1900 te Londen. 

Werk: Die Runen Gottes (1927); Lorcnz Schaar- 
manns unzulangliche Busze (1928) ; Die Michaclskinder 
(1930). 

Behendigheidsgymnastiek, gymnastiek, die 
ten doel heeft den beoefenaar behendig, vlug te maken . 


319 


Bellistoen — Behoefte 


320 


Het zijn dus oefeningen, die de practische bruikbaar- 
heid van het lichaam kunnen verhoogen. In de oefe- 
ningen moeten daarom moeilijkheden voorkomen met 
betrekking tot de vaardigheid en behendigheid der 
leerlingen. Custers. 

Bellis! oen (schrijfwijze ontleend aan Arabischen 
geograaf Ja koet en sinds Rawlinson meer gebruikelijk 
dan de inheemsch-Perzische vorm Bisoetoen), naam 
van plaats in Perzië met beroemde rotsreliëfs, o.a. 
van Darius den Grooten, dezen voorstellende met 2 
officieren en 9 rebellenleiders, waaronder Gaumata 
en Phraortes. Boven dezen de figuur van Ahoera Mazda. 
Beneden en terzijde staan inschriften in Perzisch, 
Soesiaansch en Babylonisch spijkerschrift. Diodoms 
Siculus schreef het werk toe aan Semiramis. Euro- 
peesche reizigers vanaf 17e eeuw brachten de meest 
verschillende verklaringen (o.a. Gardanna: de 12 
apostelen!), totdat Rawlinson (1835 — ’37) ten koste 
van groote inspanning de eerste goede copieën ver- 
vaardigde met een draaglijke vertaling van den Per- 
zischen tekst. Dit was de beslissende stap tot de ont- 
cijfering van het Babylonische spijkerschrift. 

L i t. : L. W. King and R. C. Thompson, The Sculp- 
tures and Inscription of Darius the Great on the Rock 
of Behistun (Londen 1907). Simons. 

Behm, Ernst, geograaf en statisticus, * 4 Jan. 
1830 te Gotha, f 15 Maart 1884 aldaar; werd in 1856 
verbonden aan de Geogr. Anstalt van Justus Perthes 
te Gotha en werd redacteur van Petermanns Mitteil- 
ungen. In 1872 toonde hij aan, dat de door Livingstone 
ontdekte Loealaba identiek is met den Kongo. Hij 
stichtte in 1866 het Geogr. Jahrbuch, dat hij tot 1878 
leidde. In 1876 werd B. redacteur van het statistisch 
gedeelte van den Goth. Hofkaleoder. Bekend is vooral 
zijn: Die Bevölkerung der Erde (in samenwerking 
met H. Wagner). v. Velthoven. 

Belui 9 Aphr a, de eerste Engelsche schrijfster 
van tooneelspelen en romans. * 1640 onder den naam 
Aphra Amis van onbekende ouders, f 1689; leefde als 
kind misschien in Suriname tot 1665, huwde een rijk 
koopman van Ned. afkomst, Behn, die stierf vóór 
1666. Werd daarna schrijfster om in haar levensonder- 
houd te voorzien. Ze schreef anoniem een 20-tal 
geestige, maar ruwe blijspelen, en bloedige treurspelen, 
maakte zich als schrijfster bekend en werd populair 
ca. 1681. Gedichten, geschiedenissen en romans o.a. 
Oroonoko or the Royal Slave, een voorlooper van 
Defoe’s romans. 

L i t. : Novels uitg. E. A. Baker (1905) ; Works uitg. 
M. Summers (6 dln. 1915). Hoe zij ficties als werkelijk- 
heid uitgaf, ook in hare autobiographie, is bewezen door 
E. Bierbaum in Mod. Lang. Assoc. of America 28 (1914, 
432-’53). Pompen . 

Behoedzaamheid (Lat. cautio) is een integree- 
rend onderdeel van de kardinale deugd van beleid of 
voorzichtigheid. Een behoedzaam mensch is geneigd 
alles te vermijden, wat voor hem een beletsel is om 
zijn einddoel te bereiken. 

L i t. : S. Thomas, S. Theol. (II, II q. 49 a. 8). 

Eender. 

Behoefte. De mensch bezit in zichzelven niet 
alles wat hij noodig heeft en al heeft hij nog zooveel 
vermogen, toch kan hij alles niet in eens aanschaffen, 
wat hii in zijn leven noodig zal hebben; hij voelt en 
erkent telkens opnieuw de noodzakelijkheid en hij 
moet telkens de mogelijkheid overwegen om het 
ontbrekende aan te vullen. In subjectieven 
zin is b. het gevoel en het bewustzijn, dat ons iets 


ontbreekt, verbonden met het verlangen dit ontbreken- 
de aan te vullen. 

Een wilde kan wel veel ontbreken, maar hij is er 
zich niet van bewust; een asceet kan wel het bewustzijn 
hebben, dat hem veel ontbreekt, maar hij zet het ver- 
langen van zich af naar middelen ter aanvulling van 
zijn welvaartstekort. In objectieven zin is de 
b. de toestand van gebrek aan een bepaald iets en 
vervolgens de zaak, die men noodig heeft en verlangt. 
Hoe meer gecompliceerd een levensproces is, des te 
talrijker zullen de b. zijn. Uitbreiding der b. is dus 
op zichzelve niet te verwerpen: een toenemende 
beschaving brengt meerdere b. mee. Elke overdaad 
is echter te vermijden; ontaarding zal lijden tot 
onredelijke behoeftebevrediging, waaruit blijkt, dat 
de bevrediging der b. aan zedelijke normen moet wor- 
den onderworpen. Een doellooze toename en wijziging 
der b. mag niet worden bevorderd, wel echter die, welke 
rekening houdt met de ontplooiing der zedelijke, 
intellectueele en godsdienstige vorming der per- 
soonlijkheid en der maatschappij. In verband met de 
lichamelijk-geestelijke natuur van den mensch kan 
men spreken van stoffel ij ke en onstof- 
fel ij k e b.; naar het ontstaan der b. kan men deze 
indeelen in aangeboren en verworven b. 
Om het min of meer dringende der b. aan te geven, 
spreekt men van bestaans- en beschavingsbehoeften 
of ook wel van natuur-, stands- en weeldebehoeften. 
Er zijn b., die zoodanig met ons organisme verbonden 
zijn, dat zij zich altijd doen gelden, zooals een zekere 
lichaamswarmte; sommige b. treden met tusschen- 
poozen of periodiek op, andere komen alleen op in 
bepaalde omstandigheden. Naar het subject der b. 
kan men onderscheiden: individueel e, ge- 
zin s- en collectiviteits behoeften. 

Men kan ook spreken van m i d d e 1 1 ij k e en 
onmiddellijke b., naar gelang ze gericht zijn 
op voorwerpen, welke direct in b. voorzien (eind- 
goederen, voedsel, kleeding) of op die, welke noodig 
zijn om eindgoederen te vervaardigen (productie- 
middelen). 

Het economisch-rationeele streven tracht een 
optimum te bereiken bij het voldoen aan de ver- 
schillende om den voorrang strijdende b. Bij een 
voortgezette bevrediging van eenzelfde b. binnen een 
bepaald tijdsbestek treedt een verzadiging in, waar- 
door de stoffelijke behoefte-bevredigingsmiddelen 
een afnemende nuttigheid verkrijgen. Bij geestelijke 
goederen treedt deze af nemende bevrediging niet op; 
hoe meer wetenschap en deugd men heeft, des te grooter 
wordt het verlangen naar een rijker bezit; hij die veel 
geld bezit, zal wel niet spoedig verzadigd zijn, wijl 
het geld hem veroorlooft allerlei dingen aan te schaf- 
fen; de toename van gebruiksgoederen van dezelfde 
soort zal echter steeds minder voldoening brengen. 

Hij die economisch -rationeel handelt, zal bij beschik- 
king over beperkte middelen, hetzij in den vorm van 
geld, productiemiddelen of verbruiksgoederen, een 
absolute verzadiging of oververzadiging vermijden 
en niet alles in één richting aanwenden; het grootste 
voordeel zal hij behalen uit de beschikbare middelen, 
als hij op een bepaald niveau gekomen bij de bevredi- 
ging van de gewichtigste b., zich wendt tot een minder 
gewichtige, maar die toch dringender is, dan de voort- 
gezette bevrediging der eerste. Om verschillende 
redenen zullen b. van het heden sterker gevoeld 
worden dan die van de toekomst; toch moet men ook 
voor de toekomst zorgen. De goederenproductie zal 


321 


Behoud — Behouden- Varen- Verzekering 


322 


meer en meer rekening moeten houden met de b., 
wijl er in sommige landen een teveel is van bepaalde 
producten voor gebruik in eigen land en het buiten- 
land deze producten niet meer afneemt. Elk redelijk 
budget streeft naar een evenwicht tusschen middelen 
en b.; een gesocialiseerde maatschappij zou stooten 
op het probleem van een goed opgezet behoeftenschema; 
de tegenwoordige economische ordening heeft tot 
maatstaf voor de voorziening in de b. den marktprijs, 
welke maatstaf wel niet volmaakt functionneert, 
alleen reeds hierom, wijl de prijzen een onvolmaakte 
uiting zijn der b. en zelfs der koopkracht en dus 
correctieven vereischten, maar toch niet zal kunnen 
worden vervangen door een regeling van bovenaf, 
welke een evenwicht tot stand tracht te brengen tus- 
schen productie en behoeften. 

L i t. : H. W. C. Bordewijk, Economie en behoeften ; 
F. Cuhel, Zur Lehre von den Bedürfnissen ; H. H. Gossen, 
Entwicklung der Gesetzc des menschlichen Verkehrs ; 
C. Menger, Grundsatze der Volkswirtschaftslehre ; H. 
Fesch, Lehrbuch der Nationalökonomie (I) ; F. v. Wieser, 
Der natürliche Wert. M. Verhoeven. 

Behoefte is een der belangrijkste grondbegrippen 
van de economie, de wetenschap der tijdelijke mensche- 
lijke welvaart. De b. aan bevredigingsmiddelen, of 
zuiverder aan gebruiksmiddelen en verbruiksmiddelen 
van stoffelijken en onstoffelijken aard, beheerscht 
voor een belangrijk deel het verzorgingsproces der 
menschheid. Zij leidt de productie van bevredigings- 
middelen in bepaalde richting. Door oudere econo- 
misten werden bij de behandeling van dit begrip 
twee groote fouten gemaakt. Vooreerst, dat zij, als 
bij alle andere onderdeelen van de economie, niet de 
dubbele beschouwingswijze, de realistische 
en de doelmatig-critische toepasten. 
Zij gingen uit van de b. als vaste gegevens, daarbij 
vergetende, dat ook de b. ten slotte getoetst moeten 
worden en wel aan het beginsel der r e d e 1 ij k h e i d. 
Niet alle b. kunnen bij wetenschappelijke behandeling 
zoo maar worden aanvaard. Een aantal moet worden 
af gesneden en onbevredigd gelaten in een redelijk- 
levende samenleving; maar ook moet een aantal hooger 
worden opgevoerd en vooral bij die menschen, die door 
gemis aan b. beneden het redelijk peil der menschheid 
leven. 

In verband met die eerste fout staat een tweede, 
niet minder groot. Niet slechts de individueele b. 
zijn van belang, ook de collectieve b. Dus van men- 
schengroepen, in vereeniging, gemeente, staat. B. aan 
allerlei instellingen als: rechtsinstituten, leger, vloot, 
wegen, vervoer, enz. 

Uit deze beide fouten blijkt, welk een verderfelijken 
invloed de liberale of individualistische levens- 
opvatting ook op dit belangrijk onderdeel der economie 
heeft gehad. 

Verkeerde gevolgtrekkingen bleven dan ook niet 
uit. Nemen wij, om ons slechts tot Nederland te 
bepalen, eenige der axioma’s van den Utrechtschen 
hoogleeraar in de economie, prof. dr. C. A. Verrijn 
Stuart. Deze stelt in zijn „De grondslagen der Volks- 
huishouding”: „De economie gaat uit van het ervarings- 
feit, dat de mensch, overal en altijd, te worstelen heeft 
met een welvaartstekor t.” Verder „Wel- 
vaart is nu: het vermogen om aan de begeerten, welke 
de mensch zich bewust wordt, te voldoen.” Beide 
stellingen zijn volslagen onjuist. Zoowel voor realis- 
tisch onderzoek — Oostersche volken en ook de 
Europeesche menschheid in een bepaald stadium — 


als voor doelmatig critisch onderzoek — uitgangspunt 
voor objectieve doelmatigheidscritiek: redelijke voor- 
ziening in redelijke behoeften — bezwijken deze beide 
stellingen. Zij zijn gedrenkt in de individualistische, 
subjectivistische levensopvatting van den auteur. 
Bij toenemende cultuur kan de b. aan bevredigings- 
middelen, vooral van lagere orde, afnemen. Een sober 
levend volk, dat afstand zou doen van den wirwar 
van b. en dientengevolge bevredigingsmiddelen, die 
in ons 20e-eeuwsch Europa zich vertoonen, zou veel 
welvarender en cultureel veel hooger staand kunnen 
zijn dan zoovele volken van thans. 

Het vraagstuk der menschelijke b. toont zich zeer 
belangrijk en ingewikkeld. De groote verdeeling naar 
realistisch en doelmatig-critisch onderzoek staat voor- 
op. Dan de b. der verschillende tijdperken en bescha- 
vingen en volken. Vervolgens individueele naast 
collectieve b. Dan de b. van hoogere en lagere orde. 
Vooral op de verhouding onderling in deze laatste 
beide groepen komt het aan. Daarmee houdt toch de 
noodzakelijk-toekomstige ontwikkeling van het be- 
hoef televen ten nauwste verband. Critici als prof. Ude 
uit Graz — in hoeveel opzichten men het ook met hem 
oneens moge zijn — hebben hierbij belangrijk werk 
verricht. 

L i t. : L. Brentano, Versuch einer Theorie der Be- 
dürfnisse ; prof. dr. H. W. C. Bordewijk, Economie en 
Behoefte ; dr. B. Missiaen O.C., L’appauvrissement des 
masses ; prof. dr. J. A. Veraart, Arbeidsloon. 

Veraart. 

Behoud (der schepselen), ook conservatie 
(Lat. conservatio) genoemd. De schepselen wordne 
door God in hun zijn behouden. De schepselen bestaan 
niet krachtens zich zelf, zij bestaan krachtens de Eerste 
Oorzaak, die alleen uit zich zelf bestaat. De schepselen 
bestaan, omdat God hun het zijn geeft. Niet alleen 
het begin van hun bestaan vraagt een oorzaak, hun 
bestaan zelf eischt als niet-noodzakelijk bestaan een 
oorzaak. Daarom strekt Gods oorzakelijkheid zich 
verder uit dan de schepping, waardoor de schepselen 
uit het niets beginnen te zijn. Gods oorzakelijkheid 
duurt, zoolang het bestaan van het schepsel duurt. 
Het b. is niet een andere daad dan de scheppingsdaad, 
van God, het is een voortgezette scheppingsdaad , 
want zoowel door de schepping als door het behoud 
wordt door God het bestaan aan het schepsel gegeven. 
Het verschil is slechts dit: door de schepping wordt 
het bestaan der schepselen veroorzaakt als beginnend 
na het niets, door het b. wordt het veroorzaakt, opdat 
het blijft. 

Tegen de stelling van het b. door God strijdt het 
Deïsme, hetwelk Gods werkzaamheid tot de schepping 
uit niets beperkt. Krachtens de daad van b. is God 
in alle schepselen tegenwoordig ( > Alomtegenwoordig- 
heid). 

Lit. : S. Thomas (I, qu. 1014 a. 1. 2); Literatuur- 
opgave : Diekamp, Kath. Dogmatik (II 6 1930-’31). 

Kreling. 

Behouden- Varen- Verzekering (Neder- 
land) is een verzekering, waarbij aan den verzekerde 
vergoeding wordt toegezegd van de schade, welke deze 
lijdt, doordat een bepaald schip niet op de bestem- 
mingsplaats aankomt. Hoewel met deze benaming 
in de practijk met name op de verzekering tegen de 
gevaren op zee wordt gedoeld, kan uiteraard zoo- 
danige verzekering ook voor het varen op de rivieren en 
binnenwateren worden gesloten. De behouden -varen - 
verzekering wordt in Ned. geregeld in den 9en titel 


iv. n 


323 


Behoud van arbeidsvermogen— Behuet’ dich Gott ! 


324 


van het 2e boek van het Wetboek van Koophandel, 
terwijl met betrekking tot de verzekering bij vervoer 
van goederen op de rivieren en binnenwateren bijzon- 
dere bepalingen in den 10en titel voorkomen. Voor- 
zoover de artikelen dezer titels, ofwel de polisbepa- 
lingen, daarvan niet afwijken, zijn de gewone wette- 
lijke bepalingen inzake schadeverzekering in het alge- 
meen toepasselijk. Doorgaans worden deze verzeke- 
ringen gesloten óp condities, ter beurze te Amsterdam 
of te Rotterdam gebruikelijk. 

In het algemeen moet het niet-aankomen een gevolg 
zijn van een der oorzaken, waartegen verzekerd is. 
Zoo heeft bijv. de verzekerde, indien het geding „vrij 
van molest” is gemaakt, geen recht op vergoeding van 
schade tengevolge van zeerooverij, e.d. Het verzekerd 
belang kan zijn: het schip (casco), de lading, de vracht, 
de verwacht wordende winst, enz. Is dit in de polis 
niet omschreven (hetgeen in de practijk herhaaldelijk 
voorkomt), dan moet de verzekerde, ingeval van niet- 
aankomen, aantoonen, dat hij daardoor schade heeft 
geleden en welk verzekerd belang hij had. 

Een der belangrijkste strijdvragen bij deze verze- 
kering is : „Wat is te verstaan onder totaal verlies 
van "het schip ?” In de practijk wordt daarmede 
gelijkgesteld een zoodanige beschadiging, dat repa- 
ratie in redelijkheid niet kan worden gevergd. Ariëns. 

Behoud van arbeidsvermogen. De wet van 
het b. kan in de klassieke mechanica aldus geformuleerd 
worden: in een gesloten stelsel kan de som van poten- 
tieel en kinetisch arbeidsvermogen door louter mecha- 
nische veranderingen niet gewijzigd worden. Louter 
mechanisch wordt een verandering genoemd, wanneer 
daarbij geen omzetting van mechanisch in niet-mecha- 
nisch arbeidsvermogen, zooals bijv. warmte, plaats 
heeft. Tot de potentieele energie rekent men ook de 
deformatie-energie van veerkrachtige lichamen. De 
wet van het b. steunt op een langdurige ervaring, niet 
zoozeer door rechtstreeksche proefneming dan wel 
door veelzijdige toepassing, die nooit tot tegenspraak 
met de ervaring leidde. Een gevolg is de onmogelijk- 
heid van een mechanisch „perpetuum mobile”, d.i. 
van een werktuig, dat niettegenstaande de onver- 
mijdelijke weerstanden en zonder dat er van buiten 
arbeid op wordt gedaan, voortdurend in beweging 
blijft. In differentiaalvorm kan men de wet aldus 
uitdrukken: dL = dT + dü, waarin L de arbeid, T 
en U resp. het arbeidsvermogen van beweging en van 
plaats voorstellen. 

L i t. : Handwörterbuch der Naturwissensch aften (III, 
509> ; A. Berliner en K. Scheel, Phygikalisches Hand- 
wörterbuch (319). A. Mulder. 

Bchram, > Bahram. 

Behrend, W i 1 1 i a m, Deensch muziek- 
historicus, * 16 Mei 1861, publiceerde o.a. een bio- 
graphie van Gade (Leipzig 2 1918; vertaling) en ver- 
schillende kleine studies. Gaf met Hortense Panum 
en O. M. Sandvik een Deensch geïllustreerd Muziek- 
lexicon uit (1924 vlg.). 

Behrcns, 1° Bertha (pseud. W. Heimburg), 
Duitsch schrijfster van onderhoudende jongemeisjes- 
lectuur in de > Gartenlaube. * 7 Sept. 1860 te Thale 
(Harz), f 9 Sept. 1912 te Kötschenbroda. 

U i t g . : Gesammelte Romane undNovellen (1890vlg.). 

2° Peter, Duitsch kunstenaar, bouwmeester 
en decorateur, * 1868 te Hamburg. Van 1903 — 1907 
was hij hoofd der Düsseldorfer nijverheidsschool, 
sinds 1922 leeraart hij in woningkunst aan de kunst- 
academie van Weenen, doch brengt een groot deel 


van het jaar in Berlijn door. Fabrieken, decoraties in 
tentoonstellingszalen, vergaderlokalen en woonhuizen. 

L i t. : Fritz Hoeber, P. B. (1913); Cremers, P. B. 
(1928). Knipring. 

Bekring, E m i 1 v o n, baanbrekend bacterio- 
loog, legde den grondslag der serumgeneeskunde. 

* 15 Maart 1854 te Hansdorf (West-Pruisen), f 31 Maart 
1917 te Marburg ; 
aanvankelijk of- 
ficier van gezond- 
heid, later assis- 
tent bij R. Koch. 

In 1890 ontdekte 
hij te samen met 
Kitasato een se- 
rum tegen wond- 
tetanus, in 1894 
een serum tegen 

diphtherie. In 
1895 werd hij 
directeur van het 
Instituut voor hy- 
giëne te Marburg, 
waar hij tot on- 
derzoek en tot 
samenstelling van 
sera de Behringw erken stichtte. In 1901 ontving hij 
den Nobelprijs. 

Bchrmann, W a 1 1 e r, geograaf, * 22 Mei 
1882 te Oldenburg; studeerde te Göttingen, Berlijn 
en München geographie en wiskunde. Werd assistent 
van Wagner en hield zich toen vooral met de carto- 
graphie bezig. Van 1909— ’14 assistent van Partsch 
en Penck, ging tot de morphologie over. B. nam deel 
aan de Kaiserin-Augusta-Flusz-expeditie op Nw. 
Guinee (1912— ’13); van hier uit bezocht hij China. 
Sedert 1923 is B. prof. aan de universiteit van Frank - 
furt a.d. Main. 

Werken: Zur Kritik des flachentreuen Projek- 
tionen der Erdkugel (1909); Die Oberflachengestalt des 
Harzes (1914); Der Sepik und sein Stromgebiet (1917) ; 
Das westliche Kaiser Wilhclmsland in Neu-Guinea 
(1924) ; Rhein-Mainische Atlas (met Maull. 1929). 

v. Velthoven . 

Projectie van Behrmann is een aequivalente cy- 
linderprojectie, gebruikt als kaartpro- 
jectie. Ieder punt van een met de 
aarde gelijkvormigen bol wordt zoo- 
danig op een cylinder, die den bol 
snijdt, overgebracht, dat de opper- 
vlakken gelijk blijven. Daartoe worden 
de punten loodrecht op den cylinder- 
mantel geprojecteerd. De beide paral- 
lellen, waar de cylinder den bol 
snijdt, worden lengtegetrouw afge- 
beeld. De afstand van de parallellen 
bedraagt h:cos b, als h de afstand op 
den bol is en b de breedte. Meridianen 
en parallellen zijn elkaar loodrecht 
snijdende rechte lijnen. 

Deze projectie wordt gebruikt voor 
de afbeelding van de gebieden in de 
omgeving van den aequator; de ver- 
teekening is dan het geringste, als 
men de snijparallellen kiest halver- 
wege den aequator en den rand van 
de kaart (zie afb.). Jong. 

Boblid’ dich Gott ! Behuet ’ dich Gott ! es 





325 


Beiaard 


326 


war’zu schön gewesen,/Behuet’ dich Gott, es hat 
nicht sollen sein ! (Duitsch, = God behoede u ! 
het zou te mooi geweest zijn, God behoede u, het 
heeft niet mogen zijn!) Het onweerstaanbare refrein 
uit het lyrisch -romantisch epos van Joseph Yiktor 
von Scheffel (1826 — 1886) „Trompeter von Sakkingen. 
Ein Sang vom Oberrhcin”, verschenen op Kerstmis 
1853 (met jaartal 1854). Het is het afscheidslied 
van Werner. Brouwer. 

Beiaard, vroeger ook beiaard, beijaard of beier 
geheeten. Hieronder verstaat men een stel gehar- 
moniseerde klokken, die door aanslaan met klepels 
of hamers welluidende klanken en accoorden ten ge- 
hoore brengen. Kiliaen vertaalt het woord beiaart door 
„frequentamentum tintinnabulorum”. In het Latijn 
wordt het werkwoord Beiaarden ook vertaald met: 
armonisare cum campanis, d.w.z. harmoniseeren door 
middel van klokken. In het Zuiden gebruikt men nog 
steeds de woorden beiaard en beiaarden, afkomstig 
van beieren, dat weer afgeleid is van baren of beren = 
klank geven. In het Noorden spreekt men van klokken- 
spel. De klank eener klok ontstaat, als haar wand wordt 
geslagen, hetzij van binnen uit door een klepel, hetzij 
van buiten af door een hamer. Bij de eerste en oudste 
methode, ook thans nog in gebruik en „luiden” ge- 
noemd, wordt de klok aan het zwaaien gebracht, zoo- 
dat de klepel telkens twee tegenovergestelde punten 
van den klokwand raakt. Voor godsdienstige plechtig- 
heden wordt geluid, terwijl daarentegen bij blijde ge- 
beurtenissen als de geboorte van een prins, een over- 
winning in oorlogstijd enz. werd gebeiaard; hierbij 
worden de klokwanden met houten hamers aan den 
buitenkant geslagen. Reeds in 1370 wordt hiervan 
melding gemaakt, waarbij echter alle gedachte aan 
muzikale prestatie is uitgesloten. 

De klokken werden gegoten zonder eenige zorg voor 
harmonische boventonen en bespeeld door personen, 
meestal zonder eenige muzikale opleiding. 

Uit den uurslag der in de torens opgestelde mecha- 
nische uurwerken ontstond eerst later behoefte aan 
geharmoniseerd klokkenspel. De uurslag dezer uur- 
werken, die voor het eerst omstreeks 1350 werden ge- 
construeerd, ontging vaak de aandacht der bevolking, 
daar oorspronkelijk geen voorslag den uurslag voorbe- 
reidde. Als oplossing hiervan bracht men 3 lichte 
klokjes, gewoonlijk bellen of schellen, aan. Ze waren 
onderling op een accoord gestemd en werden wekke- 
ringschellen of appeelkens (van het Fr. appèl) ge- 
noemd. Een dgl. voorslag is nog in de 14e eeuw ont- 
staan. 

In den loop der volgende eeuw groeit het aantal dezer 
schellen tot vier, zes en zelfs acht, met behulp waar- 
van een melodie kan worden weergegeven. Dit is het 
„voorspel”. 

De eerste voorspelen, waarvan het oudste in de 
abdij te Park bij Leuven werd gebouwd in 1480, wer- 
den in werking gebracht door het draaien van een 
houten trommel, bezet met ijzeren staafjes, die bij de 
draaiing de met de hamers der klokken in verbinding 
staande klavieren wegduwden. De houten trommel 
maakte later plaats voor een ijzeren, terwijl in 1663, 
waarschijnlijk te Delft, de eerste bronzen trommel werd 
gegoten. 

Deze af gestemde kleine klokjes waren bovendien 
ook gemalielijk met de hand te bespelen, zoodat op 
het einde der 15e eeuw met de klokkenspelen volks- 
zangen en geestelijke liederen voor de bevolking ten ge- 
hoore kunnen worden gebracht, wat veel bijval oogstte. 


Dit wordt in 1477 te Duinkerken en in 1481 te Ant- 
werpen vermeld. 

Ter vergemakkelijking van het bespelen worden in het 
begin der 16e eeuw klavieren gebouwd, waarvan de 
toetsen uit stukken bestaan en die door middel van 
draden in verbinding staan met de klepels, die nu ook, 
in tegenstelling met de vroegere hamers, in de klok- 
ken worden aangebracht (Oudenaarde, 1510). 

Blijkens een publicatie in 1531 van den priester 
Jacob de Meyer, professor en geschiedschrijver te 
Ieperen en te Brugge, was dit klavierspelen toen reeds 
algemeen bekend. Het klavier onderging kleine wijzi- 
gingen in den loop der eeuw. Thans wordt algemeen 
het Mechelsch model als standaardvorm aangenomen 
en toegepast. 

Het aantal klokken vermeerderde intusschen steeds. 
Omvatte een klokkenstel eerst 5 of 6 diatonische 
tonen, spoedig kwam men tot elf of 12 chromatische 
tonen, een octaaf dus; op de helft der 16e eeuw is het 
aantal tot 18 gestegen, dat vóór 1700, dank zij de toe- 
passing van een voetklavier, uitgebreid wordt tot 




22 tonen. In den loop der 17e eeuw steeg het getal tot 
38 en bereikte in de 19e eeuw tot 50 toe. Het mechanis- 


327 


Beiaard — Beieren 


328 


me tot bespeling heeft geen gelijken tred gehouden met 
dezen groei. De in de klok hangende klepel was met 
een draad van den torenmuur verbonden. Aan het 
midden van den draad was een andere bevestigd, die in 
verbinding stond met de toetsen van het klavier. 

Dit systeem, het zgn. broeksysteem, wordt verweten, 
dat de bespeler tengevolge der losse verbindingen, 
zijn spel niet genoeg meester kan zijn. 

Jef Denijn, beiaardier der stad Mechelen, bracht 
hierin verbetering door zijn „tuimelaarssysteem”. Met 
behulp van veren, die de klepels terugroepen, en ver- 
binding der klepels onderling heeft de beiaardier 
thans zijn spel volkomen in handen. De mogelijkheid 
een klok herhaalde malen na elkaar aan te slaan, te 
laten trillen, geeft een gebonden klank. 

In Nederland bestaan nog een zestigtal bespeelbare 
beiaarden, waarvan 6 enkel met trommelklavier. 
Verder heeft men nog gegevens over 45 verwoeste of 
verdwenen beiaarden. In België zijn ongeveer 70 be- 
speelbare beiaarden, waarvan 9 enkel met trommel- 
klavier. Verder nog gegevens over een honderdtal 
verdwenen beiaarden. Noord-Frankrijk bezit nu nog 
36 klokkenspelen, waarvan een derde slechts auto- 
matisch werken kunnen. Andere Fransche gewesten 
bezitten nog 16 oude beiaarden waarvan 3 zonder 
handklavier en een twintigtal moderne klokkenspelen. 
Verder in Duitschland ongeveer twintig, Engeland 
ongeveer twaalf evenals Amerika, Spanje zes, Portugal 
twee en slechts enkele in Italië, Denemarken, Zweden 
en Noorwegen. 

Beiaard, De, maandschrift onder redactie van 
Gerard Brom, Frans van Cauwelaert, J. H. E. J. Hoog- 
veld, J. A. Loeff, B. H. Molkenboer en Jos. Schrijnen, 
gesticht in 1916 als reactie op de beweging van het 
maandblad „Van Onzen Tijd”, welke men te zeer 
afhankelijk oordeelde van de Tachtiger Literatuur. 
De Beiaard zocht nauwer contact met het openbare 
Katholieke leven, en bereikte dit in zooverre het ro- 
mans van Marie Koenen publiceerde, de stichting der 
Keizer Karei Universiteit voorbereidde, en regelmatig 
critiek uitbracht op gebruiken en toestanden. Letter- 
kundig had het niet de beteekenis, die „Van Onzen 
Tijd” had, ofschoon werd medegewerkt door Marie 
Koenen, Felix Rutten, Kees Mekel, Bernard Verhoe- 
ven, Jac. Schreurs. Daarentegen kan men zeggen, dat 
uit het „Beiaard”-milieu de R.K. Universiteit is 
voortgekomen. Cok mag men in de critiek van dit 
maandblad een w’egbereiding zien voor het optreden 
der zgn. „jongeren” in de Katholieke letterkunde na 
1920. De Beiaard bestond 10 jaar. Asselbergs. 

Beien (plant k.), > Lepeltjeheide. 

Beier, Franz, musicoloog, componist en 
dirigent, * 18 April 1857 te Berlijn, f 25 Juni 1914 te 
Kassei; hoofdzakelijk bekend door zijn studie J.J. 
Froberger und seine Suiten (diss. Rostock 1883). 

Beieren, tweede staat van het Duitsche Rijk, 
bestaat uit twee door Wurttemberg, Baden en Hessen 
gescheiden deelen: Beieren rechts van den Rijn en de 
Rijnpalts. Zie plaat t.o. kolom 305. 

Beieren rechts van den Rijn ligt tusschen 9° 1' en 
13° 50' O. en tusschen 45° 16' en 60° 34' N., werd 
in 1920 met Koburg vereenigd en neemt met een opp. 
van 70 492,41 km 2 het Z.O. deel van Duitschland in; 
grenst aan Oostenrijk, Tsj echo -Slowakije, Saksen, 
Thüringen, Pruisen, Hessen, Baden en Wurttemberg. 

Het W. gebied, de Rijnpalts, ligt tusschen 48° 68' 
en 49° 49' N., omvat 5 504 km 2 en grenst aan Baden, 
Frankrijk, Pruisen en Hessen. In totaal bedraagt 


de opp. 75 996 (met inbegrip van Saarpfalz 76 422) km 2 . 

A) Natuurlijke landschappen en afwatering. Het 

land is uit verschillende landschappen opgebouwnl. 
Het Zuiden van B. maakt deel uit van het 
Alpengebied en wel van de Noordelijke Kalkalpcn, 
door het Inndal van de kristallijne zone gescheiden. 
Ze zijn te verdeelen in Allgauer Alpen, Beiersche 
Alpen en Salzburger Alpen. Van de Allgauer Alpen 
tusschen Boden-meer en Lech hoort slechts het midden- 
deel, het Iller-gebied, aan Duitschland. 

De randketens uit Tertiaire Nagelfluh zijn een- 
voudig geplooid met sterke afhelling naar het Noorden. 
Door een scherpe breuklijn van het jongere Tertiaire 
gesteente der buitenste randketens gescheiden, volgt 
een gordel van Flyschgesteente (afgezet in Eoceen en 
Oligoceen), nog reikend tot over de Iller. Het bergland 
met zachte, ronde vormen is hier ten deele met bosch, 
ten deele met liefelijke almen bedekt. Meer Zuidelijk 
verheffen zich de waanden van het Gottesacker-plateau, 
bestaande uit harde Schrattenkalk en met merkwaar- 
dige „Karren velden”. De Zuidelijke ketens met echt 
hooggebergte-karakter vertoonen een veel ingewikkel- 
der structuur. 

De kalkgesteenten (afzettingen uit Keuper en Jura) 
zijn hier over de Flysch heengeschoven. Hier en daar 
zijn zachtere Liasleien (Allgauschiefer) als donkerder 
gesteente ingevoegd. Als hoogste toppen dienen 
genoemd Madelegabel (2 646 m), Krottenkopf (2 665 m), 
Hohes Licht (2 690 m). Oostelijk van de Lech volgen 
tot aan het Inndal de Beiersche Alpen. De beide buiten- 
ste zonen der Allgauer Alpen zijn hier sterk ingekrom- 
pen. Tot de Voor- Alpen met hoogten tot 1 000 m 
behooren: Ammer, Isarwinkel, en Mangfallgebergte. 
Steil rijzen uit dit voorland de Kalkalpen op: het Wet- 
tersteingebergte met Zugspitze (2 963 m), hoogste top 
van het Duitsche Rijk, met meerdere kleine gletsjers 
tegen de flanken, het Karwendelgebergte, dat grooten- 
deels tot Tirol behoort. Het Inndal tusschen Oberau- 
dorf en Kufstcin scheidt de Beiersche van de Salz- 
burger Alpen. Hiervan behooren aan Duitschland: 
de Chiemgauer Alpen, waar de Flysch weer een breeden 
gordel inneemt, en tusschen Saulach en Salzach de 
Berchtesgadener Alpen. Hoewel de geheele Alpen door 
groote overschuivingen (> Dekbladenbouw) getroffen 
zijn, bestaat toch tectonisch een verschil tusschen dit 
gebergte en de Westelijk gelegen Alpen. Terwijl in 
het W. plooiing plaats had, werd dit gebied sterk om- 
hooggeheven. Hier dus een breukgebergte, w^aar vooral 
de hardheid van het gesteente beslissend is voor het 
reliëf. Als afzonderlijke groepen zijn te vermelden het 
Watzmannmassief met twee toppen (2 724 m), het 
plateau van het Steinernes Meer met beroemde Karren- 
velden en de Hochkalter (2 600 m). Aan den voet der 
alpen strekt zich het voorland uit met afhelling 
naar het Noord -Oosten. De Z. helft is een uitge- 
sproken moreenenlandschap. Waar eens de uit de 
dalen stroomende gletsjers in het voorland aaneen- 
smolten, hebben zij een bekken uitgeschuurd, de zgn. 
centrale depressie, een gebied, dat Zuidelijk van Ammer 
en Würmsee soms meer dan 100 m lager ligt dan het 
jongmoreene-gebied in het Noorden. De afzettingen 
van de laatste Glaciatie zijn nog zeer goed bewaard 
gebleven; er is hier een drumlinlandschap, met als 
gevolg slechte afwatering en derhalve meren en hoog- 
veenvorming. Om deze jongmoreene heen, die beperkt 
blijft tot den Z. gordel van het Alpenvoorland, bevin- 
den zich de afzettingen der buitenste of oudere moreene, 
maar het landschap biedt hier een veel rustiger beeld, 


BEIEREN, WURTTEMBERG EN BADEN 



Schaal M • 2 500 000 


331 


Beieren 


332 


doordat verweering en transport nivelleerend werkten. 
Hiervoor ligt het gebied der Fluvio -Glaciale afzet- 
tingen; het is te verdeelen in Iller-Lech -vlakte, de 
vlakte van München (Dachauer Moos, Erdinger Moos) 
en de Inn-Salzach-vlakte. Tusschen deze Fluvio- 
Glaciale afzettingen in het Zuiden en het Donaudal 
ligt het vaak zeer vruchtbare Tertiaire heuvelland. 
Daar, waar de rivier door Zwabische en Frankische 
Jura heenbreekt en bij Passau het harde graniet- 
gesteente van het Beiersche Woud doorzaagt, is het 
dal nauw en wordt een doorbraaksdal met sterk verval 
gevormd (Donau-Ried bij Dillingen, Donaumoos bij 
Ingolstadt). De breede vlakte bij Straubing is met 
löss gevuld en werd daardoor de korenschuur van B. 

Het Oostelijk grensgebied vonnen de uit graniet en 
gneis opgebouwde Duitsche middelgebergten: Beier- 
sche Woud, Bohemer Woud en Fichtelgebergte. Van 
laatstgenoemd gebergte voert Westelijk het Franken- 
woud en Thüringer Woud over de vulkanische Rhön 
naar de bontzandsteentafel van de Spessart. 

Een deel van de Mainvlakte bij Asschaffen- 
burg vormt het uiterste N.W. van Beieren. Van 
Spessart en Rhön Zuid-Oostwaarts volgt het Zwabisch- 
Frankische Stufenland. Het W. deel vormt de Fran- 
kische Muschelkalkplatte. Dan volgt als O. deel het 
Frankisch terras. De Keuperlagen, die in het W. door 
een zandsteenlaag zijn af gedekt, vormen hier een trap, 
die tot 160 m boven het voorland uitsteekt en onder 
den naam Hassberge, Steigerwald en Frankenhöhe 
bekend is. Naar het O. gaat het land over in de met 
verweeringsproducten van het Keuper -bergland opge- 
vulde Middel-Frankische bekken. Behalve het Z. deel 
(Wömitz en Altmühl) is ook het door de Rezat door- 
stroomde Middel-Frankische bekken tributair aan 
den Main. In een grooten boog hieromheen verloopt 
de Frankische Jura, opgebouwd uit kalk, in het O. 
begrensd door het bekken van de Naab. Het N. deel 
van de Jura vormt de Frankische Schweiz met nauwe 
rivierdalen en bekende grotten (bij Rabenstein en 
Muggendorf bijv.), een echt toeristengebied. 

De Rijnpalts heeft in het Oosten deel aan de vrucht- 
bare Bovenrijnsche Laagvlakte. Het Haardt-gebergte, 
de Noordelijke uitlooper van de Vogezen met Oostelij- 
ken steilrand, bestaat in hoofdzaak uit bontzandsteen. 
Zeer schilderachtig is het landschap rondom Dahn 
door de eigenaardige verweering der bontzandsteen- 
rotsen. In het Z.W. treedt de muschelkalk aan den 
dag. In het Noorden hooren de vulkaankegels Donners- 
berg (687 m) en Koningsberg (684 m) tot de hoogste 
deelen van het land. 

Het grootste deel van Beieren behoort tot het 
stroomgebied van Rijn en Donau. De diepere crosic- 
basis van den Rijn (bij Mainz 80 m, van den Donau bij 
Passau 289 m) heeft als gevolg een grootere erodeerende 
kracht en dus vergrooting van het stroomgebied van 
den Rijn ten koste van den Donau. De waterscheiding 
loopt over Frankenhöhe en Frankische Jura. Er be- 
staan plannen het kleine Ludwigkanaal, dat nu beide 
stroomgebieden verbindt, te vervangen door een 
groot Main-Donau-scheepvaartkanaal. Kleine gebie- 
den in N. en N.O. wateren door de Saaie af op de Elbe 
en door een zijrivier van de Werra op den Wezer. 
De bekoring van Zuid-B. schuilt voor een groot 
deel in de talrijke meren; deels liggen zij in het voor- 
land door den gletsjer in het tongbekken uitgeschuurd, 
zooals bijv. Ammer-, Würm-, Staffel-, Chiemsee, 
deels zijn het hooge alpenmeren als Kochel-, Walchen-, 
Eib- en Königssee. 


B) Klimaat. Beschut voor koude N. en O. winden, 
verkeert het gebied om het Boden -meer en het dal 
van den Main onder de gunstigste omstandigheden. 

Tempera tuurgemiddelde van het Boden-meer : 
Jan. — 1,4°C, Juli 18,4°C; van Würzburg: Jan. 
— 0,9°C, Juli 18,4°C. De Jura vormt een duidelijke 
klimaatscheiding tusschen N.W. Beieren en de Rijn- 
palts, met maritiem klimaat, en het Zuidelijk en 
Zuid-Oostelijk deel, waar het klimaat een meer 
continentaal karakter heeft. Kenmerkend vooral voor 
de hoogvlakte zijn de groote temperatuurwisselingen 
tengevolge van luchtdrukverschuivingen (tempera- 
tuurgemiddelde München: Jan. — 2,1°C, Juli 17,6°C). 
In het Alpenland neemt in het algemeen de tempera- 
tuur af met de hoogte, behalve wanneer omgekeerde 
temperatuurtoestand intreedt, een verschijnsel, dat 
vooral ’s winters niet zelden wordt waargenomen. 
Van speciale beteekenis is ook de Föhnwind. 

In het Alpengebied is ook de neerslag het grootst 
(ca. 2 m); de meeste regen valt ’s zomers, vaak in den 
vorm van onweersbuien. De middelgebergten hebben 
koele, vochtige zomers, in den winter valt er veel 
sneeuw, die tot laat in het voorjaar blijft liggen. 

C) Bevolking. Deze telde in 1925 in totaal 7 379 000 
inwoners. Dezen zijn tot drie groepen terug te brengen: 
Oostelijk van de Lech is de bevolking Beiersch (Baju- 
varen), Westelijk overheerscht het Zwabische element 
(Alemannen), in het stroomgebied van Main en Rijn 
wonen Franken. Niet alleen in volkskarakter en dialect, 
ook in den vorm der nederzettingen zijn verschillen 
aan te wijzen. De Lech scheidt het Zwabisch-Alemanni- 
sclie huis (dat vooral in de lengte is gebouwd met 
schuur en stal onder één dak) van het uit hout, leem 
en steenen opgetrokken Bajuvarische huis, dat ook 
twee verdiepingen heeft. In het hooggebergte liggen 
de hoeven meer verspreid; waar op de hoogvlakte 
meer ruimte geboden werd en de ligging ten opzichte 
van het verkeer gunstig was, ontstonden kleine stadjes. 

B. is overwegend Katholiek (70%), uitgezonderd 
de voormalige vorstendommen Ansbach, Bayreuth, 
Koburg, het gebied om Neurenberg en de Palts, waar 
de Protestantsche godsdienst overheerscht (29% der 
totale bevolking). 

D) Bestaansmiddelen. Ondanks de sterke uitbrei- 
ding der industrie in de laatste decennia is Beieren 
toch een agrarisch land. Uitstekende graangebieden 
zijn de Noordhelft van de Beiersche hoogvlakte, de 
Donauvlakte van Ulm tot Neuburg en van Regens- 
burg tot Vilshofen. Ook de dalen van Womitz, Alt- 
mühl, Rezat, Main en de Rijnvlakte van de Palts 
leenen zich uitstekend voor graanbouw (rogge, gerst, 
haver, tarwe). 

Begunstigd door het milde klimaat leveren de 
Rijnpalts en het Maindal fruit, groente en wijn (Fran- 
kenweinl). Tabak wordt verbouwd bij Fürth en Neuren- 
berg. De verbouwing van hop vooral in het bekken van 
Middel-Frankenland gaf aanzien aan de talrijke bier- 
brouwerijen. De veeteelt neemt een eerste plaats in 
in het Alpengebied en het voorland. Door omzetting 
van bouwland in grasland en ontginning der woeste 
gronden kon de veestapel zich nog uitbreiden. De 
runderteelt is het belangrijkst, dan volgt de varkens- 
teelt. Paarden- en schapenteelt gaan achteruit. 
Waardevol om hun houtrijkdom zijn de middelge- 
bergten. In Fichtelgebergte, Frankenwoud en Jura 
overheerschen naaldboomen, Beiersche Woud en 
Spessart dragen ook loofwouden. 

B. is arm aan delfstoffen. Steenkool wordt 


333 


Beieren 


334 


ontgonnen in het Saargebied bij St. Ingbert en in 
kleine hoeveelheden ook in de Opper-Palts en Opper- 
Franken. Van meer beteekenis is de rijkdom aan 
bruinkool (Peissenberg, Penzberg). B. heeft daaren- 
tegen wel de waterkracht weten te benutten (14 groote 
electr. waterkrachtcentrales). liet voorkomen van 
kwarts in het Beiersche Woud heeft een bloeiende 
glasindustrie in het leven geroepen. Wereldberoemd 
is ook de winning van lithographensteen bij Soln- 
hofen. Steenzout wordt bij Berchtesgaden ontgonnen. 
Salinen vindt men nog in Traunstein en Rosenheim. 
De industrie verwerkt op de eerste plaats producten 
van het land. Zoo moeten genoemd worden de berei- 
ding van boter en kaas in Allgau, de leerindustrie van 
München, Augsburg, Neurenberg, Fürth. Het hout 
wordt tot allerlei gebruiksvoorwerpen, voor huis- 
houding en bedrijf verwerkt. Om him houtsnijwerk 
hebben Berchtesgaden, Oberammergau en Garmisch- 
Partenkirchen beteekenis. In Mittenwald worden 
violen gemaakt. Neurenberg is bekend om zijn speel- 
goedfabrieken. Vermeld werd reeds het beroemde 
Beiersche bier; vooral München, Erlangen, Freising, 
Ingolstadt, Neurenberg, Augsburg hebben groote 
brouwerijen. Tabak wordt verwerkt meest tot pijp- en 
pruimtabak. Prachtig spiegelglas leveren Fürth en 
Neurenberg. Het voorkomen van kaolien deed porse- 
leinindustrie ontstaan (Nymphenburg, Amberg, Hir- 
schau); aardewerk leveren Treuchtlingen, Bergzabern, 
Opper-Franken. Reeds in de M.E. waren de goud- 
smeden van Augsburg en Neurenberg beroemd, terwijl 
in lateren tijd ook Fürth en Neurenberg zich op 
het gebied der metaalbewerking onderscheidden. 
Door de goede verkeerswegen konden ook industrieën, 
die hun grondstoffen van elders betrekken, tot bloei 
komen, o.a. textiel- en ijzer industrie in München, 
Augsburg, Neurenberg en Fürth. Van nog toenemende 
beteekenis is ook de chemische industrie; grootste 
fabrieken in Neurenberg (ultramarijnfabriek) en 
Ludwigshafen (anilinefabriek); kleinere hebben 
Schweinfurt, Augsburg, München. Ook het hotel- 
bedrijf biedt velen een bestaan, terwijl tevens het 
voorkomen van minerale bronnen het ontstaan van 
talrijke badplaatsen bevorderde. Te noemen zijn 
Alexanderbad, Steben en Kissingen in het Noorden, 
Reichenhall, Berchtesgaden, Garmisch-Partenkirchen, 
Oberstdorf en Tölz in het Zuiden. 

E) Bestuur. B. werd na de revolutie van 1918 
een parlementaire democratische republiek. De volks- 
vertegenwoordiging bestaat uit één kamer, voor vier 
jaar gekozen (1 lid op 128 000 inw.). Kiesrecht hebben 
allen boven 20 jaar. Scheiding van Kerk en Staat 
bestaat. Het ligt evenwel in de bedoeling der regeering, 
de wetgevende bevoegdheid der Duitsche volks- 
vertegenwoordigingen om te zetten in een adviseerende, 
w'aarbij de differentiatie binnen deze lichamen bepaald 
zal worden niet door partij verschillen, maar door 
bepaalde sociale groepeeringen. 

Wat de kerkelijke indeeling betreft, bestaat B. uit 
twee kerkprovincies, het aartsb. München -Freising met 
de suffragaan zetels Augsburg, Passau en Regensburg, 
en het aartsbisdom Bamberg met de suffragaan - 
bisdommen Würzburg, Eichstatt, Spiers. Beieren 
telt (1925) 212 dekenaten, 3 261 parochies (zonder 
Saarpfalz), 534 rectoraten, 188 nederzettingen van 
kloosterorden en congregaties. Grondslag van har- 
monische samenwerking tusschen Kerk en Staat is 
het Concordaat van 29 Maart 1924 tusschen Beieren 
en den H. Stoel. De Protestanten hebben een opper- 


consistorie in München; daaronder ressorteeren de 
consistories van Ansbach, Bayreuth en Spiers. 

Leerplicht bestaat van 6 — 16 jaar. Goed verzorgd 
is ook het hooger on- 
derwijs. B. heeft drie 
universiteiten : Mün- 
chen, Würzburg (met 
Kath. theologische 
faculteit) en Erlan- 
gen; 1 technische 
hoogeschool in Mün- 
chen; 1 landbouw - 
hoogeschool in Wei- 
henstephan. Philoso- 
phisch-theologische 
hoogescholen zijn ge- 
vestigd in Freising, Passau, Regensburg, Bamberg, 
Augsburg, Eichstatt, Villingen, enkel met facul- 
teiten in theologie (Kath.) en philosophie (Augsburg 
alleen philosophie). 

Nationale vlag: wit blauw. 

F) Statistisch overzicht. 


District 

Opp. 
in km 2 

Bevolking 
in 1925 

Bevolkings- 

dichtheid. 

Opper Beieren 

16 683 

1684 766 

101 

Neder Beieren 

10 745 

755 769 

70 

Rijn palts 

(zonder Saargebied) 

6 928 

931 755 

167 

Opper-Palts 

9 658 

629 262 

65 

Opper-Franken 

! 7 514 

757 515 

101 

Middel -Franken 

! 7 590 

998 386 

131 

Neder -Franken 

1 8 445 

762 744 

90 

Zwaben 

j 9 855 

859 397 

1 

87 


Gebruik van den bodem: cultuurland 71,8%, 
bosch 22,1%, woeste grond 4,8% der totale opper- 
vlakte. 

Van het cultuurland wordt 62,31% ingenomen door 
bouwdand, 37,21% door grasland, 0,48% door wijn- 
gaarden. 

Aandeel der bevolking aan land- en boschbouw: 
43,8%, industrie: 33,7%, handel: 12,6%. 

L i t. : A. Döberl, Entwicklungsgesohichte Bayerns 
(1916' ; dr. J. Reinde, Bayerische Landeskunde (1920) ; 
Haushofer Rothpletz, Bayern’s Hochland und München 
(1924) ; J. Kempf, Die Bayerische Heimat (1927). — 
Kaarten: Topogr. Atlas von Bayern ; Bayerische 
General-Stabskarte (1 : 50 000) ; Süd-West-Deutschland 
bis zu den Alpen (1 : 250 000) ; Schuster, Geologische 
Uebersichtskarte von Bayern rechts des Rheins 
(1 : 250 000), bearbeitet im Topogr. Bureau. Lips. 

G) Geschiedenis. Beieren behoorde min of meer 
tot de provincies Raetia en Noricum, die in 15 v. Chr. 
door Tiberius en Drusus werden opgericht. Tijdens 
de volksverhuizing vestigden er zich de Markomannen, 
die wegens hun komst uit Bohemen, Ba ju waren of 
Bojer w T erden genoemd, w T aaruit de naam B. is ontstaan. 
Het eerste stamhuis is dat der Agilolf inger (555 — 
788). Reeds in den Rom. tijd w^erd B. tot het Christen- 
dom bekeerd, maar het was de H. Bonifatius, die de 
vijf bisdommen oprichtte: Salzburg, Passau, Regens- 
burg, Freising en Eichstatt. Karei de Groote overwon 
Tassilo (757 — 788) en voegde B. bij zijn rijk. Na het 
uiteenvallen van het Karolingische rijk herstelde 
Arnulf, zoon van markgraaf Luitpold, in 912 het 



Wapen van Beieren. 


335 


Beieren 


336 


zelfstandig hertogdom. Otto de Groote ontnam het 
aan hertog Eberhard en schonk het zijn broer Hendrik 
in 947. Diens zoon, Hendrik de Twistzoeker, stond 
tegen Otto II op, werd afgezet in 976 en opnieuw 
aangesteld in 985. Diens zoon Hendrik werd in 1002 
tot keizer gekozen en stierf in 1024 kinderloos. Hij 
is later heilig verklaard met zijn echtgenoote Cuni- 
gonda. Otto van Nordheim (1061 — ’70) verkreeg het 
hertogdom van de regentes Anna, maar, omdat hij in 
den investituurstrijd de zijde van den paus koos, werd 
het hertogdom hem ontnomen en geschonken aan het 
geslacht der Welfen. Hendrik de Trotsche, die zich 
als tegencandidaat voor het keizerschap tegen den 
gekozen Hohenstauf, Koenraad III, verzette, verloor 
in 1139 B. In 1156 schonk Frederik Barbarossa B. 
terug aan Hendrik den Leeuw, zoon van Hendrik 
den Trotschen, maar toen ook hij opstond, kwam het 
hertogdom in 1180 aan den Gibellijn Otto von Wittels- 
bach, wiens huis zich tot 1918 in B. wist te handhaven. 
In 1214 verwierf Lodewijk I (1183 — 1231) de Rijnpalts, 
Lodewijk III van B. (1294 — 1347) versloeg zijn mede- 
dinger naar het keizerschap, Ferdinand van Habsburg, 
in 1322 bij Ampfing, en breidde zijn huisbezit uit met 
Brandenburg in 1323, met Holland, Zeeland en Hene- 
gouwen door zijn huwelijk met Margaretha, dochter 
van graaf Willem III, met Tirol in 1342. Maar al dit 
gewonnene ging spoedig weer verloren: in 1363 kwam 
Tirol aan Habsburg, in ’73 Brandenburg aan het huis 
Luxemburg en de Ned. gewesten aan Bourgondië 
in 1433. Bovendien had Lodewijk door het verdrag 
van Pa via in 1329 aan zijn neef Rudolf de Rijnpalts 
en Bovenpalts afgestaan. Zijn 6 zonen verdeelden het 
erfland, dat na verschillende splitsingen weer in han- 
den kwam van Albrecht IV, den Wijzen (1467 — 1508), 
die, om nieuwe verbrokkelingen te voorkomen, 
in 1506 het eerstgeboorterecht invoerde. Zijn opvolger, 
Willem IV (1508 — ’50), is de Contra-Reformist, die 
o.a. de universiteit van Ingolstadt aan de Jezuïeten 
toewees. Albrecht V (1550 — ’79) zette na eenige 
weifeling deze politiek voort en voerde de besluiten 
van Trente in B. in. Hijw r as daarnaast verkwistend 
en kunstlievend en aan hem dankt München zijn 
opkomst als kunststad. Willem V (1579 — ’97) regeerde 
in dezelfde lijn en wist het bisdom Keulen voor ca. 200 
jaar onder Beierschen invloed te brengen. Na zijn 
afstand volgde Maxim iliaan I (1597 — 1651), die de 
orde herstelde en als voorzitter der Liga den strijd 
aanbond tegen de Prot. Unie. Als belooning verkreeg 
hij van den keizer, na de overwinning van den Witten 
Berg, de Bovenpalts en de keurstem. In het vervolg 
van den 30- jarigen oorlog had zijn land veel te lijden 
van de Zweedsche en Fransche troepen. Daarom ijverde 
hij voor den vrede, die in 1648 zijn verkregen rechten 
erkende. Zoo waren er acht keurvorsten. Maximi- 
liaan’s zoon Ferdinand, als stadhouder der Spaansche 
Nederlanden, overwinnaar bij Nordlingcn in 1633, 
regeerde van 1651 — ’79. In den Spaanschen Successie- 
oorlog koos Maximiliaan II Eiiianuel (1679 — 1726), 
wiens zoon Ferdinand (f 1699) volgens een deelings- 
verdrag koning van Spanje zou geworden zijn, de zijde 
van Frankrijk, gelijk ook in vroegere oorlogen het 
geval was geweest. Karei Albert (1726 — ’46), gehuwd 
met een dochter van Josef I, maakte, na den dood van 
Karei VI in 1740, aanspraak op een gedeelte der 
Oostenrijksche erflanden en liet zich zelfs tot keizer 
kiezen als Karei VII (1742 — ’45). Hij werd gesteund 
door Frankrijk, maar een Hongaarsch leger veroverde 
B., zoodat zijn zoon Maximiliaan III Josef (1745 — ’77) 


in ’45 met Maria Theresia het verdrag van Füssen 
sloot, waarbij hij van alle aanspraken afzag. Hij 
regeerde als een verlicht despoot en hief in ’73 de orde 
der Jezuïeten op. Met hem stierf de rechte linie der 
Wittelsbachers uit. Zijn opvolger was Karei Theodoor 
van de Palts (1777 — ’99), die de nuntiatuur te München 
oprichtte en, zelf kinderloos, niet ongenegen was B. 
aan Josef II over te doen. Maar de naaste erfgenaam, 
Karei van Palts-Zweibrücken, verzette zich hiertegen 
en voerde, geholpen door Frederik den Grooten, den 
onbloed igen Beierschen Successie-oorlog (1778— ’79, 
Kartoffelkrieg). Bij den vrede van Teschen in 1779 
verkreeg Josef het Innviertel. In 1784 bood Josef II 
België aan in ruil voor B., maar ditmaal stichtte 
Frederik II den Duitschen vorstenbond in 1785, 
waardoor Josef van zijn plan moest afzien. Maximi- 
iiaan IV Josef (1799 — 1825), zoon van Karei van 
Palts-Zweibrücken, nam deel aan den tweeden 
Coalitie-oorlog, maar, door Moreau in 1800 bij Uohen- 
1 inden verslagen, moest hij in 1801 afstaan aan Frank- 
rijk: de Rijnpalts, Zweibrücken en Gulick. Door het 
voeren van een Fransch gezinde politiek onder minis- 
ter Montgelas breidde B. zich uit, in 1803 met de 
bisdommen Würzburg, Bamberg, Freising, Augsburg, 
verder nog gedeelten der bisdommen Eichstatt en 
Passau, 12 abdijen en 15 rijkssteden. In 1805 aanvaard- 
de Maximiliaan den koningstitel en verrijkte zich met 
de bisdommen Brixen en Trient, benevens met het 
Pruisische Ansbach. Zijn dochter Augusta huwde 
met Eugène de Beauharnais. In 1808 werd B. lid van 
den Rijnbond, onder verplichting in oorlogstijd 
30 000 man te leveren. Naar Fransch model en in 
Franschen geest trachtte Montgelas de verschillende 
deelen tot een gecentraliseerden eenheidsstaat te 
maken, maar zijn anti-kerkelijke politiek leidde tot 
den opstand van Tirol, door Oostenrijk ondersteund. 
De nederlaag van Oostenrijk in 1809 gaf nieuwe voor- 
deelen: Regensburg, Bayreuth, Salzburg en het Inn- 
viertel. Binnen 10 jaar was B.’s grondgebied ver- 
dubbeld en zijn bevolking van 1 millioen tot ruim 
3 millioen gestegen. Na den slag bij Leipzig verliet 
B. de Fransche zijde en sloot zich door het verdrag 
van Ried in 1812 aan bij de bondgenooten. Generaal 
Wrede trachtte het Fransche leger op zijn vlucht tegen 
te houden, maar werd bij Hanau verslagen. Bij het 
Weener congres gaf B. de Oostenrijksche landen terug 
en verkreeg Aschaffenburg en het gedeelte van de 
Palts, dat aan den linker Rijnoever ligt. Tevens werd 
het lid van den Duitschen Bond. In 1817 kwam een 
concordaat tot stand, waarbij de hiërarchie werd 
bepaald op twee aartsbisschoppen en zes bisschoppen, 
door den koning te benoemen. In 1818 schonk Maximi- 
liaan zijn volle een Grondwet, waarbij een volksver- 
tegenwoordiging van twee Kamers werd ingesteld. 
Lodewijk I (1825 — ’48) verfraaide München met ge- 
bouwen in Griekschen stijl en was een der weinige 
vorsten, die den opstand der Grieken goedkeurde. 
Vandaar dat zijn jongere zoon, Otto, de eerste vorst 
van Griekenland werd in 1832. De opstanden in eigen 
land in 1830 beteugelde hij met strengheid, de deel- 
nemers aan het Hambacherfeest in 1832 werden ge- 
straft. In 1833 sloot B. zich aan bij de Preusische 
Zollverein. Van 1837 — ’47 was de overtuigde Kath. 
Abel de leidende minister. Hij herstelde verschillende 
kloosters en eischte zelfs, dat Protestantsche soldaten 
geknield eer zouden bewijzen aan het H. Sacrament. 
Hij verloor de gunst van Lodewijk, omdat hij weigerde 
de Spaansche danseres Lola Montez in den adelstand 


337 


Beieren — Beiersch 


338 


te verheffen. De partijstrijd, daarover ontstaan tus- 
schen Lolamontanen en Ultra montanen, dwong 
Lodewijk in 1848 afstand te doen. Maximiliaan II 
(1848— ’64) schafte verschillende verouderde toestan- 
den af, bijgestaan door min. K. H. von der Pfordten 
(1849 — ’59). Deze weigerde de besluiten van het 
Frankforter Parlement te erkennen en bedwong in 
1849 een opstand, daarover in de Palts ontstaan, met 
behulp van Pmisische troepen. Hij verzette zich met 
Oostenrijk tegen de Unieplannen van Pruisen en had 
als ideaal voor de inrichting van Duitschland de zgn. 
Trias, nl. naast Pruisen en Oostenrijk een bond van 
middenstaten, onder leiding van B. In 1866 sloot zich 
Lodewijk II (1864— ’86) bij Oostenrijk aan, maar werd 
door de Pruisen verslagen. Desondanks werd hij uit 
politiek oogpunt genadig behandeld: in oorlogs- 
tijd moest zijn leger zich onder Pruisisch opperbevel 
stellen. In 1870 was Chlodwig von Hohenlohe-Schil- 
lenfürst, van afkomst Katholiek, maar liberaal van 
gezindheid, eerste minister. Toen de Kath. de meerder- 
heid behaalden, trad hij af. In den oorlog van 1870 
streed B. mee o.a. bijWörth en Sedan en stemde 23 Nov. 
toe in een verdrag met Pruisen, waarbij het toetrad 
tot het Duitsche Rijk, met behoud van zelfstandigheid 
op het gebied van diplomatie, leger, post en spoor- 
wegen. Met moeite bracht Bismarck den koning er toe, 
namens de Duitsche vorsten aan den Pruisischen 
koning de Duitsche keizerskroon aan te bieden. 
B. begon nog vóór Pruisen met den „Kulturkampf”. 
Onder minister Lutz kwam de „Kanselparagraph” 
tot stand en werden de Jezuïeten en de Redempto- 
risten verjaagd. Lodewijk II zelf was onbekwaam om 
te regeeren en bracht door zijn verkwisting en zijn 
ongetemde bouwneiging de linanciën in gevaar. 
Daarom besloot de ministerraad hem onder curateelc 
te stellen van zijn oom Luitpold, omdat ook zijn 
broer Otto krankzinnig was. Onder dit regentschap 
(1886 — 1912) was de regeer ing genoodzaakt aan het 
Centrum, dat meestal in de meerderheid was tot 1914, 
verschillende concessies te doen. In 1906 werd recht- 
streeksch kiesrecht ingevoerd. In 1912 werd de uitge- 
sproken Kath. wijsgeer en staatsman, Freiherr von 
Hertling, ministerpresident. In hetzelfde jaar volgde 
Lodewijk III zijn vader op, niet als regent, maar als 
koning, met voorbijgaan van Otto, die in 1916 over- 
leed (Lod. II had zich in 1886 reeds verdronken). 
Kroonprins Ruprecht voerde het commando aan het 
Westelijk front. In Nov. 1918 brak de revolutie uit 
en verklaarde Kurt Eisner, voorzitter der„Arsol”, 
het huis Wittelsbach vervallen, waarop Lod. III 
13 Nov. afstand deed (f 17 Oct. 1921). Bij de ver- 
kiezingen van 1919 ontstond een burgerlijke meerder- 
heid, waarvan de Beiersche Volkspartij, die zich 
afgescheiden had van het Centrum, de sterkste was. 
Toen Eisner in 1919 door graaf Arco werd vermoord, 
brak een Communistische revolutie uit, die het gezag 
legde in handen van de „arsol”. Dit schrikbewind, 
naar Russisch model, duurde van 7 April tot 2 Mei, 
waarna Pruisische, Wurttembergsche en Beiersche 
troepen de orde herstelden. Een nieuwe grondwet werd 
door den Landdag ingevoerd en B. deed afstand 
van de vroeger gehandhaafde reservaatrechten omtrent 
leger, enz. Tevens werd Coburg bij B. ingelijfd. In 
1920 mislukte de Kapp -putsch. De burger lijke partijen 
hadden zich bij de verkiezingen van 1920 versterkt 
en de „arsolraden” werden door minister von Kahr 
ontbonden. In plaats daarvan werd de „Orgesch” 
tot handhaving van den toestand opgcricht, doch 


deze moest op bevel van de Entente in 1921 ontwapend 
worden. Met de Rijksregeering ontstond een geschil 
over de invoering der „Ausnahmeverordnung” van 
1921 en in 1923 nam dit zulke proporties aan, dat 
Kahr, die inmiddels de geheele uitvoerende macht 
in B. in handen had gekregen, aan een opmarseb 
tegen de regeering in Berlijn dacht. In die omstandig- 
heden ondernam Adolf Hitler, bijgestaan door Von 
Ludendorff, te München 8 Nov. 1923 zijn ,. nationale 
revolutie”, maar Kahr weigerde medewerking en de 
„Putsch” werd door de Rijksweer afgeslagen. Met het 
aftreden van Kahr in 1924 eindigde het conflict met 
het Rijk. Held, leider der Beiersche volkspartij, vormde 
in 1924 een ministerie, dat geregelde toestanden schiep 
en 29 Maart 1924 een concordaat sloot, waardoor de paus 
in het vervolg de bisschoppen benoemt op voordracht 
van het kapittel, het voortbestaan der theologische 
faculteit aan de universiteiten gewaarborgd wordt, 
godsdienstonderricht als leervak in den lesrooster is 
opgenomen, en onderwijs door religieuzen is toegestaan. 
In 1928 leidden de verkiezingen tot een toename der 
socialisten, maar het ministerie Held, steunend op de 
B. Volkspartij, de Duitschnationalen en den Boeren- 
bond, wist zich te handhaven tot 1933, toen een Rijks- 
stadhouder werd aangesteld. 

L i t. : Monumenta Boica (1763 — 1910) (49 aln.) : 
S. Riezler, G schichte Bayerns bis 1726 (8 dln. 1878 — 
1914) ; M. Doeberl, Entwicklungsgesch. Bayerns (3 dln. 
München 1906 — ’31) ; voor het tijdperk 1825—1912 : 
Revue de questions historiques (1932, 355). Derks. 

Beieren, van, naam van meerdere vorstelijke 
personen en bisschoppen. Nadere gegevens onder 
hun doopnaam, Albrecht, Ernestus, Fernandus, 
Jan, etc. 

Beierland, of Hoeksche Waard, eiland 
in Z. Holland, ingesloten door Haringvliet, Spui, 
Oude Maas, Dordsche Kil en Hollandsch Diep. 
Opp. ca. 29 000 ha. De bodem van het eiland bestaat 
uit vruchtbare zeeklei, vooral voor veeteelt gebruikt, 
in verband met de boterbereiding en margarine- 
industrie in de omgeving (Vlaardingen, Rotterdam, 
Dordrecht). Verder land- en tuinbouw, vooral vlas. 
Een groot tramnet verbindt de talrijke dorpen. B. 
werd genoemd naar Sabina van Beieren, echtgenoote 
van Lamoraal, graaf van Egmond, die B. in de 16e 
eeuw liet bedijken. Later slibde dit gebied aan en vorm- 
de ten slotte met een deel der vroegere Groote Waard 
één complex. Vele oude geulen (Binnen Maas) en een 
netwerk van dijken verraden nu nog het ontstaan. 
Als overal, liggen ook hier de vroegst ingedijkte 
gedeelten het laagst, nl. 1,75 — A. P. bij de Binnen 
gedijkte Maas, terwijl de jongste bedijkingen aan 
den Zuidkant tot 1 m + A. P. liggen. Een gedeelte 
der polders kan dan ook direct op het buitenwater 
loozen, vooral in het Westen. Blaauw. 

Beiersoh. Het tegenwoordige Beieren omvat een 
Zwabisch gedeelte (Augsburg, Ulm) in het W., een 
Frankisch (Neurenberg, W ürzburg, Bamberg) in liet 
N. en N. O. ; echt Beiersch daarentegen is de Oostelijke 
helft van het land en, wat het dialect betreft, geheel 
Oostenrijk. De B. zijn in de geschiedenis de opvolgers 
der Markomannen, een machtigen Germaanschen 
volksstam, die eerst aan de Elbe gevestigd, op het 
laatste der le eeuw v. Chr. Bohemen veroverde. Dit 
land, toen Bojohaemum genaamd, behoorde aan een 
Keltischen stam, de Boji, vandaar de naam „heim 
der Boji”. Een verdere verhuizing bracht, na den val 
der Romeinsche heerschappij in Z.Germanië, de 


339 


Beierscke Alpen — Beira 


340 


Markomannen, nu Beiers geheeten, naar het Donau- 
gebied beoosten de Lech. De Lat. naam Baioarii, 
uit Germ. Baiwarjoz, zou, naar een vernuftige inter- 
retatie in zijn eerste gedeelte aan de boji en aan Bo- 
emen herinneren en beteekenen „bewoner van het land 
der Boji”. Na de verwoesting van het rijk der Avaren 
door Karei den Grooten (791), richtte zich de Beiersche 
expansie naar het O., waar zij reeds in de 12e eeuw de 
tegenwoordige taalgrenzen van het Duitsch tegenover 
Slavisch en Hongaarsch bereikte. 

Het Beiersch is een Opperduitsch dialect, geken- 
merkt door volkomen doorgevoerde klankverschui- 
ving (bijv. paum = boom, lanckh = lang, enz.), af- 
wezigheid van Umlaut in vele gevallen (pruck = 
brücke, brag, bijv. in den plaatsnaam Innspruck) 
alsook door een eigenaardigen woordenschat. 

L i t. : Bremer, Ethnographie d. germ. Stamine 
(Straatsburg 1900) ; Schatz, Altbair. Grammatik (Göttin- 
gen 1907) ; Hoops, Reallexikon d. germ. Altertumskunde 
(Straatsburg 1911 vlg., s.v. Baiern). 

Beiersche Alpen , deel van de N. Kalk -Alpen, 
op de grens van Beieren en Oostenrijk. > Beieren. 

Beiersche Huis, ->■ Graven van Holland. 

Beigem, gem. in Z. Brabant, ten N.O. van Brus- 
sel; opp. 388 ha; ong. 800 inw.; landbouw. De kerk 
en 32 huizen van de dorpskom werden in 1914 door de 
Duitschers geplunderd en platgebrand; daarbij ver- 
dwenen vier merkwaardige schilderstukken uit de 
16e eeuw’, van een onbekenden meester, soms genoemd 
„de meester van Beigem”. Lindemans. 

Bei I en, gem. in de prov. Drente aan den spoorweg 
Hoogeveen — Assen: veel natuurschoon door de nieuw 
aangelegde bosschen, maar ook prachtige stukken 
ongerepte natuur. De gemeente bestaat uit de kom, 
Hooghalen, Drijber, Hijken, Wijster, Alting, Beiler- 
vaart, Brunsting, Holtke, Klatering, Laaghalen, 
Laaghalerveen, Lieving, Makkum, Smalbroek, Spier, 
Ter Horst en Tiendeveen. 8 272 inw. (1 Jan. ’32), 
waarvan 6 995 Ned. Herv., 1 684 Geref., 265 zonder 
kerkelijke gezindte, 47 Kath., 45 Israëliet. Ned. Herv. 
kerk en synagoge te Beilen; Geref. kerk te Beilen en 
Hooghalen. Opp. 16 577 ha, waarvan sedert den wereld- 
oorlog 2 300 ha nieuw in cultuur gebracht zijn. 

Middelen van bestaan: landbouw en 
veeteelt, meest in gemengd kleinbedrijf. Enkele groote 
ontginningen, o.a. de ,, Landmaatschappij Drenthe” 
1 000 ha; belangrijke veemarkt; in het Z. van de ge- 
meente is tuinbouw in opkomst; industrie * aardappel- 
meelfabriek, twee zuivelfabrieken. Van groote betee- 
kenis belooft het bedrijf der Vuil-Afvoer-Maatschappij 
tusschen Drijber en Wijster te w’orden, waar liet 
Haagsche stadsvuil, door speciaal daarvoor ingerichte 
treinen, door de modernste machines wordt bew’erkt 
tot fijnkorrelige compost voor bemesting der landerijen. 

De stichting Beileroord is de eerste kolonie 
voor gezinsverpleging van zwakzinnigen in Neder- 
land. Ongeveer 150 gezinnen verleenen hiertoe hun 
medewerking. 

Het dorp Beilen brandde in 1820 nagenoeg geheel 
af, waardoor het karakter van Drentsch dorp verloren 
ging. Een grafveld van buitengewone beteekenis 
werd door den Groningschen archeoloog dr. van Giffen 
blootgelegd. Nijenhuis. 

Beiler Stroom, Dwingeler Stroom 
of Oude Smildervaart, ontstaat onder 
Westerbork uit verschillende waterloopen, die het 
afstroomingsw’ater uit het midden van Drente ong. 
17 k 19 m + A.P. afvoeren. Ook w’ordt door dit riviertje 


het overtollige water van het 2e tot en met 4e pand 
van het Oranie-kanaal afgevoerd. Keerschutten wor- 
den in het voorjaar geplaatst om het water op te stuwen 
ter bevloeiing. Te Beilen i3 een keerschut geplaatst 
om de Drentsche hoofdvaart te voeden. Nijenhuis. 

Beiler Y r aart, verbindt Beilen met de Drent- 
sche Hoofdvaart en voert uit den Beiler Stroom zoo 
noodig water aan voor het bovenpand van deze vaart. 
De B.V. werd in 1790 gegraven, verbeterd in 1845. 
Het Linthorst Homankanaal verbindt nu de Beiler 
Vaart met de Verlengde Hoogeveensche Vaart. 

Nijenhuis. 

Bcinum, Eduard van, dirigent. * 3 Sept. 
1900 te Arnhem, waar hij reeds op 17 -jarigen leeftijd 
als altist w r erkzaam was bij de Arnhemsche Orkest- 
Vereeniging. Van 1918— ’22 studeerde hij aan het 
conservatorium te Amsterdam piano bij De Pamv en 
theorie en compositie bij Bemard Zwecrs en Sem 
Dresden. Daarna w T as hij dirigent van de Toonkunst- 
afdeelingen te Schiedam en Zutphen. In 1927 werd hij 
benoemd tot dirigent van de Haarlemsche Orkest- 
Vereeniging, in welke positie hij zeer de aandacht trok 
door zijn uitvoeringen van hedendaagsche, w.o. veel 
Nederlandsche, werken en zijn streven naar stijlzuivere 
uitvoeringen van 18e eeuwsche muziek. Sedert 1931 
is v. B. tweede dirigent van het Concertgebouw-Orkest 
te Amsterdam. Hanekroot. 

Beïnvloeding van de erïelijkc structuur, 
> Erfelijke structuur. (Nat. H i s t.). De meeste 
moderne genetici nemen aan, dat het mogelijk is de 
erfelijke structuur van een levend w r ezen kunstmatig 
te wdjzigen. Verandering in het > genotype werd o.a. 
te voorschijn geroepen door temperatuurwijziging bijv. 
bij Drosophila (door Jollos) en door de inwerking van 
radium en röntgenstralen. 

Door zaden van een vermoedelijk zuiveren Antirrhi- 
num-stam met radium te bestralen, bekwam Stein in 
de nakomelingschap sterk afwijkende typen voor blad- 
vorm. kleur en groeiwijze; bij verder genetisch onder- 
zoek bleken deze storingsverschijnselen wel degelijk 
over te erven. Ook Stubbe slaagde er in bij de leeuwen- 
bek erfelijk gewijzigde nakomelingen te doen ontstaan 
door inwerking op de bloemknoppen van röntgen- 
stralen, ultraviolette stralen en temperatuurschom- 
melingen. Die nieuwe feiten zijn van groot belang voor 
de interpretatie van sommige > evolutie-theorieën. 

L i t. : Paula Hertwig, Partielle Keimesschadigungen 
durch Radium- und Röntgenstrahlen (Handbuch der 
Vererbungswissenschaft III 1927, 130) ; Stein, in Zeit- 
schrift für induktive Abstammungs- und Vererbungs- 
lehre LXII (1931, 1-13) ; Jollos, ibid. (1932, 15-23). 

Dumon. 

Beira, landstreek in midden-Portugal tusschen 
Taag en Douro; voormalige provincie, omvattend de 
districten Aveiro, Castello Branco, Coïmbra, Guarda 
en Vizéu; opp. 23 850 km 2 ; 1 600 000 inw. (Kath.). 

Bouw. Een duinenrij scheidt talrijke liman ’s en 
de groote, op een haf gelijkende Ria de Aveiro van 
den Oceaan. Slechts aan de riviermonden konden 
kleine havenplaatsen ontstaan. Achter deze, met pijn- 
boomen begroeide, typische laaglandkust ligt het 
vruchtbare, weinig geaccidenteerde Beiramar. Hierbij 
sluit aan Beira Alta (= laag B.), het vochtige heuvel- 
land van het midden en N.O., met groote bosschen 
(pijnboomen, eiken, kastanjes) en veel natuurschoon 
(toeristenverkeer). De steil oprijzende, woeste graniet- 
massa der Serra da Estrella (tot 1990 m) scheidt het 
van Beira Baixa in het Z.O. In de regenschaduw van 


341 


Beiroet — Beith 


342 


het gebergte gelegen en dus droog zijnde, is dit naar 
den Taag afhellende, door vele kloven doorsneden 
gebied voor exploitatie vrij ongunstig en dun bevolkt. 

Bestaansmiddelen. Beiramar en B. 
Alta bchooren tot de best gecultiveerde streken van 
Portugal, met aanzienlijken landbouw (tarwe, maïs, 
veel wijn en fruit, langs de kust toenemenden rijst- 
bouw) en veeteelt (runderen, in de bosschen varkens). 
Beide zijn vnl. kleinbedrijf. B. Baixa levert olijven 
en heeft schapenteelt. Hier overheerscht grootgrond- 
bezit . Rondom de Serra da F.strella („witte steen- 
kool”) is een beteekenende wol- en papierindustrie. 
De exploitatie der delfstoffen (steenkool, koper, voorts 
wat zilver, tin, wolfram en arsenicum) is gerin|. 
Langs de kust visscherij (sardines, oesters) en bij de 
Ria de Aveiro zoutwinning. Verwiel. 

Beiroet, de grootste stad van Syrië, aan den voet 
van den Libanon (33° 54' N., 35° 32' O.); 130000 inw. 
B. is vooral in de 19e eeuw opgekomen. Uitvoer: 
zijde, olijfolie, katoen, vijgen, rozijnen, zeep, sponsen. 
Gezond klimaat. B. is een apostolisch vicariaat; 
bezit een Amerikaansche (1866) en Fransche universi- 
teit (1876). Verder St. Josephcollege der Jezuïeten, 
waar o.a. de bekende Vlaamsche Oriëntalist Lammens 
aan verbonden is. Kath. Arabische drukkerij (al 
Matbaa al katoelikijja). Tandradbaan door den Libanon 
naar Damaskus en Aleppo. Heere. 

B. was vroeger vermaard door haar in de 6e 
eeuw n. Chr. tot grooten bloei gekomen rechts- 
school. Men onderwees er het Romeinsch recht. 
De hoogleeraren schreven verklarende aanteeke- 
ningen in het Grieksch (sch oliën) op Rom. 
rechtelijke teksten. Bekend zijn: Cyrillus, Doro- 
theus, Domninus, Eudoxius. Hoogleeraren uit deze 
school werkten mede aan de > codificatie van 
Justinianus en oefenden op de samenstelling grooten 
invloed uit. 

L i t. : P. Collinet, Histoire de 1’Ecole de Droit de 
Beyrouth, in : Etudes historiques sur le droit de Justinien 
(II Parijs 1925); id., Les preuves directes de 1’influence de 
1’enseignement de Beyrouth sur la codification de 
Justinien, in : Byzantion (III 1927, 1,15). 

Her mesdor /. 

Geschiedenis. B. wordt reeds in de Amama- 
brieven vermeld als Beroeta. Eerst als kolonie der 
Romeinen, die haar naam Laodicea veranderden 
(16 v. Chr.) in Colonia Julia Augusta Felix 
Berytus, werd zij een belangrijke havenstad met 
genoemde rechtshoogeschool. In 551 door een aardbe- 
ving geteisterd, kwam zij, hoewel door Justinianus 
herbouwd, niet meer tot gelijken bloei. In 635 werd B. 
ingenomen door de Muzelmannen, van 1125 tot 1291 
was zij bijna steeds in handen der Kruisvaarders. 

Eerst in de 19e eeuw werd zij, onder invloed der 
koloniseerende mogendheden, de voorn, havenstad 
der Syr. kust. Na den Wereldoorlog werd B. hoofdstad 
van het Fransche mandaatgebied Libanon. Van haar 
oude monumenten is weinig gespaard. 

L i t. : Salih Ibn Yahya, Hist. de Beyrouth, publiée 
et annotée par lc P. L. Cheikho (Beiroet 1902). 

Beisan, > Bethsan. 

Beisler , Herman n, ridder van, 
Bcicrsch staatsman. * 1790 te Bensheim; f 1859 te 
Münchcn. Trad eerst in dienst als officier bij het 
Beiersche leger en woonde verschillende veldtochten 
in het Napoleontisch tijdvak bij. Na 1815 werkte hij 
geruimen tijd bij het ministerie van Buitenlandsche 
Zaken te München. Ofschoon de regeering zijn vrij- 


zinnige gevoelens afkeurde, werd hij tot „Regierungs- 
director” in Opper-Beieren en vervolgens tot „Re- 
gierungspraesident” in Neder-Beieren (1838) benoemd. 
Minister van Justitie (1847), van Eeredienst en Onder- 
wijs (’48). Als afgevaardigde naar de Nationale ver- 
gadering te Frankfort (1848) nam hij plaats aan de 
rechterzijde, maar bleef toch steeds aan zijn vrijzin- 
nige beginselen getrouw. Werd ten slotte president 
der Rekenkamer. 

Werken: Betrachtungen über Staatsverfassung 
und Kriegswesen (18 22 ) ; Betrachtungen über Gemeinde- 
verfassung (1831). Lousse. 

Beispruchsrcclit. In de rechtsgeschiedenis is 
dit een uiting van de medezeggenschap, die aan de 
familieleden toekomt, wanneer onroerend goed ver- 
vreemd wordt aan personen buiten de familie. De 
verklaring van dit recht moet worden gezocht in het 
feit, dat men in de te vervreemden goederen zag een 
overblijfsel van het familievermogen. Oorspronke- 
lijk vormden deze goederen inderdaad het familie- 
vermogen. In sommige streken is dit recht, zij 
het onder andere benamingen, gehandhaafd tot het 
begin der 19e eeuw (invoering v. h. Wetb. v. 
Napoleon 1809). Men vergelijke -> Naastingsrecht. 

H er mesdor ƒ. 

Beissel, S t e p h a n, Jezuïet, kunsthistoricus. 
* 1841 te Aken, f 1915 te Valkenburg; vooral werk- 
zaam in de studie der godsdienstige en Christelijke 
kunst, middeleeuwsche, vooral Duitsche kerkelijke 
architectuur en Christ. iconographie. 

Voorn, werken: Geschielite der Trierer Kirchen 
(2 dln. 2 1888) ; Die Bauführung des Mittelalters ( 2 1889) ; 
Gesch. der Verehrung der Heiligen und ihrer Reliquien 
in Deutschland wahrend des Mittelalters (1890 — ’92) ; 
Bilder aus der Gesch. der altchristlichen Kunst und 
Liturgie in Italien (1899) ; Fra Giovanni Angelico da 
Fiesole. Sein Leben und seine Werke ( 2 1905). 

Bolt, Bet, dialectische nevenvormen van het 
klassiek-Arabische bait, gelijkwaardig aan het 
Hebr. bet; komt voor in vele Arab. en bijb. plaats- 
namen. 

Bcit Dzjjibrin (— Huis van Gabriël?), huidige 
naam van een plaats in Palestina ten W. van Hebron, 
waarsch. verbasterd uit Bethogabra (Bethgabris), 
zooals Flavius Josephus een stad noemt in de Rom. 
prov. Judea. Deze werd eerst belangrijk in den tijd 
der Ptolemeeën en Seleuciden onder den naam Eleu- 
theropolis, waarvan de ruïnes zijn teruggevonden in 
Teil Sandahannah ten Z.O. van B.D. Meer in de nabij- 
heid van het huidige dorp zijn resten van de Rom. 
periode en van de bouwwerken der kruisvaarders te 
zien. Zeer merkwaardig zijn talrijke uitgestrekte 
grotten en begraafplaatsen (columbaria en fresco’s). 
Aan de Rom. en Syrische stad is waarsch. op deze 
plaats een Oud-Testamentische, Maresa, en een 
Grieksche, Marissa, voorafgegaan, waarvan de naam 
voortleeft in het nabije Chirbet Meriasj. Simons. 

Beitel, gereedschap, meestal bestaande uit een 
smal stuk staal, met of zonder handvat, gebruikt bij 
de bewerking van hout, metaal of steen om insnij- 
dingen, uithollingen enz. te maken. 

Beiteleg of schoffeleg is een eg, waarbij de tanden 
naar beneden in een schoffel uitloopen. 

Beith, industriestad in Schotland, in het graaf- 
schap Ayr (55° 46' N., 4° 37' W.); 10 000 inw. Kolen- 
mijnen. 

Beith , sir John II a y, Engelsch humoristisch 
schrijver onder pseudoniem: Tan Ha y. * 1876. 


343 


Beitin — Beke 


344 


Studeerde te Cambridge, officier in den oorlog, won 
populariteit door humoristische oorlogsschetsen, ge- 
riddeïd in 1918. 

Werken: een twintigtal romans en bundels ver- 
halen ; een tiental tooneelspelen (sommige met mede- 
werking van > Wodehouse, P. G.). 

Beitin, •> Bethel. 

Beit Mirsim (of Teil B. M.), Arab. naam 
van een ruïnenheuvel in Zuid -Palestina. Opgravingen 
werden daar gedaan vanaf 1926 door een Amer. expe- 
ditie (Albright en Kyle). De plaats bleek van ca. 
2000 tot ca. 600 v. Chr. bewoond te zijn geweest. Een 
der vele strata der ruïne wordt met groote waarschijn- 
lijkheid geïdentificeerd met de Isr. stad Dabir (Debir), 
in oudere tijden Kariat Sefer (Kirjat Sefer) geheeten. 
De opgravingen worden voortgezet. 

L i t. : W. F. Albright, The Arch. of Palest. and the 
Bible, hfst. II : Unearthing a biblical City (New York- 
Chicago. z.d., 63-127) ; idem, The Excavation of Teil 
B.M. in Palestine (I, Annual of the Amer. Schools of 
Oriental Research., XII 1930 — *31). Simons. 

Beits. Onder dezen naam worden verschillende 
stoffen samengevat, waarmede vaste stoffen worden 
bevochtigd of gedrenkt, om ze te conserveeren, om 
aan hun oppervlakte een bepaald aanzien te geven, 
ofwel om ze voor een verdere behandeling voor te 
bereiden. In de metaaltechniek vinden zuren en loogen 
uitgebreide toepassing voor het reinigen der opper- 
vlakte. Zoo bijv. bij ijzer alvorens dit te vertinnen of 
te verzinken. Verder bij alle metalen en Jegeeringen als 
voorbereiding voor de chemische metaalkleuring, 
welke bewerking zelf ook vaak als beitsen wordt aange- 
duid. Tn de looierij verstaat men onder b. allerlei 
stoffen, die de huiden moeten ontkalken voor het 
eigenlijke looien. Houtbeitsen zijn doorgaans extrac- 
ten van kleurstoffen met ammonia, die voor het kleu- 
ren van bout moeten dienen. Ten slotte dienen beitsen 
in de ververij en drukkerij om de vezel geschikt te 
maken om de kleurstoffen vast te houden. > Alumi- 
niumoxyde. v. d. Beek. 

Beitsen, stof- en kleurbewerking op vezelstoffen, 
metalen, hout, hoorn, huiden, lithographische steen 
en glas door middel van zuren en zouten. Te onder- 
scheiden: metaalzoutbeits, tannine-, olie-, wasbeits. 
Op vezelstoffen, > vczelbeits. Op metalen, steen, 
glas, > etsen. Op huiden, > leerbereiding. Op 
hout oliebeits en wasbeits; toegepast als bederfwerende 
afdekking, kleurbewerking; ook wordt hout in beits- 
middelen gedrenkt om de eigenschappen als hardheid 
en buigzaamheid te beïnvloeden. Dringt ong. 5 mm 
in het hout en wordt op blankgeschaafd hout aange- 
bracht. Samenstelling voor houtb.: oplossingen van 
teerkleurstoffen ; verfhoutextracten ; metaalzout met 
kleurstof, waarbij de werking dezelfde is als op vezel- 
stoffen; soms eenvoudig in lijnolie opgeloste chemi- 
caliën met siccatief; gele was met ammoniak en kleur- 
stof, enz. Houtb. is steeds transparant. De teekening 
van het hout blijft zichtbaar. Goed beitsbaar zijn 
eiken, mahonie, palissander, minder goed de noest- 
rijke houtsoorten als grenen; deze geven onrustige 
teekening. Olieb. als creosootolieb. kan zoowel 
binnen- als buitenwerks worden toegepast; dof. 
Wasb. uitsluitend binnenwerks; halfmat of eiglans. 

Beynes . 

Bei tskleur stof, kleurstof, die op een vezelstof 
geverfd wordt, die met een metaalverbinding, bijv. 


van aluminium, chroom of ijzer, is voorbehandeld. 

Beja, 1° d i s t r i c t in het Z. van Alemteio 
(Portugal). 

2° H o o f d s t a d van het gelijknamige district 
(38° 2' N., 7° 52' W.); het Romeinsche Pax Iulia; 
bisschopsstad; 10 500 inw. (Kath.). De Santo Amaro 
is een der vier in Portugal bekende prae-Romaansche 
kerken. Het kasteel, van Romeinschen oorsprong, 
heeft een zeer merkwaardigen donjon van 1310. 
Archeologisch museum. 

3° Suffragaan- bisdom van Evora (Portugal), 
in 6e eeuw opgericht. Na opheffing in den Moorschen 
tijd in 1770 hersteld. Aantal Kath. 156 466 (1927). 

Vermei. 

Bek, 1° (N a t. H i s t.) wordt dikwijls de mond 
van dieren genoemd; vooral wordt hiermede de met 
hoornscheden bedekte onder- en bovenkaak der 
vogels bedoeld. > Snavel. 

2° De, gewoonlijk t.o.v. elkaar beweeglijke, onder- 
deden van een werktuig, die de ruimte vormen, waarin 
het werkstuk ter bewerking wordt vastgezet. De vlak- 
ken der bekken, waartusschen het werkstuk wordt 
gegrepen, noemt men de wangen. Bijv. bij een breker 
de vlakken , w r aartusschen het materiaal, cokes, erts, 
enz., w r ordt gebroken, bij een bankschroef de door de 
schroef t.o.v. elkaar verplaatsbare onderdeelen. 

3° bij hou tverb inding: verdieping in een w r erkstuk, 
waarin een overeenkomstig uitsteeksel of pen van een 
bijbehoorend constructiedeel juist past: de werk- 
stukkenbekken. 

4° De sp leefvorm ige opening vóór den beitel van 
een schaaf, waardoor de krul opkomt. 

Beka, V Johannes de, > Johannes de 
Beka. 

2° S i b e r t u s de, > Sibertus de Beka. 

Bckaa, E 1, hoogste deel (1 100 m boven zee) 
van de inzinking tusschen Libanon en Anti-Libanon 
in West-Azië. Het N. is dor, het Z. is besproeid en 
vruchtbaar (tarwe, olijf, moerbei). Rivieren: Orontes 
naar het N. en Leontes naar het Z. 

Bekaden, > Bedijken. 

Bekassine, -> Watersnip. 

Beke, parochiedorp (1930) in de prov. O. Vlaan- 
deren, gelegen ten W. van den weg Gent — Eekloo, 
op grondgebieden Zomergem en Waarschoot. 1 150 inw . 

Beke, J o o s t van der, genaamd van 
Cleve, schilder, f 1541; geboortejaar onbekend; 
hij werd in 1511 te Antwerpen in het Lucasgilde opge- 
nomen, kwam daar tot hoog aanzien en bleef er tot zijn 
dood. Bijna algemeen wordt thans aangenomen, dat 
hij identiek is met den zgn. Meester van den Dood 
van Maria. Dezen noodnaam had men hem gegeven 
naar twee schilderijen met die voorstelling (te Keulen 
en München) en het overige w r erk er stijlcritisch om 
heen gegroepeerd. Hij was een zeer vruchtbaar mees- 
ter, in wiens uitvoerig oeuvre de toenemende invloed 
der Renaissance zich duidelijk afspiegelt. Onderwerpen 
zijn bijna uitsluitend van religieuzen aard, maar ook 
vele portretten (o.a. van Frans I), die tot het beste 
zijner kunst behooren. Hoewel niet vrij van invloed 
van anderen (vooral van Q. Matsijs en later van de 
Italianen, vooral Leonardo) is hij vruchtbaar in het 


345 


Bekeerling — Bekermos 


346 


vinden van motieven, heeft zin voor sierlijkheid, die 
echter vaak tot overladenheid voert. Zijn koloriet 
is delicaat en teer; de geest van zijn werk ademt niet 
meer (vooral in latere periode) de oprechte devotie, 
maar zweemt wel eens naar het theatrale. Hij werkte 
veel samen met Patinier, wiens landschappen hij met 
figuren stoffeerde. 

L i t. : Friedlander, Alt Niederl. Malerei IX. 

Schretlen. 

Bekeerling, ook convertiet of proseliet, wordt 
iemand, die van overtuiging, gewoonlijk op gods- 
dienstig gebied, verandert, genoemd door degenen, 
bij wie hij zich aansluit, terwijl de door hem verlaten 
groep hem afvallige, renegaat of apostaat noemt; 
voor Katholieken zijn dus zij, die later Katholiek 
worden, bekeerlingen. In minder eigenlijken zin wordt 
ook van bekeerlingen gesproken bij menschen, die 
strikter volgens hun godsdienstige opvattingen gaan 
leven, of die veranderen van politieke of andere mee- 
ningen. Beroemde voorbeelden zijn de H. Augustinus, 
de H. Magdalena; uit den tegenwoordigen tijd G. K. 
Chesterton en Fred. van Eeden. Bij oudere klooster- 
orden dragen de leekebroeders nog den naam conversi, 
omdat velen, die zich van een zondig leven bekeerden, 
leekebroeder werden om te boeten, doch ook wijl de 
nederigheid vaak van bekeering deed spreken, waar 
eigenlijk juister gesproken zou zijn van een besluit 
tot heiliger leven. In dezen zin wordt in het Mnl. 
liet woord b. zeer dikwijls gebruikt. Pauwels. 

Bekcgem, gem. in de prov. West- Vlaanderen, 
ten Z.O. van Oostende; ca. 1 000 inw., opp. 466 ha. 
Vlak landbouwland. 

Beken, Lieven van der, ook Torren - 
t i u s, was de tweede bisschop van Antwerpen. 
Een krachtige figuur in de toenmalige staatkundige 
en kerkelijke zaken. Als geschiedkundige, philosoof 
en dichter gunstig bekend. * te Gent, f 27 April 1595 
te Brussel, vóór de pauselijke bevestiging van zijn 
keuze tot aartsbisschop van Mechelen gegeven was. 

Valvekens. 

Bekende term (w i s k.) heet die term in een 
veelterm (of vergelijking), waarin de veranderlijke 
(of onbekende) niet optreedt. 

Bekendmaking der wet, > Wet. 

Bekentenis (N e d. Recht) is een der bewijs- 
middelen in het burgerlijk proces. In het algemeen 
wordt door den rechter na een b. de vordering zonder 
nader bewijs toegewezen. Anders is dit in processen, 
waarbij niet alleen het belang der partijen, maar ook 
dat van anderen, of de openbare orde betrokken is, 
zooals de rechtsvordering tot scheiding van goederen, 
tot ontkenning van de wettigheid van een kind e.d. 
In processen tot echtscheiding en scheiding van tafel 
en bed neemt de rechtspraak in tegenstelling met 
gezaghebbende schrijvers de b. als voldoende bewijs 
aan. De b. mag niet worden gesplitst, d.w.z. dat de 
rechter den samenhang eener b. niet mag verbreken, 
en de partij die haar af legde niet raag houden aan een 
deel zijner b. Ook een b. buiten een proces afgelegd, 
mondeling of schriftelijk, kan in een later proces als 
bewijs worden aangevoerd; echter is de rechter dan 
geheel vrij in de beoordeeling van de bewijskracht. 
Herroeping eener in een proces afgelegde b. is alleen 
mogelijk, indien men kan bewijzen, dat men haar in 
dwaling omtrent de feiten heeft afgelegd. Witteman . 

Voor België, > Bewijsmiddelen. 


Beker (( Lat.: bicarium) is in de gebruikskunst 
de algemeene naam voor verschillende soorten vaat- 
werken, waaruit wordt gedronken. Meestal zijn deze 
schaalvormig. > Drinkglas, Kelk, Kroes, Roemer. 

Voor beker in de plantkunde, > Beker- 
plantachtigen. 

Voor beker in de sterrenkunde, > Crater 
(sterrenbeeld). 

Bekercellcii zijn groote epithiale cellen, die een 
slijmerig of vetachtig secreet bevatten. Zij bezitten 
een fleschvormige gedaante en worden dikwijls in de 
huid of darm zoowel van ongewervelde als gewervelde 
dieren aangetroffen. Zij kunnen als ééncellige klieren 
worden beschouwd. 

Bekergoudsblocm (Dimorphotheca 
aurantiaca) behoort tot de familie der samen - 
gesteldbloemigen (Compositae) en de onderfamilie 
Tubulülorae. Het is een sierplant afkomstig uit 
Z. Amerika. Zooals de wetenschappelijke naam aan- 
duidt, vindt men in de uitgebloeide bloem zaden van 
twee verschillende vormen (^ Lat. duo = twee, 
Gr. morphè = vorm, thèkè = doos). Bouman. 

Bekerkorst mossen (Cladoniaceeën), een 
familie van de Lichenomyceten. Enkele soorten van 
het geslacht Cladonia hebben een bekervormig vrucht- 
baar gedeelte. > Bekermos. 

Bckerkraakbeentjjcs, ook arykraak- 
beentjesof arytenoïden (< Gr. aèr = 
lucht, Lat. tenere = houden), twee lichte kraakbeen- 
tjes, vlak boven het ringvormig kraakbeen van het 
strottenhoofd, waaraan de stembanden van achter 
vastzitten. Zij doen dienst bij het spannen der stem- 
banden. Verder ->■ Strottenhoofd. 

Bekerkwallen (Stauromedusen) zijn 
de meest eenvoudige vormen van de groep der schijf- 
kwallen. Ze bezitten een hooggewelfd scherm met 
aan den rand eenvoudig gebouwde tentakels, die 
dikwijls aan het einde netelbatterijen dragen ; de 
mondbuis is vierzijdig en bezit een kruisvor- 
mige opening. Vormen van de fam. der Lucemaridae 
zitten meestal met de aborale (tegenover den 
mond liggende) zijde aan den bodem vast, terwijl 
de meeste vormen van de fam. der Tesseridae 
vrij zwemmend zijn. 

Bekermos, Cladonia, van de familie der Cla- 
doniaceeën, een 
korstmos, dat bij 
ons veel op zand- 
en heidegrond 
voorkomt, voor- 
al in de soorten 
Cladonia 
pyxidata, 
het groene 
b. met donker- 
groene vrucht- 
schijfjes op den 
rand van het be- 
kertje, het 
vruchtdragend 
gedeelte van het 
mos en Cla- 
donia cor- 
n u copo ides, 
het rood 
bekermos met roode vruchtschijfjes. Bouman • 



Bekermos. 


347 


Bekerplantachtigen— Bekken 


348 


Bekerplantachtigen, Nepenthaceae, 

een familie met 
slechts één ge- 
slacht, Nepen- 
thes, omvatten- 
de ongeveer 60 
soorten, zijn 
klimplanten met 
zeer eigenaardi- 
ge bladeren. De 
steel is eerst 
bladachtig ver- 
breed en gaat 
verder over in 
een dunrankend 
deel, welke voor 
het vasthouden 
van het blad en 
ook van de plant 
dient; de blad- 
schijf is omge- 
vormd tot een 
bekervormig in 
den beginne met 
een deksel af- 
gesloten geheel. 
Deksel en beker- 
rand hebben 
een zoet vocht 
afscheidende 
klier en de beker 
is gedeeltelijk 
met vertei ings 
sappen gevuld. 

Bekerplant (Nepenthes des TUlatoria). gelok^door geur 
en kleur, glijden, zoodra zij op den bekerrand gaan 
zitten, langs afhangende haren en verdrinken en ver- 
teren in den beker. Men vindt deze planten in Z. Azië, 
Australië en op de Z. Afrikaansche eil., doch op 
Borneo en Sumatra komen zij het meest voor. Verschil- 
lende soorten worden in kassen gekweekt. Bouman. 

Bekcrsysteem, in het wedstrijdwezen ook wel 
afvalsysteem genoemd. Het beoogt deelnemende 
ploegen door loting te verdoelen in groepen, waarbij 
de verliezers steeds afvallen, de winnaars doorspelen, 
totdat er slechts één rest. 

Bckcrzwammen zijn verschillende soorten 
van het geslacht Peziza, behoorend tot de zakzwam- 
men en de familie der Pezizaceeën. Ze hebben den 
vorm van min of meer aan den rand omgebogen 
of ingesneden kommetjes, die meestal in groepjes 
zonder steel uit den grond of boomschors komen. 
De sporen bevinden zich in de sporenzakjes, die in 
het kraakbeenachtige w r eefsel liggen en in het komme- 
tje uitmonden. Voorkomende soorten zijn: Peziza 

aurantia, de oranjekleurige b., die 6 — 8 cm 
groot wordt; groeit vooral in beukenbosschen, Peziza 
scutellata , de schotelvormige bekerzwam, 
grootte 1 cm, Peziza Nigrella, de zwarte b., 
Peziza acetabulum, de zwartbruine beker- 
zwam, van buiten bleek en met gegaffelde ribben, 
groeien in voor- en najaar in loofbosschen van Europa 
en Noord -Amerika, eetbaar. Bouman . 

Bekescsaba, provinciestad in Hongarije, ca. 
50 000 inw. Een Slowaaksch centrum op de Alföld, 
waar naast 30 000 Hong. ca. 20 000 Slo waken wonen. 
23% Kath., 7% Herv., 62% Luth. Landbouw. 


Bekisting van beton, de uit planken bestaande 
vorm, waarin het > beton gestampt of gegoten wordt. 
Ten aanzien van het wegnemen der b. (o n t k i s - 
t i n g) zijn in de Gewapend Beton Voorschriften 
(G.B.V. 1930) aanwijzingen gegeven, waaruit blijkt, 
dat zij in geen geval mag verwijderd worden alvorens 
er vier weken sedert de voltooiing van het betrokken 
construct iedeel en één week sedert die van de eventueel 
onmiddellijk daarop rustende constructiedeelen zijn 
vcrloopcn. Bij gebruik van zgn. snclverhardend cement 
kunnen deze termijnen verkort worden. In geval van 
vorst moeten de termijnen langer genomen worden. 
Bij het ontkisten van vloeren met kolommen moet 
eerst de b. van de kolommen worden verwijderd, 
zoodat deze aan alle zijden goed zichtbaar zijn. 

P. Bongaeris. 

Bekken, 1° (d i e r k u n d e), of bekkengordel 
(pelvis) komt bij bijna alle gewervelde dieren voor en 
dient bij visschen om de buikv innen, bij de tetrapoden 
(viervoetigen) om de achterste ledematen te dragen. 
Bij vormen, waar door aanpassing aan een bijzondere 
levenswijze de achterste ledematen verloren zijn 
gegaan, is ook het b. verdwenen of zeer sterk geredu- 
ceerd. 

Bij visschen, w r aar de vooruitstuwende kracht 
bij het zwemmen vooral van den staart uitgaat en de 
buikvinnen hieraan slechts een gering of geen aandeel 
hebben, vinden wij een geringe ontwikkeling van het b. 
Het bestaat bij de haaiachtigen uit een ventrale dwars- 
liggende kraakbeenplaat, die bij beenvisschen is 
verbeend. Deze plaat is ontstaan uit twee bekken - 
helften, die ter weerszijde van het lichaam worden aan- 
gelegd en in de buiklinie versmelten. Daar het b. 
bij de visschen in tegenstelling met de overige verte- 
braten geen verbinding zoekt met de wervelkolom 
en slechts los in de spiermassa ligt, vinden wij het 
dikwijls zeer ver naar voren geschoven, zoodat het soms 
onder, soms zelfs voor den schoudergordel komt te 
liggen. Bij de tetrapode dieren en daaronder vooral de 
land vormen heeft het b. een veel grootere beteekenis. 
Hier zijn het de ledematen, die het lichaam moeten 
dragen en voortbewegen en het zijn vooral de achterste 
ledematen, die zoowel bij de loopende als springende 
beweging de vooruitstuwende kracht moeten leveren. 
Overeenkomstig hiermede is het b. krachtig ontwik- 
keld en bestaat uit twee helften, die van weerszijde 
van het lichaam uitgaan en ventraal in het midden 
samenkomen. Elke bekkenhelft bestaat uit drie been- 
stukken, die zelfstandig vanuit een eigen verbeen ings- 
centrum w r orden aangelegd. Deze drie beenstukken 
zijn: het ilium (os ilei) of darmbeen, het ischium (os 
ischii) of zitbeen, het pubicum (os pubis) of schaam - 
been. Daar, waar deze drie beenstukken elkander 
raken, w r ordt de gewrichtskom (acetabulum) gevormd, 
waarin de kop van het dijbeen wordt opgenomen. 

Onder de amphibieën bezitten de slang- 
vormige blindwoelers geen ledematen en daarmede 
overeenkomstig ook geen b. Bij de salamanders, die 
veelal aan een waterleven zijn aangepast, is het b. 
nog vrij zwak en bestaat uit een ventrale dwarsliggende 
kraakbeenplaat, waarin door verbeening van <len 
achterrand de beide ischia zijn ontstaan. Verbeende 
pubica zijn niet voorhanden. Opzij van de kraakbeen- 
plaat richten zich de staafvormige ilia dorsaalwaarts 
en maken een losse bandverb inding met de ribben 
(sacraalribben) van een der laatste rompwervels. 
Veel krachtiger is het b. der kikvorschachtigen 
ontwikkeld, in verband met hun (springende) beweging 



349 


Bekkenbeenderen — Bekker 


350 


op het land. Vooral de ilia zijn zeer lang en ver naar 
achteren gericht. Vooraan zitten zij vast aan de krach- 
tig ontwikkelde dwarsuitsteeksels van den laatsten 
rompwervel en richten zich vanhier, als twee slanke 
skeletstukken, parallel met de tot één beenen staaf 
(urostyl) vergroeide staartwervels, achterwaarts en 
dragen daar als sluitstuk vooreerst het nog kraak- 
beenige pars pubica en vervolgens de beide verbeende 
en met elkander vergroeide ischia. Bij reptielen, 
uitgezonderd slangen en eenige pootlooze hagedissen, 
bezit elke bekkenhelft de drie typische beenstukken. 
Van de laterale zijde richten zich de pubica en 
ischia ventraal en naar het midden, waar hun 
eindstukken in de mediaanlijn elkander raken en 
door een kraakbeen ige strook (symphyse) met elkan- 
der worden verbonden. Doordat de pubica zich schuin 
naar voren, de ischia zich schuin naar achteren rich- 
ten, ontstaat er tusschen beide één opening (foramen 
pubo-ischiadicum) of twee, wanneer door verbreeding 
der eindstukken naar elkaar toe in de mediaanlijn 
een overbrugging wordt gevormd; de opening wordt 
meestal door een membraan gesloten. Van de laterale 
zijde richten zich de ilia eenigszins in schuine richting 
dorsaalwaarts en verbinden zich met de ribben (sacraal- 
ribben) of dwarsuitsteeksels van één, meestal twee 
wervels (sacraal- of bekkenwervels). 

Bij vogels vertoont het b., in verband met hun 
bipeden gang, enkele afwijkingen. Vooral de ilia vallen 
sterk op door hunne zeer groote uitbreiding, zoowel 
naar voren als naar achteren. Het zijn twee breede en 
lange beenplaten, die ter weerszijde van de wervel- 
kolom liggen en met een groot aantal wervels (tot 22) 
in vaste verbinding treden. De beide ilia leggen zich 
met de randen tegen elkaar, zoodat zij als een dak op 
de wervelkolom rusten. Door den gang op de twee 
achterpooten en de eigenaardige houding van het 
lichaam, dat schuin naar voren neigt, komt het zwaar- 
tepunt van het lichaam voor het steunpunt te liggen 
en levert, voor den vogel het gevaar naar voren om te 
slaan. Dit wordt nu ondervangen door de groote 
uitbreiding en verbinding van de ilia met de wervel- 
kolom, waardoor het draaipunt naar voren wordt 
verlegd. Zoowel pubica als ischia zijn bij de vogels 
veel zwakker ontwikkeld. Deze beide beenderen 
richten zich hier niet naar de ventrale mediaanlijn, 
maar buigen zich, aan elkander parallel, sterk achter- 
waarts. De beide bekkenhelften vormen derhalve 
ventraal geen verbinding; men noemt dit b. open. 
Dit staat in verband met de grootte der eieren, die 
een gesloten b., zooals bij de reptielen, niet zouden 
kunnen passeeren. Het is opmerkelijk, dat struisen, 
waarvan de eieren relatief klein zijn, een gesloten b. 
bezitten. 

Bij zoogdieren toont het b. veel overeen- 
komst met dat der reptielen. De beide pubica komen 
ventraal in de mediaanlijn samen en bezitten een kraak- 
beenige symphyse; daarentegen blijven de ischia van 
elkander gescheiden. De ilia vormen tamelijk lange 
beenplaten en verbinden zich met drie tot vijf sacraal- 
wervels van de wervelkolom. Daar deze wervels 
met elkander vergroeien, vat men ze meestal samen 
onder den naam van „os sacrum” (heiligbeen). 

Willems. 

Het menschel ij k bekken bestaat uit drie 
deelen: het heiligbeen en de beide heupbeenderen. 
Deze drie deelen zijn onderling door gewrichten met 
elkaar verbonden, waarin zeer weinig beweeglijkheid 
bestaat. Het bekken rust op de onderste ledematen 


en het draagt de wervelkolom; in het bekken zijn bij 
den mensch de inwendige geslachtsorganen gelegen, 



Vrouwelijk bekken. 


die door het bekken tegen beschadiging van buiten 
grootendeels beschut worden. > Bekkenwervels. 

A. v. Rooy. 

2° In de oceanographie. Bekkens of 
zeebekkens noemt men de verdiepingen van de diepzee 
van eenige (soms groote) uitgestrektheid, waarvan de 
diepere waterlagen niet of slechts in geringe mate in 
horizontale gemeenschap staan met die van het andere 
gedeelte der zee (bijv. Banda-zee en Flores-zee). 

Wissmann. 

Het Roode Bekken, naam door Von Richthofen 
gegeven aan een inzinking, omgeven door hooge 
bergen, in de Chineesche provincie Sz-tsjwan (30° N., 
107° O.). De rivier de Jang-tse-kiang doorbreekt 
de Secundaire en Tertiaire mergel en klei; vruchtbaar 
gebied, geschikt voor rijst, mits er gezorgd wordt 
voor bevloeiing. De regen valt vooral in den zomer, 
daarom is het klimaat drukkend (ca. 26°C). Opp. van 
het geheele gebied is achtmaal Nederland, maar de 
eigenlijke vlakte bij Tsjeng-toe is veel kleiner. 

L i t. : J. Sion, Asie des Moussons (Parijs 1928, 109) ; 
E. C. Abendanon, Overzicht der geogr. enz. van het 
Roode Bekken, in Tijdschr. Kon. Aardr. Gen. (1908). 

Heere . 

Bekkenbeenderen, > Bekken. 

Bekkenbreuk, opheffing van den normalen 
samenhang der beenige deelen van het bekken, in 
den regel door zwaar trauma, niet zelden gecompli- 
ceerd door verwonding van naburige organen als 
blaas, darm, urethra. Behandeling bestaat in lang- 
durige absolute rust en verzorging der complicaties. 

Krekel . 

Bckkenflordel, > Bekken. 

Bekkenwervels of heiligbeen wervels worden de 
wervels genoemd, waardoor het bekken met de wervel- 
kolom is verbonden. Meestal kenmerken zij zich door 
een zeer krachtigen bouw en groote dwarsuitsteeksels, 
die een vaste verbinding vormen met de ilia van den 
bekkengordel. Het aantal is gewoonlijk bij de amphi- 
bieën één, bij de reptielen twee, bij de vogels 9—22, 
bij de zoogdieren 3 — 5. Bij vogels en zoogdieren zijn zij 
met elkander vergroeid en vormen daardoor het zgn. 
heiligbeen of os sacrum. > Bekken (1°). Willems. 

Bekker, 1° G. J. B., Duitsch geleerde, * 1792 
in Baden, die te Leuven onder het Hollandsch be- 
wind, van 1817 tot 1834, daarna te Luik van 1834 
tot aan zijn dood in 1837 den leerstoel in klassieke talen 
en literatuur bekleedde. B. liet weinig werken na 


351 


Bekkerzeel — Bekoe-negers . 


352 


(o.m. een studie over het Leven van Apollonius door 
Philostratus, een uitgave der Odysseia en van Isocra- 
tes’ ad Demonicum), maar vormde een nieuwe gene- 
ratie van klassieke philologen, w.o. Baguet en Roulez. 

2° I m m a n u e 1, klassiek philoloog; * 1785 te 
Berlijn, f 1871 aldaar. Hoogleeraar bij de in 1810 ge- 
stichte Berlijner Academie. Vermaard om zijn zwijg- 
zaamheid en vooral zijn reusachtige bedrijvigheid op 
tekstcritisch gebied: hij onderzocht meer dan 400 
Grieksche handschriften cn gaf ca. 60 deelen teksten 
uit, w.o. Plato in 8 dln., 25 dln. van het Corpus 
Historicorum Byzantinorum, 3 dln. Anecdota Graeca, 
de editio princeps van Apollonius Dyscolus (De Pro- 
nomine), de groote Ar istoteles -uitgave (4 dln. 1831 — 
1836), zijn standaardwerk. V. Pottelbergh. 

3° Paul, muziekcriticus en theaterintendant, 
* 11 Sept. 1882 te Berlijn; publiceerde een reeks op- 
zienbare boeken op muziekhistorisch gebied, waaraan 
een persoonlijke aesthetiek ten grondslag ligt, die naar 
veler meening sterk op „Einfühlung” gebaseerd is. 

Werken: Beethoven (1911) ; Das deutsche Musik- 
leben (1916) ; Die Sinfonien Gustav Mahlcrs (1921, zeer 
belangrijk) ; Richard Wagner, Das Leben im Werke 
(1924); Musikgeschichte als Geschichte der musika- 
lischen Formwandlungen (1926). Kleinere studies: Die 
Sinfonie von Beethoven bis Mahler (1918, belangrijk, 
hoewel aanvechtbaar); Franz Schreker (1919), en vele 
andere. B. geldt als een der invloedrijkste voorvechters 
der nieuwe muziek. Reeser. 

Bekkerzeel, gem. in Z. Brabant, ten N.O. van 
Brussel; ong. 400 inw.; opp. 155 ha; landbouw. 

Bekke voort, gem. in Belg. Brabant, ten Z. van 
Diest; 2 500 inw. (Kath.); opp. 1 982 ha; landbouw 
en veeteelt. 

Bekkum, gehucht in de prov. Overijsel, behooren- 
de tot de gem. Hengeloo. 

Beklaagde. De term voor > verdachte in het 
vroeger Ned. Wetboek van Strafvordering vóór 1926. 
In België wordt een onderscheid gemaakt tusschen den 
„verdachte” en den „beklaagde” of „beschuldigde” 
naar gelang het vooronderzoek al dan niet is afge- 
sloten: de beklaagde is hij, die naar de politierecht- 
bank of de correct ionneele rechtbank, de beschuldigde 
hij, die naar het Hof van Assisen wordt verwezen. 

Beklag. In België is het recht van beklag 
nauwkeurig omschreven in art. 101 vlg. van het 
Tuchtreglement. Elk militair, die meent verongelijkt 
te zijn door een hem opgelegde tuchtstraf, kan in 
beroep gaan bij de hiërarchische meerderen van den 
overste, die den disciplinairen maatregel trof. Deze 
meerderen kunnen de tuchtstraf opheffen, wijzigen of 
bekrachtigen. Het nemen van de eindbeslissing be- 
hoort evenwel in geen geval tot de bevoegdheid van 
een rechtscollege. De straffen of tuchtmaatregelen 
worden geschorst vanaf het oogenblik, dat het beklag 
is ingediend. Wordt het ongegrond bevonden, dan 
geeft dit aanleiding tot strenge bestraffing. 

V. Coppenolle. 

Inde militaire rechtspraak is beklag 
een recht, toekomend aan den militair, aan wien door 
den meerdere een krijgstuchte lijke straf is opgelegd. 
Men vindt het geregeld in de art. 61 — 68 van de Wet 
op de Krijgstucht , welke regeling tegenover de zeer 
vérgaande bevoegdheid, waarover de militaire auto- 
riteit met betrekking tot het opleggen van discipli- 
naire straffen beschikt, wel noodzakelijk was. Beklag 
(of reclame) geschiedt bij den tot straffen bevoegden 
meerdere, onder wiens rechtstreeksch bevel de straf - 
oplegger gesteld is; wordt het geheel of gedeeltelijk 


ongegrond bevonden, dan is de gestrafte bevoegd, de 
eindbeslissing van het Hoog Militair Gerechtshof in te 
roepen. Het beklag schorst de uitvoering of de verdere 
uitvoering der straf niet, behoudens uitzonderingen. 
Den strafoplegger is geen recht van beroep toegekend; 
wanneer hij zich bezwaard acht, wijst art. 71 der Wet 
op de Krijgstucht hem den weg zich te rechtvaardigen. 

E. Lamers. 

Bekieeden, het bedekken of beschermen van 
grond, bouwwerk, enz., zoowel ter beschutting en 
tegen verzakking als voor andere doeleinden, o.a. ter 
versiering. Voor bekleeding kunnen verschillende 
materialen dienst doen, als: ijzer, steen, hout, rijs- 
hout, klei (> Bekleien). 

Bekleedingsmuur, in het algemeen een muur, 
welke dient tot keering van grond. Men onderscheidt 
de b. in: steunmuren, als bescherming tegen afschui- 
ving, kaai-, kolk- en walmuren, de eerste bij aanleg- 
plaatsen van schepen, de tweede bij sluizen, de laatste 
langs grachten enz. 

De b. worden zoodanig gefundeerd, eventueel ver- 
ankerd en van zoodanige zwaarte gemaakt, dat zij 
onder den invloed van den gronddruk niet kunnen 
kantelen of naar voren schuiven, noch scheuren of 
breken. Ter verhooging van de stabiliteit kunnen de 
b. aan de achterzijde worden voorzien van beeren 
(contreforten) en voorts wordt ook wel de fundeering 
naar achteren verlengd, waardoor ten deele de grond- 
druk door dat gedeelte der fundeering wordt opge- 
vangen en bovendien de daarop rustende grondlast 
de stabiliteit vergroot. B. worden veelal onderheid 
of op een zandstorting gefundeerd. > Beschoeiing. 

P. Bongaerts. 

Bekleien, het opbrengen van een laag klei of 
ander materiaal (terpaardc, wierdegras, zeeslib) ter 
verbetering van den bodem en ter bevordering van den 
plantengroei. 

Beklemde breuk » Breuk. 

Beklemrecht (Ned. Recht), geheel van 
regels betreffende het recht van beklemming. Dit 
laatste is een zakelijk gebruiksrecht, toekomend aan 
een bepaald persoon (meier) ten aanzien van eens 
anders grond tegen betaling van een jaarlijksche ver- 
goeding (huur). Het recht van beklemming brengt 
tevens mee, dat de meier de bevoegdheid heeft op den 
grond van den bloot-eigenaar een gebouw of beplan- 
tingen te hebben. De grond van den bloot-eigenaar 
staat „beklemd” onder het gebouw, enz. van den 
meier. Verg. art. 1654 Ned. B.W. 

L i t. : A. S. de Blécourt, Beklemrecht en Stadsmeier- 
recht^ idem, Kort Begrip (4c dr., 224 vlg.) ; H. O. Feitk, 
Het Groninger Beklemrecht (1828 — 1837) ; C. H. Gockin- 
ga, Vererving van het recht van beklemming (in : Nw. 
Bijdr. Rechtsg. en Wetgev., 1877, 249-286) ; R. P. 
Cleveringa (in T. v. Rg., X, 321 vlg.) ; E. Heringa (in 
W.P.N.R., 3264-3266). üermesdorf. 

Beklimming (Belgisch Recht), ook 
inklimming genoemd, is een verzwarende omstandig- 
heid van diefstal. Onder b. verstaat de Belgische wet 
elk binnenkomen in huizen, gebouwen, binnenplaat- 
sen, neerhoven, bouwwerken van welken aard ook, 
tuinen, perken, besloten erven, over muren, deuren, 
daken of over elke andere soort afsluiting; het binnen- 
komen langs een andere ondergrondsche opening dan 
die, welke gemaakt is om tot ingang te dienen (art. 468 
van het Strafwetboek). Collin. 

Bekoe-negers — Moes ing a-negers = 


353 


Bekoring 


354 


M a t o e a r i-negers. > Boschnegers (aan de Sa - 
ramacca-rivier). 

Bokoring. Zoo noemt de theologische taal een 
aanlokking tot zonde. Ze kan louter u i t e r 1 ij k 
zijn, zooals de bekoring van Christus in de woestijn, 
nl. zonder eenige inwendige neiging tot kwaad: een 
innerlij ke bekoring bestaat juist in dergelijke 
neiging. Uitwendige omstandigheden, eigen onvoor- 
zichtigheid, andere menschen, soms ook de duivel 
in werkende op verbeelding en gemoed en niet zelden 
het kwaad voorstellende onder schijn van goed (sub 
specie boni; zie Ignatius’ Geestelijke Oefeningen, de 
discretione spirituum), geven aanleiding tot innerlijke 
bekoring; maar de gewone oorzaak daarvan is *s men- 
schen natuur, sedert de erfzonde onevenwichtig tot 
het genot geneigd door de drievoudige ->• begeerlijk- 
heid (Jac. 1.13—16). 

Bekoring is nog geen zonde, daar deze slechts for- 
meel ontstaat uit de vrije toestemming van den wil. 
Men kan heelemaal vrij van schuld blijven, al is de 
neiging tot het kwaad zeer levendig, al komt ze her- 
haaldelijk terug, al blijft ze langen tijd aanhouden. 
Doch indien men nalatig is in liet verdrijven eener 
gevaarlijke gedachte of begeerte, kan van een halve 
toestemming en bijgevolg van eene dagelijksche zonde 
sprake zijn. Doodelijke schuld ontstaat inwendig als, 
bij voldoende inzicht van de zwaarwichtigheid der 
stof, de bekoorde gansch vrijwillig genoegen schept 
in zondige gedachten of begeerten, tegen het geloof, 
de liefde, de kuischheid enz. 

God bedoelt en veroorzaakt de bekoringen niet: 
dat ware on vereen igbaar met zijne oneindige heilig- 
heid. Hij geeft aan wie bidt (Mt. 6.13) en voorzichtig 
is, voldoende genaden om ze te boven te komen. Maar 
dikwijls verhindert Hij ze niet, en wel omdat ze kun- 
nen dienen tot geestelijk voordeel, zelfkennis, nederig- 
heid enz.; ook baart de overwinning verdienste en ver- 
sterkt de deugd. Talrijke en hevige bekoringen zijn 
op zichzelf geen slecht teeken voor de heiligheid der 
ziel. Men hoeft er zich niet over te bedroeven noch 
te verontrusten, als men maar, kalm en vastberaden, 
en met vertrouwen op de genade Gods, in den geeste- 
lijken strijd een goede methode volgt: edelmoedig de 
gevaarlijke gelegenheden vermijden, den biechtvader 
raadplegen, bidden, vooral door een schietgebed op 
het oogenblik der bekoring, dadelijk de slechte neiging 
verdrijven. Stellig en geweldig daartegen ingaan is 
niet altijd noodig, noch zelfs aanbevelenswaard ig. 

Salsmans. 

De Bekoring van Christus w T ordt verhaald door 
de Synoptici (Mt. 4.1-11; Mc. 1.12-14; Lc. 4.1-13), 
van wie Mt. waarschijnlijk de chronologische volgorde 
heeft. Eerst zocht Satan Christus te verleiden steenen 
in brood te veranderen en den honger te stillen, dus 
zijn wondermacht aan te wenden om te voorzien in 
eigen behoeften; vervolgens voerde hij Christus naar 
de tinne des tempels, trachtte Hem te bewegen er af 
te springen: als Hij Gods Zoon w r as zouden immers 
volgens de H. Schrift (vgl. Ps. 90, vs. 11 en 12) de 
engelen zorgen, dat zijn voet tegen geen steen zou 
stooten. Hij trachtte dus Christus te bewegen tot een 
ijdel pronken met zijn Messiaansche macht, buiten 
beschikking van den Hemelschen Vader om. Ten 
slotte toonde Satan aan Christus alle rijken der wereld 
met hun glorie en zeide: Dit alles zal ik U geven als 
Ge nedervalt en mij aanbidt. 

De duivel kwam in zichtbare gedaante tot Christus; 
had geen volkomen kennis van de goddelijke natuur 


van Christus, want dan had hij de bekoring niet kun- 
nen ondernemen; bedoelde te doorgronden of Christus 
werkelijk Gods Zoon was. 

De mogelijkheid der bekoring lag in Christus* 
menschelijke natuur. De bekoring kwam echter niet 
uit het innerlijke van Christus voort; kon er niet uit 
voortkomen. Satan kon alleen, onder toelating van 
Christus, een louter uiterlijken invloed, de influistering 
(suggestio), uitoefenen zonder dat deze influistering 
eenigen invloed op het innerlijke van Christus had 
of kon hebben. 

Ofschoon Christus nooit zondigde, niet kon zondigen, 
had Hij toch de volledige vrijheid van den mensche- 
lijken wil — zonde of mogelijkheid te zondigen be- 
hoort immers niet tot het wezen der geschapen vrij- 
heid — en dus de volledige verdienste van het weer- 
staan aan de bekoring. 

Het historisch karakter der bekoring valt niet te 
ontkennen; ze wmrdt weergegeven als plaats vindend 
in tijd en ruimte, als een uiterlijk gebeuren. Volgens 
Mc. 1.13 (Lc.4.2) werd Christus bekoord gedurende 
de 40 dagen, welke Hij in de woestijn doorbracht, 
zoodat de drie bekoringen, bij Mt. en Lc. verhaald, 
de drie laatste aanvallen zijn. Daarna verliet de duivel 
Christus „usque ad tempus” (Lc.4.13), waarmee Lc. 
waarschijnlijk zinspeelt op den tijd van Christus’ 
lijden (Lc. 22.53). 



Bekoring van Christus. Houtsnede van 
Christoph van Sichem 

De eerste bekoring van Christus. A. Doop van Christus. 
B. Christus gaat naar de woestijn. C. De berg, waar hij 
heeft gebeden en gevast. D. Jesus zit na het vasten aan 
den voet van den berg. E. De dieren zijn Zijn gezelschap. 

F. De vorst der duivelen nadert om Hem te bekoren. 

G. De hemel aanschouwt den strijd van den duivel 
tegen Jesus. 


iv. ia 


355 


Bekrachtiging 


356 


In de oud-Christelijke kunst wordt de bekoring 
van Christus niet voorgesteld. Volgens Ermoldus 
Nigellus moet er een voorstelling in het paleis van 
Lodewijk den Vromen te Ingelheim bestaan hebben. 
In het algemeen kunnen we twee vormen onderschei- 
den: 1° de drie bekoringen te zamen, of elk afzonderlijk 
in verband voorgesteld: zoo het handschrift van keizer 
Otto in den Dom van Aken (School v. Reichenau, 10e 
eeuw), de mozaïeken van Monreale en de S.Marcote 
Venetië, het Albana-psalterium met drie aparte voor- 
stellingen: de duivel verschijnt voor Christus met 
steenen in zijn hand, hij wil Christus van het dak van 
een huis naar beneden stooten, hij staat met Hem 
op een berg, tusschen hen in liggen kronen en munten; 
het Speculum Humanae Salvationis met voorafbeel- 
dingen: Daniël velt den draak, David overwint Goliath 
en doodt beer en leeuw; Botticelli (Sixtijnsche Kapel 
te Rome), waar de duivel monnikspij draagt en staf 
en rozenkrans in de handen houdt (Nederl. Primi- 
tieven: Joos van Calcar, Corn. v. Oostzanen); 2° één 
bekoring (niet zelden vermenging der drie: Breslau, 
Graduale): fresco in S. Angelo in Formis; beeldhouw- 
werk in Beaulieu, Saint-Nectaire, Notre-Dame du 
Port (Auvergne), Fransche kathedralen; fresco in 
Brinay (Cher): Christus tusschen twee duivels; Fra 
Angelico (Florence, S. Marco), Perugino (Vaticaan), 
Ghiberti(deurv. Baptisterium, Florence): Christus wijst 
duivel af, Engelen komen om Hem te dienen. Knipping. 



De tweede en derde bekoring van Christus. A. De 
duivel draagt Jesus door de lucht naar den tempel. B. De 
tempel van Jerusalem. C. en D. De duivel en Jesus op de 
tinne van den tempel. E. De duivel voert Jesus op een 
hoogen berg. F., G. en H. De derde bekoring : De duivel 
belooft Jesus alle schatten der aarde als Hij nedervalt 
en hem aanbidt. I. De duivelen vluchten voor Jesus’ 
Aanschijn. K. Lofzingende engelen. 



De engelen naderen om Christus te dienen. A. De 
Engelen brengen Christus spijzen uit den hemel. B. De 
berg Nebo. C. De engelen dienen Jesus. 

Bekrachtiging (techniek), excitatie 
of opwekking is de magnetisatie van een 
elcctromagneet door middel van een electrischen 
stroom (bekrachtigings-, excitatie-, magneet-, magne- 
tiseerende stroom). In het bijzonder de magnetisatie 
eener electrische machine (veldbekrachtiging, veld- 
stroom, magneetstroom). 

Wordt de magneetstroom door de machine zelf 
geleverd, dan heet deze: machine met zelf bekrachti- 
ging; is dit niet het geval, dan wordt zij afzonder- 
lijk, onafhankelijk bekrachtigde machine genoemd. 
De machine of de accumulatorenbatterij, die dan 
den veldstroom levert, heet bekrachtigingsdynamo, 
-generator, excitatie-dynamo, opwekdynamo, veld- 
dynamo, of bekrachtigingsbatterij, veldbatterij . 

v. d. WelL 

Bekrachtiging (N e d. R e c h t), de wils- 
verklaring, uitdrukkelijk of stilzwijgend, waarbij 
men goedkeurt de handeling, welke een ander zonder 
volmacht in zijn naam heeft verricht (vgl. art. 1421, 
1693, 1844 B.W.; Fr.: ratification, Duitsch: Genehmi- 
gung), of afziet van de inroeping van de nietigheid 
eener handeling (Fr.: confirmation, Duitsch: Besta ti- 
gung; > Bevestiging). Degene, voor wien een onbe- 
voegde heeft gehandeld, ontleent aan die handeling 
eerst rechten en verplichtingen ingevolge de b.; 
ondanks het stilzwijgen der wet wordt, naar Rome in - 
sche traditie, aangenomen, dat de b. terugwerkt 
(ratihabitio man dato aequiparatur), met dien verstan- 
de, sedert de middeleeuwen, dat rechten door derden 
te goeder trouw verkregen, zooals het eigendom 


357 


Bekrachtiging der Wet — Bel 


358 


tusschentijds door den eigenaar zelf overgedragen, 
moeten worden geëerbiedigd. Eventueele vormvoor- 
schriften gelden evenzeer voor de b. als voor de vol- 
macht. Petit 

De bekrachtiging in het Belg. Recht. De uit- 
drukkelijke of stilzwijgende bekrachtiging (confir- 
mation) van een vernietigbare handeling maakt die 
handeling onaantastbaar, zoodat deze, van haar ont- 
staan af, al haar gevolgen zal hebben. Voorbehouden 
zijn nochtans de rechten van derden (art. 1338 B.W.). 
Een handeling, die, zonder volmacht, voor iemand 
werd verricht, verbindt dengene, wiens zaak werd 
waargenomen, ingeval hij ze bekrachtigt (ratification), 
doch ook, zonder bekrachtiging, ingeval hij daaruit 
voordeel heeft gehaald, in de mate van dat voordeel 
(art. 1375 en 1998 B.W.). F. Dievoet 

Bekrachtiging der Wet, > Wet. 

Bekrammen, het aanbrengen van > kram- 
matten op een dijksbeloop. > Dijken. 

Bekrassing van gesteente vindt voornamelijk 
plaats, indien een gletsjer over zijn rotsbedding 
voortschuift. In het gletsjerijs zijn nl. altijd steenen 
ingevroren, die bijv. langs steenslagbanen in de rand- 
kloof zijn terechtgekomen en dan door den gletsjer 
vervoerd worden. Deze steenen nu veroorzaken krassen 
in de rotsbedding en kunnen den natuurvorscher later 
belangrijke aanduidingen geven over de bewegings- 
richting van het ijs. Is het reliëf van de bedding geac- 
cidenteerd, en bestaat zij uit harde gesteenten, dan 
kunnen de steenen in den gletsjer zelf ook bekrast 
worden. Bijna elke grondmoreene bevat gekraste 
steenen; zoo bijv. ook de keileem in Nederland. 

Hofsteenge. 

Bektasjji, derwisj-orde, genoemd naar de Mo- 
hammedaansche heilige Bektasj, doch niet door hem 
gesticht. Zij is met zekerheid vanaf de 16e eeuw bekend 
en vooral in Klein-Azië verbreid. Het is de meest 
heterodoxe der derwisj -orden en hoewel ze zich als 
Soennieten beschouwen, zijn het extreme Sjiieten. 
Vele Christelijke, gnostische en heidensche elementen 
zijn in hun leer aan te wijzen; de eerste, waartoe be- 
hooren een soort drievuldigheid (Allah, Mohammed en 
Ali), avondmaal met wijn en brood, biecht en celibaat, 
doen vermoeden, dat het oorspronkelijk min of meer 
geïslamiseerde Christenen zijn. Als veldpredikers der 
Janitsjaren hadden zij politieke beteekenis. 

L i t. : G. Jacob, Die Bektaschijjo in ihrem Verhaltni 9 
zu verwandten Erscheinungen, in Abhandl. d. K. Bayer. 
Akad. d. Wissens (1909). Zoetmulder . 

Bekwaamheid (psychotechnisch) is 
een dispositie voor physische en psycho-physische 
functies, vnl. op zintuiglijk gebied. B. wordt ook 
gebruikt voor verworven vaardigheid betreffende 
physische en psycho-physische functies. 

Bekwaamheid (N e d. Recht). Ieder is bevoegd 
tot het genot van burgerlijke rechten (art. 2 B.W.) 
en in het algemeen ook tot de zelfstandige uitoefening 
dier rechten bekwaam; van deze bekwaamheid zijn 
echter bepaalde groepen van personen: minderjarigen, 
onder curateele gestelden en in een krankzinnigen- 
gesticht verpleegden, gehuwde vrouwen bij de wet 
uitgesloten (art. 163 vlg., 500 vlg., 1092, 1366, 1482 
vlg., 1721, 1835), althans voor zooveel betreft die 
handelingen, welker rechtsgevolgen hun ontstaan 
danken aan het feit, dat de handelingen op dat ont- 
staan waren gericht; tegen die rechtsgevolgen van een 
toestemming, w T elke niet als volwaardig wordt aan- 
gemerkt, kunnen deze „personea miserabiles” door 


een rechtsvordering worden hersteld. De onbekwaam- 
heid bestaat dus alleen voor rechtshandelingen, doch 
niet eens voor alle: de gehuwde vrouw is slechts onbe- 
kwaam tot die, welke naar hun aard vermogens- 
rechtelijke gevolgen hebben en waarbij haar eigen 
vermogen is betrokken, voorts tot processueele hande- 
lingen; met name kan ook de minderjarige van 18 
resp. 19 jaar testamenten maken en kinderen erken- 
nen. In het gebrek aan bekwaamheid wordt voorzien 
door de wettelijke vertegenwoordiging, althans voor- 
zoover deze reikt (niet ten aanzien van testamenten 
van krankzinnigen, onder curateele gestelden of ge- 
stichtsverpleegden); de gehuwde vrouw kan ook zelf 
handelen, met bijstand of machtiging; iets dergelijks 
kan gelden bij handlichting (art. 479 B.W.). De 
krankzinnige als zoodanig, de beschonkene e. d. zijn 
slechts onbekwaam in feitelijken zin; hun ontbreekt 
het vermogen tot toestemming (vgl. art. 942 B.W.). 

Petit. 

Bekwaamheid (Belgisch Recht). De 
rechtswetenschap onderscheidt rechtsbevoegdheid en 
rechtsbekwaamheid. De rechtsbevoegdheid wijst op 
de mogelijkheid om rechten te bezitten, en behoort 
toe aan iedereen, behalve enkele uitzonderingen, speci- 
aal op het gebied van het publiek recht (stemrecht, 
verkiesbaarheid, enz.). De rechtsbekwaamheid bedoelt 
de mogelijkheid om zijn rechten zelfstandig uit te 
oefenen. Ook de bekwaamheid geldt als regel: de on- 
bekwaamheid onderstelt een door de wet bepaalde 
uitzondering (art. 1123 B.W.). 

Onbekwaam zijn, krachtens het B.W.: de minder- 
jarigen, d.i. de personen, die den leeftijd van 21 jaar 
niet hebben bereikt, de uit de uitoefening van hun 
rechten ontzette personen, de gehuwde vrouwen en 
sommige andere personen. De minderjarige, zoolang 
hij niet ontvoogd is, wordt vertegenwoordigd door zijn 
vader of zijn voogd; de ontvoogde minderjarige treedt 
zelf handelend op, moet echter meestal zijn bijgestaan 
door zijn curator. Ontzetting is ófwel wettelijk ófwel 
gerechtelijk: de gerechtelijke ontzetting kan worden 
uitgesproken tegen krankzinnigen, en heeft tot gevolg, 
dat de uit zijn rechten ontzette persoon door een 
voogd wordt vertegenwoordigd, zooals de minder- 
jarige; de wette lijke ontzetting is een bijkomende 
straf, die wordt opgelegd wegens misdaad (art. 21 — 24 
S.W.B.). De gehuwde vrouw is, over het algemeen, 
onbekwaam om rechtshandelingen te verrichten, be- 
houdens machtiging door haar man of door den rechter. 

Wegens geesteszwakheid of verkwisting kan iemand 
een gerechtelijke raad worden toegevoegd, wiens 
bijstand vereischt is voor alle daden van eenig belang. 

Eindelijk is de gefailleerde ontheven van het beheer 
van zijn goederen, en dus onbekwaam in de mate, 
waarin zijn optreden zijn schuldeischers zou kunnen 
benadeelen. > Onbekwamen. 

L i t. : A. Kluyskens, De verbintenissen (1925, 
40-44) ; H. De Page, Droit civil (I 1933, nrs. 75-82 en 
726-7521. V. Dievoet. 

Bel is de eenheid, waarin de luidheidsindruk, 
dien men van een klank verkrijgt, wordt uitgedrukt. 
Luidheid = O, als de intensiteit van het geluid zoo- 
danig is, dat men het juist kan hooren. De luidheid 
neemt vervolgens telkens met 1 bel toe, als de geluids- 
intensiteit telkens 10-maal zoo groot wordt. De naam 
dezer eenheid is ontleend aan Grahara Bell, den 
uitvinder van de telephoon. Jonkergouiv. 

Bel, electrische, > Schelinstallatie, elec- 
trische. 


359 


Bel — Belangengemeenschappen 


360 


Bel, Babylonisch -Assyrische godheid (Beloe). 
Bij de Soemeriërs was hij (Soemer.: > ENLIL = 
heer der lucht) in oudste tijden de stadsgod van 
Nippoer. Later werd hij de tweede in de goden- 
triade: Anoe, Enlil, Ea. Tijdens de le dynastie van 
Baby Ion (> Babylonië) werd B. door Mardoek ver- 
drongen : Bel-Mardoek, stadsgod van Baby Ion, in 
het O. T. steeds eenvoudig Bel genoemd. B. is ook 
de naam van den Palmyreenschen zonnegod. Hij komt 
overeen met den West-Semietischen Baal. Simons. 

Bel, > Jean le Bel. 

Bela, 1° koning der Edomieten (Gen. 36. 32); 

2° de eerstgeboren zoon van Benjamin (Gen. 46. 21). 

Bela (= Adelbert), koningen van Hongarije uit 
het geslacht der Arpaden: 

1 ° B e 1 a II, de Blinde, achterkleinzoon van 
Bela I, regeerde 1131—1141. Hem werd als jongen 
reeds het gezicht ontnomen. Hij stond onder den 
invloed van zijn gemalin Helena. 

2° B e 1 a III, regeerde van 1173 tot zijn dood in 
1196, tweede zoon van Geza II. Ofschoon opgevoed 
aan het Byzantijnsche hof, wist hij elke voogdijschap 
van Konstantinopel te voorkomen. Aan Hongarije 
gaf hij buiten de onafhankelijkheid een krachtig 
bestuur, gebaseerd op Westersche practijken als gevolg 
van zijn huwelijk met Margaretha van Frankrijk, 
zuster van Philips II Augustus. Hij was een groot 
staatsman, maar mengde zich zonder merkbaar voor- 
deel te veel in de aangelegenheden der naburige staten 
om voldoende aandacht te kunnen schenken aan de 
veranderingen, die zich in zijn eigen gebied voltrok- 
ken. Hier stond een machtige klasse landjonkers 
gereed, om zich geleidelijk meester te maken van de 
domeinen en de fiskale rechten ten nadeele van koning- 
schap en schatkist. Een crisis was onvermijdelijk en 
deze werd nog verhaast door B.’s dood. De Hongaar- 
sche dramaturg Ede Szigliger vereeuwigde hem in een 
tooneelstuk. 

3° Bela IV. * 1206 te Pressburg, aan de regeermg 
van 1235 tot zijn dood in 1270. Als opvolger van zijn 
vader Andreas II vond hij Hongarije in een treurigen 
toestand, waarvan de Gouden Bulle en de daarin 
besloten capitulatie van den koning voor de land- 
jonkers de hoofdoorzaak waren. B. trachtte te redden, 
wat nog te redden was. De kroondomeinen, tijdens de 
regeering van Andreas afgestaan, eischte hij tot 
saneering der financiën terug. Hij moest zijn land 
ontvluchten door den inval der Mongolen (1241, 
> Batoe). Na zijn terugkeer begon hij den weder- 
opbouw van zijn rijk. Het verlies der bevolking vulde 
hij aan door kolonisten uit Duitschland en Bohemen. 
Jammer, dat hij de heidensche Koemanen-families 
binnenhaalde, die zijn opvolgers zooveel last zouden 
veroorzaken. Verwoeste kerken en kloosters werden 
hersteld, nieuwe daaraan toegevoegd. Alle groote 
kloosterorden vonden in hem een beschermer, fran- 
ciscanen, Kartuizers en Augustijnen werden naar 
Hongarije genoodigd. Den Cisterciënsers schonk hij 
verruiming van arbeidsterrein, de Dominicanen steun- 
de hij in hun missie onder de in Klein -Azië achter- 
gebleven Hongaren. De bescherming van Zevenburgen 
vertrouwde hij den Johannieters toe. Tijdens zijn 
regeering had hij te strijden met Oostenrijk (over- 
winning bij de Leitha in 1246), met Venetië (verlies 
van Zara), met Bosnië en Servië. Een nieuwen inval 
der Mongolen onder Nogal Khan wist hij af te slaan 
(1261). Zijn huisgezin was een voorbeeld van gods- 
vrucht. Uit zijn huwelijk met Maria, dochter van den 


keizer van Nicea Theodorus Lascaris, stammen drie 
Zaligen: de Dominicanes Margaretha, de als Claris 
gestorven Chunegundis of Kinga en Jolenta of Helena. 

Wachters. 

Bclad (< Arab. balad = land) is een krachtige 
aflandige wind, die in den winter over de Z. kusten 
van Arabië waait. 

Beladen zegt men van een heraldiek stuk, 
waarop figuren zijn aangebracht; bijv. een schuinbalk, 
beladen met drie ankers (de Willebois). > Heraldiek. 

Belajjev, Victor Michailowitsj, Rus- 
sische schrijver over muziek, * 5 Febr. 1888 te Oeralsk, 
werd in 1919 prof. aan de universiteit te Leningrad, 
in 1923 aan het conservatorium te Moskou, is sinds 
1922 lid der Russische academie voor kunstweten- 
schappen en richtte in 1923 de vereen iging voor 
hedendaagsche muziek te Moskou op. Was van 1911 
af muziekcriticus aan vele bladen en tijdschriften, 
publiceerde monographieën over hedendaagsche Rus- 
sische componisten (Moskou 1927), gaf de brief- 
wisseling tusschen Skrjabin en M. P. Belajev uit 
(1922), schreef een boek over Glazounow (I 1921) 
en kleinere studies over nieuwere muziek. Reeser. 

Beln Kun, Hong. communist en agitator. * 1885. 
Eerst journalist; tijdens den Wereldoorlog als krijgs- 
gevangene in Rusland; komt er in betrekking met 
Lenin. In 1918 sticht hij de communistische partij 
in Hongarije. In Maart 1919 wordt door hem te Boeda- 
pest de dictatuur van het proletariaat uitgeroepen; 
hijzelf wordt volkscommissaris voor Buitenl. Zaken. 
Valt 1 Aug. 1919; vlucht naar Weenen, dan naar 
Rusland, van waaruit hij geheime comm. propaganda 
voert tegen Hongarije. Weer aangehouden te Weenen 
in 1928: vlucht naar Rusland. 

Lit. Herczeg. Bela Kun (1918) : Lazarowies, Der 
Bolsehewismus in Ungarn (1930). 

Belangengemeenschappen, op contrac- 
tueele basis tot stand gekomen vormen van samen- 
werking tusschen twee of meer (doch steeds een beperkt 
aantal) ondernemingen. B. hebben tot doel verhooging 
van de rentabiliteit, door middel van het gemeen- 
schappelijk behartigen van bepaalde belangen, ofwel 
door daartoe vatbare gelijksoortige bedrijfsfuncties 
voor gezamenlijke rekening tot uitvoering te brengen. 
In de eerste plaats komen die ondernemingen voor b. 
in aanmerking, die in gelijke richting, branchegewijs, 
zijn georiënteerd. Deze toch hebben uiteraard de meeste 
aanrakingspunten en bieden dus grootere ontwikke- 
lingsmogelijkheden t.a.v. een collectief optreden. 

De eenvoudigste toepassing van b. is wel de zgn. 
„winstpooling”. Deze vorm was gebruikelijk tusschen 
scheepvaartmaatschappijen. De winsten, over een 
bepaalde periode behaald, werden samengevoegd 
om vervolgens, op grond van een aangenomen sleutel- 
verhouding, onder de deelnemers te worden verdeeld. 
Veelal worden b. verstevigd door uitwisseling van 
aandeelen der betrokken ondernemingen, al dan niet 
vergezeld door wederzijdsche delegeering van directie- 
leden of commissarissen. 

Alhoewel b. meestentijds voor langen duur aange- 
gaan worden (10 — 15 jaren), komen ook gevallen voor 
van meer incidenteelen aard. Een voorbeeld hiervan 
is het zgn. emissie-syndicaat, door enkele bankiers- 
huizen gevormd tot het plaatsen van een leening of 
kapitaalsuitgifte. Indien b. zeer intensief worden 
opgevat, kunnen zij op den duur leiden tot volledige 
samensmelting van voorheen zelfstandige onder- 
nemingen (fusie). 


361 


Belangenvertegenwoordiging — Belangstellingvorming 


362 


Bij het uitwerken van plannen tot practische door- 
voering komt het erop aan, dat de ondernemings- 
leiding zich realiseert, welke afzonderlijke functies 
in samenwerking met hoogere productiviteit kunnen 
worden verricht, en welke zonder samenwerking. 
Het volgende schematische overzicht, afkomstig van 
prof. Goudriaan, laat zien welke functies in onder- 
neming en bedrijf eventueel voor gecombineerde 
uitoefening vatbaar zijn. 


Technische 

fimcties: 


Normalisatie 

Specialisatie 

Gemeensch. research werk 
Gemeensch. exploitatie van patenten 
Taakverdeeling in de fabricage 
Samenwerking bij het transport 


Commereieele <, Gemeensch - inkoop 
Lommercieele > Gemeensch _ rec)ame 


functies: ( 

Administratieve 

functies: 


Gemeensch. verkoop 

Gemeensch. bedrijfsstatistiek 
Uniforme kostprijsberekening 
Gemeensch. regeling van arbeids- 
voorwaarden 

Sociaal-economi- Samenwerking inzake leerling en 
sche functies: opleiding 

Gemeensch. psychotechnisch 
onderzoek. 


v. Berkum. 

Belangenvertegenwoordiging (N e d.) is 

de vertegenwoordiging van belangengroepen in de 
staatsorganisatie, als eigen rechtsgemeenschappen. 
Een voorbeeld vindt men in de publiekrechtelijke 
> bedrijfsorganisatie. 

Voor België, > Standsorganisatie. 

Belangstellingsoentra. De methode der b.-c. 
(centres d’intérêt of pivots) is van den Brusselschen 
schoolhervormer dr. O. Decroly. Decroly gaat uit 
van de natuurlijke belangstelling van het kind: „mon 
but est de créer un lien entre toutes les matières et de 
les faire converger ou diverger d’un même centre; 
c’est vers 1’enfant que tout se dirige, c’est de 1’enfant 
que tout rayonne; 1’intérêt de 1’enfant est le levier 
par excellence: il faut en tirer parti.” Als Dewey, 
de vader der project-methode, baseert Decroly zijn 
onderwijs op de instincten, de aandriften van het kind 
(waarin de natuurlijke belangstelling w r ortelt), en 
onderscheidt als de voornaamste: de zucht tot zelf- 
behoud, den drang naar voedsel, naar bezit, de zucht 
tot zelfverdediging, tot spelen en w T erken, en de navol- 
gingszucht. Door deze instincten wordt de belang- 
stelling formeel bepaald; materieel door milieu, 
opvoeding, ontwikkeling, leeftijd. Ten slotte brengt 
Decroly zijn onderwijsstof tot vier groote complexen: 
voeding, kleed ing, verdediging, arbeid. Uit deze 
groepeering blijkt al terstond Decroly’s Amerikanis- 
tische instelling op het vegetatieve en animale leven: 
hoogere aandriften, als de drang naar zedelijkheid, 
naar godsdienst, schijnen niet eens te bestaan (Dewey 
spreekt ten minste óók nog van een kunstinstinct). 

De genoemde complexen in hun eindelooze variaties 
vormen een onuitputtelijke reeks onderwerpen. De 
toeëigening daarvan geschiedt op vier manieren: 
1° door waarneming: het verzamelen van 
ervaringen uit de omgeving; 2° door de verwer- 
king daarvan, ook geschied- en aardrijkskundig: 
U association dans le temps et dans 1’espace; 3° door 
de uitdrukking in taal, schrift, teekening, 
handenarbeid, tooneel, spel, dans; 4° door de maat, 


la mesure, d.i. meten, wiegen en berekenen, waaruit 
geleidelijk abstract rekenen en wiskunde ontstaan. 

Een groote rol spelen hierbij de „cahiers d’obser- 
vation”, schriften of albums, waarin de leerlingen 
alles beschrijven en illustreeren met eigen teekeningen 
of zelfgezochte plaatjes en afbeeldingen. Ze dienen voor 
repetitie en vormen een kostbaar bezit voor het kind, 
dat er de vruchten van zijn persoonlijk initiatief 
en kunnen in heeft vastgelegd. De „cahiers d’associa- 
tion” (voor aardr. en gesch.) worden op dezelfde wijze 
ingericht. 

Lezen en schrijven leeren de kinderen in 
de laagste klassen volgens de zgn. > globaal- 
methode, die echter geen vast materiaal heeft, 
daar dit genomen wordt uit de naaste omgeving en de 
aan de orde zijnde complexen. Daar Decroly begrepen 
heeft, dat voor het beklijven der leerstof herhaling 
en oefening en dus een zekere mate van „dril” noodig 
zijn en hij bovendien voorstander is van spelend 
leeren, laat hij veel w r erken met zgn. „jeux éducatifs” 
of didactische spelen, waarin de voornaamste taal-, 
reken-, aardrijkskunde- en geschiedenismoeilijkheden 
verwerkt zijn. Deze spelen omvatten voor de laagste 
klassen allerlei lotto’s als voorbereiding voor het lezen. 
Zooals bij Montessori zijn deze spelletjes gerangschikt 
te vinden in enveloppen of kleine doosjes in de kast. 
Het kind krijgt het werk waar het aan toe is, en er 
wordt steeds bijgemaakt naar ieders behoefte, want 
vastgelegd is dit leermateriaal niet. Ook bij het zwak- 
zinnigen-onderwijs kan men een massa van zulke 
spelletjes vinden; wat niet te verwonderen is, als mon 
weet, dat Decroly zijn hervormingswerk met abnor- 
malen begonnen is en het buitengewoon onderwijs veel 
van hem heeft overgenomen. 

L i t. : C. Philippi-Siewertsz van Reesema, Uit en 
over de werken van prof. dr. O vide Decroly (1931). 

Rombouts. 

Belangstelling vorming . De belangstelling 
is de betrekkelijk duurzame neiging van het subject 
naar het object op grond van een waardeschatting. 
Kennis, gevoel en streving werken samen om de 
belangstelling op te wekken. De actueele belangstelling 
is de daadwerkelijke heenneiging van het subject 
naar het object en wordt ook aandacht genoemd. 
De dispositioneele belangstelling berust op aange- 
boren en verworven disposities en bepaalt de levens- 
houding en berust op de betrekking, waarin de dingen 
tot het subject staan. Hoe nauwer de band, des te 
belangwekkender. De formeele belangstelling richt 
zich naar de eigen daad, en het lustgevoel, dat zij 
opwekt, verhoogt de belangstelling voor het voor- 
werp. Heeft het voorwerp een eigen waarde, dan volgt 
een onmiddellijke belangstelling. Ontleent een object 
zijn waarde aan een ander voorwerp, dan is de belang- 
stelling middellijk. 

De belangstellingvorming eischt, dat men rekening 
houdt met den leeftijd. Elke leeftijd heeft zijn eigen 
belangstellingsfeer. Aanvankelijk bestaan er bij het 
kind slechts vegetatief -sensitieve waarden (1-2 j.). 
Daarna ontstaat de belangstelling voor de daad, die 
vooral in het spel tot uiting komt en zich langzamer- 
hand naar het object keert (3-7 j.). Vervolgens gaat 
de activiteit naar de subjectief gerichte doeleinden 
en ontwaakt de belangstelling voor geestelijke goederen 
(8 j.- puberteit). De puberteit is de periode, waarin de 
arbeid zakelijk is gericht, maar ook een tijd van gisting 
en ontkenning. 

De factoren, die de belangstelling bepalen, zijn: 


363 Belasco — Belastingen 364 


begaafdheid, neiging, streving, gewoonten, activi- 
teit, opvoeding, voorbeeld, milieu, cultuur, geslacht. 
Het beste middel om de belangstelling te vormen 
is het opwekken der zelfwerkzaamheid, waartoe ver- 
eischt wordt, dat de taak de krachten van het kind 
niet te boven gaat. De motieven of w r aarden, die de 
zelfwerkzaamheid opwekken, moeten subjectief een 
goed zijn, dat bewust is van voldoende kracht, duur- 
zaam, ter gelegener tijd bij de hand zijn en in de 
structuur van het kind geplaatst worden. Men moet 
beginnen met hetgeen in de belangstelling van het 
kind staat en van hieruit voortgaan naar nieuwe 
waarden, die in een complex, in een systeem moeten 
worden ondergebracht. p. Joannes . 

L i t : Lexikon der Padagogik der Gegenwart (I 1930); 
F. X. Eggersdorfer, Jugendbildung ( 4 1933). 

Belasco, D a v i d. Amerikaansch tooneel- 
schrijver, eigenaar en directeur van het Belasco 
Theatre te New York. * 1869 te San Francisco, had 
zijn leerschool als secretaris van Dion Boucicault, 
werd directeur van een schouwburg in San Francisco. 
Heeft sedert 1884 tot 1915 tallooze tooneelstukken 
bewerkt, weinig oorspronkelijk maar handig en op 
effect berekend. Vooral Madame Butterfly (1900) 
en The Return of Peter Grimm (1911). 

Werken: Monogr. van W. Winter (1918) ; volledige 
L ijst in Cambr. Hist. Amer. Lit. (IV 1921, 763). 

Bclassitza-gebergte of Belesj-ge- 
b e r g t e, W. uitlooper van het Rhodopemassief, 
deels grensgebergte tusschen Griekenland en Bulgarije, 
1 494 m hoog. 

Belaste balken. De studie van dit onderwerp 
omvat een zeer belangrijk en uitgebreid gedeelte der 
mechanica en de berekening der b. b. vereischt een 
aanzienlijke kennis der hoogere w'iskunde, ten einde 
voor de zeer uiteenloopende en veelal ingewikkelde 
gevallen van belasting de juiste vergelijkingen op te 
stellen en haar oplossing te vinden. Men kan voor de 
berekening van de onbekende krachten en momenten 
uitgaan van drieërlei evenwichtsvergelijkingen, nl. 
1° de som van de ontbondenen der uitwendige krachten 
in de richting van een willekeurig aangegeven as 
moet = 0 zijn ; 2° de som der ontbondenen van dezelfde 
krachten in de richting van een as moet eveneens 
= 0 zijn; 3° de som der uitwendige momenten ten 
opzichte van een willekeurig aangenomen punt moet 
= 0 zijn. 

Een balk noemt men statisch bepaald, wanneer 
de onbekenden uit deze evenwichtsvergelijkingen 
berekend kunnen worden: hij is één- of meervoudig 
statisch onbepaald, indien één of meer onbekenden 
daaruit niet opgelost kunnen w r orden, zoodat de zgn. 
elasticiteitsvergelijkingen te hulp geroepen moeten 
woorden. Men heeft nu voor een groot aantal belastings- 
gevallen van balken verschillende grootheden, zooals 
steunpuntsreactie, buigingsmoment, weerstands- 
moment, draagvermogen, grootste doorbuiging en 
gevaarlijke doorsnede berekend, w'elke in de belang- 
rijke technische handboeken te vinden zijn. 

P. Bongaerts . 

Belasting, 1° Technisch is b. de kracht, 
welke op een constructiedeel werkt. Rustende b. 
is die b., waarbij grootte en plaats van aangrijpen 
constant blijven, veranderlijke of wisselende, die, 
waarbij wel de plaats constant is, maar de grootte 
verandert, mobiele, die, waarbij de last zich ten op- 
zichte van het constructiedeel verplaatst (bijv. voer- 
tuigen enz. op een brug). Toe te laten b. is de b., welke 


op het constructiedeel uitgeoefend kan worden, zonder 
dat hierin de maximale toe te laten spanning optreedt, 
w T aarbij een zekerheids- of veiligheidscoëfficiënt in 
rekening w T ordt gebracht. Vroeger werd de grootte 
van dezen coëfficiënt op 4 è 5 gesteld, waarin een groote 
overmaat van zekerheid der constructie is gelegen. 
Nu in den lateren tijd, dank zij de talrijke onderzoe- 
kingen in laboratoria en op de werken, de eigenschap- 
pen der bouwmaterialen beter bekend zijn, kan deze 
coëfficiënt kleiner worden aangenomen. 

P. Bongaerts. 

Belasting van een electrische machine 
of van een transformator, het vermogen, 
dat door een electrische machine of een transformator 
geleverd wordt. 

Een belasting, waarbij geen phaseverschuiving 
optreedt tusschen den stroom (belastingsstroom) en 
de klempspanning (bij gelijkstroom, voeding van 
gloeilampen), heet inductie-vrij ; treedt er een phase- 
verschil op, dan spreekt men van inductieve belasting. 

v. d. WelL 

Oppcrvlakte-belasting van den vleugel 
van een vliegtuig is gelijk aan het max. totaal- 
gewicht van het vliegtuig, gedeeld door het vleugel- 
oppervlak. Dit getal varieert voor de verschillende 
vliegtuigtypen van 40 — 90 kg/m 2 ; als uiterste komt 
w r el 110 kg/m 2 voor. De minimum vliegsnelheid is 
direct van deze oppervlaktebelasting afhankelijk 
en stijgt evenredig met den vierkantswortel ervan. 
Bij hooge vleugclbelasting zweeft het toestel niet 
lang met afgezetten motor en vertoont, zelfs w r anneer 
de snelheid nog betrekkelijk groot is, reeds de neiging 
om door te zakken. De benoodigde aan- en uitloop 
bij starten en landen woorden grooter, naarmate deze 
min. vliegsnelheid grooter is. De hooge vleugel- 
belastingen worden toegelaten om een min. weerstand 
en dus max. snelheid te bereiken. v. Lammeren. 

Nuttige belasting bij vliegtuigen is de 
betalende last. Het totaalgewicht van een vliegtuig 
bestaat uit: het leeggewicht, het gewicht der bedrijfs- 
stoffen en bemanning, en den nuttigen last. In den 
regel bedraagt het leeggewicht meer dan 60% van 
het totaalgewicht. Het gewicht van benzine en olie 
hangt af zooweel van de snelheid (motor-vermogen) 
als van de actie-radius en bedraagt 1 / A kg per pk en 
per uur. Hetgeen er ten slotte van het totaalgewicht 
overblijft, is voor nuttigen last disponibel. 

v. Lammeren. 

2° Erfelijke belasting (genees k.). Deze term 
wordt in het spraakgebruik vrijwel alleen gebezigd, 
wanneer het betreft erfelijkheid van geestes- 
ziekten. Men veronderstelt, dat ook deze erfe- 
lijkheid (kiemaanleg) gebonden is aan de > Mendel- 
sche wetten, hoewel dit nog niet bewezen is, doordat 
de technische moeilijkheden daartoe te groot zijn. 
Sedert de psychiatrische wetenschap de geestesziekten 
in groote groepen heeft ingedeeld, kon deze groepeering 
ook toegepast worden in de erfelijkheid. Op de eerste 
plaats kunnen in dit verband genoemd worden: de 
schizophrenie, de manisch -depressieve psychose, de 
psychopathie en de epilepsie. Het rassenverschil 
vormt ook bij erfelijkheid van geestesziekten een ge- 
wichtigen factor. Hoelen. 

Belastingen. I. Nederland. 

A) Algemeen gedeelte. 

Begripsbepalingen. 

Belastingen zijn bijdragen tot de openbare middelen, 
die een publiekrechtelijke corporatie (staat, provincie, 


365 


Belastingen 


366 


gemeente e.d.), in eenzijdig door haar vastgestelde 
hoogte en wijze, heft van de aan haar gezag onderwor- 
pen subjecten. Van belastingen zijn wel te onder- 
scheiden: a)> retributies, die slechts geheven 
worden van hen, die van zekere openbare inrichtingen 
gebruik maken; b) staatsinkomsten uit eigen vermogen 
of uit p r i v a a t r e c h t e 1 ij k e hande- 
1 in gen (bijv. inkomsten uit domeinen en staats- 
bedrijven) ;c) onregelmatig vloeiende 
inkomsten (bijv. schenkingen, aan den staat 
vervallen nalatenschappen, gedwongen leeningen, 
onteigeningen, enz.). 

Belastingsubject is de natuurlijke of 
rechtspersoon, die de belastingschuldige is; belasting - 
object of voorwerp der belasting is de handeling, 
toestand of gebeurtenis, die de grondslag der heffing 
is. Bron of belastingbron is het fonds, waaruit de 
belasting betaald wordt. Belastingplichtige is degene, 
die in beginsel voor belasting betalen in aanmerking 
komt. Belastingschuldige is hij, die belasting daad- 
werkelijk verschuldigd is. 

Belastingstelsel is de vereeniging van 
een aantal belastingen ter verwezenlijking van de als 
juist erkende beginselen. 

Belastingstraf recht is het geheel 
der normen, die het mater ieele en formeele strafrecht 
op fiscaal gebied regelen. 

Belastingontduiking is zoowel het 
geoorloofd ontgaan van belasting als het ongeoorloofd 
zich onttrekken aan een aanslag, hetzij door dezen te 
verhinderen, hetzij door de invordering onmogelijk te 
maken, met inbegrip van de belastingvlucht. 
Geschiedenis. 

Hoewel de > Unie van Utrecht (art. 6), speciaal 
voor de dekking van de kosten der defensie, een 
uniforme belastingheffing voorschreef, was in de 
Rep. der Ver. Ned. belastingheffing over het algemeen 
zaak der (souvereine) provincies. De eenige „generali- 
teitsbelastingen” waren: convooi- en licentgelden ; 
last- en veilgeld, en de belastingen, die de > Generali- 
teitslanden moesten opbrengen. Convoo igeld 
was oorspr. een retributie, nl. een vrijgeleidegeld 
voor koopvaarders ter zee; sedert 1603 werd het 
geheven in den vorm van een in- en uitvoerrecht op 
alle waren. Licentgeld moest oorspr. slechts 
betaald worden door hen, die met den vijand wilden 
handeldrijven; na den Vrede van Munster (1648) 
werd het een belasting, geheven op den buitenland- 
schen handel. Lastgeld werd bij aankomst en 
vertrek van schepen geheven; veilgeld was een 
in- en uitvoerrecht. De opbrengst der generaliteits- 
belastingen diende uitsluitend voor de marine, maar 
zij was daarvoor onvoldoende. Daarom werden nog 
contributies van de verschillende provincies geheven. 
De quoten der vsch. provincies werden vaak slecht 
voldaan en dan betaalde Holland gewoonlijk voor de 
wanbetalers. De provinciale belastin- 
gen (vnl. accijnzen en invoerrechten) vertoonden 
een bonte verscheidenheid. Vaak werden deze belas- 
tingen verpacht aan den meest-biedende, die dan het 
voorrecht van monopolie van verkoop der ,,verim- 
poste” waren verkreeg. — Ook de plaatselijke belas- 
tingen bestonden vnl. uit accijnzen. Aan den toentertijd 
bestaanden chaos trachtte de staatsregeling van 1798 
(der Bataafsche republiek) een einde te maken. Inge- 
volge deze staatsregeling nam het V ertegen- 
woordigend Lichaam in 1801 een stelsel 
van algemeene belastingen aan. De provinciale be- 


lastingen (voor zooverre zij niet vervielen) werden 
rijksbelastingen en vloeiden voortaan in de nationale 
kas. Gemeentebelastingen bleven in beperkte mate 
bestaan; zij werden onderworpen aan de goedkeuring 
van het Wetgevend Lichaam en aan de bekrachtiging 
van het Departementsbestuur. De staatsregeling van 
1801 volgde in hoofdzaak dezelfde richtlijnen; de 
provinciale belastingen werden echter gedeeltelijk 
hersteld in den vorm van departementale belastingen. 
Hierbij werd echter gewaakt tegen belemmering van 
het inter-departementale handelsverkeer. Na de 
staatsregeling van 1805, onder Raadpensionaris 
R. J. Schimmelpenninck, trad de groote financier 
Gogel op, wiens belastingstelsel in Juni 1805 door het 
Wetgevend Lichaam aangenomen werd. Dit stelsel 
maakte een einde, zoowel aan de tot dusverre veel- 
vuldig geheven buitengewone heffingen, als aan de 
naar de vsch. provincies onderscheiden, provinciale 
en gemeentelijke belastingen. In 1808 voerde koning 
Lodewijk Napoleon voor de eerste maal een algemeene 
inkomstenbelasting in tot dekking van rente en af- 
lossing eener leening van 10 millioen gulden. Deze 
belasting moest betaald worden door alle inwoners, 
die in staat waren daarin eenig aandeel bij te dragen, 
ieder „naar mate van zijn stand, verteringen en andere 
bekende omstandigheden”. Departementale 
belastingheffing kwam in het koninkrijk Holland 
practisch niet voor. Na 1805 werden de gemeen- 
telijke belastingen aan de goedkeuring 
van het centrale gezag onderworpen. Een reglement 
omtrent de invoering van plaatselijke belastingen 
(wet van 20 Dec. 1805) beperkte de bevoegdheid tot 
het heffen van hoofdelijken omslag tot gemeenten van 
minder dan 2 000 inwoners. De overige gemeenten 
mochten slechts opcenten op de rijksbelastingen heffen 
en ccn matige belasting op „ Prachtvertoon ingen bij 
Trouwen en Begraven”, en verdere soortgelijke „Ob- 
jecten van Weelde”. 

Door de Inlijving (1810) kwam Ned. onder de Frau- 
sche belastingwetgeving. In de eerste jaren nadat Ned. 
zijn onafhankelijkheid herkregen had (1813), verkeerde 
het belastingstelsel in voortdurende schommeling, 
totdat bij de wet van 12 Juli 1821 een stelsel van 
belastingen ingevoerd werd, dat in zijn groote lijnen 
tot op den huidigen dag is blijven gelden. Op 1 Jan. 
1823 traden ingevolge deze algemeene wet in werking: 
als directe belastingen, grondbelasting, patent- 
belasting (op het bedrijf), personeele belasting; als 
indirecte belastingen : registratie-, zegel-, 

griffie-, hypotheek- en successierechten; rechten op 
in- en doorvoer, buitenlandsch tonnengeld; een aantal 
accijnzen; een collectief zegel (op kwitanties, enz.), 
tollen op wegen en wateren; recht op gouden en zil- 
veren werken; opcenten op vsch. directe en indirecte 
belastingen. Rus s el. 

Het belastingstelsel van 1821, met de daarin sedert 
dien aangebrachte wijzigingen, werkte oorspronkelijk 
onbevredigend, omdat de belastingschuldigen niet 
voldoende in evenredigheid tot hun draagkracht 
belast werden. Tot het einde der 19e eeuw heeft de 
wetgever zich er nl. mede tevreden gesteld het inko- 
men zijdelings te belasten, omdat hij een rechtstreek- 
sere heffing naar het inkomen niet mogelijk achtte, 
daar zij zou moeten geschieden op grond van eigen 
aangiften, die hij niet vertrouwde. Langs tweeërlei 
w r eg trachtte de wetgever nu het inkomen te benaderen. 
In de eerste plaats door de z a k e 1 i j k e heffingen, 
met name de grond- en de patentbelasting, die door 


367 


Belastingen 


368 


belasting van de bron van inkomen het inkomen zelf 
wilden treffen. Heffing van andere bronnen, zooals 
effecten, zou geen zin hebben gehad, omdat de fiscus 
die bronnen niet kende, lntusschen belastte de patent- 
belasting de dividenden van naamlooze vennoot- 
schappen en andere lichamen, als zakelijke heffing. 
De omvang en hoedanigheid der gronden en bedrijven 
bepaalden de hoogte der heffingen, zoodat de uiterlijke 
kenteekenen, die vaak bedrieglijk zijn, een beslis- 
sende rol speelden. Als heffingen van bepaalde bron- 
nen zijn ook te beschouwen de registratie-, mutatie- 
en zegelrechten, die werden geheven op grond, dat de 
belaste rechtshandelingen het vermoeden wettigen, 
dat een der partijen voordeel, en bijgevolg inkomen 
genoten heeft. Niet echter alleen het feit, dat er een 
bron van inkomen is, benutte de wetgever om het 
inkomen te treffen. Ook het feit, dat iemand verterin- 
gen maakte, w T as een aanwijzing, dat hij een inkomen 
had, waaruit hij die verteringen betaalde. De wetgever 
trachtte nu de onvoldoende werkingen van de heffingen 
bij de bron te corrigeeren door middel nl. van indi- 
recte en directe verteringsbelastingen op 
gebruiks- en verbmiks voorwerpen. Tot de eerste 
behooren de accijnzen, geheven van den fabrikant en 
den koopman, die deze belastingen verhalen op de 
afnemers. Een d i r e c t e verteringsbelasting is de 
personeele belasting. De verteringsbelastingen weer- 
den geheven van werkelijke inkomsten - 
bestanddeelen in het algemeen, terwijl de genoemde 
belastingen bij de bron vermoedelijke in- 
komstenbestanddeelen troffen. Het bleek echter 
steeds duidelijker, dat dit stelsel geen billijke verdee- 
ling van den belastingdruk waarborgde, w’ant de 
accijnzen op levensbehoeften en vooral die op het 
gemaal, de brandstoffen en de zeep (in den loop der 
19e eeuw afgeschaft) en op zout (sedert aanmerkelijk 
verlaagd), hielden geen rekening met de samenstelling 
en de hoegrootheid van het gezin. 

Daarom is ten slotte de rechtstreeksche heffing naar 
het inkomen ingevoerd, hetgeen in tw r ee etappes 
geschiedde. Eerst werd een gesplitste inkom- 
stenbelasting ingevoerd: bij de wet van 27 September 
1892, Stbl. 223, tot heffing eener vermogensbelasting 
en bij de wet van 2 October 1893, Stbl. 149, tot heffing 
eener belasting op bedrijfs- en andere inkomsten. 
De vermogensbelasting bedoelde de inkomsten uit 
het vermogen te belasten, de tw r eede w T et wilde de 
niet uit het vermogen voortspruitende inkomsten 
belasten. De w T etgever bedoelde de eerste inkomsten 
zw r aarder te treffen dan de tweede. 

De volgende etappe was de invoering eener onge- 
splitste inkomstenbelasting, bij de Wet op de Inkom- 
stenbelasting 1914, een algemeene heffing van het 
geheele inkomen, in werking getreden op 1 Mei 1915. 
Toen de inkomstenbelasting werd ingevoerd, gesplitst 
in de vermogens- en bedrijfsbelasting, werd het 
patentrecht afgeschaft, doch bleven de grond- en 
personeele belasting en de meeste accijnzen in stand, 
terwijl de zakelijke belasting op de dividenden van 
naamlooze vennootschappen en andere lichamen uit 
de patentbelasting werd gelicht en gehandhaafd. 

De wetgever behield de verteringsbelastingen, omdat 
hij gevoelde, dat de rechtstreeksche inkomstenbe- 
lasting voorloopig verre van volmaakt zou w : erken en 
bovendien omdat naast inkomen en vermogen ver- 
schillende andere factoren bestaan, die het draagver- 
mogen bepalen, zooals: het gehuw T d zijn, het aantal 
kinderen, ziekten, enz. Door de personeele belasting, 


de accijnzen, de belasting op gouden en zilveren 
w T erken en de gemeentelijke hondenbelasting, de be- 
lasting op de vermakelijkheden en dergelijke meer, 



Cliché 6,6—12,2 

Rijksinkomstenbelastingdruk in procenten van het 
inkomen. 


worden die elementen zooveel mogelijk in acht ge- 
nomen. Het hedendaagsche belastingstelsel van het 
Rijk is samengesteld zooals onderstaande tabel laat 
zien. 

Provinciale bel. sedert 1813. 

De grondwet van 1814 kende zulke belastingen 
niet; de grondwet van 1815 bepaalde, dat de Pro- 
vinciale Staten, voor het onderhouden en aanleggen 
van werken voor de provincie, den koning eigen belas- 
tingen konden voorstellen. De practijk is echter verder 
gegaan. De wet van 12 Juli 1821 kende nl. provinciale 
belastingen, dienende tot dekking van uitgaven van 
algemeen belang, te weten 6 provinciale opcenten op 
de hoofdsom van de gebouw T de on ongebouwde eigen- 
dommen en van het personeel. Later w r erden nog 
opcenten op andere, ook indirecte belastingen toege- 
staan. 

De grondwet van 1843 schreef voor, dat provinciale 
belastingen tot dekking van huishoudelijke uitgaven 


369 


Belastingen 


370 


door de wet moesten worden bekrachtigd . De provinciale 
wet bepaalde, dat accijnzen, waaronder te bepijpen 
de provinciale opcenten op rijksaccijnzen, niet als 
provinciale belastingen mochten worden voorgedragen 
en dat de provinciale accijnzen, die in sommige pro- 
vinciën geheven werden, binnen 5 jaren na de dag- 
teekening van die wet moesten worden afgeschaft; 
het gevolg was, dat sedert 1856 de provinciën bijna 
uitsluitend opcenten op de grond- en personeele 
belasting hieven. 

Na 1887 bepaalde de grondwet, dat elk besluit der 
provinciale staten tot het invoeren, wijzigen of afschaf- 
fen van een belasting aan de goedkeuring des konings 
onderworpen was en dat provinciale belastingen het 
handelsverkeer tusschen de provinciën niet mochten 
belemmeren. De provinciale wet stelt, ingevolge een 
grondwettelijk voorschrift, algemeene regels voor 
de provinciale heffingen. De provinciale belastingen 
bestaan sedert dien uit opcenten op de hoofdsom der 
grond-, vermogens- en inkomstenbelasting, uit leges 
ter griffie, tollen-, weg-, brug-, dijkgelden en andere 
retributiën. Indien bijzondere omstandigheden in de 
provincie de heffing van andere belastingen nood- 
zakelijk maken, kunnen deze slechts bij wet worden 
bepaald. De onderstaande tabel geeft een overzicht 
van de tegenwoordige provinciale belastingen. 

Gemeentebelastingen. De grondwet van 
1848 verbood door middel van plaatselijke belas- 
tingen het handelsverkeer tusschen de gemeenten 
te belemmeren en eischte koninklijke goedkeuring 
op gemeentelijke belast ingverordeningen. De ge- 
meentewet stond daarop de navolgende heffingen toe : 
opcenten op de hoofdsom der grond- en personeele 
belasting en van andere daarvoor vatbare rijksbelas- 
ting, direct naar het vermogen of inkomen geheven, 
met uitzondering van het patentrecht; hoofdelijke 
omslagen of andere directe belastingen; belastingen 
op voorwerpen van verbruik; hondenbelasting; 
belasting op tooneelvertooningen en andere openbare 
vermakelijkheden ; de rechten , loonen en andere gelden 
voor het gebruik van openbare gemeentewerken, 
bezittingen of inrichtingen of voor gemeentelijke 
diensten. De wet van 28 Juni 1881 voerde in het ver- 
gunningsrecht voor den kleinhandel in sterken drank. 
De gemeentewet gaf een uitvoerige regeling omtrent 
plaatselijke belastingen op voorwerpen van verbruik; 
deze gemeentelijke accijnzen werden zooveel mogelijk 
beperkt. De wet van 7 Juli 1865, Stbl. 79, schafte ze 
geheel af. De gemeenten mochten voortaan beschikken 
over ten hoogste 4 / 5 van de opbrengst der personeele 
belasting in hoofdsom en rijksopcenten. 

De grondwet van 1887 met de wijzigingen tot op 
het oogenblik, verwijst eveneens naar de gemeentewet, 
welke heden ten dage de heffingen kent, die de hier- 
onder opgenomen tabel aangeeft, waarbij speciaal valt 
te vermelden, dat de belasting van de woon- en werk- 
forensen 1 Mei 1931 is afgeschaft; sedert dezen datum 
is een forensenbelasting nog slechts mogelijk in dezer 
voege, dat een directe belasting kan worden geheven 
van hen, die, zonder in de gemeente hoofdverblijf 
te hebben, er gedurende het belastingjaar meer dan 
90 malen nachtverblijf houden, anders dan als ver- 
pleegde in een krankzinnigengesticht of ziekenhuis, 
of er op meer dan 90 dagen van dat jaar voor zich of 
hun gezin een gemeubileerde woning beschikbaar 
houden. Die wooirïorensenbelasting mag echter slechts 
geheven worden naar den duur van het verblijf, naar 
de huurwaarde der gemeubileerde woning of naar ande- 


re bij de verordening vast te stellen grondslagen, 
met dien verstande, dat het bedrag der belasting niet 
onmiddellijk of middellijk afhankelijk mag zijn van 
het inkomen of een deel daarvan. De personeele be- 
lasting is een rijksbelasting gebleven, doch wordt van 
rijkswege ten behoeve van de gemeenten geheven. 
De zgn. gemeentefondsbelasting is eveneens een rijks- 
belasting, waarvan de opbrengst in het gemeentefonds 
valt. 

Soorten van belastingen. 

De indeeling der b. in vsch. soorten geschiedt op tal 
van wijzen. De oude verdeel ing in directe en indirecte 
belastingen is in zichzelf niet duidelijk, daar zij zoowel 
in den formeel-belastingtechnischen-staatsrechtelijken 
zin als in economischen zin wordt gebruikt. Belasting- 
technisch directe belastingen zijn de zoodanige, 
die volgens vooraf vastgestelde kohieren worden 
geheven, met name: grondbelasting (1870), vermogens- 
belasting (1892), personeele belasting (1896), inkom- 
stenbelasting (1914), verdedigingsbelasting (1918), 
gemeentefondsbelasting (1929). Deze formeele onder- 
scheiding is van belang: 1° omdat verschillende wetten 
zelf van directe belasting spreken; 2° omdat de invor- 
der ingswet van 1845 in het algemeen alleen voor de 
directe belastingen, in staatsrechtelijken zin, geldt; 
3° voor de regeling van voorloopige aanslagen ; 4° voor 
de wet inzake de overschrijding van in belastingwetten 
gestelde termijnen; 5° voor de wet op de zgn. Richtige 


&ELA5 TIN6 OPBRENGS T IN 1930 



Heffing der directe belastingen; 6° voor de opbrengst- 
verantwoording op de rekening van het rijk, enz. Alle 
overige belastingen (zie tabel) zijn indirecte. 
De Stelselwet 1821 rangschikt ten onrechte noch de 
accijnzen, noch de invoerrechten, noch de belasting 
op gouden en zilveren werken onder de indirecte 
belastingen. De economische onderscheiding in directe 
en indirecte belastingen is er een naar de werking der 
heffing : Directe belastingen zijn zoodanige, die op 
den belastingplichtige zelf drukken, de indirecte 
daarentegen de belastingen, die hij op anderen af- 
wentelt. Anderen zien in de directe belastingen alle, 


371 


Belastingen 


372 


die naar de bedoeling van den wetgever 
op den belastingplichtige zullen drukken, en in de 
indirecte alle zoodanige, die hij volgens die bedoe- 
ling op anderen zal verhalen. Beide criteria 
zijn ondeugdelijk: het eerste, omdat het van aller- 
lei omstandigheden afhangt of een belasting al dan 
niet op anderen kan worden afgewenteld; het 
tweede, omdat verschillende belastingen ten deele 
onder de eene, ten deele onder de andere rubriek 
zouden vallen, terwijl bij sommige geen bepaalde bedoe- 
ling van den wetgever omtrent de afwenteling bestaat. 

Zoo zal in de bedoeling van den wetgever de perso- 
neele belasting van hotels, restaurants, café’s, winkels, 
kantoren, lokalen tot uitstalling, zoowel nopens de 
huurwaarde als het mobilair, ook betreffende de bil- 
jarten in hotels, in restaurants en café’s, worden 
verhaald op de klanten, bezoekers e.d. 

Bij zegel- en registratierechten kan men de bedoeling 
van den wetgever omtrent de afwenteling niet vast- 
stellen ; bij successierecht zou men tot het karakter 
van directe belasting moeten besluiten, ware het niet, 
dat deze belasting rechten bevat, die de fiscus bij de 
erfgenamen int, doch die zij naar ’s wetgevers bedoeling 
zullen verrekenen met legatarissen en anderen. 

In Katholieke theologische werken geschiedt de 
onderscheiding in directe en indirecte belastingen 
niet steeds naar dezelfde criteria. Meestal duidt de 
schrijver aan, welke opvatting hij omtrent het cri- 
terium heeft. 

De technische deskundigen van den Volkenbond, 
inzake dubbele belasting en belast ingontwijking, als 
ook eenige internationale verdragen op dit gebied, 
verdeden de directe belastingen in zakelijke en 
persoonlijke. Zakelijke belastingen treffen elke soort 
van inkomsten bij haar bron en houden geen reke- 
ning met de persoonlijkheid der belastingplichtigen 
zooals nationaliteit, woonplaats, burgerlijke staat, 
familielasten. De persoonlijke belastingen houden 
rekening met de personen en hun inkomen. Dit is een 
verdeeling naar gelang van de betrekking der belas- 
tingschuldigen tot de belastingen. 

Sommigen, vooral onder Franschen invloed, 
nemen het belastingobject tot criterium, en verstaan 
onder directe belastingen die, w r elke het bezit of het 
inkomen treffen en onder indirecte die, welke op be- 
paalde handelingen of gebeurtenissen slaan.-Deze onder- 
scheiding is er een naar den maatstaf der belasting. 

Het belastingobject is eveneens het criterium voor 
de onderscheiding van bezits-, verkeers- en verbruiks- 
belastingen. Belastingobject bij de bezitsbelastingen 
zijn de vermogenswaarden van het belastingsubject; 
bij de verkeersbelastingen is het een gebeurtenis in 
het rechtsverkeer, bij de verbruiksbelastingen een uit- 
gave van vermogensw T aarden. De verdeeling in reparti- 
tie- en quotiteitsbelasting hangt samen met de invor- 
deringswijze. Bij de quotiteits- of collectebelasting 
staat vooraf de belastingquote voor de contribua- 
belen vast, doch niet de totale opbrengst; bij de 
repartitiebelasting staat vooraf de totale opbrengst 
vast, die over de afzonderlijke belastingplichtigen 
volgens een of anderen maatstaf wordt verdeeld. 
Men spreekt verder van opbrengstbelasting, indien zij 
wordt geheven naar den maatstaf der opbrengst eener 
bepaalde zaak, zooals van een grondstuk of een 
fabriek, in tegenstelling tot inkomstenbelasting, die 
het inkomen van een persoon als maatstaf neemt. 

Van een verteringsbelasting is sprake, w r anneer 
geheven wordt naar den maatstaf van de vertering 


of van de uitgaven. Deze belastingen worden w’eer 
onderscheiden in verbruiksbelastingen en gebruiks- 
belastingen, naar gelang de maatstaf der heffing zaken 
zijn, die wel, respectievelijk die niet door het gebruik 
te niet gaan. Algemeene belastingen heeten zoodanige, 
die dienen tot dekking van de publieke uitgaven in 
het algemeen, bijv. de inkomstenbelasting; de bestem- 
mingsbelastingen daarentegen zijn wettelijk gereser- 
veerd voor bepaalde deelen der publieke uitgave, 
bijv. wegenbelasting. Een onderscheiding van geheel 
andere soort is die in rijks-, provinciale, gemeentelijke 
en waterschapsbelastingen, naar gelang van den 
belastingheffer. Men spreekt van evenredige belasting, 
indien eenzelfde percentage geheven wordt van ver- 
mogen, inkomen of ander belastingobject; van pro- 
gressieve heffingen, indien het percentage stijgt met 
de stijging van het belastbaar voorwerp. Degressieve 
belasting noemt men die heffing, welke niet een ver- 
hooging van belastingpercentage kent bij stijgend 
inkomen, vermogen of ander belastbaar voorwerp, 
doch vermindering van het normale tarief voor de 
geringere waarden. Bij deze belasting gaat depercen- 
tueele stijging over in evenredig percentage bij inko- 
mens, vermogens en andere belastbare objecten, die 
een bepaald bedrag te boven gaan. Men heeft de 
degressieve belasting w T el genoemd de progressieve 
heffing van boven naar beneden gezien. Omgekeerd- 
progressieve belastingen zijn die, waarbij grootere 
objecten relatief lager worden belast dan kleinere. 
> Bedrijfsbelasting. 

Algemeene beginselen der belastingheffing. 

De eischen, waaraan een goed belastingstelsel moet 
voldoen, woorden door de tegenwoordige schrijvers 
in steeds meer groepen onderverdeeld. Adam Smith 
stelde de volgende vier algemeene beginselen: 

a) de belastingplichtigen van eiken staat moeten 
in de uitgaven der regeering bijdragen, zooveel moge- 
lijk in verhouding tot hun krachten, d.i. in verhouding 
van het inkomen, dat zij onder de bescherming van 
den staat genieten; 

b) de belasting, die van iederen burger geheven 
wordt, moet zeker zijn en geen willekeurige. Het 
tijdstip, de wijze, de grootte der betaling, alles moet 
duidelijk en klaar zijn; 

c) elke belasting moet geheven worden op een tijd- 
stip en een wdjze, die de meest geschikte voor den 
belastingbetaler zijn; 

d) elke belasting moet zoodanig geheven woorden, 
dat aan de belastingschuldigen zoo weinig mogelijk 
onttrokken wordt boven hetgeen in ’s rijks schatkist valt. 

De eerste regel is er een van rechtvaardigheid; 
de drie andere „beginselen” Zijn slechts practische 
voorschriften. 

Tegenwoordig splitst men de „beginselen” in eischcn 
der financieele politiek en eischen der staathuishoud- 
kunde, en soms bovendien in eischen van recht en 
billijkheid. De eischen der staathuishoudkunde 
toetsen de belastingvoorschriften aan de volkswel- 
vaart, terwijl de financieele politiek de belastingen 
uitsluitend beoordeelt naar haar feitelijke opbrengst. 
Ideaal is het stelsel, waarin de drie groepen van 
beginselen volledig tot hun recht komen. Indien zulks 
niet mogelijk is en de beginselen in botsing komen, 
dienen de beginselen der rechtvaardigheid den voor- 
ang te genieten. Sommige schrijvers geven een zeer 
uitvoerige onderverdeeling. Zoo bezien zij de alge- 
meene, politieke, financieele, economische, sociale 
en belasting -technische eischen, voorts de ideale 


373 


Belastingen 


374 


eis chen voor de directe en de indirecte belastingen, 
om ten slotte belangrijke theoretische afzonderlijke 
vraagstukken te behandelen. In het algemeen kan men, 
zonder tot eenige onderverdeeling of zelfs tot eenige 
indeeling der beginselen in bepaalde categorieën 
over te gaan, voor een behoorlijk belastingstelsel 
eischen, dat alleen die uitgaven door belastingen 
worden gedekt, welke de belastingheffer niet kan 
bestrijden uit inkomsten, die hij uit domeinen, uit 
privaatrechtelijke handelingen of uit retributiën 
kan trekken. De belastingen moeten het vermogen 
onaangetast laten, d.i. uit het inkomen kunnen 
worden betaald en bovendien een zoodanig gedeelte 
van het inkomen onaangetast laten, dat hieruit na 
behoorlijke voorziening in de levensbehoeften kapitaal- 
vorming mogelijk is. De heffing is zoodanig in te 
richten, dat zij op geschikte tijdstippen, met de 
noodige soepelheid in betaling, plaats vindt en vol- 
doende mogelijkheid biedt voor uitstel van betaling. 
De inningskosten behooren slechts een gering percen- 
tage der opbrengst van elke afzonderlijke belasting 
te bedragen. Het spreekt vanzelf, dat de heffingen 
voldoende moeten zijn om de behoeften te dekken, 
de voortbrenging niet meer dienen te belemmeren dan 
onvermijdelijk is, de belastbare objecten niet mogen 
v ernietigen, een voldoende constante opbrengst moeten 
verzekeren, gemakkelijk voor verhooging of verlaging 
vatbaar en moeilijk te ontduiken moeten zijn. Een 
der voornaamste eischen is, dat de belasting in even- 
redigheid zij van ieders draagkracht, met name pro- 
gressief, zonder dat deze bijv. door progressie van 
progressie relatief te hoog wordt. Privilegiën, als gunst- 
betoon, en dubbele belasting mogen niet voorkomen. 
In een goed belastingstelsel zullen, naast heffingen 
van het inkomen, belastingen van niet noodzakelijke 
verteringen voorkomen. De inkomstenbelasting kan 
óf een algemeene zijn, welke de inkomsten uit alle 
permanente en niet-permanente bronnen gelijkelijk 
treft met een zelfde tarief, in acht nemend een normale 
progressie, die voor de opbrengsten der verschillende 
bronnen gelijk is, óf een schedulaire belasting, waarbij 
de opbrengsten van elke groep van bronnen (onroerende 
zaken, roerend kapitaal, onderneming en arbeid, 
enz.) afzonderlijk worden getroffen, al dan niet met 
afzonderlijke tarieven voor de verschillende groepen 
van bronnen, óf een schedulaire belasting en daar- 
boven nog een algemeene inkomstenbelasting, bij 
welke laatste de bijzondere factoren, die de draag- 
kracht beïnvloeden, tot uiting komen bij de vaststel- 
ling van het belastbaar object, zooals het gehuwd zijn, 
het kinderaantal, overige familieverplichtingen e.d. 
De verteringsbelastingen moeten geheven worden 
van voorwerpen van gebruik zooals bij de personeele 
belasting, en voorwerpen van verbruik, zooals bij de 
accijnzen. Een groote verscheidenheid van heffingen, 
in tegenstelling tot de te verwerpen enkelvoudige 
belasting (impöt unique) kan rekening houden met 
alle eischen van rechtvaardigheid, staathuishoudkunde 
en financieel beleid. 

Bankgeheim in belastingzaken bestaat in zoo- 
verre, dat de banken, tenzij het betreft een boeken- 
onderzoek naar de nakoming van hun eigen fiscale 
verplichtingen, niet verplicht zijn den fiscus in- 
lichtingen te verstrekken omtrent hetgeen zij weten 
nopens vermogen of financieele transacties van hun 
cliënten. Een bankgeheim bestaat niet in dezen 
zin, dat de fiscus de bedoelde gegevens niet bij de 
banken kan te weten komen. De belastingwetten 


zijn met name zoodanig, dat practisch elk oogenblik 
de belastingadministratie een onderzoek van boe 
ken en bescheiden bij elke bankinstelling kan ten uit- 
voer leggen, en alle gegevens omtrent cliënten ver- 
zamelen. Ministerieele voorschriften omtrent de 
vraag óf en hoe die gegevens mogen gebruikt worden, 
beteekenen practisch niets, daar zelfs bij strikte uit- 
voering dier voorschriften de cliënten er niet op kunnen 
rekenen, dat hun transacties geheim blijven en ver- 
volgens omdat de uitvoerende inspecteur zich er 
niet steeds aan houdt. Zoowel de zegelwet, als de 
wetten op de dividend- en tantièmebelasting, ver- 
mogens- en inkomstenbelasting e.a., geven den fiscus 
voldoende machtsmiddelen om, indien hij omtrent 
een bepaalden persoon gegevens wil hebben, zich deze 
bij de banken te verschaffen. Desnoods schakelt de 
fiscus de Justitie in, die door huiszoeking bij bepaalde 
banken de gewenschte gegevens bemachtigt. RusseL 

B) Belastingwetgeving in Nederland. 

1° Constructie van de heffingen. De belas- 
tingen (in economisclien zin), welke ten behoeve van 
het Rijk worden opgelegd, moeten worden geheven 
uit kracht van een wet (art. 176 Grondwet). Hieraan 
voldoen alle belastingen. Sommige zijn echter, hoewel 
geheven uit kracht van een wet, juridisch niet als 
zoodanig uitgewerkt, bijv. de vsch. crisisheffingen. 
Enkele rijksretributies zijn daarentegen juridisch wel 
als „belastingen” geconstrueerd. De Provinciale 
wet geeft algemeene regels ten aanzien van de 
belastingen, welke ten behoeve van een provin- 
cie worden opgelegd; deze moeten worden ge- 
heven uit kracht van een provinciale verordening. 
De Prov. wet schrijft voor, dat ook de provinciale 
retributies juridisch als provinciale „belastingen” 
moeten worden uitgewerkt. De Gemeentewet geeft 
algemeene regels ten aanzien van de belastingen, welke 
ten behoeve van een gemeente worden opgelegd ; 
zij moeten geheven worden uit kracht van een gemeen- 
telijke verordening, waarop voorafgaande koninklijke 
goedkeuring wordt vereischt. Ook de gemeentelijke 
retributies, zelfs de schoolgelden van bijzondere 
scholen, moeten juridisch als plaatselijke „belastingen” 
worden geconstrueerd. De wijze van heffen van water- 
schapslasten is overgelaten aan de reglementeerende 
bevoegdheid van de provinciale staten, die dit 
in de waterschapsreglementen moeten aangeven. De 
omstandigheid, dat een belasting in economischen 
zin juridisch niet als zoodanig is uitgewerkt, of dat 
een retributie wél als „belasting” is geconstrueerd, 
is van belang voor de berechting van overtredingen 
(overtreding van bel. in juridischen zin wordt berecht 
door de rechtbank), voor de toepassing der zegelwet, 
alsmede, bij plaatselijke bel. (zie den staat in kol. 375). 
voor de voorafgaande koninklijke goedkeuring, voor 
de invordering en de administratieve rechtspraak door 
den raad van beroep. 

2° Overzicht van de verschillende belastingen 
in economischen zin, welke in Ned. op 1 Jan. 1934 wor- 
den geheven. 

De belastingen, opgenomen onder nr. 23, 24 en 39 
zijn juridisch niet als „belasting” uitgewerkt; alle 
andere wel. Behalve deze laatste zijn tal van retribu- 
ties als „belasting” geconstrueerd (zie onder 1°), 
welke niet in het overzicht zijn opgenomen. — In 
den staat zijn de vlg. afkortingen gebezigd: 

Rijk = gewone dienst van het Rijk. Wegenf. = Wegen- 
fonds. Gem. fonds = Gemeentefonds. Gem. = Ge- 
meente. Prov. = Provincie. 


375 


Belastingen 


376 


Volg- 

num- 

Naam van de 
belasting 

Zij wordt 
geheven 

De opbrengst komt ten 
goede van 

Aanteekeningen 

mer 

door 

Hoofdsom 

Opcenten 

1 

Inkomstenbelasting 

Rijk 

Rijk 

Rijk 






Prov. 


2 

Gemeentefondsbelasting 

»» 

Gem .fonds 

Gem. fonds 





Gem. a) 

Gem. 

a) Voorzooveel be- 
treft het classifica- 






tie -verschil. 

3 

Vermogensbelasting 


Rijk 

Rijk 

Gem.fonds 

Gem. 

Prov. 


4 

Verdedigingsbelasting I 


„ 



6 

Rechten van successie, 
overgang en schenking 

,, 

»t 



6 

Grondbelasting 

» 

„ (voor y 4 ) 

Rijk b) 

b) Alleen opcenten 





Gem. 

op de gebouwde ei- 
gendommen. 




Gem. ( „ %) 

Prov. c) 

c) De prov. Fries- 
land heft onder den 






naam „bemalings- 
belasting” buiten- 






gewone opcenten op 






de ongebouwde ei- 
gendommen. 

7 

Dividend- en tantième-bel. 

« 

Rijk 

Rijk 





Gem. 


8 

Personeele belasting 

li 

Gem. 

Gem. 


9 

Invoerrechten 

II 

Rijk 

Rijk d) 

d) Alleen opcenten 
op goederen, welke, 
naar verwachting, 
in Ned. niet worden 






voortgebracht. 

10 

Statistiekrecht 

jj 

ii 




Accijnzen op: 





11 

Gedestilleerd 

*i 

>i 

ii 


12 

Wijn 


ii 

♦i 


13 

Bier 

„ 

ii 

ii 


14 

Tabak 

»» 

ii 

„ e) 

e) Alleen opcenten 
op den sigaretten- 






accijns. 

16 

Suiker 

*l 

n 

.. f) 

f) Bovendien op- 
centen als crisishef- 
fing (vgl. nr. 24). 

16 

Geslacht 


.. *) 



17 

Zout 

»l 

ii 



18 

Registratierechten 

♦> 

ii 



19 

Zegelrechten 

*1 

ii 

** s) 

g) Alleen opcenten 






op buitenlandsche 
effecten. 

20 

Bel. op gouden en zilveren 
werken 

11 

*i 



21 

Mijnrecht 

lï 

Gem. 



22 

Omzetbelasting. 

i» 

Rijk 




377 


Belastingen 


378 


Volg- 

num- 

Naam van de 
belasting 

Zij wordt 
geheven 

De opbrengst komt ten 
goede van 

Aanteeke- 

ningen 


door 



mer 


Hoofdsom 

Opcenten 

23 

Naturalisatiegelden h) 

Rijk 

Rijk 


h) De heffingen op- 
genomen onder de 






nrs. 23, 24 en 39 






zijn economisch be- 
lastingen, doch ju- 

24 

Crisisheffingen op tal van 
landbouwproducten h) 

*» 

Landbouw- 


ridisch niet als be- 
lastingen uitge- 



crisisfonds 


werkt. 

25 

Wegenbelasting 

» 

Wegenf. 



26 

Rij wiel belasting 

„ 



i) Wordt alleen ge- 

27 

Weggeld 

Prov. i) 

Prov. 


heven in de prov. 

Noord- Brabant en 
Groningen. 

28 

Wegen-, straat- en vaart - 
belasting j) 

Gemeente 

Gemeente 


j) De gemeenten heb- 

29 

Bou wterre inenbelasting 

»» 

»» 


den de bevoegdheid 

30 

Baatbelasting 

»» 

»» 


de onder nrs. 28-38 

31 

Vermakelijkheidsbelasting 


ii 


opgenomen bel. te 

32 

Hondenbelasting 

»» 

»» 


heffen: niet alle ge- 

33 

Zakelijke bel. op het bedrijf 

»» 

»» 


meenten heffen in- 

34 

Woonforensen belasting. 

» 

»» 


derdaad deze bel. 

35 

Vergunningsrecht 

»» 




36 

Logccrgas tenbclast i ng 

ï» 

jj 



37 

Brandverzekeringbelasting 

»* 

jj 



38 

Reclamebelasting. 

» 

Kamer van 

jj 

Kamer van 



39 

Heffingen voor de Kamers 




van Koophandel k) 

Koophandel 

Koophandel 


k) Zie aanteeke - 
ning h). 

40 

Waterschapslasten 

Waterschap 

Waterschap 




Bij de Staten-Generaal op 
1 Dec. 1933 aanhangig: 






Couponbelasting. 

Rijk 

Rijk 




Bel. van de doode hand 
Aangekondigd is : 

»» 





Crisisinkom. tenbelasting 

» 

»» 




Voor elk dezer bel. wordt naar de afzonderlijke trefwoorden verwezen. 


Tot de belastingwetgeving behooren o.a. ook nog de 
volgende wetten: wet tot bevordering van de > rich- 
tige heffing der directe bel.; wet op de invordering 
van de directe belastingen (-> Invordering); de wet 
regelende het opleggen van voorloopige aanslagen 
(> Aanslag); de wet, houdende een regeling betref- 
fende het -> overschrijden van in belastingwetten 
gestelde termijnen. 

3° Indeel ingen van de onder 2° opgenoroen 
bel. In staatsrechtelijken zin zijn direct bijv. de 
bel. onder nrs. 1 — 4, 6 en 8; i n d i r e c t, die onder 
nrs. 6. 7, 9 — 20, 22, 25, 26, enz. 

Bestemmingsheffingen, tevens > „bijdragen”, zijn de 
bel. onder nrs. 25 — 28, 30, 37 en 39. Bestemmings- 
heffingen zijn overigens (zonder te behooren tot de 
categorie der bijdragen): alle heffingen ten behoeve 
van het gemeentefonds (de bel. onder nr. 2 en de op- 
centen onder nrs. 2 en 3) en van het landbouw-crisis- 
fonds (de bel. onder nr. 24); verder de bel. nr. 10 (ten 


deele) en volgens sommigen nr. 40. De overige bel. 
zijn „algemeene heffinge n”. 

Voorbeelden van persoonlijke bel. zijn nrs. 1 — 4, 
23 en 34; van sakelijke bel. de nrs. 6, 9 — 21,24 — 33, 
35 — 38; van opbrengstbel. de nrs. 6, 7, 21, 31. Onder 
de bel. naar het inkomen vallen de nrs. 1, 2 en 23; 
onder die naar het vermogen de nrs. 3 — 5; onder ver- 
teringsbel. de nrs. 8, 9, 11 — 17, 20, 22, 24, 31, 32, 
34—36. 

4° Opbrengst van de verschillende bel. Over 
1928 bedroeg het totaal van alle Rijks-, provinciale en 
gemeentelijke bel. (behoudens van enkele kleinere 
heffingen, welke niet worden gepubliceerd) : 
815 987 000 gld. Hieronder Ls begrepen aan „bijdragen” 
29 118 000 gld. Van de overige 787 869 000 gld. werd 
opgebracht door de bel. naar het inkomen: 278 938 000 
gld. (35,4%); bel. naar het vermogen 83613000 gld. 
(10,6%); Verteringsbel. 289 845 000 gld. (36,7%); 
en overige heffingen 135 473 000 (17,3%). 


379 


Belastingen 


380 


Sinds 1928 is echter veel veranderd; de opbrengst 
van de bel. naar inkomen en vermogen is sterk ge- 
daald; bestaande verteringsbelastingen zijn verhoogd 
en nieuwe ingevoerd. Onder de laatste zijn er, die om 
> nevendoeleinden werden ingesteld, en mede daardoor 
weinig rekening houden met draagkracht, o.a. de 
•> crisisheffingen (opbrengst geraamd op zeker 
150 000 000 gld.). De begroote opbrengsten per groep, 
als boven zijn gegeven, kunnen over 1933 en ’34 niet 
worden vermeld, omdat deze t.a.v. de provinciale en 
plaatselijke bel. alsmede t.a.v. enkele rijksbelastingen 
niet worden gepubliceerd. Zooveel mogeiijk worden de 
laatst bekende opbrengsten van elke bel. bij de afzon- 
derlijke trefwoorden opgenomen. 

L i t. : Over do opbrengst der bel. : Statistiek der 
Rijksfinanciën (div. jaren) ; Statistiek der gemeente- 
financiën (div. jaren). Smeets. 

Belastingwetgeving in Ned. Indië. 

De bevoegdheid tot belast ingheff en komt in N.I. 
toe aan het Land, Gewestelijke en Locale Raden ( > De- 
centralisatie), Landschappen en Waterschappen. De 
landsbelastingen worden bij Ordonnantie vastgesteld 
en in de Begrooting opgenomen, zoodat de Staten - 
Generaal het laatste woord er over hebben. Belastingen 
en opcenten op de landsbelastingen, geheven door 
Gewestelijke Raden etc., behoeven de goedkeuring der 
Regeer ing. Landsbelastingen zijn te verdeden in: 
1 ° d i r e c t e b e 1 a s t i n g e n. a) De op alle be- 
volkingsklassen drukkende Inkomstenbe- 
lasting (laatstelijk geregeld bij Ordonn. 1932 
Stbl. no. 111), sedert 1922 vermeerderd met op- 
centen (natuurl. pers. 30, na 1927 24, rechtspers. en 
andere lichamen 20) en sedert de tweede helft van 1932 
met een tijdelijke crisisheffing, b) Personeele 
belasting, dateerend van 1 Januari 1879, sedert 
1 Januari 1920 (Stbl. no. 679) op alle bevolkings- 
klassen drukkend, uitgez. hoofden en inl. vaste inge- 
zetenen der vrije dessa ’s op Java en Madoera en de 
zgn. > perdikanlieden (Stbl. 1926 no. 329). c) 
Vennootschapsbelasting (1 Januari 
1925), in 1925 vermeerderd met 25, in 1930 met 20 
opcenten, d) Grondbelasting, te verdeden in: 
1° verponding, geheven van onr. goed, waarop Eur. 
eigendom of ander zakelijk recht rust of dat bezeten is 
krachtens titel, ontleend aan beschikking van het Br. 
Gouvernement (18 Sept. 1811 — 19 Aug. 1816); 2° In- 
landsche verponding, geheven van gronden op de 
hoofdplaatsen, waarop inl. bezitrecht of agrar. eigen- 
dom rust; 3° Landrente, geheven op Java en Madoera 
(niet in de Vorstenlanden) van gronden, buiten de 
hoofdplaatsen, waarop inl. bezitrecht of agrar. eigen- 
dom nist (> Landrente). Voor droge gronden berekend 
naar de grondwaarde; voor sawahs wordt een deel van 
het product geheven, alzoo een oogstbelasting. e) 
Sedert 1 Januari 1 932 wordt Vermogensbe- 
lasting geheven van alle inwoners van N.I. en 
niet-ürwonenden, die aldaar eigendommen, schuld- 
vorderingen door hypotheek verzekerd, bedrijf of 
beroep voor langer dan 3 maanden hebben. Vermogens 
onder 25 000 gld. zijn vrijgesteld (Ordonn. 1931 Stbl. 
nr. 405). f) Motorvoertuigenbelasting 
1° voor de Buitengewesten (Stbl. 1933 no. 36); 2° voor 
Java en Madoera (Stbl. 1933 no. 111). 

2° Indirecte belastingen, zooals: in- en 
uitvoerrechten en accijnzen (met wettelijk vastgestelde 
tarieven). Voor in- en uitvoerrechten zijn de artikelen 
speciaal aangewezen. Accijns is verschuldigd voor 
tabak, lucifers, petroleum en inl. gedestilleerd. Indi- 


recte belastingen zijn voorts: statistiekrecht (1 Mei 
1925); rechten van successie en overgang bij over- 
lijden (sedert 1836); rechten van overschrijving van 
recht van (niet-agrar.) eigendom en opstal (1 Aug. 
1924); vergunning tot het houden van Chin. speel- of 
dobbeltafels (1912); vergunning tot het houden van 
pandhuis of bank van leening in gew. Riouw, Amboina, 
Timor en ass. res. N.Guinee (1869); Zegelrecht (1921), 
hooger dan in Ned., wijl in N.l. geen registratiebelas- 
ting bestaat; slachtbelastingen in verschill. deelen 
van N.I.; bel. op de vischvijvers (1893); bel. voor 
aanleg en onderhoud der wegen ter hoofdplaats Ben- 
koelen (1876); bel. op de uitvoerproducten (gom, hars, 
peper, pinang, vogelnestjes etc.) v.h. eiland We (1901); 
bel. op het uitgraven van diamant in res. Z. en O. afd. 
van Bomeo (1861); bel. op sago, klappers, copra en 
klapperolie op Riouw en O. (1913); bel. ter vervan- 
ging van heerendiensten in onderafd. Makassar (1891); 
bel. 1/10 van het rijstgewas in gouvemem. Celebes 
en O. (1893); vogelbelasting in Z.Nieuw-Guinee (1 
Jan. 1928); loterijbelasting (1923); heffing van vendu - 
salaris bij openb. verkoopingen (1908); heffing van 
1 / ïooo voor de armen bij openb. verkoopingen (Gen. 
Resolutie v.h. Kasteel Batavia 22 Febr. 1745). 

In de Vorstenlanden: a) motorrijtuigenbei . (1925); 

b) vermakelijkheidsbelasting, 20% v.d. entrée (1925): 

c) vergunningsbel. (1926). B. Damen. 

Belastingwetgeving in Suriname. 

De navolgende directe en indirecte belastingen woor- 
den geheven: 

1° inkomstenbelasting; 

2° belasting op de huurwaarde van gebouwen met 
de daarbij behoorende erven; 

3° paardengeld; 

4° accijns op het binnenlandsch gedestilleerd; 

5° recht op verlofbewijzen tot verkoop van gedes- 
tilleerd ; 

6° invoerrechten; 

7° opcenten op de invoerrechten; 

8° belasting op goud; 

9° belasting op bauxiet ; 

10° belasting op lucifers; 

11° zegelrechten; 

12° geneeskundige belasting; 

13° successie- en overgangsrechten; 

14° hondenbelasting; 

15° rij- en voertuigenbelasting; 

16° belasting op publieke vermakelijkheden; 

17° heffingen in het bijzonder voor den aanleg, het 
onderhoud en de verbetering van straten en wegen. 

De voornaamste dezer heffingen zijn de invoerrech- 
ten, die voor het dienstjaar 1934 op 1 450 000 gld., 
de inkomstenbelasting, die voor dat dienstjaar op 
365 000 gld., de opcenten op de invoerrechten alsmede 
de zegelrechten, die resp. op 362 000 gld. en 88 000 
gld. zijn geraamd. 

Belastingwetgeving op Cura^ao. 

In de volgorde der begrooting zijn de belastingen de 
volgende: 

1° invoerrecht; 

2° accijns op gedestilleerd; 

3° accijns op geslacht; 

4° zegelbelasting; 

5° overdrachtsbelasting; 

6° belasting op openbare verkoopingen van roe- 
rend goed; 

7° grondbelasting; 

8° gebruiksbelasting; 


381 


Belastingen 


382 


9° inkomstenbelasting; 

10° successiebelasting; 

11° vergunningsrecht; 

12° hondenbelasting; 

13° motorrijtuig-, rijwiel- en motorbootbelasting; 

Deze opsomming geldt voor de geheele eilandengroep , 
die onder de benaming Cura<;ao bekend is, met name: 
CuraQao, Aruba, Bonaire, St. Martin (Ned. gedeelte), 
St. Eustatius, Saba, met dien verstande, dat al die 
heffingen gelden voor Curacao zelf en alle, met uit- 
zondering van 3° en 6° voor Aruba. Voor Bonaire 
worden niet geheven 3°, 5°, 6°, 8° en 10°. Voor St. 
Eustatins en Saba bestaan alleen de onder 1°, 2°, 4°, 
11° en 12° genoemde; voor St. Martin alleen de onder 
1°, 4°, 11° en 12° vermelde belastingen. De voornaamste 
belastingen zijn de invoerrechten, het accijns op ge- 
destilleerd, de inkomsten- en grondbelasting. Russel. 

C) Organisatie van den belastingdienst. 

Aan het hoofd van den dienst der bel. staat de direc- 
teur-generaal der belastingen. Aan het departement 
van Financiën ressorteeren onder hem vijf afdeeJingen 
(centrale directie, directe bel., indirecte bel., invoer- 
rechten en accijnzen, hypotheken en kadaster). Buiten 
het departement zijn onder leiding van den directeur- 
generaal der belastingen werkzaam drie diensten, nl. 
1° van de directe belasting, invoerrechten en accijn- 
zen; 2° van de registratie en domeinen; 3° van het 
kadaster. 

1° De dienst van de directe bel., invoer- 
rechten en accijnzen is belast met de uit- 
voering van de wetten betreffende bel. naar inkomen 
en vermogen, invoerrechten, accijnzen, grond-, perso- 
neele omzetbel., wegen-, rijwiel-, waarborgbelasting, 
recht op de mijnen, enz., met dien verstande, dat de 
dienst der registratie en domeinen eveneens de bel. 
naar inkomen en vermogen behandelt. De dienst van 
de dir. bel., inv. en acc. telt 9 directies (Amsterdam, 
Rotterdam, Utrecht, Breda, Den Bosch, Maastricht, 
Arnhem, Zwolle en Groningen). Elke directie is ver- 
deeld in inspecties; de inspecties hebben een afzon- 
derlijke taak, die ófwel ligt op het gebied der dir. 
bel. óf op dat der invoerr. en acc. waar- 
onder ook de omzetbel. valt). Er zijn 88 inspecties 
der dir. bel., 31 insp. der inv. en acc. en 4 sub- 
inspecties der inv. en acc. Aan het hoofd van een 
inspectie staat een hoofdnspecteur of inspecteur aan 
wien inspecteurs enoms ontvangers, alsmede admi- 
nistratief personeel zijn toegevoegd. In elke inspectie 
zijn een of meer ontvangkantoren (260 in het 
geheele land). Aan een kantoor der dir. bel. 
is de invordering van de dir. bel. opgedragen, 
alsmede de inning van de wegenbelasting, school- 
geld e.a.; aan een 12-tal kantoren mede de inning 
van de dividend- en tantièmeb. Op een kantoor der 
accijnzen geschieden de werkzaamheden voor de inning 
der acc. en der omzetbel.; op een kantoor der invoer- 
rechten de toepassing van de tariefwet en de inning van 
de invoerr. De «meeste kantoren hebben een ge- 
mengde taak, zij heeten dan kantoren der dir. bel., 
inv. en acc., of der dir. bel. en acc. Bovendien zijn 
op 73 plaatsen aan de grens kleinere kantoren uitslui- 
tend voor de invoerrechten gevestigd, genaamd grens- 
kantoren. Op ruim 800 plaatsen in het land zijn ver- 
der gevestigd stationnementen van den acticven 
dienst, welks ambtenaren met verschillende werk- 
zaamheden buiten de kantoren zijn belast, bijv. met 
bewaking van de grenzen, controle van de aangiften 
ten in-, uit- en doorvoer, uitvoering van de accijns- 


wetten, verzamelen van gegevens voor de aanslag - 
regeling der dir. bel., de invordering (deurwaarders), 
schatten van de waarde van meubilair, auto’s enz. 
De contróle van de aangiften ten in-, uit- en doorvoer 
geschiedt in hoofdzaak in secties van de invoerrechten 
en accijnzen. 

Onder de directies ressorteeren verder nog: a) de 
accountantsbureau ’s (totaal 18), belast met de con- 
trole der boekhoudingen ten dienste van verschillende 
bel.; b) de controles der grondbelasting (totaal 16) 
tot uitvoering van de wet op de grondbelasting; c) 
de controles van den waarborg en de belasting der gou- 
den en zilveren werken (totaal 8). 

2° De dienst der registratie en domei- 
nen is belast met de uitvoering van de wetge- 
ving betreffende successie-, registratie-, zegel - 
belasting, hypotheken en gedeeltelijk de bel. naar 
inkomen en vermogen. 

Er zijn zes directies (Amsterdam, Den Haag, Mid- 
delburg, Maastricht, Arnhem en I eeuw r arden). De 
directies zijn onderverdeeld in inspecties (totaal 48), 
belast met aanslagregeling van de bel. naar inkomen 
en vermogen en met toezicht op naleving van andere 
wetten. In elke inspectie zijn een of meer ontvangkanto- 
ren (totaal 109), belast met de toepassing van de succes- 
sie-, registratie- en zegelw r et, de inning dezer bel. en het 
beheer van de domeinen, en gew T oonlijk een hypo- 
theekkantoor, aan welks hoofd staat een bewaarder 
van de hypotheken, het kadaster en de scheepsbewijzen 
(totaal 34). Op 6 plaatsen is een hypotheekkantoor 
gecombineerd met een ontvangkantoor. 

3° De dienst van het kadaster is belast met 
de opmetingen op het terrein ten behoeve van het 
kadaster. Er zijn 7 divisies (Amsterdam, Den Haag, 
Breda, Arnhem, Utrecht, Assen en Groningen), aan 
welker hoofd een ingenieur -verificateur staat. In elke 
divisie zijn verschillende standplaatsen (c.q. bureau ’s) 
van landmeters (totaal 36). 

In 1931 is een reorganisatie van den belastingdienst 
aanhangig geweest, welke in hoofdzaak hierop zou 
neerkomen, dat de inv. en acc. een afzonderlijke dienst 
zouden worden, terwijl de dir. bel. en de reg. en dom. 
zouden worden samengevoegd. De beslissing hierom- 
trent is uitgesteld. Smeets . 

II. België. 

Begripsbepaling. 

B. is een verstrekking in geld, in natura of in werk, 
die door een publiekrechtelijke macht aan de particu- 
lieren w r ordt opgelegd voor het dekken van uitgaven 
van algemeen of plaatselijk nut. Het oude recht kende 
hoofdzakelijk prestaties in natura of in werklevering 
bijv. de tienden en de karweien. In het moderne recht 
hebben de b. hoofdzakelijk een geldelijk karakter, 
behalve bijv. de zgn. militaire verstrekkingen alsook 
zekere werkleveringen, opgelegd voor het onderhond 
der buurtwegen (Wet 10 April 1841). B. veronderstelt 
dus een verstrekking, die wordt opgelegd door het 
gezag en waarvan de opbrengst wordt aangewend tot 
het bekostigen van openbare diensten. Ontbreekt een 
van die karakters, dan is er geen b. (Hof v. verbr. 
11 Dec. 1869). Hieruit volgt, dat het belastingrecht 
of fiskaal recht behoort tot het publiek recht. Het 
vermogen om belastingen te heffen is een van de 
eigenschappen van het „imperium”. Hieruit volgt 
eveneens, dat de zgn. vergeld ingstaksen, zooals bijv. 
de plaatsgelden in de hallen, jaarmarkten of slacht- 
huizen, het standgeld op den openbaren weg, de waag-,. 


383 


Belastingen 


384 


meet- en peilgelden, geen eigenlijke b. zijn; zij zijn 
de betaling van een bewezen dienst. 

Grondwettelijke regelen. 

De grondslagen van de Belgische belastingspolitiek 
zijn neergelegd in de art. 110 vlg. van de Grondwet. 

a) Het hoofdbeginsel is de gelijkheid van alle 
belastingschuldigen: geen voorrechten kunnen op het 
stuk van b. worden verleend; geen vrijstelling of 
vermindering van b. kan worden toegestaan dan uit 
kracht van een wet (art. 112). Beoogd wordt hier 
vooral het voorkomen van zekere privilegiën, die 
tijdens het oud regime de b. op ongehjke mate onder 
de belastingschuldigen verdeelden. In dien zin is art. 
112 het gevolg van art. 6 van de Grondwet, dat het 
onderscheid van standen in den Staat afschaft en alle 
Belgen gelijk verklaart voor de wet. Het beginsel van 
de gelijkheid der belastingschuldigen belet niet, dat 
de wetgever bepaalde bronnen van inkomsten of be- 
paalde categorieën van personen zou belasten. Alleen 
wordt geëischt, dat alle schatplichtigen, die zich 
in dezelfde voorwaarden bevinden, gelijk zouden 
worden belast. 

b) De b. van den Staat worden ingevoerd bij een 
wet, die van de provinciën en van de gemeenten worden 
respectievelijk ingevoerd met de toestemming van 
den provincialen raad en van den gemeenteraad 
(art. 110). Die bepaling vindt haren oorsprong in de 
Constitutie van 3 Sept. 1791: „Tous les citoyens ont 
le droit de constater, par eux-mêmes ou par leurs 
représentants, la nécessité de la contribution publique, 
de la consentir librement, d’en suivre 1’emploi et 
d’en déterminer la quotité, 1’assiette et le recouvre- 
rnent.” Evenals er in het strafrecht geen straf is zonder 
wet, zoo ook is er in het fiskaal recht geen b. zonder 
wet. Uit dit beginsel moet worden afgeleid, dat de 
belastingwetten niet analogisch mogen toegepast 
worden. De analogische toepassing van den tekst mag 
echter niet verward worden met de extensieve ver- 
klaring daarvan. Deze is in fiskaal recht evenals op 
andere rechtsgebieden geldig. Uit ditzelfde beginsel 
moet nog worden afgeleid, dat in geval van twijfel 
de fiskale wet ten voordeele van den belastingschuldige 
moet uitgelegd worden: In dubiis contra fiscum. 

~c) De b. van het Rijk worden elk jaar bij stemming 
vastgesteld (art. 111). In strijd met het algemeen 
beginsel luidens hetwelk de wetten van kracht blijven 
tot hun afschaffing, hebben de b. -wetten maar kracht 
voor één jaar (zie de wet van 15 Mei 1846). 

d) De b. -wetten behooren tot de openbare orde. 
Aldus zijn zonder gevolg de dadingen tusschen den 
Staat en den belastingschuldige getroffen, en kan door 
dezen laatste geen compensatie worden ingeroepen. 
Uit het karakter van openbare orde vloeit eveneens 
voort het positiefrechtelijk verbod de b. te ontduiken 
of overeenkomsten te treffen met het doel ontduikin- 
gen te bevorderen. Er is echter geen ontduiking, 
wanneer de belastingschuldige, die de keus heeft 
tusschen twee bewerkingen, diegene verkiest, die 
fiskaal het voordeeligste is. 

e) De b. -wetten hebben geen terugwerkende kracht. 
Het niet-retroactiviteitsbeginsel vindt zijn grondslag 
niet in de Grondwet, maar in artikel 2 van het Burger- 
lijk Wetboek, dat op alle wetten toepasselijk is, 
tenzij de wetgever er anders over beslist. De wetgever 
kan dus van het niet-retroactiviteitsbeginsel af zien 
en aan een bepaalde belasting terugwerkende kracht 


verleenen, zulks zou hij dan uitdrukkelijk moeten 
verklaren. 

Vordceling der b. en bestaande soorten van be- 
lasting. 

Men onderscheidt: 1° de staatsbelastingen; 2° de 
provinciale en gemeentelijke belastingen. Hier wordt 
alleen gehandeld over de staatsbelastingen. De > pro- 
vinciale en -v gemeentelijke b. maken het voorwerp 
uit van een afzonderlijk artikel. 

Vroeger werden b. ingedeeld in omslagbelastingen 
en quotiteitsbelastingcn. Omslagbelastin- 
gen zijn die, waarvan jaarlijks „ne varietur” het 
bedrag door de wet op voorhand wordt vastgesteld en 
over de belastingschuldigen verdeeld naar rato van 
hun inkomsten, vermogens of bezittingen. Vóór de 
wet van 7 Juni 1867 was de grondbelasting in België 
een omslagbelasting. De globale opbrengst werd 
jaarlijks door de wet op voorhand vastgesteld en 
verdeeld over de negen provinciën van het Rijk. De 
provinciale overheid verdeelde ze over de gemeenten, 
die op hun beurt het aandeel van iederen ingezetene 
bepaalden. Dit systeem, reeds gehuldigd door de wet 
van 3 Frimaire jaar VII, is thans in België voor de 
Staatsbelastingen afgeschaft. De provinciën en ge- 
meenten kunnen nog omslagbelastingen innen, alhoe- 
wel zulks niet geschiedt. Quotiteitsbelas- 
t i n g e n zijn die, waarvan de wetgever alleen het 
tarief vaststelt, zonder vooraf bepaling van de 
opbrengst. Deze wordt alleen bij benadering beraamd 
in de begrooting van ’s Lands Middelen. Een andere 
indeeling, die klassiek is en van den beginne af door 
het Belgisch Beheer werd gebezigd, is die tusschen 
de rechtstreeksche en de onrecht- 
streeksche b. Onder rechtstreeksche b. verstaat 
men die, welke, geïnd volgens nominatief opgestelde 
kohieren, gelegd worden op dc goederen zelf of op de 
inkomsten, die zij afwerpen. Onrechtstreeksche b., 
integendeel, woorden geheven bij den juridischen om- 
loop of omzet der goederen, zooals de fabricatie, den 
verkoop, het vervoer, den in- en uitvoer en het ver- 
bruik (Instructie van 8 Jan. 1790 gehecht aan het 
Decreet van 31 December 1789). 

Deze indeeling is nog steeds de grondslag van de 
organisatie van het belastingenbeheer. De belasting- 
soorten, die er onder gerangschikt zijn, hebben echter 
een zeer belangrijke evolutie ondergaan. 

Voor den oorlog kende men als rechtstreeksche 
belastingen: a) de grondlasten, van Fransch-revolu- 
tionnairen oorsprong (wet van 3 Frimaire VII); 
b) de personeele b. uit het Hollandsch tijdvak over- 
genomen (wet 28 Juni 1822): deze laatste had een 
indiciair karakter en werd gelegd op het vermoedelijk 
inkomen, bepaald volgens zekere kenteekens nl. de 
huurwaarde der woonhuizen, de deuren en vensters, 
de haardsteden, het mobilair, het dienstpersoneel en 
de paarden. Door een wet van 26 Juli 1879 werden de 
haardsteden aan de personeele b. onttrokken; c) het 
patentrecht, eveneens van Fransch-revolutionnairen 
oorsprong (wet van 2 — 17 Maart 1791) en gelegd op 
het uitoefenen van handel, bedrijf, nijverheid, ambacht 
of slijterij. Na den oorlog w r erd dit systeem heelemaal 
uiteengerukt. De personeele b. op de huurwaarde der 
woonhuizen, de deuren en vensters, evenals het patent- 
recht w r erden af geschaft en vervangen door een nieuw 
belastingstelsel, dat hoofdzakelijk aan de Engelsche 
„income-tax” is ontleend. Dit stelsel, opgebouwd 
door de wet van 29 October 1919, onderwerpt aan de b. 


385 


Belastingen 


386 


de inkomsten van onroerende goederen (grondb.), 
van roerende kapitalen (mobiliënb.) en van de uit- 
oefening van een bedrijf (bedrijfsb.). Daarenboven 
voorziet zij een aanvullende b. op het globaal inkomen 
(supertaks). 

Achteraf werd deze taks afgeschaft en vervangen 
door een aanvullende personeele b. (wet 13 Juli 1930). 
Deze laatste, evenals de vooroorlogsche personeele b., 
heeft een indiciair karakter en beteekent dus, in een 
zekere mate althans, een terugkeer tot het vorige 
regime. 

De verschillende soorten van onrechtstreeksche b. 
zijn nagenoeg dezelfde gebleven, alleen werd hun 
veld van toepassing verbreed en werden de tarieven 
aanzienlijk verhoogd. Nochtans dient een nieuwe 
soort van onrechtstreeksche b. aangestipt nl. de 
> „Taksen met het zegel gelijkgesteld”, waardoor de 
juridische omloop van alle roerende voorwerpen wordt 
belast. 

In het thans van kracht zijnde regime zijn onder de 
rechtstreeksche b. gerangschikt: 

1° de inkomstenbelastingen, omvattende de grond- 
belasting, de mobiliënbelasting, de bedrijfsbelasting, 
de aanvullende personeele belasting en de crisis- 
belasting; 2° de b. op het mobilair; 3° de b. op de 
automobielen en andere motor- of stoomvoertuigen; 
4° de b. op de openbare vertoon ingen of vermakelijk- 
heden; 5° de b. op de spelen en weddenschappen; 
6° de b. op het openen van slijterijen van gegiste of 
geestrijke dranken; 7° de b. op de verhuring van jacht, 
vogel- en vischvangst. 

De onrechtstreeksche b. omvatten: 

1° de tol- en accijnsrechten en den verbniikstaks op 
de schuimdranken; 2° de registratierechten; 3° de 
hypotheekrechten (omschrijving en inschrijvings- 
rechten) en griffierechten; 4° de successierechten en den 
taks op de vereenigingen zonder winstbejag; 6° de 
zegelrechten; 6° de taksen met het zegel gelijkgesteld. 
Deze laatste werden na den oorlog als nieuwe bronnen 
van inkomsten in het leven geroepen om de zware 
staatsschulden te delgen en de begrooting in evenwicht 
te brengen. Zij omvatten onder meer: de overdracht-, 
factuur- en w eeldetaksen ; den taks op de vervoer- 
overeen komsten en op de verhuring van roerende 
voorwerpen; den taks op de beursverrichtingen; den 
taks op de voorschotten in banken; den taks op de 
verzekeringscontracten en op de aanplakkingen. 

Opbrengst der belastingen. 

De economisten zijn het niet eens over de vraag, 
welke soort van b. economisch de beste is. Sommigen 
geven de voorkeur aan de rechtstreeksche b., zooals 
o.m. Pesch (Lehrbuch der Nationalökonomie III, 
760), die ze als ideaal beschouwt, op voorwaarde dat 
ze een progressief karakter hebben. Anderen in tegen- 
deel geven de voorkeur aan de onrechtstreeksche b., 
waarvan de verdeel ing gelijkmatiger is en de inning 
gemakkelijker. ïn België hadden in den loop der 19e 
eeuw de rechtstreeksche b. het overwicht. Sinds 1860 
nochtans ziet men geleidelijk de opbrengst van de 
onrechtstreeksche b. stijgen, in die mate dat ze in 1905 
reeds de opbrengst der rechtstreeksche b. met 71 mil- 
lioen overtrof. Na den oorlog zijn de onrechtstreek- 
sche b. veruit de voornaamste bron van de staats- 
inkomsten gewerden. 

Zie onderstaande tabel van de ontvangsten van het 
belastingjaar 1932. 


1° Rechtstreeksche 

a) Grondbelasting 

b) Mobiliënbelasting . . . . 

c) Bedrijfsbelasting .... 

d) Aanvullende personeele be- 
lastingen 

e) Taks op het mobilair . . 

f) Taks op jacht en vischvangst 

g) Taks op de automobielen 

h) Taks op de vermakelijkheden 

i) Taks op de spelen en wedden- 
schappen 

j) Taks op het openen van 

drankslijterijen 


belastingen. 
329.430.062.76 frs. 
604.777.786,44 „ 
523.218.846,47 „ 


86.849.815,98 „ 
13.075.484,39 „ 
1.718.554,87 „ 
95.033.006,13 „ 
63.703.308,76 ,, 


41.928.420,62 „ 


29.319.689,58 „ 


1.779.054.976,— frs. 


2° Onrechtstreeksche belastingen. 

a) Tolrechten 1.656.128.664,29 frs. 

b) Accijnzen 819.327.101,35 „ 

c) Verbniikstaks op de schuim- 
dranken 241.500.341,60 „ 

d) Registratierechten . . . 625.833.945,60 „ 

e) Griffierechten 9.065.200,81 „ 

f) Hypotheekrechten .... 13.036.809,47 „ 

g) Successierechten .... 212.108.637,28 „ 

h) Met het zegel gelijkgestelde 

taksen 1.855.302.686,79 „ 

i) Taks op do vereenigingen 

zonder winstbejag . . . 2.376.812,69 „ 

6.234.670.098,88 frs. 


Algemeen totaal: 

Rechtstreeksche belastingen 1.779.054.976. — frs. 
Onrechtstreeksche belastingen 6.234.670.098,88 „ 

!) 7.013.725.074,88 frs. 


J ) Cijfers genomen uit den „Moniteur” van 28 Mei 
1933, blz. 2765. 

De onrechtstreeksche b. verzekeren dus aan den Belg. 
Staat een inkomen, dat circa driemaal zoo hoog is als 
dat van de rechtstreeksche b. Het zegelrecht en de 
met het zegel gelijkgestelde taksen verzekeren, zij 
alleen, een grooter inkomen dan al de rechtstreeksche 
b. samen. In de meest kritieke dagen van de financieele 
crisis bezorgden zij aan den Staat een inkomen van 
circa 7 millioen frank per dag (R. Symoens, La Taxe 
de Transmission et les lmpóts connexes, blz. 7). 

Belastingdiensten. 

De inning van de staatsbelastingen behoort tot de 
bevoegdheid van de uitvoerende macht en geschiedt 
onder toezicht van den minister van Financiën, door 
het Beheer der rechtstreeksche belastingen, door dat 
van tol en accijnzen en door dat van Registratie en 
Domeinen. De opbrengst der b. wordt door de ont- 
vangers gestort in de kassen van de Nationale Bank, 
onder toezicht van de agenten der schatkist. 

A) Beheer der rechtstreeksche b. Naast het Midden- 
bestuur, dat deel uitmaakt van de centrale diensten 
van het ministerie van Financiën, omvat het Beheer 
der rechtstreeksche b. plaatselijke diensten, die ver- 
deeld zijn over 12 directies, nl. één per provincie met 
uitzondering van Brabant, Antwerpen en Henegouwen, 
die elk twee directies tellen. Elke directie omvat op 


IV. 1* 


387 


Belastingen 


388 


haar beurt een zeker aantal inspecties, verdeeld in 
controle -gebied en en ontvangerijen. 

Kauw verband houdend met de directies van de 
rechtstreeksche b. zijn de diensten der bewaarders van 
het Kadaster. Deze zijn ten getale van 31 nl. één per 
provincie, uitgezonderd voor Brabant en Henegouwen, 
die elk twee bewaarders tellen. Elke dienst wordt 
verdeeld in een zeker aantal gebieden aan het hoofd 
waarvan een landmeter van het kadaster staat. Het 
toezicht is toevertrouwd aan controleurs, waarvan het 
aantal verschilt naar de belangrijkheid van den dienst. 

B) Beheer van Tol en Accijnzen. De speciale en 
technische diensten, hoofdzakelijk belast met het 
voorbereiden en de uitvoering der wetten, het onder- 
zoek der betwiste zaken, het toezicht op de ontvangers 
en het opmaken van de handelsstatistiek belmoren tot 
het Middenbestuur. De gewone diensten zijn verdeeld 
in zes plaatselijke directies met elk een zeker aantal 
contrölegebieden, op hun beurt verdeeld in ontvange- 
rijen. 

C) Beheer van Registratie en Domeinen. Heefteen 
dubbele bevoegdheid nl. de administratie van het 
privaat domein van den Staat (Beheer der Domeinen) 
en de administratie van registratie-, zegel-, hypo- 
theek-, successie- en griffierechten, alsook van de 
met het zegel gelijkgestelde taksen (Beheer der 
registratie). De plaatselijke diensten zijn ingedeeld 
in negen directies met elk een zeker aantal ontvange- 
rijen, minstens één per gerechtelijk kanton. 

Het toezicht is toevertrouwd aan ambtenaars, die 
volgens hun hiërarch ischen graad, inspecteur of 
verificateur worden genaamd. Het toezicht van de 
taksen met het zegel gelijkgesteld behoort bij speciale 
controleurs, die den titel voeren van controleur der 
overdracht- en weeldetaksen. Voor de bewaring van 
de hypotheken bestaat er in beginsel een kantoor in 
ieder gerechtelijk arrondissement. 

Proceduur en strafrecht. 

Voor de invordering der rechtstreeksche b. wordt 
door den controleur de aanslag vastgesteld op voet 
van de aangifte van den belastingschuldige, mits 
deze aangifte juist bevonden werd. Tegen den aanslag 
kan de belastingschuldige bezwaar indienen bij den 
directeur van het gebied. Deze vaardigt een beslissing 
uit tegen dewelke beroep kan aangeteekend worden 
bij het Hof van beroep. Wordt de aangifte van den 
belastingschuldige onjuist bevonden, dan kan de 
controleur ze verbeteren, doch in dit geval doet hij, 
alvorens den aanslag vast te stellen, aan den belang- 
hebbende kennen, welk cijfer hij van plan is in plaats 
van het aangegeven cijfer te stellen, tevens geeft hij 
de redenen aan van de aangebrachte wijziging. 

Wordt er geen aangifte gedaan, dan gaat de contro- 
leur over tot een aanslag van ambtswege, na het 
advies te hebben ingewonnen van een fiskale commissie. 
Voor de onrechtstreeksche belastingen wordt, bij 
niet toepassing of onvoldoende toepassing van het 
eischbaar recht, door het Beheer een dwangbevel 
uitgevaardigd, waartegen de belastingschuldige kan 
in verzet komen. De zaak wordt dan door hem voor de 
gewone rechtbank aanhangig gemaakt, volgens de 
regelen van de burgerlijke rechtsvordering. 

Strafbepalingen. Voor de rechtstreeksche b. is 
voorzien een fiskale boete van 500 frs. tot 1 000 frs. 
wegens de niet-naleving van de wettelijke voorschrif- 
ten, o.m., wanneer geen aangifte wordt gedaan. 
Valschheid en gebruik van valsche stukken, met het 
inzicht de belasting te ontduiken, geven daarenboven 


aanleiding tot de straffen voorzien in Hoofdstuk IV 
Boek II Titel III van het Strafwetboek. 

Voor de onrechtstreeksche belastingen onderscheidt 
men eveneens twee soorten van strafmaatregelen nl. 
de eigenlijke fiskale boeten, die opgelegd worden, 
wanneer de overtreding geschiedt zonder kwade 
trouw, en de correct ioneele straffen, die kunnen 
opgelegd worden, wanneer de ontduiking met bedrieg- 
lijk inzicht is geschied. De Weerdt/ Rondou. 

Belastingwetgeving in Belgisch Kongo. 

De regeling der inlandsche belasting in Belgisch 
Kongo is bepaald in het decreet van 17 Juli 1914. 
De belasting is tweeërlei: een hoofdelijke belasting 
en een bijkomende belasting. De eerste is te betalen 
door iederen volwassen werkkrachtigen kleurling, 
die in den loop van het dienstjaar op het grondgebied 
van de kolonie verblijft. De tweede is verschuldigd 
door iederen kleurling, die meer dan één vrouw bezit, 
en wordt berekend volgens het getal dier vrouwen, de 
eersre vrouw uitgezonderd. Het bedrag der belastingen 
wordt iaar lijks voor ieder gewest door den gouverneur- 
generaal vastgesteld. Bij het vaststellen daarvan wordt 
rekening gehouden met de middelen van bestaan en 
de economische ontwikkeling der bevolk in?. De be- 
lasting moet in één storting betaald en ter inning 
gedragen worden. Na betaling ontvangt de belasting- 
schuldige een kwitantie, die bij opvordering van de 
staatsbeambten getoond moet worden. 

De inning geschiedt door de staatsbeambten, daar- 
toe pangesteld door den districtscommissaris. Voor het 
inzamelen kunnen ook betrouwbare inlandsi he hoofden 
en onderhoofden medewerken onder toezicht en beleid 
der blanke inzamelaars. 

In geval van nalatigheid in het betalen kan de be- 
lastingschuldige rechtstreeks aan lijfsdwang onder- 
werpen worden. 

Voor Roeanda-Oeroendi bestaat een speciaal de 
creet van 17 Juli 1931, dat de meeste bepalingen der 
Kongoleesche wetgeving met hier en daar een wijziging 
invoert. In die provincie bestaat ook een belasting 
op het hoornvee, geregeld door het decreet van 14 Nov. 
1927. De Jonghe. 

111. Internationaal Privaatrecht. De verscheiden- 
heid van de belastingsystemen der verschillende landen 
kan tot gevolg hebben, dat dezelfde inkomsten twee- 
maal aan eenzelfde b. onderworpen worden. Om die 
dubbele b. te voorkomen werd in 1920 reeds door de 
Internationale Financieele Conferentie te Brussel een 
verzoek gericht tot den Volkenbond, ten einde Inter- 
nationale Conventies dienaangaande te zien ontstaan. 
Een zelfde verzoek werd door de Conferentie van Genua 
in 1922 gedaan. Ingevolge dit verzoek heeft de Volken- 
bond het probleem aangevat, en in 1928 hebben de 
geaccrediteerde regeer ingsexperten verslag uitgebracht. 
Dit verslag voorziet tw T ee- of meerzijdige overeenkom- 
sten, volgens dewelke de inning der b. naar de volgende 
regelen zou geschieden: 

a) inkomsten uit onroerende kapitalen = inning 
door het land, waarin de goederen gelegen zijn; 
b) interesten van schuldvorderingen, leeningen, deposi- 
to’s, obligatiën e.d. = inning door het land van den 
schuldenaar; c) inkomsten uit aandeelen = inning 
door het land, waarin zich do bestuurszetel bevindt 
van de onderneming; d) inkomsten uit nijverheids-, 
handels- of landbouwbedrijven = inning door het land, 
waarin deze bedrijven gelegen zijn; e) inkomsten uit 
loonen en salarissen = inning door het land, waarin 
de loontrekkenden of gesalarieerden hun werkzaamheid 


389 


Belastingen 


390 


uitoefenen; f) successierechten = inning door den 
Staat, waarin de overledene zijn woonplaats had op 
den datum van zijn overlijden. Deze beginselen zijn 
met lichte afwijkingen toegepast in drie overeenkom- 
sten door België afgesloten met het groothertogdom 
Luxemburg (9 Maart 1931), de Fransche Republiek 
(6 Mei 1931) en het Italiaansch Koninkrijk (11 Juli 
1931). — Teksten verschenen in den Moniteur van 
17 Januari 1932. 

L i t : Giron, Le Droit Administratif de la Belgiqiic 
(188f>); Bcrnimoün, Les In.'titutions provincialcs ct com- 
munales de La Belgique (lb92); Giron, Dicticnnairc de 
Droit Administratif (3 dln. 189.S s.v. lm pets); Ingen- 
bleek, La .lustice dans 1 Impöi (1918): Pandectes Beiges, 
Vis CoiPributions, lmpóts, Taxes communales, Taxes 
Provincialcs ; Errera. Traité de Droit Pub'ic Beige (1920): 
Genin. Des lmpóts sur la Circulation Juridique des biens 
(1927); Vauthier, Précis de Droit Administratif de la 
Belgique (1928). De Weerdt/Rondou. 

IV. Rechtsgrond en gewetensplicht. 

Over rechtsgrond der belasting zijn vele belasting- 
theorieën opgezet, die de vraag trachten te beantwoor- 
den, uit hoofde van welke gebeurtenissen, hande- 
lingen of toestanden, in het rechts- of economisch 
leven, de overheid belastingen mag heffen en op grond 
waarvan de belastingplichtigen deze belastingen 
moeten betalen. Bedoelde theorieën kunnen in twee 
hoofdgroepen verdeeld worden: 

a) de individualistisch -atomistische staats- en 
belast ingleer; 

b) de organische of sociale en de solidariteitsleer. 
De eerste leer kent aan de belastingen hoofdzakclijk 
een privaatrechtelijk karakter toe en ziet in de belas- 
tingverbintenis een contractueelc verbintenis, zoowel 
in de actieve zijde, de belastingvordering, als in de 
passieve zijde, den belastingplicht. In deze opvatting, 
die overigens in verschillende schakeer ingen voorkomt, 
is de belasting een vergoeding voor diensten, door de 
overheid aan den enkeling bewezen, zooals waar- 
borging der veiligheid, bescherming van het particu- 
lier eigendom en verdere rechtsbescherming. De 
voornaamste vertegenwoordigers van deze indivi- 
dualistische atomistische staats- en belastingleer zijn: 
in de 17e eeuw 1 lobbes in Engeland, in de 18e eeuw 
Montesquieu in Frankrijk en Justi in Duitschland; 
in de 19e eeuw de Manchesterschool in Engeland. 

Een eerste schakeering ziet in het contract een 
ruilcontract, d.w.z. gelijk voor sommige nuttig- 
heden ruil plaats heeft tusschen particulieren, zoo kan 
voor bepaalde andere prestaties ruil slechts geschieden 
tusschen particulieren en een collectief persoon, die 
staat heet (Proudhon, Théorie de Fimpót, 1868). 
Dit leidt er toe, dat iedere belastingplichtige betaalt 
naar verhouding van de diensten, die hij van den staat 
geniet, zoodat in de practijk de heffingen de tegen- 
prestaties voor bewezen diensten van velerlei soort 
moeten zijn. 

Zoo zullen de kosten van onderwijs door de school- 
belasting, de kosten van openbare werken door tollen 
of wegenbelasting e.d. gedekt moeten worden. De 
algcmeene belastingen worden besteed tot dekking 
van diensten, die de geheele gemeenschap aangaan, 
bijv. voor de kosten van defensie, politie, justitie. 

Een tweede schakeering vergelijkt het belasting - 
contract met een assurantie-overeenkomst, dit is de 
Assekuranz-theorie of de theorie van het contrat 
d’assurance: iedere belastingplichtige betaalt een 
rem ie om het rustig bezit te houden van hetgeen 
ij heeft. Zoo betaalt dan een ieder naar evenredigheid 


van zijn verzekerde bezittingen. Het resultaat van 
deze leer moet een belasting zijn, hetzij op het ver- 
mogen, hetzij op het inkomen op grond, dat dit kapitaal 
vertegenwoordigt. 

Een derde schakeering gaat uitsluitend uit 
van de produceerende maatschappelijke groep, die zij 
beschouwt als een productie-maatschap, waarvan de 
staat beheerder is. De producten van rijkdom, die 
tezamen de gemeenschap vormen, hebben zich ver- 
een igd om een aantal zaken van gemeenschappelijk 
nut te verkrijgen, die noodzakelijk voor de productie 
zijn, zooals de algemeene veiligheid, bescherming der 
eigendommen, een net van kanalen, wegen, spoor- 
wegen en havens. De productiekosten bestaan aldus 
beschouwd in individueele kosten, die ieder der pro- 
ducenten voor de uitoefening van zijn onderneming 
draagt, en in algemeene, die de gemeenschap betaalt. 
„L’état est, en quelque sorte, le syndic de tous les 
producteurs”, dus een lasthebber, door de gemeen- 
schap aangesteld. De belasting dient ter bestrijding 
der algemeene productiekosten. In die belasting draagt 
elke producent bij naar gelang van zijn inbreng, dus 
in verhouding tot zijn vermogen, zoodat daaruit een 
enkelvoudige belasting op het vermogen voortvloeit. 
Deze leer is die van Menier (Théorie de Fimpót sur 
le Capital, 1874) en van de Broglie (Le libre-échange 
et Fimpót, 1879). 

Deze individualistische belastingleer is nog niet 
geheel verdwenen. Zelfs Leroy-Beaulieu (Traité de 
la Science des Finances) is er niet geheel vrij van. 

Lijnrecht tegenover deze Aequivalenz-Assekuranz 
en andere privaatrechtelijke opvattingen, staan de 
organische of sociale en de solidariteitsleer, welke in 
de verhouding van het individu tot den staat den 
rechtsgrond voor belastingheffing zien. 

De organische of sociale staatsleer kent bij de be- 
lastingheffing geen grens, daar zij den staat een 
absoluut recht toekent op de goederen van de burgers# 
Dit recht tot belastingheffing vindt zijn grond onmid- 
dellijk in het wezen van den staat. De verplichting 
tot belastingbetaling is dan een absolute verplichting 
van de onderdanen, een onmiddellijk gevolg van het 
burgerschap. De staat is in deze opvatting „Selbst- 
zweck”: hij is niet uitsluitend een middel tot het wel- 
zijn der leden, maar heeft een eigen doel, met name 
het staatswclzijn, bestaande in een steeds grootere 
machtsontplooiing en een voortdurend grootere onder- 
werping van het leven der enkelingen aan de gemeen- 
schap. De theorie, volgens welke het onmiddellijk 
staatsdoel niet het algemeen welzijn, doch de staat 
zelf is, wordt in verschillende schakeer ingen geleerd. 
Het verst gaan in dit opzicht Schelling en Hegel, die 
den staat als God zelf beschouwen. Naast hen kan men 
vooral noemen J. Stahl en A. Wagner, de vertegen- 
woordigers van het Duitsche Staatssocialisme, dat 
den staat veroorlooft, tot het gladstrijken van de 
maatschappelijke tegenstellingen goederen van de 
onderdanen naar zijn goedvinden tot zich te trekken. 
De sociaal -democratie, die uit het Hegelianisme is 
voortgekomen, ontkent principieel den particulieren 
eigendom en erkent slechts den staat als eigenaar der 
goederen; ook de hieruit volgende rechten tot belas- 
tingheffing liggen voor de hand. Naast de organische 
of sociale staatsleer moet men de solidariteitsleer 
plaatsen. Ten aanzien der belastingheffing kent deze 
opvatting aan den staat en het staatsgezag het recht 
toe, de goederen der burgers in zulke mate tot zich te 
nemen, als dit^voor het algemeen welzijn, het bonum 


391 


Belastingkonsulcnt — Belastingvlucht 


392 


commune, noodzakelijk is. Het recht tot belasting- 
heffing en de verplichting tot belastingbetaling volgen 
uit de natuur en het doel van staat en overheid. 
Daar de staat een in de natuur der menschen wortelen- 
de en door God gewilde instelling is, heeft die staat 
ook van nature, dus door Gods wil, alle voor de 
bereiking van dat doel noodige rechten, zooals het 
recht zoodanige belastingen te vorderen, als hij 
voor de vervulling van zijn taak behoeft. Ook de hoogte 
der belastingen wordt bepaald door dit criterium. 
De verplichting tot belastingbetaling volgt echter 
niet alleen uit de natuurlijke zedenwet, maar ook uit 
de positieve goddelijke wet, blijkens Mt. 22. 17 — 21 
en 17. 24, Rom. 13. 6—7 en Tim. 6.2. Daaruit volgt 
niet, dat iedereen verplicht is belasting te betalen, 
doch dat een ieder een fiscaal offer moet brengen, 
indien cn voorzoo ver een rechtvaardige wet zulks 
gebiedt. Rustel. 

Gewetensplicht. Het volgende geldt voor alle 
soorten van belastingen; geenszins voor hetgeen aan 
staat of gemeente enz. volgens een contract verschul- 
digd is. 

Grondstelling: krachtens de wettelijke 

of sociale > rechtvaardigheid zijn alle burgers in gewe- 
ten gehouden op redelijke wijze tot de staats uitgaven bij 
te dragen Daaruit volgt, dat ze in den regel de ge- 
eischte belastingen moeten betalen (Mt. 22. 21; 
Rom. 13. 7), niet echter, dat ze overal en altijd tot den 
laatsten cent hoeven te geven. Meent iemand met 
reden reeds voldoende bij te dragen tot ’s lands welzijn, 
dan is. hij tot meer, nl. tot volle naleving der belasting- 
wetten, slechts op deze dubbele voorwaarde verplicht: 

1° de belastingwet moet in hare volle draagwijdte 
rechtmatig zijn, nl. waarachtig noodig tot 
het algemeen welzijn: de staat heeft niethet recht tot 
overdreven of afkeurenswaard ige uitgaven zijn onder- 
danen van hun goed te berooven. Ook is de invordering 
niet rechtvaardig, als ze niet evenredig alle burgers 
treft volgens de verdeelende > rechtvaardigheid: de 
eenen moeten nooit, betrekkelijk gesproken, een 
merkelijk zwaarderen last dragen dan de anderen. 
Zeker komt aan regeerders en wetgevers het oordeel 
toe over de rechtmatigheid eener vordering: naar dit 
oordeel moet men zich in geweten voegen, ten ware, 
volgens de meening van wijze deskundigen in de 
onderscheidene landen, een bepaalde eisch zeker 
overdreven was. 

2° I e w etgever moet zijn gezag hebben willen gebrui- 
ken; hij moet waarlijk hebben willen gebieden 
de belastingen voluit te voldoen. Anders (zooals in 
België) mag men de wet als louter ■> p enaa 1 aan- 
schouwen, volgens de opvatting der wetgevers zelf 
en de openbare meening; zoodat iemand (die geen 
groote sommen ontduikt en redelijk meent reeds genoeg 
te betalen: zie boven) slechts zondigt door geweld- 
dadig verzet als hij betrapt wordt, of door de beambten 
om te praten. 

Volgens deze beschouwingen wordt ook bepaald, 
of men zekere aangiften onvolledig mag doen. 
Verklaringen, die inderdaad volgens de algemeene 
opvatting een leugen bevatten, zijn zondig, ja zwaar 
zondig, als ze onder e e d e geschieden. 

Al kan hier geen sprake zijn van een eigenlijke 
restitutie, toch blijft wie aan een gewetens- 
plicht van te betalen te kort gekomen is, nog die som 
aan den staat schuldig, omdat die plicht nog op een 
nuttige wijze kan vervuld worden. Salsmans. 

Belas tincjkoiisiileiit, deskundige, die zich 


belast met de behartiging van de belangen van zijn 
opdrachtgevers op belastinggebied, voornamelijk 
op het terrein der directe belastingen. Meestal zijn dit 
accountants. In 193J zijn pogingen in het werk gesteld 
door een daartoe gevormd curatorium om te komen 
tot een bepaalde regeling van het beroep. 

C . Janssens. 

Belast injjschema noemt men een schematische 
voorstelling van een zgn. type -trein, -vrachtwagen 
of assenstel, met gelijke asbelastingen en in ronde 
getallen uitgedmkte radstanden; deze voorstelling 
dient om de berekening van bruggen en andere kunst- 
werken te vereenvoudigen. P. Bongnerts. 

Belast infjscjrcns. De meeste materialen volgen 
de Wet van > ïlooke niet tot aan de breukbelasting. 
Echter zijn, op een enkele uitzondering na, alle sterkte- 
berekeningen gebaseerd geweest op elasticiteitsfor- 
mules, die deze wet tot uitgangspunt hadden. Van 
principieel standpunt bezien hebben deze berekeningen, 
voorzoover zij de breukbelasting als toelaatbare grens- 
belasting van het materiaal aanvaardden, slechts dén 
beteekenis, wanneer zij betrekking hadden op materia- 
len, die de Wet van ïlooke ook werkelijk tot aan hun 
breukbelasting volgden. Dat in vele gevallen, waarin 
aan dezen eisch niet voldaan was, de sterkteherekenin- 
gen toch tot bevredigende resultaten voerden, vindt 
zijn verklaring in de invoering van een veiligheids- of 
zekerheidscoëfficiënt. Stel bijv. dat de breuk-trek- 
spanning van een materiaal 4 000 kg /cm 2 is, en de 
zuivere trekspanning, waarbij het materiaal ophoudt 
de Wet van Hookc te volgen, 2 000 kg /cm 2 , dan zal 
bij invoeren van een zekerheidscoëfficiënt n = 6 
geëisoht worden, dat de grootste optredende trek- 
spanning kleiner blijft dan of hoogstens gelijk is aan 
800 kg /cm 2 , hetgeen de belastingsgrens van het mate- 
riaal zou zijn. Omdat dit bedrag lager is dan dat, 
waarbij de Wet van ïlooke ophoudt geldig te zijn, 
houdt de sterkteberekening natuurlijk haar volle 
beteekenis. Zij zou die eerst verliezen, w f anneer n (2 
genomen zou worden. De beperktheid van ons vermo- 
gen om voor een andere wet dan die van ïlooke tech- 
nisch bruikbare elasticiteitsformules af te leiden, 
eischt de invoering van een minimum veiligheids- 
coëfficiënt. Echter is de veiligheidscoëff., dien men 
bij sterkteberekeningen om andere redenen moet 
invoeren, zooals: onzekerheid omtrent de max. 
belasting van een construct Meel. mogelijke over- 
belasting, mogelijkc materiaal fouten, meestentijds 
grooter dan deze, zoodat men altijd tot aan de daaruit 
voortvloeiende belastingsgrens van de geldigheid 
van de Wet van ïlooke verzekerd kan zijn en de 
bekende sterkteformules kan toepassen, v . Lammeren. 

BclasUngsinisvoriniiiff, vervorming van het 
1‘chaam, optredend onder den invloed vanjiet lichaams- 
gewicht, omdat aan het normale lichaam te hooge 
eischen gesteld worden (bijv. platvoet), of omdat een 
verzwakt lichaam geen weerstand kan bieden aan 
normale belasting (de verschillende misvormingen 
bij Engelsche ziekte). Krekel. 

Belastingvlticht (N e d. bel. recht) is 
het zich onttrekken aan een rechtmatige heffing of 
het ontgaan van een vastgestelden aanslag door de 
wijk naar het buitenland. De belastingexperts van den 
Volkenbond hebben door het ontwerpen van tractaten 
betreffende voorkoming van dubbele belasting en 
van belastingontwijking, getracht de belastingvlucht 
te bemoeilijken. De vlucht voor de Ned. belastingen 
is vergemakkelijkt vooreerst, doordat gijzeling w T egens 


393 


394 


Belastingvrijheid der v geestelijken — Beleedigdejpartij 


directe bel. tot voor kort niet mogclijk was en wegens 
indirecte bel. alléén mogelijk is, indien de rechter deze 
uitspreekt wegens hetgeen een koopman of fabrikant, 
die crediet of fictief entrepot geniet, verschuldigd is. 
en vervolgens, doordat de Staat in het buitenland geen 
executoriale macht ter zake van een belastingvorde- 
ring heeft en evenmin tegen den wanbetaler aldaar 
vonnis kan krijgen. Nederland heeft in 1933 met 
België een tractaat gesloten, dat in een beperkte 
mate de wederkeerige invordering van belastingaan- 
slagen regelt. Tusschen buiten landsche Staten bestaan 
reeds vele vérgaande tractaten van dien aard. In 
Nederland is onlangs een wet ingevoerd, die ter 
zake van directe belastingen en van de dividend- 
en tantièmebelasting gijzeling op zeer gemakkelijke 
wijze mogelijk maakt. Russel . 

Belastingvrijheid der geestelijken. Reeds 
in het Romeinsche Rijk werden geestelijken van eenige 
openbare diensten en lasten vrijgesteld. De wetgeving 
daaromtrent bleef in de Germaansche landen veelal 
bestaan, maar daar het belastingwezen geheel veran- 
derd w r as, konden de wetten niet w T orden toegepast. 
De goederen, waaruit de geestelijken hun inkomsten 
trokken, werden in allerlei opzichten door den Staat 
belast (spoliën, regaliën, servitium). De geestelijken 
waren bovendien onderworpen aan tollen en accijnzen, 
tenzij zij door speciale privileges daarvan w'aren vrij- 
gesteld. Als directe belasting gold de bede, welke reeds 
omstreeks 1100 een verplichte grondbelasting was. 
Dc goederen der geestelijke instellingen, niet het 
particuliere bezit van geestelijken, waren van deze 
belasting vrij. De goederen, die eenmaal bedeplichtig 
w T aren, bleven dit, ook al kwamen zij later in handen 
van geestelijken. In de 14e eeuw werd bijna overal 
een nieuwe directe belasting ingevoerd (bede, morgen- 
geld, huisgeld); hiervan waren de geestelijken niet 
vrijgesteld. Toen echter Philips IV van Frankrijk een 
dergelijke directe belasting van de geestelijken vroeg, 
kwamen zij in verzet en do paus handhaafde de belas- 
tingvrijheid der geestelijken. Wel w r erden vele vrij- 
willige giften toegestaan. In Frankrijk bleven de 
geestelijke goederen vrij van de taille en de geestelijken 
van de zoutbelasting tot aan de Fransche Revolutie. 
In de 14e en 15e eeuw werden herhaaldelijk bepaalde 
procenten van het inkomen der geestelijken aan den 
Staat toegekend. Het moderne staatsrecht erkent op 
dit gebied geen voorrechten der geestelijken. 

L i t. : J G. Avis, De directe belasting in het Sticht 
Utrecht (1930). p os i . 

Bclawan, plaats op de Oostkust van Sumatra 
(3° 47' N., 98° 40 O.). Telde in 1931: 5 000 Inlanders, 

1 600 Fhineezen, 110 Europeanen en Br. Indiërs. 
In 1887 werd te B. door de D(eli) S(poorweg) Maat- 
schappij) een spoorweghaven aangelegd, en door een 
spoorlijn met Medan verbonden. Dit havenemplace- 
ment werd in 1912 door het Gouv. overgenorren. 
B. neemt dan de taak van Laboean over. In 1891 komt 
de verbinding niet Batavia tot stand door de Kon. 
Paketv. Mij. Sedert 1915 doet de Mij. Nederland Bela- 
wan aan doch de schepen moesten tot 1921 nog op de 
reede blijven liggen. Toen werd B. een oceaanhaven 
en werd voortaan in geregelden dienst aangedaan door 
de Mij. Nederland en den Rotterd. Lloyd. De uitvoer- 
producten zijn rubber, tabak, vezel, palmolie, thee 
en copra. De palmolieproductie gaat sterk vooruit, 
ondanks de wereldcrisis. B. exporteert ook nog veel 


van deze olie vanuit Straits, dank zij het tanksysteem 
en de vrijstelling van rechten voor transito. 

v. Vroonhoven. 



r i 





f 



wr-cn 

fan 

' Utvot* VAh 

Krt** OCA 

UIAWAH 

out) 


K 
1 \ 

** 1 \ 

/ N 

/ V 

A 
' \ 
\ 

~T 

1 

1 

1 

1 






r*\ 
1 » 

' 

*# 

/ 


\ < 

\/ 

Y 





r‘ 


/ V. 
1 

7 

f 


P 


ISO. Mf 


A 

/ 

/ 





Y 


/ 

1 

, P 

'V 









) 

/ 



u/rvoem 









_[ 


‘”* v wv lm wo na ritr 


Belawan. 

Bol Canto (Ttal., = mooie zang), een stijl in de 
vocale muziek, waarbij de zangstem de virtuositeit 
van een instrument nastreeft. Edele toon en stem- 
vaardigheid voor de uitvoering van schitterende 
passages en versieringen zijn hoofdzaak. Op de bel 
canto-periode volgt die van de dramatische muziek 
(sinds Wagner), waarbij tekst en voordracht eerder 
tot hun recht komen. 

Belelier, John. Engelsch architect einde 
19e eeuw. Zijn werk in Renaissance-vormen is deftig, 
schoon ietwat nuchter, in het genre van Vingboons. 
Kloek, voornaam o.a. accountants-institute Londen 
in Palladiaanschen stijl. 

Beleikmvski, Adam, > Beltsjikow’ski. 

Belcolor-inelliode is een drie kleuren raster- 
diepdruk -procédé. De deelnegatieven voor geel, rood 
of blauw woorden gecopieerd op geel, rood of blauw 
gekleurde pigmentbladen. De gele deelplaat brengt 
men over op wit porcelein, de roode en blauwe op 
celluloidvellen. Na het ontwikkelen en drogen legt 
men de afbeeldingen nauwkeurig op elkaar en contro- 
letrt, in welke platen te weinig of te veel van de 
betreffende kleur aanwezig is en welke dus bijgew r erkt 
moeten worden. Ronner. 

Belde mand is (Beldomandis, Beldcmando), 
Prosdoc imus de, theoreticus, * ca. 1375 ; 
omstreeks 1422 professor in de philosophie in zijn 
vaderstad Padua. Schriftgeleerde, wiens voornaamste 
geschriften over mensuraal muziek werden afgedrukt 
in Ccussemaker’s werk: „Scriptorcs de musica medii 
aevi” (III). 

Werken: R. beschreef een enharmonisch -chro- 
matische toonladder, waarbij het octaaf werd verdeeld 
in 17 deelen (Riemann. Gesehichte der Musik-theorie, 
2e druk). — L i t. : Baralli-Torri, II trattato di Pr. de B. 
contro il Lucidario di Marehctto (Riv. mus. 1913). 

Pis aer. 

Bele Aelis. oud Fransch danslied met mimische 
voorstelling: soort van ballet, tusschen hij, zij en koor, 
waarvan de tekst uit een lied van den trouvère Baude 
de la Quarière is opgemaakt. 

L i t. : J. Bédier et P. Hazard, Ilist. de la litt. fran- 
Caise (Parijs z.j., 49). 

Beleedigde partij in het strafproces is degene, 


395 


Beleediging 


396 


die onmiddellijk tengevolge van het strafbaar feit 
waarvoor de verdachte terechtstaat, nadeel heeft 
geleden. Zij heeft het recht zich in de strafzaak te 
voegen d.w.z. haar vordering tot schadevergoeding 
gelijk met de strafzaak aanhangig te maken, hetgeen 
zij doet door opgave van den inhoud daarvan ter 
terechtzitting, waarop de strafzaak behandeld wordt, 
vóórdat de Officier van Justitie requisitoir neemt. 
Het bedrag, dat aldus gevorderd kan worden, is 
beperkt tot 50 gld. bij den kantonrechter, tot 150 gld. 
bij de rechtbank en andere rechtscolleges. Kleene . 

In België wordt de beleed igde partij, die een vorde- 
ring tot schadevergoeding voor den strafrechter instelt, 
> Burgerlijke partij genoemd. Het bedrag van die 
vordering is niet beperkt tot een bepaald bedrag, 
evenmin voor den politierechter als voor de andere 
strafrechtbanken. 

Beleediging (contumclia) is het krenken van 
den evennaaste in zijn eer, wanneer het geschiedt 
in zijn tegenwoordigheid. Zij geschiedt meest door 
woorden, soms ook door schrift (in brieven, kranten, 
enz.) of door daden (misprijzende gebaren, teekeningen. 
kaakslag, enz.). Beleediging is een zonde tegen de 
rechtvaardigheid, omdat zij den evennaaste berooft 
van een goed, waarop hij recht heeft, namelijk zijn eer. 
En omdat de eer algemeen wordt aangezien als een 
groot goed, is de beleediging op zichzelf een dood 
zonde. In sommige gevallen zal zij echter een dagelijk- 
sche zonde zijn, wanneer zij geschiedt zonder voldoende 
beraad (uit onachtzaamheid, plots opkomende woede), 
zonder boos inzicht (niet ernstig gemeend, louter 
uit scherts) of wanneer geen erge krenking der eer uit 
de beleediging voortvloeit (zooals dat dikwijls het 
geval is, wanneer mannen en vrouwen uit de lagere 
volksklas elkander bij het twisten allerlei aantijgingen 
en schimpnamen naar het hoofd werpen). Om de 
gewichtigheid der krenking van de eer en dus de? 
beleediging vast te stellen, moet men rekening houden 
met de waardigheid van den beleed igden persoon, 
met den stand en de gesteltenis van den beleediger 
en met de gevolgen, die er uit voortvloeien. 

Het is een eisch der Christelijke zedenwet, dat men 
de beleed igingen geduldig verdrage, d.w.z. men moet 
zoo gesteld zijn, dat men bereid is de beleediging 
te verdragen, waar dit passend is, „si expediens 
fuerit” zegt St. Thomas. Soms zal men echter goed 
doen met de beleediging af te weren, hel zij om wille 
van den beleediger (om zijn driestheid en vermetelheid 
in te toornen en te beletten, dat hij nog herbegint), 
hetzij om wille van anderen of om een grooter kwaad 
te voorkomen. Het is echter niet geoorloofd den belee- 
diger tot een tweegevecht uit te dagen, hem te kwetsen 
of te dooden. 

L i t. : S. Thomas, Summa theologica (II, II, q. 72) ; 
D. Prümmcr O.P., Manualc theologiue moraUs (11, 3e 
en 4e uitg., Freiburg 1928, 1G7): B. H. Merkelbach, 
Summa thcologiae moraiis (11 Parijs 1932, 448). 

A. Janssm . 

Nod. Recht. A) B u r g e r 1 ij k Recht. B. is 
een bijzonder geval van onrechtmatige daad, waardoor 
ontstaat een verbintenis uit de wet (art. 1408 — 1415 
B.W.). Deze art. omschrijven niet, wat onder b. valt 
te verstaan; naar de rechtspraak is slechts wegens b. 
verbonden, wie als dader of mededader een der in de 
art. 261— 270 W. v. Str. omschreven misdrijven heeft 
begaan, bijv. niet eens de uitgever van een beleedigend 
geschrift, 'indien hij aan het misdrijf slechts mede- 
plichtig is. De verbintenis strekt tot vergoeding van 


stoffelijke schade, voorts tot „bercring van het 
nadeel, in eer en goeden naam geleden”, volgens de 
rechtspraak door geldelijke vergoeding ook der on- 
stoffelijke schade, volgens sommigen door openbaar- 
making van het vonnis in nieuwsbladen, welke echter 
de rechtspraak weigert, ten slotte tot verklaring.dat 
de gepleegde daad is lasterlijk en beleedigend. en 
aanplakking van het vonnis. Hetzelfde kan worden 
gevorderd, wegens b. na den dood aangedaan, door 
cchtgenoote en naaste bloedverwanten. 

De vordering kan niet worden toegewezen, zoo 
de dader heeft gehandeld in het algemeen belang 
ot tot noodzakelijke zelfverdediging, evenmin, indien 
de beleed igde aan het ten laste gelegde feit bij gey ijsde 
onherroepelijk is schuldig verklaard, doch ook in het 
laatste geval is schadevergoeding verschuldigd door 
dengene. die , .kennelijk met het eenige doel van b.” 
den ander ,,met b. vervolgt”. Kwijtschelding, ook stil- 
zwijgende, doet alle vorderingen vervallen; de open- 
bare spijtbetuiging met eerherstel voor den rechter 
laat den schadevergoedingsplicht bestaan. Petit. 

B) In het strafrecht is beleediging de naam 
voor de misdrijven, die bestaan in het aanranden van 
iemands eer of goeden naam (art. 261 vlg., 111 vlg., 
117 vlg. W.v.Str.l. Deze misdrijven zijn eenvoudige 
beleediging, smaad, smaadschrift, laster, lasterlijke 
aanklacht. Zij worden niet vervolgd dan op klachte 
van dengene, tegen wien het misdrijf is gepleegd. 
Ambtshalve worden echter vervolgd beleediging, 
aangedaan aan een ambtenaar gedurende of ter zake 
van de rechtmatige uitoefening van zijn bediening, 
beleediging van den koning of de koningin, den troon- 
opvolger, een lid van het koninklijk huis, den regent, 
een regeerend vorst of een ander hoofd van een be- 
vrienden staat, een vertegenwoordiger van een buiten- 
landsche mogendheid bij de Nederlandsche regeering. 

De zoogenaamde collectieve beleediging, beleediging 
van vereen igingen, van groepen van personen, kan 
slechts worden bestraft, indien de beleediging, hoewel 
tegen een collectiviteit geuit, een individueel karakter 
heeft. Ter vergadering van de Nederlandsche Juristen- 
verceniging van 1915 stond de praeadviseur van der 
Feltz de meening voor, dat wetswijziging bestraffing 
van de collectieve beleediging mogelijk diende te 
maken. Slechts in den alkrlaatsten tijd [ 1933) ver- 
neemt men, dat een dergelijke wetswijziging wordt 
voorbereid. 

Beleediging is het aanranden, het krenken, door 
woord of daad , van iemands eer of goeden naam , waar- 
bij de eer beteekent het eergevoel, dat in verband staat 
met de zedelijke waarde van den mensch, en met den 
goeden naam bedoeld is de eer, die men van mede- 
menschen geniet. Beleediging, die bestaat in telast- 
legging van een bepaald feit met het kennelijk doel, 
daaraan ruchtbaarheid te geven, wordt gequalificeerd 
als smaad. Smaadschrift is smaad gepleegd door 
middel van geschriften of afbeeldingen. 

In sommige gevallen, genoemd in art. 263 W.v.Str., 
wordt de verdachte toegelaten tot het bewijs van de 
waarheid van het bepaalde feit, door telast legging 
waarvan hij iemands eer of goeden naam heeft aan- 
getast. In dit geval volgt veroordeel ing wegens laster, 
indien het bewijs van de waarheid van het telastgelegde 
feit niet wordt geleverd, en de telastlegging tegen beter 
weten is geschied. De sanctie tegen de beleediging, 
die is opgesloten in het bij de overheid schriftelijk 
inleveren of in geschrift doen brengen van een valsche 
klacht of aangifte, waardoor de eer of goede naam 


397 


Beleefdheidsvorm — Beleggingstrust 


398 


van een bepaald persoon wordt aangerand, vindt men 
in art. 268 W.v.Str. Het woord overheid moet in meer 
algemeenen zin worden opgevat: niet slechts de justi- 
tie is daaronder begrepen. Bepaaldelijk als strafbe- 
dreiging tegen misleiding van de justitie is art. 188 
W.v.Str. te beschouwen. Weitjens. 

Belgisch Recht. B. is elke gedraging van aard 
om een ander persoon in zijn eer te krenken, zonder 
dat er nochtans een bepaald feit aangetijgd wordt. 
Is er aantijging van een bepaald feit, van aard om een 
ander persoon in zijn eer of in zijn aanzien te krenken, 
dan bestaat er > laster of > eerroof. B. door daden, 
geschriften of zinnebeelden, in het openbaar, wordt 
gestraft met gevangenisstraf van acht dagen tot twee 
maanden, en met geldboete van 26 tot 500 frs., of met 
een van beide straffen (art. 447 Strafwetboek). Elke 
andere vorm van beleediging wordt met eenvoudige 
politiestraffen bestraft (art. 561, 7° Strafwetboek). 

De beleed igde persoon kan herstelling vorderen 
van het door hem geleden nadeel, hetzij voor den 
strafrechter (> Burgerlijke Partij), hetzij voor den 
burgerlijken rechter. Collin. 

Beleefdheidsvorm noemt men in de gramma- 
tica het gebruik van afzonderlijke pronomina in 
beleefd verkeer, naast die, welke in gemcenzamen 
omgang gebezigd worden. Men vindt den b. in meerdere 
talen; gewoonlijk is het pronomen van den tweeden 
persoon meervoud een beleefdheidsvorm, terwijl het 
enkelvoud een meer gemeenzame vorm is. Zoo bijv. 
Fr. vous, tegenover tu. In het Mnl. ontwikkelde zich 
zoo het gebruik van gi naast du. Later werd dit gi 
meest vervangen door U. In het Duitsch bestaat ook 
de vorm van den derden persoon meervoud (Sie) als 
beleefdheidsvorm. In sommige Indonesische talen 
heeft zich een sj’steem van beleefdheidsvormen ont- 
wikkeld, dat diep in den woordenschat en zelfs in de 
grammaticale vormen ingrijpt. > Kromo. 

Beleen in cj is een vorm van credietverleening» 
waarbij de beleener tot zekerheid voor de nakoming 
van zijne verplichtingen of die van een ander aan den 
schuldeischer roerende zaken in pand geeft, den 
schuldeischer het recht gevend, om bij niet nakoming 
der verplichtingen door den schuldenaar tot verkoop 
van het in pand verstrekte over te gaan. Beleen ing 
vindt meestal plaats tegen onderpand van effecten, 
wissels, ceelen of goud. Jn engeren zin verstaat men 
ter beurze van Amsterdam onder b. een geld leen ing 
tegen ondequind van effecten, die voor drie maanden 
wordt aangegaan en waarbij het onderpand minstens 
20% overwaarde moet hebben. Huysmans. 

Deze vorm van credietverleening is in België ook 
algemeen in gebmik, met deze beperking, dat het 
onderpand in haast alle gevallen bestaat uit effecten 
of ceelen. Te Antwerpen worden ook veel leeningen 
afgesloten met inpand-geving van diamant, ruw of 
geslepen. Beleen ingen zijn minder gekend aan de 
Belg. effectenbeurzen. Alleen prolongatieverrichtingen 
worden daar afgesloten. 

Beleg , Staat van (N e d. Recht). 
De grondwet (artikel 189) geeft den koning de bevoegd- 
heid tot handhaving der uit- en inwendige veiligheid 
elk gedeelte van het grondgebied des rijks in staat 
van beleg te verklaren. In dat geval gaat het hoogste 
gezag over in handen der militaire autoriteiten. 
Krachtens artikel 78 van de Invoeringswet Militair 
Straf- en Tuchtrecht is ieder, dus ook degenen die 
anders niet tot het militair verband behooren, aan 


den Militairen Rechter onderworpen voor misdrijven 
tegen de veiligheid van den staat of tegen de konink- 
lijke waardigheid (artikel 92 — 114 Wetboek van Straf- 
recht) alsook voor alle misdrijven omschreven in het 
Wetboek van Militair Strafrecht. E. hamers . 

Belegging is de wijze van aanwending van 
middelen, die men gedurende geruimen tijd niet 
onmiddellijk voor zichzelf of in het eigen bedrijf ter 
beschikking behoeft te hebben. De meest gebruikelijke 
vormen van b. zijn het koopen van vermogensbestand- 
deelen als effecten, vaste goederen, het uitleenen onder 
hypothecair verband, het uitzetten op een spaarbank 
of h deposito e.a. Geschiedt deze b. slechts in uiterst 
solide vermogensbestanddeelen, dan spreekt men wel 
van weduwen- en weezenbelegging; geschiedt zij op 
meer riskante wijze, dan spreekt men van speculatieve 
b. Meestal geschiedt b. in vermogensbestanddeelen, 
die een rendement afworpen. Een juiste belcg- 
gingspolitiek is erop gericht, zoo solide 
en rendabel mogelijke vermogensbestanddeelen te 
koopen, waarbij een zoo ruim mogelijke risicoverdeeling 
over de diverse bestanddeelen in acht is te nemen, bij 
voorkeur op dusdanige wdjze, dat de nadeel ige kansen 
van het eene onderdeel van vermogen gecompenseerd 
worden door gelijktijdig te verwachten voordeel ige 
kansen van een ander onderdeel. Huysmans. 

Moraal. Verstandige belegging van het ver- 
mogen is van zedelijk standpunt alleszins gerecht- 
vaardigd en in omstandigheden zelfs plicht, in zoover 
dat valt binnen de grenzen van een redelijke zorg voor 
het tijdelijk welzijn van zich en de zijnen voor heden 
en toekomst. Het overtollige moet krachtens do 
natuurlijke bestemming der aardsche goederen voor 
het welzijn van allen, en de daaruit voortvloeiende 
sociale plichten, die op den eigendom rusten, zóó 
worden beheerd, dat het ten nutte van het gemeen 
strekke. Dit geschiedt echter niet alleen door aal- 
moezen en andere werken van liefdadigheid, maar ook 
door sociaal -nuttige ondernemingen en door b., die 
op een of andere wijze ten algcmeenen nutte strekt; 
niet alleen de oogenblikkelijke nood moet worden 
gelenigd, maar evenzeer moet de toekomstige nood 
w r orden voorkomen en de ontwikkeling van het econo- 
misch leven, die tot grootere algemeerie wxlvaart kan 
leiden, worden bevorderd. Voor nadere uitwerking, 
> Eigendom; Vermogen; Spaarzaamheid; voor ren- 
dabele belegging onder rente, > Inkomen (arbeids- 
loos). Buys . 

Beleggingsraad, > Sociale verzekering. 

Beleggingstrust (Eng. > Investment trust) 
is een instelling, die een groote effecten portefeuillo 
bezit en daartegenover aandeelbewijzen (trustshares) 
plaatst bij het publiek. Vaar zulk een portefeuille 
veelal is samengesteld uit een groot en gesorteerd 
aantal aandeelen in ondernemingen van allerlei soort, 
zoomede uit obligaties van verschillend kaliber, wordt 
de belegger door het koopen van trustshares in de 
gelegenheid gesteld te participeeren in een portefeuille 
van beleggingswaarden op een dusdanige wijze, dat 
hij niet al te groot risico loopt. Hij kan zijn bezit aan 
trustshares immers tot een betrekkelijk gering bedrag 
beperken, hetgeen hem sterk wordt vergemakkelijkt, 
doordat dergelijke trustshares in zeer kleine coupures 
verkrijgbaar zijn. Elke uitgegeven trustsharo vertegen- 
woordigt een evenredig deel van de effectenporte- 
feuille, waartegenover zij blijkens het prospectus 
der b. is uitgegeven. De waarde der trustshares houdt 


399 


Belegklamp — Belemmeringenwet 


400 



Belemnoidpa. 

a) Belemnites semihastatus (Dogger). b) B. canaliculatus (Dogger), c) B. giganteus (Dogger), d) B. brevis (Lias), 
e) B. tithowcus (Tithoon). f) B. clavatus (Lias), g) B. acuarius-tubularU (Lias). 


dus rechtstreeks verband met de beurswaarde der 
fondsenportefeu ille der b. Kan de leiding der b 
in de samenstelling der portefeuille, zooals deze in 
het prospectus is aangegeven, als regel geen wijziging 
brengen, dan spreekt men van een f i x e d trust. 
Kunnen de beheerders der trust de samenstelling der 
portefeuille naar goedvinden wijzigen, dan noemt men 
dit een managed trust. Deze laatste vorm 
biedt den houders van trustshares uiteraard veel min- 
der waarborgen dan de eerste. Vooral in Engeland, 
Schotland en Noord-Amerika is de b. tot groote 
ontwikkeling gekomen; niet ontkend kan worden, dat 
in de hausse- ja ren 1928— n 29 in de Vereen igde Staten 
de uiterst speculatieve samenstelling der portefeuilles 
van verschillende b. aan het goedgeloovige publiek 
menige groote teleurstelling heeft bezorgd. 

Huysmans. 

Belegklamp, houten of ijzeren haakvormige 
klamp om hijschtouw’en aan te bevestigen. Ook wel 
kikker genaamd. 

Beleg ijzer, ijzeren plaat ter bescherming van 
het uiteinde van een houten 
balk. Ook en meer in het 
bijzonder een bepaald soort * 
profielijzer volgens neven- 
staand profiel. Ook Zorès- 
ijzer geroemd. 

P. Bongaerts. 

Beleid, > Voorzichtigheid. 

Beltin (afkorting van Bethlehem) is een W. voor- 
stad van Lissabon (38° 41' N., 9° 12' \V.). Het door 
Manuel 1 in 1496 gestichte Convento dos Jerónimos 
de B. is een hoofdmonument van den Emmanuel- 
stijl, hoewel de verbouwing tot weeshuis na de secu- 
larisatie (1834) de eenheid van bouw heeft bedorven. 
De kloosterkerk Santa Maria bevat de graven van 
Manuel 1 en zijn opvolger, van Vasco da Gama en van 


den dichter Camoens. De kruisgang is het meesterwerk 
van Joao de Castilho. Zeer belangrijk voor de kennis 
der Iberische prae-historie is het Ethnologisch Mu- 
seum in den onvoltooiden Zuidvleugel. Residentie 
van den president van Portugal is het architectonisch 
onbelangrijke Pa^o de Belëm, welks rechten’ leugel 
een der belangrijkste rijtuig-musea van Europa bevat. 
Vermelding verdienen nog de Botanische tuin bij 
het Paco da Ajuda en het park Tapada da Ajuda 
(200 ha), waarin de landbouw-hoogeschool en het 
astronomisch observatorium. Ver wiel. 

Belém clo Para, of Para, hoofdstad van 
den staat Para (N. Brazilië), gelegen aan de Rio Para, 
een der mondingen van de Amazone, 138 km van den 
Atl. Oceaan; 279 000 inw. Voor de scheepvaart op 
de Amazone, als distributie- en ontvangstccntrum 
van goederenvervoer, is Para het uitgangspunt. Vele 
oceaanstoomers uit alle landen leggen hier aan. 
Uitvoer van caoutchouc, paranoten, rijst, cacao, 
suiker, katoen, tabak, boschproducten ; verder veel 
industrie. liet is een modern gebouwde stad, echter 
reeds in 1616 gegrondvest. Spoorweg van Bragan^a 
aan de kust. Het aartsbisdom B. omvat meerdere 
staten, en telt ruim 500 000 Kath. Zuylen. 

Belemmeringemvet (N e d. Recht). Bij 
de wet van 23 Mei 1899, Stbl. 129, sedert de w^et van 
24 Dec. 1930, Stbl. 508, aangeduid als de „Belemme- 
ringwet verordeningen” zijn enkele bepalingen vast- 
gesteld, krachtens welke een einde kan worden gemaakt 
aan belemmeringen, die bij de uitvoering van openbare 
werken worden ondervonden en voortspruiten uit 
bepalingen, welke in verordeningen van de onderdee- 
len des Rijks — provinciën, gemeenten of water- 
schappen — voorkomen. Evenw'el moet het werk, 
ten behoeve w’aarvan men de w T et toegepast wenscht te 
zien, daarvoor van voldoende beteekenis zijn. Vandaar 
geeft de wet een opsomming van groepen van open- 



401 


Belemmering van het verkeer — Bel-esprit 


402 


bare werken, bij de uitvoering waarvan van haar 
bepalingen gebruik kan worden gemaakt. 

Een pendant van genoemde wet is de wet van 
13 Mei 1927, Stbl. 159, tot opheffing van privaat- 
rechtelijke belemmeringen, welke bij de wet van 
24 Dec. 1930, Stbl. 608, den officieelen naam van 
„Belemmeringenwet privaatrecht” verkreeg. Ook deze 
wet kan ten behoeve van alle openbare werken, 
waarvan het openbaar belang voldoende vaststaat, 
worden toegepast. Wanneer ten behoeve van een der 
groepen van openbare werken, in deze wet nader 
omschreven, duurzaam of tijdelijk gebruik moet 
worden gemaakt van onroerende goederen, kan krach- 
tens deze wet ieder, die eenig recht heeft t.a.v. die 
goederen, behoudens recht op schadevergoeding, ver- 
plicht worden te gedoogen, dat het werk wordt aan- 
gelegd en in stand gehouden. De verplichting tot 
gedoogen van den aanleg of de instandhouding van 
het werk vloeit niet rechtstreeks uit de wet voort, 
maar kan, nadat een zekere procedure is gevolgd, 
worden opgelegd, en wel bij een besluit van den 
minister van Waterstaat. Op in de wet omschreven 
gronden kan ieder, die eenig recht heeft t.a.v. het 
onroerend goed, aan het Gerechtshof binnen het 
gebied waarvan het gelegen is, vernietiging verzoeken 
van de beslissing, waarbij voorschreven verplichting 
is opgelegd. Stoer . 

Belemmering van liet verkeer op een 
openbaren weg en zonder verlof van het openbaar 
g» zag, is strafbaar (N e d. Recht, W. v. Str., 
art. 427 6°). Een tolgaarder, die den w T eg verspert 
om tot rechtmatige tolheffing te geraken, is niet 
strafbaar, want hij handelt niet zonder verlof van het 
bevoegd gezag. Is de automobilist strafbaar, als hij 
door zijne weigering om de verschuldigde tolgelden 
te betalen, in verband met de daarmede samen- 
hangende weigering van den tolgaarder om den tol- 
boom te openen, het verkeer belemmert? Kennelijk 
beantwoordt do Ilooge Raad deze vraag in ontken- 
nenden zin. 

(Belg. R e c h t). B. v. h. verkeer is strafbaar 
ingevolge den wegcode van 1933. Weitjes. 

Belemnieten zijn de versteende rostra van het 
inwendig skelet van fossiele inktvischachtige dieren. 
Belemnieten, die o.a. in ons land in het Liniburgsche 
Krijt voorkomen, worden door de bevolking wel 
donderkeilen genoemd. > Belemnoidea. llofsteenge. 

Belemnitella, geslacht der Belemnitidae 
(> Belemnoidea), gekenmerkt door een cylindrisch 
rost mm met een korte ventrale vore. Belemnitella 
mucronata, o.a. voorkomend in Limburg, is een 
gidsfossiel voor het boven -Senoon. 

Het gesteente, waar dit fossiel in voorkomt, w’ordt 
wel mucronatenkrijt genoemd. Hofsteenge. 

Belemnitella mueronata, > Belemnitella. 

Belemnoidt'a, tot de orde der Dibranchiata 
behoorende weekdieren met een inwendig kalkskelet. 
Zij bezitten 6 tot 10 armen, die meestal met haakjes 
zijn bezet. Zij worden onderverdeeld in: 1° Belemni- 
tidae; 2° Spirulidae. 

1 ° Belemnitidae. De inwendige kalkschaal 
is kegelvormig en bestaat uit drie stukken, nl. ros- 
trum (r), phragmocoon (p), en proöstracum (po) 
(zie afb.). Het rostrum is een stevig, sigaarvormig 
kalklichaam. Aan het achtereinde loopt het spits 
toe; aan de voorzijde bevindt zich een groote kegel- 
vormige holte, waarin het phragmocoon past. Hit 
rostrum, dat vooral voor fossilisatie geschikt is, bestaat 


uit radiale kalkvezels, die schijnen uit te stralen van 
een langsgroeve. de zgn. apicale lijn. liet rostrum ver- 
toont vaak indrukken 
van bloedvaten, die 
bewijzen, dat het 
werkelijk een inwen- 
dig skeletdeel is. 

Voorts zijn op het 
rostrum meestal twee 
dorsolaterale groeven 
aanwezig. Het phrag- 
mocoon is kegel- 
vormig en bestaat uit 
schijfvormige kamers 
(loculi), doorboord { 
door een excentrische 
sipho: de vorm en 
bouw van het phrag- 
mocoon doen sterk 
denken aan de 
Pa laeozofcche primi- 
tieve cephalopoden- 
schalen van ürtho- 
ceras en Endoceras. 

Het phragmocoon 
bezit een eigen schaal, 
de conotheca. De 
buitenste laag hier- 
van vertoont groei- 
strepen, die op de 
ventrale zijde bijna 
horizontaal op de 
dorsale zijde sterk 
convex naar voren 
zijn gebogen. De wand 
van het phragmocoon 
zet zich aan de 
dorsale zijde voort in 
een langgestrekt, dun 
bladvormig lichaam, 
het proöstracum, dat 
dezelfde versiering 
vertoont als de cono- 
theca. liet proöstra- 



Schematisehe tockening van het 
inwendig skelet der belemnieten. 
r “ rostrum, p « phragmo- 
coon, po = proöstracum. 


cum komt overeen met de schelp der recente inkt- 
visschen. De belemnieten treden voor het eerst op in de 
Tii isformatL* en stirv< n uit in het Krijt. Zij 1 elmoren 
met de ammonieten tot de b« l.mgrijkste g dsfossi len 
van h t Misozoicum. Men ondeis«h idt tallijke onder - 
geslachten, o.a. M»gateuthis. Belemnops 8, Actinoca- 
max en Beleranitclla. Bekende gidsfossielen uit de Krijt- 
formatie in Nederland zijn Beleranitella mucronata en 
Actinocamax quadratus uit 't Limburgsche Senoon en 
Belemnopsis minimus uit ’t Gault van den Achterhoek. 

2° Spirulidae. De in kamers verdeelde schelp is 
spiraalvormig opgerold. Zij treden voor 't eerst op in het 
Oligoceen en even nog in de tropische zeeën. De bekend- 
ste genera zijn Spiniliro^tra en Spirula. llofsteenge. 

Belendend, tegen iets aanliggend, aan iets 
grenzend, bijv. het belendend perceel. 

Belenus, Keltische godheid, speciaal vereerd 
in Noricum en Gallië, werd in verband gebracht met 
Apollo, ook vereerd als beschermgod van een genees- 
krachtige bron; komt voor op talrijke inscripties. 

Belèrang, vuurspuwende berg (1 451 m) op 
het eiland Lomblen (Ned.-lndië, ten O. van Flores). 

Belesj-gebergle, > Belassitza -gebergte. 

Bel-csprit (Fr., = fraaie geest), gemakkelijk- 


403 


Bel-étage — Belfort 


404 


heid om onderhoudend te spreken of te schrijven over 
verschillende onderwerpen. Op den persoon over- 
gebracht: hij, die zoodanige begaafdheid bezit of er 
zich den schijn van geeft. De term kwam meer alge- 
meen in gebruik door de letterkundige salons in den 
tijd van Lodewijk XIV. Tegenwoordig nog al eens in 
minder gunstigen zin, met de bijgedachte, dat betere 
eigenschappen ontbreken. v. d. Wijnpersse. 

Bel-étage, de eerste en voornaamste verdieping 
van een gebouw. Gewoon lijk ligt de b. iets hooger dan 
het trottoir; bij aanwezigheid van een sousterrain 
of van een lage onderverdieping ligt de b. daarboven. 

Belcth, J o a n n e s, professor der theologie 
in Parijs in de 12e eeuw; schreef een Divinonim offi- 
ciorum explicatio, een goede verklaring der Liturgie 
met vermelding van merkwaardige liturgische gebrui- 
ken. Daar ze veelal te zamen afgedrukt werd met het be- 
roemde Rationa Ie divinonim officiorum van Durandus. 
werd ze o.a. in de uitgave van Migne (Patrol. Lat. 202) 
ook Rationale genoemd. Andere werken zijn nog steeds 
niet uitgegeven, o.a. een commentaar op de Sententies 
van Petrus Lombardus en een Gemma animae. 

L i t. : Franz, Die Mcsse im deutschen Mittclalter 
(1902, 443 vlg.1 ; Dict. Arch. Liturg. (II 649 vlg.) ; 
Lcxikon f. Theol. u. Kircho (II 1931, 120). Franses. 

Beletsel (Lat. obex). In de Sacramentenleer 
wordt b. genoemd een gemis aan vereischte gesteltenis, 
waardoor belet wordt, ofwel dat het Sacrament 
tot stand komt, ofwel dat de genade door het Sacra- 
ment wordt meegedeeld. In het eerste geval spreekt 
men van beletsel voor het Sacrament (obex sacrament i), 
in het tweede van beletsel voor de genade (obex 
gratiae). liet eerste is bijv. schuldig gemis aan berouw 
in de biecht. Als het Conc. van Trente vaststelt, dat 
de Sacramenten genade verleenen aan hen, die geen 
beletsel stellen (Denz. 849), moet dit niet slechts in 
negatieven zin worden opsevat, alsof een zich passief 
houden van den ontvanger volstaat, want een positieve 
dispositie van den volwassen ontvanger i3 vereischt 
(Denz. 807, *19). 

L i t. : Sacrament. Kreling. 

Voor beletsel (Lat. impedimentum), > Huwelijk; 
> Wijdingen (Heilige). 

Beleving is de ervaring van een psychisch- 
geestelijk gebeuren. Zoo spreekt men wel van een 
emotioneele b., wanneer men het oog heelt op de erva- 
ring eener emotioneele gebeurtenis. In de psychologie 
staat het beleven naast het doorleven (verwerken). 

Belevingssehool, > Arbeidsschool (4°). 

Belezen, ook wel bespreken genoemd, is 
een bijgeloovig gebruik (vana observantia), dat op 
het platteland nog veelvuldig voorkomt. Sommige 
personen kunnen menschon zoowel als dieren van 
bepaalde ziekten, zooals verstuikte ledematen, brand- 
wonden, wratten e.d., genezen. Over het zieke lichaams- 
deel worden kruisjes gemaakt onder het bidden van hef 
St. Jansevangelie of het uitspreken van bepaalde 
formules. liet mcercndccl dezer genezingen moet 
toegeschreven w T orden aan suggestie, terwijl bij dieren 
is aan te nemen, dat ze tóch wel genezen zouden zijn, 
ook al w r aren ze niet belezen. De mogelijkheid van 
bovennatuurlijken invloed, hetzij door een bergen - 
verzettend geloof en heiligen levenswandel, hetzij 
door aanroeping van den duivel, is hierbij niet 
uitgesloten. J. v. Rooij. 

Bel fust, hoofdstad van de provincie Antrim 
in Ierland (54° 37' N., 5° 56' W.), zeer belangrijke 
handels- en industriestad, veilige en uitgestrekte 


haven bij de uitmonding van de rivier Lagan in het 
Meer van Belfast. 440 000 inw. Fabrieken van linnen, 
jute, spiritus, tabak, meel, margarine. Scheepsbouw. 
Universiteit. Kath. cn Anglicaanscho bissehop. 

G . de Vries . 

Op kunstgebied is B. onbelangrijk. De 
voornaamste gebouwen, zooals de City-Hall , en 
Queen’s University, de Protestantsche kathedraal en 
het Parlementsgebouw, zijn pompeuze maar prozaï- 
sche gebouwen, meest gemodelleerd op Londensche 
voorbeelden, liet museum bevat talrijke oudheden 
van Ulster, en eenige goede schilderijen; vooral een 
serie portretten van sir John Lavery; landschappen 
van C. R. W. Nevinson, S. J. L. Birch en anderen. 

Belfeld, gen. in Ned. Limburg, gelegen 6 km 
ten Z. van Venlo, omvattend het dorp Belfeld en het 
gehucht Geloo. In 1932: 1 961 inw. Dakpannen- en 
grasbuizen industrie met resp. 120 en 60 arb.; verder 
land- en tuinbouw. Ter hoogte van B. stuw in de Maas. 

v. Thiel . 

Belfort of Beffroy wordt genoemd do voor- 
naamste verdedigingstoren van een middeleeuwschen 
burcht, gewoonlijk op de minst toegankelijke plaats, 



De Belfort van Doornik. 

op rond of vierkant grondplan, opgetrokken. De naam 
ging later over op de fronttorens van stadhuizen en 
verkoophallen, voornamelijk in de Z. Nederlanden. 
Voor dat geval wordt ook de naam „halletoren” 
gebezigd. > Bclfroot. Knipping. 

Belfort, een op zich zelf staande afdeeliug en 


GIE 




BELGIE NAT 



yiissingè'i 


stende 


Öupme SKleirv 
.e^yV^Brab; 


Gent 

T 


'oTorhout 


RUSS 


Hazebrouck 


RIJ SS 


O- 20 I H OO- 200 
0-100 I 1 200-500 
boven 500 
;haal 1 ; 1.150.000 

100 200 300 400 500 pp 



Turn nou 


Roermond 


^VVERPE^ 

rdi Kem? 


• dever/oo 


A ECHELEN 


>antsche 


'5tTrui< 

•5t-i 


chefort 


UURKUND1G 





405 


Belfort— België 


406 


vesting in Frankrijk (47° 38' N., 6° 57' O.) (1931 
42 600 inw.) in de 28 km breede Bourgondische Poort. 
In 1648 kwam het aan Frankrijk. Handel in wijnen; 
spinnerij, weverij. Heere. 

Ten einde den meest Zuidelijken toegangsweg ten 
Noorden van Zwitserland naar het hart van Frankrijk 
af te sluiten, werd B. reeds in 1687 door Vauban ver- 
sterkt. In 1870 weerstond B. onder bevel van Denfert- 
Rochereau aan de belegering door de Duitschers onder 
von Tresckow. In het na 1870 aangelegde Fransche 
vestingstelsel nam B. wederom de plaats van rechter 
hoekpijler van het front in. Krachtige aanvallen 
vonden in den Wereldoorlog hier niet plaats. 

BHfort, Het, Katholiek maandschrift, gewijd 
aan letteren, wetenschap en kunst (Gent 1886 — ’99;: 
verdedigde een conservatief en streng-orthodox stand- 
punt. Een bijblad: Philologische Bijdragen, verscheen 
op onbepaalde tijdstippen. Versmolt in 1900 met 
Dietsche Warande tot D. W. en B. 

Bei f root, burgerlijke klokketoren, merkteeken 
der gemeentelijke vrijheid van de middeleeuwsche 
steden in Vlaanderen. > Belfort. 

Belga, Belgisch telegraafagentschap, opgericht 
te Brussel na den oorlog. 

Belga. Door het Koninklijk Besluit van 25 Oct. 
1926 betreffende de muntstabilisatie werd de wissel- 
koers van den Belg. frank tegenover het buitenland 
bepaald in belga ’s. De nieuwe noteering werd aange- 
nomen ten einde aan destabilisatie van de munteen- 
heid een tastbaren vorm te geven. De b. alleen wordt 
genoteerd met het oog op den wisselkoers. Het is ver- 
boden den wisselkoers van den Belg. frank onder een 
anderen vorm bekend te maken. Ook de Nationale 
Bank neemt deze eenheid aan als grondslag voor haar 
betalingen in goud. De frank behoudt echter zijn rol 
in de b innen landsche economie; in dezeeconomieisdeb. 
om zoo te zeggen ongebruikt gebleven. De b. is dus geen 
nieuwe munt, maar alleen een wisselmunt, gelijk aan vijf 
frank: beide munten zijn ten allen tijde onderling ver- 
wisselbaar op den voet van vijf frank voor een belga. 

De pariteit van de b. met de buitenlandsche munten 
wordt bepaald naar rato van 0,209 211 gram fijn goud 
per b. De waarde van den Belg. frank bedraagt daar- 
van een vijfde, d.i. een zevende van zijn vroegere 
geldwaarde. V. Dievoet . 

Belgac. Het gebied der B. omvatte ten tijde van 
Caesar tot aan den val van het Romeinsche rijk in 
het W. (58 v. Chr. tot begin der 5e eeuw n. Chr.) de 
streek benoorden de Seine en de Mame tot aan den 
Rijn in het O. en N., dus N. Frankrijk, België, Neder- 
land bezuiden de Waal en den linker oever van den 
Rijn in Duitschland. De naam B. raakte spoedig in 
onbruik en werd eerst in de 15e eeuw weer kunstmatig 
in het leven geroepen als benaming van de Bour- 
gondische, later Spaansehe Nederlanden. 

De oude B. zijn ongetwijfeld Galliërs in levenswijze, 
zeden, taal (alleen bekend door plaats-, persoons- en 
volksnamen) geweest, maar ze waren van over den 
Rijn gekomen (ca. 250 v. Chr.) en volgens Caesar voor 
het ïnecrendeel Germanen van afkomst. Onder de 
nieuwere Germanisten wordt deze voorstelling zeer 
betwist. In elk geval zijn volgens Caesar de Aduatici 
(in de omstreken van Namen, België) een rest der 
Cimbri en Teutones, die ongetwijfeld Germanen 
waren. Aan een anderen kant zullen de B., zelfs die 
van Germaansche afstamming, sterk gckeltiseerd zijn, 
wat het belang van het vraagstuk aanzienlijk vermin- 
dert. De B. waren krijgshaftiger dan de overige Gal- 


liërs en eerst, na een hardnekkigen weerstand en de 
volkomen uitroeiing der Eburones gelukte het Caesar 
de Romeinsche heerschappij voor goed onder do B, 
te vestigen. De B. hadden ook in hot Z. van Gr. 
Brittannië veroveringen gemaakt, soms nog aan den 
naam te herkennen, bijv. Venta Belgarum, d.i. Win- 
chester. 

Vier eeuw r en lang bleef het land der B. aan het 
Romeinsche Rijk gehecht, eerst als provincia Belgica 
(tusschen Noordzee, Rijn, Saêne en Seinc), later, onder 
Diocletianus, gesplitst in Belgica Prima (hoofdplaats 
Trier) en B. Secunda (hoofdplaats Reims). Deze 
provinciën, vroegtijdig geromaniseerd, grootendeels 
tot het Christendom bekeerd en begiftigd met de 
bisschopszetels van o.m. Trier (ca. 250 opgericht) en 
Tongeren (eerste helft der 4e eeuw), stonden van ca. 
250 onafgebroken bloot aan de invallen der van over 
den Rijn aan rukkende Franken en Alamannen, evenals 
der van over zee aankomende Friezen en Saksen, en 
werden in de eerste helft der 5e eeuw door de Franken 
onder leiding van Clodio (Chlogio) voor goed onder- 
werpen, opgeslorpt of uitgeroeid. Terzelfdertijd ver- 
dwenen in het Noordelijk gedeelte de Latijnsche taal 
en de Gallo-Romeinsclie, Christelijke beschaving. 

V. PotUlbngh. 

Lit. : Holder, Altccltischcr Sprachschatz (Leipzig 
1896 vlg., s.v. Belgae, Belgicus, Belgium) ; Jullian, 
llistoire do la Gaule (Parijs 1908 vlg.); Dottin, Manuel 
pour servir a 1’étude de Pantiquité celtique (Parijs 2 1915). 

Belgicu-eiluiirien, Belgica -expeditie. 

Belgica-expeclitic, Belgische Zuidpool- 
expeditie, onder leiding van Adrien de Gerlache 
(1897 — ’99) in het gebied ten Z. van Vuurland. 
De Bransfield-straat tusschen Grahamland en de 
Zuid-Shetlands-ei landen werd nader onderzocht. Het 
ten W. daarvan gelegen gebied, het eerst door den 
Amerikaanschen walvischvaardcr Palmer opgemerkt, 
werd door de B.-e. onderzocht; het bleek een archipel 
te zijn: de Belgica-eilanden, ook de Palmer-archipel 
genoemd, door de Gerlache-straat van Grahamland 
gescheiden. De grootste eil. zijn: het Antw^erpen- 
eiland en het Brabant-eiland. Alle zijn met sneeuw 
en ijs bedekt. v. Velthoven. 

België* 

I. Koninklijk Huis en Familie. 

L e o p o 1 d I, koning der Belgen, jongste zoon 
van hertog Frans van Saksen-Koburg, * 16 Dec. 1790, 
f 10 Dec. 1865 te Koburg. 

Leo po ld II, koning der Belgen, * 1835 te 
Brussel, f 17 Dcc. 1909 te Laelcen. 

A 1 b e r t, koning der Belgen, * 8 April 1875 te 
Brussel, zoon van Z.K.II. prins Philippe, graaf van 
Vlaanderen, en H.K.H. Marie, prinses van Ilohen- 
zollcm-Sigmaringen. Werd tot koning gewujd en legde 
den eed op de GroncUvet af op 23 Dec. 1909. 

Koningin E 1 i s a b e t h, hertogin van Beieren, 

* 25 Juli 1876 te Possenhoven. 

Kroonprins L e o p o ld, hertog van Brabant, 

* 3 Nov. 1901, burgerlijk getrouwd te Stockholm 
4 Nov. 1926, kerkelijk gehuwd te Brussel op 10 Nov. 
1926 met: Prinses A s t r i d, prinses van Zweden, 
hertogin van Brabant, * 17 Nov. 1905 te Stockholm. 
Uit dit huwelijk weerden geboren: José Charlotte, 

* 11 Oct. 1927 te Brussel; prins Boudewijn, hertog van 
Ilainaut, * 7 Sept. 1930 te Brussel. 

Prins Karei Theodoor, hertog van Vlaan- 
deren, * 10 Oct. 1903 te Brussel. 

Prinses Marie-José, *4 Aug. 1906 te Ostende, 


407 


België 


408 


gehuwd te Kome op 8 Jan. 1930 met den kroonprins 
van Italië: ïlumbert, prins van Piemont. 

II. Aardrijkskunde. 

Algemeen overzicht. Het koninkrijk België, met 
als hoofdstad Brussel, beslaat 30 444 km 2 opper- 
vlakteen telde in 1932: 8 160000 in w., d.i. 268 inw. per 
km 2 . Voor astronomische ligging en grenzen, zie kaart. 

B. behoort gedeeltelijk, nl. het N.W., tot de uit- 
gestrekte Europeesche laagvlakte en gedeeltelijk tot 
de plateau- en bergstreken van Middel-Europa. 
Met zijn 67 km lange, lage kust ondergaat het den 
verzachtenden invloed van de Noordzee. 

De ligging tusschen de voornaamste staten van 
Europa, het gunstig zeeklimaat, de voordcelige 
bodemgesteldheid, de rijkdom van bodem en grond, 
de werkkracht van de bevolking, de degelijke organisa- 
tie, een uitgestrekt net van verkeerswegen hebben 
van het kleine B. een machtig land gemaakt. Ook op 
cultureel gebied leverde het kenmerk van doorvoer- 
land voordeel op. 

A) Aardkundige bouw. 1° Verspreiding 
der aardkundige vormingen (zie 
krt. België aardkundig). B. vertoont groote verschei- 
denheid in de geologische vormingen: van het Z.O. 
naar het N.W. ontmoet men talrijke aardlagen, die 
verschillen in ouderdom, samenstelling en structuur, 
en, behoudens eenige uitzonderingen, alle sediment- 
gesteenten zijn. 

Volgens den geologischen ouderdom kan men drie 
deelen onderscheiden: a) de Z.O. hoek van Luxemburg, 
die samengesteld is uit Secondaire afzettingen, Trias 
en vooral Jura, bestaande hoofdzakelijk uit mergel, 
zandsteen, klei- en kalksteen. 

b) Ten N. van de voorgaande streek, tot de lijn 
Sambre — Maas — Vesdre ongeveer, komen Primaire 
lagen aan de oppervlakte. Cambrische kwartsieten 
en leisteenen in de hoogstgelegen Ardennen, nl. in de 
omgeving van Stablo, Vielsalrn, Libramont, Bouillon 
en het Zuiden van de provinciën Namen en Hene- 
gouwen. Verder, het Pevoon en het Carboon, die zich 
over de Ardennen, Condroz en Tusschen -Sambre-en- 
Maas uitstrekken. Deze Palacozoïschc gesteenten zijn 
opgebouwd uit zandsteen, psammieten, kalksteen, 
leisteen, conglomeraten en steenkool, in het Sambre— 
Maasdal. 

c) Ten N. van de grens Sambre — Maas— Vesdre 
liggen de Primaire afzettingen, nl. de steenkool, 
doorgaans bedolven onder Secondaire krijtlagen en 
Tertiaire en Kwartaire zand- en kleimassa's. In den 
boven loop van sommige rivieren, zooa ls Dender en Dijle, 
treft men ontsluitingen aan van oude Cambrische 
en Siluurgesteenten. De Tertiaire bedekking van 
België is zeer zandachtig in de Kempen en in Brabant, 
klei- en zandachtig in Vlaanderen. Verder moeten de 
volgende Kwartaire formaties vermeld worden: de 
klei van het Polderland, het leem van Ilaspengouw 
en Brabant, de puinkegel van de Maas, in de Oostelijke 
Kempen. Al deze aardlagen bezitten een kenmerkende 
tekstuur en bevatten vaak rijke vindplaatsen van 
ouderdom -bepalende fossielen. 

2°Tectonische kenmerken. Uit het 
onderzoek van de ontsluitingen blijkt, dat de Primaire 
sedimenten hevig geplooid zijn; de streek, geleden 
tusschen Sambre— Maas— Vesdre en den Z. hoek van 
Luxemburg, vertoont een opeenvolging van ingewik- 
kelde plooien en breukzones van Z.W. — N.O. richting. 
De Secondaire, Tertiaire en Kwartaire gebieden zijn 
niet of zeer weinig geplooid, en waar deze lagen het 


Palaeozoïsche massief raken, neemt men discordantie 
waar. 

Als men een doorsnede toekent van den ondergrond 
van B., ongeveer van hot N.W. naar het Z.O.. onder- 
scheidt men de volgende tectonische gebieden (zie 
fig. 1): 1° het synclinaalbekken van de Kempen, waar- 
van enkel de Zuidelijke rand aangeboord werd, en 
waarvan de gestoorde steenkoollagen bedekt zijn 
met weinig hellende Perm-, Krijt-, Tertiaire en Kwar- 
taire vormingen. 2° Het anticlinaalgebied van Bra- 
bant, met de oude Cambrium- en Siluurkernen, die 
zich ontsluiten in den bovenloop van enkele rivieren 
en die van weerskanten bedolven liggen onder Ter- 
tiaire zand- en kleilagen. 3° Hot synclinaalbekken van 
Namen, waarvan de kern uit Carboon bestaat en waar- 
van de Zuidrand zeer verhakkeld is door ontelbare 
breuken. 4° Een onvolledig ontwikkelde anticlinale 
Siluurstrook, die een gewichtige breukzone bevat, 
waarlangs geweldige verschuivingen hebben plaats 
gehad. 6° Het svnclinaalgebied van Dinant, dat zelf 
uit kleinere Devoon- en Carboonplooiingen is opge- 
bouwd. 6° De anticlinale Ardennenkam, met Cam- 
brische kern. 7° De Devonische Eifelsynclinale. 
8° De anticlinale plooi van Givonne. 9° Het Secondair 
bekken van Gaumais. 

De geologische studie leert, dat België tweemaal 
geplooid werd: een eerste plooiing, op hef einde van 
het Siluur, deed het Caledonische gebergte ontstaan, 
waarvan de Ardennen deel uitmaakten; een tweede, 
na het Carboon, dat de Hercynische bergstreek vormde 
on waartoe de Primaire grond van B. behoorde. 
Terw ijl hot Noordelijk gedeelte van het land een daling 
onderging, doorstond de Zuidelijke helft geweldigen 
druk, die talrijke plooien en breuken veroorzaakte en 
zelfs, naar de nieuwste opvattingen, overschuivingen, 
waarbij omvangrijke laagcomplexen over andere 
w erden hcengestuwd, zoodat er een dekbladenstructuur 
ontstond. Dat bodembewegingen van kleineren omvang 
zich voordeden gedurende het Secondair en Tertiair 
en dat zij zelfs nu nog voortwerken gedurende het 
Kwartair, blijkt uit het nauw keurig onderzoek van die 
formaties en ookuit soms plaats vindende aard bevingen. 

. ») Dc land vorm en cn hun ontslaan. 1° De 
1 a n d v o r m e n (zie kaart België, natuurkundig). 
De bodemgesteldheid van B. omvat in het Z.O. een 
rotsachtig bergland van maximum 694 m hoogte 
in de Ardennen, dat geleidelijk naar de kust afdaalt 
en er een klei- en zandachtige vlakte ontvouwt. 
Een doorsnede van het reliëf gaande van het N.W. 
tot het Z.O. heeft ongeveer het profiel, dat op de fig. 
in kol< m 411/2 is aangebracht. 

Het uitzicht van den bodem laat toe drie reliëf- 
gebieden te onderscheiden, die nagenoeg evenwijdig 
loopen met de kust: a) het laagland, langs de kust en 
de Beneden-Schelde: b) het plateaulandschap, ten Z. 
ongeveer begrensd door het Sambre — Maasdal; c) de 
bergstreek, die het overige gedeelte van B. beslaat. 

liet Vlaamsche laagland ligt tusschen de kust 
en een lijn, die ongeveer loopt over leperen — Aalst — 
Aarschot — Turnhout. Deze vlakte bereikt nauwelijks 
20 m hoogte, behalve in het Land van Waas en in de 
omgeving van Torhout — een deel, de Polders, daalt 
zelfs beneden het hoog-zeepeil — en is van de zee 
gescheiden door een tot 30 m hooge duinenreeks. 
In de dalen van Schelde en bijrivieren reikt de hoogte- 
lijn van 20 m zeer ver Zuidwaarts. 

Het plateaulandschap strekt zich uit 
van de Z. en O.grens van het laagland tot in de om- 


409 


België 


410 


m nr 


m w m u z.s. 







ns 


Fig. 1 Schematisch geologisch 'profiel door België van UW -ZO 
l : Kwartairtn Tertiair 1 1 i ‘ 1 1 Secondair (knjt). BEEE3 Secondairfjmnielrmg. 


Steenkool 


Ska/k. 


\steen 


Cambrn -Jï/uur. 


B a groote brtuk 
bt.... bn : breuken 


T - JK. - technische gebieden (zie tekst). 



Fig. 2. Schematisch profiel van het Reliëf van België, fi. W. -ZO. 


Z.=- Zeepe/i. 
J.- Strand. 
D- Duinen. 
P- - Polders 


VI. * Vlaamsche laagvlakte. 
Sc. = Schelde dal 
Vl.H- Vlaamsche heuvels 
PI . * Plateau Igndschap. 


tl.* 
C . - 
Fa.* 
A. * 


Maasdal. 

Condroz. 

Famenne. 

Ardennen. 


Ö.L. * Belgisch lotharingen. 


j^eving van het Sambre — Maasdal. Domineerendo 
is hier het plateau, vooral in het Oosten, waar men 
dat van Brabant, Ilaspengouw en de Kempen onder- 
scheidt. ïn het W. echter verheft zich een heuvelrij, 
de Vlaamsche heuvels, waarvan de voornaamste 
toppen tot boven 150 m reiken. Dit plateaulandschap 
(20—220 m) is doorkorven door een aantal dalen, 
in het algemeen met Z.W. — N.O. richting en vooral 
in Brabant en Henegouwen tamelijk steile oevers. 

De bergstreek (200 — G94 m) beslaat heel Zu id- 
België en vertoont twee hellingsvlakken, van weers- 
kanten van den harden Ardennenkam, die in N.O. — 
Z.W. richting loopt o.a. over Botrange (G94 m), 
Baraque Michel (674 m) en de hoogten van Rocroi, 
390 m. Ten N. worden de Ardennen begrensd door de 
lager liggende vlakten. In het N.O., tusschen Vesdre 
en Maas, ligt het heuvelachtige land van Ilerve. De 
diepe en breede gleuf van Sambre — Maas begrenst 
de bergstreek ten Noorden. 

2° Ontstaan van het reliëf. Het 
verschil in de bodemgesteldheid van B. is toe te 
schrijven aan de drie volgende oorzaken: 

1° De lithologischesamenstelling 
der grondformaties verschilt van streek tot streek. 
In het Zuidelijk bergland komen harde Primaire 
rotsen aan de oppervlakte, zooals kwartsiet, zandsteen, 


kalksteen, leisteen, die meestal een hevigen weerstand 
bieden aan verweer ings- en erosiekrachten. In de pla- 
teaustreek en vooral in het laagland treft men bijna 
uitsluitend poreuze krijtbnnken of losse klei-, zand- en 
leemlagen aan, die gemakkelijk afgespoeld worden. 
Bij uitzondering zijn de bestanddeelen soms aaneen* 
gekit en dan vormen zij harde steenmassa’s; dit is het 
geval met de glauconietzanden, die nl. in de omgeving 
van Diest tot bruin ijzerzandsteen overgaan; o< k 
gebeurt dit in het Tertiair zand der omstreken van 
Brussel en op de Vlaamsche heuveltoppen. 

2° De t e c t o n i e k. Zooals hierboven is gezegd, 
werd het Zuidelijk gedeelte van B. hevig geplooid 
bij de Caledonische en Ilercynische bergvorm ingen. 
Men kan haast overal in de Ardennen en in de omlig- 
gende gewesten ontsluitingen waarnemen van sterk 
geplooide en gestoorde Primaire steenlagen. 

Ten N. van de Sambre — Maas liggen de Primaire 
anticlinale en synclinale plooien discordant bedolven 
onder inachtige Secondaire, Tertiaire en Kwartaire 
sedimenten, die een zachte helling vertoonen. Hier 
greep een doorzukken plaats in een geosy nel inaai 
gebied, hetgeen de geweldige dikte verklaart der 
ost-Palaeozoïsche lagen. Ook de jongste tectonische 
ewegingen, plooien en breuken hadden en hebben nog 
invloed op het morpliologisch verloop van het land* 


411 


België 


412 


3° V e r w e e r i n g en erosie. In de sterk 
geplooide bergstreek was cn is thans nog de verweering 
aanzienlijk, en de riviererosie zeer sterk. Hierdoor 
kreeg Zuid-België een kenmerkend uitzicht van een 
schiervlakte, die door diepe insnijd ingsdalcn verbrok 
keld wordt. In de kalkstreken vonnde de karsterosie 
mooie grotten, zooals die van Ilan, Rochefort en 
Remouchamps. In liet Noorden werd het afgedragen 
materiaal (keien, grint, zand en klei) in de vlakte 
afgezet of naar zee gevoerd; hier had dus de sedimen- 
tatie de overhand. 

Door winderosie ontstonden landduinen in de 
Kempen en zeeduinen langs de kust. 

C) Klimaat. Door de ligging aan de Zuidkust 
van de Noordzee, waar zich de Golfstroomdrift doet 
gevoelen, ondergaat B. den matigenden invloed van 
het zeeklimaat, vooral in het N.W. gedeelte. 

Ten gevolge van verschil in bodemgesteldheid 
komen eenige regionale afwijkingen voor. In de berg- 
achtige Ardennen, die hooger liggen en verder van de 
zee, alsook in de Kempen, met haar zand- en grint- 
achtigcn bodem, doen zich reeds Continentale invloe- 
den gelden, waardoor in die streken de winter meer 
guur is en de zomer heeter dan elders. 

De Z.W., de W. en de Z. winden zijn overheerschend ; 
zij brengen veel regens mee, die, bij het ontmoeten 
van het Zuidelijk bergland, hun maximum bereiken. 
De jaarlijksche neerslaghoogte gaat van ongeveer 
700 mm langs de kust, tot 1 500 mm in de Ardennen, 
om daarna weer te dalen tot ongeveer 900 mm in den 
Z.O. hoek van Luxemburg. 

Locale invloeden verzachten soms het klimaat, bijv. 
in de beschutte rivierdalen en in Belgisch Lotha- 
ringen. 

De gemiddelde jaartemperatuur bedraagt voor 
Vlaanderen iets meer dan 9°C, voor de Ardennen iets 
meer dan 7°C cn voor Bel^. Lotharingen bijna 9°C. 
De vorstdagen zijn het talrijkst in de Ardennen; ook 
sneeuwt en vriest het er vroeger en langer dan elders. 

De meeste regen valt in den zomer, maar dank zij 
de actieve verdamping gedurende dat seizoen, wordl 
een aanzienlijke hoeveelheid water niet door de rivie- 
ren opgevangen. Herfst- en winterneerslag oefenen den 
sterksten invloed uit op de waterloopen. V. Aslroeck. 
_!») . De walerloopen. 1 ° Beschrijving. 
Behoudens eenige uitzonderingen, vloeit al het rivier- 
water van België naar de Noordzee. In het algemeen 
helt het land trouwens af in die richting. De Ardennen - 
kam en de heuvelrug van Artois vormen de scheiding 
voor het stroomgebied van Rijn, Seine en Somme 
eenerzijds, Maas en Schelde anderzijds. 

De Schelde, die op de hoogte van St. Quentin ont- 
springt en daarna door N. Frankrijk, het Belgische 
plateaulandschap en de Vlaamsche laagvlakte stroomt, 
heeft een zeer gering verval. Het is een vlaktestroom; 
zij is tamelijk diep, en in haar benedenloop, die een 
zeearm is, ondergaat zij de werking van eb en vloed. 
Haar oevers zijn in den benedenloop met dijken opge- 
hoogd. Zij maakt vele bochten; de groote zeehaven van 
Antwerpen bevindt zich aan de buitenbocht van zulk 
een meander. Rechts, waar het stroomgebied zich 
ongeveer uitstrekt over de helft van België, neemt zij 
een aantal belangrijke bijrivieren op. De O.W. Haine 
of liene, waarvan vooral de bijriviertjes een groot 
verval vertoonen. De Dender, die ongeveer evenwijdig 
vloeit met de Schelde en in haar bovenloop nogal veel 
verval heeft bij het doorbreken van de Vlaamsche 
heuvelen. De Rupel is een korte, maar breede zijarm, 


die verschillende waterloopen opvangt: de Zcnne, met 
de Dijk, waarin zich de Denner ontlast, die op haar 
beurt de Geete en de Ilerck ontvangt; in de Kempen 
vloeien de Groote en de Kleine Nethe samen en komen 
ten \V. van Mechelen in de Rupel terecht. De boven- 
loop van deze rivieren heeft een merkbaar verval en 
vaak steile oevers; de benedenloop ervan is traag. 
Links heeft de Schelde een veel geringer en lager 
stroomgebied en slechts één groote bijrivier, de 
kronkelende Leie, die zich te Gent in de Schelde ont- 
last; haar water is zeer geschikt voor het roten van 
vlas, evenals dat van haar bijloop, de Mandei. De 
Durme vloeit aan den rand van het Land van Waas, 
bij Tielrode, in de Schelde. 

De Maas, die op het plateau van Langres ontspringt 
en vervolgens in een diep en breed dal Noordwaarts 
slingert, is in Frankrijk zeer arm aan bijrivieren, 
die meestal werden onthoofd ten voordecle van Rijn 
en Seine. In België zijn de snelle nevenloopen talrijk 
en hebben een zeer groot verval. Even vóór het door- 
breken der Ardennen vangt de Maas de Chiers op met 
Ton en Vire; daarna de kronkelende Semois. Stroom- 
afwaarts, links, de Viroin en de Hermeton; daarna, 
rechts, de Lesse, die met haar bijrivieren door een 
prachtig karstlandschap vloeit, waar zich de grotten 
van Han en Rochefort hebben gevormd. Ten N. van 
Dinant de Molignée met haar steile oevers en de Bocq. 
Te Namen neemt zij de breede Sambre op, waarin zich 
reeds ontlastten: de Biesmcle, te Thuin, de Eau- 
d'Heure en de Piéton, ten W. van Charleroi, de Orneau, 
ten O. van Tamines. Vanaf Namen storten zich nog 
in de Maas: de Samson, de zeer snelle Hoyoux, de 
Méhaigne, de waterrijke, mooie Ourthe, waarin zich 
werpen: de Amel, met de grotten van Remouchamps 
en de Coo-waterval, de Vesdre met de Gileppe; verder 
nog de Berwinne, de Jeker en de Boschbeek. In de 
Ned. vlakte wordt de Maas veel kalmer. In lioog- 
België komen nog cenige rivieren voor van minder 
belang, die niet tot het stroomgebied van de Maas 
behooren, nl. de Oise in Z. Henegouwen, een neven loop 
van de Seine; de Attert, Sauer en Wiltz, die in het 
gebied van den Rijn liggen. Langs de kust moet ver- 
meld worden de IJzer met de IJperlee, die door het 
lage polderland vloeien en gedurende den Wereldoor- 
log een gew ichtige rol speelden. Hun loop w r erd aan- 
zienlijk gewijzigd door menschenwerk. 

2° K e n m e r k e n. De waterstand van de Belgische 
rivieren, vooral van het gebied der Schelde, is tamelijk 
regelmatig, behalve gedurende den herfst en in den 
winter. Vooral ’s winters, maar ook ’s zomers is de 
regenneerslag van belang, de actieve verdamping ge- 
durende het warme seizoen werkt echter den invloed 
van den hoogen neerslag tegen. 

Waar de ondergrond ondoordringbaar is, ontwik- 
kelt zich een dicht watemet; dit is het geval met N. 
Haspengouw, dat daarom ook wel Vochtig Ilaspen- 
gouw genoemd wordt; in het Zuidelijk gedeelte, of 
Droog Haspengouw, waar geen kleilaag tusschen de 
löss en het krijt ligt, is het oppervlaktewater uiterst 
zeldzaam. Wanneer de helling onvoldoende is, vormen 
zich doorgaans moeraspiassen, bijv. in de Hooge 
Venen en op het plateau van de Kempen. Is de grond 
zeer doordringbaar, dan kan zich in de bovenliggende 
sedimenten een machtige grondwater-reserve vormen, 
zooals dit het geval is met Vlaanderen en de Kempen. 
In de kalkgesteenten deden zich merkwaardige kust- 
verschijnselen voor, nl. te Han, Rochefort, Remou- 
champs, Dinant. De meer beboschte gewesten, bijv. in 


413 


België 


414 


de Ardennen, vangen een groote hoeveelheid regenwater 
op en oefenen een regulariseerenden invloed op de 
rivieren uit; de werking ervan wordt echter veelal 
overdreven; de invloed van de bodemgesteldheid 
blijkt overwegend te zijn. De W. O. loop van de Ilene, 
Sambre en Maas valt samen met een geplooide 
strook, de synclinale zone van Namen. Het dwarsdal 
van de Maas ten Z. van Namen vertoont een geheel 
ander kenmerk, zooals ook de meeste bijrivieren van 
het bergachtige Zuiden. Het zijn epigcnctische water- 
loopen: zij ontstonden op een minder verheven vlak, 
dat, naar het N. hellend, bedekt was met jongere neder- 
zettingen. Terwijl de stroomen hun bedding zochten 
op die jongere sedimenten, begon een nieuwe beweging 
het land omhoog te heffen; daardoor nam de erosie- 
kracht toe en schuurden de machtigste rivieren diepe 
dalen uit. De terrasvormige niveau ’s en de talrijke 
insnijdingsbochten in de meeste dalen van de berg- 
streek leveren hiervoor een belangwekkend studie- 
materiaal op. De jongste bodembewegingen gaven 
dikwijls aanleiding tot onthoofding, hetgeen het 
plotseling ombuigen verklaart van menige rivier. 

Het denudatieproces had ten gevolge, dat een 
ontzaglijke massa grond wegspoelde naar de zee. Het 
N.W. van België, dat hoofdzakelijk uit losse af- 
zettingen is opgebouwd, onderging een ingrijpende 
vernietigende werking, waarvan de thans nog goed 
zichtbare resten der Vlaamsche heuvelen een bewijs 
leveren. Het Zuidelijk geplooid bergland werd veref- 
fend tot een eigenaardige schiervlakte. 

Op de veel omstreden vraag, hoe den geologischen 
ouderdom der waterloopen te bepalen, mag geant- 
woord v orden, dat het huidig continentaal tijdstip 
begon met het terugtrekken der laatste Tertiaire 
zeeën in N. O. richting, dat aan het rivicrstclsel zijn 
algemeene richting gaf. De waterloopen van het N. 
van België werden later nochtans beïnvloed door een 
paar transgressies. De eigenlijke uitschuring der 
rivierdalen geschiedde het hevigst in het Plistoceen; 
de vondsten van fossiele overblijfselen in de Alluviale 
nederzettingen toonen dit voldoende aan. Volledig- 
heidshalve echter moet worden opgemerkt, dat veel 
neven loopen der voornaamste rivieren hun dal pas 
begonnen te vormen gedurende het Holoceen. 

Uit het onderzoek van de kenmerken der rivieren 
blijkt, dat die van het N. gedeelte van het land bijna 
alle een regelmatigen watertoevoer bezitten en haar 
dalen doorgaans diep genoeg zijn om benuttigd te 
kunnen worden door de scheepvaart; dit economisch 
voordeel bezitten de Ardensche waterloopen om de 
hooger vermelde redenen niet; het toeristisch belang 
der Zuidelijke insnijdingsdalen is echter des te grooter. 

V. Asbroeck, 

E) Bevolking. 1° Ethnographische 
kenmerken. Men onderscheidt in B. twee 
menschenvariëteiten: het Vlaamsche type en het 
Waalsche type: de Vlaming is doorgaans van grooter 
gestalte en heeft een lichtere tint van oogen en haar 
dan de Waal. Dit verschil is echter tamelijk theore- 
tisch, hetgeen begrijpelijk is, als men denkt aan de 
menigvuldige wederzijdsche invloeden gedurende de 
geschiedenis. 

Reeds in het Kwartair was B. bewoond: de voor- 
historische vondsten te Spy, Engis, Turfooz, Wóris too- 
nen dit aan. Jn den loop der geschiedenis werd het N. 
bevolkt door Germaansche stammen, terwijl het Z. meer 
bewoond bleef door volken van Romaanschen oorsprong. 
Hoe dichter men de kedendaagsche periode nadert, 


des te zwakker wordt dit ethnisch verschil merkbaar. 

2° T a 1 e n. Op een totale bevolking van 8 1G0 000 
inw. (1932) spreken er ongeveer 43% uitsluitend 
Vlaamsch, 40% uitsluitend Fransch en ruim 16 000 
uitsluitend Duitsch; 13% Fransch en Vlaamsch; 
Fransch en Duitsch ruim 45 000; de drie landstalen 
ruim 33 000. 

De zeer grillige taalgrens loopt van O. naar W. 
ongeveer over de volgende plaatsen: Eben-Emaal, 
Landen, Waterloo, Edingen, Ronse, Meenen, Armen- 
tières, St. Omer, Duinkerken; ten N. ervan wordt er 
Vlaamsch gesproken, ten Z. Waalsch. In den N.O. 
hoek van Luik, ten O. en ten Z. van Malmedy en in de 
omstreken van Aarlen spreekt men Duitsch. 

3° Verspreiding der bevolking. 
Sedert 1830 is de bevolking van B. meer dan verdub- 
beld. Het zijn vooral de industriestreken en de groote 
steden , die het dichtst bevolkt zijn (zie kaart); daar ook 
bereikt het aantal immigranten het hoogste percentage. 

Vier provincies telden in 1932 ruim 1 millioen inw.: 
Brabant 1 680 000, Henegouwen 1 270 000, Antwer- 
pen 1 173 000, Oost- Vlaanderen 1 150 000. 

Van de 2 671 gemeenten zijn er 12, die meer dan 
50 000 zielen tellen: Antwerpen 284 000, Brussel 
200 000, Gent 170 000, Luik 165 000, Schaarbeek 
119 000, Elsene 84 000, Anderlecht 80 000, Molen- 
beek 65 000, St. Gillis 64 000, Mechelen 60 000, 
Borgerhout 56 000, Brugge 51 000. De bevolking is 
bijzonder dicht (zie kaart) in het Zuidelijk industrie- 
bekken van Borinage, Charleroi en Luik; daarna 
komt de beneden -Scheld estreek, Gent en omgeving, 
het Leiedal, het Sennedal met Brussel als kern. De 
minst bevolkte gewesten zijn: de Ardennen en de 
Kempen; deze laatste streek echter is bezig zich tot 
een dicht industriegebied te ontwikkelen, sedert de 
ontdekking van de steenkool. 

Zoo de natuurkundige kenmerken (grondstoffen, 
vooral steenkool, vruchtbare landbouwbodem, water- 
voorraad, enz.) dikwijls, en vooral vroeger, het ver- 
schil in verspreiding der bevolking verklaren, mag 
de invloed van historische en economische factoren 
niet verwaarloosd worden; dit is nl. het geval voor de 
textielcentra van Vlaanderen. Daarbij kan het modern, 
snel en goedkoop verkeer merkbare gevolgen hebben: 
de industriegebieden zouden in B. nog veel dichter 
bewoond zijn, indien er bijv. geen goedkoope en snelle 
reizen werden ingericht, die de arbeiders toelaten dage- 
lijks of wekelijks van veraf gelegen gemeenten te gaan 
werken in de nijverheidscentra; hetgeen o.a. meer even- 
wicht teweeg brengt in de verspreiding der bevolking. 

F) Delfstoffen. De grond van B. is rijk aan nuttige 
delfstoffen, dank zij de verscheidenheid in den aard- 
kundigen bouw. 

De Primaire nederzettingen [zie Aardkundige bouw 
(II. B) in dit artikel] bevatten leien, kwartsieten en 
zandsteen, vooral in de Ardennen; zandsteengroeven 
in het Devoon zijn talrijk in de dalen van de Óurthe, 
Hoyoux en Maas. Te Quenast en Lessen vindt men 
groeven van eruptiegesteenten (porphier). 

Het Devoon van Condroz, tusschen Sambre en 
Maas, en van de strook ten N. van de Hene-Sambre 
levert verschillende soorten van kalksteen, die in 
den handel als marmer bekend zijn. Het Carboon in 
Z. België is rijk aan kalksteen (kolenkalk) en aan 
steenkool (zie lager, onder Nijverheid); ook de onder- 
grond van de Kempen. 

De Secondaire formaties bevatten phosphaten en 
mergel, die vooral in den landbouw van nut zijn. 


415 


416 


ook krijt voor cementfabrieken. Het Tertiair, dat voor- 
al ontsloten ligt in het Vhiamsche land, levert klei, 
zand en soms ook zandsteen. Deze grondstoffen deden 
vaak ter plaatse nijverheidstakken ontstaan (> Nijver- 
heid). 

G) Landbouw en veeteelt. Van de 723 000 ha, 

die in 1931 aan «rraan- en meelgewassen besteed werden 
komen vooral in aanmerking: haver (ongeveer 295 000 
ha), rogge (ruim 220 000 ha), tarwe (ruim 164 000 ha). 

Do peulvruchten besloegen een opp. van ruim 
22 000 ha; de nijverhcidsplanten ongeveer 76 000 ha. 
waaronder: suikerbieten 62 000 ha, vlas ruim 14 600 ha, 
cichorei 6 500 ha, tabak 2 834 ha, hop 830 ha. 

De wortelplantcn verspreidden zich over meer dan 
262 000 ha, nl.: aardappelen 172 000 ha, voeder- 
bieten 84 000 ha. 

De voedergewassen bedekken een totale oppervlakte 
van ruim 390 000 ha, de tusschengewassen onseveer 
150 000 ha. Daarbij dienen vermeld te worden 3G2 000 
ha weiland en boomgaarden. 

Ongeveer 48% der landsopp. wordt besteed aan 
cultuur, 12% aan weiland en boomgaarden, 18% aan 
bosschcn. 

B. telde in 1931 ongeveer 242 000 voor landbouw 
gebruikte paarden, 1 768 000 runderen en 1 236 000 
varkens. De streken, die het meest voordeel trekken 
uit den landbouw zijn de Polders, Z. Vlaanderen, 
Brabant, Hnspengouw, Henegouwen, Namen, omdat 
zij doorgaans een vruchtbaren bodem bezitten of door 
de bewoners tot vruchtbaarheid gedwongen worden. 

II) Nijverheid. B. is een der meest geïndustriali- 
seerde staten van de wereld, want bijna 47% der be- 
volking is werkzaam in de ver uitgebreide takken der 
nijverheid. Volgens de bedrijfstelling, die gedaan werd 
in 1926, worden de industrieën van meer dan 10 werk- 
lieden als volgt ingedeeld: 


Industrieën 

Aantal 

onder- 

nemin- 

gen 

Be- 

dien- 

den 

Werk- 

lieden 

Mijnen 

743 

7.960 

182.002 

Groeven 

637 

2.077 

37.249 

Metaalbewerking , . . 

2.157 

23.821 

203.143 

Aardewerk 

479 

1.510 

28.407 

Glas bewerking .... 

127 

1.670 

35.241 

Chemische nijv. . . . 

681 

7.825 

62.163 

Voedingsindustrie . . 

1.155 

6.700 

56.321 

Textielbewerking . . . 

1.980 

7.749 

164.495 

Kleed ingind ustrie . . 

693 

3.207 

21.199 

Bouwbedrijf 

1.282 

1.999 

40.260 

Hout- en meubelbewer- 
king 

1.147 

2.231 

36.073 

Lederindustrie .... 

660 

1.895 

27.337 

Tabakbewerking . . . 
Papiernijverheid . . . 

193 

981 

9.770 

195 

1.077 

13.970 

Boeken industrie . . . 

376 

2.338 

12.805 

Kunst industrie .... 

522 

2.558 

22.267 

Vervoer 

341 

20.894 

123.850 

Visscherij 

15 

72 

779 

Totaal 

13.082 

96.667 

1.080.33 1 


1 ° Steenkoolindustrie [zie Aardkundige 
bouw (II. Bi en Delfstoffen (II. F) in dit art.). In 
het Zuiden ligt het Waalsch steenkoolbekkcn, waarvan 
re« ds meerdere putten vei laten werden ofwel omdat de 
voorraad uitgeput is of ook omdat de oude inrichtingen 
den strijd niet konden volhouden tegen de modern 
uitgeruste koolmijnen. Er dient evenwel opgemerkt, 
dat sedert den wereldoorlog veel materiaal vernieuwd 
werd en dat er nieuwe stcenkoolvelden werden ontdekt 
in het Z M dank zij de moderne geologische vondsten, 
steunend op wetenschappelijk onderzoek. Het n ook 
de aardkundige studie, die A. Dumont tot de ontdek- 
king bracht van de steenkool in de Kempen, die diep 
bedolven ligt onder dikke krijt-, zand- en kleilagen, 
die gevaarlijk grondwater bevatten. Het Zuiderbek*cen, 
dat zich splitst in Borinage, Centrum, Charleroi, 
beneden -Sa mhre en Luik, leverde in 1930, met 93 mij- 
nen, ruim 47 000 000 ton steenkool. In het Kempisch 
bekken, waar thans zes mijnen in exploitatie zijn, 
waarvan Genk het centrum vormt, werden in 1930 
ongeveer 6 600 000 ton steenkool ontgonnen. De reu- 
zenvoorraad en de moderne bouw der Kempische 
mijnen zullen van deze streek een machtig industrie- 
gew r est maken. 

2° De metaalbewerking, die in den 
beginne zich vestigde in de nabijheid van de vind- 
plaatsen der grondstoffen, raakte allengs los van dezen 
band, naar gelang de voorraad verminderde, de ver- 
voermiddelen zich ontwikkelden en het vakonderwijs 
vorderde. Zoo komt het, dat men thans bijv. in het 
Vlaamsche land metaalbewerking aantreft, waar noch 
steenkool, noch ijzererts te vinden zijn (zie kaart). 

De machtigste nijverheidsinrichtingen, die het 
metaal bewerken, treft men aan in het Zuidelijk steen- 
koolbekken: Borinage, Centrum, Charleroi, Luik, 
verder treft men er aan in den Z.O.hoek van Luxem- 
burg, waar ijzererts gevonden wordt, en in eenige 
Vlaamsche centra, nl. Brussel, Gent, Antwerpen, 
Leuven, Mechelen, enz. 

Terwijl B. rijk is aan steenkool, is de ertsvoort- 
brengst integendeel zeer gering. Ook wordt er thans 
ijzererts ingevoerd uit het groothertogdom Luxemburg, 
Frankrijk, Zweden, Spanje. 

De zinkind ustrie vestigde zich in de pro- 
vincies Luik en Limburg. 


Metaalnijverheid in België. 



1926 

1930 

IJzcr 



R u w ij z e r : 



Fabrieken 

16 

16 

Hoogovens 

56 

65 

Productie (in ton) 

Waarde der productie (in 

3.368.347 

3.365.240 

1 000 fr.) 

1.474.929 

1.798.337 

Aantal arbeiders 

6.152 

7.144 

Gewoon ij z e r : 



Fabrieken 

48 

40 

Pudelovcns 

15 

12 

Productie (in ton) 

Waarde der productie (in 

169.861 

122.730 

1 000 fr.) 

136.625 

109.643 


BELGIE. KONINKLIJK HUIS 



KONING LEOPOLD I. 



KONING ALBERT. 

(Photo Conthie, Brussel) 



KROONPRINS LEOPOLD. 

(Photo Marchcmd, Brussel) 



KONING LEOPOLD II. 



KONINGIN ELISABETH. 

(Photo Alban, Brussel) 



PRINSES ASTRID. 

(Photo Marchand, Brussel) 


KUNSTSCHATTEN IN BELGIË 




1. Tabernakel te Zout-leeuw, door Cornelis Floris. 2. Koorbanken in de St. Geertruidakerk te Leuven. 3. Schoorsteen 
in het Vrije te Brugge. 4. Het onbloedig Offer der Nieuwe Wet, door Rogier van der Weyden. 5. Detail van het 
Gentsch Altaar, door Hubert en Jan van Eyck, in de St. Bavo te Gent. 6. St. Ursula. Voorzijde der Ursula-schrijn, 
door Hans Memlinc, in het St. Jans Hospitaal te Brugge. 7. Madonna, door Dirk Bouts. 8. Val van Icarus, door Pieter 
Brueghel den Ouden. 9. Antoine Anselm en zijn vrouw, door Maarten de Vos. 10. H. Magdalena, door Quinten Matsijs. 

4, 7, 10 in het Kon. Museum te Antwerpen. 8 en 9 in het Musée Ancien te Brussel. 





417 


België 


418 


(Vervolg) 

1926 

1930 

Staal: 



Fabrieken 

34 

34 

Retortovens 

99 

105 

Staalovens 

45 

36 

Electrische ovens 

5 

7 

Productie (in ton) 

Waarde der productie (in 

2.481.753 

2.600.760 

1 000 fr.) 

Aantal arb. der ijzer- en staal- 

1.989.788 

2.608.083 

fabrieken 

Zink 

34.784 

35.340 

Smelter ij en: 



Smelterijen in werking . . . 

15 

12 

Productie (in ton) 

Waarde der productie (in 

188.767 

176.230 

1 000 fr.) 

934.616 

510.147 

Aantal arbeiders 

7.432 

5.897 

Pletter ij en: 



Plctterijen in werking. . . . 

9 

9 

Productie (in ton) 

Waarde der productie (in 

67.338 

74.890 

1 000 fr.) 

374.666 

270.203 

Aantal arbeiders 

1.169 

1.307 

Lood, zilver, koper 



Fabrieken in w r erking. . . . 

10 

11 

Loodproductie (in ton) . . . 
Waarde der productie (in 

87.876 

85.370 

1 000 fr.) 

424.612 

276.814 i 

Zilverproductie (in ton) . . . 
Waarde der productie (in 

105 

105 

1 000 fr.) 

75.298 

49.899 , 

Koperproductie (in ton) . . 
Waarde der productie (in 

10.006 

96.200 ] 

1 

1 000 fr.) 

111.285 

1.040.299 ( 

Aantal arbeiders 

3.076 

4.117 j 


3° Vroeger was de omgeving van Charleroi, Jumet, 
Dampremy en Lodelinsart wereldberoemd voor haar 
g 1 a s b 1 a z e r ij e n. Deze verdwenen na het uit- 
vinden van de mechanische vervaardiging van het 
glas en dit veroorzaakte een crisis in die streek, w T aar 
duizenden werklieden een nieuwe bezigheid moesten 


zoeken. Mechanische glasfabrieken vervingen de oude 
in de streek van Charleroi en werden opgericht in de 
Kempen, nl. te Mol, waar wit zand gedolven wordt. 

4° In de laatste jaren heeft de scheikundige 
industrie groote vorderingen gemaakt. Van 
belang zijn nl. de foto -artikelen, vooral de Gevaert- 
fab rieken te Oude God, Antwerpen; de electriciteit- 
en gasproductie, in de groote centra; pharmaceutische 
producten en vernissen, in de groote steden; stijfsel, 
kunstzijde-fabrieken; lucifers te Ninove en Geeraards- 
bergen, radiumbehandeling te Ooien. 

5° Ook de automobiel productie nam 
snel toe. Men onderscheidt nationale producenten, 
nl. de F.N. te Herstal, Minerva te Antwerpen, Jmperio- 
Excelsior, te Brussel, en fabrieken die vreemde merken 
vervaardigen. 

0°De aardewerk-industrie, steen- 
en pannenbakkerijen en cementfabrieken treft men 
vooral aan in de Rupelstreek, in de omgevin^ van 
Turnhout, in West -Vlaanderen en te Andenne. 

7 ° B. bezit een eeuwenoude textielnijver- 
hei d, vooral gclocaliseerd in Vlaanderen en te 
Verviers. Voor het Vlaamsche land is Gent het mach- 
tigste centrum; daarna dienen vermeld te worden: 
Kortrijk, St. Niklaas, Mechelen en verschillende andere 
Vlaamsche steden en dorpen, waar hoofdzakelijk vlas 
en katoen verwerkt wmrden. Te Verviers integendeel 
bewerkt men vooral wol, die uit de Engelsche bezit- 
tingen en uit Argentinië ingevoerd wmrdt. 

De Vlaamsche kantbewerking, die als huisindustrie 
wereldbekend was, verdwijnt met de ontwikkeling 
van de moderne techniek der fabrieken. 

3° De industrie van voedings- en genot- 
middelen en van luxe-artikelen wordt bijzonder 
aangetroffen in de groote steden, alsmede die der 
kleeding. 

I) Handel en Verkeer. > Bank, sub II, 3°. B. is 
verplicht ongeveer een vijfde der voedingsmiddelen te 
koopen in den vreemde, ter oorzake van zijn hoog 
bevolkingscijfer. Dank zij dc macht der Belg. industrie, 
die veel uitvoert, maar die ook grondstoffen moet 
invoeren en dank zij het dichte net van allerhande 
verkeerswegen zijn dé handelsbetrekkingen zeer leven- 
dig. B. drijft veel handel met de omliggende landen: 
Frankrijk, Engeland, Duitschland, Nederland, groot- 
hertogdom Luxemburg en met andere landen van 
Europa, alsmede met de overzeesche gewesten. Meer 
en meer dringt zich de rijke Kongo-kolonie op in het 
economisch leven van het moederland. 


Invoer, uitvoer en doorvoer (waarde in 1 000 fr.) in 1930. 





Overschot 

Djorvoer 

Landen 

Invoer 

Uitvoer 

van den 

van den 

in binnenw. 

in buitenw. 




invoer 

uitvoer 

richting 

richting 

Frankrijk 

6.516.473 

4.130.638 

1.385.835 


6.833.099 

10.679.850 

Duitschland 

6.170.906 

2.988.102 

2.182.804 


9.501.858 

4.034.181 

Nederland 

4.015.553 

3.467.712 

547.841 


3.267.475 

2.790.692 

Groot-Brittannië . . . 

2.831.734 

4.998.666 


2.166.932 

4.606.974 

4.880.439 

Vereenigde Staten . . . 

3.105.719 

1.332.826 

1.772.803 


1.779.692 

896.710 

Argentinië 

1.651.705 

713.137 

838.568 


1.144.418 

774.049 

Belgisch Kongo . . . 

1.185.960 

693.559 

492.401 


236.726 

255.821 

Italië 

366.146 

595.863 


239.718 

943.793 

428.168 

Zwitserland 

381.789 

666.181 


284.392 

1.163.666 

1.890.097 


1T. 14 


419 


België 


420 


Invoer 
Uitvoer . 
Doorvoer . 

Handelsbeweging in de jaren 1840—1930 (waarde i 

in 1 000 0 

00 fr.). 


1840 

1850 

1860 

1870 

1880 

1890 

1900 

1910 

1920 

1930 

205.6 

139.6 
43,9 

221,9 

210,0 

201,2 

516,7 

470.3 

409.3 

920,8 

690,1 

831,7 

920,8 

1.216,7 

1.008,4 

1.672,1 

1.437.0 

1.511.1 

2.215.8 

1.922.9 
1.374,6 

4.264,9 

3.407,4 

2.287,2 

12.941,8 

8.862,0 

7.423,0 

31.094,2 

26.158,9 

34.692,8 


Havens 


Binnengekomen 
schepen in 1930 
tonnenmaat 
(in 1.000) 


Antwerpen 
Gent . . 
Oostende. 
Zeebrugge 
Brugge. . 
Brussel . 
Andere plaat 
sen . . . 


Totaal . . 


23.861 

2.882 

1.187 

1.010 

288 

243 

166 


29.637 


Uitgevaren 
schepen in 1930 
tonnenmaat 
(in 1.000) 


23.741 

2.860 

1.187 

1.010 

280 

240 

162 


29.480 


Vliegtuigen 

komst en vertrek) . 

Reizigers (aankomst 
en vertrek). . . , 

Vervoerde goederen 
(kg) . 

Vervoerde poststuk- 
ken (kg). 


Brussel 

Ant- 

werpen 

Totaal 

9.282 

4.504 

16.207 

19.383 

8.563 

31.767 

1.089.283 

204.220 

1.391.114 

154.695 

12.022 

173.852 


Duidelijk is het, dat de bevaarbare rivie- 
ren vooral en bijna uitsluitend worden aangetroffen 
in het Noordelijk gedeelte van het land (zie kaart), 
dat laag is en niet rotsachtig. 

Daar ook werden de kanalen gegraven en is 
het spoorwegnet bijzonder dicht (zie kaart) 
vooral rondom de groote steden en in de nijverheids- 
gewesten. Door het graven van breede en diepe kanalen 
kunnen thans zeeschepen de havens van Brussel, 
Gent en Brugge bereiken. 


Kanalen 

Lengte 
(in km) 

Vervoerde 
goederen 
(1.000 1, 1930) 

Kanaal Gent-Temeuzen . . 

17,5 

4.052 

Kanaal Brugge-Zeebrugge . 

12,0 

2.588 

Willebroek-kanaal .... 

31,5 

355 

Kanaal Brugge-Ostende . . 

20,8 

171 


De snelle ontwikkeling van de nieuwe Kempen 
heeft daar meer spoorwegen doen ontstaan en was de 
voornaamste aanleiding van het graven van het reus- 
achtige Albcrt-kanaal, dat ook voor Luik en vooral 
voor Antwerpen van belang is. In de laatste jaren 
levert het autovervoer op het dicht ontwikkeld wegen- 
net een emstigen strijd aan het treinverkeer, dat zich 
daardoor heeft moeten plooien volgens de nieuwe 
economische toestanden. 

Een der jongste uitingen van het modern verkeer 
is de luchtvaart, die zich snel ontwikkelde na den 
wereldoorlog. 

Luchtverkeer in 1930 van de vlieghavens Brussel 
en Antwerpen: 


L i t • Livre d’or du centenaire de lTndépendance 
beige (1830—1930) ; G. Kurth, La frontière linguistique 
en Belgiquc et dans le Nord de la France (2 dln. Brussel 
1898); J. Cornet, Etudes sur 1’évolution des rivières beiges, 
in Annales de la Société géelogique de Belgique (XXXI 
Mémoire, 1904, 260-500); L. De Ract, Vlaanderen’» 
Economische ontwikkeling; E. Mahaim, Les abonne- 
ments d’ouvriers sur les lignes de chemin de fer beiges 
et leurs effets sociaux (Brussel 1910) ; O. Quelle, Belgien 
und die Franz. Nachbargebiete (1915) ; A. Deichmann, 
Die Binnen-Wasserstraszen Belgiens (Brussel 1917) ; 
H Demain, Les migrations d’ouvrières k travers la 
Belgique (Leuven 1919); E. Van den Broeck, E. A. 
Martel et E. Rahir, Les cavernes et les rivières souter- 
raincs de la Belgique (2 dln. Brussel 1920) ; M. A. Lefèvre, 
L’habitut rural en Belgique (Luik 1925) ; Enquête 
sur la situation des industries au 31 Oct. 1926 (2 dln. 
Brussel 1927, 1928); J. Cornet, Le<?ons de géologie 
(Brussel 1927); A. Demangeon, Belgique, Pays-Bas, 
Luxembourg, in Géogr. universelle (Parijs 1927); 
G. Omond, Belgium (Londen 2 1928) ; F. Leyden, Die 
Volksdichte in Belgien, Luxemburg und den Nieder- 
landen Petermanns Mitteilungen (Gotha 1929) ; Jaarboek 
van het Vlaamsch aardrijkskundig Genootschap (1 1930 — 
*31) ; W. Tuckermann, Landerkunde der Niederlande 
und Belgiens, in Encyclopaedie der Erdkunde (Lcipzig 
1931) ; Vlaanderen door de Eeuwen heen (1932) ; Statis- 
tisch jaarboek voor B. en Belg. Kongo (1933). 

J) Toerisme, bezienswaardigheden. België mag 
zich voorzeker verheugen in een belangrijk toe- 
ristisch verkeer. Voor vele Engelsche toeristen is B. 
de eerste etappe van een uitstap op het vasteland ; voor 
de Nederlanders ligt het op den weg naar het Zuiden. 
Vooral lokken de beroemde kunststeden Brugge, Gent, 
Antwerpen, Mechelen, Brussel, Leuven, Luik, Door- 
nik, alsook een groot aantal mindere steden met eigen 
bekoorlijkheid en bezienswaardige monumenten uit 
het verleden, jaarlijks een groot aantal vreemde be- 
zoekers. Bevat B. behalve de grotten van Han en 
Rochefort geen overweldigende natuurwonderen, toch 
vertoont deze kleine bodem een groote verscheiden- 
heid van uitzicht: moderne wereldsteden, zooals Brus- 
sel en Antwerpen met een intens stadsleven, naast 
pittoreske oude hoekjes en stemmige begijnhoven in 
alle kleinere steden; dichtbevolkte, rijke, kleurvolle 
landbouwstreken met een weelde van schilderachtige 


421 


België 




boerderijen, naast geweldige nijverheidscomplexen 
m de omgeving van Charleroi en Luik; een der drukste 
zeehavens te Antwerpen; stroomen, rivieren en kana- 
len; een zeestrand met een van de Ncderlandsche tot 
de Fransche grens schier onafgebroken rij van frissche 
badplaatsen; een stille heidevlakte in de Kempen en 
een bekoorlijk bergland in de Ardennen. Verder ook 
eenige historische landschappen van internationale 
beteekenis (slagveld van Waterloo), doch vooral, 
sedert den wereldoorlog, tal van bedevaartplaatsen 
voor de oudstrijders der verbonden legers. 

België bezit het dichtste spoorwegnet van de wereld 
en ook een uitgebreid (doorgaans goed onderhouden) 
wegennet ten gerieve van het steeds meer toenemend 
toerisme per auto. De hotels zijn er doorgaans uit- 
stekend. De groote internationale hotels kunnen wed- 
ijveren met de beste uit het buitenland. Garages en 
dergelijke instellingen, die het toerisme te stade komen, 
zijn overal langs de groote wegen voorhanden. In de 
toeristische centra bestaan vereenigingen ter bevor- 
dering van het vreemdelingenverkeer en inlichtings- 
bureelen ten gerieve van de toeristen. Er zijn ook 
officieel gediplomeerde gidsen voor de toeristen. 

Naast het internationaal toerisme bestaat er ook in 
B. een zeer ontwikkeld binnenlandsch toeristen- 
verkeer. In het Vlaamsche land heeft die beweging 
sedert een twaalftal jaren een ongemeenen om vang 
aangenomen, dank zij de prachtige werking van den 
Vlaamschen Toeristenbond (in 1933 
ca. 120 000 leden; afdeelingen over het gansche 
Vlaamsche land ; voortreffelijk bondsblad „Toerisme”; 
actie op velerlei gebied ook voor bescherming van 
gebouwen en landschappen). De jaarlijksche Ijzer- 
bedevaart trekt tot 200 000 menschen uit alle hoeken 
van Vlaanderen te Diksmuiden bijeen. Speciale vor- 
men van toerisme zooals het „trekvogel” -toerisme, 
kampeeren, water- en luchttoerisme, wintersport, enz! 
nemen voortdurend toe. 

Voornaamste bezienswaardigheden van België. 
1 ° Oost- en Wes t-V laanderen. Oude 
Vlaamsche monumenten en pittoreske stadsdeelen 
vooral in Brugge, Gent en Veurne; getrouw hersteld 
na de verwoesting in 1914— ’18 te Ieperen, Nieuw- 
poort, Diksmuiden; bezienswaardige oude bouw- 
werken in W. VI.: te Kortrijk, Oostende, Damme, 
Torhout, Loo, Poperinge, Harelbeke; in O. VI.: 
te Oudenaarde, Dendermonde, Aalst, Ninove, Gee- 
raardsbergen, Ronse, Deinze, St. Niklaas, Temsche, 
Rupelmonde; interessante oude kasteden te Wijnen - 
dale, Ooidonk, Laame, Beveren-Waas, Moorsel, 
Ingelmunster; het Groot-Begijnhof van Gent, te St. 
Amandsberg, het voornaamste van B.; museums van 
schilder- en beeldhouwkunst te Gent en Bnigge; het 
„Lam Gods” in St. Baafs te Gent; de Memlinc- 
meesterstukken in St. Jans-hospitaal te Brugge; mu- 
seums van oudheidkunde en folklore te Gent; zeestrand 
en badplaatsen: Oostende, Blankenberge, Heist, 
Nieuwpoort (alwaar ook overal visschershavens), 
Knokke met de Zoute en Duinbergen, Wenduine, den 
Haan, Mariakerke, Middelkerke, Westende, Koksijde, 
de Panne (alwaar de schoonste en hoogste duinen); 
historische landschappen uit den wereldoorlog: de 
IJzerstreek (de Uzertoren, te Diksmuiden, hulde aan 
de Vlaamsche gesneuvelden), Ieperen (Meningate, 
voornaamste Britsche oorlogsmonument in B.), Zee- 
brugge (Vindictive-memorial van de Britsche vloot), 
Kemmelberg, enz.; mooi heuvelland, met uitgestrekte 
vergezichten in het Z. van Ieperen, evenzoo in het 


Z. van Ronse (de „Vlaamsche Ardennen”) en in de 
omgevingvan Geeraardsbergen ; het land der Vlaamsche 
schilders: de Leie- en Scheldeoevers ; Gentsche „Flo- 
raliën” ; H. Bloedprocessie te Brugge (eerste Maanda* 
na 2 Mei); Boetprocessie te Veume (laatste Zonda* 
van Juli). ° 

2° Antwerpen, Limburg en Vlaamsch 
Brabant. De groote steden Brussel en Antwerpen 
bezitten, naast oudere en nieuwere monumenten, de 
belangrijkste museums van B.; ook Mechelen en Leu- 
ven bezitten vele oude interessante bouwwerken; ook 
Tongeren is belangrijk voor archeologie en kunstge- 
schiedenis; verder zijn een bezoek overwaardig de 
stemmige stadjes Lier en Diest; verder nog belangrijk 
oude gebouwen en kunstvoorwerpen te Heren ta ls * 
Hoogstraten, Geel en Turnhout, in de provincie Ant- 
werpen; te St. Truiden, Hasselt, Maaseik, Borgloon, 
Tessenderloo, in Limburg; te Tienen, Zoutleeuw, 
Aarschot, Vilvoorde, Grimbergen, Halle, Assche, 
Alsemberg, O.L.V. Lombeek, in Brabant. Oude 
kasteden te Gaasbeek, Beersel, Heverlee, Rotselaar; 
Elewijt, Bomem; oude abdijen te Tongerloo, Aver- 
ee, Park-Heverlee, Postel; mooie nieuwe arbeiders- 
wijken in de Limburgsche mijnstreek, vooral te Water- 
schei en Winterslag. 

Ongerept natuurschoon: de Kempische heide (aldaar 
o.a. de Genksche vennen); Zoniënwoud, ten Z. van 
Brussel; bekoorlijk heuvelland in Brabant en Z. 
Limburg; beroemde bedevaarten te Scherpenheuvel, 
Halle, Hakendover; beiaardconcerten te Mechelen.’ 

3 J Wallonië. De bekoring, die van de Waal- 
sche provinciën op de toeristen uitgaat, komt in de 
eerste plaats door het vele natuurschoon, dat zij 
bieden. Toch zijn steden als Doornik en Luik tevens 
rijk aan merkwaardige oude monumenten en bezitteri 
een ongemeenen kunstschat. Evenzoo vallen treffende 
bouwwerken te vermelden te Nijvel, Hoei, Dinant, 
Walcourt, Thuin, Binche, Bergen, Zinnik, Lobbes! 
Floreffe, St. Hubert, Bastogne, Bouillon, Aarlen 
(Gallo-Romeinsche oudheden) ; indrukwekkende ruïnen 
van oude abdijen te Villers, Orval en Aulne; histo- 
risch landschap en gedenkteeken te Waterloo; de 
parken van Belceil en Mariemont; de nijverheids-* 
landschappen uit Borinage, en in de omgeving van 
Charleroi, La Louvièrc, Luik. De meest bezochte 
valleien zijn: Maas (Hoei, Marche-les-Dames, Namen, 
Yvoir, Dinant, Anseremme, Waulsort, Hastière); 
Ourthe (Houffalize, Hérou, Laroche, Durbuy, Esneux, 
Tilff), Amel (Stavelot, Coo-waterval, les Quarreux, 
Remouchamps, Aywaille), Warche (Malmédy), Salm, 
Vesdre (Eupen, Limburg, Pepinster, Chaudfontaine)* 
Gileppe (kunstmatig meer, ontstaan door afdamming 
der vallei), Houyoux (Modave), Samson, Bocq, Molig- 
née (Montaigle), Lesse (grot van Han, Ciergnon, 
Houyet, Walzin), Lomme (grot van Rochefort), Se- 
mois (Chiny, Florenville, Bouillon, Rochehaut, Alle, 
Vresse, Bohan). De hoogvlakte der Ardennen is op 
vele plaatsen nog een ruw en eenzaam boschland; 
evenzoo de Hooge Venen (600 u 700 m boven zeespie- 
gel) met het Hertogenwald. Eene bijzondere vermel- 
ding verdient hier nog Spa, in eene heerlijke om- 
geving gelegen, eene vanouds bekende badplaats, die 
door vele buitenlanders bezocht wordt. Lindemans* 
K) Plantengroei. Op een klein grondgebied ver* 
toont B. eene groote afwisseling in klimaat en grond; 
dus eene groote verscheidenheid in plantengroeL 
Alhoewel cultures en boschbouw zeer uitgebreid zijn, 
blijven er toch nog in elke streek menigvuldige 


423 


424 


België 


standplaatsen met kenmerkende inlandsche flora. 

Volgens schatting bestaat de inlandsche flora uit 
ongeveer 1 250 soorten Phanerogamen en meer dan 
8 000 soorten Cryptogamen. Daarbij komen nog vele 
gekweekte en ingevoerde soorten, waarvan het getal 
niet juist kan bepaald worden. Onder de inheemsche 
planten dient de grassoort Bromus arduennensis Kunth 
en hare variëteit Villosus vermeld te worden (omstre- 
ken van Rochcfort), de eenige endemische soort der 

Belg. flora. , . ... 

Op gebied der plantenaardrijkskunde vervalt Belgie 
in 13 districten, die zich alle in de naburige landen 
voortzetten, en w’el die van Noord- en Midden-België, 
tot aan de lijn Sambre-Maas, welke deel uitmaken van 
het gebied der Balto -Atlantische vlakten, en die van 
Hoog-België, welke behooren tot het gebied der ge- 
bergten van Midden-Europa. 

In de meeste districten komen bijzondere flora stot 
stand. De duinen der kuststreek bezitten eene ken- 
merkende zandflora, waarvan vele soorten (Cakile 
maritima Scop., Salsola Kali L., Carex arenaria L., 
verschillende grassoorten, enz.) verregaande xero- 
phitische aanpassingen vertoonen, die men ook vindt 
bij de slikke- en schorreplanten. De aangespoelde 
gronden langs de rivieren dragen een weelderigen, 
maar eentonigen plantengroei. Het district der Polders 
is grootendeels ingenomen door weilanden en cultures 
en bezit eene gewone onkruidflora. Hetzelfde geldt 
voor de overblijvende gedeelten van West- en Oost- 
Vlaanderen en voor het Haspengouwdistnct, dat heel 
Midden-België beslaat. In Haspengouw treft men 
daarenboven eenige uitgestrekte beukenbosschen aan, 
als het Zoniën- en het Meerdaelbosch. De zandgronden 
der Kempen dragen uitgestrekte heideformatics van 
Cal lu na vulgaris Salisb., onderbroken door dennen- 
boschjes van Pmus sylvestris L. De moerassen dezer 
streek, vooral rond Genk, bezitten een rijken planten- 
groei met meerdere zeldzame soorten. 

De krijtstreek (land van Herve) bestaat grooten- 
deels uit weilanden zonder typische planten, terwijl 
de kalkstreek gekenmerkt is door eene bijzondere flora 
van zgn. kalkplanten, zooals Helianthemum chamae- 
cistus Müll., Calamintha acynos Clairv., verschillende 
soorten van Dianthus, enz. In deze laatste streek treft 
men ook vele dennen- en loofboombossehen aan. 

Het district der Ardennen is grootendeels bedekt met 
beuken-, eiken- of dennenbosschen. De mergelstreek, 
die het uiterste Zuid-Oosten van België beslaat, bezit 
eene zeer rijke flora, waaronder een groot getal soor- 
ten van Midden-Europa. Eindelijk, de streken, die 
meer dan 600 m boven den zeespiegel liggen, vormen 
bet subalpnne district (Baraque Michel), bijna uit- 
sluitend bedekt met hooge venen met verschillende 
arctische en subalpiene soorten, zooals: Vaccinmm 
uliginosum L., Arnica montana L., Meum athaman- 
ticum Jacq., Trientalis europaea L., Empetrum 
nigrum L., enz. 

L i t * F. Crépin, Manuel de la Flore de Belgique 
(5e uitg.) ; J. Massart, Esquisse de la géogr. botamque 
de Belgique (Brussel 1910) ; J. Mac Leod en G. • t^es, 
Geïll. Flora (*1930). Bobijns. 

L) Dierenwereld. Niettegenstaande zijn geringe 
oppervlakte heeft België een soortrijke fauna, veroor- 
zaakt door het samenvloeien van niet minder dan 
4 faunistische gebieden, afgezien dan nog van de 
Noordzeezone langs de kust. 

Van een specifiek Belg. fauna kan er echter geen 
sprake zijn, daar al deze gebieden zich verder over de 


naburige landen uitbreiden. Daarom komen de meeste 
soorten, die in Laag-België voorkomen en die tot de 
Baltische fauna behooren, eveneens in een groot deel 
van Nederland voor. De fauna van Midden-Belgie 
biedt veel gelijkenis met die van Noord-Franknjk 
en maakt deel uit van het Kelto-Britsch gebied. Soor- 
ten, die in Hoog-België voorkomen, wijzen er op, dat 
deze streek bij het Germaansche gebied thuishoort. 
De mergelstreek in het uiterste Zuid-Oostcn (omstre- 
ken van Virton) is vooral in entomologisch opzicht 
merkwaardig: haar fauna sluit zeer duidelijk aan bij 
de Bourgondische. 

De dieren, die men in de Noordzee langs de Belg. 
en de Ned. kust aantreft, zijn nagenoeg dezelfde, 
met dit verschil evenwel, dat er naar dc Belgische 
soms vormen van de Kanaalzone overkomen. 

Van de groote zoogdieren blijven er slechts hert, 
ree en everzwijn in de bosschen van Hoog-België 
over. Daar leven ook nog adders. In de beken van 
genoemde streek veel forellen. Op ornithologisch 
gebied valt er niets merkwaardigs te vermelden; de 
meeste vogels zijn bekende trekvogels. 

Bijzondere melding verdient de fauna van de 
Hooge Venen (omstreken van Baraque M ichel), 
voor haar arctisch -subalpiene karakter. Alhoewel 
deze streek nog geen 700 m boven den zeespiegel ligt, 
leven er tal van soorten en vormen, overgebleven uit 
het ijstijdperk, die men elders eerst boven de I 200 m 
of ver naar het Noorden toe aantreft en die er. dank zij 
het bijzonder koude en vochtige klimaat, kunnen 

stand houden. . 

L i t. : A. Lamecre, Manuel dc la Faune de Belgique 
(3 dln. Lamertin, Brussel 1895) ; L. Fredeiicq. I-a faune 
et la Ilore glaciaires au plateau de la Baraque Michol 
(Buil. Ac. Sc. Belg. 1904); A. Lameere, Sur lep Fauncs 
continentalcs de la Belgique (C.R. Congrès Nation. des 
Sc., Brussel 1930). Koen. 

III. A) Profane Geschiedenis. 

De Belgen, waarschijnlijk tot de gegermaniseerde 
Kelten behoorend, worden door Caesar, die hen in 
57 v. Chr. onderwierp, het eerst vermeld (> Belgae). 
Rome richtte de provincia Belgica op, die onder Dio- 
cletianus werd verdeeld in Belgica secunda (Reims) 
en Germania secunda (Keulen); een klein gedeelte 
rond Arlon behoorde tot Belgica prima (Tner). 
Tijdens de volksverhuizing vestigden zich de Friezen 
en Saksen langs de kust tot Duinkerken (ca. 300), 
de Ripuarische Franken in het Oosten, terwijl de 
Salische Franken in 431 zich een rijk stichtten te 
Doornik. De inval der Germanen in het geromaniseerd 
land was de reden van het taalverschil tusschen Walen 
en Vlamingen. De grens — sedert dien bijna onver- 
anderd — loopt langs de linie Maastricht, Tongeren, 
Thienen, Hal, Ronse. Moescroen. Bezuiden werd het 
Romaansch tegen Germaanschen invloed tijdelijk 
verdedigd; de legers immers van het Keizerrijk 
konden zich na de eerste invallen langer handhaven 
op de heuvels en achter den met kleine casteNi 
versterkte steenweg Keulen — Bavay. Het evangelisa- 
tiewerk, tijdens de Romeinsche bezetting begonnen, 
zegevierde in Neustrië sinds de 7e eeuw en in Austrasië 
van af het begin der 8e eeuw. 

In 843 kwam B., behalve Vlaanderen, bij het 
Middenrijk, in 870 (verdrag van Meersen) bij het 
Oost-Frankische Rijk en werd in 925 voorgoed bij 
Duitschland gevoegd ais een onderdeel van het 
hertogdom Lotharingen. Door verschillende factoren 
ontstonden de feodale rijken: Brabant, Limburg, 


425 


België 


426 



Het Hof van Brussel. Gravure van Hans Collaert ( 16 e eeuw). 


Luxemburg, Henegouwen, Namen, Vlaanderen. Bra- 
bant werd het machtigste en door de vereeniging met 
het hertogdom Limburg (slag bij Worringen, 1288), 
werd het meestor van den belangrijk commercieelen 
weg tusschen Rijn en Schelde. Een poging van VI., 
zich van Frankrijk los te maken, mislukte in 1214 
(Bouvines), maar had in 1302 (Kortrijk) meer succes. 
In 1339 sloot Jacob van Artevelde een handelsverdrag 
met Brabant, Henegouwen en Luik. Dit was de eerste 
oging tot samengaan der Zuidelijke gewesten. Op 
et einde van de 16e eeuw stierven bijna al de natio- 
nale vorstenhuizen uit. Van de drie dynastieën: 
Beieren, Luxemburg en Bourgondië, die in deze ge- 
westen meester wilden worden, won het de laatste. 
Philips de Stoutmoedige (1384—1404) huwde met 
Margaretha van Male, erfdochter van Vlaanderen, en 
verkreeg tevens Artois. Zijn kleinzoon Philips de 
Goede kocht in 1429 Namen, verkreeg door het over- 
lijden van zijn jongeren broer Antoine in 1430 Brabant 
en Limburg, in 1433 Holland, Zeeland en Henegou- 
wen, in 1436 (verdrag van Atrecht) de Sommesteden, 
in 1451 Luxemburg. Tevens werd de Bourg. invloed 
gevestigd in de bisdommen Utrecht, Luik en Kamerijk. 
Philips de Goede onderwierp den adel door instelling 
van het Gulden Vlies (1430): aan de steden ontnam hij 
een deel harer zelfstandigheid en begon met de orga- 
nisatie eener centrale regeering door het oprichten 
van den Grooten Raad en de bijeenroeping van de 
Staten -Generaal (1464). Karei de Stoute <1467— ’77) 
poogde het oude Lotharingen te herstellen, maar de 
„groote Hertog van het Westen” werd verslagen 
en sneuvelde. De echtgenoot van Maria van Bourgon- 
dië (1477 — ’82), Maximiliaan van Oostenrijk, wist door 


den vrede van Senlis (1493) Artois en het vrijgraaf- 
schap, door Lodewijk XI afgenomen, te herwinnen. 
Zijn zoon, Philips de Schoone (1494—1506), de eerste 
„nationale vorst”, werd opgevolgd door Karei V 
(1506 — ’56), die voorloopig het bewind overliet aan 
zijn tante Margaretha van Oostenrijk. Karei slaagde 
er in ook de Noordelijke gewesten te verkrijgen en 
wist het leenverband, waarin VI. tot Frankrijk stond, 
in 1526 (slag van Pavia en tractaat van Madrid) te 
verbreken. In 1548 maakte hij de overige gewesten 
practisch los van het Duitsche Rijk. In 1549 voerde hij 
de Pragmatieke Sanctie in, waarbij de erfopvolging 
voor alle gewesten dezelfde werd verklaard. 

De Spaansche Nederlanden (1555 — 
1713). In 1555 deed Karei afstand ten behoeve van 
zijn zoon Philips II van Spanje (1555— ’98). Bij zijn 
vertrek in ’59 benoemde de koning zijn halfzuster 
Margaretha van Parma tot landvoogdes (1659— ’67). 
Reeds onder haar uitte zich de ontevredenheid van 
adel, steden en Calvinisten, die onder de Spaansch- 
absolutistische maatregelen van Alva (1567 — ’73) 
tot openlijken opstand werd. Onder Requesens 
(1673— ’76), Don Juan van Oostenrijk (1576— *78) 
en Parma (1578 — ’91) werden de verwikkelingen zoo- 
danig (* Nederland), dat in Mei 1579 Artois, Hene- 
gouwen, Namen en Kroon- Vlaanderen zich aan Parma 
onderwierpen. Deze onderwierp bovendien Mechelen, 
Gent, Brussel en in 1585 Antwerpen. Als landvoogd 
werd Parma opgevolgd door Fuentes en Mansfeld in 
1592, van 1594— ’95 door aartshertog Ernst en in 1596 
door zijn broer aartshertog Albrecht. Deze huwde 
met Clara Isabella Eugenia, dochter van Philips II, 
te wier behoeve koning Philips afstand deed van de 


427 


België 


428 


Ned. gewesten, onder voorwaarde, dat, als het huwelijk 
kinderloos zou blijven, de Nederlanden weer aan Spanje 
zouden terugvallen. Hun regeer ing was populair. 
In 1604 werd Ostende gewonnen en ging Sluis verloren. 
In 1611 vaardigden zij het Eeuwig Edict uit, gedeelte- 
lijk een erkenning der oude privilegiën, gedeeltelijk 
een poging tot centraliseering der wetgeving voor alle 
gewesten. Albrecht stierf in 1621 en de Nederlanden, 
sedert 1598 onafhankelijk, keerden terug tot de 
bezittingen van de Spaansche kroon. In 1632 complot- 
teerden enkele edelen, o.a. Hendrik van den Berg en 
de graaf van Warfusee, tegen Isabella, maar door 


het Artois en elf steden, waaronder Duinkerken en 
Philippeville. In 1668 (vrede van Aken): Rijsel, Douai, 
Charleroi, Oudenaarde, Binche, Ath. In 1678 (vrede 
van Nijmegen) wederom dertien plaatsen, waarvan in 
’97 (vrede van Rijswijk) enkele werden teruggegeven. 
In den Spaanschen Successieoorlog (1701— ’13) 
worden de bloedige slagen geleverd van Ramillies 
(1706), Oudenaarde (1708) en Malplaquet (1709). 
Bij den vrede van Utrecht (1713) kwamen de Zuide- 
lijke Nederlanden aan Oostenrijk. Door het Barrière- 
tractaat, in 1715 geteekend te Antwerpen, verkreeg 
de Republiek het recht garnizoen te leggen langs 



at W al tn 
htWelt ftt foctHt f( rn ' 


MLUUUOtCHj 
vVMIHOO al/ 
WttirL 


HiER machmen Antwerpen 

PLAÜSANT AEN SCHOWEN GELEGEN 
AENb SCHELD MET DIE 
V VLAEMSCHE LANDOWE 




Wm 



Gezicht op Antwerpen. Gravure van Melchisedech van Hooren (1562). 


gemis aan medewerking van de bevolking konden 
zij weinig afbreuk doen. Isabella stierf in 1633. Haar 
regeering was een opbloei geweest van kunsten, weten- 
schappen en godsdienst, maar een economische achter- 
uitgang door de plundering der troepen cn de sluiting 
der Schelde. Tevens waren onder haar N. Brabant 
(Den Bosch, 1629, en Maastricht, 1632) verloren ge- 
gaan. In 1635 besloten bij verdrag Frankrijk en de 
Republiek der Vereenigde Nederlanden Zuid-Nederland 
onderling te verdeden, maar de krijgstocht mislukte. 
De vrede van Munster (1648) handhaafde de Republiek 
in haar veroveringen en de Schelde bleef gesloten. 
Gedurende de tweede helft der 17e eeuw had B., het 
slagveld van Europa, van de invallen der Franschen 
te lijden. In 1659 (vrede der Pyreneeën) verloor 


de Fransche grens in een lijn van Veurne en Knocke 
(op den IJzer) over Doornik naar Namen. 

De Oostenrijksche Nederlanden 
(1713 — 1792). Waren de Staten-Generaal onder het 
bewind van Isabella tweemaal samengeroepen (1600 
en 1632), de Habsburgers voerden een soort van ver- 
licht despotisme en streefden naar centralisatie. In 
1717 richtte Karei VI te Weenen een Hoogen Raad 
op, die vandaaruit de Nederlanden zou regeeren. 
Een opstand daartegen van Anneesuns (1719) werd 
onderdrukt. De Oost-Indische Compagnie, door Karei 
te Ostende in 1722 opgericht, werd op aandringen van 
Engeland en de Republiek in 1731 opgeheven. In 1725 
werd de Pragmatieke Sanctie afgekondigd, maar dit 
belette niet, dat in den Oostenrijkschen Successie- 


BELGIË (ca. 1575). 



431 


België 


432 


oorlog (1741— M8) de Franschen, onder aanvoering 
van Maurits van Saksen, in de Nederlanden vielen en 
ze door de slagen van Fontenoy (1745;, Roucoux 
(1746) en Lafeld (1747) veroverden. Bij den vrede van 
Aken (1748) gaf Lodewijk XV het veroverde gebied 
terug. Josef II (1780- ’90) slaagde er in door het 
verdrag van Fontainebleau (’85) de vreemde garni- 
zoenen te verwijderen, maar zijn poging om de Schelde 
te openen werd verijdeld. Hij voerde verschillende 
absolutistische hervormingen in: een algemeenen 
Bestuursraad, een nieuwe regeling der rechtspraak: 
kantongerechten, twoe Hoven van Appèl en een Hoogen 
Raad, hij hervormde de gilden en wilde zelfs de kermis- 
sen voor heel het land op één tijdstip vaststellen. In 
Henegouwen en Brabant, waar adel en geestelijkheid 
en derde stand in 1788 weigerden belasting te betalen, 
uitte zich het eerst de ontevredenheid. In 1789 hief 
Josef de „Blijde Inkomste” op, waardoor het verzet 
nog toenam. Leiders waren de advocaten \an der 
Noot en Vonck. De eerste wilde terug naar het herstel 
der oude instellingen, de tweede, onder invloed der 
Fransche Revolutie, wilde een democratische omwente- 
ling. Een leger, onder generaal Van der Meersch, 
bezette Turnhout, Gent en bijna heel het land. De 
afgevaardigden der verschillende gewesten kwamen 
7 Jan. 1790 te Brussel bijeen in Nationaal Congres 
en proclameerden de „Vereenigde Belgische Staten”, 
met eigen driekleurige vlag. Onderlinge oneenigheid, 
de druk van het buitenland: Engeland, Pruisen en de 
Republiek, de dood van Josef en de gematigdheid 
van zijn opvolger, Leopold II (1790 — ’92), herstelden 
het Oostenrijksche gezag. Dit duurde slechts kort, want 
de overwinningen van Jemappes in 1792 door Dumou- 
riez en van Fleurus in 1794 door Jourdan leidden tot 
den vrede van Campo-Formio in 1797 , waarbij Frans II 
de Zuidelijke Nederlanden aan Frankrijk afstond. 
De Schelde was sinds 1792 geopend. 

Het Fransche Bewind (1794 — 1814) 
bracht de Fransche wetgeving: verdeeling in negen 
departementen, de Fransche taal verplichtend, de 
conscriptie. Hiertegen en tegen de vervolging der 
geestelijkheid brak in 1798 — ’99 de Boerenkrijg uit, 
waaraan Napoleon o.a. door het Concordaat een einde 
maakte. Hij versterkte Antwerpen, het pistool op de 
borst van Engeland. Na den val van Nap. in 1814 
werd door de tractaten van Parijs en de 8 artikelen van 
Londen beslist, dat Holland vermeerdering van ge- 
bied zou ontvangen en zoo werden de Nederlanden, 
met inbegrip van Luik, weer hereenigd, behalve 
Eupen, Malmedy en St. Vith, welke drie aan Pruisen 
kwamen. De nederlagen van Ligny, Quatre-Bras en 
Waterloo (16-18 Juni 1815) kostten Frankrijk nog 
den afstand van Philippeville, Mariënburg en Bouillon 
aan de Nederlanden. 

Het Koninkrijk der Nederlanden (1815 — 
1830). De nieuw r e staat was door de Mogendheden 
bedoeld als bolwerk tegen Frankrijk en kon, omdat 
beide deelen elkaar economisch aanvulden, een bloeien- 
de toekomst tegemoet gaan. De bestaande verschillen 
in godsdienst, geschiedenis en taal zouden wellicht 
te overwinnen zijn geweest, als koning Willem I, 
bijgestaan vooral door baron Goubeau en minister van 
Maanen, zich niet als een „verlicht despoot” gedragen 
had, waarvoor de tijd voorbij w r as. Al bevorderde 
Willem de industrie te Seraing (Cockerill), Gent en 
Verviers, de ontevredenheid over zijn bestuur nam 
steeds toe. Vooreerst de wijze, waarop de grondwet 
van 1815 als aangenomen werd beschouwd, ofschoon 


de meerderheid der Notabelen haar verwierp (796 
van de 1 603 stemmen, met 280 onthoudingen). Ver- 
volgens: een verzw r aring van de staatsschuld door het 
amalgama, in 1819 het voorschrift, dat de Nederland - 
sche taal de eenige officieel geldende zou zijn, in 1824 
een impopulaire belasting op het gemaal en geslacht, 
de achterstelling bij benoemingen in het leger (nog 
geen vijfde deel der officieren was uit het Z. afkom- 
stig) en in de staatsbetrekkingen. De Belgische libera- 
len wcnschten ministerieele verantwoordelijkheid, toe- 
zicht op de financië”, vrijheid van drukpers. (Over de 
grieven der Katholieken zie bij Godsdienst in dit 
artikel.) De gezamenlijke grieven tegen „la domina- 
tion hollandaise” leidden tot de Unie der liberalen 
en Katholieken in 1828, door toedoen vooral van den 
Luikschen afgevaardigde De Gerlache. In sommige 
opzichten gaf de koning toe: wijziging in het onderwijs 
en gebruik der Fransche taal, maar toen hij in 1829 
te Luik het gedrag der oppositie als „infame” veroor- 
deelde, verdubbelde het verzet. De Juli-revolutie 
in Frankrijk gaf den eersten stoot tot den opstand. 
25 Aug. 1830 werd te Brussel „La muette de Portici” 
gespeeld. Na afloop plunderde de menigte het huis 
van minister van Maanen en verwoestte de drukkerij 
van „Le National”, een regeeringsblad onder Libry- 
Bagnano. 27 Aug. vormde zich tot handhaving der 
orde een burgerwacht, onder bevel van baron Van der 
Linden d’Hoogvorst en tooide zich met de kleuren 
van de Vereenigde Belgische Staten in 1789. Dit 
voorbeeld vond navolging in Luik, Verviers, Leuven, 
Namen en elders. 28 Aug. riep Willem de Staten- 
Generaal bijeen tegen 13 Sept. en zond tevens een leger 
Zuidwaarts onder zijn zoons Willem en Frederik. 
3 Sept. vergaderde de populaire kroonprins met de 
notabelen te Brussel, die administratieve scheiding 
verlangden. Maar de koning wilde de eenheid met 
geweld handhaven en belastte prins Frederik met de 
bezetting van Brussel. Van 23—26 Sept. streed deze 
in de straten en rond het Park te Brussel, maar keerde 
na aanmerkelijke verliezen terug. Op denzelfden dag 
trad een Voorloopig Bestuur op, bestaande o.a. uit 
Rogier, Gendebien, de Mérode. 4 Oct. riep dit de onaf- 
hankelijkheid van het land uit en schreef verkiezingen 
uit voor een Nationaal Congres, dat 10 Nov. bijeen- 
kwam. Onder voorzitterschap van Surlet de Chokier 
vervaardigde het een grondwet, die 7 Febr. 1831 werd 
aangenomen. Deze grondwet heeft voor vele andere 
staten, o.a. Pruisen, als model gediend. Van de waar- 
neming van het koningschap w r as het Oranjehuis door 
het Congres zelf uitgesloten, de prins van Leuchten- 
berg, als een Bonaparte door Fr. tegengewerkt en de 
hertog van Nemours, zoon van den Fr. koning, door 
Eng. ongewenscht. De Eng. candidaat, Leopold 
van Saksen-Coburg, weduwnaar van Charlotte, doch- 
ter van George IV, w r erd 4 Juni gekozen en aanvaardde 
21 Juli 1831 de regeering. De groote mogendheden, 
oprichters van den Nederlandschen staat, w r arcn te 
Londen in conferentie bijeengekomen, stelden 20 Dec. 
1830 in beginsel de scheiding vast en verklaarden 
België onafhankelijk. De protocollen van Jan. 1831 
bepaalden de voorwaarden der scheiding, maar deze 
w r erden door het Congres als te onereus verwerpen. 
Ofschoon onherroepelijk, werden zij 26 Juni 1831 
in 18 art. gewijzigd, waarmee Willem het niet eens 
w r as, die daarom zijn toevlucht nam tot den 10-daag- 
schen veldtocht (2 — 12 Aug. 1831). Bij Hasselt werd 
Daine, bij Leuven w r erd Leopold zelf verslagen. De 
tusschenkomst van een Fransch leger, onder Gerard, 





BELGIE EN LUXEME 



VU s sin gén 


Kripkke 


Blanke nbi 


Vf/ddeJkerki 


TTÜGiGg A fèf<fëffërn'cpE e k/o 0 


O'euwfic ort 


(Torhout 


/Broek 


Veum 


Diks/n 


'ntbrugge 


> oru ±e- 


rijk ^T^^ena^rde 
ry &eraa rdsb er gen, 
^j r *Hon$ey^i y ' \ dr. 

••• •. °. - ; ƒ 

^LessenOj 

H e 

v° 7 V ' jnfwestgy^ 
y\/\nfólng tpfr>s%^ 


t^Móe^kroej 


Meenen 


Ha^bbrouck 


T2\ÖaSf^pik 


tan' 


I Jurne' 
ï&tfa LdLouvtere , 

m.g^MSPc&Ü 

Yra mer/es auPo ^ft 


[Mare 
\ ne/jé 


i Doür 


At ree h 


?rV\ 

'/** T“ / \ ‘►JQ ' 

* 

V - Chivna' 

»LS-t h-r 

ie 5 



eb PLAATSEN van meerdan 100.000 inw. 
® PLAATSEN van 100.000- 50.000 •• 

© Plaatsen " 50.000“ 25.000 » 

o Plaatsen « 25.000“ 10.000 * 

• Plaatsen beneden 10.000 « 

— -Spoorwegen Kanalen 

De hoofdsteden zijn onderstreept 

Schaal 1 = ' 1 . 150.000 

100JQ_0 100 200 300 400 500 pp^ 



3URG STAATKUNDIG 



K7 Turnhout 

t 'w e r p € 

■y ± 

^WERPEN^ 


^ertvon 

,s/ 


Ooien 


Beeringen 


JBorglói 

andkh 


'dnn\ 


wormfc 

SeraNrt< 


\ Anden \ 


i rnarf&y 

'iy/ 


'e'hvi/ii 




-GIË 




433 


België 


434 


redde België. De mogendheden veranderden nu enkele 
bepalingen ten voordeele van Nederland in de 24 art. 
van 14 Oct. 1831: Willem 1 behoudt een deel van 
Luxemburg als groothertogdom, een deel van Lim- 
burg, met Maastricht en Zeeuwsch -Vlaanderen. België 
zal al« jaarlijksche renten hebben te betalen: 8 400 000 
gld. Het Congres nam dit aan, maar Willem weigerde 
en zoo ontstond de status quo, waaraan een embargo 
op Ned. schepen een einde afdwong. De citadel van 
Antwerpen werd door Chassé behouden tot 23 Dec. 
1832. De ontevredenheid in het Noorden over de 
onvruchtbare toename der schuld dwong Willem in 
1838 tot toegeven, maar België, dat gedwongen ook 
kosten had gemaakt, wenschte enkele wijzigingen, die 
het eindtractaat van 19 April 1839 bevatte. België 
werd nogmaals een onafhankelijke en eeuwig neutrale 
staat verklaard, onder garantie der groote mogend- 
heden. De rentebetaling werd tot 6 millioen jaarlijks 
verminderd, in 1842 tot 400 000 gld. temggebracht 
en in 1873 voor 8 900 000 gld. afgekocht. 

België (1831—1914). L e o p o 1 d I (1831— 
1866) huwde met Louise Marie van Orleans, dochter 
van Louis Philippe van Frankrijk. Hij bevorderde 
de economische ontwikkeling van het land door aanleg 
van spoorwegen (de eerste in 1835 tusschen Brussel en 
Mechelen), door organisatie van het postwezen, 
aanleg van telegraaflijnen (de eerste in 1846) en het 
graven van kanalen. De samenwerking der partijen 
duurde zoo lang als de bedreigingen van de zijde van 
Holland. Maar na het verdrag van 1839 kwamen de 
meeningsverschillen van Katholieken en liberalen 
opnieuw naar voren. Het eerste homogene ministerie 
was dat van de liberalen Lebeau en Rogier (1840); 
na een terugkeer tot het gemengde stelsel (Nothomb 
en Van de Wever, 1841 — 1846) keerde graaf de Theux 
(Katholiek) terug; maar in 1846 organiseerden de 
liberalen zich op het liberale congres te Brussel en de 
verkiezingen van 1847 gaven hun de meerderheid. 
De vereen igingspolitiek had uitgediend en keerde 
eerst in 1914 terug. Uitgezonderd van 1856 tot 1857 
(min. De Decker — Vilain XIV), blijven de liberalen 
aan tot na den dood van Leopold I (1868), meestal 
onder Rogier en Frère-Orban. 

Leopold II (1865 — 1909). Intusschen hebben 
de Kath. zich ook versterkt, terwijl het lib. min. zich 
voor groote legeruitgaven gesteld ziet. Het gevolg 
is, dat de Kath. van 1870— ’78 het bewind voeren. 
Eerst onder d’Anethan- Jacobs, daarna (1871 — ’78) 
onder Malou. Van 1878 — ’84 treedt het lib. min. 
Frère-Orban -Bara op. In 1879 vaardigde dit een 
onderwijswet uit, waarbij elke gemeente verplicht 
werd neutrale en kostelooze scholen op te richten, 
terwijl het godsdienstonderwijs slechts op verzoek der 
ouders en buiten de schooluren mocht gegeven w r orden. 
De „aangenomen” (adoptées) scholen moesten ver- 
dwijnen. Aldus ontstond de schoolstrijd. De bisschop- 
pen protesteerden en veroordeelden deze w r et (ongeluks- 
wet): de Kath. richtten op eigen kosten vrije scholen 
op. De betrekkingen met den paus w r erden verbroken. 
De strijd had de Kath. opgewekt en vereen igd, zoodat 
zij in 1884 een meerderheid behaalden, die zich tot 
1914 handhaafde. Het eerste w T at het Kath. min. 
Malou -Jacobs -Woeste deed, was de schoolwet wijzigen: 
het godsdienstonderwijs kon weer toegelaten worden 
op verzoek van 20 huisvaders; de aangenomen scholen 
werden hersteld. In 1895 werd het godsdienstonderwijs 
zonder meer verplicht gesteld en kon iedere vrije 
school, die aan de wettige eischen voldeed, aange- 


nomen worden. Ook werd in 1884 het gezantschap 
bij den paus hersteld. Maar Leopold had een af keer 
van de principieele politiek van Woeste en Jacobs 
en maakte van den uitslag van gemeenteraadsverkie- 
zingen in de groote steden gebruik om hun ontslag te 
eischen. Malou trad af en werd vervangen door Aug. 
Beemaert (1884 — ’94). Sinds 1886 werd het land door 
een geweldige beweging ten gunste van het algemeen 
kiesrecht verontrust; wanordelijkheden, vooral in 
1887 en 1890, ontstonden in de nijverheidsgebieden. 
Na de algemeene staking van 1891 besloot de Kamer 
tot herziening van de Grond w r et, die in 1893 tot stand 
kwam. Het bezit van koloniën werd moge lijk gemaakt 
en het algemeen kiesrecht, getemperd door de „vote 
plural”, werd ingevoerd. Deze bestond hierin, dat een 
huisvader, een eigenaar, een belastingbetaler, de 
bezitter van een hooger studiediploma, op dien titel 
ook een stem mocht uitbrengen, maar nooit meer dan 
drie. De verkiezingen volgens dit nieuwe systeem 
gaven als uitslag: 104 Katli., 14 lib. en 34 soc. Na het 
min. Burlet (1894 — ’96) kwam De Smet de Nayer 
(1896 — ’99), die in 1899 als eerste min. werd opgevolgd 
door J. van den Peereboom, die door een wetsvoorstel, 
dat beoogde de Kath. meerderheid stabiel te maken, 
zulk een oppositie in de Kamer en verzet in den lande 
ondervond, dat hij in hetzelfde jaar vervangen w r erd 
door De Smet de Nayer. Deze voerde de evenredige 
vertegenwoordiging in (1899) en trad in 1907 af. 
Zijn opvolger De Trooz overleed nog in hetzelfde jaar 
en van 1908 — '11 trad Schollaert op, die het verdrag 
met den koning over den Kongo wist te doen aannemen. 
In 1909 werd de persoonlijke dienstplicht ingevoerd; 
de wet werd door den koning nog op zijn sterfbed onder- 
teekend. Het min. de Broqueville voerde in 1913 
een nieuw’e legerwet in en een verscherpte schoolwet 
in den vorm van leerplicht, die onder de Duitsche 
bezetting is toegepast. 

Zijn kolonie van Kongo heeft België te danken 
aan het genie en de volharding van Leopold TI. De 
Internationale Afrikaansche Vereeniging, onder zijn 
voorzitterschap in 1876 te Brussel gesticht, zond tal- 
rijke expedities naar midden -Afrika. Na zijn reis dwars 
door Afrika stelde zich Stanley ter beschikking van 
koning Leopold; in 1879 trok hij naar Kongo terug en, 
in naam van het studiecomité van den boven -Kongo 
(1878 gesticht), dat in 1882 in de Internationale 
Vereeniging van Kongo w ? erd herschapen, nam hij 
bezit van een groot deel van het Kongobekken. Koning 
Leopold, die het Studiecomité gesticht had met de 
bedoeling Kongo te annexeeren, slaagde erin de 
Intern. Vereen, van Kongo te doen erkennen als een 
souvereinen staat, eerst door de Vereen igde Staten van 
Amerika, dan achtereenvolgens door de veertien staten, 
die deel namen aan de Conferentie te Berlijn in 1886; 
de onzijdigheid van den Kongostaat was facultatief 
en niet gew T aarborgd. Den 26en Februari w r as Leopold II 
erkend als Staatshoofd. Hij breidde zijn grondgebied 
nog uit, zorgde voor het aanleggen der spoorlijn 
Matadi-Leopoldstad (1890 — ’98) en, te midden van 
ontzaglijke moeilijkheden, zegevierde hij in den strijd 
tegen de Arabische slavenhandelaars (1891 — ’94), 
tegen de Madhisten uit Soedan (1891 — ’97) en tegen de 
Batetela-opstandelingen. Ofschoon enkel door Perso- 
neele Unie met Kongo vereenigd, had België den 
jongen staat herhaaldelijk gesteund door leeningen; 
anderzijds had koning Leopold Kongo aan België 
per testament vermaakt (2 Aug. 1889). Na pijnlijke 
onderhandelingen tusschen den koning en het parle- 


435 


België 


436 


ment (1906 — ’08), bewilligde dit de onmiddellijke 
inlijving den 20en Aug. 1908. 

Leopold werd opgevolgd door zijn neef A 1 b e r t 
(1909), gehuwd met Elizabeth van Beieren. Door zijn 
rechtvaardigheid, zijn juist begrip van de rechtmatige 
verlangens zijner onderdanen en zijn vastberadenheid 
in den oorlog heeft hij de sympathie der Belgen 
gewonnen. De toekomst der dynastie schijnt verzekerd 
door kroonprins Leopold, hertog van Brabant (geb. 
1901) en zijn zoon prins Boudewijn (geb. 1930). 

België in den Wereldoorlog (1914 — 
1918). > Wereldoorlog. 2 Aug. werd het Duitsche 
ultimatum om doortocht door B. afgewezen; 4 Aug. 
trokken de Duitschers bij Gemminich over de grens, 
6 — 16 Aug. werden de forten rondom Luik belegerd; 
18—20 Aug. beletten de Belgen met succes den over- 
tocht der Duitschers aan de Gete te Halen; 20 Aug. 
werd Brussel bezet en Namen belegerd. Van 27 Sept. 
tot 7 Oct. werd Antwerpen belegerd, waarna het 
Belgische leger grootendeels naar den Ijzer aftrok. 
Daar werd van 16—31 Oct. de Ijzerslag geleverd; 
de Duitschers trachtten tevergeefs den spoorweg 
N ieuwpoort — Dixmu iden te bemeesteren ; en van 21 — 31 
Oct. belette de inundatie hun het laatste stuk van B. 
te bezetten. 14 000 Belgen waren er gesneuveld. Nu 
begon de positie-oorlog, waarin in 1916 een kleine 
verandering kwam door uitbreiding van het B. front 
tusschen Knocke en Boesinghe en in 1918 tot in de 
buurt van Ieperen. De pogingen der Duitschers dit 
front te doorbreken werden in 1915 afgeslagen bij 
Steenstraete en in 1918 bij Merxkem. In Visé, Aarschot, 
Dinant en Leuven enz. richtten de Duitschers deerlijke 
verwoestingen en fusillades aan. De Belg. regeer ing 
had zich te Le Havre (Ste Adresse) gevestigd. Het D. 
stadhouderschap werd achtereenvolgens waargenomen 
door von der Goltz, von Bissing en von Falken- 
hausen. Zij benutten de ontevredenheid der Vlamingen 
om de eenheid in het verzet te breken. In 1916 werd 
te Gent de Vlaamsche hoogeschool opgericht, in 1917 
kwam de administratieve scheiding tot stand en pro- 
clameerde de Raad van Vlaanderen (22 Dec.) de 
politieke scheiding van Wallonië. > Activisme. 
Onder leiding van kardinaal Mercier en burgemeester 
Max van Brussel volhardde het meerendeel in zijn 
passief verzet. De arbeiders weigerden voor de Duit- 
schers te werken en 150 000 werden ófwel naar D. 
óf achter het front in dwangarbeid gedeporteerd. Een 
Commission for Relief in Belgium onder Hoover 
zorgde voor de voedselvoorziening der burgerlijke be- 
volking. De vrede van Versailles (28 Juni 1918) 
bepaalde: 1° Eupen, Malmedy en Moresnet komen, 
na stemming op open registers, terug aan B.; 2° 
Duitschland zal de oorlogschulden betalen; 3° 10 jaar 
lang jaarlijks 6 millioen ton kolen leveren; 4° de toe- 
gebrachte nadeelen in goederen en schepen herstellen; 
5° kunstvoorwerpen en boeken afstaan ter vergoeding 
der vernietigde; 6° België zal een koloniaal mandaat 
krijgen over voormalig Duitsch-Oost-Afrika. 

Na den Oorlog. Na den oorlog kwam er een 
ministerie van Nationale Eenheid onder Delacroix, 
daarop het min. Carton de Wiart-Theunis, dat in 
1921 — ’25 door Theunis werd voortgezet. In 1919 was 
het algemeen kiesrecht ingevoerd voor 21-jarigen, 
iedere kiezer één stem, en waren de vrouwen verkies- 
baar gesteld. Het gevolg was een achteruitgang der 
Kath. en lib. en een vooruitgang van de soc. In 1925 
trad een Kath.-social. min. Poullet-Van der Velde 
op, maar dit werd in 1926 vervangen door Jaspar- 


Francqui-Van der Velde. Ook dit duurde slechts tot 
1927, omdat vier soc. ministers: Van der Velde, 
Camille Huysmans, Jos. Wauters en Anseele, wegens 
verschil over de militaire kwestie, hun ontslag namen. 
In 1929 trad een Kath. lib. min. op onder Jaspar, 
Hymans en de Broqueville, dat de regeling der 
financiën op zijn program plaatste. Die regeling stond 
eveneens aan het hoofd van het programma van de 
laatste regeeringen Renkin (1931 — 1932) en de Bro- 
queville (1932. . . .). 

De verhouding tot Frankrijk werd 7 Sept. 1920 
bezegeld door een geheim verdrag, dat de gezamenlijke 
verdediging der Belg. grenzen bij een Duitschen inval 
regelt. De Belg.-Ned. betrekkingen waren sinds den 
oorlog minder vriendschappelijk. Eerst hadden som- 
mige Belgen het oog geslagen op Ned. Limburg en 
Zeeuwsch-Vlaanderen. Daarna eischte België een 
kanaal, dat Antwerpen gemakkelijkcr dan de oude 
waterweg met Rotterdam zou verbinden en tevens 
diens handel gevoelig verlies zou toebrengen. Na lang- 
durige onderbande lingen gaf de Ned. min. van Buiten- 
landsche Zaken, jhr. van Kamebeek, B. zijn zin en 
wist de Tweede Kamer tot toestemming over te halen, 
maar de Eerste Kamer verwierp in 1927 dit voorstel. 
Sindsdien is nog geen voor beide partijen bevredigende 
oplossing gevonden. In 1921 w r erd een economische 
Unie met Luxemburg gesloten. > Belgische politieke 
partijen; > Vlaamsche beweging; > België (Staats- 
en Rechtsinstellingen). 

De parlementaire strijd voor het herstel van het 
Vlaamsche recht begon op het einde van de 19e eeuw, 
en zette na den oorlog opnieuw in: mede door den in- 
vloed van de Katholieke gekozenen uit het Vlaamsche 
land werden verscheidene hervormingen verkregen, 
o.m. op het gebied van onderwnjs, bestuur, leger en 
gerecht. > Vlaamsche beweging. 

Lit. : E. Poullet, Histoire politique nationale: 
Institutions dans les Anciens Pays-Bas ( 2 1882 — 1892) ; 
H. Pirenne, Histoire de Belgique (7 dln. Brussel 1900 — 
*32); 11. van der Linden-Obreen, Album historique de 
la Belgique (1911); Willaert, Histoire de Belgique; 
H. Pirenne, Bibliographie de 1’Histoiro de Belgique 
(Brussel 3 1931). 

Voor afz. tijdvakken : H. J. Elias, Kerk en Staat in 
de Zuidelijke Nederlanden 1598 — 1621 (Antwerpen 
1931) ; Suz. Tassier, Les Démocrates beiges de 1789 
(Brussel 1930) ; Colenbrander, Nederland en België 
(1927); Graaf Woeste, Mémoires (tot 1914) (2 dln., het 
derde deel is nog niet verschenen). Derks / Willaert. 

B) Kerkelijke geschiedenis. 1° Eerste be- 
keer ingswerk en uitbreiding. De 

Romeinen brachten in deze streken ook hun góden en 
godinnen mee; naast Keltische en Gallische, treffen 
wij Romeinsche, en zelfs Oostersche godheden aan. 
Doch ook het Christendom drong door hun bemidde- 
ling de Oostelijke doelen van België binnen: Tongeren 
was misschien reeds onder, zeker kort na Constantijn 
een bisdom (» Servatius). In Westelijk B. noemt de 
overlevering verscheiden bisschoppen -zendelingen 

reeds in de 3e eeuw, zooals Piatus, Chrysolius, Fuscia- 
nus e.a., maar zekerheid bestaat hieromtrent niet. 
Wel was er in 346 een bisschop te Kamerijk, en de H. 
Victricius predikte vóór 398 het Christendom aan de 
Morienen langs de kust. De inval der Franken heeft 
veel van dat bekeeringswerk vernietigd; w r el wordt 
het spoedig hervat, maar het heidendom blijft hier 
langer stand houden dan in Gallië; pas op het einde 
der 7e en in den loop der 8e eeuw w’ordt B. volkomen 
voor het Christendom gewonnen (voornaamste bis- 


437 


België 


438 


schoppen: de H. Vedastus van Atrecht, de H. Eligiüs 
van Noym-Doomik, de H. Hubertus van Luik, de 
H. > Amandus). 

2° Van de Karolingers tot de Gods- 
dienst woelingen. De Karolingers mengden 
zich sterk in kerkelijke zaken (benoemden bisschoppen, 
beschikten over kerkelijk goed); de invallen der Noor- 
mannen (820—892) deden veel kerken en kloosters 
ten gronde gaan; ook de Hongaarsche inval van 954 
heeft de Belgische gewesten, behalve Vlaanderen, 
geteisterd. Sinds 939 was Lotharingen een gewest van 
het Duitsche Rijk; als tegenwicht tegen den inland - 
schen adel trachtten koningen en keizers de hoogere 
geestelijkheid in hun macht te houden; zij stelden de 
bisschoppen aan en verleenden aan hun bisdommen 
(Luik, Kamerijk, Utrecht) wereldlijke regeerings- 
raacht. 

Zoo vormde zich allengs de keizerlijke Kerk. Van 
den anderen kant bloeide in deze periode het onderwijs 
(kathedraalschool van Luik) en het letterkundig zoo- 
wel als het kunstleven. Verscheidene pogingen tot 
hervorming van het vervallen kloosterleven, o.a. door 
Gerard de Brogne, weerden met goeden uitslag be- 
kroond. De Investituurstrijd (1075 — 1122) bracht 
nieuwe moeilijkheden; het Concordaat van Worms 
(1122) maakte een einde aan de zgn. keizerlijke Kerk. 
Maar daardoor groeide weer de macht der feodale 
heeren, die zich thans al te zeer in de bisschopsver- 
kiezingen mengden. Ook in de latere M.E. had de Kerk 
vaak haar rechten te verdedigen tegen wereldlijke 
machthebbers. Maar ook geen tijd wellicht zag meer 
nieuwe kloosterorden zich vestigen (> Begijnen en 
Beggaarden, Cisterciënsers, Kruisheeren, Norbertijnen, 
Franciscanen, Dominicanen). Een machtige mystieke 
strooming ontstond met Hildegard van Bingen, Bea- 
trijs van Nazareth, Hadewych, Ruusbroeck e.a.; het 
feest der H. Drievuldigheid en dat van het H. Sacra- 
ment zijn in B. ontstaan. Anderzijds waren de sociale 
toestanden bevorderlijk voor het ontstaan van som- 
mige ketterijen (geeselaars en dansers), en schiep de 
groote > Westersche scheuring een buitengewoon inge- 
wikkeldcn toestand. Over het algemeen hield het 
Vlaamsche volk de zijde van Rome tegenover Avignon. 
Onder het Bourgondisch bew r ind vallen de stichting 
der Leuvensche Iloogeschool (1425), het opkomen van 
de Kartuizerkloosters en van de inrichtingen der 
Broeders van het Gemeene Leven. 

3 ° Godsdiensttroebelen en kerke- 
lijke hervorming. Het Lutheranisme vond 
een gunstig terrein in de internationale handelsstad 
Antwerpen en drong er reeds sinds 1519 binnen. De 
Leuvensche universiteit w r as de eerste om de op- 
komende ketterij te bestrijden (Febr. 1520 veroordee- 
ling van Luther’s stellingen). Inquisitie en plakkaten, 
vooral krachtig aangewond tegen de Wederdoopers, 
die echt anti-sociale leerstellingen hielden en revolu- 
tionnair optraden, werkten het opkomen der nieuw - 
gezinden met succes tegen. Na 1635 ligt de openbare 
propaganda der ketterij vrijwel stil; in het geheim 
duurt ze voort door allerlei vlugschriften, meest in 
Antwerpen gedrukt. Toch telde omstreeks het midden 
der 16e ee\m het Lutheranisme slechts een gering getal 
aanhangers. In 1559 werden in de Nederlanden in- 
plaats van drie, achttien bisdommen opgericht, het- 
geen zoowol bij wereldlijke als bij geestelijke macht- 
hebbers veel tegenstand veroorzaakte; Alva moest er 
aan te pas komen om den maatregel doorgevoerd te 
krijgen. Intusschen dringt het Calvinisme langs Wal- 


lonië het Vlaamsche land binnen, vooral in Antwer- 
pen, Gent en Oudenaarde. Na het eedverbond der 
edelen (1566) treden de Calvinisten stoutmoediger op 
(openbare prediking beeldstormerij), hetgeen de oor- 
zaak wordt van Alva’s komst. Tegen zijn hatelijke 
belastingen protesteeren ook bisschoppen Diiutius 
van Brugge en Rythovius van Ieperen. De Pacifi- 
catie van Gent (1576) liet, wat godsdienstzaken be- 
treft, de deur open voor allerlei moeilijkheden ; in 
1577 toekenden daarom de Katholieke edelen de Unie 
van Brussel, waarbij zij den wil uitspraken den Katho- 
lieken godsdienst en het koninklijk gezag te handhaven. 
De tirannie der Gentsche Calvinisten over een deel 
van Vlaanderen gaf aanleiding tot vorming van de 
partij der > Malcontenten cn tot de Unie van Atrecht 
(1579); bij de hiertegenover opgerichte Unie van 
Utrecht sloten zich ook Protestantsche Vlaamsche en 
Brabantsche steden tijdelijk aan: Gent, Ieperen, Brug- 
ge met het Vrije, Antwerpen, Lier en Breda. Parma 
heroverde echter het Zuidelijk deel der Nederlanden; 
de Protestanten verloren de vrijheid van openbaren 
eeredienst. Tijdens de troebelen vielen vele priesters 
en kloosterlingen onder het gew r eld der Calvinisten, 
o.a. te Reninghelst, Oudenaarde en elders. De door- 
voering van de hervormingen van het Trentsch Con- 
cilie, waaraan godgeleerden uit B. daadw^erkelijk 
hadden deelgenomen, ondervond om politieke redenen 
tegenkanting van Margaretha van Parma en den we- 
reldlijken magistraat, maar allengs oefende het toch 
zijn heilzamen invloed uit (diocesane synoden, visi- 
taties, oprichting van seminaries). Onder de aarts- 
hertogen (1698 — 1621) beleefde het Katholicisme in 
de Z. Nederlanden een tijd van nieuwen bloei. Het 
Protestantisme is omstr. 1640 voorgoed overwonnen; 
kleine groepen blijven voortbestaan in Antwerpen en 
Gent, in de Oost -Vlaamsche dorpen St. Maria-Hore- 
beke, Mater en Etikhove, langs de Noordzee, op de 
grens van Zeeland, in Limburg, Doornik en enkele 
plaatsen van Henegouwen. Het volk keerde, voor 
zoover afgedw^aald, gemakkelijk tot het voorvaderlijk 
geloof terug; het Mis-hooren en het naderen tot de 
H.H. Sacramenten nam sterk toe; het middelbaar 
onderwijs bloeide, vooral door de werkzaamheid der 
Jezuïeten ; en ook het lager onderwijs kreeg een betere 
organisatie. Met het herleven van het Katholicisme 
ging een heropbloei van de Christelijke kunst gepaard. 

4 ° Einde van het Oude Regiem. 
Gedurende de jaren 1640 — 1795 oefenen hier het Baja- 
nisme en vooral het Jansenisme hun noodlottigen in- 
vloed uit. Wel bleef het Jansenisme dogmatisch een 
strijdpunt tusschen geleerden, vooral de Leuvensche 
hoogeschool en de Oratorianen eenerzijds en de Jezuïe- 
ten anderzijds, maar voor het geloofsleven van het 
volk had de beweging, w r egens haar geest van al te 
groote gestrengheid, nadeelige gevolgen. De Leuven- 
sche hoogleeraar van Espen (f 1728), verdediger van 
het Jansenisme, bereidde door zijn leer over de betrek- 
kingen tusschen Kerk en Staat de moeilijkheden voor, 
die zich onder Maria Theresia en Jozef II zouden voor- 
doen. Vooral de laatste, één van gedachten met man- 
nen als Kaunitz en Febronius, vergreep zich herhaal- 
delijk aan de rechten der Kerk (kerkelijke boeken- 
keurders aan die van den Staat onderwerpen, bis- 
schoppen in hun vrije werkzaamheid belemmerd, in 
1781 vrijheid van eeredienst ingevoerd, 163 kloosters 
opgeheven bij decreet van 1783, verkeer met den PL 
Stoel beperkt en de nuntiatuur opgezegd, een alge- 
meen staats -seminarie verplichtend gesteld). Bij de 


439 


België 


440 


hierdoor en door de onpopulaire burgerlijke hervor- 
mingen veroorzaakte Brabantsche Omwenteling (1789), 
koos de geestelijkheid veelal partij voor Van Der 
Noot, terwijl de democratische volgelingen van Vonck 
anti-clericale neigingen vertoonden. De geest der 
Fransche philosofen had ook in de Z.Nederlanden 
gewerkt en verzwakking van geloof en verval van zeden 
gebracht. 

5° Fransch en Hollandsch be- 
wind. Onder de heerschappij der Fransche Jaco- 
bijnen w r erd de Kerk van haar rechten en goederen be- 
roofd; het grootste deel der geestelijkheid weigerde, 
op voorgang van kard. Franckenberg, den eed en werd 
verbannen, of naar Cayenne of Oléron gevoerd, waar 
velen stierven; de Zondag en de Christelijke tijdreke- 
ning werden afgeschaft en scholen zonder God inge- 
richt. De Boerenkrijg van 1798 had behalve de con- 
scriptie ook als oorzaak: verzet tegen deze verdrukking 
van den godsdienst. Na Napoleon ’s staatsgreep van 
Brumaire (1799) kwam er verbetering; het Concordaat 
van 1801 bracht vrede. Enkelen, van wie de voor- 
naamste Stevens, groot-vicaris van Namen was, ver- 
zetten zich: hieruit sproot een schisma, het S teve- 
nisme voort, waarmee Stevens echter nooit be- 
trekkingen had. Doch ’s keizers inmenging in kerke- 
lijken zaken lokte nieuwen tegenstand uit (De Broglie, 
biss. van Gent en Him, biss. van Doornik uit hun 
ambt ontzet). Bij de vereeniging met Holland (1815) 
bleek de geestelijkheid gezuiverd, maar sterk vermin- 
derd uit den strijd te zijn gekomen; onder het volk had 
de Fransche geest niet weinig afval teweeggebracht. 
Koning Willem I, niet onwelw illend, trachtte wel de 
Katholieken te winnen, maar zijn Josephistisch be- 
stuur bracht weldra moeilijkheden: de internuntius 
Ciamberlani moest het land verlaten, de nieuwe grond- 
wet werd aan de Belgen tegen hun zin opgedrongen, 
priester De Foere, redacteur van de „Spectateur 
Beige” werd tot tw^ee jaar gevangenisstraf veroordeeld , 
de bisschoppelijke mandementen in beslag genomen. 
Het > „Jugement Doctrinal” der bisschoppen ver- 
bood den eed op de grondwet; de verzoenende houding 
van mgr. De Méan, aartsbiss. van Mechelen, hief 
deze moeilijkheid op. Toen echter alle seminaries 
werden gesloten en het > Collegium Philosophicum 
ingesteld, nam De Méan vastberaden de leiding van 
den tegenstand, trouw bijgestaan door den lateren 
bisschop van Luik, mrg. Van Bommel. Het Concor- 
daat in 1827 met Rome gesloten, w ? erd niet uitgevoerd 
en al deze inbreuken brachten de Katholieken tot een 
Unie met de Liberalen. Omwenteling wilden zij echter 
niet (Van Bommel w*as er radicaal tegen), doch om- 
standigheden, die ze niet voorzien konden, deden ze 
toch uitbreken in 1830. 

6 ° Sinds 1830. De nieuwe Belgische grond- 
wet schonk (art. 14 — 20) vrijheid van godsdienst, van 
onderwijs, van drukpers en van vereeniging. Er w r as 
scheiding van Kerk en Staat, het recht van Placet 
verviel, volledige onafhankelijkheid werd aan de 
Kerk bij het benoemen van geestelijken gewaarborgd, 
hoewel in ruil voor de geconfiskeerde goederen de 
bezoldiging der geestelijkheid ten laste van den Staat 
kwam (art. 117). Het Kath. leven bloeide weer krach- 
tig op (vele seminaries, talrijke volksmissies), vooral 
aan het onderwijs werd veel zorg besteed. In 1840 telde 
men op de 6 189 lagere scholen er 2 284, die geheel en 
uitsluitend door de Katholieken onderhouden werden. 
Door de schoolwet van 1842 w r erd het godsdienst- 
onderwijs verplichtend gesteld. Voor het middelbaar 


onderwijs werden talrijke bisschoppelijke, of door 
ordesgeestelijken geleide, colleges opgericht. De Ka- 
tholieke Hoogeschool, in 1834 opnieuw begonnen, 
werd in 1835/36 naar de oude Alma-Mater-stad Leu- 
ven overgebracht. Reactie van Liberalen en Vrijmet- 
selaars bleef niet uit; zij eischten van het kerkelijk 
gezag geheel onafhankelijke staatsscholen. Van 1847 
tot ’84 hadden de Liberalen, op korte onderbrekingen 
na, de meerderheid in het parlement; de wet op het 
middelbaar onderwijs van 1850, en vooral die op het 
lager onderwijs van 1879 (de ongelukswet) wekten den 
offergeest der Katholieken. Reeds in 1880 hadden op 
de 2 515 bestaande gemeenten er 1 936 een vrije Ka- 
tholieke school. In 1878 omvatten de vrije scholen 
slechts 13% der schoolbevolking ; in 1880 echter 
63 1 / 2 %: 580 380 leerlingen, tegen 333 601 op de staats- 
scholen. Bij de verkiezingen van 1884 werden de 
Liberalen verpletterd; de nieuwe onderwijswet van 
1884 bracht verbetering in den onderwijstoestand. 
De Katholieke meerderheid handhaafde zich tot den 
oorlog van 1914, doch toonde zich zeer gematigd, 
hetgeen haar — terecht of ten onrechte — wel eens 
venveten is. In dezen tijd valt, naast de sterke op- 
komst van het Socialisme, een machtige ontplooiing 
der Christelijke sociale w T erken en sedert 1860 een 
buitengewone uitbreiding der missicwerkzaamheid. 
In het begin van den oorlog zijn een 50-tal priesters 
het slachtoffer gew r orden van het brutale optreden der 
Duitschers; tijdens de bezetting eerbiedigden dezen 
de godsdienstvrijheid, ofschoon nog vele geestelijken, 
om hun preeken of vaderlandsliefde, werden gevangen 
gezet of naar Duitschland getransporteerd. Kard. 
Mercier en de bisschoppen van Namen en Luik, mgT. 
Heylen en mgr. Rutten, verdienen aller dankbaarheid 
om hun krachtdadig en onbeschroomd optreden ter 
verdediging hunner kudde. 

7° Huidige toestand van het Ka- 
tholicisme in België. België kreeg in 
1801 vijf bisdommen: het aartsbisdom Mechelen, 
met de suffraganen Namen, Luik, Doornik en Gent, 
van w^elk laatste in 1834 een zesde bisdom, Brugge, 
w’erd afgescheiden. Het aantal priesterroepingen onder 
de seculiere geestelijkheid wijst eenigen achteruit- 
gang aan, maar de missies trekken meer krachten 
dan vroeger. Het aantal Belg. missionarissen bedraagt 
ca. 1 260 priesters, 400 scholastieken en broeders, 
980 kloosterzusters. Er zijn 16 vicarissen -generaal, 
13 bissch. secretarissen, 62 kanunniken, 260 pastoors, 
3 235 bedienaren, 180 kapelaans en 2 340 onder- 
pastoors. De Anglicanen hebben 8 kapelaans, de 
overige Protestanten 20 predikanten en 4 hu lp -pre- 
dikanten. De Israëlieten hebben 1 opperrabbijn, 4 
rabbijnen en 10 dienstdoende bedienaren. 

Overigens ontbreken betrouwbare statistieken over 
den godsdienstigen toestand in B., zooweel voor Katho- 
lieken als voor andersgez inden. Zeker is echter, dat 
het getal der Katholiek levende Belgen sterk is ge- 
slonken. Van de stedelijke burgerij zal slechts de klein- 
ste helft getrouw zijn aan den godsdienstplicht; op 
het platteland van Vlaanderen zijn zij, die den Paasch- 
plicht verzuimen, uitzonderingen, doch op dat van 
Wallonië mag men ze w r el op bijna de helft schatten. 
Het geboortecijfer voor heel het land, in 1919 nog 
22°/ 00 , zakte in 1926-’30 tot 187 2 7 00 . De echtschei- 
dingen geven eenzelfde beeld. Het lager onderwijs 
telde eind 1929 op 3 381 vrije scholen 424 983 leerlingen 
(staatsonderwijs resp. 6 123 en 446 189); in 1931 had 
het Kath. M.O. 49 012 jongens en 5 926 meisjes tot 


441 


België 


442 


leerlingen (de staatsscholen 14 352 11.); Leuven schreef 
in 1931 — ’32 meer dan 4 000 studenten in. Het tech- 
nisch, vak- en handelsonderwijs is voor het overgroote 
deel aan Kath. initiatief te danken en wordt door 
priesters geleid. Voor de godsdienstige en sociale 
verecnigirgen en werken, zie de afzonderlijke w r oorden 
als Er ererbond. Landsbond v. d. Christ. Middenstand, 
Alg. Chr. Werkersverbond, Kajotters, Jocisten, enz. 

L i t. : De Moreau, Le Catholicisme en Belgique (1928); 
id., in Dict. d’IUst. et Géogr. Ecclés. (VII, 521-753). 

IV. Staats- en rechtsinstellingen. Allossery. 

De Belg. Natie voert in haar vlag de roode, gele en 
zwarte kleuren, en als Rijkswapen den Belg. Leeuw 
roet de spreuk in de Ned. en Fransche taal: Eendracht 
maakt macht. 

De basis van de Belg. Staatsinrichting is de grond- 
wet, die door het Nationaal Congres den 7 Februari 
1831 werd vastgesteld, en waarvan slechts enkele 
bepalirgen betreffende het kiesrecht en de verkies- 
baar! eid in l£92’-93 en in 1920- ’21 werden herzien. 

Het grondgebied cmvat negen provinciën: Antwer- 
pen, Brabant, Henegouwen, Limburg, Luik, Luxem- 
burg, Namen, Oost-Vlaanderen en West-Vlaanderen. 
Ingevolge het Verdrag van Versailles kwamen de 
kringen Eupen, Malmédy en St. Vith aan België. 
In 1908 verkreeg het Rijk, door een overeenkomst 
gesloten met Jecpold II, den Kongostaat. Krachtens 
het Tractaat van Versailles oefent België een mandaat 
uit over Rreanda en Oeroendi. Voor de koloniale 
bezittingen gelden bijzondere wetten (vnl. de Kolo- 
niale Keu re van 18 Oct. 1908). 

De IUlg. Grondwet vertoont een dubbel karakter: 
de meeste beginselen van de Fransche revolutionnaire 
Constituties worden gehuldigd, en meer bepaald de 
moderne vrijheden. Anderzijds heeft het vorige bew r ind 
een sterke reactie teweeggebracht, en menige bepaling 
heeft geen ander doel dan de bevoegdheid van de 
uitvoerende macht en van haar hoofd, den Koning, 
te beperken. 

De door de Grondwet verleende vrijheden zijn zoo- 
wat degene, die in alle Constituties van het begin 
der 19e eeuw voorkomen: alle Belgen zijn gelijk voor 
de wet, de Staat kent geen onderscheid van standen, 
alle burgers bezitten de burgerlijke rechten, en behou- 
dens de door de wet te bepalen regelen, ook de staats- 
burgerlijke rechten. De vrijheid van den persoon is 
gewaarborgd: niemand kan worden vervolgd of ge- 
straft dan alleen in de gevallen en op de wijze door de 
wet vcorzien; de woning is onschendbaar; de verbeurd- 
verklaring der goederen en de burgerlijke dood zijn 
afgescl aft. Onteigening kan alleen plaats hebben ten 
algemeenen nutte, en na een voorafgaande billijke 
vergoeding. Het gebruik der talen is vrij: het kan alleen 
worden geregeld bij de wet, en slechts voor de hande- 
lingen van de openbare overheid en voor de gerechts- 
zaken: feitelijk was het Fransch langen tijd sterk 
overheerschend in alle openbare diensten, en de gelijk- 
stelling van dc taal van het Vlaamsche volk in de 
staatszaken heeft een langen, thans nog niet volledig 
gewonnen strijd gevergd. De Grondwet roept verder 
uit de vrijheid van onderwijs, van vergadering, van 
vereen iging, van drukpers, en verklaart het brief- 
geheim onschendbaar. 

De betrekkingen tusschen Kerk en Staat zijn op de 
volgende wijze geregeld: het Rijk kent geen Staats- 
godsdienst; de vrijheid van eeredienst, de vrije open- 
bare uitoefening er van, zijn gewaarborgd; niemand 
kan worden gedwongen op eenigerlei wijze deel te 


nemen aan handelingen of aan plechtigheden van een 
eeredienst of er de nistdagen van te onderhouden. 
De Staat heeft het recht niet in de benoeming van de 
bedienaren tusschen te komen; toch zijn de wiedden en 
pensioenen van de bedienaren van de erkende eere- 
diensten ten laste van het Rijk. Het burg. huwelijk 
moet, behalve in de door de wet uitgezonderde geval- 
len, steeds aan de huwelijkszegen ing voorafgaan. De 
Burgerlijke Stand behoort tot de bevoegdheid van de 
gemeen teoverheid . 

„Alle macht gaat uit van de Natie”. Feitelijk echter 
werd de Natie in den beginne vertegenwoordigd door 
een vrij gering aantal burgers, en de groote meerder- 
heid van de bevolking had in de staatszaken, zelfs 
als kiezer, geen deel. 

Sinds de herziening van de Grondwet in 1920- ’21 
behoort het kiesrecht aan alle staatsburgers, Belg door 
geboorte of naturalisatie: ieder mannelijke Belg van 
21 jaar af is kiezer en heeft één stem. Bij dezelfde 
herziening werd de samenstelling van den Senaat 
in een meer democratischen zin gewijzigd. 

Het door Montesquieu gepropageerde beginsel van 
de scheidmg der staatsmachten w r ordt door de Grond- 
wet niet uitdrukkelijk verkondigd, feitelijk echter 
practisch toegepast. Afzonderlijke hoofdstukken wor- 
den gewijd aan de wetgevende macht, aan de uitvoe- 
rende macht, en aan de rechterlijke macht, en voor- 
zorgen w r orden genomen, opdat de wetgevende macht 
en de rechterlijke macht aan den invloed van de uit- 
voerende macht onttrokken blijven. 

Dc wel gevende macht. De wetgevende macht 
w r ordt gezamenlijk uitgeoefend door den Koning, de 
Kamer der Volksvertegenwoordigers en den Senaat. 
Het initiatief behoort aan elk van de drie takken, in 
gelijke mate. Hoewel beide Kamers een gelijke be- 
voegdheid hebben, toch is de politieke invloed van de 
Kamer der Volksvertegenwoordigers overwegend. 
De leden van de Kamer worden rechtstreeks gekozen 
volgens een systeem van zuiver algemeen, verplicht 
en geheim stemrecht, en de zetels worden naar even- 
redigheid tusschen de verschillende lijsten verdeeld. 
De verkiezing geschiedt per arrondissement, sommige 
mandaten worden echter per provincie toegekend. 
Alle Belgen van 25 jaar oud, inbegrepen de vrouwen, 
zijn verkiesbaar voor de Kamer. Voor de verkiesbaar- 
heid voor den Senaat w T orden nadere vereischten 
bepaald, die echter feitelijk gemakkelijk te vervullen 
zijn. De Senaat w^ordt niet volledig door de kiezers 
aangesteld: een zeker aantal Senatoren wordt door 
de Provinciale Raden benoemd, en een geringer aantal 
door den Senaat zelf. 

Sommige bepalingen van de Grondwet schijnen te 
wijzen op een overwegenden invloed van den Vorst 
op de staatszaken: de Koning bekrachtigt de wetten 
en kondigt die af; hij heeft het recht de Kamers te 
ontbinden of te verdagen; hij benoemt en ontslaat 
zijn ministers. Feitelijk is de toestand anders. België 
is, sedert een eeuw, een parlementair geregeerd land 
en de Koning oefent geen van de hierboven vermelde 
bevoegdheden uit dan in overeenstemming met de 
parlementaire meerderheid. 

Geen belasting ten behoeve van het Rijk kan worden 
ingevoerd dan bij de wet; ieder jaar wwden de belas- 
tingen, de reken ingwet en de begroot ing door stemming 
van de Kamers vastgesteld. Deze en andere bepalingen, 
nog meer echter de traditie, verzekeren aan het parle- 
ment het laatste w r oord in de leiding van het bewind. 

De uitvoerende macht. De grondw r ettelijke macht 


443 


België 


444 


van den Koning gaat bij erfopvolging over op de 
nakomelingschap, in rechte linie, van Leopold I, 
van man op man, volgens recht van eerstgeboorte, 
en met altijddurende uitsluiting van de vrouwen 
en haar nakomelingen. 

De persoon van den Koning is onschendbaar: 
zijn ministers zijn verantwoordelijk, en onderteekenen 
met hem al zijn besluiten. 

De Koning benoemt en ontslaat de ministers, de 
ambtenaren, en, in algemeenen regel, benoemt hij 
de leden van de rechterlijke macht. Hij maakt de 
verordeningen en neemt de besluiten, die voor de 
uitvoering van de wetten noodig zijn. De Koning 
voert het bevel over land- en zeemacht, verklaart 
oorlog, sluit de vrcdcs-, verbonds- en handelsver- 
dragen. De handelsverdragen zijn slechts van kracht, 
nadat zij door de Kamers zijn goedgekeurd. De Koning 
heeft het recht van gratie en het recht van de munt. 

De macht van den Koning is beperkt: hij heeft geen 
andere bevoegdheid dan die, welke hem door de 
Grondwet of door bijzondere wetten wordt verleend. 

Tijdens den oorlog van 1914-’18 kon van het 
samenkomen van de Kamers geen spraak zijn, en werd 
de wetgevende macht uitgeoefend door den Koning, 
bij wijze van besluit -wetten. In 1926 en 1933 hebben de 
Kamers, met het oog op de regeling van den finaiiciee- 
len toestand, tweemaal een zoogenaamde volmachtwet 
aangenomen krachtens dewelke den Koning voor 
een bepaalden tijd en binnen bepaalde grenzen een 
tamelijk verregaande bevoegdheid werd toegekend. 

De leiding van de administratie behoort bij de 
ministers en hun onderscheiden departementen, 
waarvan de samenstelling en de bevoegdheid dikwijls 
veranderen. Toch liggen niet alle zaken in de compe- 
tentie van de centrale besturen en de daarvan afhan- 
gende ambtenaren. Het Belg. administratief recht kent 
inderdaad een ruime decentralisatie: de provincie, 
en vooral de gemeente hebben een uitgebreide bevoegd- 
heid en een ruim opgevatte autonomie. Beide zijn 
echter onderworpen aan de controle van de Bestendige 
Deputatie en van den Koning. 

De rechterlijke macht. Alle geschillen over burger- 
lijke rechten en, behoudens uitzonderingen, ook alle 
geschillen over staatsburgerlijke rechten behooren 
tot de kennisneming van den rechter. De mogelijk- 
heid om bestuursgeschillen voor een speciale adminis- 
tratieve rechtbank te brengen bestaat nog maar spo- 
radisch. Sommige geschillen van dien aard, bijv. tot 
schadevergoeding wegens handelingen van het bestuur, 
behooren tot de bevoegdheid van den gewonen rechter. 

Het ligt in de traditie van het Belg. Staatsrecht, 
dat de rechtbanken zich de bevoegdheid ontzeggen om 
over de grondwettelijkheid van de wetten te oordeelen. 
De algemeene, provinciale en plaatselijke besluiten 
en verordeningen passen zij slechts toe voor zooverre 
die met de wetten overeenkomen. 

Geen rechtbank, geen tot rechtspraak bevoegd 
lichaam kan worden ingesteld dan uit kracht van de 
wet. Buitengewone rechtbanken of commissiën heeft 
België, ook in tijden van troebelen, sedert 1830 nooit 
gekend. Er bestaat voor geheel België een Hof van 
Verbreking, er zijn drie hoven van Beroep, zooveel 
rechtbanken van eersten aanleg als arrondissementen, 
en zooveel vredegerechten als rechterlijke kantons. 
Er zijn, in de plaatsen aangewezen door de wet, 
rechtbanken van koophandel, waarvan de bevoegdheid 
beperkt is tot de geschillen over daden van koop- 
handel. De werkrechtersraden zijn ingesteld om kennis 


te nemen van de geschillen betreffende de uitvoering 
van de arbeidsovereenkomst. 

Misdaden, alsook politieke misdrijven en pers- 
misdrijven worden berecht door het Hof van > Assisen. 

De leden van de Hoven en Rechtbanken wwden 
door den Koning benoemd, en wel voor het leven, 
behalve de leden van de rechtbanken, van Koop- 
handel en van de Werkrechtersraden, die vopr een 
beperkten tijd door de belanghebbenden verkozen 
worden. 

Do evolutie van de Belg. staats- en rechtsinstel- 
lingen. Tot op heden zijn de Fransche wetboeken 
van het begin der 19e eeuw de grondslag gebleven van 
het Belg. Recht. Het Burg. Wetboek werd slechts op 
enkele plaatsen herzien. De Wetboeken van Burg. 
Rechtspleging en van Strafvordering bleven nagenoeg 
ongewijzigd. Het Strafwetboek werd in 1867 naar de 
opvattingen van de liberale strafrechtsschool herop- 
gemaakt. Het Wetboek van Koophandel onderging 
aanzienlijke veranderingen, vooral wat betreft de 
vennootschappen. Op het einde der 19e en in het begin 
der 20e eeuw lag het zwaartepunt van de wetgeving 
op het gebied van het arbeidsrecht: hier ontstond 
inderdaad een geheel nieuw w r etboek. Het > belas- 
tingstelsel werd eveneens voor een groot deel anders, 
vooral ten gevolge van het invoeren van de belasting 
op het inkomen, in 1919. 

Zooals in de meeste West-Europeesche landen is de 
evolutie van den Staat gekenmerkt door de logische 
ontwikkeling van het parlementarisme: uitbreiding 
van het kiesrecht, toekenning aan de kleine partijen 
van een zekere medezeggenschap, en gestadige uit- 
breiding van de tusschenkomst van het Parlement. 
Langen tijd werd het parlementaire leven beheerscht 
door den strijd om de school; in het laatste kwart 
van de 19e eeuw en in het begin van de 20e stond de 
sociale vraag op den voorgrond; de regeling van het 
talenvraagstuk bleef sedert tientallen van jaren 
onophoudelijk aan de dagorde; de militaire inrichting 
gaf aanleiding tot veel oneenigheid en talrijke w r ettcn, 
om ten slotte te voeren tot den algemeenen persoon- 
lijken dienstplicht, met vrijstelling van een zoon 
voor sommige kroostrijke gezinnen. 

Het internationaal statuut van de gedwmngen neu- 
traliteit, dat België door de Mogendheden werd opge- 
legd, werd in 1914 door Duitschland geschonden. Het 
Rijk verzaakte dan ook aan dit statuut, en verkreeg 
andere waarborgen tegen oorlog en invallen, o.m. 
door het Verdrag van Versailles en het Verdrag van 
Locamo. Vermits het grondgebied op een zoo gevaar- 
lijke plaats in West-Europa gelegen is, en het ont- 
wapeningsprobleem niet is opgelost, is de groote 
meerderheid van oordeel, dat met de verkregen moreele 
waarborgen niet volstaan kan worden, en dat een 
gepaste militaire inrichting vooralsnog onontbeerlijk 
blijft. 

L i t. : P. Errera, Traité de droit public beige ( 2 1916) ; 
M. Damoiseaux, Le Gouvernement de la Belgique 
(1926) ; M. Vauthier, Précis du droit administratif de la 
Belgique (1928) ; K. Brants, De Staatsinrichting van 
België ( 2 1931) ; J. Dabin, La vie juridique des peuples ; 
Belgique (1931). V. Dievoet. 

V. Pers, > Belgische pers. 

VI. Politieke partijen, > Belgische politieke 
partijen. 

VII. Weermacht. 

Geschiedenis. De troepen door de Ver- 
bonden Mogendheden na den slag bij Leipzig op Belg. 


445 


België 


446 


grondgebied gelicht, werden nadien ingelijfd bij het 
leger van den prins-souverein, wien de Belg. provin- 
cies waren toegewezen door het verdrag van Parijs 
van 30 Mei 1814. Zij vormden de kern van het latere 
Belg. leger. De Hollandsche wetgeving op de werving, 
die op hen toepasselijk was, werd in 1830 door België 
overgenomen en bleef in stand tot 1909. De leger- 
inrichting van koning Willem berustte deels op het 
volontariaat, deels op het oude beginsel van de 
provinciale militie. Zijn leger was hoofdzakelijk 
samengesteld uit permanente korpsen van vrijwilligers, 
aangevuld met lotelingen. Na de gebeurtenissen van 
Sept. 1830 kwam het Belg. leger tot stand. Het werd 
gevormd uit Belg. militairen, die zich uit het Holland- 
sche leger hadden teruggetrokken en uit afgezwaaide 
dienstplichtigen. Reeds den 2en Aug. 1831 moest het 
te velde trekken tegen den prins van Oranje, die het 
wapenbestand van 17 Nov. 1830 had geschonden en 
aan het hoofd van Hollandsche troepen België was 
binnengevallen. Op 12 Aug. werd een wapenstilstand 
gesloten. Na de inname van Antwerpen, dat tot 
23 Dec. 1831 bezet bleef door een Holl. garnizoen 
onder gen. Chassé, trad een tijdperk van rust in, dat 
de regeering gebruikte om het leger grondig in te 
richten. De eerste wet op de werving, waarin latere 
wetten geen principieele wijzigingen zullen brengen, 
werd aangenomen op 30 Dec. 1831. Op 27 Maart 1848, 
toen gewapende avonturiers, uit het buitenland over- 
gekomen, de republiek poogden uit te roepen op Belg. 
grondgebied, werden zij te Risquons-tout (Zuid- 
België) door Belg. troepen uiteengedreven. Later gaf 
de Fransch-Duitsche oorlog aanleiding tot mobilisatie 
der Belg. strijdkrachten van 15 Juli 1870 tot 3 Maart 
1871 en tot opstelling van een waarnemings leger 
onder generaal B. Chazal langs de Zuid-Oostelijke 
grenzen. In 1909 werd de loting afgeschaft en de 
persoonlijke dienstplicht ingevoerd. De gespannen 
internationale toestand bracht tenslotte een volledige 
kentering teweeg in de politieke opvattingen en door 
een wet van 1913 werd de algemeene dienstplicht 
opgelegd, hoewel nauwelijks 49% ongeveer der dienst- 
plichtigen onder de wapens kwam. Aldus kon met 
een jaarlijksch contingent van 33 000 man een mobili- 
satiereserve van 330 000 man op de been gebracht 
worden. Tevens werd de eerste wet op het taalgebruik 
aangenomen. Doch de wereldoorlog, waaraan het Belg. 
leger deelnam, verhinderde de tenuitvoerbrenging 
ervan. Tot in 1919 bleef het leger op oorlogsvoet en 
werden de opeenvolgende militieklassen fragmen- 
tarisch en naargelang de omstandigheden onder de 
wapens geroepen. 

Huidige organisatie. Een wet van 

7 Nov. 1928 heeft die van 1913 vervangen. De dienst- 
plichtigen worden thans, in beginsel, per provincie 
ingedeeld bij homogeen eentalige compagnies (batte- 
rijen), die in de mate van het mogelijke in bataljons 
en regimenten van dezelfde taalgroep samengebracht 
worden. De opleiding geschiedt in de taal der dienst- 
plichtigen. Tusschen de officienn zijn de dienst- 
betrekkingen in het Fransch; tusschen hen en hun 
minderen in de taal der eenheid. De administratie 
gebruikt het Fransch als voertaal. De officieren moeten 
de twee landstalen kennen. De reserve -officieren en de 
onderofficieren moeten enkel de taal hunner eenheid 
machtig zijn. De duur van den diensttijd is vastgesteld 
op 8, 12, 13 en 14 maanden. 21 000 opgeroepenen op 
een contingent van 44 000 man worden tot meer dan 

8 maanden dienst verplicht; bereikt het contingent 


een hooger cijfer, dan woorden bepaalde categorieën 
dienstplichtigen vrijgesteld, o.m.: de eerstopgeroepe- 
nen, die behooren tot een gezin met meer dan 5 kinde- 
ren in leven. De militaire verplichtingen duren 
25 jaar, nl. : 15 jaar in het actief leger en de reserve 
en 10 jaar 'in de landweer. In vredestijd is er één con- 
tingent onder de wapens. 

Het leger is samengesteld uit den alg. legerstaf, 
3 legerkorpsen van 2 infanteriedivisies, een ruiterij- 
korps van 2 divisies, een brigade legerartillerie, een 
regiment vest ingt roepen, een regiment afweerart iller ie 
tegen luchtaanvallen, luchtvaartsein-, intendance- en 
gezondheidstroepen. De infanteriedivisie (nagenoeg 
15 000 man op oorlogsvoet) telt drie regimenten voet- 
volk, een regiment bereden veldartillerie, een bataljon 
mitrailleuses, een batterij mortiers kaliber 76 mm, twee 
compagnies pioniers der genie, een compagnie sein- 
troepen, een eskadron verkenners, intendace- en ge- 
zondheidstroepen en een vervoerkorps, gedeeltelijk 
gemotoriseerd, dat ongeveer 460 voertuigen omvat. 
In oorlogstijd worden aantal en getalsterkte der be- 
staande divisies vermeerderd door inlijving der 15 
jongste militieklassen. Desnoods kunnen de troepen 
der landweer, met uitzondering van de gehuwde man- 
schappen met 4 kinderen in leven, met dit doel bij het 
veldleger ingedeeld worden. 

De bewapening der infanterie bestaat uit 
het Mausergew r eer model 1889, het mitrailleuse-geweer 
model 1930 en de mitrailleuse van het type max. 
kaliber 7,65 mm. De veldartillerie is gewapend met 
kanonnen kal. 75 en 105 mm en met houwitsers kal. 
105 en 155 mm. De legerartillerie, die volledig gemo- 
toriseerd is, beschikt thans over kanonnen kal. 155 
mm, houwitsers kal. 155 mm en 6" en mortiers kal. 
220 mm. Bovendien bestaat zw T aar geschut op pantser- 
trein, alsook loopgraaf geschut. Thans (1933) geschie- 
den proefnemingen met het oog op de motor iseering 
der veldartillerie. 

De opperbevelhebber is de koning; 
in vredestijd echter is de leiding practisch in handen 
van den minister van landsverdediging, onder wiens 
bevoegdheid eveneens het beheer der gendarmerie valt. 

Vestingwerken. De verdediging van het 
grondgebied berust anderzijds op de vestingwerken. 
Behoudens de vestingen van Aiitw^erpen en van de 
kust, evenals die van Maastricht, Venlo en Luxemburg, 
werden de overige, die ingevolge het Barrière -tractaat 
(1715) ter bescherming van de Republiek der Vereenig- 
de Provinciën tegen Frankrijk opgericht waren, door 
Napoleon gesloopt. Doch na diens val werden zij w ? eer 
gedeeltelijk bruikbaar gemaakt. Het luidens de Con- 
ventie van Aken (1818) door de Verbonden Staten 
aangenomen verdedigingsstelsel beoogde opnieuw 
het oprichten van een verdedigingslinie langs de 
Fransche grens en bovendien het aanleggen van een 
viervoudige reeks vestingen, resp. op de Schelde, 
tegen Engeland; op de Maas, tegen Pruisen; op de 
Sambre-Haine-Dender, tegen Frankrijk en tenslotte 
vestingen in Holland zelf, die als schuiloord moesten 
dienen. De gebeurtenissen van 1830 brachten dit plan 
evenwel in gevaar, doordat een verzwakking van de 
Zuidelijke linie het evenwicht van heel het verdedi- 
gingsstelsel kon verbreken. Door België te erkennen 
als een onzijdigen staat, kon de Conferentie van Londen 
meteen de vestingen aanwijzen, die moesten ontmanteld 
worden. 

De conventie van 14 Dec. 1831 regelde deze aan- 
gelegenheid. Doch eerst nadat de Belg. regeering in 


447 


België 


448 


1851 besloten had Antwerpen als operatiebasis in te 
richten, werden al de vestingen gesloopt, met inbegrip 
van die, welke door de conventie waren behouden. 
Naar aanleiding van den in 1848 gespannen interna- 
tionalen toestand had nl. de regeer ing besloten een 
Commissie der vestingen te gelasten de defensieve 
waarde der versterkingen te onderzoeken. In 1851 
werd Antwerpen, op een afstand van 2,5 km van het 
centrum, met een gordel van 7 forten omgeven. Dit 
bleek hoogst hinderlijk voor de uitbreiding der stad 
en al spoedig rees hiertegen verzet op. In 1857 legde 
de regeering een nieuw plan voor, dat door de wetge- 
vende Kamers evenwel verworpen werd. In 1859 werd 
het ontwerp Brialmont aangenomen. Dit verschoof 
de omwalling der stad tot op de fortenlinie van 1851 
en voorzag in een nieuwen gordel van 8 forten op 7 km 
van het centrum der stad. Eerst in 1892 waren de 
werken geëindigd. In 1887 werden Maas- en Sambre- 
vallei in staat van verdediging gesteld door de oprich- 
ting van forten rond Luik en Namen. In 1906 werden 
de vestingwerken van Antwerpen nog uitgehreid. 
Een nieuwe omwalling, die de oude moest vervangen, 
zou opgericht worden op den gordel van 1859, terwijl 
een linie van 19 voor het meerendeel aan te bouwen 
forten op een 15-tal km van de stad moest aangelegd 
worden. Aldus zou de cirkelomtrek van de versterkte 
plaats van Antwerpen 105 km bereiken. 

De wereldoorlog kwam de tenuitvoerbrenging van 
dit grootscheepsche plan gedeeltelijk verhinderen. 

Na den oorlog werd aan de vestingwerken een 
tijdlang weinig aandacht geschonken; doch sedert 
1928 worden de Maasforten opnieuw tot verdedigin^s- 
doele inden bruikbaar gemaakt. V. Coppenolle. 

VIII. Sociale instellingen en weldadigheid. 

De ontwikkeling gaat van een zekere afzijdigheid 
der openbare besturen tot een gematigde Staats- 
tusschenkomst, en van liefdadigheid tot meer bevor- 
dering van het vooruitzicht (van bijstand tot voor- 
zorg). Van 1830 tot 1886 ontstaan de eerste 
instellingen, behalve degene, die reeds vroeger beston- 
den en werden behouden, zooals o.m. gemeentelijke 
inrichtingen (armbureelen, godshuizen); — een eerste 
aanmoediging van het vooruitzicht: oprichting van de 
Spaar- en Lijfrcntekas (1850- '51) en een eerste wet 
op de mutualiteiten (1851). Van 1886 tot 1914: de 
sociale organisaties komen tot stand: Belg. Werk- 
liedenpartij (1885). Belg. Boerenbond (1891), Katholie- 
ke werk lied en vereen iging< n, mutualiteiten; het onder- 
zoek van 1880 over den toestand der arbeiders in de 
nijverheid geeft aanleiding tot de sociale wetgeving; 
ook tot andere vraagstukken breidt de officieele en de 
private werking zich uit: strafrechtshervormingen 
(voorwaardelijke veroordeel ing, voonvaardelijke in- 
vrijheidstelling, bedelaars, misdadige jeugd), de 
openbare gezondheid, de goedkoope woningen, de 
organisatie van den Middenstand enz. — Van 1914 
tot 1933: de oorlogsellende gaf aanleiding tot nieuwe 
instellingen van voorzorg: zoo ontstond het Nat. 
Comiteit voor de voeding van de bevolking, met zijn 
vertakkingen: kinderwclzijn, e.a. Na den oorlog 
komen tot stand* Nat. verbonden tot bestrijding van 
tuberculose, geslachtsziekten, kanker; het Roode Kruis 
breidt zijn sociale actie uit, het Vlaamsche Kruis 
ontstaat; er komen vereen igingen voor voorbehoedende 
geneeskunde en eugenetiek, geosteshygiëne, enz. 
De sociale wetgeving wordt uitgebreid: staatssteun 
aan de werkloozen; ook aan de verminkten, blinden, 
abnormalen (1928), schoolkoloniën, openluchtscholen, 


allerhande fondsen om de meesttiegaafden in staat te 
stellen hun intellectueele vorming te volledigen 
(Fonds der meest begaafden, universitaire stichting, 
Nat. wetenschappelijk Fonds). 

De officieele instellingen van socialen aard zijn 
hoofdzakelijk: de ministeries van Binnenlandsche 
Zaken (Hygiëne), van Nijverheid, Arbeid en Sociale 
voorzorg, "van Justitie (Strafrechtelijke instellingen, 
abnormalen, enz.), van Landbouw; de provincie en 
de gemeente met de van die besturen afhangende 
instellingen. Een zeker aantal inrichtingen hebben 
een meer of minder publiekrechtelijk karakter, of 
worden door de openbare besturen gesteund. Eindelijk 
is er nog het zuiver privaat initiatief, en vooral de 
sociale en de liefdadige werking van Katholieke 
groepeer ingen, kloosters, Vin cent iusgenootschappen 
e.a. Dat alles vormt een, weliswaar vrij geschakeerd 
geheel, doch dat daarom juist geschikt is, om te voor- 
zien in de vele behoeften van de volksklas in dezen tijd. 

L i t. : Vermcersch-Muller, Les organismes sociaux 
en Beleique (Leuven 1923) ; R. Sand, La Belgique 
Soriale (Brussel 1933). Eerdekens. 

IX. Letterkunde. 

A) Vlaamsehe letterkunde. 

Voor Vlaamsche lett. vóór 1830, > Nederlandsche 
letterkunde. 

Door eeuwenlange vreemde overheersching en ge- 
leidelijke verf ransch ing van hoogere standen en open- 
baar leven w*as het Vlaamsch totaal verwaarloosd 
geworden, zoodat in de 18e eeuw de letterkunde er- 
barmelijk laag gezonken w r as. Zelfs onder het Ver- 
een igd Koninkrijk der Nederlanden (1815 — ’30) bleek 
een herleving onmogelijk. Na de omwenteling van 
1830 met Vlaamschvijandige politiek scheen het een 
hopeloos geval. Eerste reactie door philologen, 
die, onder leiding van J. Fr. Willems,Mnl. teksten 
uitgaven als de adelbrieven van de versmade volkstaal 
(kanunnik J. David, Blommaert, Bormans, Serrure, 
Snellaert). Na 1835 begint ook een R o m a n t i- 
sche volksliteratuur op te schieten te 
Gent (Pr. Van Duyse met uitbundige en K. Lcde- 
ganek met weeke poëzie) en te Antwerpen (H. Con- 
scieme met geschiedkundige en landelijke verhalen en 
zedeschetsen, de volkszanger Door Van Ryswyck, de 
humorist L. Vleeschouwer, F. Van Kerckhoven metge- 
heimzinnig-fantastische en E. Zettemam met s ciale 
romans). Strijdend -Flamingantisch: Conscience *s 

Leeuw van Vlaanderen (1838), Van Ryswyck ’s Poli- 
tieke Refereinen (1844), Ledeganck’s Drie Zuster- 
steden (1846). Geen hooge kunst: uit en voor het volk, 
in onbeholpen, soms smakeloozen stijl en armoedige 
taal. Conscience verwierf een wereldberoemd- 
heid door zijn boeienden verhaaltrant, zijn kennis van 
de volksziel en zijn atmosfeer van gemoedelijkheid. 
Na 1845 splitsing in twee kampen: de vrijzinnig-libe- 
ralen uit de steden, die een halve eeuw lang aan den 
VI. strijd een anticlericaal karakter geven (J. De Gey- 
ter, J. Vuylsteke, A. De Vos e.a.), en de Katholieken, 
vooral door de lagere geestelijkheid gesteund. 

Omstreeks 1850 evolueert de VI. letterkunde naar 
meer werkelijkheid, ook bij Conscience, al blijft in de 
poëzie zwaarmoedigheid en sentimentaliteit steeds 
doorklinken (J. van Beers). Veel huiseb'jke gedichten, 
gladde natuurbeschrijving, liederen en cantates. Ver- 
schillende schakeeringen van gematigd rea- 
lisme in de hoofdzakelijk landelijke verhalen: 
gemoedelijk, soms met wijsgeerigen of politieken neer- 
slag (gezusters Loveling, mevr. Courtmans, Aug. en 


KUNSTSCHATTEN IN BELGIË 





1. Preekstoel in de St. Goedele te Brussel. 2. Negerkoppen, door P. P. Rubens. 3. Calvarieberg bij de St. Paulskerk te 
Antwerpen. 4 en 6. Aartshertog Albert en zijn echtgenoote Isabella, door P. P. Rubens. 5. De koning drinkt! door 
Jacob Jordaens. 7. Kaartspelers, door Adriaan Brouwer (Kon. Museum te Antwerpen). 8. De terugkeer, door E. Laermans. 
9. Jesus in de Kempen, door J. Smits. 10. Piëta, door Albert Servaes. 2, 4, 5 en 6. Musée Ancien te Brussel. 





NIEUWERE BEELDHOUWKUNST IN BELGIË 



1. Julien Dillens, Graffiguur. 2. Willem Geefs, Koningin Marie-Louise. 3. Paul de Viane, Poverella. 4-6. Constantin 
Meunier, Drie details van het Monument van den Arbeid, 4. Ie Puddleur, 5. I'lndustrie, 6. Kop van den zaaier. 
7. George Minne, Treurende vrouwen. 8. George Minne, Torso (de nummers 2-8 in het Museum te Brussel). 





449 


België 


45a 


Renier Snieders); humoristisch (Tony Bergmann); 
koel en nuchter (D. Sleeckx). Proeven van naturalisme 
bij I. Teirlinck en R. Stijns. Vorm verzorging in de 
gedichten van den keurigen Dautzenberg, Fr. De 
Cort, J. Van Droogenbroeck; kunstvaardigheid van 
Pol De Mont, die omstreeks 1880 naar het voorbeeld 
van het buitenland den dienst der schoonheid -zonder- 
meer inluidt. 

Intusschen was ook West-Vlaanderen wakker ge- 
schoten. Na eenige ouderwetsche proeven maakt 
Guido Gezelle (1830 — ’99) zich los pan de 
heerschende traditie en wint eigen vorm, eigen stijl, 
eigen taal om uiting te geven aan zijn rein natuurge- 
voel en zijn rijk gemoedsleven. Lang bleef hij onbe- 
kend, zelfs miskend en bekampt door de officieele 
critiek van zijn tijd. Door geschreven en vooral ge- 
sproken woord droeg Hugo Verriest veel bij tot het 
verspreiden van gezonder gedachten en tot het erken- 
nen van Gezelle en den jong overleden genialen A. 
Roden bach. 

1886 — ’90 groeit bij de jongeren ontevredenheid 
over de armoede van hun tijd. Naar het voorbeeld van 
Ia Jeune Belgique en De Nieuwe Gids stichten ze 
Van Nu en Straks, waarin ze, onder leiding 
van A. Vermeylen en P. Van Langendonck, hun pro- 
gramma omschrijven en trachten uit te werken: stre- 
ven naar schoonheid in de kunst, naar eenheid en 
synthese in het veelvuldige leven, Vlaamsche strijd en 
kunst in dienst van de gemeenschap. Op gebied van 
economie en politiek hebben de meesten zeer vooruit- 
strevende gedachten. Tot den oorlog en zelfs daarna 
heeft het Van-Nu-en-Straks-geslacht een groot gebied 
van de Vlaamsche letterkunde beheerscht: het artistiek 
rijke, maar ingewikkelde en vaak zwoele vers van K. 
Van de Woestijne; de naturalistische uitbeelding van 
het landleven door C. Buysse; de stoere en kloeke be- 
schrijving van natuur en landman door S. Streuvels; 
de rauwe schildering van het Antwerpsch havenleven 
door E. De Bom; de zware, morbiede evocatie van de 
grootstad door H. Teirlinck. Datzelfde geschakeerde 
beeld vindt men terug in tal van tijdschriften (Alvoor- 
der, De Arbeid, Ontwaking te Antwerpen, Nieuw 
Leven te Gent; het dilettantisme van De Boomgaard) 
en bij tal van schrijvers uit de laatste dertig jaren: 
een ruime plaats bestrijkt nog altijd de landelijke 
vertelling met alle aspecten en landschappen van de 
Vlaamsche gewesten (soms met moraiiseerende strek- 
king: E. Vermeulen, soms joviaal en humoristisch: E. 
Claes, J. Simons, soms als achtergrond voor een diepere 
ontleding van het menschelijk gebeuren: A. Van Cau- 
welaert, G. Walschap); meer en meer gaat de belang- 
stelling naar de uitbeelding van het stadsleven (de 
gegoede burgerij: A. De Ridder, L. Monteyne, W. 
Elsschot, M. Roelants, Mevr. Claes-Vetter, L. Duy- 
kers; het proletariaat: L. Baekelmans, L. Zielens; 
de provinciestad met haar typen en haar folklore: M. 
Sabbe, F. Timmermans, A. Thiry). 

Soms vermeit zich de verbeelding in de atmosfeer 
van een ver verleden (F. Timmermans, K. Van den 
Oever, P. Kenis, F. De Pillecyn) of in de tropische 
pracht van Afrikaansche landen (E. Van der Straeten); 
soms viert de fantasie heelemaal den vrijen teugel 
naar het rijk van koning Wonder (T. Bogaerts). Goede 
ontleding van kinderpsychologie (S. Streuvels, E. 
Claes e.a.). 

Daarnaast het leidend tijdschrift der Katholieken, 
Dietsche Warande en Belfort (1900), eerst conservatief, 
later onder leiding van J. Persyn, ruim en veelzijdig; 


het avant-garde-orgaan der jongere Katholieken; de 
Vlaamsche Arbeid (1905), onder leiding van J. Muls 
en K. Van den Oever. De oudere liberalen stichtten 
in 1905 De Vlaamsche Gids. 

Voor de poëzie groote invloed van Gezelle, 
inzonderheid op het eerste werk van R. De Clercq 
en op menig priester-dichter (A. Walgrave, J. Ham- 
menecker, J. De Vocht); van K. Van de Woestijne 
op A. Van Cauwelaert en de groep van het Fonteintje 
(M. Roelants, R. Minne, R. Herreman, K. Leroux). 

De oorlog heeft geen blijvend werk nagelaten. Onder 
den oorlog begon zich een reactie af te teekenen tegen 
het vlakke realisme en impressionisme en tegen het 
zuiver esthetische der latere Van-Nu-en-Straksers: 
expressionistische experimenten van P. Van Ostayen 
onder Duitschen en Franschen invloed. In 1920 stich- 
ten de jongeren Ruimte (tot 1921); het Katholieke 
Pogen (1923 — ’26). Humanitaire gedachten, diepere 
levenszin, vormvernieuwing in vrij dynamisch vers, 
weergeven van het rhythme van het moderne leven. 
Tusschen 1920 en ’28 leverden P. Van Ostayen, K. 
Van den Oever, Wies Moens, Marnix Gijsen, A. 
Mussche hun beste en gaafste werk. Thans (1933) ont- 
staat een streven naar meer evenwicht en harmonie 
en naar meer gebondenheid en bezonkenheid (U. Van 
de Voorde, de medewerkers van De Tijdstroom). 

Letterkundige critiek wordt eerst 
laat geleverd: intellectualistisch bij Max Rooses, wijs- 
geerig bij J. Persyn, intuïtief bij C. Verschaeve. Thans 
J. Muls, A. Comette, J. Eeckhout, U. Van de Voorde. 

L i t. : Coopman en Scharpé : Gesch. der VI. lett. 
(Antwerpen 1910); P. Kenis, Een Overzicht van de VI. 
lett. na Van Nu en Straks (A’dam, 1930); U. Van de 
Voorde, Panorama de la lit. fl. (Brussel 1932) ; A. Ver- 
meylen, Van Gezelle tot Timmermans (A’dam 1933). 

A. Boon. 

B) Fransch- Belgische letterkunde. Al heeft het 
Belg. grondgebied te allen tijde een zeker aantal 
Franschtalige schrijvers voortgebracht, toch kan men 
slechts sedert 1830 van een eigenlijke Fr. -Belg. letter- 
kunde gewagen. De stelselmatige en gedwongen ver- 
fransching van de Belg. provinciën, zelfs van het VI. 
gedeelte van het land, begon reeds met de Fransche 
overheersching. Sinds 1815 werd deze verfransching, 
die van 1830 schier een eeuw lang den vrijen teugel 
heeft gevierd, nog aangemoedigd door de politiek van 
verzet tegen het Hollandsch bewind. Zoo is het te 
verklaren, dat een groot aantal Fr. -Belg. letterkun- 
digen — en de meest eminente — van Vlaamsche 
afkomst zijn. 

De eerste Belg. schrijvers hadden gebrek aan oor- 
spronkelijkheid. Sommige dichters, afgeschrikt door 
de vermetelheid van het Romantisme, putten hun 
lyrisme rechtstreeks bij J. J. Rousseau of C. Delavigne: 
Baron de Stassart, Ph. Lesbroussart, Ad. Mathieu, 
Ed. Wacken, Benoit Quinet, Ch. Potvin, Louisa 
Stappaerts. Enkele romanschrijvers bezitten weinig 
verbeeldingskracht, maar zekeren zin voor observatie: 
Fr. Jos. Grandgagnage, Caroline Popp, Eug. Gens, 
Carolme Gravière, Eug. Van Bemmel, Em. Greyson, 
Xav. de Reul. 

De ware voorloopers van de Belg. literatuur waren 
de lyriekers, Antoine Clesse, de Belgische Béranger, 
en de beide Maastrichtenaren Thëodore Weustenroed 
(1805-1849) en André Van Hasselt (1805—1874), 
waarvan de eerste zich nog aan den invloed van het 
Fr. Romantisme onttrok en de tweede er zich een 
discipel van verklaarde. De peters van de intellec- 


▼. if 


451 


België 


452 


tueele jeugd van 1880 waren echter twee prozaschrij- 
vers: Charles de Coster, auteur van „Uylenspiegel” 
en Oct. Pirmez, schrijver van „Jours de Solitude”. 

De groote letterkundige wedergeboorte dagteekent 
van 1880 en was het werk van Max Waller en van 
„La Jeune Belgique”, waarvan de medewerkers, be- 
wonderaars van Baudelaire en Leconte de Lislc, 
„L’art pour Tart” en „Le culte de la forme” huldigden. 

Vooral de roman bekleedt een belangrijke 
plaats. Camille Lemonnier neemt de leidersplaats in 
met realistische romans, rijk aan lyrisme en schilder- 
achtige tafereelen ; Georges Eekhoud, aangetrokken 
door den wilden landelijken eenvoud en door de instinc- 
tieve menschelijkheid van de Antwerpsche Kempen, 
schildert de polderboeren en de wrakken der maat- 
schappij; de Antwerpenaar Ilorace Van Of fel en de 
Limburger Georges Virrès behandelen analoge onder- 
werpen; Eug. Demolder, rechtstreeksche afstammeling 
van het oude VI. schildersgeslacht, ontwijkt de zwaar- 
moedigheid en de eenigszins fatalistische opvatting 
der voorgaande romanschrijvers en verhaalt levendige, 
wulpsche, kleurige avonturen in een opvolging van 
schilderachtige tooneelen; Georges Rodenbach,dichter- 
romanschrijver, vestigt zijn roem met „Bruges la 
Morte” ; Louis Delattre en Maurice Des Ombiaux 
bezingen den Waalschen grond, de eene met bont 
lyrisme en verfijnde gevoelsaan doeningen, de andere 
met gloed en geweld; Alb. Mockel vertelt allegorische 
legenden in een vloeiend en muzikaal proza; Edm. 
Glesener, George Gamir, Hub. Krains, Hub. Stiernet, 
Georges Rency en Léop. Courouble stellen enkel be- 
lang in het volk en in de kleine burgerij, terwijl Henri 
Davignon de gegoede klassen gadeslaat en Henri 
Carton de Wiart historische romans samenstelt. 

De strijd, geleverd door de „Jeune Belgique” en 
door „La Wallonië”, bracht de ontluiking mede van 
lyrische talenten. Georges Rodenbach, 
dichter van de stilte, bezingt de betooverende schoon- 
heid van Brugge. Em. Verhaeren is niet meer de me- 
lancholische bard van Vlaanderen, maar de zanger 
van het bruisende leven en van het menschdom in 
zijn hijgende en heroïsche jacht naar meer licht en 
rechtvaardigheid. De Gentenaren, Ch. Van Lerberghe, 
Grégoire Le Roy en Maur. Maeterlinck zijn symbo- 
listen; Alb. Mockel en André Fontainas behooren tot 
dezelfde school. De Parnassiaansche kunstenaars 
hwan Gilkin, Alb. Giraud en Valère Gille hebben, 
met medewerking van Em. Van Arenbergh, een voor- 
aanstaande rol gespeeld in de beweging van „La Jeune 
Belgique”; hun inspiratie is zeer verscheiden en, ten 
minste bij de eerste drie, meer intellectueel dan sen- 
timenteel. Fern. Severin kenmerkt zich door de diepe 
en de teedere gemoedsaandoeningen, den bevalligcn 
en reinen stijl. Tal van dichters scharen zich rondom 
deze meesters of gaan nieuwe banen op, o.m. Max 
Elskamp, de zanger van het schamele leven, Georges 
Marlow, zangerig Baudelaireaan, Ad. Hardy, die de 
meest verscheiden aspecten van de Ardennen in verzen 
vastlegt. 

De historische studies zijn in hoofdzaak vertegen- 
woordigd door G. Kurth, auteur van „Les Origines de 
la Civilisation moderne” en van de poëtische studie 
„Clovis”, en door Henri Pirenne, schrijver van een 
monumentale „Histoire de Belgique”. 

L i t. : Fr. Nautet, Histoire des lettres beiges d’expres- 
sion fran^aise (Brussel 1875) ; J. Boubée, La littérature 
beige (Brussel 1906) ; J. Chot en R. Dethier, Histoire des 
lettres fran^aises en Belgique (3 dln. Charleroi 1910); 


L. Goemans en L. Demeur, La littérature fran^aise de 
Belgique (Parijs 1922) ; H. Liebrecht en Georges Rency, 
Histoire illustrée de la littérature beige de langue fran- 
$aise (Brussel 2 1931). Ulrix. 

X. De Kunsten in België na 1830. 

Zooals p. dr. Stubbe zeer terecht doet opmerken 
„kan er al even w T einig over een Belgische kunst als 
over een Belgische cultuurgemeenschap gesproken 
worden. Er bestaat geen „Belgische kunst”. Er werd 
tot nog toe in de kunstenaarsgroepeeringen geen onder- 
scheid gemaakt tusschen Walen en Vlamingen, wat 
van een bepaald standpunt uit mogelijk maakt en in 
vele gevallen noodzaakt te spreken, zoo niet (als de 
Officieelen) over een Belgische school (die nooit be- 
staan heeft en niet bestaan kan), dan toch over een 
gemeenschappelijke ontwikkeling binnen de Belgische 
staatsgrenzen van de verschillende modem-Euro- 
peesche kunststijlen: het Klassicisme, het Romantisme, 
het Naturalisme, het Impressionisme, het Expressio- 
nisme. Practisch behooren de meeste schilders van 
waarde tot de Vlaamsche groep, zoodat de geschiedenis 
van de Belgische schilderkunst der vorige eeuw of der 
laatste jaren, in overheerschende mate de geschiedenis 
w r ordt van de Vlaamsche schilderschool” (p. dr. 
Siubbe: Perm ‘ke,blz. 177, Davidsfonds, Leuven 1931). 
De wording der kunsten in de Vlaamsche en Waalsche 
provinciën van België in de 19e eeuw kan men, 
van rond het jaar 1830, als ééne poging zien om, met 
eigen schakeeringen in de plastische vormgeving, te 
komen tot een adequate uitdrukking van een opnieuw 
tot bewustzijn gekomen nationale psyche. Het blijft 
er ver van te denken, dat de kreet der nieuw T e opstandig- 
heid, zooals de Romantiek hem in haar tijd waarnam, 
de deur van het verleden dichtsloeg en de traditioneel 
geworden neigingen eener 18e-eeuwsche weeke sierlijk- 
heid en der indrukwekkende Klassicistische vormen - 
gaafheid zonder meer stil legde. Hij, die getuigenis 
zocht voor Rococo, Louis XVI, Empire en wat er 
meer verwant is, heeft in de 19e eeuw nog ruim zijn 
keus; hier zoo goed als elders. 

Indien A. J. Wauters van den eersten romantischen 
aanstoot eens heeft gezegd: „A Anvers elle prit le 
caractère d’une protestation de 1’art national contre 
1’influence étrangère . . . . ” , dan was dit nog geen 
besluit op een volledige likwddatie. Vooral op het ge- 
bied der bouwkunst, nijverheidskunst (en niet het minst 
der meubelkunst) zullen we de traditie lang moeten 
dulden. De vemiemving vermoedt men aanvankelijk 
meer in bijkomstigheden dan in wezenheid der vormen. 
De muziek ging onmiddellijker een eigen klank geven, 
omdat de subtiele uitdrukking van klank en rhythme 
gevoeliger is voor de psychische beleering dan voor de 
rede. Van de plastische kunsten is de schilderkunst 
de gevoeligste meter van de vlug zich opvolgende 
tijdtrappen, eenerzijds omdat het penseel zich losser 
voelen kan aan den methodischen schooldwang en men 
anderzijds gemakkelijker schilderijen omwisselt dan 
openbare gebouwen als kerken en officieele monu- 
menten, pleinen, straten, ja, stoelen, tafels en binnen- 
huissier van allen aard. Is het niet de tijd der „collec- 
tionneurs” gew T orden? Van schilderijen kan men zich 
veelvuldiger voorzien dan van beeldhouwwerk, meu- 
belkunst en andere, zgn. industriecle, kunstproducten. 
Het schilderij had (het w r as ten tijde van Rembrandt 
reeds het geval) een financieele ruilwaarde, die in de 
speculatie der 19e eeuw bovendien de rol ging spelen 
van een beurseffect. 

Dit neemt niet weg dat, al is de omvorming in de 


453 


België 


454 


schilderkunst het duidelijkst en het meest ondubbel- 
zinnig» dezelfde geest zich openbaart in de andere 
kunsten. Ook zij verraden zelfs in het meest hybridi- 
sche voorkomen de richting van een geest, dié neigt 
naar eigenzijn, en al wordt daaraan in vele gevallen 
tegemoet gekomen met stijlvormen en stijlbijzonder- 
heden uit het verleden, toch is het juist dit bewust 
zich beroepen op dat verleden, wat de kunst illustratief 
maakt voor den tijdsgeest. 

Dit neemt ook niet weg, dat er tusschen de vele 
kunstenaars de gansche eeuw door geesten blijven 
loopen, die het nieuw-zoeken voorbijgaan als een onbe- 
grepen iets, en bouwden, beeldhouwen, en schilderen. . . . 
op het Klassicistisch model. 

Men kan zeggen, dat op dit oogenblik beslist de lijn 
is getrokken en ook bij de openbare meening (althans 
bij die elementen, die te waardeeren weten) de stijlen 
uit het verleden zijn gaan belmoren tot de Geschiedenis 
en het „moderne” er het voorwerp is van vraag en aan- 
bod. 

Rond de dertiger jaren kan men den wekroep der 
Romantiek, óók hier, duidelijk hooren. Terwijl in de 
bouw’kunst en in de nijverheidskunsten de Vlaamsche 
eigenheid zal staan onder de leuze der Gotiek en der 
Ned. Renaissance, zal de plastische kunst zich vooral 
beroepen op Rubens, Van Dijck en Jordaens. 

A) In de eerste plaats de schilderkunst. Men 
gelooft niet meer in van buiten opgelegde wet en 
vormen; het persoonlijke, innerlijke beleven neemt 
zijn eersten aanloop tegen de klassieke formule 
(vooral tegen het Fransche Neo-Klassicisme en zijn 
nasleep) ; de onweerstaanbare drift naar een beroep 
op de heldhaftige lyriek van een nationaal verleden 
wordt sterker dan liet gezag van de gave volmaakt- 
heid van de klassiek -geziene vormenschoonheid; de 
geschiedenis van het eigen volk gaat sterker inspireeren 
dan de góden en de helden der Oudheid; de waarne- 
ming van den levenden mensch en de levende dingen 
gaat het winnen van de geijkte beelden van een geïde- 
aliseerde overlevering. Er zijn daar in de 19e eeuw 
Wappers, De Keyzer, Gallait, De Biefve, De Caisne, 
Wiertz, Ferd. De Braeckeleer, Madou, J. Stallaert, 
Thomas, Pauwels De Groux e.a. Zij hebben ofwal ge- 
zongen met een afgeschroefd heroïsme en gezwellen 
pathos, ofw’el de werkelijkheid omgezet in de melan- 
cholische, ja, langoureuze noot, die den tijd sympa- 
thiek was; toch waren zij getuigen van den nieuwen 
tijdsgeest, die de starheid van het evenwichtige model 
brak, de lijn plooide naar de golvingen eener luidruch- 
tige of sentimcnteele bezieling en oog kreeg voor het 
omringende leven. 

Rechtstreeks beïnvloed door dezen werkelijkheidszin 
staat hier de Neo-Gotieker H. Leys (1816—1869), 
die eenerzijds de traditie der Romantiek voortzet in 
zoover zij haar inspiratie zoekt in het roemrijke ver- 
leden en anderzijds (hier ook geprikkeld door de 
Duitsche Neo-Gotiek) daarvan verschilt in zoover hij 
de rust der Primitieven stelt tegenover de bewogen- 
heid van het Neo-Rubeniaansche rhythme. 

Doch veel sterker dan deze reactie bleek de natura- 
listische vemieuw'ing. Wat de Romantici poogden 
zonder slagen, dat vestigden de Realisten: de bevrij- 
dende breuk met het klassieke verleden. Geheel de ont- 
wikkeling der 19e eeuw wordt mede gevoerd door de 
expansiekracht der Fransche scholen, van het Klassi- 
cisme af tot aan het Expressionisme; evenwel werd die 
invloed het sterktst vanaf het Naturalisme. In deze 
overhelling naar de werkelijkheid was De Groux een 


baanbrekende persoonlijkheid, rond welke in de 19e 
1 eeuw een heele schaar dezelfde wagen gaat: J. Stevens 
Alp. Stevens, Knyff, K. Hermans, L. De Winne, 
Lamorinière, L. Dubois, II. Boulanger, A. Vcrwée, 
Artan, C. Meunier, X. Mellery, F. Rops, Stobbaerts, 
enz. 

Het werd een talrijke schildersgemeenschap, die 
4e kleur zocht boven de lijn, het koloriet der werke- 
lijkheid boven de afgewogen schakeeringen der cliché ’s, 
de plastische tegenstelling boven de berekende over- 
gangen; zij reageerde direct op de eigen waarneming. 
Ook in deze lijn staat H. Leys als de persoon lijkheid, 
die het hoogst gloorde. Rond en na hem komen W. 
Linny, P. Van den Ouderaa, de De Vriendts e.a., doch 
bijzonder H. De Brackeleer, die de verfijning der stof- 
felijke weergave dreef tot een rijke picturaliteit, die 
bevestigd w r erd in een rijke toekomst. 

Het wardt de tijd, waarin te Brussel onder leiding 
van Oct. Maus de „Cercle des XX” en de „Libre 
Esthétique” (tusschen 1884 — 1914), en te Antwerpen 
onder leiding van H. Van de Velde (als schilder debu- 
teerend) de „Onafhankelijken” zouden worden ge- 
sticht (1887). De kleur wint het over gansch de lijn. 
Voor den wazenlijk-modemen artist was het academi- 
sche beeld een legende geworden. Deze kunstenaars 
kijken minachtend terug naar het lawaaierige pathos 
der eerste Romantiekers; hen roert de melancholie niet 
meer dier eerste aandacht voor mensch, dier en land- 
schap; méér dan de vastomlijnde natuur in al haar 
plastische facetten bij hunne onmiddellijke voorgan- 
gers, is hun lief de waarneming van het subtiele licht- 
spel: dat, waarin zij de duizenden deeltjes van hun 
voorwerp plastisch geschakeerd zien. De lijn doemt 
geheel weg in het waas van een onuitputtelijke gamma: 
bij de eenen wardt het een spel, bij de anderen worden 
het symbolen van geestelijke visie, die wijzen naar 
een toekomst van een krachtiger synthetische uit- 
drukking. Wij staan in het Impressionisme rond de 
tachtiger jaren, het einde der eeuwen en de eerste 
decenniën der nieuwe eeuw: de reactie op Romantisme 
en Naturalisme, meer gevoed door Fransche schilders, 
als Monet, Manet, Signac, Seurat e.a. Vermeld mogen 
zijn uit het einde der vorige eeuw en het begin dezer 
eeuw, los naast elkander, zonder te wijzen op de bij- 
zondere kracht van persoonlijkheden als Ensor: Fr. 
Courtens, Baertsoen, Claus, Theo Verstraeten, later 
Edm. Verstraeten, E. Buysse, Gilsoul; Wijtsman, 
Stevens, Van Rysselberghe, Heymans, Jefferys, Aug. 
Donnay, G. Lemmen, Knopf, Gouweloos, Frcderic, 
Laermans, Verhaeren, Evenepoel, R. Baeseleer, Op- 
somer, Delaunois, Oleffe, J. Smits, J. Ensor, G. Van 
de Woestijne, Edg. Tijdgat, De Saedeleer, Hip. Daye, 
Rik Wouters, Servaes enz., die in de grootste diversi- 
teit van zegging tot den impressionistischen rijkdom 
van een specifiek „Vlaamsche” vruchtbaarheid, heb- 
ben bijgedragen met doeken, waarvan er ontelbare be- 
hooren tot blijvend kunstbezit. Velen reiken reeds 
verder, en uit de laatstgenoemden zijn er die, wortelend 
in het Impressionisme, den nieuw r en tijd inluiden van de 
beslist-anti- Klassieke synthese, die het Expressionisme 
is: Gust. De Smet, Fr. Van den Berghe, Fl. Jespers, 
Gust. Van de Woestijne, Servaes, Permeke e.a. zijn 
meesters, die onverdeeld representatief zijn voor herop- 
levende Vlaamsche scheppingskracht en waaronder 
Permeke wellicht in de reeks van de genieën komt. 

B) Al gaat de beeldhouwkunst vermoedelijk 
met een minder rijken stoet, ook zij is dezelfde 
wegen gegaan. Zonder twijfel zijn Geefs, Simonis, 


455 


456 


Fraikin, P. Bouré e.a. uit de eerste periode der ont- 
wakende Romantiek gevangen in den academischen 
greep, alhoewel ook déar een innerlijke stuwing aan de 
weerspannige stof de trad it ion eele sierlijkheid wil 
ontnemen en menig vrij -geboetseerd stuk de Roman- 
tische noot onverholen geeft: ook op dit gebied treden 
we een tijd tegemoet van Realistisch inzicht, waar 
echtheid wordt gezocht in het gegeven der natuur en 
bij enkelen de lust naar ongebonder schepping zich 
openbaart. P. De Vigne, Ch. Van der Stappen, J. 
Dillens, Th. Vin^otte, L. Mignon, G. De Vreese, P. 
Braecke, Devillez, C. Montald, Wolfers, De Lalaing, 
Rombaux, J. Lagae, V. Rousseau en bijzonder J. 
Lambeaux en Levèque zijn de herauten der Vlaamsche 
geestdrift en energie. C. Meunier neemt onder hen 
een zeer bijzondere plaats in als de ontdekker der monu- 
mentale schoonheid in menschen en dingen van den 
harden arbeid. Hij is de nog eenigszins theatrale, doch 
indrukwekkende zanger van het bewustwordende en 
aan de waardeer ing zich opdringende proletariaat. 
Een uitzonderlijk rijke kracht was de jong gestorven 
Rik Wouters, die het leven heeft gevangen in van leven 
trillende vormen, met een spontaniteit, die zijn kunst 
maakt tot een artistieke klaarblijkelijkheid. Doch 
hoogten der artistieke beleving en uitdrukking be- 
reikt de doorzie 1de kunst van Minne. 

Na Minne gaat de weg naar de Expressionistische 
synthese, waar zich naast en na E. Wijnants, Cantré, 
O. Jespers, Aubroek enz. langs vele zijden initiatieven 
laten vermoeden, die wijzen naar de hoogten, waar de 
Belg. schilders vertoeven. 

C) Uit den aard der zaak is do weg der vernieuwing 
naar het eigene, het moeilijkst te volgen in de bou w- 
kunst. Al zal men hier en ginds wijzen op onbetwist- 
bare monumentaliteit zooals een Brusselsch Gerechts- 
hof (1866 — ’83) van Poelaert. toch blijkt de eeuw veel- 
eer geschiedkundig dan esthetisch belangwekkend. De 
traditioneel-Klassicistische, Neo-Renaissancistische, 
Barokdoende en Neo-Gotische gebouwen vormen, van 
aesthetisch standpunt beschouwd, veeleer een chao- 
tisch beeld. Onder de vele namen, die aan verscheidene 
stijlmanieren, ’t zij aan elk in het bijzonder, ’t zij aan 
alle tegelijk zijn verbonden, mogen hier vermeld zijn: 
J. De Bethune (abdij Maredsous 1872 — ’88, kasteel 
Lophem), Van Overstraeten (Stc. Marie te Schaerbeek 
1845), J. Coppens (Noordstatie te Brussel 1840); Cluy- 
seneer (Galerie St. Hubert 1843); Poelaert (zie boven), 
Beyaert (Nation. Bank Brussel 1830), Trappeniers 
(Universiteit Brussel 1863), J. Van Ysendijck (Raads- 
huis Schaerbeek 1885), J. Baes (Vlaamsche Schouw- 
burg Brussel), Blomme (Raadhuis Borgerhout 1889); 
Delascenserie (Middenstatie Antwerpen); Helleputte 
(Leo XIII Instituut Leuven); J. Schadde; Van Aver- 
beeck; Vaerwijck; Coomans, Cloquet, Jamai; Suys en 
Van Dijck. 

De Neo-Renaissancistische (o.m. Van Ysendijck, 
Blomme, Beyaert) en de Neo-Gotische proeven (o.m. 
De Bethune, Helleputte, Delacenserie) zijn, ook al 
kunnen zij onze aesthetische aandacht niet meer gaande 
houden, toch niet zonder historisch belang. Beide 
neigingen getuigden, althans in zoover, van het herleef- 
de nationale bewustzijn, dat zij deden grijpen naar 
Nationale vormen en uit liefde voor echtheid en 
degelijkheid den rug keerden naar het Klassicistisch 
cliché, om in de leer te gaan bij de monumenten uit 
een ver verleden, die getuigden van het degelijk am- 
bacht en den eerbied voor de expressieve eigenschap- 
pen van eigen bouwstof. Op dit stuk was men in B. 


één met geheel het Germaansche Europa van dat tijd- 
vak. De stelselmatige opleiding van een nieuw ge- 
slacht van nationale bouwkundigen en ontwerpers 
voor nijverheidskunst werd (door J. De Bethune en 
broeder De Mares) gegrondvest op de programmaleer 
der St. Lucasschool, die in deze periode w^erd gesticht. 
Deze school, die heden ook de moderne richting uit- 
gaat, is de bewaarster van het toenmalige nationaal 
charter der vernieuwing en de pionierster voor het 
herstel der Christelijke kunst. Dat zij wel eens met den 
„geest” van het nationaal verleden ook het „beeld 
uit dat verleden als „het” model van heden en toekomst 
heeft voorgelegd, is de oorzaak geweest, dat in den 
modernen opgang de critiek haar niet spaarde en wel 
eens de omstandigheden vergat, waarin zij ontstond. 

Want dit alles was, evenals in andere Germaansche 
landen, slechts een worstelen tot een beslissend oogen- 
blik, w’aar de lang ontwaakte geest, door de nationaal- 
historische vormen heen, zich tooien zou met een 
wezen lijk -nieuwen modernen vorm. Dat is het einde 
der eeuw. Op grond van werkelijkheidszin zal hier 
schoonheid werden gezocht in doelmatige vormen, die 
zich aanpassen bij het gebruik. De uit werkelijke 
noodzaak ontsproten redelijke vorm zal zegevieren 
over de vrije vormen -verbeeld ing en over de sier. 
Vormen-a-priori worden uit het vocabularium verban- 
nen. Het w r ordt een wedijver in het ontwerpen van doel- 
bewuste interieurs en daaruit groeiende w’oningvormen. 

De banen worden gebroken, vooral door het drietal 
Horta (Gent), Hankar (Luik) en H. Van de Velde 
(Antwerpen). Vooral zal H. Van de \elde de paeda- 
goog en de apostel zijn. Uit Vlaanderen weggeroepen 
naar Duitschland, alw’aar hij de ziel werd der vernieu- 
wing, is hij aldaar gezaghebber geworden ook voor zijn 
eigen land, zoodat hij op dit oogenblik in \laandcren 
bouwt in het genot van de volledige erkenning van 
zijn leiderschap. Intusschen wint de doorgedreven 
zakelijkheid het meer en meer van de decoratieve 
noot, die de eeuw r en door als een natuurlijke klank 
bleef klinken. Onder de modernen: Acke, Pompe, 
Leurs e.a. zijn het vooral wellicht Huib. Hoste en 
Bourgeois, van wie dit geldt. 

I>) Een met de omringende kunsten, doch het 
duidelijkst in verband met de bouwkunst, is het ver- 
loop gew T eest der nijverheidskunst over het alge- 
meen. De Fransche koningsstijlvormen tot en met het 
Klassicisme leven de gansche 19e eeuw door in meubel 
en sier. Doch intusschen wrordt ook hier, op grond van 
nationale pretenties, bewust teruggegrepen naar Neo- 
Gotische, Neo-Renaissancistische en niet het minst 
naar Neo -Barok vormen. Terwijl de academie haar leer 
gevestigd hield op de Klassieke gedachte, verkondig- 
den scholen, als S. Lucas, naast de Christelijke kunst- 
beginselen, de nationale leer op grond der Nederland- 
sche stijlvormen uit het verleden. 

De wezenlijke doorbraak, de wezenlijke nieuwe 
vorm ontstaat hier evenals in de bouwkunst, op het 
einde der eeuw met Horta, Hankar, Serruricr en Van 
deVelde. Zij allen, uitgaande van de gebruiksgedachte, 
bouw T envan binnen naar buiten en voelen de nood- 
zaak om, met het oog op de orde en de hiërarchie in de 
bouwbestanddeelen, ook de ontwerpen te scheppen 
voor meubel en sier. In dit opzicht is H. Van de Velde 
weer een der veelzijdigste kunstenaars geweest, die 
zijn scheppende verbeelding getoetst heeft aan elk 
gebruiksvoorwerp, aan alle toebehoorselen van het 
practische leven, aan elk onderdeel van zgn. aange- 
paste kunst. 


457 


België 


458 


Als besluit zouden we kunnen toevoegen, dat alle 
kunsten eensgezind den weg zijn gegaan der nationale 
herleving tot op de hoogte van het medezeggenschap 
in het moderne Europa. Ook de muziek. Mét de schil- 
derkunst immers heeft zij het felst de scheppende 
fantasie geïllustreerd met literatuur, die blijven zal. 

v. d. Mueren. 

Voor nieuwere kunst zoeke men ook bij > Vlaam- 
sche en > Waalsche kunst, en voor oudere kunst 
onder > Nederlandsche kunst. 

F.) De Muziek sedert 1830. 

Muziekonderwijs. Voor 1830 bestond 
slechts één muziekschool' van eenig belang: Brussel 
(1813), met als bestuurder K. L. J. Hanssens (1777 — 
1852), die in 1830 vervangen werd door F. Fétis 
(1784 — 1871). De school werd Conservatorium in 
1832. Andere conservatoria kwamen tot stand te 
Gent, Luik en Antwerpen, muziekacademiën te 
Brugge, Mechelen, Leuven, Namen, Charleroi, Bergen, 
Verviers, alsook talrijke muziekscholen in de meeste 
steden van eenig belang. 

Componisten. De opvolgers van Fétis te 
Brussel waren A. Gevaert, E. Tinei, L. Dubois en 
J. Jongen. Tot de Brusselsche invloedssfeer behooren: 
G. Iluberti, P. Gilson, A. De Boeck, W. De Mol. 

Vlaamsche componisten vóór 1870: Hanssens vader 
en zoon, Joz. Mengal, Alb. Grisar, K. Miry, enz. 

Na 1870: de vier eerste bestuurders van het Kon. VI. 
Conservatorium te Antwerpen: Peter Benoit, J. Blockx. 
Em. Wambach, L. Mortelmans; verder Fr. Van der 
Stucken, E. Keurvels, J. Schrey, Fl. Alpaerts, E. Ver- 
heyden, J. Van Hoof, K. Candael, L. De Vocht, 

E. Brengier, allen van de Antwerpsche school. Te 
Gent: Mengal, Ad. Samuël, Em. Mathieu en M. Luns- 
sens. In de Gentsche kunstsfeer behooren o.m. J. Van 
den Eeden, Fl. Van Duyse, II. Waelput, K. Mestdagh, 
P. Lebrun, O. Roels, J. Van der Meulen, Fr. Uytten- 
hoven, Em. Hullebroeck, R. Herberigs. Een afzonder- 
lijke en voorname plaats bekleeden: J. Rye landt, 
A. Meulemans, M. Schoemaker. Zie verder > Vlaam- 
sche componisten (nieuwere). 

Veel minder talrijk zijn de Waalsche componisten, 
welke ook niet moeten beschouwd worden als behoorend 
tot een afzonderlijke school. Zij staan meestal onder 
den invloed van Franck en van de Parijsche Schola 
Cantorum. Te vermelden zijn: Th. Radoux, S. Dupuis, 

F. Rasse, alle drie bestuurders van het Luiksch Con- 
servatorium; E. Raway, N. Daneau, G. Lekeu, Jos. 
Jongen, V. Vreuls, Alb. Dupuis, A. Marsick, Ch. Ra- 
doux, L. Delune, L. Jongen, R. Barbier, F. Quinet, 
A. Souris. Zie verder -> Waalsche componisten 
(nieuwere). 

Virtuozen: H. Vieuxtemps, E. Ysaye, 

C. Thomson, violisten; A. Van Dooren, A. De Greef, 
pianisten; J. Lemmens, A. Mailly, organisten. 

Kerkelijke muziekkunst. Een bijzon- 
der groote invioed op het gebied der kerkelijke muziek- 
kunst gaat uit van de Bisschoppelijke Kerkmuziek- 
school (Lem mensgesticht) te Mechelen, vroeger 
bestuurd door J. Lemraens, E. Tinei en Al. Desmedt, 
thans onder leiding van kan. J. Van Nuffel. Zijn te 
vermelden de componisten van godsdienstige muziek: 
kan. Van Damme, O. Depuydt, Aloïs en Alf. Desmedt. 

O. Van Durme, L. Dethier. de drie gebroeders Mawet, 
kan. Joachim, A. Moortgat, St. Nees, Fl. Peeters. 

P. Plum O.S.B., Dom Kreps O.S.B., P. Didacus 
Van Geyseghem, kan. F. Verhelst, A. Verhoeven, enz. 
Zie verder > Kerkmuziek (nieuwere Belgische). 


Koren. Groote mannenkoren bloeien vooral in 
het Waalsche gedeelte van het land: te Luik: de 
„Legia”, de „Disciples de Gretry”, te Namen: „Les 
Bardes de la Meuse”. De collectieve zangkunst wordt 
minder beoefend in het Vlaamsche land. Bijzondere 
vermelding verdient echter het gemengd „Caecilia- 
koor” te Antwerpen. Uitstekende kerkkoren zijn die 
van St. Rombouts te Mechelen, van O. L. Vrouw te 
Antwerpen, van St. Bavo te Gent en van de kathe- 
draal van Doornik. 

Concertwezen. Bloeit vooral in de groote 
steden: de conservatoria hebben meestal een eigen 
concertinrichting, welke jaarlijks eenige groote 
symphonische concerten verzorgt. Te Brussel arbeiden 
daarenboven: de „Société Philharmonique”, de 

Defauwconcerten, de Geestelijke concerten, alsook de 
instelling der Brusselsche Schola Cantorum, welke 
vulgariseerend optreedt door gansch het land, vooral 
met 16e-eeuwsche koorwerken (bestuurder E. Van de 
Velde); te Antwerpen: de Dieren tuinconcerten, het 
Peter Benoitfonds, en de Mij. der Nieuwe Concerten 
(leider L. De Vocht). 

Te Brussel wordt de muzikale bedrijvigheid vooral 
geconcentreerd in het Paleis voor Schoone Kun te i en 
in de conservatoriumzaal. Gedurende het zomerseizoen 
worden zeer bezochte concerten gegeven in de kursaal 
van Ostende en in de casino’s van Knocke a/Z en Spa. 

Lyrisch Tooncel. Het lyrisch tooneel 
wordt beoefend in den Muntschouwburg te Brussel 
en in de Kon. VI. Opera te Antwerpen. Ook te Gent en 
te Luik worden min of meer regelmatig Fransche 
opera vertoon ingen gegeven. 

Beiaard. Het beiaardspel wordt na lange 
jaren verwaarloozing thans weder in eer hersteld. Er 
bestaat een beiaardschool te Mechelen (bestuurder: 
J. Denijn). Bekende beiaarden o.m. te Mechelen, 
Antwerpen, Brugge, Gent, Oudenaarde, Turnhout, 
St. Niklaas, Leuven, Nijvel, Bergen, Luik. 

Befaamde orkestleiders: Jos. 

Dupont, S. Dupuis, Fr. Rasse, Toussaint De Sutter, 
Desiré Defauw, Karei Candael, Lod. De Vocht, 
Fl. Alpaerts. 

Musicologie, musea, enz. Belangrijk 
werk in het domein der musicologie leverden: E. Van 
der Straeten, L. de Burbure, Van Maldeghem, Fétis, 
Gevaert, A. Wotquenne, Ch. Van den Borren, FL Van 
der Mueren, enz. 

Het conservatorium te Brussel bezit, benevens een 
tamelijk rijke bibliotheek, ook een zeer uitgebreid 
museum van oude muziekinstrumenten (conservator: 
E. Closscn). E. V. d Velde . 

F) De IheaterkunRl in B. lijkt een hoofd met drie 
gezichten. 1° Het F ranse h - Belgische 
was steeds naar Frankrijk gekeerd. Van Ed. Smits, 
„Créateur de 1’art dramatique en Belgique”, af, via 
het historisch drama 1835— ’80 (Ed. Wacken) tot en 
met het moderne ideeëntheater (Edm. Picard), de 
zedenschets (Fonson-Wicheler), de boulevard -comedie 
(Fr. de Croisset) en de molièreske klucht (F. Cromme- 
lijnck), ging het Fr.-Belg. theater haast uitsluitend 
te Parijs om voorlichting. De modernist M. de Glielde- 
rode stak er zijn licht niet op en moest langs vertalin- 
gen zijn publiek in VI. zoeken. Aan de Zuid-oriëntee- 
ring dankt het Fr.-Belg. theater zijn Europeesche 
allures. Het heeft B. een internationalen tooncel- 
auteur bezorgd, M. Maeterlinck, karakteristiek ver- 
tegenwoordiger van het muzikaal, symbolisch tooneel 
van het einde der 19e eeuw. 


459 


België 


460 


2° Het Waahche stond er van meet af aan 
op eigen wezenstrekken te hebben „et de cónserver 
dans Tart 1’esprit de chez nous, 1’esprit de terroir”. 
Een galerij van Waalsche, romantisch gekleurde, 
zedelijk onberispelijke interieurs, zonder merkbare 
evolutie. Hier tegen reageert heden de vooraan- 
staande dramatist H. Hurard met psycho-analytische 
tooneelstudies è la Bernstein. 

3° Een echt Vlaamsch tooneel bestond van 
1830 tot ca. 1880 niet, wél een naar het Fransch 
„vervlaamscht”. Meest hol, karakterloos en gebrekkig 
bewoorde, mede ontooneelmatig gebouwde stukken, 
incluis die van den voorlooper van artistiek bewuster 
tooneelschepping, den romantischen realist N. DeTière, 
den dramatischen opzet van diens werken niet te 
na gesproken. Pas in de 20e eeuw wordt, na een paar 
litteraire, lyrische proeven aan het einde van de 19e 
eeuw (Rodenbach’s Gudrun en Hegenscheidt’s Star- 
kadd), in versneld tempo de achterstand ingehaald. 
Keek VI. in de eerste decenniën van België’s onaf- 
hankelijkheid meer naar Frankrijk en in de laatste 
jaren der 19e eeuw weer naar Duitschland, nu gaat het 
aanvankelijk in Holland ter schole. Het leert een 
soepelen en keurigen dialoog schrijven, waagt zich 
aan de tranche de vie, spiegel van het modern leven, 
het intiem huiselijke en het maatschappelijke: cynisch- 
amoreel (E. W. Schmidt), sociaal-materialistisch 
(C. Buysse), sociaal-ideologisch en religieus-idealis- 
tisch (D. van Sina). Het specialiseert zich in het ver- 
fijnde handiger gebouwde oude behaagzieke episode- 
spel (J. Ballings). Geestdriftig doet het mee met het 
Russisch-Duitsch experiment op stuk van synthetisch- 
expressionistische gemeenschapskunst (baanbreker 
H. Teirlinck), met dubbel contactpunt: het religieuze 
(pater J. Boon), het VI. Nationale (Ant. Van de Velde). 
Een specifiek dramatisch-tooneelkundig schrijver 
vermocht B. intusschen nog niet te schenken; wel een 
tooneelleider, grondlegger van zijn hoogere theater- 
kunst, herschepper van den Kon. drakenburg te 
Antwerpen tot een kunsttempel met homogenen 
speeltroep, den eersten van het land, evenknie van 
huidige uitheemsche officieele troepen (dr. Osc. de 
Gruyter); en een reizend gezelschap (Het VI. Volks- 
tooneel, regie J. De Meester Jr. 1924— ’30), mede- 
kampioen om de autonomie van het theater, gezant 
van artistiek België in den vreemde, prikkel en leider 
van een alhier nooit gekende tooneelherleving, vooral 
van het (Katholiek ) dilettantentoonccl. 

Van het theaterkundig België blijkt de VI. facette 
over de voorbije honderd jaar de verdienstelijkste 
en merkwaardigste. Het Fr. -Belg. theater groeide, 
met zijn vrij ontwikkeld publiek, normaal op naar 
het grillige rhythme van den tijd (centrum Brussel; 
hoogte punt: Th. Du Marais, regie Delacre 1925). 
Het W. (centrum Luik) bleef uit hoofde van zijn be- 
houdsgezindheid daaromtrent zijn vroeger uitzicht 
vertoonen. Zijn publiek (arbeiders en middenstand) 
heeft in de tooneelzaal weinig geleerd, het is heden 
even bon -enfant als voorheen, onvoorwaardelijk 
dankbaar en geestdriftig gestemd vóór elke „ Waal- 
sche’' prestatie. Zijn acteurs, hoofdzakelijk aangewezen 
of gelijkaardenüe en oppervlakkige producten, werk- 
ten zich op tot voortreffelijke mimen. 

Het VI. theater heeft over hinderpalen van politie- 
ken, godsdienstigen, taalkundigen en cultureelen aard 
heen den mocilijksten tocht afgelegd. Dat het heden 
door andere kunsttakken wordt verdrongen, maakt 
zijn bewezen diensten niet ongedaan. Nog gaat het 


VI. publiek naar een vertooning als naar een familie- 
feest, het neemt zich echter in acht. De opvoering 
heeft niet meer plaats in de gelagkamer van een 
herberg, maar in een vaak doelmatig ingcrichte 
tooneelzaal en het publiek voelt, dat „noten kraken , 
te pas en te onpas lachen en huilen er niet meer bij 
hooren. Nog houdt het van een hartroerend gebeuren, 
maar het onderscheidt reeds valsch pathos van oprechte 
bezieling. Het oudere succesprocédé: lawaaierig uit- 
galmen en wild gesticuleeren neemt het niet langer 
ernstig op; het heeft leeren bewonderen het lenig 
en expressief maar beheerscht mimisch spel van 
getrainde acteurs, hun geoefende stem en verzorgde 
dictie; en het beluistert met toenemende fierheid hun 
mooie, beschaafde uitspraak van de geliefde moeder- 
taal. Godelaine. 

XI. Onderwijs in België. 

A) Onderwijs van den lageren graad. 1° Eigenlijk 
lager onderwijs, a) Lagere scholen. De kinde- 
ren komen er binnen van af 6 jaar en maken er 8 school- 
jaren door. De ouders mogen hun kinderen laten onder- 
wijzen in een openbare of bijzondere lagere of middel- 
bare school of aan huis. Er moet in principe minstens 
een gemeenteschool bestaan in elke gemeente; de 
gemeenten kunnen evenwel van deze verplichting 
ontslagen worden door een of metr bijzondere scholen 
aan te nemen (aangenomen scholen). Door de aan- 
neming vallen de bezoldiging van het onderwijzend 
personeel alsook de onkosten der schoolbehoeften ten 
laste van de openbare besturen. Benevens boven- 
genoemde scholen bestaan er nog aanneembare scholen, 
die onafhankelijk zijn van het gemeentebestuur en 
rechtstreeks door het rijk gesubsidieerd worden. Verder 
heeft men nog gansch vrije inrichtingen, die aan geen 
staatstoezicht onderworpen zijn. Bijna al de aange- 
nomen, aanneembare en vrije scholen zijn door Katho- 
liek initiatief opgericht en beheerd. 

Er waren in 1930: 946 752 schoolplichtige leer- 
lingen (11.), waarvan 846 560 onder staatstoezicht 
(dus ca. 100 000 vrije 11.). Gemeentescholen 5 123; 
onderwijzers(essen) 17 796; 11. 446 189. Aangen. sch. 
2 040; ond. 9 030; 11. 269 656. Aanneemb. sch. 1 341; 
ond. 5 977; 11. 155 327. 

In Vlaanderen zijn de aangenomen scholen talrijker 
dan de gemeentelijke. De gemeentelijke zijn meeren - 
deels uit jongens samengesteld; de andere tellen een 
overwegend deel meisjes. Van de 8 452 scholen zijn 
er 8 210, die godsdienst geven en van de 835 347 leer- 
lingen volgen er 750 629 de godsdienstlessen. Dit 
onderwijs wordt geïnspecteerd door bisschoppelijke 
opzieners, die door het rijk bezoldigd zijn. De profane 
vakken staan onder toezicht van kantonale en van 
hoofdinspecteurs. Deze leiden de bestuurlijke en ge- 
meentelijke conferentiën, terwijl die van het vrij onder- 
wijs door de diocesane inspecteurs voorgezeten worden. 
De leerlingen van het achtste jaar kunnen deelnemen 
aan het examen van den vierden graad. 

b) B e w a a r s c h o 1 e n. Zij hebben kinderen 
van 3 tot 6 jaar en geven zintuigelijke opvoeding en 
voorbereiding tot de lagere school. De onderwijzeressen 
moeten een speciaal diploma hebben. Gemeentel, 
bewaarsch. 1 424; 11. 76 940. Aangen. b. 1 272; 
11. 99 103. Aanneemb. b. 1 232; 11. 72 893. 

Onder de 3 543 bewaarsch. zijn er 3 901 gemengde 
voor jongens en meisjes. De Belg. bewaarscholen 
staan op een zeer hoog peil door hun adaptatie aan de 
moderne leerwijzen als die van Montessori en Decroly. 

c) Scholen voor volwassenen. Zij 


461 


België 


462 


zijn bestemd voor al degenen, die hun kennis van de 
lagere school wenschen te onderhouden. Hun aantal 
is zeer afgenomen, vooral sinds het lager onderwijs 
hier zulken vooruitgang gemaakt heeft. Gemeentelijk: 
1161 scholen; 11. 28 914. Aangen. 55; 11. 3171. 
Aanneemb. 233; 11. 8 884. 

d) Uitgaven. De onderwijzers en onderwijze- 
ressen hebben een basisjaanvedde van 13 000 tot 
26 000 frs. klimmende door geleidelijke verhoogingen. 
De kloosterlingen krijgen de helft. In 1929 kregen: 
de gemeentescholen: 477 178 933 frs., de aangen. 
scholen 168 570 830 frs., de aanneemb. sch. 
113 463 631 frs., de bewaarscholen 96 084 511 frs. 
'I otale onkosten voor het lager onderwijs: 909 351 031 
frs. Daarvan w r erd door de gemeenten betaald 226 
millioen, door de provincies 12 millioen, door het rijk 
671 millioen francs. 

e) Fonds van de meestbegaafden. 
Gemeenten met minstens 20 000 zielen zijn gemachtigd 
om gemeentelijke fondsen van meestbegaafden in te 
richten; de andere gemeenten zijn aangesloten aan 
arrondissementsbonden. Die fondsen hebben als doel 
aan bijzonder begaafde en minvermogende kinderen 
de middelen te verschaffen om na de lagere school hun 
studies voort te zetten. De beursaanvragen worden 
onderzocht door een sch iftings commissie. In 1930 
werden verleend: voor normaal onderwijs 1 020 beur- 
zen met 1 322 147 frs., voor middelb. normaalsch. 78 
beurzen met 122 475 frs., voor middelb. lageren graad 
931 beurzen met 805 797 frs., voor middelb. hoogeren 
graad 657 beurzen met 1 832 805 frs. Op de 4 545 
beurzen waren er 2 602 voor bijzondere scholen en 
1 943 voor openbare scholen. 

2° Lagere cursussen in het middelbaar onderwijs. 
Waar het noodig blijkt, bezitten de middelbare scholen 
een voorbereidende lagere afdeel ing. Aantal 11.: 
jongens 14 384; meisjes 7 198. Totaal 21 582. 

3° Nnrmaalonderwijs. Het normaalonderwijs omvat 
inrichtingen, belast met de opleiding: a) der onder- 
wijzers en onderwijzeressen (lager normaalonderwijs) ; 
b) der geaggregeerde leeraren van het middelbaar 
onderwijs van den lageren graad (middelbaar normaal- 
onderwijs). 

De lagere normaalstudiën omvatten één jaar voor- 
bereidend en vier normaaljaren. Het derde jaar 
staat ongeveer op de hoogte van het laatste jaar 
atheneumonderwijs, doch Latijn en Grieksch zijn ver- 
vangen door technische schoolvorming, die grooten- 
deels uit practijk in de oefenschool bestaat. Voor elk 
der bijzondere vakken is er een geëigend staats- 
opziener aangeduid. Men onderscheidt: 

a) Rijksnormaalscholen: voor jongens 9 met 521 11., 
voor meisjes 7 met 644 11. 

b) Gemeentelijke: voor jongens 3, voor meisjes 4. 

c) Private: voor jongens 17, voor meisjes 36. 

De onder b) en c) genoemde scholen in totaal met 
•2 587 mannel. 11. en 4 288 vr. 11. 

Salaris leeraar aan de rijksnormaalsch. van 21 000 
tot 47 000 frs. ; leeraar aan de aangenomen normaalsch. 
salaris van gewoon onderwijzer. 

Om normaalschoolleeraar te w r orden, moet men aan 
de volgende voorwaarden voldoen: acte regent, of 
een universitaire titel van candidatuur of doctor of 
licentiaat in opvoedkunde, of diploma hoogere stu- 
diën in opvoedkunde. Daarbij moet men nog een spe- 
ciaal examen voor normaalschoolleeraar afleggen. 
Voor de speciale vakken voldoet de laatste acte. 

Do middelbare normaalscholen 


bevatten 3 studiejaren (w r aarvan één voorbereidend), 
die aansluiten aan de humaniteiten en aan de normaal- 
scholen; zij hebben een wetenschappelijke, een Ger- 
maansche en een letterkundige sectie. De leerlingen 
leggen hun examen af voor een bijzondere jury, 
w r aarin de rijksafgevaardigden een groot aandeel 
hebben. 

Sedert enkele jaren bestaan er ook Hoogere insti- 
tuten voor Opvoedkunde aan de universiteit te Leuven, 
Gent en Luik en vrije Katholieke Hoogere Instituten 
van dr. De Hovre te Gent, Brussel, Antwerpen. Deze 
laatste mogen geen academische graden meer geven, 
maar wel wettelijke diploma’s van hoogere studiën 
in de opvoedkunde. 

B) Middelbaar onderwijs. Dit omvat twee graden: 
a) den hoogeren graad in de koninklijke 
atheneums, de atheneumafdeelingen verbonden aan 
sommige rijksmiddelbare scholen, de gemeentelijke, 
de gepatroneerde, de vrije, de provinciale colleges en 
de lycea voor meisjes. Daaronder zijn er met oude 
humaniteiten en andere met moderne humaniteiten 
met 6 jaar studie. 

Oude humaniteiten der Kath. vrije colleges in 1391: 
15 998 jongens, 1 146 meisjes. 

Moderne humaniteiten: 8 115 jongens, 867 meisjes. 

Rijksgestichten: 11 699 leerlingen. 

Zooals uit de cijfers blijkt, is het hooger middel- 
baar onderwijs hoofdzakelijk in handen van Katho- 
lieken. 

b) Den lageren graad in de rijksmiddelbare 
scholen, gemeentelijke, gepatroneerde en vrije middel- 
bare scholen. 

Kath. middelb. onderwijs in 1932 aangesloten aan 
federatie. Jongens voorber. 17 216; zevende 5 167; 
oude hum. 15 998; mod. hum. 8 115. Meisjes voorber. 
2 346; zevende 271; oude hum. 1 146; mod. hum. 867. 
Jongens handelsafd. 1 619; landb. 409; bijz. curs. 254; 
andere secties 213. Meisjes handelsafd. 121; landb. 87; 
andere secties 198. Totaal jongens 49 012, meisjes 
5 916. 

C) Hooger onderwijs. Er bestaan twee Rijks- 
universiteiten: Gent, Luik; twee vrije universiteiten: 
Brussel, Leuven (Kath.). De wet van 5 Juli 1920 gaf 
aan beide laatste de rechtspersoonlijkheid en de wet 
van 31 Juli 1923 heeft het gebruik van de talen aan 
de universiteit te Gent geregeld (vervlaamsching). 
Sindsdien heeft Leuven ook geleidelijk zijn cursussen 
in het Nederlandsch ontdubbeld. 

Gent (1930) 1 690 studenten; Luik 2 469 st. ; Brussel 
2 242 st.; Leuven 3 963 st. Totaal 10 364, waaronder 
2 423 vreemde en 1 098 vrouwelijke studenten. 

Daarbij geven ook hooger onderwijs: 

Instituut St. Louis, Brussel (Wijsbegeerte en lett.): 
208 st.; N. Dame de la Paix, Namen, 204 st.; Hoogere 
handelsscholen en H. techn. scholen 5 524 st. ; Veeartse- 
nijschool 98 st.; Koloniale Hoogeschool 66 st.; Staats- 
landbouwdioogesehool 162 st.; Militaire school 284 st.; 
Krijgsschool 53. 

De volgende graden kunnen worden verleend door 
de vier universiteiten: 

1° van licentiaat of geaggregeerde van het middel- 
baar onderwijs van den hoogeren graad voor geschiede- 
nis, philologie, scheikunde, wdskunde of natuurweten- 
schappen (4 jaar); 2° van doctor in de rechten (5 jaar); 
3° van licentiaat in het notariaat (4 j.); 4° van doctor 
in de genees-, heel- en verloskunde (7 j.); 5° van licen- 
tiaat. in de tandheelk. w r etensch. (5 j.); 6° van apothe- 
ker (5 j.); 7° van burgerlijk ingenieur (5 j.). 


463 


België 


464 


Voor een betrekking bij het hooger onderwijs van 
den staat wordt vereischt de graad van: 8° doctor in 
de letteren en wijsbegeerte of 9° doctor in de weten- 
schappen (beide een jaar na het licentiaat); 10° geaggre- 
geerde van het hooger onderwijs (twee jaar na het doc- 
toraat of na de studie voor apotheker, ingenieur, 
licentiaat in het notariaat of de tandheelkundige 
wetenschappen). 

De universiteiten kunnen ook zgn. wetenschappe- 
lijke diploma’s uitreiken, die geen wettelijk omschre- 
ven gevols: hebben, maar feitelijk hun bezitter in een 
bevoorrechte positie brengen. Zoo inzake handels- 
wetenschappen, economie, kunstgeschiedenis enz. : 
bovendien kunnen diploma’s, die met de wettelijke 
overeenstemmen, als bekwaamheidsbewijzen uitgereikt 
worden, inzonderheid aan vreemdelingen. 

Philosophisch en theologisch 
onderwijs wordt, behalve aan de universitciten, ook 
gegeven aan de seminaries en aan de opleidingsinsti- 
tuten der religieuze orden en congregaties, liet aarts- 
bisdom Mechelen heeft zijn klein- en groot-seminarie 
te Mechelen; het bisdom Brugge zijn klein-seminarie 
te Rooselare, zijn groot-seminarie te Brugge: het 
bisdom Gent zijn klein-seminarie te St. Niklaas, 
zijn groot-seminarie te Gent, het bisdom Doornik zijn 
kie in -seminar ie te Bonne-Espi'rance, zijn groot- 
seminarie te Doornik, het bisdom Luik zijn klein- 
seminarie te St. Truiden, zijn groot-seminarie te Luik, 
het bisdom Namen zijn klein-seminarie te Floreffe, 
zijn groot-seminarie te Namen. 

Aan de vier universiteiten werden uitgereikt de 
diploma's van: 

doctor geneesk. 233; dr. rechten 229; candidaat- 
notaris 72; dr. wijsb. en lett. 73; dr. wis- en natuurk. 
30 ; dr. natuurwotensch. 30 ; apotheker 74 ; ingen. 
burger!, mijnb. 84: ingen. burg. bouwk. 24. Totaal 849. 

I)) Speciaal onderwijs. V Vak-, handels- en 
nijverheidsonderwijs. Er bestaat tot hiertoe nog geen 
wet op het vak- en nijverheidsonderwijs. Alle initiatief 
is overgelaten aan provincie- en gemeentebesturen en 
aan de particulieren. De staat verschaft geldelijke 
hulp en raad. Men is nochtans bezig een wettelijk 
statuut op te maken. 

Het hooger handels- en nijverheidsonderwijs w’ordt 
gegeven o.a. in: de Mijnbouwschool en Polytechnische 
faculteit te Bergen, de Brouwerij- en Stokerijschool te 
Gent, de Iloogcre Weefschool te Verviers, de Hoogcre 
Handelscholen te Antwerpen, Gent, Brussel, Luik, 
Leuven, Bergen. MarlanwM lz. Daarenboven heeft men 
nog technische en handelsscholen, verbonden aan de 
universiteiten. 

Het vakonderwijs in de zeevaart wordt gegeven in de 
Rijkszeevaartscholen te Ostende en te Antwerpen. 
Hooger onderwijs: 24 scholen, 539 leeraren, 5 714 11. 
Handelsonderwijs: 72 sch., 600 leeraren. 16 680 11. 
Nijverheidsonderwijs: 143 scholen, 1 763 leeraren, 
28 938 11. 

Vakonderwijs: 591 sch., 4 746 leeraren 69 241 11. 
Teekenonderwijs: 88 sch., 372 leeraren, 6 615 11. 
Huishoudondcrwijs: 245 sch.. 599 leeraren, 8 896 11. 
Tezamen: 1 163 scholen, 8619 leeraren, 138 622 11.. 
waaronder 49 973 meisjes. 

Onder de 1 163 inrichtingen zijn er 763 bijzondere, 
met 86 041 leerlingen. De openbare hebben 400 inrich- 
tingen met 62 681 leerlingen. 

Subsidiën: staat: 52 350000 frs. (52,3%), provincies: 
32 115 000 frs. (32,1%), gemeenten: 15 665 000 frs. 
(15,C%). 


Er w erd 66 000 000 frs. verleend aan de bijzondere 
inrichtingen en 35 000 000 frs. aan de openbare. 

a) Hooger vakonderwijs. De h o o g e r e 
handelsscholen bereiden de jongelingen na 
volledige middelb. studiën voor tot de leidende 
ambten in nijverheid, handel en bankwezen en tot 
consulaire en koloniale loopbanen. 

De kunstnijverheidsscholen vormen 
bedrijfsleiders, diensthoofden. Na 3 — 4 jaar bekomen 
zij het diploma van technisch adviseur (bruggenbouw, 
getimmerten, spoorwagens, motors, electr. materiaal, 
enz.). # , , 

Hoogere nijverheidsscholen vor- 
men geschoold personeel, waaruit wcrkopzichters, 
werkleiders, hoofdmouteerders, bureelhootden. enz. 
zullen genomen worden. 3 — 4 studiejaren (fabrieks- 
nijverheid, burgerlijke gehouwen, ijzerindustrie, 
scheepsbouw, weefnijverheid). 

Hoogere bouwkundige scholen 
vormen bouwkundige technici. 

b) Hel handelsonderwijs. Behalve de hoogere 
handelsscholen bestaan er handelsberoepsscholen en 
leergangen van handelswetenschappen en van taal- 
kennis: vorming tot steno-typist, boekhouder, corres- 
pondent in vreemde talen, handelsvertegenwoordiger. 
Er zijn drie graden: aanvankelijke, middelbare en 
hoogere graad, elk met twee jaar studie. 

c*) Het nijverheidsonderwijs. l c Nijverheidsscholen 

van den middelbaren graad: nagenoeg uitsluitend 
theoretisch onderwijs, met verstandelijke en zedelijke 
ontwikkeling. De lessen worden meest ’s avonds n 
's Zondags gegeven aan arbeiders. Twee jaar algerneene 
vorming en twee jaar aanpassing aan de s'rceknijver- 
heid. 

2° Lagere nijverheidsscholen. 

<l) Onderwijs in nijverheids- en beroepsteckenen, 
ook meest ’s avonds en ’s Zondags gegeven. 

c) Het beroepsonderwijs. 1° Voo? jongens: 
«lezen leeren een vak aan. Vele gebruiken het halve- 
dag-stelsel: de helft theoretische en vormende lessen 
en de helft vakpractijk. Er bestaan ook avond-beroeps- 
scholen en leergangen. 

In leerwerkhuizen kunnen de jongens onder verant- 
woordelijkheid van hun patroon hun vak aanlecren. 
Dezen w r ordcn gesubsidieerd als ze aan de vercischten 
van opleiding voldoen. 

2° V o o i in o i s j e s : het linnennaaien, kleer- 
maken, de mode, het corset, de kunstbloemen, be- 
roepsteekenen, de toegepaste kunsten; daarbij boek- 
houden, opleiding voor sten o -typ is te, secretaresse. 

f) Huishoudkundig onderwijs gegeven in huis- 
houdscholen en -klassen: er zijn er 1 200 met 140 000 
leerlingen. Zij ontvangen meer dan 100 millioen frs. 
toelagen per jaar. 

Onder de tcekenscholen hebben de Sint-Lucasscholen 
een hoogen naam (Gent, Brussel, Doornik). 

2° Landbouwonderwijs, liet landbouw-, land- 
bouwhuishoud-, tuinbouw- en veeartsen ij -onderwijs 
wordt gegeven: a) in de staatsinrichtingen: de land- 
bouwhoogescholen te Gent on te Gembloers, de vee- 
artsenijschool te Curegem, het Hooger Normaal- 
instituut voor Landbouwhuishoudkunde te Laken, 
de Middelb. Landbouwschool te Hoei, de tuinbouw- 
scholen te Gent en te Vilvoorde, b) In de door de 
provincies en de gemeenten of door het particulier 
initiatief tot stand gebrachte inrichtingen. Deze 
laatste (Katholieke) zijn verweg de talrijkste. De Belg. 
Boerenbond vervult hierin een vooraanstaande rol. 


BELGIË 



Vloomsch kindschap langs de Leie. 




Vennen in de Kempen bij Kalmpthout. 


Duinen aan de Belgische kust. 




De Kempen. Omgeving van Genk. 


Een bocht in het kanaal van Brugge naar Damme. 







BELGIË 




Gezicht op de Maas bij Dinant. 


De Maas met de rotsen van Freyr 




De Beiaard-rots te Dinant aan de Maas. 


Ijzergieterijen te Seraing aan de Maas. 




De „ Fonds de quarreux" met de rivier de Amel. 


Hoei aan de Maas (met citadel). 





465 


België 


466 


Onder de gesubsidieerde inrichtingen is er 1 hooge- 
school (Leuven). Verder zijn er 16 middelb. landbouw- 
scholen en 22 midd. landb. afdeclingen met 1 514 11., 
73 landbouwcursusscn in de middelb. scholen met 
2 068 11., 6 hoogere landbouwhuishoudscholen, 41 
middelb. afdeelingen, 21 vervolgafdeelingen, 99 af- 
deelingen met 300 uren en 20 reizende scholen, bezocht 
door 3 895 meisjes. 

Het landbouwvervolgondcrwijs telt 93 gewestelijke 
avondscholen (1 850 11.), 677 vaklandbouwafdeelingen 
(11 520 11.), 17 landbouwnormaalcursussen (325 onder- 
wijzers). Er werden 1 900 voordrachten gegeven. 
Sinds 1933 ressorteert het landbouwonderwijs, behalve 
dat der reizende scholen, onder het ministerie van 
Openbaar Onderwijs. 

3° Kunstonderwijs. Inrichtingen: a) onderwijs in 
de graphische en beeldende kunsten: de koninklijke 
academie van schoone kunsten te Antwerpen (Staat) 
met 617 11.; de andere academies en teekenscholen, 
opgericht door de gemeenten: 71 scholen met 11 073 II. 

b) Muziekonderwijs: 4 koninklijke conservatoriums 
met 2 139 11. (Gent, Luik, Brussel, Antwerpen); 
andere conservatoriums en muziekscholen in gemeen- 
ten: 129 met 27 670 11. Tegenover de academies staan 
ook de Sint Lucasscholen met een groot aantal leer- 
lingen. 

4° Militair Onderwijs. Hooger Onderwijs: 

a) Militaire school en oefenschool te Brussel (277 11.). 

b) Krijgsschool (opleiding tot stafofficier) te Brussel 
(42 11.). 

Middelbaar en lager onderwijs: 

a) Centrale wetenschappelijke school te Namen 
(128 11.). b) Pupillenschool (opleiding tot onder- 
officier) te Aalst en St. Tmiden (735 11.). c) Cadetten- 
school (bereidt voor tot de Militaire School) te Namen 
(184 11.). d) Cursussen candidaat reserve-onderluite- 
nant (2 694 11.). e) Cursussen vrijwilligers voor sub- 
altern kader (925 11.). f) Avondcursussen vooradminis- 
tratie (852 11.). g) Avondcursussen Vlaamsch en 
Fransch (1 567 11.). h) Avondcursussen voor analpha- 
beten (1 28011.). i)Wetcnsch. avondcursussen (1024 11.). 

Naschoolsch Onderwijs. Denij*. 

Het dept. van Onderwijs geeft onder bepaalde 
voorwaarden subsidie voor volksuniversiteiten e.d. 
In 1933 werd hiervoor 250 000 fr. uitgetrokken. 

XII. Wetenschappen na 1830. 

Theologie. Vooral beoefend aan de Faculteit der 
Godgeleerdheid te Leuven en door Jezuï ten en Domi- 
nicanen. Dienen vermeld: mgr. Dechamps, aartsbis- 
schop van Mechelen (apologetica); mgr. Malou, P. 
De San (dogmatiek en positieve theologie); Th. Bou- 
quillon, mgr. Waffelaert, P. Génicot (moraaltheolo- 
gie); mgr. Beelen, A. Van Hoonacker (bijbelstudie); 
mgr. Ladeuze (patristiek); mgr. Feye, mgr. Moulart 
(kerkdijk recht). 

Wijsbegeerte. Veel invloed van buitenlandsche ge- 
dachtenstroomingen, vooral, maar niet uitsluitend, 
uit Frankrijk. In hef begin der 19e eeuw, sensualisme 
van Condilïac, selectisme van Cousin. De Franschman 
Fr. Hu et verspreidde te Gent liet verjongde Carte- 
s kin isme van Bordas-Demoulin. Te Brussel voerde 
de Duitscher Ahrens het panenthoïsme van Krause 
in; trouw gevolgd door G. Tiberghien. Onder de Ka- 
tholieken telde het traditionalisme van Bonald veel 
aanhangers: aan de Leuvensche universiteit werd het, 
in gemilderden vorm en met het ontologisme van 
Gioberti verbonden, door C. Ubaghs gedoceerd aan de 
Philosophische Faculteit, door A. Tits aan de Theolo- 


gische. Veel bijval, maar ook veel verzet, tot eindelijk 
in 1864 Rome beide strekkingen veroordeelde en 
Ubaghs het onderwijs ontzegde. Bij de heropleving 
der scholastiek, op het einde der 19e eeuw, dienen 
vermeld A. Van Weddingen en vooral D. Mercier, 
later aartsbisschop van Mechelen (1906 — ’26), profes- 
sor te Leuven 1882 — 1906. hoofd van een nieuw Insti- 
tuut voor wijsbegeerte. De sinds lang verbroken be- 
trekkingen tussehen de Christelijke philosophie der 
middeleeuwen en het moderne denken wist hij terug 
aan te knoopen door zijn aan leunen bij de natuur- 
wetenschappen en zijn onbevangen onderzoek van het 
moderne kennisprobleem in zijn Critériologie. Nog te 
vernoemen als alleenstaande denkers: de socioloog A. 
Quetelet; J. Delboeuf, professor te Luik, bevorderaar 
der nieuwere psychologie; generaal J. M. de Tilly, 
schrijver van belangrijke studiën over metageometrie. 

Mannon. 

Voor phüologie en geschiedkundige wetenschappen 

wordt er weinig wetenschappelijk werk geleverd voor 
1890: door de w T et op het hooger onderwijs van 1890- ’91 
weerden speciale doctoraten ingesteld, die een weten- 
schappelijke vorming eischten en het peil der studiën 
aanmerkelijk verhoogden. 

Oostersche phüologie w r erd hoofdzakelijk te Leuven 
beoefend: de oudere school met mgr. Beelen, F. Nève, 
mgr. De llarlez: de jongere met J. Forget (Arabisch), 
mgr. Hebbelynck (Koptisch), Ph. Collinct (Sanskrit). 
Tijdschrift: Le Musóon (1882). Corpus scriptorum 
christianorum orientalium (1903). — L. de la Vallée 
Poussin te Gent (Sanskrit); de Bollandist P. Pcetcrs 
( Armen isch). 

Klassieke phüologie. Omstreeks 1860 enkele al- 
leenstaande figuren: J. Gantrelle, A. Wagener. L. 
Roersch, Pieter en Alf. Willems, meest buitenlanders. 
Na 1890 werden, dank zij de ernstige leiding van J. 
Waltzing, F. Collard, A. De Ceuleneer, J. Bidez, E. 
Boisacq, E. Remy, talrijke geschoolde krachten ge- 
vormd. 

Roinaansche phüologie. Na onwetenschappelijke 
tekstuitgaven, degelijk werk van den in Duitschland 
gevormden A. Scheler: Fransch etymologisch woorden- 
boek en teksten. Thans wetenschappelijk onderwijs 
onder A. Wilmotte, Aug. en Georges Doutre- 
pont e.a. Deze laatste ja ren wordt veel aandacht ge- 
wijd aan de Waalsche dialectologie: Waalsch woorden- 
boek, taalatlas. 

De Nedrrlandsche en Gonnaansche phüologie 

begon met niet onverdienstelijke tekstuitgaven van de 
Gentsche school: J. F. Wiileras (stichtte Belgisch 
Museum 1837— ’46), C. Serrure (Vaderlandsch Mu- 
seum 1855 — ’63), F. Snellaert, Ph. Illoinmaert, de 
Luiksche professor J. Bormans en van kan. David te 
Leuven. Woordenboeken (Sleeckx-Van do Velde 
1864— ’65; TTeremans 1869): glossarium van verou- 
derde rechtstermen (K. Stallaert 1886 — '89): idiotica 
(De Bo: West-Vlaamsch 1873; Schuermans: Algemeen 
Vlaamsch 1865 — '70; Tuerlinckx: llagelandsch 1886). 
In 1886 kwam de Vlaamsche Academie voor Taal en 
Letterkunde tot stand. Na 1890 opgewekt leven op 
velerlei gebied: idiotica (Rutten, Ilnspengouw 1890; 
Cornelissen- Vervliet: Antwerpen 1899; A. Joos: Land 
van Waas 1900: ls. Teirlinck: Zuid-üost- Vlaanderen 
1909); tekstuitgaven (Leuvensche tekstuitgaven, 
L. Scharpé, W. De Vrecse); paleographie en hand- 
schriftenkunde (W. De Yreese); taalkunde (C. Lecou- 
tore, J. Yercoullie, ,1. Mansion); phonetica (vooral in 
het phonetisch laboratorium door Ph. Colinct te Leu- 


467 


België 


468 


ven opgericht); folklore (A. De Cock); toponymie (K. 
De Flou); bibliographie (Fr. De Potter, K. Broec- 
kaert): dialectologie en taalgeographie. Op het gebied 
der Engelsche philologie ijverden H. Logeman, \V. 
Bang, P. llamelius, P. De Reul. 

Na de eerste pogingen op gebied van literatuur- 
geschiedenis van Snellaert en Serrure, degelijk werk 
van J. Stécher, P. Ilamelius, Coopman en Scharpé, 
P. Van Mierlo (middeleeuwen). 

Voor kunstgeschiedenis maakten zich verdienste- 
lijk Max Rooses, Pol De Mont, A. Vermeylen. 

A. Boon. 

Ook de geschiedschrijving bleef tot ongeveer 1880 
in handen van autodidacten, die onder invloed van 
romantisme en heroplevend nationaal gevoel, veel 
stof verzamelden over vaderlandsche geschiedenis: J. 
J. De Smet. Th. Juste, kan. David, Piot, Edm. Poul- 
let, Gachard, Kervyn de Lcttenhove. Van hun wer- 
ken, die van Poullet uitgezonderd, blijft bijna niets 
over dan de documentatie. Na 1880 geven de univer- 
siteiten technische vorming: Kurth te Luik (1874). 
Vanderkindere te Brussel (1877), P. Fredericq te 
Gent (1880), Ch. Mocller te Leuven ^1885). Ook telt 
België geschiedschrijvers, die zelfs in het buitenland 
wetenschappelijken roem verwierven: H. Pirenne, 
G. Desmarez. A. Cauchie. E. Hubert. Thans telt België 
meer dan (>0 geschiedkundige tijdschi iften. Ten slotte 
dient gewezen op het werk der > Bollandisten (nieuwe 
richting ingevoerd door P. Ch. De Smedt, V. De Buck, 
A. Poncelet, H. Delehaye, P. Peeters). Ook Mared- 
sous is een centrum van geschied vorsching (G. Morin, 
U. Berlière. D. De Bruyne). A. De Meyer . 

Rechtswetenschap. Op het gebied van het burger- 
lijk recht zijn het meest bekend Fr. Laurent, prof. te 
Gent, die in 1809 zijn beroemd tractaat uitgaf, en J. 
Van Biervliet, tot voor lang prof. te Leuven. Voor 
strafrecht en penitentiaire wetenschap: Ducpétiaux, 
die na 1830 het gevangenisstelsel hervormde, min. J. 
Ie Jeune, die aan het strafrecht omstreeks 1890 een 
nieuwe, meer menschelijke en individualiseerende 
richt ins: gaf. en de Brusselsche prof. A. Prins, een der 
oprirhtO!8 v; n de internationale strafrechtvereeniging. 
Voor liet internationaal recht: Rolin-Jacquemyns. 
die in 1873 te Gent het Institut de droit international 
stichtte en in 1809 de Revue de droit international 
begon; Nvs (Brussel), Pr. Poullet (Leuven), Ch. De 
Visscher (Gent, nu Leuven). Een groote werking ging 
uit van .1. Van den Heuvel (f te Leuven). De Brus- 
solsche universiteit telde twee geleerden voor het 
staatsrecht: P. Errera en M. Vauthier: op dat gebied 
arbeidde reeds vroeger te Leuven Thonissen, die ook 
gunstig bekend blijft met zijn werken over rechtsge- 
schiedenis. Naam verwierf in het land als advocaat 
en als vulgarisator van de rechtswetenschap: Edm. 
Picard. die ook op de ontwikkeling van kunst en lite- 
ratuur niet zonder invloed was. V. Dievoet. 

Sociale en economische wetenschappen. Als zelf- 
standige wetenschap werd de sociologie schaarsch 
beoefend : het Institut Solvay, gehecht aan de hooge- 
school te Brussel, werkt in de richting der Fransche 
Positivistische School (Waxweiler, Wodon e.a.): nauw- 
keurige enkwesten over sociaal -economische toestan- 
den. Invloed der socialistische theoretici: Van der 
Velde, de Br< u kère, De Man. — Van Katholieke zijde 
E. Ducpétiaux en later abbé Pothier, wetenschappelij- 
ke baanbreker van de School van Luik. Aan de Len- 
vensche hoogeschool mgr. Deploige en M. Dufourny. 

Op het terrein der economie drie stroomingen: 


liberalisme, socialisme en Christelijk reformisme, 
vooral in practijk omgezet. Als theoretici van het 
liberalisme: G. de Molinari, Le Hardy de Beaulieu, Ch. 
de Brouckère. Te Leuven trachtten Ch. de Coux en 
Ch. Périn, zonder den grondslag der Klassieke econo- 
mie te verlaten, dezer nadeelige gevolgen door zede- 
lijke hervorming te verhelpen; ruimer van opvatting 
en dichter bij ons staat V. Brants. De School voor 
Sociale en Politieke Wetenschappen, te Leuven door 
prof. Van den Heuvel gesticht, richt haar studenten 
naar de studie van vergelijkende sociale wetgeving, 
en thans naar sociale geestesstroom ingen en instel- 
lingen. Het Instituut voor economische wetenschap- 
pen legt zich toe op ontleding en beschrijving der econ. 
conjonctuur. Voorloopers van het socialisme (katheder- 
socialisten) waren de Gentsche prof. Fr. Huet (Chris- 
telijk socialisme) en de Luiksche E. de Laveleye 
(agraarsoc ia lisme). De socialistische theorieën wer- 
den in veel schakeeringen verdedigd door E. Van 
der Velde, A. Wauters, Ch. de Brouckère, H. De Man. 

Op gebied van economische statistiek A. Quetelet, de 
vader der demographie, en A. Julin. 

De self-made man Lod. De Raet schreef degelijk 
werk over de sociaal-economische toestanden in Vlaan- 
deren. V. Gestel. 

Positieve wetenschappen. Het wetenschappelijk 
leven heeft zich sedert 1818 in hoofdzaak rondom de 
universiteiten, de krijgsschool, de sterrenwacht te 
Ukkel en het museum voor Nat. Wetenschappen te 
Brussel ontwikkeld. Ook eenigszins vrijer in de Kon. 
Academie te Brussel en groepeeringen als Société 
scientifique de Bruxelles, Soc. chimique de Belgique, 
Soc. géologique de B., Soc. royale zoologique et 
malacologique, Soc. royale de botanique, Soc. ento- 
mologique. Al deze genootschappen hebben hun uit- 
gaven: Bulletin en mémoires de 1’académie de B. 
(1832, sedert 1931 tweetalig), Anna les de la Soc. 
scientifique de Bruxelles (1875), Revue des questions 
scientifiques (1877), Archives de biologie (1880), 
Archives internat ionales de physiologie (1904), enz. 
Na den oorlog kwamen te Brussel tot stand: 1° de 
Universitaire Stichting; 2° het Nationaal Fonds voor 
wetenschappelijk onderzoek (Egmontstraat 11), die 
door aanzienlijke toelagen bij gewichtige wetensch. 
navorsch ingen steun verleenden (opgravingen van 
Apamea door prof. Mayence 1929; prof. Piccard’s 
opstijgingen in de stratospheer 1930— ’32). 

Tot omstreeks 1880 bleef dit onderricht te theore- 
tisch, bij gebrek aan goede laboratoria, zoodat de 
wetensch. bedrijvigheid vooral die gebieden betrof, 
die het met een minimum van experimenten konden 
stellen: aard- en wiskunde, beschrijvende dier- en 
plantkunde. In de physico -chemische vakken konden 
slechts enkele uitstekende geleerden (Plateau, Stas, 
Gramme, E. Van Beneden, Rekulé, Spring) ondanks 
de gebrekkigheid der laboratoria naam maken. 

Wiskundige wetenschappen : de eersten waren A. 
Quetelet en P. C. Daudelin („théorèmes beiges” over 
de conische doorsneden). Quetelet legde ook de grond- 
slagen tot een positivistische maatschappijkunde 
(statistique morale) en gaf ook bekende werken uit 
over meteorologie en astronomie. Verdere verdienst- 
volle wiskundigen waren G. Pagani, M. Schaar, H. 
Limbourg, Ph. Gilbert, J. de Tilly, P. Mansion, J. 
Massau, wiens graphostatica wereldberoemd is. Hou- 
zeau, na Quetelet bestuurder der Ster re wacht, bracht 
dat instituut ook buiten de grenzen van het land tot 
beroemdheid; vooral door de periodieken Ciel et 


469 


Belgiojoso — Belgische Arbeiders Coöperatie 


470 


Terre en Annuaire Astronomique et météorologiquc, 
waarin geleerden als E. Quetelet, Stuyvaert, Ed. 
Mailly, F. Folie, Ch. Lagrange publiceerden. 

Aardkundige wetenschappen. De aard en de ver- 
scheidenheid van den bodem, vooral in hoog België, 
en de vele minerale rijkdommen verklaren wellicht 
waarom dit vak zoo druk beoefend werd. d’Omalius 
d’ Halloy stichtte de Belg. geologenschool. Zijn be- 
roemdste leerling, André Dumont, ontwierp de eerste 
aardkundige kaart van B. Voor stratigraphie: Ch. de 
la Vallée Poussin, de Dorlodot, J. Cornet, A. Briart, 
G. De Walque; voor palaeontologie: P. Nijst, Dollo, 
de grondige beschrijver van de reusachtige Secun- 
daire kruipdieren o.m. de iguanodon van Bernissart. 
Onder de mineralogen petrographen de vroegere 
Jezuïet A. Renard. De vooruitgang van deze weten- 
schappen leidde o.m. tot de ontdekking van het kool- 
bekken der B. Kempen door den Leuvenschen prof. 
A. Dnmont, zoon van den grooten Dumont. 

Dierkundige wetenschappen. P. J. Van Beneden 
(vader) onderscheidde zich vooral in de vergelijkende 
ontleedkunde, de palaeontologie en de physiologie 
(migratie der platoden); de zoon Ed. Van Beneden in 
de embryologie en de cytologie (caryocynesis bij 
hoogere dieren); J. Van Gehuchten in de ontleedkunde 
van het zenuwstelsel; Van Ermengem en Bordet in 
de parasitologie en bacteriologie. 

Plantkundige wetenschappen. De stelselmatige 
beschrijvende plantkunde werd vooral beoefend 
door Morren, F. Crépin, J. Kickx, H. Van Heurck, 
J. Mac-Leod e.a. De cytologie en plantkundige 
physiologie door kan. Camoy en zijn school (La Celluie 
1884, van Camoy en V. Grégoire) te Leuven, door L. 
Errera en J. Massart te Brussel. 

Phy8icochemische wetenschappen. De oorspron- 
kelijkste navorscher was J. Plateau (capillariteit, Wet 
van Fechner). Na hem Z. Gramme (electrische dyna- 
mo), J. B. Stas (nauwkeurige bepaling van atoom - 
gewichten), F. Kckulé (structuur der benzolmoleculc), 
W. Spring (reacties onder hooge drukking). In de 
toogopaste scheikunde heeft E. Solvay’s methode 
tot bereiding van soda een nijverheid in het leven ge- 
roepen, die in België en het buitenland tientallen 
groote fabrieken onderhoudt. 

L i t. : Le Mouvement scientifique en B. 1830-1905 
2 dln. Brussel 1907); Histoire de la B. Contemporaine 
III Brussel 1930). Ooubau. 

Academiën. In België bestaat een K o n i n k- 
lijke Academie voor Wetenschap- 
pen, Letteren en Schoone Kunsten 
van België, die gevestigd is in het Paleis der Aca- 
demiën, Hertogstraat 1, Brussel. De Academie is 
onderverdeeld in drie klassen: de klasse der weten- 
schappen, die der letteren en der zedelijke en staat- 
kundige wetenschappen en de klasse der schoone 
kunsten. Iedere klasse telt 30 leden, 50 buitenland - 
sche „associés” en 10 correspondeerende leden. 

De K o n i n k 1 ij k o Vlaamsche Aca- 
demie voor Taal- en Letterkunde 
is opgericht bij K.B. van 8 Juli 1886; ze is gevestigd 
te Gent, Koningstraat 18 en heeft ten doel de studie 
en de beoefening der Nederlandsche taal en letter- 
kunde. Zij telt 30 werkende leden, 10 correspondeerende 
leden en 25 buiten landsche leden. 

De Koninklijke Academie voor 
Fransche Taal- en Letterkunde is 
opgericht bij K.B. van 19 April 1920; ze is gevestigd 
in het genoemde Paleis der Academiën. Zij telt Bel- 


gische en buitenlandsche leden. Het getal Belg. leden 
mag niet meer dan dertig bedragen, waaronder er 
twintig gekozen zijn om hun letterkundige en tien om 
hun philologische verdiensten. 

De Koninklijke Academie voor 
Geneeskunde is opgericht bij K.B. van 19 
September 1841; ze is eveneens gevestigd in het Paleis 
der Academiën. Zij telt 40 werkende leden en ten 
hoogste 100 Belgische en buitenlandsche correspon- 
deerende leden. Het aantal eere leden is onbepaald. 

De Koninklijke Academie voor 
Oudheidkunde van België is te Ant- 
werpen gesticht in 1842. Zij houdt haar vergaderingen 
in het Paleis der Academiën te Brussel en op het stad- 
huis te Antwerpen. Zij telt 40 werkende leden en 50 
correspondeerende leden. Kraentzel. 

Belgiojoso, Christin a, markiezin 
van Trivulzio, vorstin van, Italiaansch 
schrijfster en patriotte. * 28 Juni 1808 te Milaan; 
f 5 Juli 1871 aldaar. Dochter van markies Hiërony- 
mus Isdorus di Trivulzio. In 1824 trad zij in het huwe- 
lijk met prins Emilio di Barbiano di Belgiojoso d’Este, 
doch liet zich spoedig weer van hem scheiden en ging 
sedert dien haar eigen weg. Zij streed steeds voor de 
eenmaking van Italië. In 1831 moest zij naar Parijs 
uitwijken; hier werd haar hotel de vergaderplaats 
van Frankrijk ’s meest beroemde mannen; bovendien 
stichtte zij in deze stad twee dagbladen, nl. „La 
Gazetta Italiana” en „L’Ausonio”. Toen Milaan in 

1848 in opstand kwam, wierf zij persoonlijk een vrij- 
corps aan, dat zij zelf tot voor Mantua voerde, om 
zich bij het Piëmonteesch leger aan te sluiten. Na 

1849 ondernam zij een reis van vier jaar in het Oosten, 
kwam in 1853 naar Parijs terug en vestigde zich einde- 
lijk te Locato. Te Milaan, en later te Turijn, gaf zij 
het dagblad „L’Italie” uit (1860). 

Werken: Fr. vertaling van Prineipi di scienza 
nuova, van G. B. Vico ; Essai sur la formation du dogme 
catholique (Parijs 1842); Souvenirs d’exiJ (1850; ecr3t 
in „Le National” geplaatst; werden ook in de voor- 
naamste dagbladen van Europa, vertaald opgenomen) ; 
Émina. Récits turco-asiatiques (1856) ; Asie mineure et 
Syrië (1858) ; Histoire de la maison de Savoie (Parijs 
1860) ; Réflexion8 sur 1’état actuel de lTtalie et sur son 
avenir (1869) ; Gli affittaiuoli della Bassa Lombardia 
(Milaan 1869); talrijke bescheiden in Le Constitutionnel, 
Le National, La Revue des Deux-Mondes, enz. — L i t. : 
R. Barbiera, La principessa B. (Milaan 1903); H. Remsen 
Whitehouse, Une princesse révolutionnaire (Lausanrie 
1907). Lousse . 

Belgis, Historie van, geschiedkundig 
werk van den rederijker-patriciër Marais van > Vaer- 
newijck, van Gent. De eerste uitgave heette Spie- 
ghel der Nederlandsche audtheyt 
(1568). Het was feitelijk een uitvoerige omwerking 
in proza van zijn in 1560 uitgegeven dichtwerk 
Vlaemsche Audvremdigheyt. On- 
danks allerlei fabelen, vooral over „de wonderlicke 
antiquiteyten van der natuere, gheleghentheyt, oor- 
sprongh ende eerste fondatiën” van Belgis, stad door 
de Trojanen nog gesticht, behoudt het werk zijn 
waarde vooral voor de gelijktijdige geschiedenis, en 
voor de kennis van wellicht oude volksoverleveringen 
en sagen. 

Lit.: Ph. Blommaert, De Nederduitsche schrijvers 
van Gent (Gent 1861, 68-89). F. Mierlo. 

Belgische Arbeiders Coöperatie of B.A.C, 
is de financieele instelling van het A.C.W. (> Alge- 
meen Christelijk Werkers verbond). Het is een landelijke 


471 


Belgische Boerenbond 


472 


coöperatieve maatschappij, die ten doel heeft het 
behartigen van de economische belangen der leden en 
het verschaffen van de geldelijke hulp aan de Christe- 
lijke (R.K.) Werkliedenorganisatie. Om dat doel te 
bereiken, sticht of vormt zij, hetzij alleen, hetzij in 
samenwerking met economische inrichtingen uit andere 
gewesten, afzonderlijke maatschappijen met speciaal 
doel. De winsten, door die maatschappijen verwezen- 
lijkt, komen deels aan de leden, deels aan de organisa- 
tie ten goede. Aldus kwamen tot stand: 

1° De Belgische Coöperatie Wel- 
vaart met als doel: oprichten van verbruiks- 
coöperatieven in Vlaanderen en Le Bien-être 
du Pays Wallon met hetzelfde doel voor 
Wallonië. Aantal winkels in Juli 1933 was: 628, 
jaarlijkse!» zakencijfer 60 000 000 frs . 

2° De N.V. De Hoorn. Doel: voortbrengst- 
coöperatief voor het uitbaten van bakkerijen. Aantal 
bakkerijen in 1932 was 13, jaarlijksch zakencijfer: 
20 089 000 frs. 

3° De Sw. Ven. Spaarbank der Chris- 
tel ij k e Werklieden. Doel: Spaarwezen en 
beleggingen, waardoor bijzonder de eigen economische 
instellingen van B.A.C. en de sociale organisaties der 
arbeiders over de noodige kapitalen kunnen beschik- 
ken. Belegde spaargelden: in Juli 1933 : 75000000 frs. 
in de Spaarbank der Christelijke Werklieden, en 
215 000 000 frs. in het Consortium van arbeidersban- 
ken. 

4° De Centrale Volksverzekering 
of C.V.V. Doel: Volksverzekeringen en verzekeringen 
tegen brand. Is pas begonnen, sloot reeds 4 000 polis- 
sen af voor brandverzekering, ook voor levens- en 
volksverzekering. 

De uitbating wordt aan eiken beheerraad der econo- 
mische en financieele inrichtingen zelf opgedragen, 
onder controle van B.A.C. Daarom verschillen de 
maatschappijen, hebben zij eigen bestuur en eigen 
verantwoordelijkheid. De Christelijke Werklieden- 
organisatie heeft aldus in België, in eigen schoot, 
dank zij de centralisatie, al de economische en finan- 
cieele inrichtingen op stevigen grondslag voor de 
werklieden kunnen tot stand brengen. 

Cool. 

Belgische Boerenbond. Stichting. De Bel- 
gische Boerenbond (B.B.) werd gesticht te Leuven, in 
1890, dus tijdens de scherpe crisisperiode, die de 
Belgische landbouw te dien tijde aoormaakte. De 
regeer ingen, die elkaar opvolgden, hadden geen land- 
bouwprogramma en, buiten de landbouwcomices 
bestonden er om zoo te zeggen geen landbouwvereeni- 
gingen. De landbouw bleef aldus grootelijks aan zich- 
zelven overgelaten. Enkele personen, waaronder de 
latere ministers Helleputte en Schollaert, Mei la erts, 
een priester, die toen te Leuven verbleef en de eerste 
algemeen secretaris werd van den B.B.. hadden inge- 
zien, dat er voor de boeren meer diende gedaan en dat 
hun redding vooral in de vereen iging moest gezocht 
worden. Zoo ontstonden: eerst de centrale organisatie 
te Leuven, en dan in de landelijke gemeenten de 
plaatselijke vereenigingen of hoerengilden (boeren- 
bonden), met hun instellingen voor samenkoop, land- 
bouwcrediet, onderlinge verzekering, enz. 

De nieuwe inrichting verwekte geestdrift, niet liet 
minst bij de parochiale geestelijkheid, die ten allen 
kante haar medewerking bood. Het vertrouwen, dat 
bij de landelijke bevolking ontstond en het feit, dat 
de nieuwe instelling wezenlijk de diensten bewees, 


die van haar verwacht werden, waren de twee grootc 
oorzaken van haar welgelukken. 

Werkgebied. Het huidige gebied van den B.B. 
(en zoo had men het ongeveer voor in het begin) 
is het Vlaamsche land, samen met Waalsch- Brabant, 
in het geheel ca. 14 757 km 2 oppervlakte. 

Programma. De B.B. wil den ganschen Christelijken 
boerenstand omvatten: alle landbouwers, groote en 
kleine; ook de tuinbouwers; al de leden van het gezin, 
voor zoover zij niet beslist een ander bedrijf uitoefenen. 
Hij behartigt al de belangen van zijn leden, voor zoover 
zij in de bevoegdheid van de vereen iging vallen: 

1° Hun godsdienstige en zedelijke belangen, die aan 
het hoofd staan van zijn programma. Heel in het 
bijzonder zijn daarmee gelast de algemeen-proost 
(adviseur), die tevens het ambt van algemeen -secre- 
taris uitoefent, de priesters, die hem in den B.B. 
behulpzaam zijn, de proosten van zijn plaatse lijke 
vereenigingen, alsmede de wereldlijke leiders van den 
Boerenbond zelf en van zijn verschillende instellingen. 
Samen beijveren zij zich om het godsdienstig leven 
en de zedelijke deugden te doen bloeien bij de leden 
en in heel de organisatie. 

2° Hun sociale belangen. Een van de grootste 
bekommernissen van den B.B. is het behoud van den 
Christelijk -socialen geest in de centrale inrichting en 
in de aangesloten vereen igingen. Hij stelt alles in het 
werk om zijn leden maatschappelijk hooger op te 
voeren en de rechten van hun stand in de samenleving 
te doen gelden, maar wijst ook voortdurend op hun 
maatschappelijke plichten en op de maatschappelijke 
deugden, als zijn rechtvaardigheid, naastenliefde en 
wederzijdsch dienstbetoon. 

3° Hun algemeene ontwikkeling, het beroeps - 
onderricht en de techniek van het vak. De B.B. be- 
ijvert zich om van zijn leden hoogstaande menschen 
en bekwame vakmannen te maken. Daartoe geeft hij 
verschillende bladen, tijdschriften en handboekjes uit, 
laat hij talrijke voordrachten houden, steunt hij het 
land- en tuinbou wonderwijs in zijn verschillende 
vormen, richt hij bedrijfskampen, proefvelden en ten- 
toonstellingen in, heeft hij zijn eigen Station voor 
Plantenveredeling, een keurkweekerij voor hoenders 
en verschillende proef boerderijen. 

4° De belangen van den boerenstand op staat- 
huishoudkundig gebied en in al wat daarmee verband 
houdt. De B.B. staat er op, dat de boeren, naast de 
andere burgers, gelijke rechten dragen en gelijken 
steun genieten. Zoo o.m.: rechtstreeksche en onrecht- 
streeksche belastingen, landpacht, wegenis, gemeente- 
aangelegenheden; verder de groote economische vraag- 
stukken, die vooral in tijden van crisis op het voorplan 
treden: vrijhandel of bescherming, in- en uitvoer, enz. 

5° De specifiek stoffelijke belangen van de leden: 
op dit gebied is de werking van den B.B. zeer uitge- 
breid. Hij doet o.m. aan gezamen lijken aankoop en 
gezamen lijken verkoop, aan landbouwcrediet, ver- 
zekering, enz. 

Inrichting. Het spreekt vanzelf, dat de B.B. voor 
de uitvoering van dat omvangrijke programma over 
een zeer verscheiden organisatiecomplex moet be- 
schikken. Volgt een vluchtig beeld daarvan: 1° 
Plaatselijke instellingen. De B.B. 
is een verbond voor plaatselijke vereenigingen of 
boerengilden (bg.). De bg. heeft als arbeidsveld door- 
gaans een parochie of gemeente. Zij staat open voor al 
wie belangen heeft op gebied van land- en tuinbouw 
en zijn godsdienstige plichten volbrengt. Alleen het 


473 


Belgische Boerenbond 


474 


hoofd van het gezin wordt ingeschreven als lid, maar 
heel het gezin wordt als aangesloten beschouwd en 
kan deel hebben in de voordeelen, die bg. en B.B. 
verstrekken. De bg. heeft zich ter plaatse te bekomme- 
ren met het godsdienstig-zedelijke, het maatschappe- 
lijke, de algemeene ontwikkeling en het vakonder- 
richt, de verdediging der belangen, enz. Naarmate de 
omstandigheden het wenschelijk maken, roept zij, 
onder leiding van den B.B., instellingen in het leven, 
die de verwezenlijking van bijzondere punten van liet 
plaatse lijk programma beoogen: sommige van maat- 
schappe lijken, andere van stoffelijken aard, enkele 
ook voor bepaalde leden van het gezin; zoo bijv. studie- 
afdeelingen, aan- en verkoopvereenigingen, beet- 
syndicaten, melkerijen (zuivelfabrieken), spaar- en 
leenkassen (boerenleenbanken); vee-, kleinvee- en 
varkenshonden, vee- en paardenverzekeringen, boe- 
rinnengilden, afdeelingen voor boerenjeugd en boe- 
rinnen jeugd, enz. 

Bepaalde gilden hebben een afdeeling voor tuiniers; 
enkele zijn in feite tuiniersgilden. Al die instellingen 
vormen afgescheiden vereen igingen, met eigen bestuur 
en eigen boekhouding, maar de bg. noemt ze haar 
afdeelingen, omdat die metterdaad werken in haar 
schoot en uitsluitend voor de bij haar aangesloten 
huisgezinnen. Zij is de moeder inrichting en heeft zich 
in te laten met gansch de plaatse lijke organisatie. 

De pastoor der parochie of de priester, door hem 
afgevaardigd, treedt in de gilde en in haar afdeelingen 
op als geestelijke bestuurder of proost. De invloed, 
dien hij er uitoefent, is van overwegend belang; in 
vele gevallen is hij de spil van heel het verecnigings- 
leven. 

2° De centrale instelling. Deze staat 
onder de leiding van een hoofdbestuur en een hoofd - 
raad, welke laatste samengesteld is uit de leden van 
het hoofdbestuur en de afgevaardigden der boeren- 
gilden. 

De centrale is op dezelfde wijze ingericht als de 
plaatselijke hoerengilde. In haar schoot bestaan en 
werken de volgende groote instellingen: algemeen- 
secretariaat, Boeren jeugdbond, Boerinnenbond, Boe- 
rinnenjeugdbond, Dienst voor Toezicht (met Zuivel- 
consulentschap), Technische Diensten (Bouwdienst, 
Electriciteitsdienst, Dienst der Landbouwmachines, 
Dienst voor Landelijke Waterbouwkunde), Aan- en 
Verkoopvennootschap, Middenkredietkas (Centrale 
Boerenleenbank) en verzekeringsmaatschappij. De 
eerste, het algemeen-secretariaat, beantwoordt aan de 
plaatselijke bg., de andere aan haar afdeelingen. Elk 
van die centrale instellingen heeft haar volledige 
organisatie met eigen bestuur, eigen kas en eigen 
boekhouding, maar alle hangen zeer nauw T af van het 
hoofdbestuur. In heel de centrale organisatie heerscht 
volledige eenheid. 

3° Betrekkingen tusschen B.B. en zijn 
aangesloten vereen igingen. Onder toezicht van het 
hoofdbestuur geeft de B.B. een vaste en eenvormige 
leiding. Daartoe dienen in de eerste plaats zijn eigen 
organen: De Boer (voor Waalsch-Brabant: Le Paysan), 
een woekblad, dat al de leden krijgen; Onze Gids 
(voor Waalsch-Br.: Notre Guide), een maandblad, dat 
speciaal voor de proosten en overige bestuursleden 
is bestemd; De Boerin, het maandelijksch orgaan van 
zijn Boerinnenbond. Daarnaast heeft hij zijn Dienst 
voor Toezicht, waarvan de opzieners (een 60-tal) 
voortdurend in betrekking zijn met de plaatselijke 
vereenigingen, verder zijn priesters, die geregeld de 


proosten bezoeken, zijn studiedagen, gew r estelijke 
vergaderingen, enz. 

Enkele cijfers en uitslagen. Dat de B.B. een zeer 
snelle uitbreiding nam, vooral na den oorlog, bewijzen 
volgende statistische gegevens: 



Aantal gilden 

Aantal leden 
gezinshoofden 

Einde 1895 

200 t 

10.275 

1900 

336 * 

19.000 

1905 

430 ’ 

31.586 

1910 

631 

44.586 

1914 

607 : 

56.246 

1920 

951 

87.384 

1926 

1.150 

109.737 

1932 

1.234 

127.122 


In 1932 liet de B.B. in de aangesloten bg. en in hun 
afdeelingen 6 318 lezingen houden. Aan de gewestelijke 
vergaderingen en betoogingen, die hij inrichtte, namen 
meer dan 95 000 van zijn leden deel. De gesloten 
retraites, door zijn toedoen gehouden, werden gevolgd 
door 1 109 boerenzonen en door 2 241 leden van 
boerinnengilden. 

Ter bevordering van het naschoolsch onderwijs in 
land- en tuinbouw en in landbouwimishoudkunde 
schonk hij zijn medewerking aan een 530 leergangen 
of scholen. Hij wa s ook bemoeid met de bedrijfsprijs- 
kampen van verschillenden aard, waaraan samen 
2 700 van zijn leden deelnamen, alsmede met de 
inrichting van 48 plaatselijke en gewestelijke tentoon- 
stellingen. 

Deze enkele cijfers, die alle betrekking hebben op 
het jaar 1932, slaan terug hoofdzakelijk op de werking 
van het algemeen-secretariaat en den Dienst voor 
Toezicht. De uitslagen van de andere afdeelingen zijn 
niet minder belangrijk, bijv.: de Aan- en Verkoop- 
vennootschap leverde 449 000 ton grondstoffen voor het 
bedrijf; de Middenkredietkas had 1 637 millioen frs. 
deposito’s; sedert haar ontstaan had zij, samen met 
de aangesloten spaar- en leenkassen, ruim 1 milliard 
frs. uitgeleend; de Verzekeringsmaatschappij ontving 
meer dan 54 millioen frs. premie (zie verder de speciale 
artikelen). Toch gaat het niet op den invloed, die 
uitgaat van de ononderbroken en zoo verscheidene 
werking van den B.B.,te beoordeelen naar de cijfers. 
Maar zeker mag men zeggen, dat, zoo de landbouw- 
bevolking in de gouwen, waar de B.B. bedrijvig is, 
godsdienstig en zedelijk gezond is gebleven, zoo zij 
cultureel en maatschappelijk heel wat hooger is komen 
te staan, zoo zij den w r eg van den vooruitgang met 
vlugge schreden bewandelt, de invloed van den B.B. 
daaraan niet vreemd is. 

Lit. : E. Luytgaerens, Jaarvers!, van den B.B. 
(Leuven' ; Deploige, De Boerenb. (Leuven 1897) ; 
E. van Damme, Een Belg. hoerengilde bij het ingaan 
der 20e eeuw (Roeselare 1901) ; E. Luytgaerens, Het 
godsdienstige in onze bg. (Roeselare 1923) ; E. Vliebergh, 
Ontstaan en eerste jaren van den B.B. (Dietsche Warande 
en Belfort, Antwerpen 1924) ; A. Lugan, Une oeuvre 
beige. Origine et organisation du Boerenbond (Parijs 
1925) ; J. P. Mc Carthy, Agricultural Organisation in 
Bclgium (Studies, An lrish Quarterly Rev. (XVI, or. 2, 
Dublin 1927) ; A. Do Vleescbauwer, Les associations 
agricoles en Belgique (Völkermagazin, Belgien Nov. 
1929) ; F. Baudhuin, Le Boerenbond Beige. Une puis- 
sance fin. orig. (Revue Economique Internationale, 
Brussel Jan. 1930) ; K. B&krens, Flanderns Kampf um 


475 


Belgische Boerenjeugdbond — Belgische paarden 


476 


die eigene Scholle. Eine Studie seiner wirtsch. Struktur, 
Breslau 1930) ; E. Luytgaerens, Over den B.B., Toe- 
spraak tot de E.H. Seminaristen te Mechelen (Leuven 
1931). Luytgaerens . 

Belgische Boercnjjeugdboncl. De B.J.B. 
is de centrale instelling, waarin de Belgische Boeren- 
bond (B.B.) de boeren jeugdafdeelingen groepeert, 
die hij in 1925 in den schoot van zijn aangesloten gilden 
begon tot stand te brengen. Hij maakt deel uit van het 
Vlaamsch Jeugd verbond voor Katholieke Actie, dat 
onder leiding staat van de hoogere geestelijkheid. 

Einde 1932 telde de B.J.B. 424 plaatselijke afdee- 
lingen met 17 132 leden. In De Boer, het orgaan van 
den B.B., heeft de B.J.B. wekelijks zijn speciale 
jeugdbladzijdc; in het bestuursblad Onze Gids heeft 
hij artikelen voor zijn jeugdleiders en bestuursleden. 

Tijdens de herfst- en wintermaanden houden de 
jeugdafdeelingen om de maand een algemeene en een 
bestuursvergadering: op de dagorde van die alg. verg. 
komen voor onderwerpen van godsdienstigen, van 
maatschappelijken, van cultureelen en van technischen 
aard. 

’s Zomers wordt meer tijd besteed aan uitstapjes, 
studiereizen, tentoonstellingen en proefvelden. De 
B.J.B. heeft jaarlijks een algemeenen en verschillende 
gewestelijke studiedagen voor zijn bestuursleden, 
leiders en proosten; verder een aantal gewestelijke 
betoogingen, retraites en recollectiedagen, alsmede 
een prijskamp met vragen over technische en sociale 
aangelegenheden. Luytgaerens. 

Belgische Bocrinncnhond, opgericht in 
Juli 1911, is de centrale instelling die in den schoot 
van den Belgischen Boerenbond (B.B.) de plaatselijke 
vereenigingen voor boerinnen en boerendochters of 
zgn. boerinnengilden groepeert. Evenals de B.B. zelf, 
strekt de Boerinnenbond zijn werkgebied uit over 
het heele Vlaamsche land en over Waalsch-Brabant. 
Samen met zijn aangesloten gilden ijvert hij voor het 
godsdienstig-zedelijk en voor het maatschappelijk 
welzijn van de leden, en houdt hij zich bezig met hun 
algemeene ontwikkeling en met hun opleiding als 
moeder, huishoudster en boerin. 

De boerinnengilden, die ter plaatse een afdeeling uit- 
maken van de hoerengilde (zie aldaar), aanvaarden 
als leden de huismoeders en de overige vrouwelijke 
huisgenooten, hoofdzakelijk van de aangesloten gezin- 
nen. In hun schoot worden jeugdafdeelingen opge- 
richt, die op hun beurt aansluiten bij een onderafdee- 
ling van den Boerinnenbond, den Boer innen jeugd- 
bond. Einde 1932 telde de Boerinnenbond 113 376 
leden; daaronder 76 997 vrouwelijke gezinshoofden. 

Het aantal aangesloten boerinnengilden bedroeg 
op dat oogenblik 933; het aantal jeugdafdeelingen 313. 

De Boerinnenbond is geregeld in betrekking met zijn 
leden, o.a. door zijn orgaan De Boerin, dat maandelijks 
aan al de aangesloten vrouwelijke gezinshoofden toege- 
zonden wordt, en door de opziensters, die belast zijn 
met de leiding van het vereenigingsleven. Tot voor- 
lichting van de besturen benuttigt hij Onze Gids, het 
bestuurlijk maandblad van den B.B. 

Werking in 1932: 5 provinciale boerinnendagen 
met 12 000 aanwezigen, 59 gesloten retraites, 156 ver- 
gaderingen van gewestelijke studiekringen, bijgewoond 
door 6 110 bestuursleden en jeugdleidsters, 4 378 
voordrachten, 212 leergangen van twee of vier dagen, 
43 reeksen lessen over verpleging van moeder en kind, 
medewerking aan 131 landbouwhuishoudscholen en 
leergangen, enz. 


Lit. : E. Luytgaerens, Jaarverslagen van den Belg. 
Boerenbond ; De Boerin, orgaan van den Boerinnen- 
bond. Luyigaerens. 

Belgische Kongo, > Kongo (Belgisch). 

Belgische puurden. Reeds in den Romeinschen 
tijd werd in België een zeer gewaardeerd zwaar paard 
gefokt. In de middeleeuwen had het zgn. Vlaamsche 
paard een groote vermaardheid. Helaas werd in de. 
18e eeuw door ondoelmatig kruisen met Deensche, 
Holsteinsche, Percherons en zelfs met Arabische en 
Engelsche volbloedpaarden veel schade toegebracht 
aan de fokkerij. Pas na 1830 werd weer in vrij korten 
tijd hierin verbetering gebracht, dank zij de gunstige 
klimatologische, economische omstandigheden en het 
talent der fokkers. Er werden toen drie typen onder- 
scheiden: het Vlaamsche, het Brabantsche en het 
Ardennerpaard. Het Vlaamsche paard, verwant aan 
het Friesche paard, onderscheidde zich door zijn 
grootte en zwaren lichaamsbouw (schofthoogte 1,70— 
1,85 m); kwam vooral voor in Oost- en West-Vlaan- 
deren; hoofdzakelijk geschikt voor stappend werk. 
Veel voorkomende gebreken waren: te lange slappe 
mg, platte hoeven, te weinig temperament, te lym- 
phatisch. Het Brabantsche paard, vooral voorkomend 
in midden-België, Brabant en Henegouwen, was niet 
zoo groot, wel massief en meer gesloten van bouw, 
droger en bezat beter beenwerk en betere gangen. Het 
Ardenner paard vond men vooral in de provincies Luik, 
Namen en Luxemburg; was klein tot middelgroot, met 
een evenredigen breeden en diepen romp, droge beenen 
en goede hoeven, goeden gang en draf en was zeer ge- 
zocht als omnibus-, tram- en artilleriepaard. Tusschen 
het Ardenner en het Brabantsche paard stond nog 
het zgn. Condroz paard. Na 1886, toen de Nationale 
Vereen iging voor het Belgische trekpaard is opgericht, 
is deze indeeling verdwenen. Nu kent men slechts 
het Belgische trekpaard met twee slagen: het zware, 



Belgisch trekpaard. 


dat het meest overeenkomt met het Brabantsche paard 
(schofthoogte 1,60 — 1,80 m, pijpomvang 21 — 24 cm), 
voorkomend vooral in midden- en W. België, en het 
lichtere, dat meer naar het Ardenner paard zweemt 
(schofthoogte 1,48 — 1,60 m, pijpomvang 21 — 24 cm), 
dat vooral gevonden wordt in Oost-België. In den 
wereldoorlog heeft de fokkerij zwaar geleden, maar 
heeft zich thans zoo hersteld, dat het wel als het beste 
zware trekpaard der wereld is te beschouwen, en veel 


477 


Belgische Pers 


478 


geëxporteerd wordt, vooral naar Nederland, Frankrijk, 
Rijnland, Westfalen en Amerika. Elk jaar in Juni 
heeft te Brussel een befaamde tentoonstelling plaats. 
Het B. paard is groot, sterk gespierd en evenredig van 
bouw, met zeer krachtige becnen. De gang is in stap 
krachtig en ruim, in draf vrij goed. De hoofdkleuren 
zijn bruin en vos, in den laatsten tijd veel rood- en 
bruinschimmel. 

Als oudste en meest befaamde stamvader der 
Belgische paardenfokkerij is bekend de hengst, afkom- 
stig uit het Denderdal: Fran^ois, de Oude Dikke van 
Wijnhuizen (1835 — 1858), een product van inteelt. 
Uit dezen stam zijn twee bloedlijnen gesproten; nl. 
die van Orange I (B. S. 1144), waartoe bijna alle 
beroemde Belg. hengsten belmoren, en Forton II 
(B. S. 1738). Een andere zeer op den voorgrond treden- 
de bloedlijn is afkomstig van den schimmelhengst 
uit het Nijverdal, Bayard (B. S. 1146), die vooral, 
door zijn vrouwelijke nakomelingen beroemd is 
geworden, welke gepaard met hengsten uit de Orange I- 
fijn, nakomelingen hebben gegeven, die een grooten 
invloed hebben uitgeoefend op de Belgische paarden- 
fokkerij. Vooral door zijn achterkleinzoon Gerfaut II 
(B. S. 2538 bis) heeft Bayard zijn invloed doen gelden. 
Een vierde minder bekende bloedlijn is afkomstig 
van den hengst Jean I (B. S. 1200). Een bekende zoon 
van Orange I is Brillant (B. S. 708), een prachtige 
showh engst, die echter alleen door zijn vrouwelijke 
nakomelingen invloed heeft uitgeoefend. Meer is het 
goede bloed van Orange I verspreid door zijn zoon 
Jupiter (B. S. 126) via diens zoons Mont d’Or (B. S. 
6120), Rêve d’Or (B. S. 7406) en Brin d’Or (B. S. 
7902), welke laatste in den bekenden Fosteau-stal van 
Jules Hazard uitstekend heeft gefokt. Brin d’Or voert 
het bloed van Bayard via zijn moeder Garlouche 
(B. S. 7907). De meest beroemde zoon van Brin d’Or 
is Indigène du Fosteau (B. S. 29718), waarvan zoowel 
in België als in Nederland een zeer groot aantal zoons 
en dochters uitstekend hebben gefokt. De goede grond- 
slagen van het zware trekpaard in Nederland zijn 
vooral gelegd door dezen hengst en zijn nakomelingen. 

Verhey. 

Belgische Pers. Aanvang 17e eeuw (1605?) 
zond Abraham Verhoeven te Antwerpen zijn Nieuwe 
Tydinghen, het eerste nieuwsblad in Europa, in het 
licht. De Vlaming Jan Mommaert stichtte 1649 
het eerste blad te Brussel Le Courrier véritable des 
Pays-Bas, dat 1741 Gazette de Bruxelles en in 1759 
Gazette des Pays-Bas w r erd, om 1791 te verdwijnen. 
Het eerste eigenlijke dagblad verscheen 1 Febr. 1777 
te Luik en heette La feuille sans titre. Voor en na de 
revolutie van 1830 werden vooral gelezen L’Oracle 
(1800 — 1827), Le Courrier des Pays-Bas, later Le 
Courrier Beige geheeten (1821 — 1831), en Le Courrier 
de la Meuse, die later Le Journal de Bruxelles w T erd 
en na een roemrijken levensloop in 1920 verdween. 
De w r etten en regeer ingsberichten verschenen aan- 
vankelijk in L’Union Beige (19 Oct. 1830 — 3 Maart 
1831). Op 16 Juni 1831 werd Le Moniteur Beige 
gesticht. Eerst in het Fransch alleen gesteld, w r erd het 
blad 1889 tweetalig. 

Te Brussel verschijnen vijf Vlaamsche dag- 
bladen: Het Nieuwe van den Dag (veelgelezen Kath. 
Cons. volksblad, 49e jaar); Sportwereld (Kath., 
zeer verspreid, 20e jaar) met Het Algemeen Nieuwe; 
De Standaard (Kath. Vlaamschgezind orgaan voor 
intellectueelen); Het Nieuwsblad (Kath., 5e jr.), 
volksuitgave van De Standaard; Het laatste Nieuwe 


(zeer verspreid, gematigd volksblad, 46e jr.). Benevens 
deze organen verschijnen 1° drie Kath. bladen in de 
Fransche taal: La Libre Belgique (conservatief, 
de VI. Beweging niet genegen, 50e jr.); Le XXe 
Siècle (Fransch nationalistisch, 39e jr.) en Le National 
(43e jr.), volksuitgave van La Libre Belgique. 2° Vier 
lib. bladen: LTndépendance Beige (in het buitenland 
verspreid. 103e jr.); L’Etoile Beige (84e jr.), La Gazette 
(zeer conservatief, 62e jr.) en La Dernièrc Heure 
(boulevard- en sportblad, 28e jr.). 3° Een soc.: Le 
Peuple (off. orgaan der soc. partij, 49e jr.). 4° Een 
nat. conservatief: La Nation Beige (16e jr.). 5° Een 
neutraal, zeer verspreid avondblad Le Soir (47e jr.). 
6° E n Franschgezind boulevardblad : Midi (14e jr.). 
Daarenboven zijn er Le Moniteur des Intéréts matérie ls 
(38e jr.) en eenige veelgelezen beursorganen, zooals 
L’Echo de la Bourse (53e jr.), L’lnformateur (16e 
jr.) enz. 

Te Antwerpen leest men zes Vlaamsche dag- 
bladen: Het Handelsblad van Antwerpen (Kath. 
Vlaamsch- en behoudsgezind, 89c jr.); De Gazet van 
Antwerpen (zeer verspreid Kath. dem. Vlaamsch- 
gezind, 43e jr.); De Morgenpost (Kath., 13e jr.), 
plaatselijke uitgave voor Handel en Scheepvaart van 
De Standaard; De Schelde (VI. Nat., 16e jr.); De 
Nieuw r e Gazet (lib. volksorgaan, 36e jr.) en De Volks- 
gazet (soc. volksblad, 16e jr.). In de Fransche taal 
gesteld zijn: La Métropole (behoudend Kath. orgaan 
der handelskr., 40e jr.); Le Matin (lib. anti-Vlaamsch 
volksblad, 40e jr.); Le Neptune (lib., scheepvaart- 
belangen, 30e jr.) en voor de zakenwereld L’Echo 
du Soir, Le Lloyd Anversois, enz. 

Te Gent bestaan vier Vlaamsche organen: 
De Landwacht-Gentenaar (Kath. volksblad, 63e jr.); 
Het Volk (volksblad, off. orgaan der Chr. Democratie, 
42e jr.), w 7 aarin opgenomen De Tijd, De Gazette van 
Gent (lib. 264e jr.) en Vooruit (soc., 49e jr.). Daarbij 
twee Franschtalige: Le Bien Public (behoud. Kath. 
en anti-Vlaamsch, 80e jr.) en La Flandre Libérale 
(anti-Vlaamsch, 59e jr.). De provinciepers 
is weinig ontwikkeld in het Vlaamsch gedeelte van 
het land. Er zijn maar tw r ee dagbladen meer alg. 
bekend: De Volksstem (Kath., cons., 39e jr.) te Aalst 
en Het Belang van Limburg (Kath., le jr.) te Hasselt. 

In het Waalsch gedeelte: o.a. dagbladen te Aarlen: 
L’Avenir du Luxembourg (Kath., 36e jr.); te Charleroi: 
Le Pays Wallon (Kath., dem., 43e jr.), La Gazette de 
Charleroi (lib. 66e jr.), Le Journal de Charleroi 
(soc., 88e jr.), Le Rappel (Kath., cons., 33e jr.) ; te 
La Louvière: La Gazette du Centre (Kath., 3le jr.), 
Les Nouvelles (lib., 36e jr.); te Luik: La Gazette de 
Liége (Kath.), La Meuse (lib., 78e jr.), Le Journal de 
Liége (lib., 69e jr.), L’Express (lib. progr., 42e jr.) en 
La Wallonië (soc., 14e jr.); te Bergen: La Province 
(lib., 27e jr.), Le Progrès (Kath., 25e jr.), Le Travail 
(soc., 33e jr.) en L’Avenir (soc.,- 29e jr.); te Namen: 
La Province de Namur (lib., 27e jr.) en Vers 1’Avenir 
(Kath., 15e jr.); te Doornik: Courier de 1’Escaut 
(Kath., beh., 104e jr.); te Verviers: Le Courrier du 
Soir (Kath., 28e jr.), Le Jour (neutr., 40e jr.), Les 
Nouvelles (lib., 37e jr.), Le Travail (soc., 33e jr.) 
en La Presse flib., 6e jr.). Te Eupen verschijnen drie 
Kath. in het Duitsch gestelde bladen: Eupener Nach- 
richten, Eupener Zeitung (Chr. dem.) en Grenz-Echo 
(pro -Belgisch). 

Buiten deze Belgische bladen worden er veel vreemde 
(meest Fransche) gekocht. 

Er bestaat bovendien een krachtig op levende 


479 


Belgische politieke partijen 


480 


en veelgelezen weekbladpers, zoo in Vlaanderen als 
in Wallonië. In Vlaanderen is deze vooruitgang, wat 
het dagblad wezen en de weekpers betreft, vooral 
merkbaar sedert den oorlog en houdt die gelijken tred 
met de cultureele ontvoogding van de Vlaamsche 
gemeenschap. Terwijl bijv. voor den oorlog aan de 
internationale berichtgeving slechts geringe aandacht 
werd besteed, bezitten de Vlaamsche bladen thans een 
over het algemeen verzorgde rubriek buitenland. Een 
opvallende gewoonte van den Belgischen krantenlezer 
bestaat hierin, dat hij, in tegenstelling met wat bijv. 
in Nederland geschiedt, waar ieder slechts zijn lijf- 
blad leest, graag een handvol diverse kranten koopt 
en zich vaak tevreden stelt met het lezen van de titels. 
Het uitzicht van de kranten heeft diensvolgens veel 
weg van de Fransche, al zijn ze, wat den inhoud betreft 
(en dit is vooral waar voor de Vlaamsche bladen) 
vaak degelijker, zonder dat ze daarom ook maar met 
de Nederlandsche of Engelsche kunnen vergeleken 
worden. 

L i t. : Malou, Norioe statistique sur les journaux 
beiges, 1830-1842 (Com. de Statistique, I); A. Warzée, 
EBsai hist«»rique et critique sur les journaux beiges 
(1845) ; Histoire de la Presse (Patria Bekrica, III 1875) ; 
E. Bacha et R. Dupierreux, Périodiques beiges (1928) ; 
Officieel jaarb. van de Belg. pers (1933) : Algemeen 
adresboek van de Belg. pers (1932). Cordemans. 

Belfiisehe politieke partijen. 

I. De Katholieke partij. Wanneer in 1830 het 
Nationaal Congres vergadert, bestaat er maar één 
partij: de Unionistische, en maar één program: de 
Vrijheid. De Kath. unionisten vragen de vrijheid van 
godsdienst, van onderwijs, van vereeniging. Om de 
vrijheid van godsdienst te bekomen, stemmen ze voor de 
prioriteit van bet burgerlijk op het kerkelijk huwelijk. 
De Kerk ontwikkelt zich, ze breidt het vrij onderwijs 
uit, de invloed van den clerus stijgt. Th. Verhaegen 
sticht in 1834 de Brusselsche Universiteit tegen de 
pas heropgerichte Katholi ke Universiteit te Leuven 
en richt de liberale partij in. Het unionisme zieltoogt, 
wanneer de Theux in 1839 vrede sluit met Holland. 
14 Juni 1846 vergadert te Brussel een liberaal congres. 
Het vraagt: onafhankelijkheid van het burgerlijk 
gezag, herziening van het kiesstelsel, openbaar onder- 
wijs uitsluitend onderworpen aan het burgerlijk gezag. 
De rechtsche unionisten, steeds het oude unionisme 
toegedaan, vormen geen partij. De Kerk staat afzijdig 
en Rome (Encycliek Mirari vos, van Gregorius XVI) 
had te kennen gegeven, dat, van leerstellig standpunt 
uit, de Belgische liberale wetgeving nu juist geen 
meesterstuk was. De splitsing der partij in parlemen- 
taire behoudsgezinden en aanhangers eener herziening 
van de grondwet, op zuiver Kath. grondslag, was 
dadelijk gevolgd. Inmiddels triomfeeren Rogier en 
Frère-Orban den 12en Augustus 1847 en telt men in 
de Kamer 23 unionisten tegenover 85 leden der re- 
geer ingspartij. De liberalen blijven aan het bewind, 
met een korte onderbreking (van 1855 tot 1867), wan- 
neer De Decker bet laatste unionistische, bijna homo- 
geen conservatieve ministerie vormt, dat ontslag moet 
nemen, omdat het zich naar aanleiding van eene wet 
op „de doode hand” verzet tegen de „émeute des gants 
glacés”. In 1857 triomfeeren de liberalen andermaal 
met 70 gekozenen tegen 38, terwijl Malou vruchteloos 
poogt de conservatieven in zijn Association 
constitutionnelle et conservatie- 
v e te organiseeren, op basis van het oud unionistische 
program. Haar afzijdigheid prijsgevend, neigt de 


geestelijke overheid thans naar samenwerking met de 
behoudsgezinde partij, die tusschen haar en de regee- 
ring kan optreden, en bevecht de anti -godsdienstige 
candidaten. De jeugd heeft alle ideologie s la Lamen- 
nais prijs gegeven, erkent de grondwet en wil de Kerk 
tegen haar aanvallers verdedigen. Ducpétiaux orga- 
niseert Kath. congressen in 1863, 1864 en 1867, waar, 
al staan die theoretisch buiten de politiek, de grond- 
slagen eener uitgesproken Kath. partij worden gelegd 
en de oprichting van Kath. kringen aangeprezen. 
Nochtans zal de partij officieel tot 1884 conservatieve 
partij blijven heeten. In 1859 ontstaat te Antwerpen 
de M e e t i n g p a r t ij met Jacobs en de eerste 
Flaminganten De Laet en Coremans, die op een anti- 
militaristische lijst Kath. overwinningen viert, en 
ruimschoots het hare bijdraagt om in 1870 de conser- 
vatieven aan het bewind te helpen. Tot 1878 regeert 
Malou voorzichtig en gematigd, niettegenstaande de 
strijdlustigheid van de jongeren en de pers. Wanneer 
hij in 1878hct bewind aan de liberalen moet overmaken, 
verklaart hij „nous avons vécu”. De aantredende re- 
geering Frère-Orban bindt den strijd aan op school- 
gebied en wil het openbaar onderwijs uitsluitend onder 
staatstoezicht brengen. De geestelijkheid eischt daar- 
tegenover het recht op. het onderwijs in den godsdienst 
buiten alle inmenging te regelen. In 1879 (Van Hum- 
beek, Bara) wordt de „ongelukswet” aangenomen, 
Frère-Orban breekt met het Vaticaan, de geestelijk- 
heid reageert scherp, over geheel het land wordt met 
groote geestdrift gewerkt aan de inrichting van het 
vrij onderwijs. Overal rijzen schoolcomités uit den 
grond en worden de niggcgraat der Kath. partij, die 
op 7 Juni 1884 met een groote meerderheid zegeviert. 
Malou formuleert zijn program: godsdienstvrede, 
verstandhouding met het Vaticaan, goedmaken wat 
in 1879 werd verkorven en orde brengen in het geld- 
wezen. Maar de Katholieken zijn het niet eens over de 
herziening van de schoolwet. Malou wil gemeentelijke 
en vrije scholen subsidieeren , Woeste wenscht de ge- 
meentescholen door aangenomen scholen te vervangen. 
Woeste haalt het, liberaal straatrumoer breekt los, 
Jacobs, Woeste en Malou gaan heen. Aug. > Bcemaert 
volgt hen op (1884), behandelt het schoolvraagstuk 
met voorzichtigheid en bewerkt toenadering tot het 
Vaticaan. Hij regelt de Kongokwestie met Leopold 
II, maar stuit op geweldig Kath. verzet tegen een ont- 
werp op den persoonlijken dienstplicht, dat verworpen 
wordt, terwijl de forten langs de Maas worden goed- 
gekeurd. De economische crisis, oorzaak van geweldige 
en krachtdadig onderdrukte stakingen, leidt naar een 
onderzoek naar de arbeidstoestanden, die de nood- 
zakelijkheid van maatschappelijke hervormingen aan- 
toonen. Becmaert’s sociale politiek jaagt echter de 
censitaire burgerij in het harnas. De minister ziet in, 
dat het kiesstelsel moet gewijzigd worden, wil men 
sociale hervormingen mogelijk maken. In 1891 grond- 
vest Arth. Verhaegen de Ligue démocrati- 
q u e beige en stichten Helleputte, Carton de 
Wiart en de Broqueville La Justice sociale. 
Tegen het conservatisme van Woeste stellen ze een 
sociaal program: beroepsorganisatie, regeling van den 
arbeid, alg. stemrecht op 25-jarigen leeftijd met 
evenredige vertegenwoordiging, verplicht onderwijs 
met vrije keuze der school. In 1892 wordt de grondwet 
herzien, in 1893 (A. Nyssens) meervoudig stemrecht 
ingevoerd en in 1894 gaat Beernaert heen na den gods- 
dienst hersteld, het geldwezen gesaneerd, ’s lands 
verdediging verzekerd en de sociale wetgeving inge- 


BELGIË 



De „Hérou" met de rivier de Ourthe. 



De Semois te Poupehan gezien van de Chaire-a-prêcher. 




Panorama bij Cugnon aan de Semois. 


De Ourthe bij Laroche. 




De Lesse in de omgeving van Chóteou d’Ardenne. 


De Semois bij Auby. 






BELGIË 



Brugge. Brug van het begijnhof. 



Waschvrouwen in een straat te Bouillon. 


ft 




Het kasteel van Walzin. 


Het meerendeel der landschapfoto’s van België is welwillend ter beschikking gesteld door den Belg.-Luxemb. Dienst 

voor Toerisme te Brussel. 




481 


Belgische politieke partijen 


482 


leid te hebben. De intrede van 33 socialistische kamer- 
leden en de verplettering der liberalen roepen in 1894 
een nieuwen toestand in bet leven. De meerderheid 
reageert en neemt een wet aan op het verplicht gods- 
dienstonderwijs in de scholen en een wet op de gemeen- 
teverkiezingen, terwijl de sociale hervormingen, door 
Beernaert aangekondigd, op zich laten wachten. Meteen 
rijst een conflict tusschen de behoudsgezinden (Katho- 
lieke Vereenigingen en Kringen) en de sociale Katho- 
lieken over de politieke organisatie der partij en de 
vertegenwoordiging der democraten, daar Woeste 
zich tegen elke fractioneele opvatting der partij ver- 
zet. De extremistische democraten vragen afzonder- 
lijke organisaties en lijsten ( > Daens), maar de meer- 
derheid sluit overeenkomsten met de conservatieven 
voor de verkiezingen. Onder de Smet de Naeycr (1900) 
wordt de evenredige vertegenwoordiging ingevoerd. 
Ze wijzigt grond ig het uitzicht van de Kamer. De Kath. 
meerderheid valt van 68 op 20 zetels, de liberalen 
herstellen zich eenigermate (33 zetels) en de socialisten 
keeren met 32 leden terug. De Kath. democratische 
groep is sterk aangegroeid en bedingt, niettegenstaande 
Woeste’s terughoudendheid, sociale hervormingen. 
Thans stijgt de wrijving tusschen democraten en con- 
servatieven ten top, wanneer (1902) minister Fran- 
cotte, een behoudsgezinde, als minister van Nijver- 
heid en Arbeid wordt verkozen boven een democratisch 
kamerlid, welk feit bijna tot scheuring in de rangen 
leidt. In 1907 is de exclusive tegen de democratische 
ministers opgeheven, Helleputte en Renkin worden 
met een portefeuille belast. De persoonlijke dienst- 
plicht wordt door Schollaert ingesteld en een nieuwe 
schoolwet ontworpen op basis van den „schoolbon”, 
die zou toelaten aan alle scholen gelijken steun toe te 
kennen. Meteen zou het onderwijs tot 14 jaar verplicht 
gesteld worden. Woeste is niet geestdriftig, de linker- 
zijden verwekken straatrumoer, de Kath. meerderheid 
slinkt tot zes stem bij de verkiezingen en Schollaert 
treedt in 1911 af. In 1912 sluiten liberalen en socia- 
listen een kartel tegen de nieuwe regeering de Broque- 
ville, die de meerderheid der partij, na 27 jaren be- 
wind, van 6 tot 12 stem op voert. In Mei 1913 wordt 
de wet op den algemeenen dienstplicht aangenomen. 
Op den vooravond van den oorlog eischen de socialis- 
ten eenvoudig alg. stemrecht, stakingen breken uit. 
maar de regeering belooft een commissie van onder- 
zoek naar de mogelijkheid eener grondwetsherziening 
te zullen instellen. De rust keert weer, minister Poul- 
let (1914) wijzigt het schoolwetsontwerp Schollaert 
en het verplicht onderwijs wordt aangenomen. Onder 
den oorlog treedt de oppositie tot de regeering toe, 
na den oorlog komt een drieledige regeering onder 
Kath. leiding tot stand (alg. stemrecht, afschaffing 
van art. 310). Na de verkiezingen van 1919 hebben 
de Katholieken nog slechts 73 vertegenwoordigers 
op 186. Geen partij beschikt over de meerderheid. 
De Vlaamsche fractie is thans, naast de behoudsge- 
zinde en de democratische fractie, ccn macht geworden 
in de partij, terwijl de Boerenbond groote uitbreiding 
neemt. De partij wordt heringericht op grondslag van 
de „standsorganisatie . In 1919 ontstaat het Alg e- 
meen Christen Werkersverbond uit 
de vroegere Liga en in 1921 wordt de formule, die 
Woeste steeds had bestreden, aanvaard en komt de 
Katholieke Unie tot stand bestaande uit: 

1° de Federatie der Katholieke Vereen ingen en Krin- 
gen, 2° het Algemeen Christen Werkersverbond, 3° de 
Boerenorganisaties en 4° de Landsbond van den Chris- 


ten Middenstand. Ze staan onder de leiding van een 
centraal bureel tot eenmaking der Katholieke actie 
en tot bevordering der verstandhouding onder de 
fracties. In de jongste jaren bewerkt de Vlaamsche 
fractie met Van Cauwelaert de verwezenlijking van het 
Minimum-program: Vlaamsch in het bestuur (Taal- 
wet 1921 en 1932), Vlaamsch in het onderwijs (Gent 
vervlaamscht in 1930), in het leger, terwijl het ont- 
werp op de vervlaamsching van het gerecht bij de 
commissie in behandeling is. Meteen werd een aantal 
sociale wetten o.a. op de sociale verzekeringen aange- 
nomen onder minister Heyman. Het streven naar meer 
eendracht tusschen de verschillende schakeeringen van 
de partij is in ruime mate geslaagd. 

B i t : P. Verhaegen, La lutte scolaire cn Belgique 
(Gent 1905) ; do Trannoy, Jules Malou (Brussel 1905); 
id., Vingt-einq annóes de Gouvernement (Brussel 1910) • 
Moreau, A. Dechamps (Brussel 1911); A. Verhaegen] 
Vingt-einq années d’a^tion sociale (Brussel 1912); 
Bellemans, Victor Jacobs (Brussel 1913); Van der’ 
Smissen, Beernaert et Leopold II (Brussel 1920) • 
Rubbens, Ducpétiaux (Brussel 1922) ; Woeste, Mémoires 
(Brussel 1927—1933); id., Histoire de la Belgique 
contemporaine (3 dln. Brussel 1928—1930); Mélot, Le 
parti cathoiique en Belgique (Leuven 1933). 

Cordemans. 

II* De liberale partij. De vrijzinnigen kleven, in 
de erste jaren na 1830, het unionisme aan, dat in het 
teeken der „vrijheids”-beginselen staat. Omstreeks 
1840 teekenen de verschillen tusschen rechts en links 
zich scherper af. In 1846 roepen Verhaegen en Defacqz 
tc Brussel een liberaal congres bijeen, dat de onder- 
linge geschillen in de partij uitroeit en de liberalen 
naar het anticlericalisme en het laïcisme drijft. De 
verkiezingen van 1847 geven hun de meerderheid. 
Rogier en Frère-Orban regeeren autoritair, centrali- 
seerend en anticlericaal. De liberalen prenten hun 
stempel op de periode, die van 1847 tot 1870 strekt, 
slechts kortstondig onderbroken (1855—1857) door de 
regeering-De Decker, die onder drukking van liberaal 
straatrumoer moet heengaan. In 1848 weet de regeering 
den vrede te bewaren in een bewogen periode, maar 
in 1850 verwekt een wet op het middelbaar onderwijs 
scherp Katholiek verzet. In 1860 schaft Frère-Orban 
het octrooi af en in 1863 koopt Rogier de Schelde vrij. 
Het militaire program der regeering stuit op protest 
en in 1870 moet ze onder algemeene afkeuring heen- 
gaan. De partij is verdeeld in jongo extremisten, die 
de wet van 1842 op het lager onderwijs willen ver- 
scherpen in anticlericalen zin, en de meer gematigde 
elementen. Na acht jaar keeren de liberalen weer met 
Frère-Orban, die enkele progressisten in zijn ministerie 
opneemt. Gedurende zeven jaar zal hij op schoolgebied 
een geweldigen strijd voeren tegen de Katholieken. 
De Schoolwet van 1879 (Van Humbeek, Bara) ont- 
neemt aan de gemeenten het recht om de vrije scholen 
aan te nemen, enkel gediplomeerden uit staatsscholen 
kunnen nog aangesteld worden in officieele scholen 
en het verplicht godsdienstonderwijs wordt afgeschaft. 
De schooloorlog woedt met groote bitterheid. Orban 
breekt met het Vaticaan. In 1883 krijgt hij het aan 
den stok met Janson, die den kiescijns wil afschaffen, 
geraakt in groote financieele moeilijkheden verstrikt 
en moet met zijn partij voorgoed van het tooneel 
verdwijnen, wanneer in 1884 de onderling kijvende 
liberale progressisten en conservatieven, die de 
Katholieken hebben vervolgd en de belastingen ver- 
zwaard, een geweldige nederlaag lijden. Bij de invoe- 
ring van het meerderheidsstelsel is de partij den 


rr. i« 


483 


Belgische politieke partijen 


484 


ondergang nabij, de evenredige vertegenwoordiging 
zal later (19001 verbetering brengen. Inmiddels worden 
de jaren doorgebracht met getwist tusschen voor- 
standers en tegenstanders van het zuiver alg. stem- 
recht. Eerst in 1902 keert eenheid weer in de partij, 
die haar program als volgt formuleert: verplicht 
openbaar onderwijs, vrij van eiken confessioncelen 
invloed, afschaffing van de plaatsvervanging, eerlijke 
verdeeling der militaire lasten, politieke gelijkheid 
doorevenredigevertegenwoordiging, sociale wetgeving. 
In 1909 wordt de persoonlijke dienstplicht door 
Schollaert ingevoerd met instemming der liberalen, 
die echter ten strijde trekken tegen den „schoolbon’ 
en samenwerking met de socialisten zoeken. Na het 
heengaan van Schollaert rijpt de kartellistische poli- 
tiek op basis van het eenvoudig algemeen stemrecht, 
gekoppeld met integrale evenredige vertegenwoor- 
diging op 25-jarigen ouderdom, maar ze berokkent 
den linkschen partijen een gevoelige nederlaag in 1912. 
De socialisten uiten hun woede in een algemeene 
staking, die den liberalen erg ongelegen valt. Minister 
de Broqueville belooft een onderzoeks-commissie 
te zullen instellen, om een algemeen aanvaardbare 
formule te zoeken. 

Onder den oorlog treden de liberalen tot de regeering 
toe en geven hun steun, na den vrede, aan een kabinet 
van Mtionale Unie en vormen nadien met de Katho- 
lieken de opeenvolgende regeeringen met uitzondering 
van de democratische regeering in 1925. Het anticle- 
rica lisme der liberale leiders is thans eenigermate 
gebreideld, al blijft de oude geest heerschcn in zekere 
milieu's, bijv. in den Brabantschen provincieraad. 

Het zuiver algemeen stemrecht is den liberalen 
niet gunstig geweest: op 187 Kamerleden telden zij 
sinds den oorlog achtereenvolgens: 34 (1919), 33 (1921), 
23 (1925), 28 (1929) en 24 (1932) gekozenen. 

Lit. : Th. Juste, Joseph Lebeau (Brussel 1865); 
Th. Juste, Eug. Dcfacqz (Brussel 1878); L. Hymans, 
Histoire parlementaire de la Belgique (1878 191 B) ; 

Discailles, Charles Rogier (Brussel 1892) ; P. Hymans. 
Frère-Orban (Brussel 1911) ; Van Kalken, Th. Verhaegen 
(Brussel 1927); A. Devise, Un Siècle de libéralisme 
(Brussel 1930) ; P. Hymans, Le parti libéral de 1909 a 
1928 (Brussel 1933). Cordemans. 

III. De socialistische partij, officieel benaamd 
Belgische Werkliedenpart ij (B.W.P.; 
Parti ouvrier beige, P.O.B.). 

Ontstaan. De socialistische partij in België werd 
gesticht op 15—16 Augustus 1885 te Antwerpen. 
De eerste pogingen tot oprichting eener socialistische 
beweging, reeds vroeger gedaan (o.a. te Brussel in 
1847 op het initiatief van Marx en Engels), hadden 
geen blijvend resultaat; in 1877 ontstond te Gent een 
Vlaamsche socialistische partij, en een weinig later te 
Brussel een Brabantsche soc. partij, die versmolten, 
in 1879, tot een Belgische soc. partij. Daarnaast ont- 
stonden allerlei arbeidersvereenigingen met verschil- 
lende doeleinden (syndicaten, coöperatie, mutuali- 
teiten), maar zonder politieke kleur. Men trachtte hen 
alle in een organisme onder te brengen, dat men, 
om tactische redenen, de B.W.P. noemde: ondanks 
herhaald verzet, en al heeft de B.W.P. een uitgesproken 
socialistisch karakter en wilde zij van den beginne af 
ook niet-arbeiders winnen, bleef de naam gehand- 
haafd. 

Het programma dagteekent van het congres 
der B.W.P. te Quaregnon (1893) en is rechtstreeks 
geïnspireerd door het Erfurter-programma, en langs 


dit laatste om, door het „Communistisch manifest” 
van Marx. Toch is het zoowel in zijn beginselverkla- 
ring als in zijn actieplan van eerst af met revision- 
istische ingrediënten gemengd. Van der Velde roemt 
er steeds op, dat het Belgische socialisme den invl ed 
onderging en weerspiegelt, zoowel van Fransche en 
Engelsche, als van Duitsche socialistische richtingen. 
In de beginselverklaring vindt men de strakkere 
Marxistische lijn, terwijl het actie-plan onderscheid 
maakt tusschen een algemeen (meer verwijderd) pro- 
gramma en een programma van onmiddellijke toe- 
passing. Dit laat aan de B.W.P. een politiek van soepele 
aanpassing toe, die zij met realistisch opportunisme 
steeds getrouw bleef. De statuten der B.W.P. onder- 
gingen ook vaak veranderingen, die echter nooit den 
geest betroffen, maar de structuur nader bepaalden. 

In November 1933 heeft H. De Man een nieuw actie- 
programma ontworpen, dat door den raad der partij 
werd aanvaard, en op het volgende congres (Kerstmis 
1933) zal voorgelegd en bekrachtigd worden. In hoofd- 
zaak beoogt het de concentratie van alle anti-kapita- 
listische lagen der bevolking (ook middenstand, 
boeren en onafhankelijke nijverheid) tegen de over- 
heerschende macht van het financie-kapitaal; daarom 
voorziet het de nationaliseering van het credietwezen, 
die automatisch meebrengen zal de controle der ge- 
meenschap over die takken der industrie (mijnen, 
metaal-, electriciteits-, chemie-nijverheid), die thans 
rechtstreeks onder leiding staan van het bankkapitaal. 
Alle andere vormen van eigendom blijven geëerbiedigd. 
Meteen voorziet dit plan een geleidelijke reabsorbee- 
ring der werkloozen. (Le Peuple: 16 November 1933.) 

Huidige inrichting. De B.W.P. is, in tegenstelling 
met bijv. de Fransche socialistische partijen, niet 
louter een politiek organisme, maar de politieke uit- 
drukking en verlenging van een complex van socialis- 
tische inrichtingen. Op een dubbele basis vormt zij 
de centraliseerende federatie dezer inrichtingen: 
1° zij groepeert nationaal de gewestelijke afdeelingcn, 
bestaande uit de locale groepen, waartoe belmoren al 
wie lid zijn van een of ander socialistisch werk (syndi- 
caat, coöperatief, enz.). De provinciale tusschenschakel 
tusschen nationale organisatie en gewestelijke afdee- 
ling is aanwezig, doch heeft geen beteekenis. 

2° Zij omvat de economische werken der partij, 
nl. a) De syndicaten (arrondissementsfede- 
raties), op hun beurt georganiseerd per streek en per 
beroep (Beroepscentrales). Zij vormden steeds de 
grootste macht van en in de B.W.P. en bereikten 
in 1920 tot 718 000 leden, doch daalden geleidelijk tot 
528 380 (einde 1929). Ze worden geleid door de „Syn- 
dicale Commissie”. 

b) C o ö p e r a t i e, in den beginne door de 
socialisten als financieele hulp voor hun organisatie 
en als middel tot verovering der arbeiders aangewend, 
o.a. door Anseele met zijn „Vooruit” te Gent, en 
machtig uitgebouwd. Sedert 1900 bestaat de Federatie 
der Coöperatieven, die tot nu toe voortstreeft en voort - 
streven moet naar centralisatie der plaatselijke of 
gewestelijke, soms concurreerende coöperatieven. 
Telde in 1930: 282 425 leden en maakte een zakencijfer 
van ruim 800 millioen frs. Naast verbruikscoöpera- 
tieven (winkels, volkshuizen, aptheken), ook eigen 
productie [bakkerijen, brouwerijen, fabrieken, eigen 
visscherij („Roode Vloot”) enz.]. Bovendien twee 
banken, een spaarkas en een verzekeringsmaatschappij. 
Deze economische inrichtingen, op kapitalistische 
leest geschoeid en naar kapitalistische wijze beheerd „ 


485 


Belgische politieke partijen 


486 


STERKTE DER PARTIJEN IN DE BELGISCHE KAMER (187 LEDEN) IN= 



1 1 Katholieken. B& foa sociaal dem. Communisten 

nmai liberalen. i=3 vl. National. onaehankel. 


hebben vaak scherpe critiek uitgelokt van de zijde 
der radicalen. 

c) Mutualiteiten: de werken voor onder- 
linge verzekering tegen ziekte. Centraal georganiseerd 
in het Nationaal verbond der socialistische mutuali- 
teiten. In 1931 waren er 493 240 gezinshoofden bij 
aangesloten. 

d) O pleidingswerken: zeer uitgebreide, 
degelijk-ingenchte pers; eigen uitgeverij De Wilde 
Roos te Brussel; een centraal organisme voor arbei- 
dersop voeding (C.A.O.) met arbeidershoogescliool 
en gewestelijke en locale cursussen. De jeugdwerken 
zijn niet in één organisme ondergebracht (Jonge 
Syndicaten, Roode Wachten, Roode Valken) en ook 
met sterk ontwikkeld; in den laatsten tijd werd echter 
een groote krachtinspanning gedaan om zoowel de 
kinderen (Kindervriendenbeweging naar het model 
der Duitsche „K inderf reunde”) als de jeugd en de 
vrouwen (wier organisatie ruim 100 00Ö leden telt, 
maar weinig vitaliteit vertoont) voor het socialisme 
te winnen. 

De B.W.P. in haar geheel telde in 1931: 631 129 aan 
betalende leden, cijfer dat licht overdreven is, daar er 
dubbels in voorkomen. Zij maakt deel uit van de 2e 
Internationale, waarvan haar leider, Em. Van der 
Velde, voorzitter is. 

3° Bestuur. Zetel te Brussel (Maison du 
Peuple). De B.W.P. wordt bestuurd door a) het 
congres; vergadert regelmatig om de twee jaar (vroeger 
jaarlijks) en soms in buitengewone zitting, en telt 
ongeveer 800 leden, b) De algemeene Raad: meer 
beperkt, c) Bureau van den Alg. Raad, 17 leden, d) Se- 
cretariaat van den Alg. Raad: uitvoerend organisme. 

4° Oordeel. Men onderscheidt in de geschiede- 
nis der B.W.P. twee phasen: a) Van 1885 tot 1914: 
gestadige groei te midden van heeten strijd, waarin 
zij, ter verovering van het algemeen stemrecht en 
van kortoren arbeidsduur, meermalen gebruik maakte 
van algemeene staking (o.a. in 1892, 1893, 1899, 1992, 
1913) en van parlementaire obstructie, en vooral in het 
begin openbare onlusten (1886 te Luik, 1902 o.a. te 
Leuven) uitlokte. Naarmate zij echter in macht 
toenam, verzwakte dit revolutionnair karakter, en 
streefde zij een geleidelijke hervorming na der 


bestaande instellingen, b) Ti dens den oorlog namen 
hare leiders zitting in de Nationale Regeering en ook 
na den oorlog maakten zij tot in 1926 meermalen deel 
uit van regeeringscombinaties. Onmiddellijk na den 
oorlog werd het algemeen stemrecht ingevoerd, alsook 
de acht-uren-arbeidsdag. Het reformistisch karakter 
der B.W.P. uitte zich dan volkomen in het streven 
naar een uitbouw der sociale wetgeving en naar verdere 
democratiseering op politiek en economisch gebied, 
binnen het raam van het kapitalistisch stelsel. Tegen 
dit reformisme, dat dreigt de ziel van het socialisme te 
verliezen, terwijl het de wereld wint, kwam critiek 
o.a. van den beroemden Belgischen socialist H. De 
Man, en in den jongsten tijd vooral ook weer van 
jongere elementen, die meer naar het communisme 
overhellen, en één front ermee zouden willen opstellen. 

Dank aan haar machtige, goed-ineengevlochten 
organisaties, haar sterke financieele basis, haar staf 
van vooraanstaande leiders, waarvan de meesten uit 
de burgerij óverkwamen, is de B.W.P. tot hoogen bloei 
gekomen: haar invloed reikt nog verder dan haar 
ledental; bij de laatste wetgevende verkiezingen 
(1932) behaalde zij 866 817 stemmen (37,1% van het 
totaal). In alle officieele lichamen is zij vertegenwoor- 
digd; in twee provincies heeft zij de volstrekte meerder- 
heid, evenals in vele gemeenten!! Toch schijnt voor haar 
het hoogtepunt bereikt; haar wervingskracht is uit- 
geput en innerlijke spanningen verlammen hare 
actie. Hoewel voorstanders der republiek in beginsel, 
heeft de B.W.P. zich aangepast aan de grondwettelijke 
monarchie, zooals zij in België bestaat; aan het 
Vlaamsche rechtsherstel heeft zij nooit bijzondere 
aandacht of toewijding geschonken; hare macht bestaat 
overwegend uit Waalsche leden en leiders. Tegenover 
den godsdienst huldigt zij in haar programma het 
slagwoord: „Godsdienst is privaatzaak” (gewetens- 
zaak, vertaalt Van der Velde) wat echter in feite 
samengaat met een nu eens bedekte, dan weer meer 
openlijke godsdienstvijandigheid, die vooral in het 
Waalsche land nog tot vinnig anticlericalisme over- 
slaat. Op internationaal gebied streeft de B.W.P. 
naar beperking der bewapeningen en uitbreiding van 
de macht van den volkenbond, wat haar niet belette 
de legeruitgaven in België goed te keuren; slechts in 


487 


Belgische Volksbond — Belgisch rundvee 


488 


de laatste jaren openbaart zich in haar schoot een meer 
extremistisch anti-militarisme, dat o.a. dienstweige- 
ring propageert. 

L it. : Bertrand, Histoire de la démocratie et du 
socialisme en Belgiquw; Destree- Van der Velde, Le 
Socialisme en Belgique; Van der Velde, Na-oorlogsch 
Socialisme (Brussel 1921); id., Le Parti Ouvner Beige, 
1885—1925 (Brussel 1925,; Rapports des Congres du 
P.O.B. (het laatRte: Brussel 1981). V. Gestel. 

IV. De Frontpartij of Vlaamsch natio- 
nalistische part ij. In 1917 werd door 
VI. frontsoldaten een groepeering gesticht onder lei- 
ding van een ruwaard om zich te verweren tegen ver- 
drukking en een opbouwende actie te voeren op zedelijk 
en cultureel gebied. Na den oorlog ontstond een politie- 
ke partij, die den strijd begon voor een radicale op- 
lossing van de Vlaamsche Beweging. De vorm van de 
na te streven oplossing werd nooit zeer duidelijk om - 
schreven: administratieve scheiding van Vlaanderen 
<en Wallonië, federalisme onder één Vorstenhuis, 
Groot-Nederland, eindelijk Groot-Dietschland worden 
óf wel tezelfdertijd óf wel achtereenvolgens voorge- 
gesteld. Een ontwerp federaal statuut werd door de 
gekozenen in de Kamer ter tafel gelegd. De partij had 
echter met moeilijkheden te kampen, omdat de orga- 
nisatie eenheid miste: hier was ze Kath., daar neutraal, 
ginds vrijzinnig op godsdienstig gebied, en ook de 
programma’s der afdeelingen verschilden grondig. 
Deze oneen igheid trad vooral aan den dag, toen het 
Groot-Nederlandsche streven van den een met meer 
overeen te brengen leek met het Belgisch federalisme 
van den ander. De opkomst van het Dietsch Nationaal 
Solidarisme (Dinaso), met zijn invloed op de jeugd, 
word ten slotte in 1933 oorzaak van de ontbinding der 
partij, die op nieuwen grondslag wordt heringericht. 

Uitsluitend in aanmerking komende voor het 
Vlaamsche gedeelte van het land, telde de Frontparti. 
in de Kamer achtereenvolgens 5 (1919), 4 (19J1), b 
(1925), 11 (1929) en 8 (1932) gekozenen. 

V. De communistische partij. Gesticht in 1918 
door Jacquemotte, trad ze in Februari 1921 1. 1 
de 3 Internationale toe. In 1925 oogst ze 
34 000 stemmen en 2 gekozenen. In 1926 ontstaat 
scheuring tusschen Stalinisten (Jacquemotte) en 
Trotskvsten (Van Overstraeten). De eerste werd her- 
kozen te Brussel, de tweede verdween van het toonee . 
In 1932 telde de partij drie gekozenen (Brussel, Luik 
en Charleroi). Cordemans. 

Belgische Volksbond, op 2 Febr. 1891 te 
Leuven gesticht. Hij vervangt de Federatie van Katho- 
lieke Werklieden vereen igingen, welke tot stand was 
gekomen na het Katholiek Congres van 1867 en welke 
een zeer los verband had gelegd tusschen de burger- 
lijke leiders van de eerste Katholieke sociale werken. 

De B. V. vereenigt in een Federatie de Katholieke 
democratische inrichtingen van het land en onder- 
steunt de Christelijke volkswerking op alle gebied. 
De Belgische Volksbond stelt zich ten doel om den 
stoffelijken toestand der arbeiders te verbeteren, hen 
zedelijk te verheffen en aan de arbeiders een politieke 
vertegenwoordiging te schenken. Jaarlijks wordt een 
congres gehouden en tevens is door de B.V. het initia- 
tief genomen tot verschillende stichtingen, waaruit 
de Christelijke arbeidersbeweging van België is ge- 
erroG id • 

In 1904 wordt, met steun van denB.V., het Algemeen 
Secretariaat der Christelijke Vakvereenigingen pe- 
iticht, onder de leiding van E. P. Kutten. In 1900 


worden de Federaties van Mutualiteiten m een Lands- 
bond samengetrokken. Als leiders van den B. '- 2 '! 11 
in het bijzonder te vermelden de stichters: minister 
Helleputte en baron Arthur Verhagen. 

Na de grondwetsherziening van 1893 beeft de B.V. 
voor de werklieden bet recht opgevorderd om eigen 
candidaten voor te stellen op de gemeenschappelijke 
Katholieke lijsten. Na jaren van strijd is de voor- 
zitter M. Arthur Verhaegen er in geslaagd om, dank 
zii de tusschenkomst van het Vaticaan, cl it recht te 
doen erkennen. Alzoo heeft de B.V. een ponten in- 
vloed uitgeoefend op de democratische hervorming 
van de Katholieke Partij in België. Hij beeft het 
Katholiek sociaal programma nauwkeurig omschre- 
ven, gezag verworven voor de werklieden op politiek 
gebied, bet organisatiewerk ingezet en voorbereid. 

Na den Wereldoorlog was de B. V. uitééngerukt. 
Meerdere leiders, waaronder de bezieler van de orga- 
nisatie, baron Arthur Verhaegen, waren overleden. Op 
19 Juli 1921 werd door de overlevende bestuursleden 
de taak van den B.V. overgedragen aan een nieuwe 
Christelijke arbeidersorganisatie: het Algemeen Chris- 
ten Werkersverbond. De beproefde werkers van bet 
eerste nur en de leidende figuren van den Volksbond. 
Gustaaf Eylenbosch, Cvriel Van Overbergh en pater 
Rutten gingen over in het Bestuur van het Algemeen 
Christen Werkersverbond, waarvan M. Hendrik 
Hevman tot voorzitter en E. II. dr. Louis Co lens tot 
Algemeen Secretaris werd verkozen. Segers. 

Belgisch Kongo, > Kongo (Belgisch). 
Belfjistdi Museum voor do Nederduitsche taai- 
en letterkunde en de geschiedenis des vaderlands, 

II e t, Vlaamsch tijdschrift (Gent 1837— ’46), door Jan 
Frans Willems uitgegeven op last der Maatschappij 
tot bevordering der Ned. Taal- en Letterkunde. 
Benevens oorspronkelijke gedichten, bevat het hoofd- 
zakelijk oude teksten en archiefstukken, bijdragen 
over de letterk. der middeleeuwen en der rederijkers. 
Thans nog waardevol materiaal. A. Hoon. 

Bclfjisch rundvee. Ofschoon België zeer rijk ts 
aan rundvee, staat de fokkerij nog op vrij laag peil, 
in tegenstelling met de paardenfokkerij. Veel vee is 
geïmporteerd uit Nederland, met het doel de melk- 
productie te bevorderen, en uit Engeland (Shorthorns), 
om de vleeschproductie te verbeteren. Hiermee wordt 
zuiver gefokt of gekruist. Omstreeks 1900 is men 
begonnen meer aandacht te schenken aan de verbete- 
ring van den rundveestapel; de wereldoorlog heeft 
dit pogen in de war gestuurd en pas in de laatste jaren 
wordt met meer energie de verbetering aangepakt. 
Behalve de vele kruisingen en de Nederlandsche voo- 
rassen vindt men er thans de volgende rassen, die als 
zuiver worden erkend: 1° het roode Vlaamsche ras 
in West- Vlaanderen, hetzelfde vee als in West- 
Noord- Frankrijk wordt aangetroffen; geheel (liefst 
donker) rood van kleur, soms met enkele witte vlekken, 
vrij zwaar van bouw, melkvleeschtype. In de streek 
van Veurne-Ambacht is het meer in de vleeschrichting 
gefokt (invloed van Shorthomkruisingen); 2° het rood- 
bonte Oost-Vlaamsche ras in Oost-Vlaanderen, 
Luxemburg, Namen en Luik voorkomend; melk- 
vleeschtype; op de goede grondsoorten vrij zwaar, 
op de minder goede gronden kleiner en schraler; 
3* het Kempische ras, roodbont van kleur, vooral 
voorkomend in de zand- en heidestreken; nauw ver- 
want aan het Hollandsche Maas-Rijn-lJsel-veeslag; 
4° het blauwe ras, vooral voorkomend in Oost- Vlaan- 
deren, Brabant en Henegouwen; meer in de vleesch- 


489 


Belgrade — Belgrado 

BELGRADO 


490 



richting gefokt; kleur en type wijzen nog sterk op 
Shorthornkru ising ; ideale kleur is blauw, maar ook 
wit, witbont en zwartbont komen veel voor; 5° ras 
van het land van Herve (prov. Luik), zwartbont van 
kleur, zeer verwant aan het zwartbont Hollandsch 
vee. Aan het Ministerie van Landbouw is verbonden 
een Technische Comiteit voor Veeteelt, dat de geheele 
leiding heeft bij het bestudeeren en nemen van maat- 
regelen voor de veeverbetering. Een bijzonder insti- 
tuut voor huisdierkunde, gesteund door den Staat en 
geholpen door zgn. keurkweekerijen, doet hoofdzakelijk 
wetenschappelijke onderzoekingen. De staat steunt 
verder door subsidies de prov. verbonden voor kweek 
syndicaten, de veeteeltsyndicaten, de prov. prijs- 
kampen en de prov. en nationale tentoonstellingen. 
Verder kent men in België ook den voorlichtingsdienst, 
die wordt uitgeoefend door staatsveeteeltconsulenten. 

Verhey. 

Belgrado, gem. in de prov. Namen, aan de Sam- 
bre, ten N.W. van Namen; 2 000 inw., grootendeels 
Kath.; opp. 288 ha; landbouw. 

Belgrado (Servisch Beograd = witte burcht), 
hoofdstad van Zuid-Slavië en van de banowina B., 
op de uitloopers van het Servische heuvelland gelegen] 
aan de samenvloeiing van San en Donau (44° 48' N., 
20° 30' O.); 241 642 inw. (1931). B. is een middelpunt 
van land- en waterwegen en daarom van groote stra- 
tegische en economische beteekenis, in het bijzonder 
belangrijk als toegangspoort tot het Morawadal, waar- 
door de wegen gaan naar Stamboel en Saloniki. De 


oude burcht (thans kazerne) ligt aan den mond van 
de Sau en wmrdt van de stad gescheiden door het 
park Kalimegdan. In de oude stad vindt men de thans 
gemoderniseerde voormalige Turksche wijk Dortsjol 
en aan de Sau de los- en laadplaatsen der rivierbooten. 
B. is residentiestad; tevens zetelen hier de regeering, 
de volksvertegenwoordiging (Skoeptsjina), de ver- 
schillende gezanten, de patriarch der Servische 
Orthodoxe Kerk, een Kath. aartsbisschop, een Moham- 
medaansche grootmoefti en de opper-rabbijn der 
Joodsche Kerk in Servië. B. heeft een universiteit, 
een militaire academie en verschillende bibliotheken. 
Naast een drukken handel bezit B. ook vrij veel indus- 
trie, o.a. houtbewerking en bereiding van meel, 
spiritus, leer en bier. Hnek. 

Belgrado is al een bisdom sinds de 4e eeuw; 1924 
tot aartsbisdom verheven met den titel van Semendria. 

Kunst. In de oude stad de moskee Barjah. in 
de 10e eeuw door sultan Soeleiman (Soliman) opgericht, 
en de keizer-Ka rel -poort (1719). In de nieuwe stad 
de St. Michaëlskerk (1837 — ’46) met koninklijk 
paleis (1920 gerestaureerd) en het Monument der 
Overwinning door Iwan Mestovi^ (1928). 

Belgrado, Carlo, graaf, nuntius bij het 
Nederlandsche hof 1848— ’6ö. * te Udine (Noord- 
I talie), f 18 bebr. 1866 te Rome. 1855 — ’60 bisschop 
van Ascoli. 1862 patriarch van Antiochië. B.’s naam 
is onafscheidelijk verbonden aan het herstel der 
hiërarchie in Nederland. Reeds voor 1848 drongen 
vooraanstaande Katholieken bij den H. Stoel 


491 


Belgrano— Belichtingssterkte 


492 


hun land tot een zelfstandige kerkprovincie te ver- 
heffen. Na eenige aarzeling is B. dit streven gaan 
steunen, wat groote moeilijkheden met zich bracht 
én te Home én in Den Haag. Al erkenden de paus en 
de Nederlandsche regeering beiden de volkomen schei- 
ding van Kerk en Staat, toch wenschte minister Thor- 
becke te voren ingelicht te worden over Rome s plan- 
nen; officieus heeft B. aan dit verlangen voldaan 
(1853; Aprilbeweging. > Hiërarchie). In overleg met 
de bisschoppen regelde B. de eerste organisatie van 
de hun toegewezen gebieden. Sedert 1853 verdwijnt 
in Nederland de titel vice-superior; sindsdien zijn B. 
en zijn opvolgers slechts vertegenwoordigers van den 

^ L i t. : P. Albers, Geschiedenis van het Herstel der 
Hiërarchie in de Nederlanden (II 1904); P. Goulmy, 

’s Pausen Diplomatie en de Nederlanden (1917, ; A. 
Hensen, C. Belgrado (Nieuw Ned. Biogr. Woordenb. 
VII 1927); G. Gorris, C. Belgrado (Dict. Hist. Geogr. 
Eccl. VII 1933). de Haas . 

Bclfjrano, Manuel, Argentijnsch generaal 
en patriot. * 8 Juli 1770 te Buenos-Aires, f 20 Juni 1820 
aldaar. B. tudeerde in Spanje in de rechten en 
de staathuishoudkunde, en bleef steeds de denk- 
beelden der Philosofen en der Physiocraten aankleven. 
Nam in 180G deel aan de verdediging van Buenos 
Aires tegen de Engelschen. Behoorde tot de kleine 
groep patriotten, die den opstand van 1810 deden 
uitbreken: van toen af tot 1819 streed hij tegen Spanje 
in Argentinië, Paraguay, Chili en Peru. In zijn moeder- 
stad werd voor hem een standbeeld opgericht. 

L i t. : B. Mitre, Historia de M. B. (2 dln. Buenos- 
Aires 1859 ; nieuwe druk door R. Rojas, 4 dln. Buenos- 
Aires 1927): R. Rojas, B. (Buenos-Aires 1920' : L. R. 
Gondra, Las ideas económicas de B. (Buenos-Aires 
21927). Lousse t 

BHial komt in 2 Cor. 6. 15 voor als naam van den 
duivel, wordt als zoodanig ook gevonden in^de a P°" 
cryphe boeken „de Hemelvaart van Isaias” en „de 
Testamenten der 12 patriarchen”. Of het woord B. 
in het O. T. een abstractum of een eigennaam is, 
wordt betwijfeld. De H. Hiëronymus vat het soms op 
als eigennaam; op andere plaatsen vertaalt hij het 
met „duivel” of met „goddeloosheid”. Oorspronkelijk 
beteekent B. waarschijnlijk „nietswaardigheid”. 

Keulers. 

Bclihni, 1° Babyloniër. die in 702 v. Chr. door 
Senacherib als koning van Babylon werd aangesteld, 
doch in 700 weer afgezet wegens zijn opstandig ver- 
bond met Elam. 

2° Babvloniër, die Assyrisch veldheer en stadhou- 
der was, ‘ca. G50 v. Chr. ‘Van hem zijn vele brieven 
bewaard over zijne veldtochten. 

L i t. : (2) Figulla, Der Briefwechsel Bêlibnis, in : 
Mitt. der Vorderas. Ges. (XVII, 1). Sinion >•. 

Beliehos (Balicha, Grieksch; Assyrisch: Balichoe; 
thans Arabisch: Nahr al Balich), zijrivier van den 
Euphraat, waaraan verschillende oude steden lagen, 
o.a. Haran (Harran) en de gelijknamige stad Balichoe. 

BoliHitingsrnrter of luxmeter (na- 
tuur k.), instrument ter bepaling van de belichtings- 
sterkte van een vlak. In principe bestaat een b. meestal 
uit twee diffuus reflecteerende vlakjes p en q. Het 
vlakje p wordt belicht met behulp van een lampje 
met regelbare lichtsterkte. Het vlakje q bevindt zich 
op de plaats, waar de belichtingssterkte gemeten 
moet worden. Men zorgt nu voor gelijke helderheid 
van p en q door de belichting van p te varieeren. 


De gevraagde belichtingssterkte van q volgt dan uit 
de door ijking bekende van p. Rekveld. 

De belicht ingsmeter in de photoeraphie 
heeft tot doel de sterkte van het licht te meten en dan 
daaruit den belichtingstijd vast te stellen. De voor- 
naamste soorten (hiervan bestaan er legio, volgens 
geheel verschillende sysiemen) kan men rangschikken 
in twee groepen : 

1° die soorten, welke bestaan uit een in steeds 
donkerder gekleurde vl kjes verdeelde schijf, voor- 
zien van een serie nummers. Door middel van een 
lens wordt deze schijf in doorzicht gezien en met het 
nummer, dat men dan ziet, wordt volgens op den 
meter aangegeven tabellen de juiste tijd bepaald. 

2° Die soorten, welke bestaan uit een klein instru- 
mentje, waarin een photo-cellamp is ingebouwd, die 
het licht ontvangt langs een diaphragma-inrichting. 
Dit instrumentje plaatst men in de richting van het 
te nemen o ( erwerp; door het licht, dat op de photo- 
cellamp scl ijnt, wordt dan aan den achterkant een 
wijzer in beweging gebracht langs een schijf, w'aarop 
belichtingstijden zijn aangegeven, varieerende van 
5 sec. tot 1/200 sec. Men heeft dan slechts den door 
den wijzer aangegeven tijd af te lezen. Deze laatste 
soort is geheel nieuw en beteekent een omwenteling 
op het gebied der be licht ingsmeters. Zicgler. 




Fig. 2. 



Fig. 1. 


Fig. 3. 


Belichtingsmeter. Afbeelding van de Lios- 
Ultra (fig. 1). Deze belichtingsmeter werkt op het 
volgende principe: de belichtingsmeter wordt op het op 
te nemen voorwerp ingcsteld, zoodat d»t als omgekeerd 
beeld scherp zichtbaar is (fig. 2). Dan wordt de ring 1 
zoolang gedraaid, tot het kruis verdwenen is. Nu wordt 
op ring 2 het getal afgelezen, wat het pijltje van ring 
1 aanwijst, en het pijltje van ring 3 daarboven geplaatst. 
Hierop kan men op de bovenste schaal van ring 3 voor 
ieder diaphragma, aangegeven on ring 4, den belichtings- 
tijd aflczen. Deze ring 4 is zelf weer instelbaar op de 
snelheid van de plaat, welke in Scheiner-graden of H. & 
D.-graden af te lezen is. 

Belichtingsslerkte of v^rlichtings- 
sterkte van een vlak is de lichtstroom, die op 
1 m 2 van dat vlak valt. De eenheid van b. is de lux 
(lx). Bij een puntvormige lichtbron is de b. van een 



493 


Belichtingstijd— Bell 


494 


klem vlakje omgekeerd evenredig met het kwadraat 
van den afstand van dit vlakje tot de lichtbron en recht 
evenredig met den cosinus van den invalshoek der 
lichtstralen op het vlakje (Wet van Lambert). Bij 
verlichting met kunstlicht wordt de keuze der lamp- 
sterkte o.m. door de in verband met het beoogde doel 
gewenschte b. bepaald. Voor huiskamerverlichting 
moet de b. bijv. circa GO lx zijn. In het volle zonlicht 
kan de b. tot 100 000 lx bedragen. Rekreld. 

Brlk-hf iiic/sf ijcl is een photographische term, 
die aangeeft den tijdsduur, gedurende welken men het 
te photographeeren object door een lens laat in werken 
op de gevoelige plaat. De factoren, die dezen tijd 
bepalen zijn verschillende: sterkte van het licht, licht- 
gevoeligheid van lens, lichtgevoeligheid van plaat. 

Met gewone photographische toestellen kan men 
thans een snelheid bereiken van 1/5 000 sec., terwijl 
m de m ïcrophotographie en kinophotographie kortere 
belichtingstijden bekend zijn. Ziegler . 

BHinsk ij , Wissarjon-Grigorje- 
witsj, Russisch letterkundig criticus van realis- 
tische en liberaal-Westersch-gezinde strekking. * 10 
Mei 181 1 te Sveaborg, f 28 Mei 1848 te St. Petersbur* 
Begonnen als leerling van Schelling, zocht B. in zijn 
jeugdcritiek de harmonische verbinding van klassiek 
en romantiek als een letterkundig ideaal op te stellen. 
Aa zijn wegzending van de universiteit te Moskou 
komt hij in St. Petersburg, onder Bakoenin’s invloed, 
in radicaal -vooruitstrevend vaarwater en werpt zich 
op tot hardnekkig bekamper van Poesjkin’s romantiek 
en verdediger van de Russische naturalisten: Gogolj 
Ilerzen, Dostojewskij, Gontsjarow. 

I i t g. d. Iwanow-Razumnik (3 dln. Leningrad 1919). 

: p ypi n » V-G-B- (2 dln. Leningrad 1908); 

N O. Lerner, B. (Berlijn 1922) : E. Lo Gatto, Storia della 
letteratura russa (IV Rome 1931, 225-273). Baur. 

Brlisarius, veldheer van keizer Justinianus I, 

* ca. 505 in Illyrië, f 565 te Konstantinopel. Zijn leven 
is beschreven door Procopius van Caesarea, rechts- 
kundig secretaris van den keizer. Hij streed tegen de 
Perzen, maar is vooral bekend om het onderwerpen 
van de Vandalen (533 — ’34) en de bevrijding van de 
Afrikaansche Kerk van den Ariaanschen druk. De 
Oost-Goten bestreed hij daarna met succes in Italië. 
Om het geringe resultaat in den oorlog tegen de Perzen 
afgezet, later weer als veldheer naar Italië gezonden 
en weder afgezet op grond van valsche beschuldigingen, 
leefde hij sedert 548 stil te Konstantinopel. Kort voor 
zijn dood werd hij in zijn eer hersteld. Zijn leven gold 
later in de literatuur als het voorbeeld van de verander- 
lijkheid der fortuin. de Brouwer, 

Soemerische (NINLIL) en Babylonisch 
Assyrische godin, echtgenoote van Bel. 

Belize, hoofdstad, tevens voornaamste handels- 
stad van Br itsch -Honduras, liggend aan de Old-River- 
monding. 12 700 inw*. Het apost. vicariaat B. telt 
meer dan 29 000 Kath. 

Beljjnme, Alexandre, Fransch Anglist, 
hoog leeraar aan de Sorbonne. * 1842 te Villiers-lc-Bel, 
f 1906 te Domont. B. specialiseerde zich in de tekst- 
critiek van Shakespeare en in de studie van Shelley 
en Tennyson; hij was een der eersten, die in de litera- 
tuurgeschiedenis het verband tusschen het maatschap- 
pelijk leven en de letterkundige productie zocU bloot 
te leggen. 

Hoofdwerk: Le public et les hommes de lettres 
en Angleterre au 18e siècle (1881). Baur. 

Bell ,l°Alexander Graham, physioioug. 


*1847 te Edinburgh (Schotl.), f 1922; inl872hoog- 
leeraar in de physiologie der spraakorganen te Boston 
(\ er. St.), wat hem tot de uitvinding van de telephoon 
bracht (1876). In 1906 dr. hon. causa te Edinburgh. 

J. v. Santen. 

2 Alex ander Melville, de grondlegger 
der moderne klankleer (phonetiek) en van spreek- 
methoden voor doofstommen. * 1819 te Edinbur°\ 
(Schotland), f 1905 te Washington (Amerika). Lector 
m phonetiek te Edinburgh (1843— '65); te Londen 
(4865— ’70); lector der philologie te Kingston in 
Ontario (1870 — ’8l); daarna leider van een doofstom- 
men -instituut te Washington D. C. Zijn standaardwerk 
is: Visible Speech: The Science of Universal Alpha- 
betics (1867); de tweede uitgave in 1882 was echter 
al niet meer op de hoogte van zijn tijd. 

L i t. : J. Storm, Engelsche Philologie (I 1892, 111-119* 
399-406) ; Monogr. van J. Hitz (1906). Pompen. 

3° A n d r e w. Deze en Lancaster zijn de 
uitvinders van het monitorenstelsel, d.i. een onderwijs- 
systeem, waarbij één onderwijs leider het toezicht heeft 
over alle leerlingen, in één groot lokaal verzameld, 
terwijl het onderwijs wnrdt gegeven door een aantal 
oudere leerlingen, de monitoren, die van den leider 
hun instructies krijgen. In de 19e eemv heeft dit stelsel 
langen tijd om den voorrang gedongen (het was goed- 
koop!) met het klassikale, dat vanaf 1800 overal in 
Europa het vroegere hoofdelijk onderwijs begon te 
vervangen. Evengoed als aan B. en L. zou het monit.- 
stelsel kunnen worden toegeschreven aan pcre Girard, 
die het te Freiburg in Zw.1. op voorbeeldige wijze 
toepaste zonder iets van zijn Eng. collega’s te w r eten. 

Andrew Bell werd geboren in 1753 in Schotland. 

7 1832. Studeerde theologie, trad in dienst der Oost- 
Ind.-Comp. en werkte volgens genoemd svsteem 
met soldatenkinderen te Madras. Later stichtte 
hij in denzelfden geest scholen in Engeland, vooral 
in Londen. John Lancaster (* 1778 te 
Londen) bracht, zonder van B. gehoord te hebben, 
het stelsel in toepassing met kinderen uit Londensche 
volksbuurten en ondervond daarbij krachtigen steun. 
Toen hij Quaker w f as geworden, werd Bell naar Londen 
geroepen en ontstonden er tw r ee partijen, een B.- en 
een L.-Bond, die beide krachtige propaganda maakten, 
zelfs buiten Engeland. L. moest het ten slotte afleggen, 
doolde na 1814 in groote armoede rond in Noord- en 
Zuid -Amerika en kwam te New York om het leven 
in 1838. 

Werken: Bell, An Experiment in Education, 
made in the Male Asylum at Madras, suggesting a 
System by which a School of Family may teach itself 
under the Superintendence of the Master or Parent 
(Londen 1797); Lancaster, Improvements in Education, 
as it respects the Industrious Classes of the Community 
(Londen 1803) ; The British System of Education 
(Londen 1810; Duitsch : Ein Schulmeister unter 1000 
Kindern, door Natorp 1818). — Li t. : Southey, Life of 
Andrew Bell (3 dln. 1844) ; Meiklejohn, An old Educa- 
tional Reformer, dr. Andr. Bell (Londen 1881). 

. Rombouts. 

4 ° Sir Charles, bekend als neuroloog, af- 
komstig uit Schotland, werkte vooral in Londen; 

* 1774, f 1842. B. ontdekte de functie der verschillende 
hoorns van het ruggemerg, nl. de motorische en de 
sensibele vezels. Beschreven in : An idea of a new 
anatomy of the brain (1811). 

5°Currer, Ellis en Acton, > Bronte 
(Currer, Ellis en Acton). 

6° Thomas, zoöloog, * Oct. 1792, f 1880. 


495 


Bell— Bellange 


496 


Studeerde medicijnen te Londen en werd in 183- 

Ï rofessor in de zoölogie aan het King’s College te 
enden. Van 1848— ’63 was hij secretaris van de Royal 
Societv en tot 1861 president der Linnean Society. 

Werken: A monograph on the Testudinata (1833) ; 
Natural history of the British reptiles (1849'; Natural 
history of the British crustacea (1853); Natural history 
of the British quadrupeds (Londen 2 1874). Willems. 

Bell, Symptoom van, (geneesk.). 
Bij het sluiten van het oog wordt, door het ontspannen 
van de het ooglid heffende spier, de oogbol naar boven - 
buiten gedraaid. Zeer gord is dit verschijnsel te zien, 
zoodra bij een aangezichtsverlamming de oogen 
gesloten worden, waarbij aan de gekwetste zijde dus 
het oog niet sluit. Klessens 

Bell , Systeem van, > Bell-Sweet. 

Bell , Verlamming van, -> Aangezichts- 
verlamming. 


Bellabella Indianen, stam van de > Indianen 
van N. Amerika, N.W. kustgebied; in het huidige 
Britsch-Columbia, Canada. 

Bellacoola Indianen, stam van de > Indianen 
van N. Amerika, N.W. kustgebied; in het huidige 
Britsch-Columbia, Canada. 

Belladonna, > Doodkruid. 
Belladonnabladen moeten 0,3 — 0,5% alka- 
loïden bevatten; gebruikt o.a. ter bereiding van bella- 
donna-extract (F. L), d.i. met een verdunde spiritus 
en zuivering met water bereid dik extract, dat 1 /2 % 
alkaloïden, en belladonnatinctuur, die 0,03% alkaloï- 
den bevat, van asthmapapier en cigaretten. Hillcn. 

BrlKaert, Jacob. een der eerste Haarlemsche 
drukkers (van 1483 tot 1486). Hij gebruikte het 
Gotische lettertype, dat veel gelijkt op het lettertype, 
waarmede het* „Speculum humanae salvationis” 
werd gedrukt. B. moet voor het eerst de griffioen als 
drukkersmerk hebben gebezigd. Hij woonde in het 
huis „De Griffioen”, in welk huis ook door Coster. 
volgens Coomhert, de boekdrukkunst zou zijn uit- 
gevon d en . Ronner . 

Bclhtgio, beroemd toeristenverblijf in Italië 
aan het Zuidelijk deel van het Comomeer (45° 69' N., 
9° 16' O.); 3 250 inw. (1921); 216 m boven de zee. 
Zeer beschutte ligging. 

Bclluiguc, C a m i 1 1 e, Fransch kunstcriticus 
en biograaf. * 1858 te Parijs, f 1930. B. verzorgde 
achtereenvolgens de muziekkroniek in Le Correspon- 
dant en die in La Revue des deux mondes. In den strijd 
rondom Wagner speelde B. een aanzienlijke rol. 

Werken: L’année musicale (1887 vlg.) ; Etudes 
musicales (1898 vlg.); Mozart <1907); Mendelssohn 
(1907): Histoire de la musique (1909); Gounod (1910). 

Beilnire, gem. in de prov. Luik, ten O. van I uik; 
ruim 1 600 inw.; opp. 101 ha; bergachtige omgeving; 
kerk van de 18e eeuw, met Piëta van de 14c eeuw; 
B. leed veel in 1914. 

Belliiinicus, Thomas, •> Bcauxamis. 
Bellamy, 1° Edward, Amerikaansch jour- 
nalist, romanschrijver en politicus. * 1850, f 1898. 
Hij had o.a. in Duitschland rechten gestudeerd, ging 
in de journalistiek, en werd plotseling beroemd in 
1888 door zijn utopischen toekomst-roman Looking 
Backward, 2000— 1887, waarvan in minder dan twee 
jaren een half millioen exemplaren werden verkocht, 
en die in alle talen van Europa werd vertaald. Als 
in alle utopische romans wordt hier een communistische 
ideaalstaat in alle détails geschilderd. In dezen staat 
is privaat kapitalisme vervangen door staatskapita- 


lisme en het leven der burgers is geheel geïndustriali- 
seerd en centraal georganiseerd door den staat. 
De fantasie van B. werd door een breeden kring van 
bewonderaars in Amerika tot politiek program en 
practisch ideaal verheven; en B. zelf liet zich verleiden 
een nieuwe politieke partij op te richten, die den naam 
kreeg vanNationalistische Partij, wijl zij alle productie- 
middelen wilde nationaliseeren. Maar deze partij 
kon geen politieken invloed winnen en loste zich in 
1892 op in de socialistische People’s Party. Een voort- 
zetting van zijn succes-roman onder den titel van 
Equalitv (1897) bleek een mislukking. W. Morris, 
de aesttietische Engelsche socialist, vond het toekomst- 
ideaal van B. geheel verwerpelijk en schreef daarom 
in 1891 zijn verfijnde pastoraal-utopio News from 

Nowhere. _ 

Lit.: Diss. Hoeksma (1903). Pompen. 

2° Jacobus, dichter en criticus, die streed 
, losheid, waarheid en natuur”. Tegenstander 


VOOr „luanciu, «uuinvrn — ■■ - --o — - 

van de > Dichtgenootschappen, welke hij „poëtische 
gasthuizen” noemde. * 1757 te Vlissingen, f 1786. 
Zoon van arme ouders, kreeg hij een studiebeurs, 
die hem in staat stelde te Utrecht theologie te 
gaan studeeren, hoewel het ambt van predikant hem 
weinig aantrok. Te Utrecht reeds bekend als de zanger 
„Zelandus” van de in 1782 verzamelde „Gezangen 
mijner Jeugd”, werd hij aldaar dadelijk het middel- 
punt van het * Patriotsch-gezinde genootschap 
„Dulces ante omnia musae”. De zucht naar vader- 
landsche grootheid en krijgsroem uit zich in de Vader- 
landsche Gezangen 
(1782— ’83). 

Zijn drang naar 
vernieuwing der 
literatuur blijkt uit 
zijn critisch werk in 
de door hem en zijn 
vrienden uitgegeven 
periodiek: „De Poë- 
tische Spectator”. 

B. schreef o.a. rij- 
melooze verzen uit 
reactie tegen de 

D ichtgenootscha p - 
pers, die in het rijm 
alleen het wezen van 

een vers zagen. Te Jao . Bel)am y. 

jong gestorven om 

het nageslacht volledig gelegenheid tot oordeeleu 
te geven, mag toch B.’s belangstelling voor de 
ontwikkeling der poëzie en critiek tot geen prijs ver- 
waarloosd warden. 

Werken en lil.: J. Dyserinck, Ter nagedachtenis 
van Jac. Bellamy (1881); dr. A. Nijland’s uitgave van 
Bellamy’8 Gedichten enz. A. Sassen . 

Bellange, Jacqnes, Fransch schilder en 
etser, * vóór 1594. Werkte te Nancy van ca. 1002— 
1617. Hij werkte in dienst van hertog Karei III 
van Lotharingen aan de versiering van het hertogelijk 
paleis te Nancy tot ca. 1611. Onderwerpen uit de 
mvthologie, de Romcinsche geschiedenis, jacht- 
tafereelen enz. Bijna al deze werken zijn verloren 
gegaan. Slechts enkele schilderijen kunnen met 
zekerheid aan hem toegeschreven worden. Beroemd 
was hij ook als etser. Hierin uitte hij zich op geniale 
en zeer persoonlijke wijze. Zijne onderwerpen, vaak 
ontleend aan de mythologie en de bijbelsche geschie- 
denis, zijn sierlijk en elegant van compositie met een 




GIOVANNI BELLINI 


Madonna (teekening in het Louvre, Parijs) 





497 


[Bellangé— Bellarmin us 


498 


neiging om zijn figuren eenigszins in langgerekte 
houding weer te geven. Behalve de etsnaald schijnt 
.hij somtijds ook de burijn te hebben gebmikt en etste 
hij ook wel in een eigenaardige stippeltechniek. Zijn 
prentwerk is in enkele musea door goede exemplaren 
vertegenwoordigd, o.a. in het Mus. Boymans te Rot- 
terdam. 

L i t. : Gazette de beaux Arts (I 1874, 191, 194); 
Bénézit, Dict. des peintres enz. (I). de Stuers. 

Bellange, H i p p o 1 y t e, Fransch schilder en 
lithograaf van militaire onderwerpen, genrestukken 
en paarden. * 17 Jan. 1800 te Parijs, f 10 April 1866 
aldaar. Was leerling van Gros te Parijs, op wiens 
atelier hij vaak Charlet ontmoette. In den beginne 
maakte hij lithographieën, doch legde zich ook toe 
op het schilderen van soldatentafereelen. Hij onder- 
ging den invloed van Charlet en soms ook van Raffet. 
Meer teekenaar dan schilder, boeit zijn werk door een 
verrassend accent, door een elegante, smaakvolle 
voordracht, waarbij het anecdotische in de compositie 
van het onderwerp een grooto rol speelde. Voortreffe- 
lijk teekenaar van paarden. Zijn werk droeg er veel toe 
bij de figuur van Napoleon en de daden van zijn leger 
populair te maken in Frankrijk. Van 1837 — 1854 
was B. conservator aan het Mus. te Rouaan. 

Werken: o.a. in het Louvre te Parijs en in de 
musea te Amiens, Versailles, Bordeaux, Rouaan enz. 
In Duitschland o.a. te Leipzig en in de Nat. Gal. te 
Berlijn. — L i t. : Bellier-Auvray, Dict. gén.; J. Adeline, 
II. Bellangé et son oeuvre ; Béraldi, Les graveurs du 
XIX siècle (1885). de Stuers. 

Hol hm o, Bartolomeo, Ital. bouwmeester 
en beeldhouwer, * 1434 te Padua, f ca. 1497; zoon 
van een goudsmid. Zijn werk staat onder invloed van 
Vacchetti en Donatello, dien hij naar Florence gevolgd 
is. B. maakte voor den Raad der Oudsten te Perugia 
een bronzen beeld van paus Paulus II (1798 verwoest); 
zou, aldus Vasari, in 1464 in Rome vertoefd hebben; 
werkte in Padua in de Antoniusbasiliek en in de 
S. Giustina; vergezelde in 1497 Gentile Bellini naar 
Konstantinopel, voltooide in 1484 te Padua de bronzen 
reliëfs van het koor der Antonius-basiliek (voorst, 
uit het Oude Testament). Van hem is ook het bronzen 
grafmonument van Pietro Roccamellini in de S. Fran- 
cesco aldaar. Zijn beeldhouwwerk verraadt onvol- 
doende kennis van perspectief. Uit zijn laatste ver- 
blijf in Padua stamt zijn navolging van Pietro 
Lombard i. 

Voorn, werken: Madonna met twee engelen 
(1491, gesigneerd en gedateerd; Parijs, Musée Jacque- 
mart André) ; reliëfs, de laatste levensgebeurtenissen 
van Christus voorstellende (Padua, S. Lorenzo, samen 
met Bertoldo van Florence) ; buste van Paulus 11 
(Rome, Palazzo Venezia) ; reliekschrijn met ezelwonder 
van den H. Antonius van Padua en beelden van de II 11. 
Framiscus, Antonius, Lodewijk en Bernardinus (Padua, 
Antonius-basiliek, sacristie). Het Rijks Museum te 
Amsterdam heeft een Madonna met Kind, vaak toe- 
geschreven aan B. B. — L i t. : Planiscig, Venezianische 
Bildhauer der Renaissance (1921). Knipping. 

Bellnni, Italiaansch natuurkundige. De luci- 
meter van Bellani bepaalt de gemiddelde 
intensiteit van het licht in een bepaalde tijdsruimte. 

Bellannimis, Robertus Franciscus 
Romulus, Heilige, Jezuïet, kardinaal-bisschop, 
kerkleeraar. * 4 Oct. 1542 te Montepulciano (Palazzo 
Ta rug i), f 17 Sept. 1621 te Rome; zoon van Vincenzo 
van Montepulciano en Cinzia Cervini, zuster van paus 
Marcellus II. Familiewapen: zes gouden pijnappels 
op rood veld. Trad 20 Sept. 1560 in de Sociëteit van 


Jesus en doceerde, na in het Collegium Romanura 
den magisterstitel behaald te hebben, aan de colleges 
te Florence (preekte ook in den dom) en Mondovi. 
Zijn theologische studies deed hij te Padua en kwam 
dan naar Leuven, waar hij zijn studies voortzette en 
belast werd met de prediking voor de studenten der 
universiteit. De priesterwijding volgde in 1570 te 
Gent. Als professor in de theologie aan het Jezuïeten- 
college te Leuven bestreed hij vooral Bajus. B. keerde 
om gezondheidsredenen in 1575 naar Italië terug en 
werd to Rome in het Collegium Romanum met den 
controversen zetel belast. Uit deze lessen groeide zijn 
werk: Controvcrsiae christianae fidci adversus huius 
temporis haereticos” (3 dln.), waarvan het eerste deel 
in 1586 verscheen. Hierdoor legde B. den grondslag 
der moderne apologie en toonde zich een der scherp- 
zinnigste apologeten van zijn tijd. Toch vond zijn werk, 
door sommigen als te mild beoordeeld, hier en daar 
tegenkanting. Het in 1589 verschenen boek „De 
Translatione Imperii Roman i” is vooral gericht tegen 
Matthias Flacius Illyricus, den grondlegger der Maag- 
denburger Ccnturiën. Voor de verbeterde uitgave van 
den Sixtijnschen bijbel onder Clemens VIII (Editio 
Sixto-Clementina) schreef B. de voorrede, waarbij 
hij vooral den wetenschappelijken naain van Sixtus V 
trachtte te redden. Ten onrechte w r erd deze voorrede 
later als leugenachtig begrepen en meermalen al» 
moeilijkheid tegen zijn zaligverklaring voorgebracht. 
In 1692 w r erd hij aangesteld tot rector van het Colle- 
gium Romanum: in 1594 tot provinciaal der Napelsche 
Jezuïetenprovincie. Clemens VI 11 riep hem in 1597 
naar Rome terug en benoemde hem tot pauselijk 
theologant. ïn 1699 volgde zijn benoeming tot kardi- 
naal. Titelkerken: eerst S. Maria in via, later S. Pra- 
xedis. Hij nam ook deel aan de beraadslagingen der 
-> Congregatio de auxiliis divinae gratiae, door 
Clemens VIII gesticht om den theologischen strijd 
tusschen de Jezuïeten en Dominicanen over de ver- 
houding van genade en vrijen w il te beslechten. Per- 
soonlijk nam B. een midden-positie in, moest echter 
om zijn vrijmoedig schrijven aan den paus Rome ver- 
laten en werd benoemd tot aartsbisschop van Oapua 
(1602 — 1605). Paulus V riep hem wederom naar Rome 
terug. In 1613 schreef hij zijn autobiographie, die ook 
door sommigen dikwijls als bezwaar tegen zijn zalig- 
verklaring werd aangevoerd. In 1627 begon het proceg 
zijner zaligverklaring, maar w^erd niet voortgezet. 
Meermalen hervat, werd het telkens weer verschoven. 
Eerst 13 Mei 1923 volgde onder Pius XI de zaligver- 
klaring, ofschoon verschillende auteurs op onwaardige 
wijze deze poogden te verhinderen. (P. Baumgarten, 
Neue Kunde von alten Bibeln, 1922; 1. de Récalde, 
La cause du Vénérable Bellarmin, 1923; later G. Busch- 
bell, Selbstbezeugungen des Kardinals Bellarmin, 
1924.) B. werd heilig verklaard 29 Juni 1930 en tot 
leeraar der Kerk verheven. Feestdag 13 Mei. Zijn 
gebeente rust in de kerk S. lgnazio te Rome. 

W e r k o n : o.a. De Exemptione Clericorum liber 
iinus (Parijs 1599) ; De Indulgentiis et Jubilaeo libri duo 
(Keulen 1599): Recognitio Übrorum omnium Roberti 
Bellarmini ab ipso edita (Rome 1607) ; De Aseensiona 
mentis in Deum per scalas rerum creatarum (Rome 
1615); De aeterna felicitate Sanctorum (Rome 1616); 
De arte bene moriendi libri duo (Rome 1620). — L i t. : 
J. Fuligatti S.J., Vita del Cardinale Roberto Bellarmino 
(Rome 1624); D. Bartoli S.J., Della vita di Roberto 
Cardinale Bellarmino (Rome 1678) ; X. de Bachelet S.J., 

I Bellarmin et la Bible 8ixto-Clémentine (Parijs 1911); 
I E. Raitz von Frentz S.J., Der ehrwürdige Kardinal 


499 


Bellary — Belle-Isle 


500 


Robert Bellarmin S.J. (Freiburg i. Br. 1921, Ned. vert 
door L. Steger S.J., 1923). Lambermond. 

Bellary, stad in Voor-Tndië, presidentschap Ma- 
dras (15°6'N.. 76° 55' O.). 58 000 inw., deels Hindoes, 
deels Mohammedanen. Belangrijke Engelsche garni- 
zoensstad tusschen de inheemsche staten Haidarabad 
en Maisoer. 

Bell asien, onderafdeeling der Krijtformatie, 
gelegen tusschen Albien en Cenomaan, in Portugal. 

Rellasifi, P a o 1 a, componist, * te Verona, ca. 
1590 lid van de Accademia Filarmonica aldaar. Heeft 
uitgegeven: 5 boeken 5-stemmige madrigalen (1578, 

1582 1595), 1 boek 6-stemmige madrigalen 

(1590) 1 boek 3-8-stemmige villanellen (1592. in het 
stemboek van den cantus bevindt zich een luitbege- 
leiding in tabulatuur). Verzamelingen van 1585 (Dol- 
ci affetti), 1590 en 1592 bevatten ook madrigalen 
van hem. Piscaer t 

Bellatrix (Gamma Orionis), een ster van de twee- 
de gro* tte in het sterrenbeeld Orion. In winter en voor- 
jaar aan den avondhemel zichtbaar. 

Bi May, J o a c h i m Du, Fransch dichter van 
de > P 1 é i a d e. * 1522 te Liré (Angers), f 1 Jan. 
1600 te Parijs. Vooral om zijn letterkundig manifest 
van de Fransche Renaissance „Défense et illustration 
de la langue frangaise” (Paschen 1549) bekend, liet 
Du B. toch ook gedichten achter, die, minder bezwaard 
met Helleensche eruditie dan die van Ronsard, in 
verzorgden en toch ongekunstelden vorm (bij voorkeur 
het sonnet), deels de thema’s der Latijnen (Antiquités 
de Rome, 1558) deels die van Petra rca (L’Olive, 1549) 
nazingen; maar in hun beste gedeelten, met oorspron- 
kelijkheid van stijl en toon, een eigen gemoedsleven 
uitspreken, dat opgaat in de liefde voor landelijken 
eenvoud (Jeus rustiques, 1558) en in den weemoed 
van aardsche ontgoochelingen (Regrets, 1558). 

Bibliographie: Van Bever, in Revue de la 
Renaissance (XIII, 173 vlg.). — U i t g. : tekstcritische 
door Chamard, in Société des textes francais modernes 
(5 dln. 1906 vlg.). — L i t. : H. Chamard, J. D. B. 
(Rijssel 1900) ; P. Villey, Les sources italiennes de la 
Défense (Parijs 1908) ; A. Bourdeaut. in Mémoires de la 
Société nationale d’Angers (1910 — 1912); Ziemann, 
Vers- und Strophenbau bei J. D. B. (1913); N.Addamiano, 
J. D. B. (Cagliari 1921). Baur. 

Bolle, > Bailleul. 

Belle, Hendrik de, theoloog, > Hendrik de 
Belle. 

Belleau, R e m i, Fransch dichter van de ->■ 
P 1 6 i a d e. * 1528 te Nogent le Rotrou, f G Maart 
1577 te Parijs. Vertaler van Estienne’s uitgave van 
den Pseudo-Anacreon en van de Phaenomena van 
Ara tos, is B. de herderdichter bij uitstek (Bergeries. 
15G5 vlg.) van de groep. Zijn poëzie is verzorgde klein- 
kunst (le gentil B.), zonder geestelijken omvang en niet 
vrij van taaiduisterheid en vormgeknutsel. 

Ü i t g. : C. Marty-Laveaux (2 dln. Parijs 1877 vlg.). — 
Bloemlezing: A. Van Bever, Les amours (Parijs 
1909). — Lit.: H. Wagner (dissertatie, Leipzig 1890) ; 
E. Hinzelin, Livre d’or (N*ogent-lc-Rotrou 1900); 
A. Eckhardt, R. B. (Parijs 1917). Baur . 

Bellebeck, > Alfene. 

Belleehose, H e n r i, schilder, nawijsbaar van 
1415— ’40, geboortig uit Brabant, werkte als hof- 
schilder van Jan zonder Vrees en Philips den Goeden. 
Hij voerde opdrachten uit voor het klooster te Champ- 
mol bij Dijon; en is weinig van zijn werk over; het 
Louvre bezit een schilderij, hem toegeschreven. Men 


vermoedt, dat Rogier v. d. Weyden’s kunst in de 
zijne wortelt. 

L i t. : F. Winkler, Der Mr. v. Flémalle u. R. v. d. 
Weyden ; v. Wurzbach, Niederl. Künstlerlex. 

Schretlen. 

Bellecourt, gem. in de prov. Henegouwen, ten 
N.W. van Charleroi; opp. 293 ha, ruim 1 300 inw.; 
kleiachtige streek, steenkoolmijnen in de omgeving. 

BelIecloiine-keten,deelvande centr. kristallijne 
zone der W. Alpen in Frankrijk, ten 0. van Grenoble; 
tot 3 000 m hoogte. De keten loopt N. — Z., tusschen 
de dalen van Are en Drac. Weinig gletsjers; water- 
vallen voor de electr. kracht. Aan West- en Oostzijde 
loopen sedimentszonen (kalk). 

L i t. : R. Blanchard, Les Alpes franpaises (Parijs 
1925 ; met veel lit.). Heere. 

Bellefleur, naam, dien men vaak aan appelsoor- 
ten geeft; bijv. Brabantsche b. Het woord beteekent: 
fraaie bloem. 

Bellefoiitaine-lez-Cecliiine, gem. in het 
Z.O. van de prov. Namen; 200 inw. (Kath.); opp. 
505 ha; landbouw, steengroeven. 

Belleforesl , Francis de, Fransch proza- 
schrijver. Zijn uit Bandello vertaalde en van zedelijke 
overwegingen voorziene Histoires Tragiques (1564 
vlg.) behelsden o.m. de stof van Shakespeare’s Hamlet 
(1602) en waren, zoo wat in geheel Europa, de bron, 
waar latere roman- en tooneelschrijvers hun stoffen 
opdeden. Met zijn Pastorale amoureuse 
(1571) werd hij de voorlooper, in Frankrijk, van den 
sentimenteelen herderroman. * 1530 te Sarsan, f 1583 
te Parijs. 

Lit.: G. Reynier, Le roman sentimental avant 
l’Astrée (Parijs 1908). Baur . 

BellegamVie, J e a n, schilder te Douai van 
niet veel meer dan locaal belang. * 1480, f 1535. In 
zijn vaderland hoog geëerd; was echter een typische 
epigoon, onder invloed van Matsys, David e.a. 

Lit.: Dehaines La vie et Pocuvre de J. Bellegambe 
(Rijssel 1890) ; v. Wurzbach, Niederl. Künstlerlex. 

Schretlen. 

Bellegarcle, Fransche plaats in het arr. Nantua, 
dept. Ain (46° 7' N., 5° 53' O.), 374 m boven zee; 
4 660 inw. (1926). Hier naderen de bergachtige oevers 
van de Rhöne elkaar zeer dicht. 

Bellegarcle, H e i n r i c h Joh. F r a n z, 
Oostenr. veldmaarschalk. * 1756 te Dresden, f 1845 
te Weenen. Gaat van Saksischen in Oosten rij kschen 
dienst over: neemt deel aan den strijd tegen de lurken 
en aan de Coalitie-oorlogen ; sluit de preliminairen 
van Leoben met Napoleon; vervangt Melas na Marengo 
als opperbevelhebber; gouverneur van Galicië. 16 April 
1814 sluit B. met Eug. de Beauharnais een conve t e, 
waarbij hij namens de geallieerden het bestuur in 
Italië overneemt; na 1815 min. met grooten invloed 
en (voor de derde maal) voorzitter van den Hofkriegs- 
rat * V. Claassen. 

Bellegarcle Duparc, > Duparc. 

Belieg ei ii, gem. in de prov. West- Vlaanderen, 
ten Z. van Kortrijk; ruim 3 000 inw.; opp. 1 398 ha. 
Vlak landbouw land; vlas, textielnijverheid; kerk, 
met gedeelten van 12e en 16e eeuw; oude heerlijkheid. 

Belle- Ile, eiland voor de Bretonsche kust (Frank- 
rijk, 47° 20' N., 3° 10' W.), behoo rende tot het dept. 
Morbihan, groot 17 km bij 3-9 km; 6 670 inw. (1926). 
Veeteelt en vischvangst. Havenplaats is Le Palais. 

Belle- Isle, Charles Louis Auguste 
Fouquet, hertog van;* 1684, f 1761; 


501 


Bellelli — Bellerophon 


502 


als edelman van veelzijdige bekwaamheid streed hij 
in den Spaanschen en Poolschen Successie-oorlog 
en werd in 1738 gouverneur van Lotharingen. In 1741 
wist hij Lodewijk XV en kardinaal Fleury van de 
vredelievende politiek, sedert 1713 gevoerd, terug te 
brengen tot de anti-Habsburgsche traditie, hetgeen 
toen beteekende steun aan den Beierschen keurvorst 
Karei Albert en strijd tegen Maria Theresia in den 
Oostenrijkschen Successie-oorlog (1741 — ’48). Aan 
het hoofd van het Fransch-Beiersche leger met den 
duc de Broglie samen, veroverde hij Bohemen en Praag, 
woonde de plechtige kroning van Karei Albert te 
Frankfort bij en leidde ook den jammerlijken terug- 
tocht uit Bohemen in December 1742, als de Hongaren 
en Kroaten voor Maria Theresia krachtig optreden. 
In 1746 — ’47 streed hij tegen de Oostenrijkers en 
Sardiniërs in Italië, in 1758 werd hij minister van 
Oorlog; zijn Mémoires werden in 1760 uitgegeven te 
Londen. 

L i t. : Casimir Strijicnski, Le dix-huitième siècle 
(1912, in de serie : L’histoire de France racontée è tous). 

i*. Gorkom. 

Bellelli, F u 1 g e n t i u s, Augustijn, vermaard 
theoloog van de latere Augustijnenschool; studiorum 
regens te Siena, Napels, Venetië, Perugia en Rome, 
prefect van de Bibliotheca Angelica, generaal der 
Orde 1727— ’33. * 1675 te Buccino (Napels), f 1742 
te Rome. 

L i t. : Lanteri, Postr. saec. sex III, 53-54) ; F. Lang, 
Lex. Theol. u. Kirche (II, 130). Claesen. 

Bellem, gem. in de prov. O. Vlaanderen, 20 km 
ten W. van Gent, aan het kanaal naar Brugge. Opp. 
1 208 ha; 1 700 inw. Landbouw, kantnijverheid. De 
kerk, van het laatst ogivaal tijdperk, is meermalen 
veranderd; bezit een mooi veelkleurig geschilderd 
St. Annabeeldje uit de 16e eeuw en twee luiken (de 
familie Rym) met reëele kunstwaarde, door een 
onbekende (15e eeuw) geschilderd. Blancquaert. 

Biilcmsms, Dan i ë 1, Ned. dichter. * 1641 
te Antwerpen, kanunnik van de abdij van Grimbergen, 
f 1674 als pastoor te Horssen. Schreef een aantal 
godvruchtige volksliederen, meest in jubileerenden 
toon, die treffen door hun zuiverheid van gevoel en taal. 

Werken: Het Cytherken van Jesus (Brussel 1670) ; 
Den Lieffelijcken Paradys-vogel (Brussel 1670). — 
L i t. : G. Segers, Leven en werken der Zuid-Ned. 
schrijvers (1 1900, 66 vlg.); Anton van Duinkerken, 
Dichters der Contra-Reformatie (93 vlg., 310 vlg.). 

Asselberg*. 

Bollenden, John, Schotsch Katholiek pries- 
ter en schrijver, die ca. 1530 de Geschiedenis van 
Schotland van H. Boece (gedrukt 1536), en eenige 
jaren later de Annalen van Livius in het Schotsch 
vertaalde (pas gedrukt in 1822). Bij het uitbreken der 
Hervorming vluchtte hij naar het vasteland. Geboorte- 
en sterfjaar zijn onbekend. 

Bellens, 1° Cornelis, ascetisch schrijver; 
* te Ouwen (Grobbendonk), f 1573; geprofest in den 
Troon, congregatie van Windesheim (1557). Werk 
in handschrift in de Kon. bibl. te Brussel, nr. 2419. 

L i t. : F. Prims, Drie ascetische schrijvers der Troon- 
priorij, in Versl. en Med. der Kon. Vlaamsche Academie 
(1932, 263-286). Erens . 

2° Peter Jacob, populair gelegenheidsdich- 
ter en schrijver van een drietal tooneelkundig middel- 
matige, litterair opgeschroefde stukken. * 1800, 

| 28 Sept. 1858 te Lier. 

Werken. Naast de bundels: Gedichten voor de 
Jeugd, en : Dicht- en Prozastukken, twee historische 


tooneelstukken : Giafar en Zaïda of de Bouwvallen van 
Babyloniën, in verzen, naar den melodramatist R. C. 
Guilbert-Pixérécourt ; Broeder- en Zusterliefde, én een 
bekroonde éénakter : De ware vlijt. — L i t. : G. Segers, 
Leven en werken der Zuid-Ned. schrijvers (afl. I, 67 vlg.). 

Bellère (B e 1 1 e r u s), J e a n, eigenlijk Beel- 
laerts geheeten, boekhandelaar in Antwerpen, die 
sedert 1572 samenwerkte met Pierre Phalèse. Met den 
dood van B. hield deze verbintenis op, terwijl zijn 
weduwe den boekhandel voortzette. Zijn zoon Baltha- 
sar verplaatste dezen naar Douai, waar hij van 1603 — 
’05 den catalogus publiceerde van zijn uitgaven (door 
('oussemaker gevonden in de Bibliotheek van Douai). 

Piscaer. 

BHlermann, 1° Johann Friedrich, 
vermaard muziekhistoricus, speciaal op het gebied 
der oud-Grieksche muziek. * 8 Maart 1795 te Èrfurt, 
f 4 Febr. 1874 te Berlijn. Publiceerde: Die alten Lie- 
derbücher der Portugiesen (13e — 16e eeuw) (Berlijn 
1840), Die Tonleitern und Musiknoten der Griechen 
(1847, zeer belangrijk); een drietal kleinere studies 
over de toenmaals bekende resten der oude Grieksche 
muziek. 

2° Johan Gottfried Heinrich, com- 
ponist en musicoloog, zoon van J. Friedr. B. * 10 Mrt. 
1832 te Berlijn, f 10 April 1903 te Potsdam. Schreef 
hoofdzakelijk a-capella- werken en publiceerde, behalve 
eenige reeds toen verouderde theorieboeken, een zeer 
belangrijke studie over Die Mensu ra lnoten und Takt- 
zeichen in 15. und 16. Jahrhundcrt (1858, 2 1906). 

Reeser . 

3° L u d w i g, Duitsch Germanist, vooral in de 
studie van Schiller gespecialiseerd. * 7 Nov. 1836 
te Berlijn, f 8 Febr. 1915. 

Werken: Schillers Dramen (1888 vlg.) ; Schiller 
(1901). 

Bollrroplion, een fossiele slak, behoorende tot 
de Aspidobranchia. De schelp is spiraalsgewijs opge- 
rold en heeft een groote mondopening, voorzien van 
een diepe insnijding. Het voorkomen van dit geslacht, 
waarvan meer dan 300 soorten beschreven zijn, is 
beperkt tot het Palaeozoïcum. B. komt voor in de 
onder-Oarbonische kolenkalk van Visé, nabij de Ned. 
grens en eveneens in sommige lagen van het boven- 
Carboon in Limburg. Hofsteenge . 

Bclleroplion (ook: Bellerophontes). In de 

Grieksche myth. isR., zoon van Glaucus 
en Eurymcda, kleinzoon van Sisyphus, een tot heros 
afgezonken god, wiens eeredienst, oorspronkelijk in 
Griekenland (Tiryns), reeds in de Myceensche tijden 
naar Lycië (Klein-Azië) werd overgedragen, w^aar B. 
als de stamvader van het Lycische vorstenhuis werd 
aangezien. B. had zich tegen de liefde van Ante ia 
verzet, weshalve deze hem bij haar gemaal, koning 
Proitus van Argos, valschelijk beschuldigt. Proitus, 
vertoornd, zendt B. met een voor B. on leesbaren 
brief naar den koning van Lycië, die hem verscheidene 
levensgevaarlijke werken oplegt, w.o. den strijd tegen 
de Chimatra. Op zijn tooverros Pegasus gezeten, doodt 
B. het monster en doorstaat ook zegerijk de andere 
beproevingen. Als loon ontvangt hij 's konings doch- 
ter met de helft van Lycië. Later, door den haat der 
góden vervolgd, zv\ erft B. rond over de Aleïsche velden, 
terwijl twee zijner drie kinderen omkomen. Jongere 
dichters (Pindarus, de tragici) stellen B. voor, die 
met Pegasus ten hemel wil opvliegen, maar neer- 
stort. V. Pottelbergh. 

Voorst, in de kunst. Op vazen, reliëfs, 


503 


Bellerus — Bellingwolde 


504 


munten en gemmen vindt men vooral de voorstelling 
van zijn strijd met de Chimaera, op een Hellenistisch 
reliëf, hoe hij den Pegasus te drinken geeft, terwijl 
een Romeinsche sarcophaag een geheelen cyclus van de 
B.-sage laat zien. W. Vermeulen . 

BHIcrus, * Bellère. 

Belles lieures du Due de Berry, Les. 

> Berry (Urenboek van den hertog van). 

Bellcsini, Stepha nus, Zalige, Augustijn. 
Pastoor van Genazzano, stierf als slachtoffer zijner 
naastenliefde bij de verpleging der cholera -lijders. 
* 1774 te Trente, f 1840 te Genazzano, zalig verklaard 
27 Dec. 1904; feestdag 3 Febmari. 

Bellesort, A n d r é, Fransch schrijver van 
zuivere gedichten, die de zee verheerlijken, van boeien- 
de, kleurrijk gestileerde reisverhalen en stevige 
letterkundige essays. * 1860 te Laval. 

Werken: Mythes et poèmes (1893) ; Chansons du 
Sud (1896); La jeune Amérique (1897); Voyage au 
Japon (1902): La Suède (1910); En escale (1911); 
Saint Fran<?ois Xavier (1912) ; Reflets de la veillc (1913); 
Sur les grands chemins de la poésie classique (1914); 
Yirgile (»92o); Amérique (1922); Balzac (1924); Vol 
taire (1925); Heurcs de parole (1929). Buur. 

Bellet , Jan, Vlaamsch dichter en tooneelschrij- 
ver, factor der Iepersche kamer De Rosieren, boek- 
drukker, * le helft 17e eeuw te St. Omaers; volgpns 
zijn stadgenoot Van Dale „groote en suyvere Dichter 
(mora liter echter alles behalve zuiver»), die van 1622 
tot omtrent 1650 allen jaere een schoon Treurspel 
gemaekt heeft, sonder de kluchtspelen en andere 
werkskes naer d 'omstandigheden van tijd”. 

Werken. Naast de uit het Latijn vertaalde Wel- 
voeghinghe ofte beleeftheydt in den ghemeynen handel 
(1625), een paar lofdichten, o.m. de kluchten : Het 
lijden van den minnaer ; Francasso en Florette ; Mon- 
sieur Lappe en joffrouw Warmoes ; het blijspel David 
en Bergacéc. — L i t. : zie bibliogr. door Fr. De Potter, 
in Leven en werken der Zuid-Ned. schrijvers (afl. 1, 
68 vlg.) ; dr. J. Te Winkel, Gesch. der Ned. Lett. (IV). 

Godelaine . 

Bcllctnhle, H e n r i H u b e r t, kapitein 
der genie in Belgischen dienst, grondlegger (1841) 
der „Tl. Familie” te Luik. * 8 April 1813 te Venlo, 
■f 6 Dec. 1855 te Iloei als stadscommandant. 

BHIHrislit'k of bellettrie (Fr. belles- 
lettres, schoone wetenschappen, schoone letteren. 
Bchoone literatuur), verzamelnaam voor al wat. fraai 
is in de letterkunde. Men doet aan b. door zelf kunst- 
werken van taal te scheppen of door zich erop toe te 
leggen de b. van anderen te genieten. 

v. d . Eerenbeemt . 

Bellevmix-IJjjncuvillc, gem. in het kanton 
Malmedy, aan de Amelrivier; ruim 1 000 inw., opp. 
2 695 ha; merkwaardige kerk van Bellevaux met rijke 
versiering. 

Belle villo, spoorwegkru ispunt in den N. Amer. 
staat Illinois (38° 30' N., 90° W.), gelegen te midden 
van een belangrijk steenkoolgcbied en van een vrucht- 
bare landbouwstreek; in 1930: 28 425 inw. Bisschops- 
zetel. B. bezit ijzergieterijen en maalderijen en produ- 
ceert verwarmingstoestellen, landbouwwerktuigen, 
schoenen, bonnetrie- en lingerieartikelen. Op het 
grondgebied der stad ligt het Scott Field, een belang- 
rijk station en een oefenschool van de militaire lucht- 
vaart. Polspoel 

Bolle vols, J a c o b, schilder, vooral van marine- 
stukken, te Rotterdam; * 1621, f 1676; zijn werken 


zijn niet onverdienstelijk en staan onder invloed van 
S. de Vlieger en L. Backhnvsen. 

L i t. : v. Wurzbach, Niederl. Künstlerkxikon. 

Belley, arr. -hoofdstad in het Fransche dept. Ain, 
278 m boven zee; 4 740 inw. (1926). Kathedraal uit de 
15e eeuw; bisschopszetel. Handel in koren, wijn en 
zijde. 

Belli* G i ii s e p p e G i o a c h i n o, Ttaliaansch 
dialect-dichter, schilderde in sarcastische, realistische 
sonnetten het volksleven te Rome en de toestanden 
aan het pauselijk hof in de jaren 1830 — 1850. * 10 Sept. 
1791 te Rome, f 21 Doe. *1863 aldaar. 

Werken: Sonctti romaneschi (uitgegeven door 
L. Morandi 1886 — *89). — L i t. : L. Morandi, La Satira 
a Roma e i sonctti di G. G. Belli (1869) ; E. Bovet, Le 
peuple de Rome vers 1840 d’apros les sonnets de G. G. 
Belli (Neuch&tcl 1897' : Dom. Gnoü, G. G. Belli (Nuova 
Antologia, 16 Mei 1913). l'lrix. 

Bolhard, A u g u s t i n Daniël, graaf, 
Fr. generaal en diplomaat; * 1769 te Fontenay-le- 
Comte, f 1832 te Brussel; strijdt in de Coalitie-oor- 
logen onder Dumouriez en Hoche in België en de 
Rijnstreek; chef van Murat's generalen staf in Duitsch- 
land en Spanje; onderscheidt zich bij Leip/.ig (1813) 
en in den daarop volgenden veldtocht van Napoleon; 
onder Lod. XVII I pair; 1831 Fr. gezant in Brussel. 

F. Claassen. 

Belli ca, C o 1 u m n a, > Columna. 

Bol lick, gom. in de prov. Luik, ten N.O. van 
Borgworm, 700 inw.; opp. 692 ha; riviertje de Jeker; 
leemgrond, landbouw; oude heerlijkheid. 

Bollineinia (M a d o t h e c a), een geslacht van 
levermossen met vruchten aan korte zijtakjes. Ongeveer 
80 soorten in de tropen, o.a. B. plat\ phvila, de breed- 
bladerige B. en B. rotundifolia, de rondbladerige B. 

Bollincioni, G e m m a, operazangeres (colora- 
tuursopraan). * 18 Aug. 1864 te Monza (Piemont), 
leerlinge van haar vader Cesare B. en Corsis. Zij debu- 
teerde in 1881 te Napels in Pedrotti’s Tutti in maschera 
en verwierf zich tijdens haar loopbaan zoowel in Italië 
als in alle beschaafde landen grooten roem als ver- 
tolkster van hoofdrollen in tal van veristische opera’s. 
Vanaf 1911 leidde de zangeres een opera-school te 
Charlottenburg; later vestigde zij zich weer in Italië. 
Zij publiceerde een zangpaedagogisch werk en een 
au tob iogra ph ie. Hanekroot. 

Bellinden, gem. in Z. Brabant, ten Z.W. van 
Brussel; opp. 401 ha, ruim 700 inw.; landbouw. De 
priorij van Cantimpré bij Kamerijk vestigde zich, in 
1680, te Bellingen. De nieuwe abdij geraakte echter 
nooit tot bloei en ging onder de Fransche overheer- 
sching definitief ten onder. Lindemans. 

BHliiifjIiam, stad in den N. Amer. staat 
Washington (48° 45' N., 122° 30' W.), zeer schilder- 
achtig gelegen aan de gelijknamige baai (een onder- 
deel van den Puget Sound). In 1930: 30 823 inw. B. 
produceert vooral zalm- en fruitconserven, suiker, 
houtpu lp, papier, cement, steenkool; bezit groote 
houtzagerijen; verzendt groote hoeveelheden zuivel- 
producten, eieren en gevogelte; is een uitrustingshaven 
voor de Alaskavisscherij. In 1929 exporteerde de haven 
46 000 ton (906 kg) en importeerde er 74 000; boven- 
dien werden 140 000 ton door de kustscheepvaart 
aangevoerd en 704 000 verzonden. B. is bekend om 
haar tulpen en hyacinten. Pohpoel 

BHlinjjliem, > Cantimpré, Thomas van. 

Bellinfjwolde, grensgemeente in de prov. Gro- 
ningen ten Z.0. van Winschoten, bestaat uit de dorpen 


505 


Bcllini 


506 


B., Friescheloo, Oudescbans, Veelerveen en de gehuch- 
ten Klein lisda, Koudehoek, Den Ham, De Leele. 
6 142 inw. (1 Jan. 1930). waarvan 5080 Prot., 40 Isr. 
en 26 Kath. Opp. 7 880 ha, honfdzakelijk in gebruik 
voor landbouw, daarnaast veeteelt; aardappelmeel- 
fabriek te Veelerveen. B. is één van de mooiste, zoo 
niet het mooiste landbouwdorp uit de provincie Gro- 
ningen. niet het minst door de statige rijen van groote 
boerderijen, omgeven door veel geboomte, die over 
een afstand van bijna een uur gaans, langs den hoofd- 
weg door het dorp staan. De landerijen van één boer- 
derij strekken zich meermalen uit over een afstand 
van ca. I 1 / 2 uur. In de laatste 25 iaar is ongeveer 
2 000 ha woeste grond ontgonnen, vooral na de kanali 
satie van Westerwolde. De grootste ontginning „Het 
Hebrecht” behoort aan de landbouwmaatschappij 
Westerwolde te Den Haag en is 600 ha groot. 

Oudeschans werd in 1593 gesticht door Willem 
Lodewijk. Het speelde een rol in den strijd tegen de 
Spanjaarden en in den Munsterschen oorlog. In 1815 — 
1818 volgde ontmanteling. Veelerveen ontstond na de 
kanalisatie van Westerwolde, uitgevoerd van 1907 — 
1920. Een eenvoudig monument is opgericht voor 
B. L. Tijdens, die veel deed voor deze kanalisatie. 

Nijenhuis . 

Brllini, 1° naam van een Ttal. schildersfamilie, 
die bloeide van het begin der 15e tot het begin der 
16e eeuw en in welker leden, Jacopo, de vader, Gentile 
en Giovanni, zijn beide zoons, de ontwikkeling vol- 
trokken wordt van de oudere naar de nieuwere Vene- 
tiaansche schilderschool. Zie pl. t/o kol. 496. 

n) Jacopo, leerling bij Gentile da Fabriano, 
* einde 14o eeuw, f 1470. In 1424 het eerst als schilder 
vermeld. Door zijn werk in den dom van Verona 
(Kruisiging, 1430) werd hij in zijn vaderstad bekend 
en men benoemde hem tot deken van de Scuola van 
St. Jan den Evangelist. Hij werkte vervolgens aan 
het hof der d’Estes in Ferrara (1441) en bond met 
Mantegna den strijd aan tegen de traditioneele kunst 
van Squarcione (Padua). Zijn beide zoons w'aren op 
het laatst van zijn leven zijn voornaamste mede- 
werkers. Er zijn w r einig werken van hem bewaard; 
hij was bekend als uitmuntend paard enschilder en 
nauwgezet en frisch teekenaar. 

Voorn, werken: Christus aan het kruis (Verona, 
Museum); Madonna met Kind (Venetië, Galleria dell' 
Accademia) ; teekeningen in het Louvre (Parijs) en het 
Britsch Museum (Londen). 

b) Gentile, oudste zoon van Jacopo, vooral 
bekend als nauwkeurig portretschilder; * ca. 1429 
te Venetië, f 1507 aldaar. Een portret van kard. 
Bessarion (1472) is verloren. In 1479 ging hij naar 
Konstantinopel en verbleef daar aan het hof van 
Mohammed II, voor wien hij tcekeningen en schilde- 
ringen van Venetië maakte en enkele portretten 
uitvoerde; zoo het portret van den heerscher zelf 
(Londen, National Gallery). Van de schetsen, die hij 
in hot Oosten maakte, werd later door hemzelf en 
zijn navolgers druk gebruik gemaakt. Hij versierde 
in Venetië de raadszaal van het dogcnpaleis met 
fresco’s (1577 verwoest) en schilderde dogenportretten. 
Zijn manier is scherp en hard: ook in zijn historische 
stukken ovcrheerscl.t de portretkunst; het licht in 
zijn werk bezit weinig kleur, maar legt over het geheel 
een eigenaardige, groenachtige atmosfeer. Gestalten 
vertonnen in anatomie en draperie invloed van 
Mantegna. 

oorn. werken: luiken van het orgel van S. 


Marco (ca. 1458, nu in do domopera te Venerië) ; Sint 
Laurentius Justinianus (1465, Venetië, Accademia) ; 
Mohammed II (Londen. National Gallery); Wonderen 
met do H. Kruisreli-juie (3 doeken, 1496—1501, Venetië, 
Accademia) ; Prediking van den 11. Marcus in Alexan- 
drië (Venetië, Accademia). 

e) Giovanni, ook G i a m b e 1 1 i n i ge- 
heeten, de voornaamste der B.; * ca. 1430 te Venetië, 
f 29 Nov. 1516. G geraakte aanvankelijk bijna geheel 
onder den invloed van zijn zwager Mantegna, met wien 
hij in Padua verbleef (1458 — 1460); knokige anatomie, 
gestyleerd landschap, de lichaamsvormen streng 
markeerende draperie. Beiden echter, Giov. B. en 
Mantegna, ondervinden invloed van het werk van 
Jacopo B. (vtrl. beider: Christus in den Olijfhof, 
Londen, National Gallery). Spoedig streeft G. echter 
naar weeker vormen en hij bereikt een geheel eigen 
landschapschilderkunst. Zijn w r erk (zijn Madonna’s 
vooral) wordt gekenmerkt door een diep-religieuze 
stemming, waarsch. niet zonder invloed van den 
H. Bcmardinus van Siena, dien hij in Venetië of 
Padua moet gehoord hebben. Langzaam maakt hij 
zich van Mantegna ’s manier los en wellicht ondergaat 
hij cenigen Vlaamschen invloed (Bew T eening van 
Christus, Milaan, Brera). Bij Christus’ Gedaante- 
verandering verlaat hij geheel het schema van zijn 
meester, zoowel w-at draperie als wat landschap 
betreft (misschien invloed van Antonello van Messina), 
Doch in sommige zijner Madonna’s (bijv. Milaan. 
Brera) blijft hij archaïsch. Omstreeks 1480 maakt hij 
zich ook hiervan geheel los: zijn Madonna wordt een 
jonge, ietwat gezette, Venctiaansche moeder. In zijn 
Allegorieën tracht hij de Christelijke gedachte met de 
mythologie te vermengen. Zijn laatste levensjaren 
worden vergald door de concurrentie van Giorgione, 
waarheen zijn leerlingen overloopen, en door oneen ig- 
heid met Titiaan. Aan de zachte schaduwen en soepel# 
anatomie van den eerste inspireert de oude meester 
zich nog in zijn Pala van S. Zaccaria te Venetië. 
Zijn laatste w T erk, De marteldood van den H. Marcus, 
moest door zijn leerling Belliniano voltooid worden. 
Nog in 1506 roemt Dürer hem als den besten der 
schilders. 

Voorn, werken: Christus in den Olijfhof 

(Londen, National Gallery); Christus, Zijn Bloed ver- 
gietend (ibidem) : Madonna Frizzoni (Venetië. : Gestor- 
ven Christus tusschen twee weenende engelen (Bei lijn, 
Staats Museum; ; Bcwrening van Christus (Milaan, 
Brera); Kroning van Maria (Pesaro, San Francesco ; 
op de predella ; Marteldood van den H. Petrus, S Joris, 
Stigmatisatie van den H. Fiantiseus en de H. Iliërony- 
mus; ; Gedaanteverandering van Christus (Napels, 
Museum); Madonna dcll’ Orto (Venetië); Madonna 
(Milaan, Biera) ; Pala di San Giobbo : Madonna met 
heiligen (Venetië, Accademia) ; Madonna met heiligen 
en den doge Barbarigo (1488, Murano, S. Pietro Martire); 
portret van den doge Loon. Loredano (Londen, National 
Gallery); Christelijke Allegorie (Florence, Uffizi;; Pala 
di S. Zaccaria (1505. Venetië). — L i t. : Gronau, Die 
Kiinstlerfamilie B. (1909) ; Vcnturi, Stoiia dell* arte 
1 tal. (Vil 4 1915) : Cammacrts, Les B. (z.j.) ; von Hadeln, 
Vonezianisehe Zeichnungen des Quattrocento (1924»; 
Grouau, B. in : Klassikcr der Kunst (1930). Knipping. 

2° L o r o n z o, Italiaansch geneesheer. * 1643 
te* Florence, f 1704 aldaar: prof. te Pisa. 19 jaar oud, 
schreef B. reeds zijn werk over de nieren; sommige 
kanalen daarin zijn naar hem genoemd. Ook belang- 
rijk werk over de smaakpapillen. Schijnt een plagiaris 
geweest te zijn. 

3° V i n c e n z o, Italiaansch opera -componist, 
♦ 1801 te Catania (Sicilië), f 1836 te Puteaux bij 


507 


Bellini Tosi— Belloc 


508 


Parijs. Als leerling van het conservatorium te Napels 
onder Tritto en Zingarelli, publiceerde hij instrumen- 
tale en kerkelijke composities. Zijn eerste opera, 
Adelson e Salvini, werd (1825) in het theater van het 
conservatorium opgevoerd; het jaar daarop had hij 
groot succes met „Ferdinando”. Hij kreeg hierdoor 
opdracht om voor Milaan twee opera’s te schrijven: 
opgevoerd werden „11 pirata” (1827) en „La Straniera” 
(1829). De critiek verweet B. al te eenvoudige instru- 
mentatie en het gemis van groote vocale vormen; 
hij nam deze wenken ter harte en met deze verbeterin- 
gen werd „Norma” opgevoerd te Milaan, welk werk 
in 1831 met Maria Malibran in de hoofdrol veel succes 
had. In 1833 ging hij naar Parijs, waar hij, hoewel 
slechts voor korten tijd, veel bijval oogstte. Slechts 
één opera heeft hij nadien nog geschreven, „1 Puritani” 
(1835 opgevoerd in Théatre italien). Algemeen treurde 
men over zijn vroegtijdigen dood, wat zich uitte in 
talrijke gedenkschriften. 

B. is een der meest geliefde verschijningen onder 
de Ital. opera-componisten der 19e eeuw; in zijn 
kunst treedt het melodische element sterker op den 
voorgrond dan het dramatische. 

Werken: nog verschillende opera’s : o.a. La Son- 
nambula (Milaan 1831) ; Beatrice di Fenda (1833). — 
Lit. : G. Bürkli, V. B. (1841; 29 Neujahrsstück der 
Allg. Mus. Ges.) ; Biographieën van Fil. Cicconetti 
(1859) ; A. Pougin (1868) ; Pcrcolla (1876) ; Fr. Florimo, 
Bellini, memorie e lettere (1885); Ant. Amore (2 dln. 
1892 — *94) ; Ford. Ililler, Künstlerleben (blz. 144 vlg.) ; 
lid. Pizzetti, La musica di V. B. (1916). Piscaer. 

Brllini Tosi, Italiaansche uitvinders, welke in 
1907 een systeem uit vonden voor richt ingbepaling 
van inkomende draadlooze signalen, w T aarbij zij van 
stilstaande (niet roteerende) antennes gebru ik maakten. 
» Richtingzoekers. 

Bcllinzani , Paolo Benedetto, com- 
ponist, * ca. 1690 te Ferrara, f 1757 te Recanati; in 
1717 kapelmeester te Udine, achtereenvolgens in 1722 
aan de kathedraal te Ferrara, 1726 te Pesara, 1733 
te Lrbino en daarna te Recanati. 

Werken: Missae 4 v. op. 1. (1717) ; Salmi brevi 8 
v. op. 2 (1718) ; Suonate a Flauto col B.c. (1720) : Offer- 
torii 2 v. e. B. c. (1726) ; Duetti da camera op. 5 (1726, 
lib. 2 1733) ; Madrigali 2-5 v. op. 6 (1733) ; Twee oratoria 
Abigaile (1730) en Ester (1753). Piscaer. 

Bclliiizona, hoofdplaats van het kanton Tessino 
(Zw.L), 237 m boven zeeniveau; ca. 11 000 inw. De 
Gotthard -spoorlijn splitst zich hier in twee takken, 
een naar Luino, de andere naar Locarno. De stad, 
vroeger een belangrijk strategisch punt, wordt door 
drie oude burchten omgeven, die door verbindings- 
muren met de stad samenhangen. Vooral het Castello 
Grande (Uri, 280 m) biedt een prachtig uitzicht op 
de omgeving. Het castello Corbaro (Unterwalden, 
464 m) werd gerestaureerd. Het Castello Montebello 
(Schwyz, 311 m) bevat een historisch museum met 
Etniscische vondsten uit de omgeving. Lips. 

t Bellis, > Madeliefje. 

Bellmann, Carl Mi ka el (pseud. Fred- 
m a n), Zweedsch dichter van de vóór-Romantische 
generatie. * 14 Febr. 1741 te Stockholm, f 11 Febr. 
1795 aldaar. Uit een piëtistisch -streng gezin voortge- 
komen en ondanks een losbandige jeugd beschermd 
door Gustaaf 111, wiens hofsecretaris hij werd, bleef 
B. — die zich gaandeweg uit de knel der Fransche 
pseudo -klassiek had bevrijd — tot zijn dood de 
anakreontieker bij uitstek; in liederen, 
waarvoor hij soms ook de lichte Rococo-muziek adap- 


teerde, en die de bedenke lijke vreugden van de door 
hem gestichte Bacehusorde verheerlijken, de meest 
populaire figuren van de hoofdstad met ongeëven- 
aarde karakterschets ing vereeuwigen, maar ook aan 
politieke en maatschappelijke zedencritiek doen, in 
meesterlijk verzorgden vorm, doch met een opgewekt- 
heid van toon, w r aar de onvoldaanheid der ziel onder 
door klinkt. Vooral de reeks Fredmans 
E p i s 1 1 a r (1790) — oneerbiedige parodieën van 
de apostel-brieven, die de ellenden van een aan lager 
wal geraakten horlogemaker uit het toenmalig Stock- 
holm pakkend in beeld brengen — is vol figuren en 
toestanden, waarbij aan de tragische komiek van 
Shakespeare’s blijspelen, en zoowel aan V e r 1 a i n e 
als aan V i 1 1 o n w T ordt gedacht. Verder schreef B. 
volksdrama’s en satiren. 

Uiig.: Samlade Skriftar (5 dln. Stockholm 1921 
vle.). — Lit.: F. Niedner, C. M. B., Der Schwedische 
Anakreon (Berlijn 1905): P. Friedrich, C. M. B (1907). 

— Duitsche vertaling door F. Niedner (Berlijn 1909). 

Baur. 

Bcllo, A n d r é s, Venezolaansch schrijver, dich- 
ter en politicus. * 1781 te Caracas, f 1865 te Santia- 
go de Chile. Stichtte de universiteit van Santiago d.C., 
waarvan hij rector werd. Ijveraar voor het volksonder- 
wijs. 

Werken: Principios de derecho internacional (Ca- 
acas 1847) ; Gramatica de la lengua castellana (gecom- 
pleteerd door Rufino José Cucrvo) (Colección de Escri- 
tores Castellanos) ; Alocución a la Poesia en Silva a la 
agricultura de la zona Torrida (gedichten over Amerika). 

— Lit.: M. L. Amunategui, Yida de A. Bello (Santiago 
de Chile 1884) ; Antonio Caro, Estudio biografico y 
cn'tico (dl. Poesias de A. Bello) (Madrid 1882). 

Belloc, H i 1 a i r e, Katholiek Engelsch jour- 
nalist, geschiedkundige, apologeet en humorist. * 1870 
bij Parijs, zoon van een Fransch advocaat en een Engel- 
sche moeder; opgevoed in Engeland, studeerde te Ox- 
ford; was in Franschen krijgsdienst, genaturaliseerd 
in Engeland in 1903 en een typisch Engelsch man ge- 
worden, doch met sterke Fransche en anti-Duitsche 
sympathieën. Huwde in 1896 een Amerikaansche, die 
gestorven is in 1914. Vlot, geestig, strijdbaar schrij- 
ver. Vriend van G. K. Chesterton, die geestige teeke- 
ningen maakte voor zijn humoristische schetsen en 
nonsense-verzen (Chesterbellocs). Was van 1906 tot 
1910 Labour-afgevaardigde voor het Parlement. In- 
teresseert zich sterk voor sociale en politieke pro- 
blemen, voor strategische geschiedenis, en beschrijft 
de geschiedenis van Engeland, en Engelsche histo- 
rische figuren, met een zeer persoonlijk, strijdlustig 
accent; meer geniale synthese dan nauwkeurige detail- 
studie. Als humorist bijna de evenknie van Chester- 
ton. Zijn stijl is zuiverder, evenwichtiger, meer ge- 
varieerd, maar minder krachtig en pakkend dan die 
van zijn genialen vriend. 

Werken: ongeveer 90 in getal, van groote ver- 
scheidenheid. Hoofdzakelijk geschiedkundig 
zijn : Danton (1899); Paris (1900); Robespierre (1901); 
Marie Antoinette (1910); feix British Battles (1911); 
The Last Days of the French Monarchy (1916) ; Europe 
and the Faith (1920; een schitterende synthese); The 
Jews (1922) ; History of England (7 dln., van 1925 af) ; 
James II (1928) ; Joan of Are (1929) ; Richelieu (1930) ; 
Wolsey (1930) ; enz. — Reisverhalen: The Mo- 
dern Traveller (1897) ; The Path to Rome (1902) ; Esto 
Perpetua (1906) ; Hills and the Sea (1906) ; The Pyrenees 
(1909) ; The Cruise of the Nona (1925) ; Many cities 
(1928) ; enz. — Polemiek en Satire: Caliban’s 
Guide to Letters (1903) ; On Nothing (1908) ; On Every- 
thing (1909); On Anything (1910); On Something 


509 


Belloc-Lowndes — Beel-Sweet 


510 


(1911); But Rolt, Wc are Observed (1928); A Conver- 
sation with an Angel (1928) ; Survivals and New Arri- 
vals (1929) ; A Conversation with a Cat (1931) ; enz. — 
Satirieke Romans, vooral de Chesterbelloes : 
Mr. Burden (1904); The Green Overcoat (1912); Mr. 
Petre (1925); Belinda (1928); The Missing Masterpiece 
(1929) ; The Man who made Gold (1930) ; enz. — Hu- 
mor i s t i c k : The Bad Child’s Book of Beasts (1896) ; 
More Beasts for Worse Children (1897) ; enz. En ten 
slotte een werk van sociologischen aard : The 
Servilft State, waarvan de eerste druk dateert van 1912, 
maar dat ook na den oorlog meermalen is herdrukt en 
nog altijd een der meest treffende analysen blijkt van 
onze moderne sociale structuur. — L i t. : C. C. Mendell 
en E. Shanks, H. B., The man and his work (1916) ; 
G. N. Shustcr, The Catholic Spirit in Modern English Lit. 
(1922) ; H. Link, H. B.’s Weltansehauung (diss. Erlangen 
1930); P. Braybrooke, Some Catholic Novelists (1931). 

Pompen. 

Belloc- Lownclcs, M a r i e A d e 1 a i d e, 

Kath. Engelsche romanschrijfster, zuster van H. Bel- 
loc. Huwde in 189G F. S. Lowndes, mede-redacteur 
van The Times. Heeft ruim 30 zeer populaire romans 
geschreven. 

Voornaamste romans: Barbara Rebell 

(1905); When no Man Pursueth (1910); Jane Oglandcr 
(1911); Mary Pechell (19121; Krom the Vasty Deen 
(1920) ; The Bread of Deceit (1925) ; Thou shalt not 
Kill (1927); The Story of Ivy (1928); Cressida No 
Mystery (1928); Duchess Laura (1929); Letty Lynton 
(1930): It Cries to Hcaven (1931). 

Bcllocq, tamponnade van (ge- 
ne e s k.), heet het opvullen der neuskeelholte met 
een gaastampon, bij neusbloeding, zooals het eerst 
door B. beschreven is. 

Bcllo Horizon lc, hoofdstad van den staat Minas 
Geraes (Z. Brazilië), op een plateau (500 m) gelegen, 
verbonden door den midden-Braz. spoorweg met Rio 
de Janeiro; 109 000 inw.; zeer snel tot ontwikkeling 
gekomen. Belangrijke handel als gevolg van landbouw: 
katoen, koffie; katoenindustrie. De mijnbouw levert 
prod.: goud, ijzer, mangaan. B.I1. is zetel van een 
aartsbisschop. Het aartsbisdom B. telt 600 000 Kath., 
suffr. zijn : Aterrado, Guaxupé en Uberata. 

Bcllóna, Rom. godin van den oorlog; zuster en 
gezellin van Mars. Haar tempel lag bij het altaar van 
Mars en den Circus Flaminius, buiten het pomerium, 
de stadsgrens. Daar kwam de Senaat bijeen om met 
terugkeerende veldheeren, die op een triomf aanspraak 
maakten, te onderhandelen en met gezanten van bui- 
tenlandsche volkeren, die de stad niet betreden moch- 
ten. Voor den tempel stond de > columna b e 1- 
1 i c a. Met B. werd geïdentificeerd de godin > 

C o m a n a. Davids. 

Brllonnrius, in de Oudheid naam van de priesters 
van de uit Cappadocië in Rome geïmporteerde godin 
M a-B e 1 1 o n a. Op 24 Maart, den „dies sangui- 
nis”, voerden haar priesters wilde dansen uit, verwond- 
den zichzelf bij het brengen der offers en boden de 
godin hun bloed aan. Weijermans. 

Bcllori, Giovanni Pietro, Ttal. archeo- 
loog en kunstgeleerde, bibliothecaris van koningin 
Christina van Zweden; * ca. 1615 te Rome, f 1696. 
Onder de meesters der Barok, w^elke hij in zijn w r erk- 
Vita dei pittori, enz., behandelt, geeft hij eereplaatsen 
aan Rubens, van Dyck, Duquesnoy en Nicolas Poussin. 
De inleiding tot dit w r erk bevat een vrij neo-Platonisch 
gerichte aesthetica der schilderkunst en kan genoemd 
w'ordcn als voorstadium van de leer, later door Winckel- 
mann verkondigd. Slechts één landschap is ons bekend 
in Canini’s gravure. 


Lit.: Jul. von Schlosser, Die Kunstliteratur (1924) ; 
Panofskij, Idea (1924). Knipping. 

Bellot, D m, Benedictijn, Fransch architect, 
leerling van de écoie des Beaux Arts. Bouwde in 
Oosterhout het Benedictijner klooster en in Eind- 
hoven o.a. een kerk, was o.m. werkzaam in Quarr 
(Eng.). Quarr Abbey op Wight is wel het meest zuivere 
werk van B. Hij vormde in Nederland door zijn geniale 
toepassing van den baksteen een school, welke hierin 
haar kracht zoekt. In deze school volgt hem wel het 
dichtst de architect van de Leur te Nijmegen (o.a, 
Teresia-kerk te Nijmegen, Franciscuskerk te Bols- 
ward). B. werd in 1876 te Parijs geboren. 

Bcllóvaci, volksstam in Gallia Belgica, ten N. 
van het teg. Parijs; streed tevergeefs tegen Caesar. 
Voorn, plaats: Bratuspantium, ligging onzeker. 

Bcllovi, Giovanni Pietro, Italiaansch 
oudheidkenner. Bestudeerde antieke gedenkteekens 
en bezat een rijk voorziene verzameling. Schreef in het 
Latijn en in het Italiaansch over onderwerpen van 
kunstgeschiedenis, o.m. mausolei romani ed etruschi 
trovati in Roma. * 1636, f 1700. 

Bcllows, G e o r g e W e s 1 e y, Noord -Ameri- 
kaansch schilder van koude tonaliteit en harde uit- 
drukking. Zijn zee- en bootgezichten zijn beter dan 
zijn portretten. * 1882 te Columbus (Ohio), f 1925. 

Voorn, werken: Emma en haar kinderen 

(Boston, Museum of fine Arts) : Edith Cavell (ibidem). — 
Lit.: ïsham, llistory of American Painting : Fielding, 
Dictionary of American Painters, Sculptors and En- 
gravers (1926). Knipping. 

Bclloy, 1° Mark Frans, zoon van den Ant- 
w r erpschen acteur Louis B., * 15 Aug. 1902 te Borger- 
hout bij Antwerpen; opsteller van het Laatste Nieuws 
sedert 1924, begaafd tooneelspeler, regisseur van de 
Kon. Hoofdrederijkerskamer De Violieren sedert 1930, 
en schrijver van YTaamsche boulevardstukken, korte, 
met groven draad geweven, eenzijdige, schuine tijd- 
geestbeeldjes van humoristischen aard, zeer aanschou- 
welijk en gehouden in jachtig tempo. 

Werken: Het onverwachte (1925) ; Match nul 
(1929); Aktualiteiten (drie éénakters, 1933). Godelaine. 

2° P i er re La u rent Buyrette de, 
Fransch toon eelschrij ver, wiens „Le sicge de Calais” 
(1765), bij eerbiediging der pseudo-klassieke vormen, 
naar het voorbeeld van Voltaire de nationale tragedie 
op het Fransche tooneel bracht. * 17 Nov. 1727 te 
Saint-Flour, f 5 Maart 1775. 

Lit.: L. Bertrand, La fin du classicisme (Parijs 1897). 

Buur. 

Bell Boek, rotseilandje vóór de monding van de 
Tav in Schotland (56° 26' N., 2° 22' W.), centrum 
van vischvangst. 

Bell-Sweet, Systeem van (phiJo- 
1 o g i e). Dit is een phonetisch systeem [ontworpen 
door de Engelsche phonetici A. Melville Bell (1819— 
1905) (Ontario) en diens leerling H. A. Sw r eet, pro- 
fessor te Oxford (1845 — 1910; later herhaaldelijk ver- 
beterd)], dat de vocalen indeelt naar de plaats en de 
manier van articuleeren. Zij onderscheiden daarbij: 
1° naar den afstand van tong tot verhemelte (practisch: 
het min of meer doen zinken van de onderkaak): de 
standen high met kleinen, mid met normalen, 1ow t 
met grooten afstand. In het Ned. spreekt men van: 
gesloten, half open en open, bijv. resp. biet, beet, bak. 

2° Naargelang de hoogste welving van de tong vóór, 
midden of achter in den mond ligt: front-, mixed en 
back-vow'els. In het Ned. spreekt men van vóór-, 
midden- en achterklinkers, bijv. resp. men, maan, man. 


öll 


Belluarius — Jielly 


512 


3° Naar de spanning der monddeelen bij het spreken, 
©n vooral do boogsgewijze spanning der tong: tense 
(narrow) en lax fwide) vowels. In het Ned.: gespannen 
en ongespannen klinkers, bijv. resp. kiel en maan. 
Een practische manier om de spanning te onder- 
zoeken is bij liet uitspreken van den klank de kin in de 
hand te nemen en daarbij den duimtop tegen den 
weeken mondbodem, vlak bij het strottenhoofd, te 
drukken: bij gespannen klinkers voelt men dan den 
mondbodem sterk naar voren komen; bij ongespannen 
klinkers blijft alles neutraal. 

4° Naar het al of niet vernauwen van de mondopening 
door óf boven- en onderlip, óf de mondhoeken iets 
bijeen te trekken: round en unround vowels. In het 
Nederlandsch: geronde en ongeronde klinkers. De 
geronde klinkers van het Ned. zijn die van boek, boom, 
pot, put, de, muur, neus, freule. 


O 

D 

Half open 

Gesloten 


O 

*3 

(V 

3 

Half open 

Gesloten 



stoom 

boek 

Gespannen en gerond 




£ C5 

3 " £ 

* ë 

3 3 

— « 
Bl B 

5“ 

3 

O» 

3' 








beuk 

freule 

nu 


zee 

met 

dief 






boor 

dom 

pot 

b 

CfQ 

■r. 

3 

3 

3 

n 

3 

o 

3 

bak 



Ongespannen 

achter midden vóór 


de 

put 

raam 




deur 



peer 

pit 


De voornaamste klinkers van het Nederlandsch 
volgens Bell-Sweet. 


L i t. : H. Sweet, The Sounds of English (Oxford 
*1910) ; Zwaardemakcr en Eykman, Leerboek der 
Phonetick (1928). br. Herman Jozej. 

Bcllusirhis, de bevechter van wilde dieren in de 
Romeinsche amphitheaters. Ook de verzorger en 
temmer. 

Bcllutli, Lucas, Zalige, Franciscaan, een 
van de meest bekende predikers uit den eersten tijd 
dezer Orde. 

* ca. 1200. f 17 Febr. + 12&). Tn 1220 werd hij leer- 
ling van den H. Franc iscus en later metgezel van den 
H. Antonius van Padua. Door het volk werd hij als 
wonderdoener vereerd. Zijn vereering werd 18 Mei 
1927 bevestigd. J. van Rooij. 

Bcllurn omnium contra omnes (Lat.) = 
de oorlog van allen tegen allen. Stelling uit Thomas 
Ilobbes’ (1688 — 1679) beroemd boek „Leviathan or 
the matter, form and authority of government” c. 18. 
Hobbes leidt zijn stelling, die overigens al gevonden 
wordt bij Plato („Wetten” 625 E.) en bij Dio Chryso- 
stomus (le eeuw na Christus), af uit het feit, dat in den 
natuurtoestand iedere mensch naast onbeperkte rech- 
ten ook een onbeperkte neiging bezat, dat recht te 


doen gelden (Leviathan pars I, cap. XIV). En dus 
„wordt de eene mensch voor den anderen een wolf” 
(Plautus Asinaria 2, 4, 88 (491). Brouwer. 

Bcllum omnium pator (Lat.) = De oorlog 
is de vader van alle dingen. De vertaling van tlera- 
clitus’ „pólemos pantoon men p&ter ósti”, aangevuld 
met: „sommigen maakt hij tot góden, anderen tot 
menschen, sommigen tot slaaf, anderen maakt hij 
vrij”; in een ander fragment: „men moet weten,. . . . 
dat alles door strijd en noodzaak ten leven komt”. 

L i t. : II. Diels, Die Fragmente der Vorsoknitiker 
(Berlijn 1912, fragm. 8, 53 en 80). Brouwer. 

Bellune, maarschalkstitel van den Napoleonti- 
schen maarschalk > Victor. 

Belluno, 1° Italiaansche provincie in 
Venetië; 3675 km 2 , 236 784 inw. (1931), 57 per km 2 , 
69 gemeenten. Stroomgebied van de Piave. alpengebied ; 
in de lagere dalen landbouw, in de hoogere deelen 
alpenweiden. Vreemdelingenbezoek. 

2° Hoofdstad van de prov. B. (46° 10' N., 
12° 14' O.); 25 425 inw. (1931); 389 m boven zee. 
Bisschopszetel; mooie domkerk; handel in wijn en 
ooft. Geboorteplaats van paus Gregorius XVI. B. 
hoorde na 1420 tot Venetië. Heere. 

Kunst. B. is niet rijk aan monumentale resten uit 
de middeleeuwen, uitgezonderd enkele brokstukken 
in den Dom, de San Fermo en de San Sebastiano (in de 
voorsteden). De tegenwoordige Dom werd in de 16e 
eeuw, waarschijnlijk volgens het plan van Tullio 
Lombardo, gebouwd op de plaats van den vroegeren; 
de campanile dateert uit het midden der 18e eeuw. De 
S. Stefano (Gotisch) is na den wereldoorlog grondig 
gerestaureerd en bezit een kapel met fresco’s van 
Jacopo da Montagna. Verder bij de S. Pietro Gotische 
kruisgang van Franciscanerklooster. Het paleis der 
prefectuur is in Renaissance-stijl opgetrokken. Van 
de vele stadspoorten is de Dogliona-poort (12e eeuw, 
1553 hersteld) de merkwaardigste. 

L i t. : G. Alvisi, B. e la sua proviueia (1858) ; Borto- 
loui, B. nel IX. Annuale della liberazione (1927). 

Knipping. 

Bollver y Ramon, R i c a r d o, Spaansch 
beeldhouwer uit Valencia, * 1845 te Madrid, f 1924. 
Studeerde te Madrid aan de Academia de San Pernando, 
kreeg voor een „David” de Prix de Rome (1862). 

Voorn, werken: Buste van Gon/.alo Fernandez 
de Cordoba, „El Gran Capitan**; Begrafenis van S. Agnes 
(bas-reliëf) ; Opstandige Engel (beeld in het Retiro- 
park van Madrid) ; S. Andreas en S. Bartholomeus (meer 
dan levensgroot) voor de S. Francisco el Grande in 
Madrid: O. L. Vrouw v. d. Rozenkrans voor de 8. Josephs- 
kcrk aldaar ; beeld van de Faam in het Goya-mausoleum. 

Knipping. 

Bclly, I.éon Adolphe Auguste, 
Fransch landschap- en genreschilder. * 10 Maart 1827 
te St. Omer, f Maart 1877 te Parijs. Was eerst leerling 
van C. Trovon en werkte in den beginne onder invloed 
van Decamps en P. Marilhat. Vergezelde de Saulcy 
en Ed. Delesscrt op hunne reizen naar het Oosten. 
Bezocht Egypte, Palestina en Syrië. Werkte daarna 
in de omgeving van Fontainebleau en ook in Nor- 
mandië. Schilderde ook portretten. Hij was als roman- 
ticus een der beste Oriënt-schilders. Zijn werk draagt 
een persoonlijk karakter en onderscheidt zich door 
een krachtig koloriet en eigenaardige belichting. 

Werken: o.a. in het Luxembourg te Parijs (Pel- 
grimstocht naar Mekka 1867). — L i t. : Beilier-Auvray, 
Dict. des peintrcs, enz.; Bénézit, Dict. des peintres, enz. 

de Sluert. 


H. BENEDICTUS 



De H. Benedictus redt den H. Placidus, die dreigt te verdrinken. Wandschildering van Sodoma in het 
klooster van de Monte Oliveto bij Siena. 



De H.H. Maurus en Placidus worden voor den H. Benedictus geleid. Wandschildering van Spinello Aretino 

in de basiliek van S. Miniato al Monte. 




H. BERNARDUS 



De Heilige Maagd verschijnt aan den Heiligen Bernardus van Clairvaux. Schilderij van Fra Bartolommeo (1504— 1507). 


513 


514 


Bel-Mardoek — Belooning 


Bel-Mardoek , * Bel (godh.); * Mardoek. 

Belmer, J. D., Hollandsch schilder, * 6 April 
1827, f 6 Mei 1909 te Barneveld. Studeerde te Ant- 
werpen. Schilderde portretten, genrestukken, stil- 
leven en kindschap. In zijn landschappen vooral is 
hij een aparte figuur, los van de Ilaagsche School. 

L i t. : Alb. Plasschaert, Holl. Schilderkunst. 

de Stuers. 

Belmez, stad in Spanje (38° 16' N., 5° 10 ' W.). 
In de nabijheid belangiijke kolenvelden, benevens 
ijzer-, lood- en kopermijnen: 10 200 inw. (Kath.). 
Het kasteel van B. was eens het middelpunt van een 
Moorschen verdedigingsketen. 

Bel mondigheid, rechtsgevolg, intredend, indien 
een hoorige verzuimde den cijns aan den heer te beta- 
len, of indien achterwege bleef na het overlijden van 
den hoorige de erfwdnning, d.w.z. de formèele aan- 
vrage aan het hofgerecht om als opvolger van den 
overledene in diens gebruiksrechten van een hoorkr 
goed erkend en in de registers ingeschreven te worden. 
Het rechtsgevolg bestond hierin, dat de goederen, 
waarop de hoorige gebruiksrechten had, geheel vrij 
terugvielen aan den heer. B. kon in vele gevallen 
afgekocht worden tegen betaling van het dubbele 
bedrag van den achtersta lligen cijns. Hermesdorf. 

Belet*. K a r 1 J u 1 i u s, Duitsch geschied- 
schrijver. Bezat uitgebreide en diepgaande kennis 
van bronnen en literatuur, breede belangstelling voor 
economische, sociale en cultureele toestanden. Sterk 
persoonlijke opvatting, die meermalen leidt tot 
gew'aagde interpretatie der teksten. * 1854, f 1929. 
Was sedert 1879 hoogleeraar te Rome, 1912 — ’13 
Leipzig, daarna terug te Rome. 

Voorn, werken: Der italienische Bund unter 
Rnms Hegemonie (1880) ; Die att’sche Politik soit 
Perikles (1884' ; Die Bevölkerung der griechisch-rö- 
mi8chen Welt (1886) ; Griechische Gcschichte (4 dln. 
1893-1904) ; Komische Geschichte bis zum Beginn der 
punisch en Kriege (1926). — L i t. Autobiographie in: 
Die Geschichtswissenschaft in Selbstdarstellungen (diss. 
van Stemberg II 1926). Elias. 

Belodon, een tot de Parasuchia behoorend reptiel 
uit de bovenste lagen der Triasformatie. Belodon bezat 
een ruw pantser uit beenplaten: de neusgaten waren 
ver naar achter geplaatst. Zie verder > Krokodil. 

Bèioc, onderafd. op Timor (Ned.-Indië). 

Bcloeil, gem. in de prov. Henegouwen, ten Z. van 
Aat; opp. 740 ha; 2 500 inw.; Honelle-rivier; bronnen, 
vijvers, bosschen, woud van B.; zand- en kleigrond. 
Merkwaardige kerk, gebouwd in de 19e eeuw, van 
binnen rijk versierd, kostbare schat en schilderijen. 
Beroemd kasteel van B., met hoven en park, ongeveer 
60 ha opp. Reeds bekend gedurende het Romeinsche 
tijdperk; machtige oude heerlijkheid, werd meermaals 
belegerd; huizen de Condé en de Ligne. Het oude 
versterkte kasteel werd herhaaldelijk verbouwd; 
in 1900 door een brand vernietigd, werd daarna opge- 
bouw 7 d in nieuweren stijl op de oude grondvesten. 
De hovenaanleg herinnert aan Versailles. liet door- 
luchtig geslacht van de Ligne is beroemd. 

V. Asbroeck. 

Bcloctsjistan, > Baloetsjistan. 

Belofte is de toezegging aan den naaste van een 
toekomstige hem voordeelige prestatie. In tegenstel- 
ling met de b. is het voornemen niets anders dan het 
besluit tot een toekomstige daad. Een belofte aan God 
gedaan, wordt -> gelofte genoemd. Wanneer de naaste 
de toezegging aanvaardt, ontstaat een zedelijke ver- 
plichting krachtens de deugd van getrouwheid om te 


volbrengen, wat men beloofd heeft. Wie een belofte 
af legt, staat niet alleen in voor de eerlijkheid van zijn 
wil, maar ook en vooral voor de vastheid van zijn wil 
in de toekomstige uitvoering. De andere partij ver- 
krijgt wel een zekere aanspraak op hetgeen beloofd is, 
maar geen strikt recht, tenzij desrene, die de b. af legt, 
zich ook krachtens de deugd van rechtvaardigheid heeft 
willen verbinden; dan ontstaat het contract van belof- 
te. Voorwaarden voor een geldige b. zijn: dat zij vrij- 
willig w r ordt afgelegd door iemand, die daartoe be- 
kwaam is en beschikken kan over hetgeen beloofd 
wordt. Vervolgens, dat de andere partij de b. heeft 
aangenomen, en tenslotte, dat niets, wat zedelijk 
slecht is, beloofd wordt. De verplichting der b. houdt 
op, als de wezenlijke omstandigheden zoo veranderen, 
dat men de b. niet had afgelegd, als men dat voorzien 
had. Eveneens, wanneer het beloofde onmogelijk 
kan woorden uitgevoerd, ofwel ongeoorloofd, zeer 
nadeelig of nutteloos geworden is. Onderscheid is 
nog te maken tusschen de private belofte en de plech- 
tige, aan w^ettelijke vormen gebonden beloften, als 
bijv. de kloostergeloften. > Gelofte. 

L i t. : St. Thom., S. theol. (II, II, q. 88); Alphons. 
Theol. Mor. (III, 720). P. Heymeijer. 

Beloit, stad in den N. Amer. staat Wisconsin 
(42° 30' N., 89° 1' W.), gebouwd op de hooge oevers 
van de Rockrivier, die aan haar schoen- en machine- 
fabrieken de noodige drijfkracht levert. In 1930: 
23 611 inw. 

Beloken Paschen of besloten Paschen, naam 
voor den eersten Zondag na Paschen, sluitdag van het 
acht-dagig Paaschfeest. Evenzoo (oudtijds): beloken 
Pinksteren. -*■ Jaar, liturgisch. 

Belomantie (<( Gr. belos = speer, pijl, manteia 
= waarzeggerij), waarzeggerij door middel van den 
pijl. B. w r erd in de oudheid, vooral in het Oosten, druk 
beoefend, in het bijzonder voor den aan vang van een 
gevecht. 

Boloniet (<( Gr. belone = naald), 1° in de 
geologie: naaldvormige kristalske letten van 
microscopische afmetingen. Ais de meeste kristal- 
skeletten komen belonieten voor in natuurlijk glas 
(obsidiaan, peksteen), dat door uiterst snelle afkoeling 
van een magma kan ontstaan. 

2° Vulkanologische term om aan te 
duiden een naald vormige lavaprop, die langzaam 
uit de kraterpijp omhoog wordt geperst. De lava is 
dan steeds dikvloeibaar, daar zij anders in den vorm 
van lavastroomen uit zou vloeien. Fraaie voorbeelden 
van belonieten zijn de lavanaald van de Montagne 
Pelée op Martin i.pie en die van de Merapi op Java. 

II of steenge' 

Beloofde Land noemde Sint Paulus het eerst 
(Ilebr. 11. 9; vgl. Num. 32.11) het, volgens de door 
aan Abraham gedane belofte (Gen. 12. 7), aan diens 
nakomelingen toegezegde land. > Canaan. 

Belooning . Velen ontkennen het bestaand 
recht der b. in de opvoeding. Het kind moet leeren 
doen uit plicht en liefde tot God. De b. zou d • ik-drift 
voeden, af leiden van de w r are motieven de groote 
teleurstelling bereiden voor het latere leven, w^aar het 
goede zelden beloond w r ordt. Toch kan de b. niet 
absoluut w r orden verwoipen. Ze mag echter niet 
beschouwd wmrden als vergelding der zedelijke daad, 
doch alleen als aansporing. Door kleine vreugden in 
den vorm van b. w'ordt het kind over zijn gevoel van 
depressie en inzinking heengeholpen. De b. is „liefde- 
symbool” (Haberiin). Alleen de g o e^d e wil en 


IV. 17 


515 


Beloop- -Belsele 


516 


zijn praesta ties mogen worden beloond, 
niet het talent, vooral niet lichamelijk talent. Dit 
zou het geweten en het gevoel misleiden en het recht- 
vaardigheidsgevoel kwetsen. 

De b. zij matig, individueel en psychologisch aan- 
gepast, stimuleere het eergevoel, niet de eerzucht, 
de b. zij overeenkomstig de bepaalde wilspraestatie 
en rcchtvaardg. Een geheel uitgewerkt loonstelsel 
met g e d r a g s kaarten, platen, boeken of geregelde 

f rijsuitdeelingen vindt weinig verdedigers meer. 

Daarentegen vinden praestatieprijzen (bijv. cijfers en 
schoolprijzen voor succes bij het onderwijs) veel aan- 
hangers]. Een korte lofprijzing, een goedkeurend gebaar 
een vriendelijk gelaat is dikwijls voldoende. Genoegens 
van onschuld igen aard: wandeling, spel, vrije dag of 
verteluurtje kunnen doelmatige aansporing zijn tot 
ijver. Voor kleinere kinderen zijn ze veelvuldiger 
dan voor grootere. En hoe volmaakter persoonlijkheid 
de opvoeder, hoe zeldzamer dit middel noodig is. 

Lit: Krieg-Grunwald, Lehrb. d. Padag. ( 5 1922); Ha- 
berlin, Wegen en Dwaalw. (1926); Vincent- Vcrbcetcn, 
Opvoeding en Onderwijs ( 7 1929). p. Grrvasius. 

Beloop of talud wordt genoemd een hellend vlak, 
dat een ingraving of ophoop ing begrenst. De helling 
van het b. wordt gemeten door den hoek, dien het hel- 
lend vlak met het horizontale vlak vormt, ofwel door 
den tangens van dien hoek. Zoo spreekt men van een 
b. onder een helling van 30° of 45°, of van een b. onder 
een helling van 1 op 2, of 2 op 3, enz. Onder natuurlijk 
b. van een grondsoort of van een onsamenhangend 
materiaal wordt verstaan de maximum helling, die 
het materiaal aanneemt, wanneer het los wordt opge- 
w ? orpen. J. ten Brink. 

Bc*lo\v, 1° Fritz von, Duitsch generaal 
tijdens den Wereldoorlog. * 23 Sept. 1863, f23 Nov. 
1918. v. B. commandeerde van 1915 tot 1916 het 2e 
leger en van 1916 tot 1918 het le en het 9e leger op 
het Westfront. 

2° G e o r g von, Duitsch geschiedschrijver, 
* 19 Jan. 1858 te Koningsbergen, f 27 Oct. 1927 te 
Badenweiler. Achtereenvolgens leeraar te Münster, 
Marburg, Tübingen en Freiburg; vnl. van beteekenis 
op het gebied van middeleeuwsche instellingen en 
economie. Tegenstander van de Hofreclitstheorie, 
alsook van de Genossenschaftstheorie van Gierke. 
Bestreed insgelijks Lamprecht. Was tijdens en na den 
wereldoorlog ook werkzaam als publicist. 

Voorn, werken: Studies over de instellingen 
van Gulik en Berg ; Das altere Deutsche Stadtewesen 
(1898) ; Territorium und Stadt (1900) ; Die Ursachen der 
Rezeption des Römischen Rechts in Deutschland (1905) ; 
Der deutsche Staat des Mittelalters (1, 1914; fragmen- 
tarische samenvatting zijner voorstudies) ; Die Ursachen 
der Reformation (1917); Problemen der Wirtschafts- 
geschichte (1920): Vom Mittelalter zur Neuzeit (1924); 
Die italienische Kaiserpolitik des Mittelalters (1927). — 
Lit.: volledige lijst zijner werken : L. Klaiber, in Aus 
Sozial- und Wirtschaftsgeschichte ; autobiographie in 
Die Geschichtswissenschaft in Selbstdarstellungen (diss. 
van S. Steinberg 1925) ; Gedachtnisschrift für G. v. B. 
(1928) ; M. von Below, G. v. B. Ein Lebensbild für seine 
Freunde (Stuttgart 1930). Elias. 

3° O 1 1 o von, Duitsch generaal, * 18 Jan. 1857 
te Danzig. Bij het uitbreken van den Wereldoorlog 
werd hij naar het Oostelijk front gezonden, waar hij 
zich onderscheidde bij Tannenberg en de Masurische 
meren; commando over het 18e legerkorps; in 1915 
opperbevel over het Njemenleger; in 1916 commando 
bij Uskjub om de Bulgaren te steunen. In 191/ met 
het 16e leger in België; in 1917 met het 14e leger naar 


het Isonzofront, waar een doorbraak der Ital. linies 
plaats vond. In het voorjaar van 1918 in de buurt van 
Atrecht, en in het najaar aan den IJzer. Nam ontslag 
27 Juni 1919. Cosemans. 



BH pa i re, Maria El i s a, Vlaamseh letter- 
kundige, * 1853 te 
Antwerpen. W'ijdde 
zich aan maat- 
schappelijke en lief- 
dadige werken, 
speelde een belang- 
rijke rol in het 
Vlaamsche cultuur- 
leven van haar 
geboortestad, in- 
zonderheid door 
het inrichten van 
lager, middelbaar 
en hooger onderwijs 
voor vrouwen. Door 
haar bemiddeling 
versmolten Dietsche 
W arande en Belfort Belpaire. 

tot één tijdschrift, waaraan ze al haar steun verleende. 

Werken: Uit het leven (1887) ; Wonderland (met 
Hilda Ram, 7 reeksen, 1894 — 1908^ ; Landleven in de 
letterk. der XlXe eeuw (1902) ; Christen Ideaal (1905) ; 
Kunst- en Levensbeelden (1906) ; Constance Teichmann 
(1908); Beethoven (1910); Dickens (1929). Vertalingen 
van Jörgensen, Björnson. A. Boon. 


Belroos (e r y s i p e l a s) is een acute besmette- 
lijke ontsteking van huid en onderhuidsch weefsel, 
die wordt gekarakteriseerd door een met koorts ge- 
paard gaande als regel scherp begrensde pijnlijke 
roodheid en zwelling, welke de neiging heeft zich in 
de vlakte uit te breiden. Deze uitbreiding kan lang- 
zaam gaan, soms echter zeer snel. Op de roode huid- 
gedeelten kunnen zich bij b. blaren vormen, terwijl 
ook abcessen en etterige diepere ontstekingen voor- 
komen. B. van de slijmvliezen ziet men zelden. De 
gemiddelde ziekteduur is 8— 14 dagen. B. komt voor- 
namelijk voor in het gelaat en op de behaarde hoofd- 
huid (90% van alle gevallen). Een kleine, dikwijls 
niet opgemerkte open ing in de huid is noodzakelijk 
om den verwekker, den streptococcus erysipelatis, 
toegang te verleenen. Bij sommige patiënten bestaat 
een sterke neiging tot het optreden van recidieven. 
Meestal worden de ziekteverschijnselen bij deze reci- 
dieven telkens minder heftig, maar het zieke weefsel 
reageert op den duur met sterke woekering, zoodat 
elephantiasis (olifantsziekte) ontstaat. De sterfte bij 
b. bedraagt ong. 5%: bij kleine kinderen en ouden van 
dagen is de sterfte grooter. Voor de invoering der anti- 
sepsis waren de talrijke besmettingen met b. in de 
ziekenhuizen zeer gevreesd. Ook nu dienen lijders 
aan b. te worden behandeld als lijders aan een besmet- 
telijke ziekte. E. Hermans. 

Belselo, 1° gem. in de prov. O. Vlaanderen, 
in het land van Waas, ten Z.W r . van Sint Niklaas, 
op den weg naar Gent. Opp. 2 026 ha, zandachtigen 
grond, heide en sparrenboschjes. 3 900 inw. Landbouw 
en klompenmakerijen. De kerk, gansch in Balegemsche 
steen, heefi eenige oorspronkelijke deelen uit de 14e 
eeuw, werd eerst vergroot in de 15e eeuw, daarna 
ca. 1650 tot haar huid igen staat verbouwd. Ook het 
mooi houten beschot in het koor is uit de 17e eeuw. 


Lit.: Annalen v. d. Oudheidkundigen kring v. Land 
van Waas (XXXX 1930). 


517 


Belser — Belijdenis 


518 


2* Parochiedorp in de prov. O. Vlaanderen op 
grondgebied Evergem. 1 800 inw. Blancquaert. 

Belser, Jo hannes v o n, Duitsch Kath. 
Nieuw-Testamenticus; * 30 Oct. 1850 te Villigendorf 
(Wurttemberg), f 20 Oct. 1915 te Tübingen. Was 
stichter en directeur van het tijdschrift Tübinger 
Quartalschrift. Schreef meerdere commentaren en 
andere exegetische studies over het N. T. Zijn voor- 
naamste werk is getiteld: Die Geschichte des Leidens 
und Sterbens, der Auferstehung und der Himmelfahrt 
des Herrn nach der vier Evangeliën ausgelegt (1903). 

Behoudens enkele onwaarschijnlijke stellingen, 
zooals zijn thesis van het éénjarig openbaar leven van 
Jesus, zijn B.’s vele bijbelsche bijdragen zeer te 
waardeeren. Brans. 

Bril , twee zeestraten tusschen Noord- en Oostzee. 
In het Beltenstadium van het laat-Glaciaal lagen hier 
twee ijslobben van den Oostzee-gletsjer; in het post- 
Glaciaal waren het rivieren, die het water van het 
Ancylusmeer afvoerden en door latere positieve 
niveau -verandering drong de zee er in door. De Groote 
Belt is de diepste straat tusschen Oostzee en Noordzee, 
maar door de talrijke banken is ze moeilijk te passee- 
ren. Ze is 60 km lang en in het smalste deel 16 km breed. 
De diepte van de Kleine Belt is sterk wisselend, maar 
in het algemeen voldoende voor de grootste schepen. 
De sterke stroom in het N., waar de breedte 600 m is, 
maakt ook hier de scheepvaart moeilijk. De brug over 
de ^Kleine Belt voor spoor- en gewoon verkeer is 
1 175 m lang, waarvan 825 m over water. 

/r. Stanislaus. 

Ticltcrivijclcy meer in de prov. Overijsel, ten N. 
van Zwartsluis; vormt één groote veenpias met 
Beulakerwijde, samen een deel van den binnen- 
scheepvaartweg Overijsel — Friesland. 

BHtrami, 1° Eugenio, ltaliaansch wiskun- 
dige, * 16 Nov. 1836, f 18 Febr. 1900; studeerde wis- 
kunde te Pa via, was vanaf 1862 hoogleeraar aan ver- 
schillende Ital. univorsiteiten. Zijn werk betreft tal 
van gebieden uit wiskunde, mechanica en math. 
physica. ITet meest bekend zijn zijn onderzoekingen 
over oppervlakken van constante negatieve kromming, 
die een aanschouwelijke interpretatie van de hyper- 
bolische meetkunde mogelijk maken (1868). 

Dijkslerhuis. 

2 ° G i o v a n n i, Ttal a^rsch schilder, glaze- 
nier en schrijver, * 1860 te Milaan, f 1926 aldaar, 
leerling van de academie van de Brera te Milaan. 
Vooral landschapschilder. Als hoofd van een glas- 
branderij vervaardigde hij ramen voor de St. Paulus 
buiten de muren te Rome en den dom van Milaan. 

3 ° Lucas, Ital. architect, * 1854; studeerde in 
Parijs, werd 1880 leeraar in bouwkunde te Milaan 
(Brera), directeur van de Lombardijsche monumenten- 
commissie en maakte zich als zoodanig zeer verdien- 
stelijk voor het restaureeren van oude bouwwerken. 
Leeft in Milaan. 

Voorn, werken: II codice di Leonardo da 

Vinei nella biblioteca del principe Trivulzio in Milano 
(1891); La Basilica Ambrosiana primitiva ( 2 1905); 
La Certosa di Pavia ( 2 1907); J1 Cenaeolo di Leonardo 
(1908) ; Documenti e memorie riguardanti la vita e le 
opere di Leonardo da Vinei (1919) ; La cupola vatieana 
( 1929 )- i Knipping. 

Be II ram y \fasses, F e d e r i c o, Spaansch 
schilder, * 1880, leeft in Madrid. Schildert overdadig 
opgetooide vrouwenportretten, met een volslagen 
gemis aan fijn gevoel. Zijn „La Maja Marquesa” 


bracht groote opschudding onder de Spaansche kunst- 
critici. 

V o orn. werken: De eerstgeborene, Het lied 
van Bilitis, El manton rosa (De rosé mantel). — L i t. : 
Federico B. (Biblioteca Estrella z.j.). Knippiug, 

Bel (rum, > Eibergen. 

Bcltsjikowski, Adam, Poolsch tooneel- 
schrijver en litterair-historicus. * 24 Dec. 1839 te 
Warschau, f 12 Jan. 1909 aldaar. B.’s historisch 
drama is onder invloed van Schiller ontstaan. 

Werken: Adam Tarlo (1869); Hunyadi (1870); 
Francesca da Rimini (1873); Sinjeur Pasek (1901). 

Beliifja, > D ll'ijn. 

Bolus, naam van de voornaamste mannelijke god- 
heid bij vele West-Semietische volkeren. > Baal. De 
antieke Cr. en Lat. schrijvers identificeeren B. met 
Kronos, met Zeus of met een Indischen Hercules. Ze 
noemen hem koning, nu eens van Baby Ion, vader van 
Ninus; dan weer van de Egyptenaren, vadervan Denaiis 
en Aegyptus; of van Tyrus, vader van Pygmalion 
en Dido, veroveraar van Cyprus. Davids . 

Bolus, klassieke naam van rivier in Palestina, 
thans Nahr Na'aman geheeten, die ten N. van het 
Carmelgebergte in zee valt. Volgens een legende 
(Plinius) vonden de Phoeniciërs aan den oever van 
de B. het glas uit. 

Bclval , Belvaux, > Sanem. 

Belvédère, gebouw of toren opgericht op een 
plaats, waar een mooi uitzicht is, bijv. de Belvédère te 



Belvédère bij Nijmegen. 

Nijmegen bij het Valkhof. Ook lustverblijf, buiten- 
paleisje enz. Bramante o.a. bouwde bij het Vaticaan 
de B.. nu ingericht als museum. 

Brlvisiacecën (plant k.), * Lecythidaceeën. 

Belijdenis. 1° Sacramenteel e b. van 
zonden; > Biecht (Sacrament der); > Confiteor. 2 ° 
N i e t-sacramenteele b., > H. Mis, Liturgie der; > 
Koorgebed; > Sacramentaliën. 3° B. van het 
geloof; > Geloofsbelijdenis. 4° Ook voor: ge- 
zindte; en Protestantsch: opname als lidmaat, „zijn 
belijdenis doen”. 

Belijdenis van Petrus, Een eerste geloofs- 
belijdenis van Petrus w T ordt gegeven in Joh. 4. 68, 69. 
Na Jesus’ redevoering over het brood des levens vraagt 
Hij aan de Apostelen: „Wilt ook gij misschien heen- 
gaan ?” Petrus antwoordt uit aller naam: „Tot wrien 
zouden wrij gaan? Gij hebt w’oorden van eeuwig leven 
en w r e gelooven en weten, dat Gij zijt de Heilige Gods.” 
In de Vulgaat: tu es Christus Filius Dei. 

De e i g e n 1 ij k e belijdenis wordt gevonden 
bij de Synoptici. Het meest uitgebreid bij Mt. 16. 


519 


^Belijdenisgeschriften— Bema 


520 


13-20. Vgl. Mc. 8. 27—30; Lc. 9. 18— 20. liet gebeur- 
de in Caesarca Philippi. Op Christus’ vraag: „Wien 
zegt gij dat ik ben”, antwoordt Petrus, volcens Mt.: 
„Gij zij't de Christus, de Zoon van den levenden God”; 
volgens Mc.; ,.Gij zijt de Christus”; naar Lc.: „De 

Christus van God”. Hij Mt. vindt men dus de belijdenis 
van Jesus’ messianiteit en godheid. Alleen bij Mt. 
antwoordt Christus, dat Petrus dit wist door goddelijke 
openbaring en daar alleen ook vindt men de belofte 
van het + primaat van Petrus. 

Rationalisten ontkennen historiciteit om het ver- 
schil in lezing, ze nemen een ontwikkeling der traditie 

aan. . . 

De verklaring van het verschil in recensie wordt 
verschillend gegeven. Het verschil is geen grond om 
historiciteit van het verhaal van Mt. te verwerpen. 
De hypothese, dat dit gedeelte van Mt. op een andere 
plaats thuis hoort en Petrus’ belijdenis bij een andere 
gelegenheid gesproken is, lijkt zeer onwaarschijnlijk. 

Lit.: Dicl. de la Bible (VIII, 361) en Supplement 
(II, 558 ) : Lagrange, Evangile selon S. Matthieu 

(*1923, 320 vlg.). C. Smits 


BolijdcnisflcschriHon, Lat. symbola of libr' 
sjnnbolici (zoo ook in het Duitsch; het Ned. symbool 
heeft echter gew r oonlijk een andere beteekenis), zijn 
de schriftelijke vastleggingen van de leer, die ieder 
lid van een Christelijke Kerk belijden moet, zoodat 
zij hierin onderscheiden zijn van geschriften, die alleen 
bijzondere meeningen of godgeleerde verhandelingen 
geven, w r elke niet officieel zijn erkend. Uit hen wordt 
dus de officiecle leer van een kerkgenootschap gekend 
In ruimeren zin rekent men naast de officieele ver 
klaringen ook wel algemeen erkende leerboeken zooals 
de Heidelbcrgsche Catechismus onder de belijdenis- 
geschriften. Waar een Katholiek gelooven moet, wat 
door God is geopenbaard en door de Kerk te gelooven 
wordt voorgehouden, kan men bij ons niet spreken van 
één geschrift, dat alles officieel bij wijze van één ver- 
klaring bevat; maar w r el worden de oudste geloofs- 
formulieren, zooals de Tw r aalf Artikelen des Geloofs, 
het Credo van Nicaea-Konstantinopel (het Credo uit 
de H. Mis) en dat van den H. Athanasius, gewoonlijk 
zoo genoemd; ook hebben de decreten van de concilies 
van Florence (voor de Armeniërs en de Jacobieten ge- 
geven), van Trente en van het Vaticaan een bijzondere 
waarde als vastlegging van de geloofsleer; doch eigen- 
lijk is iedere bindende verklaring van het leergezag 
een belijdenisgeschrift. 

De Orthodoxe Oostersche Kerken erkennen alleen de 
decreten van de zeven eerste Oecumeensche Kerk- 
vergaderingen als officieele geschriften. De Protes- 
tanten aanvaarden, zoolang zij streng geloovig zijn, 
de drie bovengenoemde oudste symbola; eenigc ge- 
schriften zijn in de geschiedenis van het Protestantisme 
van bijzonder belang als de Angsburgsche Confessie; 
maar feitelijk heeft ieder kerkgenootschap zijn eigen 
belijdenisgeschrift, dat naar omstandigheden wordt 
uitgebreid of nader toegclicht, zooals dat van de Ge- 
reformeerde Kerk door de Synode van Assen naar aan- 
leiding van de kwestie-van Geelkerken. De Angli- 
caansche Kerk heeft als eigen geschrift het Book of 
Common Prayer en de XXXTX Art., door koningin 
Elisabeth in 1671 uitgevaardigd. Indien men wil, 
kan men ook andere gezaghebbende boeken als „Science 
and Health” van mrs. Eddy onder de belijdenisge- 
schriften rekenen; het geschiedt echter gewoonlijk niet 
met de boeken van niet -Christenen, zooals Talmud. 

Lit.: Een uitgebreide lijst in art. Bekenntnisschrilten 


van Bnchberger, Lexifcon Theol. Kirche ; Denzinger, 
Enchiridion Svmbolorum voor Kath. belijdenisgeschrif- 
ten • voor andere: C. Fabricius, Corpus Confessionum 
(Berlijn). Vgl. voor de Orthodoxe Oostersche Kerken 
il Jugie, Theologica Dogmatiea Orientalium (1 passim) ; 
en voor het vraagstuk in het algemeen de gangbare 
handboeken De Ecclesia van v. Noort, de Groot O.P., 
Schultes O.P., Dieckmann S.J. bij hfst. Regula Fidei. 

Pauwels. 

Bel Heler (Lat. confessor), naam van de mannelijke 
Heiligen, die geen martelaars zijn. Hun leven is een 
belijden van het Evangelie. In de eerste eeuwen wer- 
den zij, die voor den rechter hun geloof in Christus 
beleden en daarvoor gestraft werden, maar niet ge- 
dood, belijder genoemd. . 

Lit * L. Duchesne, Origines du culte chrétien (*1903). 

Kreling. 

BelyjU Andrej (pseud. van Boris Nicolaje- 
witsj Boegajew), Russisch dichter en proza- 
schrijver met wdjsgeerige pretenties. * 27 Oct. 1880 
te Moskou, f 1929. In zijn poëzie, vol van de marte- 
ling der waarheidszoekers, begonnen met de sym- 
bolistische techniek, in zijn proza uitgegaan van 
Gogo lj, kwam B. tijdens den Wereldoorlog in den ban 
van den anthroposoof R. Steiner, zoodat in zijn 
later en rijper werk een mystisch-religicus halfdonker, 
met broeierige erotiek vermengd, de slavophiele en 
maatschappelijke strekking omdoezelt. 

Werken: Overzichtelijke zelfkeur uit de poëzie 
van 1902—1922 (Moskou 1923); romantrilogie: 1* De 
zilveren duif (1910); 2° Petersburg (1914) ; 3* Kotik 
Letajew (1916 ; Duitsche vertaling Stettin-München 
1912 vlg.1 ; autobiographie : Aanteekeningcn van ccn 
zonderling (1923). — L i t. : E. Keuchel in Deutsche 
Monatschrift für Russland (1914, 195 vlg.). Baur. 

Bclzoni' Giovanni Battista, ont- 
dekkingsreiziger, * 6 Nov. 1778 te Padua, f 3 Dec. 
1823 te Ga to (Benin). Ging naar Egypte, om een hy- 
draulische machine samen te stellen, w r at aanleiding 
werd tot zijn onderzoek van Egypt. oudheden. Hij 
was de eerste, die den rotstempel van Aboe Simbel 
onderzocht. In 1818 opende hij de pyramide van 
Chephren. Aan de kust van de Roode Zee vond hij de 
ruïnes van het oude Beren ike. Bekend is zijn: Narrative 
of the operation and recent discoveries in Egypt and 
Nubia (1821). Vdlhoven. 

B<>lzu, Manuel Isidoro, Boliviaansch 
generaal en staatsman. * 1808 te La Paz, f 1886. 
Bracht Ballivian en Velasco ten val en werd zelf 
president der republiek (1848— ’55). Vertoefde nader- 
hand tien jaar in Europa. Nauwelijks in het vaderland 
teruggekeerd, verwekte hij een opstand tegen Melgarejo 
(1865), doch werd ditmaal zelf gevangen genomen en 
terechtgesteld. , . 

Lit.: A. Arguedas, Histoire générale do la Bolivie 
(Parijs 1923). Lousse. 

Belzy, > Baltsji. 

Benin , Grieksche benaming voor het sanctuarium 
(priesterkoor): het achterste gedeelte der kerk, de 
plaats, waar zich het (hoofd) altaar bevindt, en ook de 
beide altaarvormige tafels: de prothesis, waarop de 
offergaven w r orden gereedgemaakt, en het diaconicon, 
waarop de gewaden voor den priester en den diaken 
gereedliggen. Achter het offeraltaar bevindt zich een 
nis, soms ook achter de beide andere. In de hoofdnis 
zijn langs den wand zetels aangebracht: een voor den 
bisschop, de andere voor de priesters. Het b. is iets 
hooger gelegen dan het schip en ontleent hieraan zijn 
naam (Gr. bèma = trede, tribune). Van het schip is 
het gescheiden door een afsluiting, oorspronkelijk 




Horizontale schroefpomp, gedreven door clectromotor. 


Cenlrifugaalpomp met verticale as, gedreven] 
door electromotor. 


bescheiden, maar later, door versiering met heiligen- 
beeltenissen (> Iconen), uitgegroeid tot een wand met 
drie deuropeningen (->• Iconostase). Lomverse. 

Bemalen rj rond en zijn gronden, waarvan het 
overtollige water door +■ bemaling wordt verwijderd. 

Bf'Tnnlinf), het verwijderen van overtollig water, 
in het bijzonder uit polders. In het algemeen kan als 
eisch gesteld worden, dat per 1 000 ha minstens 
900 liter per sec. uitgeslagen moeten kunnen worden, 
waarvoor bij een opvoerhoogtc van 1 m 12 waterpaarde- 
kracht noodig zijn. Behalve op het af te voeren regen- 
water, waarvoor een op weerkundige waarnemingen 
berustend cijfer voor den regenval als grondslag dient, 
moet men rekenen op de kwel, die afhankelijk is van 
vele plaatselijke omstandigheden, zooals grondsoort, 
diepte van den polder en dgl. Op grond van in den 
Haarlemmermeerpolder gedane waarnemingen ge- 
durende een vol jaar, bepaalde Elink Schuurman de 
kwel voor dien polder op gemiddeld 150 mm. 

P. Bnngnerts. 

Bcmalingsbelasting (N e d. Bel. recht). 
Krachtens de wet van 22 Juni 1914, Stbl. 264, mag de 
provincie Friesland, gedurende een tijdvak van voor- 
loop ig 30 jaren, onder den naam „bemalingsbelasting” 


buitengewone opcenten op de hoofdsom der grond- 
belasting, voor de ongebouwde eigendommen, heffen. 
De opbrengst strekt tot bestrijding van de kosten van 
werken tot verbetering van de afstroom ing van het 
boezemwater. Over de belastingjaren 1932 en 1933 
bedroeg het aantal buitengewone opcenten, geheven 
als b., zestien. Smeet 8. 

Bemalingsinrirhliiifj, inrichting tot het 
handhaven van een gewensehten waterstand binnen 
een polder, op een boezem of kanaal. Bestaat uit een 
opvoorwerktiiig en een motor tot het drijven hiervan. 

Brninliri0s\Y<>rkfiiir|<>n (zie plaat t/o kolom 
628)dienen tot het bemalen van polders. Zij kunnen zijn 
van zeer eenvoudigen vorm, voor handbedrijf, alsook 
van meer samengestelden aard, door stoom, ruwolie, 
benzine of electriciteit aangedreven en automatisch 
werkend. Tot de eerstgenoemde soort van b. behooren 
de vijzels en de tonmolens; zij worden toegepast voor 
het opvoeren van water tot een geringe hoogte. Door 
het draaien van de spil wordt het water dus omhoog- 
geschroefd. Dergelijke werktuigen heeten vijzels, 
wanneer de opleider stilstaat en tonmolens, wanneer 
hij meded raait. 

Verder behooren onder de b. de schepraderen, welke 


523 


Bembandek — Bemesten 


524 


meestal door windkracht en ook wel door stoom- 
machines of motoren in beweging gebracht worden. 

Ook de schepraderen dienen tot het opvoeren van 
water tot geringe opvoerhoogten, maximaal 2 m; 
zij kunnen met voordeel aangewend worden, waar de 
stand van het buitenwater aan wisselende hoogte 
onderhevig is. De diameter van het scheprad, welke 
somtijds tot 12 m kan bedragen, is afhankelijk van de 
opvoerhoogte. Het nuttig effect der schepraderen is 
vrij gunstig en kan nog worden verbeterd door de 
schoepen niet vlak te maken, doch van een V-vormige 
doorsnede, waardoor de omtreksnelheid grooter kan 



worden. Als b. worden meer en meer pompen gebruikt 
en wel in hoofdzaak centrifugaal- en axiale schoepen- 
pompcn. Eerstgenoemde zijn geschikt voor groote 
waterhoeveel heden en groote opvoerhoogte, de laatste 
zijn alleen bij geringere opvoerhoogte bruikbaar. 
Beide soorten hebben tegenover de eveneens mecha- 
nisch aangedreven schepraderen eenige belangrijke 
voordeelen, nl. gelijke opbrengst bij verschillende 
binnenwaterstanden (waartoe het aantal omwentelin- 
gen regelbaar moet zijn), zoo noodig grooter opbrengst 
dan de normale (onder gelijk voorbehoud), gering 
verbruik aan smeermiddelen, mogelijkheid van directe 
koppeling aan de aandrijvende machine, weinig 
slijtage en vrijwel geruischlooze gang. 

Bij toepassing van electr. aandrijving bestaat de 
mogelijkheid, de b. automatisch in beweging te doen 
brengen en te doen stilstaan afhankelijk van den bin- 
nen waterstand, waaruit vooral ten opzichte van de be- 
diening groote voordeelen voortvloeien, en is het voorts 
niet meer noodig een groot centraal b. te gebruiken, 
doch kunnen zonder te groote kosten op de meest ge- 
wenschte punten plaatselijke kleine gemalen opgesteld 
worden. Als belangrijke b. in Nederland noemen wij: 
1° dat nabij de Lemmer (gemaal Tacozijl); 2° dat te 
Zoutkamp (prov. Groningen); 3° de 32 automatisch 
werkende electrisch aangedreven pompstations in 
de Donge-polders; 4° het gemaal bij de Boonersluis 
te Maassluis (Delflandsboezem) ; 5° dat bij Medemblik 
(de Lely, Wieringermeerpolder); 6° dat bij Den Oever 
(de Leemans, Wieringermeerpolder); 7° dat nabij 
Middelburg (polder Walcheren). P. Bongaerts. 

Bom bandek, plaats in Belg. Kongo, aan den 
rechteroever van den Beneden Kongostroora, ten W. 
van Boma; heuvel met monoliet. 

Bonihergzijdc, > Koperzijde. 

Brmbo, P i e t r o, Italiaansch Humanist. 
* 20 Mei 1470 te Venetië, f 18 Jan. 1547 te Rome. 
Verbleef achtereenvolgens aan het hof van Ferrara, 
waar hij in liefdesbetrekking stond met Lucrezia 
Borgia, en aan het hof van Urbino, en kwam daarna 


te Rome als secretaris van paus Leo X. Hij trok zich 
in 1521 terug te Padua, waar hij een prachtig woonhuis 
bezat, om er een tiental ja ren door te brengen in studie, 
maar ook in losbandigheid, en werd in 1530 benoemd 
tot geschiedschrijver van de Venetiaansche republiek 
en bibliothecaris van St. Marcus. In 1539 keerde hij 
als kardinaal naar Rome terug en verkreeg in 1541 
nog het episcopaat van Gubbio en in 1544 dat van 
Bergamo. Hij was een der voornaamste in-eer-her- 
stellers van den goeden stijl, zoowel wat de Latijnsche 
als de Italiaansche taal betreft. 

Latijnsche werken: Carmina (1533) ; Episto- 
lae (1535); Rerum veneticarum libri XII (1551). — 
Italiaansche werken: Gli Asolani, dialogen 

over het wezen der liefde in den zin van Petrarca en van 
de neo-Platonici (1505); Prose dclla volgar lingua, de 
eerste 1 tal. grammatica naar teksten van de beste 
schrijvers (1525): Rime (1530). Zijn Tutte opere ver- 
schenen te Venetië (1729), te Milaan (1808 en 1821). — 
L i t. : V. Cian, Un dcccnnio della vita di P. B. (Turijn 
1885) ; Borgogni, 11 secondo amore di P. Bembo (Nuova 
antologia, 1885) ; Morsolin, P. B. e Lucrezia Borgia (ib.). 

Vlrix. 

Bcmrlen, gem. in Ned. Limburg, 4 km ten O. 
van Maastricht; omvattend het dorp Bemelen en een 
gedeelte van het gehucht Gasthuis; in 1932: 258 inw. 
(Kath.). Landbouw. 

Bemcrgelen, bepaalde wijze van bemesten; 
de grond wordt met mergel bestrooid, welke daarna 
met eg of cultivator er goed door gewerkt moet worden. 
Doel van b. is te voorzien in een tekort aan kalk in 
den grond (* Bemesten); de mergel bevat een hoog 
gehalte aan koolzure kalk (minstens 80%, overeen- 
komende met 45% ongebluschte kalk). 

Bemesten, aan den grond stoffen toevoegen, 
welke direct of indirect tot de voeding der planten 
kunnen bijdragen, de vruchtbaarheid van den grond 
verhoogen. Voor de voeding van de planten zijn noo- 
dig: water, koolzuur, stikstof, phosphorzuur, zwavel- 



1 Superphosphaat 

Kalk 8 


2 Thomas- 
o slakkenmeel 
\ Rtienania- 
\ phosphaat 

KA Kalkstikstof 

Q Qi Qlmoct 

A m m n t • 7 



r\ UI iiiuiiiri i\ / Vv 

mesistolfen 



'yj Guano 

/ Beendermeel 

Kali- b 
meststoffen 


J 4 Kalimeststoffen 

Salpeter 5 



De met vette lijnen verbonden meststoffen mogen 
niet gemengd, de met dubbele lijnen verbonden mest- 
stoffen moeten kort v.#or gebruik, de andere kunnen 
altijd vermengd worden. 

zuur, kali, kalk, magnesia en ijzeroxyde. Koolzuur 
trekt de plant uit de atmosfeer, de andere stoffen 
worden (met een enkele uitzondering) uit den grond 
opgenomen. Hiervan zijn zwavel, magnesium en ijzer 
altijd in voldoende mate aanwezig; aan stikstof, phos- 
phrozuur, kali en kalk is soms een tekort. Dit tekort 
kan worden aangevuld: 

1° door natuurmest: stalmest, gier of aalt, 
beer, compost, straatvuil en groenbemesting (bijv. 
lupinen, serra della, klaver, bietenloof); 



525 


Bemestingsproef— Bemmelen 


526 


2 door kunstmest, waarvan het gebruik 
in deze eeuw zeer is toegenomen. Men onderscheidt 
naar de stof, waaraan een tekort is, de kunstmest- 
stoffen in : a) stikstof meststoffen, bijv. 

chilisalpeter (stikstofgehalte 15%), Norgesalpeter 
(ca. 15%), natronsalpeter, de synthetische chilisal- 
peter (43—46%), salpeterzure ammoniak (36%); 
b) phosphorzure meststoffen, bijv. super- 
phosphaat (14-18% in water oplosbaar phosphorzuur) 
dubbelsuperphosphaat (40—50%), Thomasslakken- 
meel (16 17%); c) kali meststoffen, bijv. patent- 
kali (bevat 25% of meer kali); d) kalk meststoffen, 
bijv. kluitkalk, schelpkalk, kalkmergel, schuimaarde. 

De samengestelde meststoffen, die de vier planten- 
voedcndc stoffen tegelijkertijd en in bepaalde verhou- 
ding bevatten (bijv. Nitrophoska) zijn tot nog tot 
van weinig belang. 

Bo mesl ingsprof f , > Proefveldwezen. 
Bemiddelaar (N e d. Recht), > Rijks- 
bemiddelaar ; > Arbeidsgeschillenwet 1923. 

Bemiddelend vonnis (N e d. Recht). De 
rechter moet volgens de wet rechtspreken; hij mag de 
innerlijke waarde of de billijkheid der wet niet beoor- 
delen , noch zich beroepen op duisterheid of onvol- 
ledigheid der wet. Degene, die iets beweert, moet het 
bewijzen; aan een eischer, die de feiten, waarop zijn 
vordering steunt, niet kan bewijzen, moet zijn eisch 
worden ontzegd. Deze regelen kunnen somtijds tot 
onbillijkheid leiden, en den rechter noodzaken een 
vonnis te wijzen, dat het rechtsgevoel niet bevredigt. 
Om hieraan tegemoet te komen, pleit men voor het 
bemiddelend vonnis, waarin de rechter bij duisterheid 
van het recht of van de feiten een uitspraak geeft, 
die aan het verlangen van beide partijen gedeeltelijk 
tegemoet komt. Onze wet kent liet b. niet; een enkele 
maal ontmoet men het echter in de rechtspraak. 

I. i t. : o.a. mr. C. A. J. Hartzfeld, Goed passend recht 
( 1932 )- Wüteman. 

Bemiddeling, > Middelaar. 
Bemiddelingsbureau, gelegenheid voor 

werkgevers(geefsters) , tot dewelke zij zich kunnen 
wenden ter aanvulling van hun personeel uit ingeschre- 
ven werknemers; vaak voor vrouwelijke beroepen 
in huiselijke diensten. Deze bemiddelingsbureaus 
zi jn meestal verbonden aan vereenigingen voor bescher- 
ming van vrouwen en meisjes, en aan de vereeniging 
Tesschelschade (voor vrouwen uit beschaafden stand). 
Ook voor personen, die niet over volle arbeidskracht be- 
schikken (onvolwaardigen) aan arbeidsbeurzen en aan 
het Genootschap Liefdadigheid naarvermogen .F.Haije. 

Be middel ingsramd (N e d. Recht) is een 
instituut, hetwelk wordt genoemd in de Arbeids- 
geschillenwet J923. Krachtens art. 10 dier wet kan de 
> rijksbemiddelaar ter vereffening van bepaalde 
geschillen overgaan tot de vorming van een bemidde- 
lingsraad, indien het verzoek daartoe schriftelijk 
wordt gedaan door of namens de bij het geschil betrok- 
ken werkgevers en arbeiders of door of namens zoo- 
danig gedeelte van hen, dat naar het oordeel van den 
rijksbemiddelaar de tiissch en komst van den b. kan 
leiden tot vereffening van het geschil, althans tot een 
aanzienlijke beperking van het aantal daarbij betrok- 
ken personen. Een b. geeft niet meer dan een advies, 
waaraan partijen niet gebonden zijn. 

Een b. bestaat uit een voorzitter en twee of meer 
leden. Aan den b. wordt een secretaris toegevoegd. 
Overigens wordt de samenstelling van den b. en de 
aanwijzing van den voorzitter, de leden en den secre- 


taris door den rijksbemiddelaar in overeenstemming 
met partijen geregeld. stoer. 

\oor Belg. Recht, > Arbeidsbemiddeling. 
Beminnelijkheid (Lat. affabilitas) is de deugd, 
waardoor de mensch zich tegenover zijn medemenschen 
zoo gedraagt, dat de samenleving goed en aangenaam 
wordt. Hiertoe behoort dus ook het ond houden 
der beleefde omgangsvormen. De deugd van b. houdt 
het midden tusschen twee ondeugden, nl. vleierij en 
stugheid (ruwheid in den omgang, bokkigheid). 

Lit. : St. Thomas, Sum. Theol. (II, II, q. 114 a. 1). 

_ . Bender. 

Beminnen, -> Liefde. 

Bemmel, gem. in Geld., in het O. van de Over- 
Betuwe. De gem. heeft een opp. van 3 900 ha en omvat, 
behalve B., de dorpen Ressen, Angeren, Doornenbur^ 
en de buurtschap Haalderen. Ruim 7 000 inw., waar- 
van 90% Kath. en 10% Ned. Herv. De bodem bestaat 
uit rivierklei. In verband hiermee zijn landbouw en 
tuinbouw (fruit) de belangrijkste bestaansmiddelen. 
De steenindustrie geeft in den winter aan 400, in den 
zomer aan 800 arbeiders werk. 

B. is een zeer oude heerlijkheid. Van de talrijke 
kasteden, herinnerend aan den Geld. graventijd, zijn 
nog over: het kasteel Doornenburg (uit de 14e eeuw, 
maar in de 17e en 18e eeuw sterk veranderd en thans 
verlaten), het „Huis te Bemmel” en de Kinkelerburg 
(koninklijke burcht, waar Claudius Civilus gewoond 
zou hebben). Bezienswaardig zijn ook het Ned. Herv. 
kerkje te Bemmel (14e eeuw) en het Ned. Herv. kerkje 
te Ressen (13e eeuw) met toren van tufsteen. In de 
Kath. kerk te Doomenburg houtsnijwerk uit de 15e 
eei i w - Heijs. 

Bemmelen, 1° Adr iaan Anthonyvan, 
zoöloog, vooral ornitholoog, * 3 Nov. 1830, te Almelo, 

•• 1897 te Rotterdam. Was vanaf 1859 assistent aan 
het Rijks-Museum van Nat. Hist. te Leiden en vanaf 
1876 directeur van den dierentuin te Rotterdam, die 
onder zijn bekwame leiding een grooteren bloei ver- 
wierf. v. B. was ook mede-oprichter en voorzitter 
van de Ned. Dierkundige Vereeniging. Willems. 

2°Jakob Maarten van, scheikundige. 

* 3 Nov. 1830 te Almelo, f 13 Maart 1911 te Leiden. 
Van 1874 tot 1901 
hoogleeraar in dc 
anorg. scheikund* 
te Leiden. Is de 
grondlegger van 
de chemie der col* 
loïdale stoffen en 
zijn onderzoeking- 
en hebben, on- 
danks het feit, dat 
de theoretische in- 
zichten aanmerke 
lijk veranderd zijn 
nog steeds groote 
waarde. Zijn voor- 
naamste publica 
ties zijn versche 
nen in „Die Ab- 
sorption. Gesam- 
melte Abhand- 
lungen über Kol 



J. M. van Bemmelen. 


loide und Absorption” (onder medewerking vanv. B. 
uitgegeven door Wo. Ostwald (Dresden 1910). 

L i t. : Gedenkboek aangeb en aan J. M. van Bem- 
melen (1910). Hoogeveen. 


527 


Bémol— Benadeeling van schuldeischers 


528 


3° Johan Frans van, zoöloog, 1869 te 
Groningen. Promoveerde te Utrecht op dissertatie 
„Over den bouw der schelpen der Brachiopoden en 
Chitonen” en werd aldaar assistent bij de zoölogie. 
Van 1890— '91 nam hij deel aan deexpeditie opMidden- 
Sumatra en was vervolgens tot 1894 leeraar aan het 
gymnasium te Batavia. Bij zijn temgkeer in Holland 
(1894) werd hij leeraar aan de H.B.S. te Den Haag 
en werd in 1899 docent in de paleontologie en biologie 
aan de Polytechnische Hoogeschool te Delft; in 1907 
volgde zijn benoeming tot hoogleeraar in de zoölogie 
aan de Rijks-universiteit te Groningen van welke 
functie hij in 1929 bij het bereiken van den 70-jarigen 
leeftijd ontslag nam/lioewel v. B. zich in zijn studie 
over de geheele breedte der zoölogie heeft bewogen, 
ligt toch zijn groote kracht op het gebied der vergelij- 
kende anatomie en erfelijkheidsleer. Zijn studie „Over 
de erfelijkheid der eigenschappen” werd in 1889 be- 
kroond. Ook heeft hij vele voordrachten gehouden, 
waarvan o.a. de volgende het licht zagen: 

De ontwikkeling der vlindervleugels in de pop 
(Batavia 1894); Indische huisdieren (Batavia 1894): 
Het goed recht der palaeontologie aan een polytech- 
nische school (Inaugurale rede te Delft, 1899); Ver- 
dwenen dieren (Inaugurale rede te Groningen, 1907); 
Hedendaagsche dieren (Rectorale rede te Groningen, 
1919); Toekomstige dieren (Afscheidscollege te Gro- 
ningen, 1980). Verder verscheen nog van hem in 1888 
„Beitrüge zur Kenntnis der Halsgegend bei Reptilien.” 
b Wül ws. 

4° \V i 1 1 e m van, Ned. natuurkundige en 
meteoroloog. * 1868 te Groningen; directeur 1905— 
1920 van het Kon. magnetisch en meteorologisch 
observatorium te Batavia. Studies over aardmagne- 
tisme en onderzoek van den inter-tropicalen hoogen 
dampkring. Sedert 1922 lector in de natuurk. -aard- 
rijkskunde aan de universiteit te Amsterdam. 

Werken: Magnetie survcy of the Dutch East-Indies 
(1908): De atmospherische circulatie boven Auslraal- 
Azië (1918). V. d. Broeck. 

Bt niol, Fransche term in de muziek voor 
verlaging van den toon. Bijv. mi bómol — es. 

Bemonsteren, het trekken, steken of nemen van 
monsters van een partij goederen. In den groothandel 
is het speciaal het werk van makelaars. 

Bctnple* Jordanus van den, Domini- 
caan, Ned. dichter, * 1634 te Doornik, f 1671 te Brug- 
ge. Schreef: Den bloedigen goeden Vrijdagh verdeelt 
in 12 weendichten. 

Ben (Hebr., = zoon; mv. bene; Arab. ibn, mv. 
benoe; Aram. bar en bir; Assyr. ibn i) wordt gebruikt, 
behalve in de beteekenis van „zoon”, om de betrekking 
van een persoon tot een object aan te duiden: zoon 
der wegen = reiziger. 

Ben a ons, I. a c u s, (ant. geogr.) meer bij Verona. 
teg. Garda-meer. 

Bensuhul, naam van verschillende koningen van 
Syrië, beteekent „zoon van (den god) Hadad”. 

1 ° Bcnadad I (f omstr. 876 v. Chr.) voerde met 
koning Asa van Juda oorlog tegen Baasa van Israël 
(3 Reg. 16.18- 20; 2 Par. 16.2—4). 

2 ° Benadad 11, zoon en opvolger van Bcnadad I, 
voerde twee oorlogen tegen Achab van Israël, maar 
werd verslagen, de eerste maal bij Samaria, de tweede 
maal bij Aphec (3 Reg. 20); later voerde hij een derden 
oorlog tegen Joram van Israël (4 Reg. 6.24 — 7.16). 

3 ° Benadad 111 (797—773) werd driemaal verslagen 
door Joas van Israël (4 Reg. 13.24 vlg.). Keulers. 


Benadeeling van scliuldeisehers (Ne- 
derlandse!. Recht). De goederen van 
den schuldenaar, zoowel tegenwoordige als toekomstige, 
strekken tot gemeenscha ppelijken waarborg voor zijn 
schuldeischers (art. 1178 B.W.). Iedere schuldeischer 
kan daarom de handeling van den schuldenaar, welke 
ten gevolge zou hebben, dat niet ieder 100% zijner 
vordering zou kunnen ontvangen, aan merken als 
krachteloos ten aanzien derge amenlijke schuldeischers, 
indien : 1° die handeling onverplicht is; 2° zoowel de 
schuldenaar als degene, met wien of te wiens behoeve 
hij handelde, bij het verrichten der handeling de w eten- 
schap bezat, dat daarvan benadeeling der schuld- 
eischers het gevolg zou zijn (art. 1377 B.W.); betreft het 
een handelingom niet, bijv. schenking, dan is de weten- 
schap van den begiftigde niet vereischt. De schuld- 
eischer, ook die zulks eerst later is geworden, kan zich 
zonder meer op een overgedragen goed of door kwijt- 
schelding tenietgedane vordering verhalen, een in de 
rangregeling opgekomen vordering of hypotheek be- 
twisten, een derde uit het bezit van een zaak ont- 
zetten (vgl. H.R. 14 April 1881 W. 4635), zonder 
daartoe een bepaalde vordering te moeten instellen; 
niettemin noemt men het beroep op b. gewoon lijk, 
naar den Romeinsehen oorsprong, de „actio Pauliana” 
(vgl. ook art. 1490). Rechten, bijv. een ten laste van 
den begiftigde gevestigde hypotheek, door derden te 
goeder trouw op goederen verkregen, moeten worden 
geëerbiedigd. Tot de gew'one gevallen behoort de 
levering van den inboedel zonder weghaling hetzij in 
koop tegen verrekening van schuld hetzij tot zekerheid 
aan familieleden — die, aldus de Mem. v. Toel. tot 
het ontwerp faillissementswet, zelden onbekend zijn 
met den vermogenstoestand van den schuldenaar en 
het eerst bereid gevonden worden hem behulpzaam 
te zijn bij de verduistering van zijn boedel (vlg. art. 
43 faill.wet) — of aan bevriende schuldeischers. Bij- 
zondere gevallen regelen art. 247 en 270 B.W. (bij 
scheiding van goederen of echtscheiding): art. 1024 2 
(bij fidcicommis); art. 1107 (bij verwerping van erfe- 
nis); art. 1113 (verzet tegen boedelscheiding); art. 
1989 (bij afstand van verjaring). 

Tijdens faillissement komt dezelfde 
bevoegdheid toe aan den curator (art. 42 vgl. faillis- 
sementswet) en kan de afzonderlijke schuldeischer 
zich slechts doen gelden door op de gronden, aan 
deze bepalingen ontleend, dc toelating eener vor- 
dering te bestrijden (art. 49 j° 119 faill.wet). De 
curator geniet faciliteiten betreffende het bewijs 
der wetenschap van b., welke, indien de handeling is 
verricht binnen 40 dagen voor de faillietverklaring 
en de schuldenaar zich niet reeds vóór den aan vang 
van dien termijn daartoe had verplicht, vermoed 
wordt aan beide zijden te hebben bestaan 1° bij over- 
eenkomsten, waarbij de waarde der verbintenis aan 
de zijde van den schuldenaar aanmerkelijk die der 
verbintenis aan de andere zijde overtreft; 2° bij han- 
delingen ter voldoening van of zekerheidsstelling 
voor een niet opeischbare schuld; 3° bij handelingen, 
door den schuldenaar met of ten behoeve van zijn 
echtgenoote of zijn bloed- of aanverwanten tot 
in den derden graad verricht. Verder worden de rechts- 
gevolgen der nietigheid hier uitvoeriger geregeld. Ook 
de nietigheid van de voldoening aan een opeischbare 
schuld kan worden ingeroepen, wanneer hetzij hij, 
die de betaling ontving, wist, dat het faillissement 
van den schuldenaar reeds was aangevraagd, hetzij 
1 de betaling het gevolg was van overleg tusschen 



Windmolen te Loenen aan de Vecht; 


Windmolen te Oud Ade; wipmolen, waarvan 
het geheele bovenhuis draaibaar is. 



Overzicht van de bemalingsinrichting de >Lely« aan den afsluitdijk 
van den Wieringermeerpolder bij Medemblik. 



Amerikaansche molen, welke zich zelf op 
de windrichting instelt. 



Luchtdrukcentrifugaalpomp in aanbouw. 


Gezicht in de machinehal van het electrische gemaal de >Lely< bij Medemblik. 





BERLIJN 




Blik over Berlijn; op den voorgrond het waren- 
huis van het Karstadt-concern. 


De oude Rijkskanselarij in de Wilhelmstrasse. 



Het Columbushuis met den Potsdammer Platz. 


Het paleis van den Kath. bisschop van Berlijn. 






629 


Benadering — Benares 


530 


den schuldenaar en den schuldeischer, ten doel hebben- 
de laatstgenoemde door die betaling boven andere 
schil ldeischers te begunstigen (art. 47 faill.wet). 

Lit.: behalve de handboeken, Tioleinan De vormen 
van ongeldigheid van rechtshandelingen (1933). Petit. 

Belg. Recht. De schuldeischers kunnen in 
hun eigen naam opkomen tegen de handelingen, die 
door hun schuldenaar ter bedrieglijke verkorting van 
hun rechten gedaan zijn (art. 1107). Deze actie noemt 
men de herroepende rechtsvordering of de a c t i o 
pauliana) naar den naam van den praetor Pau- 
lus. waaraan haar oorsprong in het Romeinsche Recht 
toegeschreven wordt. 

Voorde vernietiging der handelingen van den schul- 
denaar op grond van art. 1167 stelt de wet twee voor- 
waarden : de benadeel ing der schuldeischers en het 
bedrog. 

Bij d* handelingen onder bezwarenden titel moet de 
medeplichtigheid van den derde bewezen worden, bij 
de handelingen onder kosteloozen titel is het integen- 
deel voldoende, dat de wetenschap der benadeeling 
alleen bestaat bij den schuldenaar. 

De schuldeischers kunnen in principe niet opkomen 
tegen een betaling, die hun schuldenaar tot delging 
van een eischbare schuld gedaan heeft. In geval van 
faillissement echter zal deze betaling, indien de schuld- 
eischer, die haar ontvangen heeft, kennis van de sta- 
king der betalingen gehad heeft, kunnen vernietigd 
worden, als zijnde strijdig met de gelijkheid, die onder 
de schuldeischers van den gefailleerde moet bestaan. 

Klu ijs hens. 

Benadering, 1° van functies: de benade- 
ringstheorie geeft voor functies f (x), die aan bepaalde 
voorwaarden voldoen, uitdrukkingen van eenvoudige 
gedaante (veeltermen in x, sommen van sinussen en 
cosinussen, enz.), die kunnen dienen om de waarde 
der functies met voldoende nauwkeurigheid te be- 
rekenen. 

2° In de getallenleer: indien a, b, c en d 
bestaanbaar zijn, en D = ad — bc positief is, is het 
mogelijk twee getallen x en y te vinden, zoodjinig, 
dat ax_f by en cx -f dy tusschen — l/D en 
+ l/D liggen (grenzen inbegrepen). 

Minkowski heeft in „Geometrie der Zahlen” (1896) 
de uitbreiding van deze stelling gegeven voor n vor- 
men met n veranderlijken. Een willekeurig aantal 

bestaanbare getallen a, b, f zijn bij benadering 

voor te stellen door breuken A/N, B/N, F/N 

met denzelfden noemer N, en wel zoodanig, dat liet 
verschil ligt tusschen — 1/kNk en + l/kN*s waarbij k 
gelijk is aan 1, vermeerderd met de omgekeerde waarde 
van het aantal benaderde getallen. Hurwitz heeft 
bewezen, dat ieder irrationaal getal bij benadering 
kan worden voorgesteld door een breuk y/x, en_wel 
zóó, dat de afwijking kleiner is dan 1 / x 2 1/5. In- 
dien minstens éón der getallen a p a 2 ,. . . . , a n irra- 
tionaal is, kan men de geheele getallen x t , x 2 ,. . . ., 

Xn en y zóó kiezen.dat a,x, -f a 2 x 2 -f +anXn — } 

net zon dicht bij nul ligt, als men zelf wenscht. Deze 
stelling, en de uitbreiding ervan voor een willekeurig 
aantal vormen i.p.v. één, is door Kronecker bewezen 

Lit. : de la Valléo Poussin, LeQons sur 1’approxiJ 
mation des fonctions (1919): Bemstein, LeQons sur ie' 
propriétés extrémales des fonctions analytiques (1926) . 
Jackson, The theory ol approximution (1930). 

v. d. Corput. 

Bena Dibele, plaats in Belg. Kongo, aan de 
Sankoeroe-rivier, stroomafwaarts van den samenloop 


met de Loebefoe-rivier; administratief- en handels- 
centrum ; rivierhaven ; katoenbewerking. 

Bon- Ah in, Belg. gem. in de prov. Luik, ten W. 
van Hoei; ruim 2 600 inw.; opp. 2 421 ha; Maasvallei, 
bergachtig; landbouw, steengroeven, erts, steenkool, 
chemische nijverheid. Kasteden van Fléron, Ah in, 
Rochempré, Solières (vroeger beroemde abdij); ruïne 
van het kasteel van Beaufort; Gotische kerk van de 
13e eeuw; „trou Manto” of Manteau: grot in het dal 
van Solières. V. AsbroecL 

Bena Ylakinia, missie der Paters van Scheut, 
apost. vicariaat Opper-Kasai. Volksstammen: Bakoeba 
en Bakete. Ongeveer 40 000 zielen. Gesticht 1929. Ge- 
doopten (1932): 3 746. 

Benaming van planten en dieren. Hier- 
onder wordt verstaan de van Linnaeus (1735) af- 
komstige en sinds dien tijd ingevoerde methode om 
planten en dieren met een dubbele (Latijnsche) be- 
naming aan te duiden. De eerste naam dient om 
het geslacht, waartoe plant of dier behoort, de 
tweede om de soort aan te duiden (binomenclatuur 
of binaire nomenclatuur). Meestal wordt nog hier- 
achter afgekort den naam van den onderzoeker ge- 
plaatst, die voor het eerst onder deze benaming een 
bepaalde plant of dier heeft beschreven. Zoo wordt 
de leeuw aangeduid met „Felis leo L.”; hier be- 
teekent Felis het geslacht, leo de soort en L. de 
naam van den onderzoeker „Linnaeus”. Bij aan- 
duiding van variëteiten wordt nog een derde naam 
toegevoegd (trinomenclatuur of tertiaire nomencla- 
tuur). > Systematiek. Willems . 

Benard, Dom La u rent, Benedictijn, 
* 1573 te Nevers, f 1620 te Parijs. Als monnik van 
Nevers hervormde hij het college van Cluny te Parijs, 
waarna hij te S. Vannes opnieuw zijn geloften af legde 
in 1615. Op zijn aandringen werd in Frankrijk de Congr. 
van S. Maurus gevormd naar het voorbeeld van die 
van S. Vannes. 

Werken: Paraeneses chrétienne* ; De 1’esprit des 
ordres rcligicux ; Instructions monastique9; I/éloge 
Bénédictiu ; Pjlice régulière ; alle te Parijs 1616-1619. 
— Lit.: Dom Tassin, llist. Lit. de la Congr. de S. Maur 
(Brussel 1770, 1-10). Lindeman. 

Benares, stad in Voor-lndië, Vereen igde Pro- 
vinciën (25° 18' N., 83° 2' O.), ruim 200 000 inw., 
waarvan 8 / 4 Hindoes, ! / 4 Mohammedanen. Zeer oude, 
heilige stad, „het Rome van het Hindoeïsme”, gelegen 
aan de heilige rivier den Ganges, waarvan het water 
de kracht heeft de zonden af te wasschen. Vandaar, 
dat hier jaarlijks meer dan één millioen pelgrims gaan 
baden. Hier wordt de asch van de overledenen in de 
rivier geworpen. Daarom vestigen zich hier vele oude 
Hindoes om op deze heilige plaats te sterven. Meer dan 
1 500 ilindoc-tempels, waarvan het meest beroemd de 
Gouden Tempel, aan Sjiwa gewijd, en de moskee van 
Aurangzeb met de witte torentjes. Beroemd zijn ook 
de Chats (== poorten): de 5 km lange trappen, met 
heiligdommen en poorten versierd, waarlangs men in 
het water afdaalt. 

Benares wordt genoemd in het Mahabharata en het 
Ramayana. Dichtbij begon Gautama Boeddha’s op- 
treden. In de 7e eeuw vond Ilioeen Tsjang het konink- 
rijk Benares grootendecls bevolkt door Hindoes en 
trof er toen slechts weinig volgelingen van Boeddha 
meer aan. In de 11e eeuw werd de stad door de Mo- 
hammedanen geplunderd, tweehonderd jaar later door 
hen veroverd, in 1795 voorgoed afgestaan aan de 
Britten. G. de Vries. 


531 


Benatten — Bcnckendorff 


532 


De kunst te Benares. B. was reeds zeer vroeg 
een voor de Boeddhisten geheiligde plaats en werd 
later (4e eeuw na Chr.) een der centra van het T'nh- 
maansch Hindo ïsme. De stad is onregelmatig in 
den vorm eener halve maan langs de oevers van den 
Ganges gebouwd, heeft vuile en verwaarloosde straten, 
doch ook groote en kleinere met boomen begroeide 
pleinen met open badvijvers. Langs de rivier heeft zich 
eigenlijk eerst de monumentale architectuur geuit. 
Daar liggen de zgn. „Chats” (poorten): met breede 
trappen daalt men naar den Ganges af. Langs de oevers 
hebben zich ook de vele tempels en paleizen samen - 
getrokken, die van het water gezien fantastisch 
tegen de lucht zich afteekenen. Oud zijn deze bouw- 
werken meestal niet (uit de 18e en 19e eeuw), en hun 
architectuur is van betrekkelijk weinig beteekenis. 
Zoo de „gouden temper’: Sjikhara (18e eeuw) en in de 
voorstad Ramnagar een tempel uit de tweede helft 
der vorige eeuw. Grootschen indruk verwekt echter 
de groote moskee, op de plaats van neergehaalde 
Brahmaansche heiligdommen opgericht; ze wordt 
door drie koepels bekroond. 

L i t. : Havell, Indian Architecture, its psychology, 
strueture and history from the first mohammedan 
invasions to the present day (1913); Oscar Reuther. 
Indische Palaste und Wohnhauser (z.j.). Knipring. 

Bonn (ten. Een vloeistof benat des te beter een 
vast oppendak naarmate haar oppervlaktespanning 
kleiner is; men onderscheidt totaal, gedeeltelijken 
in het geheel niet benatten („benetzen”). Organische 
vloeistoffen, bijv. alcohol, aether benatten beter dan 
water, en deze vlocist f weer beter dan kwik. Zie ook 
> Flotatie. Het zgn. vetvrij maken van laborato- 
riumglaswerk dient om een betere benatbaarheid te 
verkrijgen. E. Noyons. 

Bniatzky, R a 1 p h, componist van chansons, 
operettes en revues, die tot het succesvolste in het 
tegenwoordige genre der „lichte muze” behooren. 
* 6 Juni 1887, studeerde te Praag en München (Mottl). 

Bonsmuclhcicl, ademnood of dyspnoë, ontstaat 
meestal ten gevolge van een te hoog koolzuurgehalte 
in het bloed. Dit komt voor, wanneer ten gevolge van 
een sterk verhoogd verbrandingsproces bij zeer zwaren 
spierarbeid veel koolzuurgas ontstaat. In zulke 
gevallen kan het ook gebeuren, dat niet voldoende 
zuurstof kan worden aangevoerd om de verbranding 
in zijn gcheelen omvang te doen plaats hebben. Hierbij 
treedt dan het in de spil ren gevormde melkzuur in 
het bloed over. Zooweel een teveel aan koolzuur als 
aan melkzuur in het bloed veroorzaken benauwdheid 
en leveren prikkels aan het > ademcentrum, die tot 
versnelde ademhal ingsbewegingen voeren. B. is ook 
dikwijls een gevolg van ziekelijke afwijkingen der 
ademhalingsorganen. Zoo bijv. w r anneer het longvlies 
is aangetast en daardoor het ademhalingsoppervlak 
zoodanig is verkleind, dat er geen voldoende gasuit- 
wisseling meer kan plaats hebben, of w T anneer door 
afzetting van slijm of door vorming van gezwellen 
in de ademhalingswegen de ventilatie w T ordt belem- 
merd. Eveneens treedt b. op, wanneer door bloedar- 
moede ol verminderde hartw’erking (hartkwalen) niet 
voldoende bloed door de longen circulee r t. Ook in deze 
gevallen is een abnormaal koolzuurgehalte in het bloed 
oorzaak van de benauwdheid. Willems. 

Bcnavcntc y Martmez, Ja c i n to : 
Spaansch tooneelsch rijver en criticus. * 1866 te Madrid. 
Studeerde aanvankelijk rechten. Bereisde Frankrijk, 
Engeland en Rusland, waar hij als circus -impressario 


optrad. Bij voorkeur beoefent hij de satyre. onder 
invloed van het Fransche theater (Lavedan en Donnay). 
Later schrijft hij origineel en zelfstandig. Schrijft 
vloeiend en met een eigen stijl, sterk van plastiek. 
De ethische w r aarde van zijn werk is gering. Niettemin 
een der meest gevierde Spaansche tooneelsch rij vers, 
met een vruchtbaar schrijverstalent, en van onmis- 
kenbare verdienste. Schreef reeds meer dan 100 werken. 
Nobelprijs voor letterkunde in 1922. 

Voorn, theaterstukken: El nido ajeno 

(1894); Gente conocida (1896) ; El Marido de la Féllez 
(1897) • La Comida de las fieras (1898; ; La gata de An- 
gora (1900); Lo Cursi (1901); El hombrecito (1903); 
Los malhechores del bien (1905' ; Mas fuerte que el amor 
(1906) : Los intereses creados (1909 : meest opgevoerd) ; 
La Malquerida (1913) ; La ciudad alegre y confiada 
(1916). — Andere werken: o.a. Fignlinas ; 

Versos, Cartas de Mujeres (critieken, 1893) ; Vilanos ; 
Teatro fantóstico, enz. — L i t. : A. Lüzaro, L B., 
De su vida y de su obra, in Los grandes Escritores 
(Madrid 1925) ; G. L. de Palacio, in la Soriété Nouvelle, 
J. B. (Bergen 1914); L. López Rosselló in Revista 
Calasancia, J. B. (1916). Borst . 

Bonce-Jones, Engelsch arts, * 1813, f 1865. 
Het eiwit van Bonce-Jones is een meestal tot de hemi- 
albumosen gerekende eiwitachtige stof, die bij som- 
mige beenziekten (in hoofdzaak liet multipele 
mycloom of de ziekte van Kahler) in de urine gevonden 
wordt. Het is o.a. hierdoor gekenmerkt, dat het bij 
matige verwarming uit de urine neergeslagen wordt 
en bij verdere verwarming weer oplost. Wyers. 

Beiickencloi *f|, 1° A lexa n d e r Ch r i s to- 
phorowitsj, (sedert 1832) graaf van, 
Russisch generaal. * 1783 te Reval, f 23 Sept. 1844 
aan boord van een oorlogsschip in de Oostzee. Oudste 
zoon van Christoffel von B. Nam deel aan de veld- 
tochten tegen Napoleon I (1812 — ’15) en werd tot 
hoofd van den keizerlijken staf bevorderd. Stond keizer 
Nicolaas I bij den opstand van 1825 (> Dekabristen) 
trouw ter zijde, en werd vervolgens belast met het 
oprichten van de „Derde afdeel ing” van de Russ. 
kanselarij, een soort geheime politie, die een spion- 
nendienst over geheel Europa uitstrekte. Hij werd 
de onafscheidelijke metgezel van den keizer en kreeg 
op diens persoon een grooten invloed. 

Li t .: Silder, Nicolaï I (2 dln. St. Petersburg 1903; 
Presniakov. Apogueï samaderjavia. Nicolaï 1 (Het top- 
punt der autocratie. Nicolaas 1, Leningrad 1925). 

Lousse . 

2° Christoffel von, Russisch generaal. 

* 1740. f 1823. Vader van Alexander en Constantijn 
von B. 

3° C o n s t a n t ij n von, Russisch generaal en 
diplomaat. * 1785, f 1828 te Praw T adi. Zoon van 
Christoffel en broeder van Alexander von B. Trad 
aanvankelijk in dienst van de diplomatie, die hij echter 
reeds in 1812 voor het leger verliet. Als hoogcr officier 
nam hij deel aan de veldtochten tegen Napoleon I 
(1812 — ’15). Na den oorlog vervulde hij verschillende 
gezantschappen, doch trad in 1826 wederom in het 
leger. Hij vergezelde Paskiewitsj bij diens tocht naar 
de Kaukasuslanden (1826— ’27) en keizer Ni olaas I 
op het Turksch oorlogstooneel (1828). Plier overleed 
hij ten gevolge van zenuwkoorts. 

Lit.: •> Benckendorff, Alexander. Lousse . 

4° Constant ij n von, Russisch generaal 
en diplomaat. * 1817, f 29 Jan. 1858 te Parijs. Zoon 
van Constantijn. Hij streed met roem in den Kauka- 
sus (1826 — ’27) en werd daarna afgevaardigd naar 
Berlijn. Nam deel aan den oorlog in de Krim, zag 


633 


Bencür — Bendorp 


534 


zich vervolgens belast met een buitengewone zending 
naar Spanje, en werd in 1857 tot luitenant-generaal 
en gezant te Stuttgart benoemd. 

Werk: Souvenir intime d’une campagne au Caucase 
( Parijs 1858). Lousse. 

Benour, M a t e y (pseud. M. K u k u s j i n), 
Slowaaksch schrijver van pakkende, uit het Dalmati- 
sche volksleven geputte verhalen. * 17 Mei 1860 te 
Jasenowa, f 21 Mei 1928 te Lipica. 

Meesterwerk: Dóm u str&ni (Het huis op de 
helling, 1911). 

Bonda, 1° F r a n z, violist en componist, 

* 1709 te Altbenatek (Bohemen), f 1786 te Potsdam. 
Was koorknaap aan de Nicolaaskerk te Praag, daarna 
rondtrekkend musicus. Hij ontving les van den blinden 
Israëliet Löbel, te Praag van Konycek; daarna te 
Weenen van Franciscello. Na den dood van Josef 
Graun werd B. zijn opvolger als dirigent. 

Zijn spel werd geroemd om de gevoelvolle voor- 
dracht; als paedagoog stond hij in hoog aanzien en 
heeft vele leerlingen gevormd. B. is een der hoofd - 
vertegenwoordigers van de zgn. Beriijnsche Schooien 
is, ondanks zijn Boheemsche afkomst, ten nauwste 
verwant met C. Ph. E. Bach, de gebroeders Graun, 
e.a., meer nog dan Stamitz en zijn volgelingen. 

Werken: 6 triosonatcs, 2 vioolconcerten, 6 sonaten 
voor viool of fluit en basso continuo. Na zijn dood ver- 
scheen een bundel viool-etudes. In hs. hieven vele sonaten 
en soli voor viool met basso continuo (hijzelf noemt er 
80), eenige concerten en symphonieën. — bit.: auto- 
biographie in „Neue Berliner Musikzcitung ’ (1910, 32) : 
Elfr. Nissel-Nemenoff, Die Violintechnik Franz Benda’s 
und seiner Schule (1930). Piscaer. 

2° G e o r g, componist, broer van Franz B.; 

* 1722 te Altbenatek, f 1795 te Köstritz. 1742 — 1748 
kon. kamermusicus te Berlijn, 1750 hofkapelmeester 
van Frederik lil te Gotha. Vanaf 1775 verwierf hij 
veel succes met zijn melodrama’s: Ariadne auf Naxos 
(1920 opnieuw uitgegeven door Alfred Einstein); 
Medea; Pygmalion en Philon und Theone (omgewerkt 
als Almansor und Nadine). In 1778 verliet hij Gotha. 
ging naar Hamburg en Ween en, en in het bezit van 
een klein pensioen woonde hij ten laatste te Köstritz. 

Werken: zijn composities zijn zeer talrijk ; de 
kerkcantates, missen, symphonieën, concerten, klavier 
sonaten, e.a. bleven in hs. : 14 tooneelwerken, o.a. Romeo 
und Julia (1776'; Walder (1776). Cantates, o.a. Bendas 
Klagen (laatste werk). 6 Deden klavier- en zangstukken, 
3 klawerconcerten, meerdere bundels klaviersonates. 
8 Symphonieën in hs. in de stadsbibliotheek te Leipzig 
zijn beter dan menig werk der Noord-Duitsche school. — 
L i t. : Jodermann, G. B. (1895): F. Brüekner, G. B. 
und das deutsche Singspiel (Sammelb. der Intern. Musik 
Ges. 1904) : Ed. lstel, Die Entstehung des deutschcn 
Melodrams (1906) ; A. Hnilieka, Aus Georg Bendas 
Jugend (1911); Vladimir Helfert, Georg Bcnda. 

Piscaer. 

3° J u 1 i e n, Fransch criticus en romanschrijver 
van sterk -intellectualistische strekking. * 1867 te 
Parijs. Van orthodox-Joodsche herkomst heeft B. 
den strijd aangebonden tegen alle vormen van het 
romantisme en het intuïtivisme, vooral tegen Bergson 
en het verafgode nationalisme van Bairès en Maurras. 
B. werkt geregeld mede aan de Nouvelle Revue 
Fran(jaise. 

Werken: Le Bergsonisme (1912 vlg.) ; L’ordination 
(1912) ; Les sentiments de Critia* (1913) : Lc bouquet de 
Glycère (1918); B^lphégor, essai sur 1'esthétique de 
la présente soriété fran<?aise (1919): Dialogues d’EJeu- 
thère (1920) ; Les Amorandes (1922) ; La croix des roses 
(1923) ; Lettres a Mélisande (1925) ; La trahison des 


clercs (1929) ; La fin de 1’Eternel (1930). — L i t. : 
C. Bourquin, J. B. (Parijs 1925). Baur . 

Benei einan ii, Eduard Julius Fried- 
r i c h, Duitsch schilder, lid van de eerste Düssel- 
dorfer schilderschool, die zich vnl. inspireerde op de 
klassieke en harmonische kunst van Raffaël. * 1811 
te Berlijn, f 1889 te Düsseldorf. Werkte samen met 
Hübner en Schadow. 

Voorn, werken: Muurschilderingen in het slot 
van Dresden (1841 — *53); Jeremias (olieverf; Berlijn, 
Staats Museum); De Joden in ballingschap (Keulen, 
Wallraf-Richartz-Mus.) ; Penelope (1877 ; Antwerpen). 
Verder: boekillustraties. Knipping . 

Benden van Ordonnantie werden als begin 
van een staand leger door Karei den Stouten in navol- 
ging van Frankrijk opgericht (1473). Dit betcckcndo 
een versterking der centrale macht. De leden werden 
gekozen uit den lagen adel; de hooge adel stond aan 
het hoofd. Zij moesten dienen tot bescherming der 
grenzen in vredestijd en als keurtroepen in geval van 
oorlog. Haar sterkte is in den loop der jaren nogal 
eens gewijzigd en bedroeg 3 000 ruiters sinds de reorga- 
nisatie van 1545. Cornelissen . 

Dender, Paul, baszanger, * 28 Juli 1875 te 
Driedorf (Westerwoud). Leerling van Louise Resz en 
Baptist Hoffmann. Maakte een schitterende carriëre 
bij de Münchener Staatsopera, verleende sedert 1902 
herhaaldelijk zijn medewerking aan de Bayreuther 
Festspiele en trad ook in Amerika op. Hanehoot. 

Bonder Abhas, havenplaats in Perzië, aan de 
Straat van Ormoes, den toegang tot de Perzische Golf 
(27° 15' N., 56° 19' O.); ongev. 10 000 inw. Zeer warm 
en ongezond; slechte reede. 

Brndory (Russisch, Turksch: B e n d e r, 

Roemeensch: T i g h i n a), Roemeensche stad bij de 
Dnjestr (46° 49' N., 29° 26' O.); 35 000 inw. (1925), 
Roemenen, Joden en Klein-Russen. Marktplaats, 
spoorwegmiddelpunt, tabaks- en steen industrie. In 
de 18e eeuw speelde B. een belangrijke rol in de Rus- 
sisch -Turksche oorlogen. Karei XII verbleef hier van 
1709 — 1713. In 1812 kwam B. aan Rusland, in 1919 
aan Roemenië. Hoek . 

Bendiflo, vroeger Sandhurst, stad in Victoria 
(Austr., 36° 45' Z., 144° 19' O.); 34 000 inw. B. maakte 
dezelfde ontwikkeling door als > Ballarat. Van de 
meer dan 100 over de heele stad verspreide goudmijn - 
schachten zijn er nog slechts enkele in gebruik. Voor- 
naamste bestaansbronnen nu: agrarische en metaal- 
industrie, aardewerkfabrieken; akkerbouw en veeteelt. 

Zwage makers. 

Bendis, in de Grieksche myth. een 
Thracische godheid, wier eeredienst in den loop der 
5e eeuw v. Chr. in Athene werd ingevoerd en door de 
ingeweken Thraoiërs in het havenkwartier (Piraeus) 
werd gevierd met een optocht en ’s avonds een fakkel- 
loop te paard. 

Bendorp, 1° Carel Frederik Sr., Noord- 
Ned. graveur, etser en teekenaar, * 1736 te Sas van 
Gent van Duitsche ouders, f 1814 te Dordrecht. 
Woonde aanvankelijk in Bergen -op-Zoom, ging later 
(na 1748) naar Dordrecht, waar hij leerling werd in 
een glasmakerij. Hield zich hiermede vanaf 1769 te 
Rotterdam bezig. Reeds had hij zich in Dordrecht 
bekwaamd in het teekenen en wijdde zich op ’t eind 
van zijn leven enkel aan zijn kunst. 

Voorn. werken: erravures : Gezichten op 

Rotterdam (1784) en op Dordrecht (1785). 

2° Carel Frederik Jr., graveur en schilder, 


635 


Bendzin — Benedenwindsche Eilanden 


536 


▼nl. van historische gebeurtenissen. Kleinzoon vtm 
Ca rel Frederik Sr. * 1819 te Dordrecht, f waarsch. 
1865 te Bmssel. 

3° .1 a n C h r i s t i a e n, Noord-Ned. graveur 
tn teekenaar, vader van Carel Frederik Jr. Werkte 
in Rotterdam en Dordrecht. * 17G7 te Dord recht, 
f 1849 aldaar. Knipping. 

Bcnri/Jn, Poolsche industrie-stad in Opper- 
Silozië, 28 000 inw., hoofdzakelijk Joden. Steenkolen- 
mijnen. 

Beneeke, 1° Georg Friedrich, Duitsch 
philoloog, medestichter van de germanistiek en leeraar 
van K. Lachmann; * 10 Juni 1762 te Mönchsroth, 
f 21 Ang. 1844 te Göttingen, waar hij hoogleeraar 
was. B. verzorgde de tekstcritische uitgave van Mid- 
delhoogduitsche schrijvers (Boner, Wirnt von Graven - 
berg, Jlartmann v. Aue) en verzamelde materiaal 
voor liet Mittelhochdeutsches Wörterbuch van Miiller- 
Zarncke. Buur. 

2° Wilhelm, Duitsch plantkundige; * 28 Sept. 
1868 te Heidelberg. Hij is sinds 1915 koogleeraar in 
de plantkunde te Münster. 

Werken: B.:u u. Lehen der Baktenen (1912): 
Phannakognosie ( 3 1920) ; Pflanzenphysiologie (samen 
met .lost «1923- *24). 

Benedek, Lu d wig August Ritter 
von, Oostenrijksch generaal. * 14 Juli 1804, f 27 
Juni 1881. Commandeerde in 1866 het Noord leger, 
dat op 3 Juli bij Königgratz door de Pruisen werd 
verslagen. 

Beneden, 1° Kdouard van, bekend zoö- 
loog, zoon van Pierre Josepli, * ö Maart 1846 te Leuven, 
f 28 April 1910. Werd in 1870 professor in de verge- 
lijkende anatomie, histologie en vergelijkende em- 
bryologie te Luik. Vooral is hij bekend door zijn studie 
op het gebied dezer laatstgenoemde wetenschap. 

Werken: met Bambeke sinds 1880 „Arehivcs de 
biol.*’; met Neyt, Nouvelles recherches sur la férondation 
et la division metosique chez Pascaride megalocephale 
(Leipzig 1887). Willetus. 

2° Pierre Joseph van, Belgisch zoöloog, 
* 19 Dec. 1809 te Mechelen, | 8 Jan. 1894 te Leuven. 
Studeerde medicijnen; werd in 1835 hoogleeraar in 
Gent en in 1836 aan de Kath universiteit te Leuven. 
Vanaf 1842 was hij medelid der Belgische Acad. v. 
Wetenschappen en 1881 voorzitter. Zijn weten- 
schappelijk onderzoek betrof vooral de Belgische kust- 
fauna, daarnaast ook parasitologie en palaeonthologie. 
Als palaeontoloog is hij bekend om zijn studie over 
fossiele cctacecën. 

Werken: Zoologie medicale (met Gcrvais; 2 dln. 
Parijs 1859) ; Iconographie des hclminthcs (Leuven 
1860) : La vie animale et sos mystères (Brussel 1863); 
La fauna littorale de la Belg. (Brussel 1866' ; Osteo- 
graphie des Cetacés vivants et fossiles (Parijs 1868 — *77) ; 
Les commensaux et les parasites dan» le règnc animal 
{Parijs 1875). Willems. 

Benedenhlncl der tong, het benedenvlak der 
tong, dat onmiddellijk op de punt volgt. 

Bencdcmlsinis. De Lekdijk Benedendams ligt 
ten N. van de Lek, vanaf het Klaphek (waar een dam 
ligt in den Iloll. IJsel) tot Schoonhoven. De Loopikor- 
waard en verder al het lage land tot het IJ wordt 
hierdoor beschermd tegen overstroom ing. 

Ben eden heul, gehucht in de Krimpenerwaard 
(Z.H.) ten Z. van Gouda. 

Benedenlioofd, > Sluishoofd. 

Benedenklinker, een klinker, die uitgesproken 
wordt bij lagen stand der tong (benedenstand) en met 


de grootst gebruikelijke open ing tusschen onder- en 
bovenkaak: naar gelang van de plaats, waar de tong 
bij het uitspreken van een b. gewelfd is, spreekt men 
van benedenachterk linkers. > Bell-Sweet. 

Weerstibeck. 

Boneden-Knijpe en B o v e n - K n ij p e, twee 
dorpjes samen met 1 000 inw. in de Friesche gem. 
Schoter land, ontstaan als veenkolonies onder den naam 
Oud- en Nieuw-Brongerga. 

Benedenlandschc Indianen, bij oudere 
schrijvers T a i r a, de Indianen in het beneden land 
of kustgebied van Suriname, ruim 2 500, nl. 1 100 
Arowakken, ruim 1 400 Caraïeben en enkele tientallen 
Warauws, die in wonen bij de Ara wakken of Caraïeben; 
anderen vertrokken naar Britsch Guyana. 

l.it. : C. van Coll, Zeden en gebruiken der Indianen 
(1886); A. Kappler, Suriname.... (1887); W. Joost, 
Oeographischc8 und Verwandtes aus Guayana (1893); 
C. van Col!, Gegevens over land en volk van Suriname 
(1903); W. E. Rotb, Some technological notes from the 
Pomeroon district (1912); idem.. An Inquiry into the 
animism and folklore of British G. lndians (1915) ; idem, 
An introductory study of the arts, crafts and customs 
of the Guyana lndians (1924). met Addirional stuliee 
etc. (1929) • F. P. en A. Ph. Penard, De mensrhenotende 
aanbidders der zonneslang ( 2 1931). /r. Aurelianus. 

Beneden -Merwedc» het verlengde der Mcr- 
w^ede of Merwe ( = meervoud), dat loopt van Hardings- 
veld tot Dordrecht. De Merwede ontstond vroeger bij 
het slot Loevestein uit de vereeniging van Maas en 
Waal; sedert 1903 is de Maas afgedamd. 

Benedenpnnd, > Kanaalpand. 

Benedenrivier, dat gedeelte van een rivier, 
waarin de stroom den invloed van de uitmonding in 
zee ondervindt. Het verschil tusschen b. en boven- 
rivier komt vooral tot uiting, wanneer bij de uitmon- 
ding een sterke getijwisseling optreedt. Het zeewater 
treedt dan met de vloedgolf de b. binnen en belemmert 
den afvoer van bet zoetwater. Bij laag tij moet het 
opgehouden rivierdebiet tegelijk met het binnenge- 
drongen zeewater worden afgevoerd. Een gevolg van 
de optredende krachtige stroomingen is het verdiepen 
van den rivierbodem. Voor de scheepvaart is het van 
belang, dat de vloedgolf zoo ver mogelijk ongehinderd 
de rivier op kan trekken, zoodat op natuurlijke wijze 
een groote vaardiepte wordt onderhouden. 

J. ten Brink. 

Benedenstrooms, op een in de stroomrichting 
verder gelegen plaats, derhalve op een punt met een 
lager peil. 

Benedemvindsclie F.ihimlcn, Neder- 

1 a n d s c h e, zijn Cura^ao (met Klein -Cura<;ao), 
Aruba en Bonaire. Ze liggen in het Z. deel van de 
Caribische Zee, ten N. van de republiek Venezuela. 
Ze behooren tot het gouvernement Cu ra cao, dat boven- 
dien de Bovenwindsche Eilanden (Zuklhelft van St. 
Martin, St. Eustatius en Saba) omvat. Beide groepen 
eilanden liggen in het gebied van den N.O. Passaat. Ten 
opzichte van de groep van Cura^ao (het hoofdeiland) 
ligt de groep van St. Martin „boven den wind”; van- 
daar de namen. Aantal inwoners van de Beneden w. 
Eilanden op 31 Dec. 1930: 71 557, w T aarvan 60 779 
Katholiek; 31 Dec. 1931: 66 686. De B. E. behooren 
tot het apost. vicariaat van Curacao. 

Voor bevolking, > Cura^ao (gouvernement van). 

Klimaat. Het tropische klimaat is dor en droog. 

1° De temperatuur is het heele jaar door 
tamelijk gelijkmatig. De nabijheid der zee en de fris- 
sche constante N.O. Passaat maken de temperatuur 


537 


Benedenwindsche Eilanden 


638 


dragelijk. Tn Sept. en Oct. is op windstille dagen de 
hitte drukkend. De gemiddelde jaarl. temp. is 27,9° C. 
Zelden wijst do thermometer lager dan 23° en hooger 
dan 33° C. Sept. wordt voor de heetste maand gehou- 
den, Jan.-Febr. voor den meest koelen tijd. 

2° De regenval is voor deze tropische eilanden 
gering. De geruidd. jaarl. regenval op Cura<jao is 
651,6 mm (Molengraaff). Otto Winkler geeft de vol- 
gende jaargemiddelden van den regenval: Cura^ao 
606,8 mm, Bonaire 537 mm, Aruba 451,2 mm; dit 
geeft voor de Benedenw. Eil. een jaargemiddelde van 
628,4 mm. 

De regentijd is van Oct. tot en met Jan. De droge 
tijd duurt van Febr. tot Oct.; valt er in den regentijd 
weinig of geen regen, dan duurt de droge tijd dus 20 
maanden. Degemidd. dagelijksche verdamping beloopt 
op Curagao van 4,5 tot 7,4 mm. Het gemidd. vocht ig- 
heidsgehalte der lucht bedraagt op CuraQao 73% en 
stijgt in de maanden Oct. en Nov. tot 79%. 

3° Beweging der lucht. De eilanden 
liggen alle drie in de passaatstreek. In den drogen 
tijd is de passaat het sterkst. Hij belet op sommige 
plaatsen allen boomgroei. De kruin der boomen strekt 
zich uit naar het Z.W. als een platte breede bos takken. 
De Benedenw. Eil. liggen buiten de West-Indische 
orkaanzone. 

Lil.: Encycl. van Ncd.West-Indië (1914-1917, 404 
vlg.) ; Meteorol. waarnemingen, vedaan op de meteorol. 
stations, in de koloniën Suriname en Curapao tot en 
met 1918 (uitgave van het dept. van Landbouw in Sur.) : 
Overzicht der meteorol. waarnemingen, verricht op de 
meteorol. stations in Ned. West-lndi* (1919 vlg. ; ver 
schijnt jaarlijks) ; Otto Winkler, Nied«*rl. Wcstindien. 
Mitteil. der Gescllsch. für Erdkunde (Leipzig 1923 1925): 
G. J. H. Molengraaff, Geologie en geohydrologie van het 
eiland Cura^ao (1929). 

Dierenwereld. De 1 a n d f a u n a is arm aan 
soorten. Groote, in het wild levende zoogdieren komen 
bijna niet voor. Kleine herten in het N.W. van Cura- 
Qao, konijntjes, verwilderde geiten en vleermuizen. 
Vogels zijn zeer algemeen op deze eilanden, waar 
evenwel slechts weinig soorten landvogels zijn. Bo- 
naire is rijker aan vogels dan Aruba, omdat het meer 
begroeid is. De meest algemeene vogel op de drie eil. 
is de totolica. Ook komen veel voor: perkiet, kolibrie, 
troepiaal, de tjoetjoebi, de chonchorogai, moffi, para 
di misa en barica heel; flamingo’s leven op Bonaire 
bij de Oranjepan en bij het Goto-meer. Slangen zijn 
er op de Benedenw. Eil. weinig. Op Aruba komt de 
ratelslang voor. De dori, een kikvorsch, trof men 
vroeger alleen aan op Aruba, thans echter ook op 
Bonaire en Curacao. Hagedissen zijn talrijk; zoo zijn 
er van Curagao 11 soorten bekend, van de andere 
eilanden weinig minder. Men ziet ze vooral op land- 
wegen, op het heetst van den dag. De schuwe leguaan 
wordt tot l l / f m lang. Hij komt vooral voor in het 
kalklandschap tusschen de rotsen, maar ook op de 
plateau ’s (Lima, Bonaire). Om het vleesch wordt er 
jacht op gemaakt. Verblijfplaatsen: in het N. van 
Bonaire en bij de St. Christoffel op Cura^ao. 

De zoetwaterfauna is arm , maar zeer 
merkwaardig. Zoetwatervisschen komen slechts op 
enkele plaatsen voor, bijv. op de plantage Hato op 
Cura^ao, bij Fontein en Rooi Prins op Aruba, en ten Z. 
van Kralendijk in waterputten van het kalklandschap. 

De fauna der kusten, met hun vele be- 
schutte inhammen, is rijk. Zeeschildpadden komen 
aan het strand eieren leggen; om het vleesch en de 
eieren wordt er jacht op gemaakt. Langs de kust: 


kreeften, krabben, garnalen, weekdieren en sponsen. 
Voedselvisschen zij er veel. 

Veestapel. Op de plantages houdt men vooral 
geiten (kabrieten), ook schapen, koeien en varkens. 
Verder kippen, kalkoenen, eenden en pauwen. 

Veestapel op de Benedenwindsche en Boven- 
we indsche Eilanden (de cijfers zijn niet geheel nauw- 
keurig; juiste tellingen hebben niet plaats gehad): 


Dec. 1930 

Runderen 

Schapen 

Geiten 

t» 

a 

c3 

> 

Paai d n j 

Ezels 

Muilen |j 

Cu ra cao 

1.164 

7.100 

21.000 

1.370 

30 

2.000 

35 

Aruba 

265 

3.700 

2.950 

320 

1 

690 

i 

Bonaire 

7 

3.900 

18.000 

600 

25 

900 

4 

St. Martin 

763 

699 

547 

248 

133 

37 

18 

St. Eustatius 

695 

363 

831 

311 

36 

389 

6 

Saba 

137 

140 

658 

300 

11 

35 

1 

l” 


L i t. : M. G. Rutten, Over de vogels van de Holl. 
Benedenw. Eil. (Antillen) (Ardea, XX 1931). 

Plantenwereld. De flora is aan het droge klimaat 
aangepast; zij is vrij armoedig door gebrek aan regen 
in de droge perioden en wordt bovendien ongunstig 
beïnvloed door den sterken passaat. In overeenstem- 
ming hiermede valt een op den voorgrond treden van 
doornige struiken en cactussen te constateeren ; slechts 
weinige plaatsen (hoogere heuveltoppen met meerderen 
neerslag) bezitten een dichtere begroeiing met een 
opvallende hoeveelheid epiphyten (Orchideeën en 
Bromeliaceeën op de boomen, bijv. op den St. Christof- 
felberg). Cactussen zijn: de kadoesji (zuilcactus); de 
datoe, waarvan men levende omheiningen maakt 
(= trankeera’s) voor maïsvelden of a!s grens van 
plantages; de meloencactus, die nog groeit op de 
meest kale kalkrots en de toena (een bladcactus). 
Boomen zijn er weinig, voornamelijk mimosa- en 
divi-diviboomen, die door den passaat meestal krom 
en tot bezems zijn verwaaid. Verder vindt men er: 
de indjoe, de wabi, de kalbas en de kibrahatsja (= ki- 
brahacha). De glanzende donkerbruine divi-divipeulen 
zijn rijk aan looizuur. Op lage, ziltige plaatsen komen 
manzanillaboomen voor met frisch, glanzend gebla- 
derte; deze boom is vergiftig. Aan de slijk ige oevers 
der binnenzeeën groeien mangroven. De voornaamste 
vnichtboomen in de „hofjes” zijn: Mango- en mispel- 
boomen, kokos- en dadelpalmen, oranjeboomen, 
kenepa’s en tamarinden. Verder papaya’s, limoen-, 
schubappel-, zuurzakbo< men en guayaba (uitspraak 
y= j , evenals bij papaya). Uit de gedroogde schil van 
do oranjeappels wordt (in Nederland) een likeur ge- 
maakt: de Curacao. Het voornaamste cultuurgewas van 
de Benedenw. Eil. is de kleine maïs (Adropogon sor- 
ghum Brot), het levert het hoofd voedsel der bevolking. 
Men plant gewoonlijk bij het begin der eigenlijke 
regens, nl. in Sept. — Dec.; droogte maakt een her- 
haald planten noodig en doet de oogst vaak mislukken. 
De oogst heeft plaats Maart — April. Van het meel 
maakt men een stijve, grijswitte pap (Foensji), het 
gewone volksvoedsel. De kleine maïs heet maisji 
sjikitoe. Op Aruba heeft men de maisji de siete siman 
(maïs van zeven weken). 


539 


Benedetti — Benedict Biscop 


540 


L i t. : I. Boldingh, The flora of Cura?ao, Aruba and 
Bonaire (1914). fr. Realino. 

Bencclctti, 1° G iambattista, Italiaansch 
wis- en natuurkundige. * 1530 te Venetië, f 1590 te 
Turijn. Leerling van Tartaglia. Was vanaf 1567 als 
mathematicus verbonden aan het hof van den hertog 
van Savoye te Turijn. Hij schreef over wiskunde (con- 
structies met een enkele passeropening), astronomie, 
mechanica (o.a. beschouwingen over valbeweging, 
waardoor hij een voorlooper is van Galilei), hydrosta- 
tica (beginsel van de hydraulische pers). Belangrijk 
is zijn correspondentie, waarin hij het stelsel van 
Copernicus uiteen zet en verdedigt. 

Hoofdwerk: Diversarum Speculationum mathe- 
maticaruni et physicarum Liber(Torinol580). — Li t. : G. 
Bordigo in Atti del R.lst.Veneto (1925-’26). Dijkslerhuis. 

2° Graaf Vincent, Fransch diplomaat. 
* 29 April 1817 te Bastia (Corsica), f 28 Maart 1900 
te Parijs. Consul te Kaïro (1846) en te Palermo (1848). 
Directeur der politieke afdeeling in het ministerie 
van Buitenlandsehe Zaken (1855) en als dusdanig se- 
cretaris van het congres te Parijs (1856). In 1860 ver- 
vulde hij een gewichtige rol bij de onderhandelingen, 
die tot de inlijving van Savoye en Nizza bij Frankrijk 
leidden, en werd in 1861 gezant te Turijn. Hij is echter 
vooral door zijn gezantschap te Berlijn bekend (1864 — 
1870). Hij onderhandelde met Bismarck over de toe- 
voeging van België aan Frankrijk (1866), over de rege- 
ling van de Luxemburgsche kwestie (1867), en over de 
candidatuur van prins Leopold van Hohenzollem voor 
de Spaansche kroon (1870). Over het algemeen lichtte 
hij Napoleon III over de buitenlandsehe politiek van 
de Pruisische regeering goed in, doch leed bij zijn 
voornaamste onderhandelingen tegenover den Prui- 
sischen kanselier telkens de nederlaag (> Emser- 
telegram). Na het uitbreken van den Fransch-Duit- 
schen oorlog (1870) keerde hij naar Parijs tenig en 
werd op 16 Aug. 1871 uit den staatsdienst ontslagen. 

Werken: Ma mission en Prusse (Parijs 1871); 
Essais diplomatiques (Parijs 1895-’96) ; Nouvcaux 
essais diplomatiques (Parijs 1897). — L i t. : Sorel, 

Histoire diplomatique de la guerre franco-allemande 
(Parijs 1875): Klaczko, Deux chaneeliers (Parijs 18761; 
Schocps, Graf B. (1915): Ch. Saurel, Juillet 1870: le 
drame de la dépêche d’Ems (Parijs 1930L Lousse. 

3° M i c h e 1 e, een Italiaansch schilder, teeke- 
naar, etser, graveur, * 1745 te Viterbo, f 1810 te 
Weenen. B. werkte in Londen (1783) onder Francesco 
Bartolozzi. Hij is in zijn werk vrij onnauwkeurig. 

Benedetto da Maiano, Ital. beeldhouwer, 
houtsnijder en bouwmeester; * 1442 te Maiano, f 24 
Mei 1497 te Florence. B. wijdde zich aan het intaglio- 
werk en de beeldhouwkunst, misschien wel als leer- 
ling van Francione. Van zijn houtsnijwerk is weinig 
(plafondwerk in Palazzo Vecchio en kasten in de Maria 
del Fiore te Florence) bewaard. Van zijn beeldhouw- 
werken hebben vooral de altaren en kansels groote 
beroemdheid verworven. Werkte, behalve in Florence, 
in San Giminiano (1477) en Loreto (1481); in Florence 
terug maakte hij plannen voor het Palazzo Strozzi. 
waarbij het type van het vijftiende -eeuw r sche paleis 
(Brunelleschi) vermengd wordt met de lossere bouw- 
kunst van Michelozzo. Volgens sommigen zouden de 
hem toegeschreven architectonische werken niet van 
hem zijn. In zijn bas-reliëf herinneren de rijke archi- 
tectuur aan Brunelleschi, de ronde, evenwichtig in 
het vlak gecomponeerde figuren aan Ant. Rosselino. 
Deze eigenschappen loopen in lateren tijd dood in star 
maniërisme. 


Voorn, werken: monument van St. Savinus 
in den dom van Faenza (1470) ; buste van Pietro Mellino 
(Florence. Bargello) ; altaar van de H. Fina (S. Giminiano, 
Collegiaalkerk, 1475). De kansel van S. Croce (Florence, 
1474-76) geldt als zijn meesterwerk : rijke ornamentiek, 
aan den voet de beelden der vier hoofddeugden, boven 
vijf bas-reliëfs met voorst, uit het leven van St. Fran- 
ciscus. Tabernakel van de Madonna dell’ ulivo in Prato 
(1480) ; lavabo en 4 terracotta’s, de Evangelisten voor- 
stellend (Loreto, dom, sacristie) ; buste van Giotto 
(Florence, dom, 1490): grafmonument der Strozzi 
(Florence. S. Maria Novella). — L i t. : von Geymüller 
en Stegmann, Die Architektur der Renaissance in 
Toscane (IV 1885-’96) ; W. v. Bode, Die Denkmaler 
der Renaissanccskulptur Toskan (1905) ; Venturi, Storia 
dell’ arte ital. (VI 1908 en VIII 1923) ; Düssler, B. d. M. 
Fin florentinischer Bildhauer des spaten Quattrocento 
(1924). Knipping. 

Benedetto da liovczzano, Ital. beeldhouwer 
en architect, verbleef langen tijd in Rovezzano, van- 
daar zijn naam.* 1474 teCanapale bij Pistoja, f na 1552. 
Leerling van Benedetto da Maiano en Giuliano da San 
Gallo. Werkte samen met den decorateur Donato 
Bonti, met wien hij naar Frankrijk trok met enkele 
beelden voor het grafmonument van Lodewijk XII 
(nu in St. Dénis.) Keerde 1505 terug naar Florence en 
werkte daar aan het graf van den H. Joannes Gual- 
bertus voor de S. Trinita (1535 bij het beleg van 
Florence zw r aar beschadigd); werkte voorts in de Carmi- 
nekerk (tombe van Pier Solerini, 1510), geheel in den 
trant van het Florentijnsche quattrocento-grafmonu- 
ment, en in de Badia. In 1524 trekt hij naar Engeland: 
tombe van kardinaal Woolsey, later graf van Hendrik 
VIII (in 1646 afgebroken, 4 kandelabers ervan te 
Gent). Hij houdt van robuste en rijke decoraties 
(zware horens van overvloed, grotesken en ranken); 
zijn pittoreske bas-reliëfs verraden invloed van Ben. 
da Maiano. In lateren tijd wordt zijn siervermogen 
geringer, harder en droger. Op zijn ouden dag blind 
geworden, trok hij zich terug in Vallombroso, waar hij 
begraven is. 

Voorn, werken: graftombe van den H. Joannes 
Gualbertii8 voor de S. Trinitè (nu brokstukken in het 
Cenaculo di S. Salvi te Florence ) ; basis voor bronzen 
David van Michelangelo (1509) ; beeld van St. Jan 
Evang. (Florence, Maria del Fiore, 1512, met Jacopo 
Sansoyino en Baccio Bandinelli) ; altaar (Florence, 
S. Trinitè, Capella Sermigiani, 1551), wordt als zijn 
meesterwerk beschouwd. — L i t. : Venturi, Storia 
dell’ arte ital. (VIII. 1.1923, 165 vlg.). Knipping . 

Benedicainus domino (Lat., — Laat ons den 
Heer prijzen), liturgische slotformule, gebruikt in de 
Getijden, in de H. Mis, enz. •> Furnuilen (liturgische). 

Benedictie, 1° (Lat., = Looft), korte naam 
(aanvangswoord) voor den lofzang (2e gedeelte) der 
drie jongelingen in den vuuroven (Dan. 3. 57), gebr. 
in het -v Koorgebed, ook als private dankzegging 
na de II. Mis. enz. > Hymnen (liturgische). 

2 (Lat., — Wilt zegenen) korte naam (aanvangs- 
woord) voo! den lit. maaltijdszegen (* Tafelgebeden); 
formule gebr. in de H. Mis door diaken en subdiaken. 
* Formulen (liturgische). Louwerse. 

Benedict Biscop, Heilige, Benedictijn, geleerde, 
met bijzondere verdienste voo» de organisatie der 
Angelsaksische Keik, voor hetBenedictijnsche klooster- 
leven en de Romeinsche liturgie in Engeland. * omstr. 
628 uit een voornaam geslacht, f 690 te Wearmouth. 
Reisde naar Rome in 653, werd monnik op Lérins 
omstr. 665; w T as daarna nog viermaal in Rome, en 
ontplooide een veelzijdige werkzaamheid voor de 
ontwikkeling der Engelsche Kerk. Stichtte de kloosters 


541 


Benedictie — Benedictus I 


542 


van Wearmouth en Jarrow, bevorderde kunst en weten- 
schap, kerkzang en liturgie, en was een der voor- 
naamste ijveraars om het Tersche kloosterideaal te 
vervangen door de Benedictijnsche organisatie, maar 
tevens om de Benedictijnen in de wetenschappeliike 
richting der Iersche monniken te stuwden. Patroon 
der Engelsche Benedictijnen. Feestdag 12 Januari. 

Lit: H. Peda, Hist. Abbatum (I); Acta S. S. Jan. 
(I); T. Pucherer (Diss. Heidelberg ly23). Pompen. 

Benedictie (Lat. benedict io), zegen, zegening, 
vooral gebruikt in betrekking tot het Allerh. Sacra- 
ment. 

Benedict ie-dock, doek, waarmede men weleer 
soms, in plaats van met een schoudervelum, den 
monstrans of het ciborie, het Tl. Sacrament inhoudend, 
aanvatte tot het geven der Benedictie. Heden verboden. 

Benedict ic-kruis , kruis, waarmede in de 
Oostersche riten de zegen gegeven pleegt te worden. 

Benedict ina Ueclursitio, verklaring door paus 
Benedictus XIV op 4 Nov. 1741 gegeven, waardoor 
officieel werd uitgesproken, dat in Hólland en België 
de huwelijken, gesloten tusschen de Protestanten 
onderling en de gemengde huw-elijken tusschen Protes- 
tanten en Katholieken, geldig waren, ook al w f aren ze 
niet gesloten met de door het Concilie van Trente 
voorgeschreven formaliteiten. De 13. D. bleef van 
kracht tot Paschen 1908. > Huwelijkssluiting. 

Bender . 

Benedictinessen. Van haar oorsprong is 
historisch weinig bekend; de traditie noemt als 
stichtsterS. Scholastica, zuster van den H. Benedictus, 
waarvan de H. Gregorius bericht, dat zij van jongsaf 
non w r as (te Piombariola ?) en onder leiding van haar 
broeder stond. Een feit is, dit naarmate de Bened. 
monniksregel zich verbreidde, hij ook voor het gebruik 
in vrouwenkloosters werd aangepast, waar hij eerst 
naast oudere regels werd onderhouden om ze ten slotte, 
vooral wegens zijn gematigdheid, te verdringen. Zoo 
nam hij in Frankrijk in de 7e eeuw meer en meer 
de plaats in van de Regels van S. Caesarius en S. Co- 
lumbanus. Remiremont werd er voor de vrouwen- 
kloosters een middelpunt, als Luveuil voor de monni- 
ken. S. Amandus (f678?) voerde den Regel van S. 
Bened. in zijn Belgische stichtingen in, terwijl deze 
Regel ook, onder invloed waarschijnlijk van S. Augus- 
tinus van Canterbury (f 605), langzamerhand w rd 
aangenomen in de Angelsaksische nonnenkloosters. 
Van hier, in het bijzonder uit Wimhorne, gesticht in 
718, voerde S. Bomfatius de stichtsters mede van de 
eerste Duitsche nonnenkloosters: de bekendste zijn 
SS. Lioba, Thecla, Walburga. In bijna alle overige 
landen van Europa werden in den loop der M. E. 
allengs talrijke Bened ictincsscnkloosters opgericht. 

Evenals de monniken, en om ongeveer dezelfde 
redenen, kenden ook de zusters afwisselende perioden 
van bloei en verval. Van buitenaf waakten echter 
over de tucht bisschoppen en stichters; vermeld zij 
in het bijzonder de werkzaamheid van kard. Nico laas 
van Cusa (1401 — 1464). Van binnen uit talrijke heilige 
abdissen, bijv. S. Hildegardis (1098 — 1179), en de 
hervormers onder de monniken. Tot de hervormde 
takken der Orde behoorden ook vrouwenkloosters, 
terwijl de hervorm ingsstre vingen van Melk en Burs- 
feld evenmin zonder weerklank bleven. 

De Hervorming en, in de Katholiek gebleven landen 
de > commende, hadden funeste gevolgen in de 16e 
eeuw en daarna; de volgende eeuw zag een hernieuwden 
bloei, speciaal in Frankrijk [Congr. van O. L. Vr. 


van den Calvarieberg, door Antoinette van Orleans- 
Longueville gesticht, met hoofdklooster Orleans 
(164§), en die \an het H. Sacrament, opgericht door 
M. Mechtilde du S. Sacr., in de wereld Catlurine Bar 
(1614—1698)]. 

De Fransche Revolutie w r as voor de zusters al even 
noodlottig als voor de monniken: slechts in Z. en 
O. Europa vindt men kloosters, die op een onafge- 
broken bestaan sinds hun stichting kunnen bogen. 
Maar ook in het Westen bloeien de Benedictinessen- 
kloosters weer op, zij het dan in een meer beperkt 
aantal dan in de vervlogen eeuwen. 

De B. leiden een beschouwend leven, gewdjd aan 
het gebed, op de eerste plaats het Officium Divinum 
in het koor. Daarnaast nemen de meeste kloosters nog 
de opvoeding van een meestal beperkt aantal jonge 
meisjes op zich. Naast de eigenlijke moniales, welke 
het slot, eerst sedert de 15e eeuw algemeen ingevoerd 
en onderhouden, bewaren, bestaan verschillende 
congreg. met als doel vooral onderr cht der vrouwelijke 
jeugd en verpleging der zieken, welke eveneens den 
Regel van den H. Benedictus tot basis liarer Consti- 
tutiën hebben. 


Statistiek, opgemaakt einde 1980: 


Moniales: 

Kloosters Relig. 


ondenvorpen aan den II. Stoel 

12 

248 


aan een prelaat der Orde . . 

. 17 

869 


aan den plaatsel. bisschop . . 

. 209 

7.174 


Totaal 

238 

8.291 


Sorores: 

Kloosters Relig. 

Leerl. 

onderworpen aan den TI. Stoel 

72 

2.739 

28.734 

aan een prelaat der Orde . . 

4 

221 

— 

aan den plaatsel. bisschop . . 

. 35 

3.460 

46.490 

Totaal 111 

6.420 

75.224 


Lit.: M. Hcimbucher, Die Orden und Cungreg. der 
Kath. Kirche (I 3 1933). Lindeman . 

De Zusters Benedictinessen der abdij van O. L. 
Vrouw van de Congregatie van Solcsmcs. In 1901 
werd de abdij van Wisques overgeplaatst naar Ooster- 
hout. In 1919 keerden de meeste zusters naar Wisques 
terug. In Oosterhout kwam een priorij, die in 1924 
tot abdij verheven werd. 

Lit.: Kath. Ned. (11, 163-164). Nolet. 

Benedictinessen der Altijddurende Aanbidding 

van het H. Sacrament, gesticht 1654 door Moeder 
Mechtildis te Parijs, ter aanbidding van het IT. Sacra- 
ment. Sinds 1875 in Nederland te Driebergen (Arca 
Pacis), Oldenzaal en Tegelen. 40 kloosters. 

Lit.: Kath. Ned. (II, 160-162). Nolet. 

Bcnedictsson, Victoria (pseud. Ernst 

A h 1 g r e n), Zweedsch schrijfster uit de naturalis- 
tische school. * 6 Maart 1850 te Domme, f 28 Juli 1888 
te Kopenhagen (door zelfmoord). Haar volkomen on- 
romantische vertelkunst, die bij voorkeur het boeren- 
leven schildert en tevens de huwelijksethiek gezonder 
zoekt te maken, munt uit door frissche en krachtige 
weergave van de werkelijkheid. 

Voorn. werk*n: Fr5n Skfine (1884) ; Pengar 

(Geld, 1885); Fru Marianne (1887), e.a. — I. i t. : M. Feuk, 
E. Ahlgren (Stockholm 1913); Schuiten, V. B. (1925): 
A. Lundeg&rd, V. B. (Stockholm 3 1928). Baur. 

Benedictus I, paus. 575 — 579. Onder hem had 
Italië veel te lijden van den inval der half-heidensch, 
half-Ariaansche Longobarden. Hij stierf tijdens de 
belegering van Rome. 


643 


Benedictus II — Benedictus XTV 


544 


Benedictus II, Heilige, paus 684 — 685. In 
688 gekozen, moest hij bijna een jaar wachten op de 
bekrachtiging door den keizer van Bvzantium. In 
bet vervolg wendde men zich daarom tot den exarch 
van Ravenna. Volgens het Liber Pontificalis zou 
keizer Constantijn Pogonatus hebben goedgevonden, 
dat de pausen onmiddellijk na hun keuze in het volle 
bezit van hun rechten traden, wat niet waarschijnlijk 
is. B. ijverde voor de erkenning van het zesde Alg. 
Concilie vooral in Spanje en liet den onrechtmatig 
verdreven H. Wilfried weer bezit nemen van den 
zetel van York. 

L i t. : io Dict. Théol. Cath. (II, 648). Franses. 

Benedictus III, paus (855—858), opvolger 
van Leo IV. Zijn tegenpaus Athanasius Ilï kon zich 
niet handhaven. B. was een toonbeeld van deugd; 
■treed bij de grooten van Rome voor Christelijke zeden 
cn heiligheid van het huwelijk. > Joanna (pauzin). 

Benedictus IV’, paus (900 — 903); hield 901 
een synode te Lateranen; kroonde koning Lodewijk III 
van Bourgondië tot keizer en koning van Italië. 

Benedictus V, door de Romeinen als tegenpaus 
van Leo VIII verheven, werd door Otto 1 afgezet 
en naar Hamburg verbannen, waar hij 966 stierf. Om 
zijn groot© geleerdheid ook Grammaticus genoemd. 

Benedictus VI, in 972 gekozen met goedkeuring 
van keizer Otto I, na diens dood door den oproerling 
Crescentius gevangen genomen en in 974 vermoord. 

Benedictus V II, bisschop van Sutri, na de 
vlucht van tegenpaus Bonifatius VII tot paus ver- 
beven (974). Voorstander der Cluniacensische hervor- 
ming. Vaardigde op een synode (Rome 981) wetten uit 
tegen simonie, f 983. 

Benedictus V III, paus van 1012 — ’24, uit het 
grafelijk huis van Tuscuium en door zijn verwanten 
op den II. Stoel verheven. De naijverige Crescentii 
■telden een Gregorius als tegenpaus (1012), doch 
tevergeefs. B. kroonde (1014) de IllI. Hendrik II en 
Cunigonda, trad krachtig op voor herstel der kerktucht, 
tegen priesterhuwelijk en simonie, versloeg (1016) 
de Saracenen, die sinds tientallen van jaren Italië 
ontzettend teisterden. 

Lil.: Duchesne, Les premiers temps de 1’Etat 
Pontifical ( 2 1 904, 372). Gorris . 

Benedictus IX, met tweemalige onderbreking 
paus van 1032 — ’48. Wellicht de bedroevendste figuur 
in de rij der pausen. Neef van paus Benedictus VIII, 
als 12-jarige knaap door de Tusculaansche partij 
tot paus verheven. Beschaamde de Christenheid door 
bet ergerlijk onzedelijk leven dat hij leidde, waarom 
de verbitterde Romeinen hem in 1044 verdreven. In 
1045 met geweld hersteld, verkocht hij, na eenige 
maanden, het pausschap aan Gregorius VI, een waardig 
man, die deze simonistische daad alleen beging om 
de kerk van een onwaardig opperhoofd te bevrijden. 
Van 1047 — ’48 wist B. zich toch weer gedurende 
9 maanden van den II. Stoel meester te maken, doch 
moest daarna voorgoed wijken. Zijn verder lot is 
onbekend; waarschijnlijk stierf hij onboetvaardig. 

LiL: Duchesue, Les premiers temps de 1’Etat 
Pontifical ( 2 1904, 376-388). Gorris. 

Benedictus X, bisschop van Velletri, in 1058 
door den adel tot paus verheven, werd 9 maanden 
later door een synode af gezet en verbannen, toen op 
aansporen van Hildebrand (den lateren Gregorius VII), 
met toestemming van het Duitsche hof, Nicolaas II 
gekozen w*as. f 1060. 

Bcncdiclus XI, Zalige, paus 1303 — ’04. Familie- 


naam Nicolaas Boccasini; * 1240 te Treviso; trad in 
de Orde der Dominicanen, w r ist door verzoenend 
optreden het conflict, tusschen zijn voorganger Boni- 
fatius VIII en den Fransclien koning Philips den 
Schoonen uitgebroken, aanzienlijk te temperen. 

Gorris . 

Benedictus XII, paus te Avignon van 1334— 
’42. Familienaam Jacques Fournier; * te Sa verdun 
(Languedoc). Zelf streng van zeden nam hij maat- 
regelen tegen de verslapping van de kloostertucht 
en tegen de geldzucht der curiale beambten. Bouwde 
den pauselijken burcht te Avignon. 

L i t. : Mollat, Les Papes d Avignon ( 3 1920); Pastor, 
Gesch. der P&pste (I 6-7 1925). Gorris. 

Benedictus XIII, naam van twee pausen. 
De eerste was van 1394—1417 tegenpaus te Avignon 
tijdens het VVestersche Schisma; vroeger Petrus de 
Luna, * in Arragon. Geleerd canon ist en onberispelijk 
van gedrag, maar hardnekkig vasthoudend aan zijn 
waardigheid, en alle pogingen verijdelend om het 
schisma van twee, sinds 1409 van drie pausen, door 
afdanking te beëindigen. Daarom zegde Frankrijk, 
zijn voornaamste steun, hem tweemaal de gehoor- 
zaamheid op. en verklaarde het Concilie van Constanz 
hem in 1417 voor afgezet. Hij vluchtte naar Peniscola 
in Arragon en bleef daar, door bijna allen verlaten, 
tot zijn dood in 1424, zijn aanspraken op het pausdom 
handhaven. 

L i t. : Pastor, Gesch. der P&pste (I 5-7 1925); Valois, 
La France et le grand Schisme d’Occident (4 dln.) ; 
Salembier, Le grand Schisme d’Occident (1921) ; Hefele- 
Leelercq, Hist. des Conciles (VI). Gorris. 

De andere paus Benedictus XIII w T as paus 
van 1724— '30, familienaam Pietro Orsini: Domini- 
caan. * 1649 te Gravina (Kerkelijke St.). Trad in 1667 
in de Dominicanerorde, en werd (1680) bisschop van 
Cesena en (1686) aartsbisschop van Beneventum. 
Man van vromen levenswandel, doch meer geleerde 
dan regeerder en leider. Den vrede met Sicilië en Sar- 
dinië bracht hij slechts door zeer verregaande concessies 
tot stand, en hij liet aan zijn onwaardigen gunsteling, 
kardinaal Coscia (na ’s pausen dood gevangen gezet) 
veel te grooten invloed. B. schreef liturgische studies: 
Opera Liturffica (Rome 1726) en stelde het Memoriale 
Rituum samen, een handleiding voor vereenvoudigde 
ceremonies ten gebruike van kleinere kerken. 

L i t. : Pastor, Gesch. der Papste (XV 1-7 1930, 461 
vlg.). Gorris . 

Bcncdiclus XIV, paus van 1740 — ’58, familie- 
naam Prosper Lambertini, de geleerdste onder de 
pausen; * 1675 te Bologna; 1726 kardinaal, 1727 
bisschop van Ancona, 1731 aartsbisschop van Bologna. 
I itstekend kenner van het kerkelijk recht, leidde een 
vroom leven, zacht en meegaand van aard. Deze 
laatste eigenschap bracht hem somwdjlen tot al te 
grootc toegeeflijkheid aan de eischen der hoven 
(Portugal, Spanje, Oostenrijk e.a.), waar de Verlich- 
ting hoe langer hoe meer veld won. Belangrijkste 
regeeringsdaden zijn: hij besliste den > aanpassings- 
strijd ten ongunste van de Jezuïeten, hervormde het 
bestuur der Curie, gaf een nieuwen index van verboden 
boeken uit en stelde verschillende bepalingen omtrent 
het kerkelijk recht vast (o.a. de Declaratio Benedictina, 
waarbij huwelijken, die niet volgens de Trentsche 
voorschriften voor den pastoor en twee getuigen 
gesloten waren, toch geldig waren voor Holland 
en België). Zijn werken op canon isch en liturgisch^ 
gebied, gedeeltelijk nog door hem a ls paus geschreven* 


545 


Benedictus XV — Benedictus van Aniane 


546 


behouden ook nu nog hooge wetenschappelijke waarde 
en groot gezag. Ook bezorgde hij nieuwe uitgaven van 
het Martyrologium, Pontificale, Rituale en litur- 
gische boeken van den Griekschen ritus. 

Voorn, werken: De Servorum Dei Beatificatione 
et Canonisatione ; De Festis ; De Synodo diocesana. — 
L i t. : Pastor, Gesch. der Papste (XVI ^WSl, le dl. 
1-443). Gorris. 

Benedictus XV, paus van 1914 — ’22, familie- 
naam Jacobus della Chiesa. Hij is bij uitstek de 
vredespaus, die in den vreeselijken Wereldoorlog van 

1914 — ’18 met on- 
beperkte toewijding 
heeft gepoogd de 
partijen te verzoe- 
nen, en tijdens en 
na de ramp onnoe- 
melijk veel heeft ge- 
daan ter verzachting 
van het oorlogsleed. 
* 1854 te Genua, 
van 1887 tot 1907 
ambtenaar aan het 
pauselijk staatssecre- 
tariaat, 1907 aarts- 
bisschop van Bolog- 
na, en pas in het 
laatste consistorium- 
van Pius X tot kar- 
dinaal verheven (25 
Mei 1914). Vier maanden daarna, direct na het 
uitbreken van den oorlog, werd hij tot paus gekozen, 
en de oorlog heeft geheel zijn pontificaat beheerscht. 
In herhaalde aanspraken, zendbrieven en oproepingen 
maande P». tot vrede; hij stelde voor het Kerstfeest van 
1914 een althans tijdelijke schorsing der vijandelijk- 
heden voor; richtte 1 Aug. 1917 zijn beroemde Vredes- 
nota met concrete vredesvoorstellen tot de hoofden 
der oorlogvoerende landen, doch zag al zijn pogingen 
tot beëindiging van den oorlog verijdeld. Zelfs had 
Italië, alvorens tot de Entente toe te treden, als 
voorwaarde gesteld, dat de paus van toekomstige 
vredesonderhandelingen in alle geval zou worden 
buitengesloten (art. 15 van de Conventie van Londen 
van 1915). 

Aldus in de hoofdzaak teleurgesteld, heeft B. zich 
met onuitputtelijke en volhardende liefde toegelegd 
op de verzachting van het oorlogsleed; zijn mede- 
lijdend hart wist daarvoor geheel nieuwe wegen en 
middelen te vinden, en op dit terrein heeft hij groot 
succes gehad. Strikt zich neutraal houdend tusschen 
de oorlogvoerenden, hoewel hij door beide partijen 
even vurig werd aangezocht, zag hij het aanzien des 
pausdoras tot ongekende hoogte stijgen. Hij maakte 
daarvan gebruik om langs diplomatieken weg voor 
allerlei ongelukkigen werkzaam te zijn; om militaire 
redenen ter dood veroordeelden wist fdj te doen bege- 
nadigen; door zijn tusschenkomst werden civiele 
gedeporteerden naar hun vaderland teruggevoerd; 
de graven der in vijandelijk land gesneuvelden door 
den vijand geëerbiedigd; hongerende kinderen naar 
minder geteisterde landen overgebracht; over geheel 
het oorlogsgebied voedseltransporten moge lijk gemaakt 
door alle grenzen en vijandelijke linies heen; de ziel- 
zorg in de legers en gevangenkampen toege laten en 
georganiseerd. Vooral het droevig lot der krijgsgevan- 
genen heeft hij zich aangetrokken. In zijn vinding- 
rijkheid en liefde en door zijn diplomatieke ervaring 


wist hij concessies te verkrijgen, die in vroegere oor- 
logen nooit waren toegestaan. Een uitgebreide pause- 
lijke inlichtingendienst werd ingericht in het Vaticaan, 
in Duitschland en elders; ongetelde duizenden ver- 
namen door deze bemiddeling iets over het lot van een 
vermisten echtgenoot of zoon; gevluchten konden 
correspondeeren met hun familie in vijandelijk bezet 
gebied; Zondagsrust voor krijgsgevangenen werd 
toegestaan door alle regeeringen, ook de Turksche; 
gevangenen, die onbekwaam waren voor den militai- 
ren dienst, werden uitgewisseld; gewonde en zieke 
gevangenen konden in neutrale landen verpleegd 
worden, enz. Ook buiten de diplomatie om was zijn 
medelijdende zorg onuitputte lijk voor getroffenen 
van alle ras en godsdienst: op zijn aansporing zijn over 
geheel de wereld millioenen ingezameld ten bate der 
meest noodlijdende landen en krijgsgevangenen. 

Ook buiten zijn vredeswerk is B.’s regeering zeer 
belangrijk. Reeds in zijn eerste encycliek maakte hij 
radicaal een einde aan het Integralisme. Het nieuwe 
kerkelijke wetboek werd ingevoerd (27 Mei 1917 
gepromulgeerd, van kracht sinds 19 Mei 1918). De 
encycliek Maximum illud van 1919 reorganiseerde 
de buitenlandsche missiën, die door den oorlog zoo 
geweldig geleden hadden; voor het herstel van de 
eenheid met de afgescheiden Oostersche kerken werd 
de Congregatio pro Ecclesia Orientali ingesteld (1917), 
waarvan de paus, om te toonen hoeveel waarde hij aan 
dit godsdienstig vredeswerk hechtte, het voorzitter- 
schap aan zichzelf voorbehield, en in 1918 werd het 
pauselijk Oostersch Instituut opgericht, dat door zijn 
opvolger Pius XI nog belangrijk zou worden uitgebreid. 
Het bolsjewistisch Rusland, waar na den oorlog 
millioenen door hongersnood dreigden om te komen, 
werd door een pauselijke hulpactie liefderijk bijge- 
staan. Met Italië heeft B. de verzoening voorbereid, 
die door zijn opvolger is voltooid, en met een groot 
aantal landen werden de diplomatieke betrekkingen 
weer vernieuwd of voor het eerst aangeknoopt, als 
gevolg van het onder zijn regeering zoo zeer gestegen 
pauselijk aanzien. 

L i t. : de nieuwe handboeken voor Kerkgeschiedenis 
van De Jong, Veit e.a. ; De Waal, Papst Benedikt XV 
(1914, Ned. vert. 1915) ; Goyau, Papauté et Chrétientó 
sous Benoit XV (1922) ; Müller, Das Friedenswerk 
der Kirche 1598—1917 (1927). Gorris . 

Benedictus Appenzelder, > Appenzeller. 

Benedictus Lab re, > Labre. 

Benedictus Levita, West-Frankisch geestelijke, 
die zich omstreeks 840 diaken der kerk van Mainz 
noemt. Hij completeerde zoogenaamd de verzameling 
echte Capitularia, door abt Ansegisus bijeengebracht, 
doch B. heeft die aanvulling vervalscht. 

Benedictus van Aniane, Heilige, Benedictijn. 
* ca. 750, I 11 Febr. 821 te Cornelimünster bij Aken. 
Hij was de zoon van Aigulf van Maguelone en werd 
opgevoed aan het Frankische hof. Na Karei den 
Grooten op zijn Italiaanschen tocht te zijn gevolgd 
(773), trad hij in de Bened. Orde in de abdij van S. 
Setjuanus. Van hieruit stichtte hij een nieuwe abdij 
op zijn goederen te Aniane (779). Deze werd het mid- 
delpunt van de hervorming van Lodewijk den Vro- 
men. B. stond den keizer ook bij in zijn streven overal 
in het Rijk den Bened. Regel in te voeren als middel 
tot opheffing van het verslapte monastiek leven en 
was de ziel van de Monniks -concilies te Aken (817). 
Ten einde zijn raadsman in zijn onmiddellijke nabijheid 
te hebben, bouwde Bodewijk in 814 de abdij van Cor- 



IV. 18 


547 


Benedictus van Canfield— Benedictus van Nursia. 


548 


nelimünster aan de Inde bij Aken; onder B.’s leiding 
zou zij tevens het voorbeeld voor aller navolging zijn. 
Feestdag 11 (in Keulen 12) Februari. 

Werken: Codex Regularum, Concordia Regu- 
larum, Epistolae, Migne P. L. (CIII, 393-1382). — Lit. : 
Leven van S. B. door Ardo Smaragdus, Migne P. L. 
(CIII, 353 vlg.) ; Acta SS. Febr. (II 1864, 607 vlg.) ; 
Nicolai, Der hl. Benedict Gründer von Aniane und 
Cornelimünster (Keulen 1865). Lindeman. 

Benedictus van Canfield, eig. F i 1 c h i u s, 
Kapucijn, geestel. schrijver, aanzienlijk Engelsch be- 
keerling uit het Calvinisme (Puritanisme); „Ce 
personnage, un des plus importants de tout le siècle” 
(Brémont). * 1561 te Canfield, f 1610 te Parijs. Zijn 
bekendst mystiek werk: Regula perfectionis, is in 
alle Eur. talen vertaald. 

Lit.: Bibliotheca script. O.M. Cap. (1680, 74 vlg.) ; 
H. Brémont, Hist. litt. des sentim. reli?. en France (II, 
136 vlg., 450 vlg.). p. Placidus. 

Benedictus van Nursia, Heilige en Orde- 
stichter (Zie plaat t/o kolom 512) * ca* 480, 
f ca. 548. Feestdag 21 Maart. De eenige bron over het 
leven van S. Ben. is het tweede boek der Dialogen van 
den H. Gregorius den Gr., De H. werd ca. 480 uit een 
aanzienlijke familie te Norcia (Nursia) geboren ;S.Greg. 
vermeldt nog een (volgens oude traditie tweelmgs-) 
zuster, Scholastica, die van jongsaf aan aan God was 
gewijd. Haar broeder echter werd naar Rome gezonden 
ter voltooing zijner studiën. Wat hij hier zag van het 
zedenbederf eener groote stad en tot onder zijn studie- 
makkers, deed hem besluiten de wereld te ontvluchten. 
Eerst sloot hij zich te Alfidena (Enfide) aan de Via 
Latina bij eenige godvruchtige mannen aan, spoedig 
zocht hij meer Noordwaarts grooter eenzaamheid in de 
woestenij langs de Anoi bij Sublacum (Subiaco). De 
monnik Romanus, dien hij bier ontmoette, gaf hem het 
begeerde monnikskleed en wees hem een grot, waar 
Ben. ongeveer 3 jaren als kluizenaar leefde (ca. 495 — 
498). Nadat eenige herders den jongen herin iet ont- 
dekt hadden, zorgden zij i.p.v. Romanus voor zijn 
levensonderhoud in ruil voor het onderricht, dat 
B. hun gaf. Enkelen stelden zich reeds onder zijn 
leiding en de monniken van Vicovaro, wier abt 
overleden was, smeekten hem diens plaats in te 
te nemen. B. zwichtte voor hun aandrang, maar voor- 
spelde tevens, dat zij zijn tucht spoedig moede zouden 
zijn. Hetgeen gebeurde: het kwam zoover, dat men hem 
poogde te vergiftigen ! Hierop keerde B. naar zijn 
eerste verbli jf terug en bouwde voor het groeiend aantal 
zijner volgelingen twaalf kleine kloosters, ieder voor 
een twaalftal monniken. Die van S. Benedictus’ gret 
(Sacro Speco) en van SS. Cosmas en Damianus (nu 
S. Scholastica) bestaan nog. 

Wijkend voor de ijverzucht van een plaatselijk 
priester, op zijn faam van heiligheid afgunstig, ver- 
liet de Heilige met enkele zijner leerlingen deze streek 
ca. 629 en trok langs de Via Latina naar het Z.O. tot 
Cassinnm, een vroeger bisschopsstad je op de bergen. 
B. vestigde zich in een ouden toren van een verlaten 
Rom. kasteel, een ander gebouw [diende tot verblijf 
zijner leerlingen. Bij den toren lag een tempel van 
Apollo met een heilig bosch. Het beeld wierp hij 
omver, het bosch roeide hij uit. De omwonende boeren, 
die er nog geofferd hadden, bekeerde hij door zijn pre- 
diking. De tempel werd nu een kerk van S. Maarten; 
in het klooster bouwde hij voor de communiteit het 
oratorium van S. Jan den Dooper, op de plaats van de 
tegenwoordige basilica. 


Op Monte-Cassino ontplooide Benedictus’ heilig- 
heid zich ten volle. Hij verschijnt er als de patriarch. 
Man Gods, levend van gebed, vol wijsheid en goed- 
heid, de zijnen tevens in strengheid leidend. Hier 
schreef hij den H. Regel als samenvatting van zijn 
ervaring. Hier verrichtte hij ook de meeste mirakelen 
en ontving hij in 542 — 543 het bezoek van Totila, de 
eenige vaste datum in zijn leven (de overige berusten op 
gissingen). Zes dagen voor zijn dood gaf hij bevel zijn 
graf te openen. Een verterende koorts overviel hem 
en hij liet zich naar het oratorium brengen. Daar, 
gesterkt door de H. Eucharistie, ondersteund door zijn 
monniken, gaf hij staande en biddend den geest rond 
het jaar 548. Zijn lichaam werd bijgezet in de crypte, 
waar hij niet lang te voren ook zijn zuster Scholastica 
had ter ruste gelegd. Waarschijnlijk stierf hij den 11 
Juli ; 21 Maart berust op een jongere traditie en is eerder 
een Italiaansch Trans 1 at ief eest. > Kloosterregel. 

Lit.: S. Gregorii Dialogorum Lib. II Migne P. L. 
(LXVI) ; Dom Tosti, Della Vita di San Benedetto (1892); 
Dom L’Huillier, Le Patriarche S. Benoit (1905) ; Abt 
lid. Herwegen, Der hl.# Benedikt, ein Characterbild 
( 2 1919)*; Dom*John Chapman, Saint Benedict and the 
sixth century (1929). Lindeman . 

Voorstelling in de kunst. Benedictus 

3£>cncdicttt£*abbo8 



Benedictus van Nursia. Houtsnede uit de chronica 
Nurembergiensis. 

(Benedictijnermonnik, met of zonder baard, met of 
zonder abbatialen staf, een enkele *maal gemijterd) 
heeft als meest voorkomende attributen het regelboek 
en een gebarsten drinkschaal (soms een kelk), waaruit 


549 


Benedictus van Urbino — Benedictijnen 


660 


een slang kruipt. Dit laatste ter herinnering aan de 
vergiftigingspoging te Vicovaro. B. draagt ook wel de 
enkele schaal (kelk) zonder slang. Zijn verdere attri- 
buten zijn: een doomtak, een raaf, een kruis in de 
hand (da Parenzo). Hij w T ordt afgebeeld met zijn zus- 
ter, de H. Scholastica, met zijn leerlingen Placidus en 
Maurus, en met Heiligen rond de Moeder Gods. Vanaf 
de 10e eeuw kennen wij de reeksen van voorstellingen 
naar feiten uit het leven van B. Sinds de 17e eeuw 
komt hij gewoonlijk voor in groepen van Heiligen uit 
zijn Orde. 

L i t. : L’Huillier, St. Benoït (Parijs 1905) ; Herwegen, 
Der hl. Benedikt (Düsseldorf 1921) ; Benediktiner Monat- 
schrift (II, XXIII, XXVII). Heijer. 

Benedictus van Urbino, Zalige, Kapucijn, 
uit den adel der Passionel, volksmissionaris in Italië 
en Bohemen. * 13 Sept. 1560 te Urbino, f 30 April 
1625 aldaar. Feestdag 30 April. 

Benedictus (Lat., = Geloofd zij), 1° korte litur- 
gische naam (aanvangswoord) van den lofzang van den 
H. Zacharias (Lc. 1.68), gebeden in de Lauden, bij 
de Kerkwijding, enz. 

2° Zelfde verkorte naam voor den lofzang (eerste 
gedeelte) der drie jongelingen in den vuuroven (Dan. 
3.52), gezongen in de H. Mis op de Quatertemper 
Zaterdagen (behoudens die van Pinksteren); enkele 
verzen ook in de completen (> Proces). > Hym- 
nen (liturgische). Louwerse. 

Benedictus Deus, 1° beroemde bulle van 
Benedictus XII, uitgevaardigd 28 Jan. 1336. over de 
aanschouwing Gods, welke de dogmatische uitspraak 
bevat, dat degenen, die in staat van genade sterven, 
direct na hun dood (of na uitboeting der tijdelijke 
straffen) de intuïtieve schouwing van het Goddelijk 
Wezen van aangezicht tot aangezicht (visio intuitiva 
facialis) genieten en niet pas na de opstanding der 
dooden en het algemeen oordeel. Deze uitspraak is 
lijnrecht in tegenspraak met de meening van Johannes 
XXII, waar hij in een preek op den derden Zondag van 
den Advent zegt, dat de visio facialis eerst na de op- 
standing en het algemeen oordeel begint. Ten onrechte 
heeft men hier een argument in willen zien tegen de 
pauselijke onfeilbaarheid, w T ant meeningen, in een 
preek geuit, dragen niet het karakter van een uit- 
spraak ex cathedra en Johannes XXII verklaarde 
zelf voor zijn dood, dat hij een dusdanige beslissing 
niet had willen geven. 

L i t. : G. Hoffmann, Der Streit über die selige Schau 
Gottes 1331 — ’38 (1917) ; J. Zahn, Das Jenseits ( 2 1920) ; 
E. Krebs, Was kein Auge gesehen (1921). 

J. van Rooij. 

2° Bulle van Pius IV tot bekrachtiging van het 
Concilie van Trente. Zij begint met een historische 
inleiding, gevolgd door de bevestiging van alle decre- 
ten en een voorschrift om ze aan te nemen ; bisschoppen 
en vorsten wordt de plicht opgelegd alle bepalingen 
door te voeren; de uitgave van commentaren en ver- 
klaringen wordt verboden en aan den H. Stoel voor- 
behouden. J. van Rooij . 

Bencdictuskruis , *■ Benedictusmedaille. 

Benedictusmedaille, medaille, gewijd door 
een Benedictijnschen monnik of een ander daartoe 
gemachtigd priester, w r aaraan zeer rijke aflaten ver- 
bonden zijn. Bened. XIV schreef voor, dat zij aan een 
zijde S. Benedictus met een kruis in de hand moet 
vertoonen, aan de andere het zgn. Kruis van S. Ben., 
dat reeds vroeg populair was (11e eeuw?). Men onder- 
scheidt de gewone medaille, welker oorsprong rond 1650 


in Z. Duitschland moet gezocht worden, en die van 
het jubilé van het 14e eeuwfeest van S. Ben. geboorte, 
1880, welke rijkere aflaten bezit. De letters van het 


Benedictusmedaille. 

kruis beteekenen het volgende: in de vier hoeken 
C(rux) S(ancti) P(atris) B(enedicti): Kruis van den H. 
Vader B. Op het kruis C(rux) S(ancta) S(it) M(ihi) 
L(ux) en: N(on) D(raco) S(it) M(ihi) D(ux): het H. 
Kruis zij mijn Licht, de duivel zij mij niet tot leider. 
Rondom: V(ade) R(etro) S(atana), N(on) S(uade) 
M(ihi) V(ana); S(unt) M(ala) Q(uae) L(ibas), I(pse) 
V(enenum) B(ibas), d.w.z. Wijk terug, Satan; fluister 
mij geen ijdelheden in; ’t is boosheid, w r at gij schenkt, 
drink zelf uw vergif! De jubilé-med. voegt hieraan 
toe: Pax, vrede, en de gewone: I.H.S. 

L i t. : Catholic Encyclopaedia (XIII 1912, 338) ; 
Dom A. Bouvilliers, The Medal-Cross of S. Benedict ; 
Dom Grég. Fournier, Revue Liturg, et Monast. (1930 — 
’31). Lindeman. 

Benedictus qui vénit in nómine Dóinini 
(Lat.) = Gezegend, die komt in naam des Heeren 
(Ps. 117. 26). Deze tekst uit den dank- en alleluia- 
psalm, tevens processie-psalm werd op Palmzondag 
den triumfeerend-binnentrekkenden Christus toege- 
zongen (Mt. 21. 9; Mc. 11. 10; Lc. 19.38), en vormt 
het slot van het > Trisagion na de prefatie der H. Mis. 
Volgens den Hebr. tekst moest de vertaling luiden: 
„gezegend zij van Jahwe degene, die komt”. 

Brouwer . 

Benedict ijnen , Algemeene geschiedcnis.Volgens 
den Regel zelf vormt elk Bened. klooster een onafhan- 
kelijke familie onder het vaderlijk bestuur van den abt, 
welke traditie, behoudens enkele uitzonderingen, door 
de eeuwen heen getrouw is gevolgd. Er kan dus niet 
gesproken worden van een Bened. Orde in den zin 
van een nauw aaneengesloten lichaam met centraal 
bestuur. De geschiedenis der Westersche monniken 
vertoont daarom geenszins de geleidelijke ontwikke- 
ling der moderne orden, zij is meer een aaneenschake- 
ling van plaatselijke geschiedenissen, w r aaraan echter 
meer algemeene strevingen lijn geven. 

Eerste verspreiding van S. Bene- 
dict u s’ Regel. Bij S. Benedictus’ leven en 
onder diens onmiddellijke opvolgers had de H. Regel 
nog slechts plaatselijke bekendheid, zijn eigenlijke 
verspreiding van den Regel begint eerst onder S. Gre- 
gorius den Grooten, die hem zelf onderhouden had in 
zijn klooster van S. Andreas op den Coelius te Rome 
en hem waarschijnlijk eveneens invoerde in de zes 
kloosters, welke hij op zijn Siciliaansche bezittingen 
oprichtte. Toentertijd was ook een Bened. klooster 
bij de Lateraansche basiliek gevestigd, waarschijnlijk 
ten onrechte vereenzelvigd met de communiteit van 
Monte-Cassino, verspreid na de verwoesting der abdij 
door de Longobarden (581 of 589). Het was ook Grego- 




551 


Benedictijnen 


552 


rius, die S. Augustinus, prior van S. Andreas, met zijn 
40 gezellen als missionarissen naar Engeland zond, 
waar zij ca. 600 te Canterbury het eerste Bened. kloos- 
ter (SS. Petrus en Paulus, later S. Aug.) buiten Italië 
stichtten, waarover authentieke bescheiden bestaan. 
Gedurende de 7e eeuw verspreidde de Orde zich verder 
over heel het Angelsaksische deel van Engeland. 
Tegelijkertijd breidde de Regel zich ook over Gallië 
uit. Laat men het leven van S. Maurus buiten beschou- 
wing (historisch is het te zeer aanvechtbaar), dan moet 
het eerste zekere spoor in 620 gesteld worden (nonnen - 
regel van Donatus van Besan<;on, waarin de Bened. 
Regel is verwerkt). In den loop der 7e eeuw dringt 
de Regel overal door, zelfs in de invloedsfeer van Lérins 
en de Keltische milieu V, aan het eind der eeuw heeft 
hij alle andere Regels zoo goed als verdrongen, en 
verschijnt in de volgende eeuw ook in Germanië. 
Ca. 800 was de Bened. Regel overal in Europa, behalve 
aan de uiterste grenzen (Spanje, Skandinavië, Slavische 
landen), verspreid en werd er bijna uitsluitend onder- 
houden, zóó dat Karei de Groote kon vragen, of er 
een andere monniksregel buiten dien van S. Bened. 
had bestaan. 

Tijdperk der leidende kloosters. 
Met de 9e eeuw komen de eerste groote hervormings- 
bewegingen op. Vele kloosters waren tot aanzienlijken 
rijkdom gekomen, met als gevolg verslapping der 
regeltucht. Een totaal tegenovergestelde oorzaak, 
nl. plunderingen en verwoestingen der Noormannen 
e.a., droeg tot hetzelfde gevolg niet weinig bij. Daarbij 
moet gevoegd worden het indringen van niet-monniken, 
zelfs leeken, als abt. Een eerste poging tot opheffing 
en gelijkvormigheid der observantie werd ondernomen 
door S. Bened ictus van Aniane met hulp van Bodewijk 
den Vromen (Capitularia van Aken, 817). Onder de 
andere centra van hervormingsarbeid won Cluny 
echter de grootste faam en invloed (910). De nadruk 
werd hier gelegd op den plechtigen koordienst, allengs 
ten koste van den arbeid. Reactie bleef niet uit: 
zoo te Bec (met 18 kloosters) en Thiron in Picardië 
(met ca. 100 kloosters). De drang naar de volledige 
beleving van S. Benedictus ' Regel volgens de letter, 
met uitsluiting van verzachtingen en toevoegingen, 
vond ten slotte belichaming in de stichting van 
Citeaux (1098). Strevingen, evenwijdig met Cluny, 
werden in Eng. geleid door S. Dunstan, in Duitschland 
ten Oosten van den Rijn door Willem van Hirsau. 
In Italië vormden zich kleine, onafhankelijke groepen 
onder den Bened. Regel (Camaldoli, Vallombrosa, 
Silvestrijnen, Olivetanen). 

Feodale periode (van 4e Concilie van 
Lateranen, in 1215, tot Concilie van Bazel, in 1418). 
De grootere kloosters waren in het bezit geraakt van 
uitgestrekte landerijen, waarbij zij zich groote ver- 
diensten verwierven door ontginningen en verbetering 
der landbouwmethoden. Het nadeel was, dat de abten 
onvermijdelijk gedwongen werden hun plaats in te 
nemen in het feodale stelsel, m.a.w. groote heeren 
werden met al de verplichtingen daaraan verbonden. 
Eenerzijds werden zij hierdoor belemmerd in de geeste- 
lijke zorg voor hun onderhoorigen, anderzijds werden 
de abdijen, begeerd bezit nu voor jongere zonen van 
den adel, in com mende gegeven. Daar boven- 
dien de huizen onafhankelijk waren, was het zeer 
moeilijk eenmaal ingeslopen misbruiken uit te roeien. 
Aan gespoord door het succes, door Citeaux in zijn 
jaarlijksche kapittels behaald, besloten de pausen 
ook de zwarte monniken in nauwer onderling verband 


te brengen, en wel door geregelde samenkomsten of 
kapittels der oversten, met bewaring van elks onafhan- 
kelijkheid [Decreet „In Singulis” van het 4e Concilie 
van Lateranen (1215), aangevuld door de Bul „Summi 
Magistri” van Benedictus XII (1336), ook wel Bene- 
dictina genoemd]. Alleen in Engeland werden deze 
voorschriften naar de letter uitgevoerd en de kapittels 
regelmatig gehouden tot aan de opheffing der kloosters 
door Hendrik VUT. Elders waren de getrouwheid en de 
volharding minder groot, niet altijd door de schuld 
der betrokkenen. 

De Congregaties. Onder den invloed der 
hervormingsbesluiten van het Concilie van Bazel 
werd een hernieuwde observantie ingevoerd in de 
abdij Bursfeld, welke spoedig talrijke kloosters om 
zich groepeerde, die zich in 1464 nauwer aaneensloten 
als Congreg. van Bursfeld. In Z. Duitschland en Oos- 
tenrijk vormde zich een dergelijke groep rond Melk, 
in Zwitserland rond S. Gallen. Tn Ttalië stichtte Lud. 
Barbo de Congreg. van S. Justina, later die van Monte- 
Cassino genoemd, welke de eerste was, die een centraal 
bestuur invoerde als middel tegen de > commende, 
maar daarin tevens van S. Benedictus’ geest afweek, 
wat betreft het karakter van een klooster. In Spanje 
ontstond de Congr. van Valladolid. De „Hervorming” 
der 16e eeuw vernietigde het Bened. leven in een groot 
deel van N. Europa: Engeland, N. Nederlanden, 
Skandinavië, N. Duitschland. Echter ook in die landen, 
waar het geloof bewaard bleef, was het dikwerf treurig 
gesteld met het kloosterleven. De besluiten van het 
Concilie van Trente brachten intusschen overal een 
hernieuwing van het Kath. leven. Didier de la Cour 
hervormde de Lotharingsche kloosters vanuit S. Vedas- 
tus, waarbij ook tal van Fransche kloosters zich wensch- 
ten aan te sluiten. Politieke moeilijkheden verplicht- 
ten hen echter een onafhankelijke congreg. op te rich- 
ten, welke onder den naam van S. Maurus weldra 
beroemd zou zijn. 

In de volgende, 18e eeuw wisten de meeste kloosters 
een waardig bestaan voort te zetten; sommige, als de 
Mauristen in Frankrijk, S. Blasien in het Zwarte 
Woud e.a., zich zelfs een roemrijken naam te ver- 
werven. Tegen het einde der eeuw kwamen de groote 
rampen over de Orde: eerst de vervolgingen van het 
Josephisme, dan de verwoestingen der Fransche 
Revolutionnairen en hun geestverwanten. Nauwelijks 
dertig kloosters overleefden het Napoleontisch tijdperk. 

Herstel en hernieuwde bloei der 
Orde. De beproevingen waren 
niet vergeefs gekomen. Het 
devies van het als moeder- 
klooster beschouwde Monte- 
Cassino werd ook voor de ge- 
heele Orde bewaarheid: Succisa 
virescit. Gelouterd bloeide het 
ordeleven weldra opnieuw op. 

Oude kloosters gingen nieuwen 
bloei tegemoet; nieuwe stich- 
tingen en congreg. verrezen. Wapen 

In Frankrijk herstelde Dom der Benedictijnen. 
Guéranger in 1833 de Orde, in 
Duitschland de broeders Wolter te Beuron. Ook in 
de Nieuwe Wereld deed de Orde haar intrede. 

De tegenwoordige staat der Orde 
(1933) is als volgt: 

1° Congreg. van Monte-Cassino, opge- 
richt 1408; tien abdijen met 193 monniken, waarvan 
106 priesters. 



553 


Benedictijnen 


554 


2° Engclsche Congreg., opgericht in 1336 
(door samensmelting der twee kapittels van 1215), 
hernieuwd in 1607; vijf abdijen, twee prioraten, met 
417 monniken, waarvan 272 priesters. 

3° Hongaarsche Congreg., opgericht 1514; 
vijf abdijen, zeven residenties, 252 monniken, waarvan 
202 priesters. Zij vertoont deze bijzonderheid, dat alle 
religieuzen geprofest zijn voor de aartsabdij van S. 
Maarten van Pannonhalma. 

4° Zwitsersche Congreg., opgericht 1602; 
vijf abdijen, een prioraat, met 461 moimften, waarvan 
280 priesters. 

5° Beiersche Congreg., opgericht 1684, her- 
steld 1858, tien abdijen, een prioraat, twee colleges, 
met 689 monniken, waarvan 237 priesters. 

6° Braziliaansche Congreg., 1827 ge- 
vormd uit de Braz. kloosters, welke tot de Portugee- 
sche Congreg. behoorden, welke in 1835 wederrechtelijk 
werd opgeheven. Vier abdijen, een prioraat, met 185 
monniken, waarvan 79 priesters. 

7° F r a n s c h e Congreg., opgericht in 1837; 
elf abdijen, vijf prioraten en drie andere huizen, met 
681 monniken, waarvan 346 priesters. Tot deze 
Congreg. behoort de abdij te Oosterhout (N.Br.). 

8°Amercano-Cassineesche Congreg., 
in 1855 door Dom Bonifaz Wimmer (Beiersche Congr.) 
opgericht; veertien abdijen, een prioraat, met 1 204 
monniken, waarvan 755 priesters. 

9° Congreg. van B e u r o n, opgericht in 1868; 
dertien abdijen en drie prioraten, met 1 034 monniken, 
waarvan 334 priesters. Hiertoe behoort de abdij 
S. Benedictus-Berg te Vaals (L.). 

10° Zwitsersch - Amerikaansche 
Congreg., 1881 opgericht; zes abdijen, met 470 mon- 
niken, waarvan 254 priesters. 

11° Cassineesche Congreg., a Prim. Observ., 
1872 van de oudere Cassineesche Congreg., welke haar 
nationaal karakter behield, afgescheiden. De nieuwe 
congreg. is uitgesproken internationaal, met haar 
zes provincies over heel Europa verspreid (met ver- 
takkingen in andere w’erelddeelen). Zevenendertig 
kloosters met 1 293 monniken, waarvan 635 priesters. 

12°Oostenrijksche Congreg., in 1930 
gevormd door omvorming van twee oudere congrega- 
ties. Dertien abdijen met 700 monniken, w r aarvan 653 
priesters. 

13° M i s s i e c o n g r e g. van St. Ottilien, 1884 
opgericht; zestien kloosters met 990 monniken, waar- 
van 240 priesters. 

14° Belgische Congreg., in 1920 opgericht; 
acht huizen, waaronder de bekende abdijen van 
Maredsous, Leuven en S. Andreas van Brugge; 394 
monniken, waarvan 219 priesters. 

Buiten congregatie -verband staan nog vier abdijen, 
op gewezen Oostenrij ksch grondgebied, met 106 
monniken, waarvan 76 priesters. 

In totaal telt de Orde (1 Jan. 1931): 187 kloosters, 
1 588 priesters, 1 086 clerici, 428 novicen, 2 494 leeke- 
broeders, 474 broeders -novicen, te zamen 9 070 reli- 
gieuzen (tegen 8 170 in 1925). 

Karakter en werkzaamheid. DeB. 
vormen een beschouwende Orde, hun leven wordt 
samengevat in het op den Regel geïnspireerde devies: 
Ora et labora, bid en werk. Het gebed werdt vnl. 
beoefend in de plechtige viering van de liturgische 
diensten in het koor. De arbeid heeft in den loop der 
eeuwen vele veranderingen ondergaan. In den tijd van 
den H. Stichter was het vnl. de veldarbeid; ook later 


zijn de kloosters hieraan getrouw gebleven, hoewel dit 
werk meer aan de leekebroeders w r erd overgelaten. 
Naarmate steeds meer monniken met het H. Priester- 
schap werden gesierd, kwam het langzamerhand tot 
een splitsing in de communiteit en werd de koordienst 
aan de clerici voorbehouden. Den plicht tot arbeid, 
die ook op hen bleef rusten, vervulden zij door geeste- 
lijken arbeid: het copieeren en bestudeeren der hss. 
van kerkelijke en zelfs klassieke schrijvers is altijd een 
traditie in de Orde gebleven, naast alle studie, die 
geen uitsluitend profaan karakter heeft. Daarnaast 
treft men sinds de oudste tijden ook het onderwijs aan; 
nog steeds telt de Orde vele bloeiende scholen. Ook de 
zielzorg ten slotte w T as en is den monniken niet vreemd. 
Zoodat zij én op ideëel gebied, het bovennatuurlijke 
predikend door hun leven zelf in de oude en moderne 
heidenwereld, én op practisch gebied hun bestaan ten 
volle gerechtvaardigd hebben. 

L i t. : Dom C. Butler, Benedictin Monachism (1919) ; 
Dom Steph. Hilpisch, Geschichte des Benediktiuischen 
Mönchtums (1929) ; dr. Max Heimbucher, Die Orden 
und Congreg. der kath. Kirche ( 3 1932). Lindeman. 

Benedictijnen in Noord- en Zuid-Ncderland. Met 

de Evangelie-prediking w^erd België in de 7e eeuw 
door een w*aar net van kleine kloosters overdekt, 
evenzoovele centra van missiearbeid; echter niet van 
al deze stichtingen is met zekerheid aan te toonen, dat 
zij van het begin af S. Benedictus’ Regel volgden, 
doch in de 8e eeuw had hij overal ingang gevonden. 
Van deze eerste vestingen worden hier slechts de 
voornaamste genoemd. De hoofdfiguur onder de zen- 
delingen was S. Amandus. Deze stichtte vóór 639 
bij Doornik het klooster te Elno (later S. Aman-en- 
Pévèle) en vandaar uit twee huizen te Gent. Marchien- 
nes gaat ook tot hem terug, evenals het dubbelklooster 
Tronchiennes, terwijl men elders zijn invloed herkent 
(Nijvel, S. Geertruidenberg). Vermeldenswaard zijn: 
Alden-Eyck en Munsterbilsen, bekende Luiksche 
vrouwenkloosters; S. Pieter te Lobbes, rond het latere 
Bergen de S.S. Pieter en Paulus abdij met de vrouwen- 
kloosters Maubeuge en Bergen. Stavelot-Malmédy 
danken hun ontstaan aan S. Remaclus; in de Hesbaye 
verrees S. Truiden. De voornaamste stichtingen der 
Scoti of Ieren zijn, naast S. Paul te Nijvel, Fosses 
en Péronne en meer Noordwaarts S. Odiliënberg (SS. 
Wiro, Otger, Plechelmus). Veel invloed had ook het 
door S. Audomarus gestichte Sithiu, S. Omer in het 
tegenwoordige Fransch -Vlaanderen. Al deze stichtin- 
gen in het Zuiden verrezen en kw T amen tot bloei in 
den loop der 7e en 8e eeuw. Boven den Rijn, waar het 
geloof later ingang vond, bouwde S. Willebrord bij 
zijn kathedraal een Bened. klooster; bij de stichting 
van Susteren is hij eveneens betrokken. Ook te Dokkum 
vestigden zich monniken (S. Ludger, tot 1180, daarna 
O. Praem.). 

Een inzinking volgde in de 9e eeuw. Karei Martel 
en zijn opvolgers vergaven de abdijen aan hun edelen 
of hooggeplaatste geestelijken tot groot nadeel van 
de regeltucht, de Noormannen begonnen tevens hun 
verwoestende strooptochten. Na den slag bij Leuven 
(892) w T as het Zuiden van hen bevrijd, doch menig 
toen verwoest klooster is nooit meer herrezen; andere 
w T erden na herstel in kanon ikale stiften veranderd. 
Het Noorden stond ook nog de volgende eeuw aan hun 
plunderingen bloot. 

De 10e en 11e eeuw kenmerken zich door de hervor- 
mingspogingen, die men overal waarneemt. Gerard 
van Brogne was de eerste, die zich opmaakte om de 


555 


Benedictijnen 


556 


monniken van de leekenoverheersching te bevrijden. 
Vannit zijn stichting S. Pieter van Brogne (918) 
hervormde hij de kloosters tot in Normandië toe. Ook 
in Z. Lotharingen vond zijn streven weerklank, o.a. 
in de diocesen van Metz, Toul en vandaar in Luik. 
Gorze, Stavelot-Malmédy , S. Hubert werden hervormd. 
Vanuit Gorze werd het nieuwgestichte S. Pieters- 
klooster te Gembloers bevolkt (940), dat de hervorming 
verder rond zich verspreidde. Geheel deze beweging 
verliep evenwijdig met die van Cluny in Frankrijk en 
Italië, hoewel onafhankelijk van deze. Vele oorzaken 
beletten echter het werk van Gerard van Brogne 
zelf volledig of duurzaam te zijn. Het werd krachtig 
yoortgezet door Richard, abt van S. Vannes te Verdun 
(1104). Hij verdedigde Gerard ’s stichting te Florennes 
(1002—1010) en nam te Luik twee abdijen over: 
S. Laurentius en S. Jacobus. Ook in Vlaanderen deed 
zijn invloed zich gelden. Zijn leerling Poppo van Stave- 
lot wist de hervorming tot in Duitschland te doen door- 
dringen. Nieuwe stichtingen in dit tijdperk, behalve 
de reeds genoemde, o.a. Geeraardsbergen, Afflighem, 
Liéssies in het Zuiden; Ameland, Egmond (1023), 
Hohorst (1006), later binnen Utrecht als S. Paulus- 
abdij, en Thom in het Noorden. De invloed van Cluny, 
die steeds wies, deed zich in de 11e, en vooral in de 
12e eeuw ook in de Nederlanden voelen, eenerzijds 
door stichting van prioraten, anderzijds door invoe- 
ring der „gebruiken van Cluny” (Lobbes, Marchiennes, 
Hohorst). Ook Citeaux deed zich gelden. Zijn generaal- 
kapittel werd een voorbeeld voor de Bened. abten 
der Kerkprovincie van Reims, die zich in 1131 in de 
bisschopsstad vereen igden, en besloten deze samen- 
komst jaarlijks te herhalen. Toch beantwoordde liet 
gevolg niet aan de gestelde verwachtingen. 

In het Noorden hield de bloeiperiode iets langer aan. 
Het dubbelklooster te Ruinen, later te Dikningen, 
dat. het eenige der Orde in Drente bleef, en een aantal 
andere kloosters, o.a. het welbekende vrouwenklooster 
te Rijnsburg, getuigen van een grooten opbloei van het 
Ben. kloosterleven, die ook in de 13e eeuw voort- 
duurt, ondanks mededinging van Cisterciënsers enPrae- 
monstratensers (Siloe of Selwert, Zwartewater e.a.). 
Ook de 14e en 15e eeuw kunnen nog enkele stichtingen 
van nieuwe kloosters of herstel van vervallen huizen 
boeken. In België daarentegen was met de 12e eeuw 
h$t tijdvak der stichtingen besloten. In de tweede helft 
dier eeuw vertoonden zich de eerste sporen eener inzin- 
king, die zich hoe langer hoe meer uitbreidde, ook in 
Noord -Nederland. De oorzaken waren dezelfde, als 
die in de algemeene geschiedenis der Orde opge- 
geven: de geleidelijke vermindering van het aantal 
roepingen, met als gevolg inkrimping van de bevol- 
king der kloosters; terwijl ook vaak de roeping van 
hen, die intraden, twijfelachtig was. Verder de zelf- 
standigheid der afzonderlijke huizen en dientengevolge 
de moeilijkheid kleinere en grootere misbruiken te 
weren of uit te roeien. Daarbij kwam de verdeeling 
van het gemeen bezit in prebenden. De keuze van onge- 
schikte oversten werd steeds vaker opgedrongen door 
de vorsten en heeren. Bovendien deed de commende 
haar intrede (het eerst voor het prioraat Meersen, 
1248) met al zijn nadeelige gevolgen. Ook oorlog en de 
talrijke lasten, die op de kloosters rustten, brachten 
menig huis ten ondergang. Franciscanen en Domini- 
canen in hun eersten bloei, de Praemonstratensers 
nog in vollen ijver, deden het langzaam verval der 
Benedictijnen nog scheller uitkomen. Geen wonder 
dat vele kloosters, die tot grooten bloei waren voor- 


bestemd, overgingen tot de Cisterciënsers, die eveneens 
den Regel van den H. Vader Benedictus volgden. 
Hadden invloedrijke personen niet ingegrepen, dan 
waren oude abdijen als S. Ghislain en S. Truiden nog 
in de 15e eeuw omgevormd tot wereldlijke kapittels. 
Kon de autonomie der kloosters een bron zijn van 
ongeluk, zij had ook haar goede zijde. In alle eeuwen 
bewaarde zij hier en daar een klooster in ongerepten 
bloei. Zoo was in de 12e eeuw Afflighem wijd en zijd 
beroemd om zijn regeltucht en oefende invloed uit tot 
in Beieren en Oostenrijk. Iets later werd de obseivantie 
in S. Jacob van Luik hersteld en vastgelegd in een 
Ordinarius, welke den weg voor de Unie van Bursfeld 
in de Nederlanden voorbereidde. Van haar uit werd 
met andere ook S. Paul te Utrecht hervormd. 

De Benedictijner-hervorming, bekend onder den 
naam van Unie van Bursfeld, staat in 
nauw verband met S. Matthias van Trier en langs dien 
weg met S. Jacob van Luik. De meeste kloosters van 
het Utrechtsche diocees sloten er zich in 1469 bij aan; 
Egmond in 1491, Stavoren in 1495. Maar eerst in 1605 
liet Gembloers als eerste Z. Ned. abdij zich officieel 
opnemen. Andere abdijen volgden in den loop der 
eeuw, Alflighem bijv. in 1522. Weer andere stelden 
zich tevreden de statuten na te volgen, zoo S. Ghislain. 
Eén enkel nonnenklooster vroeg om opname: S. Gode- 
lieve van Ghistclles. 

Toch kon Bursfeld door tal van plaatselijke 
invloeden niet alle kloosters met zich verbinden of 
binnen haar invloedssfeer brengen. Naast haar echter 
brachten ook tal van afzonderlijke abten een omkeer 
ten goede teweeg. De meest bekende is wel Lodewijk 
van Blo is (Lud. Blosius, 1506 — 1566), ook als geeste- 
lijk schrijver beroemd. Een kwart eeuw na hem zag 
men een soortgelijke hervorming te Doornik (S. Maar- 
ten) onder abt Jacob van Marquais (1583). Ook de 
nuntius van Keulen, J. F. Bonomi, ondersteunde den 
hervorm ingsarbeid krachtig. Was Bursfeld in het Z. 
der Ned. geroepen een zeer heilzaam werk te verrichten, 
in het N. kon zij niet lang haar invloed doen gevoelen. 
Het Protestantisme deed er in den vrijheidsoorlog 
tegen Spanje tegen het einde der 16e eeuw alle sporen 
van Bened. leven verdwijnen. Een enkele monnik, 
bijv. te Bameveld, oefende nog in het geheim zijn 
bediening uit. De kloosters echter waren opgeheven, 
verwoest of voor andere bestemmingen in gebruik 
genomen; de goederen genaast. De monniken en 
monisles sleten hun laatste levensdagen in vergetelheid, 
terend op een karig pensioen. 

In het Z. wisten de Katholieken nog tijdig te ver- 
hinderen, dat de Calvinisten de nationale beweging 
tegen de Spaansche overheersching in een godsdienst- 
strijd deden ontaarden. Doch ook daar hadden de 
onlusten groote schade aangericht en menig klooster 
was verwoest. De hervormingsgedachte echter was wel 
bemoeilijkt, maar niet gedood. De besluiten van het 
Concilie van Trente hadden allcrwege een beweging 
ten gunste der vorming van Bened. congregaties te 
voorschijn geroepen. Ook in België werden daartoe 
herhaalde pogingen gedaan. Een eerste had tot vrucht 
de oprichting in 1569 van de Congreg. der Exempten 
van Vlaanderen of België (in 1783 door Joseph II 
opgeheven). De Lotharinger-hervorming vond ingang 
in S. Hubert (1612) onder abt Nic. Franson, in 1631 
in S. Denis-en-Broquerie, eveneens in Geeraardsbergen. 
Toen ook Afflighem in 1627 de Loth. Statuten aan- 
nam, kon de Congreg. van O. L. Vr. Presentatie (1626) 
gevormd worden, waarbij zich in 1643 S. Ghislain 


557 


Benedictijnen 


558 


aansloot. Na 1654 viel zij weer uiteen. Ook andere 
pogingen, de laatste van Joseph II, mislukten. De 
kloosters hadden bijna allen hun historisch gegroeide 
gebruiken, waaraan zij sterk gehecht waren, evenals 
hun autonomie. 

Het aantal Benedictinessenkloosters was in Ned. 
immer beperkt gebleven. De oude stichtingen der 7e 
en 8e eeuw gingen bijna alle in kanonikale stiften 
over. Weinig stichtingen in de 11e en 12e eeuw. 
Dubbelkloosters kwamen alleen in Holland en Fries- 
land tot bloei. Eerst in de 17e eeuw vermeerderde het 
aantal Belgische vrouwenkloosters der Orde. Naast de 
Belgische nederzettingen der Eng. Benedictinessen 
moeten de stichtingen van Florence van Werquignoeil 
genoemd worden. Oorspronkelijk Cisterciënne, stichtte 
zij in 1604 te Douai een Bened. abdij onder Consti- 
tutiën, die de Engelschen na volgden (Paix N. Dame). 
Atrecht (Paix de Jésus, 1612), Namen (1613), Luik 
(1627) en andere volgden. 

De Fransche Omwenteling vond het kloosterleven in 
België ondanks de belemmeringen van het Josephisme 
op een zeer waardig peil en hooggeschat door de bevol- 
king, die het geloof had bewaard. Éérst in de door 
Lodewijk XIV met Frankrijk vereen igde provinciën, 
en na 1792 (oorlog met Oostenrijk) in geheel België, 
werden niettemin de kloosters opgeheven, de bewoners 
verjaagd en de gebouwen voor een deel verwoest. 
Na den val van Napoleon en den vrede in Europa 

E waren het de nonnen, die het eerst de Orde in 
i herstelden, waar vele verspreide communi- 
teiten zich weer hereenigden. Van de monniken waren 
het eenigen der conventualen van Afflighem. die in 
1838teDendermonde hetgemeenschapsleven hervatten. 

Op het oogenblik telt de Orde in België zes 
abdijen: Dendermonde (1838), Afflighem (1870), Steen- 
brugge (1878), behoorende tot de Cassineesche Congr. 
O.P.; Maredsous (1872), Leuven (1899) en S. Andries 
te Lophem bij Brugge (1899) vormen de Belgische 
Congreg. van O. L. Vrouw-Boodschap. De eerstge- 
noemde Congreg. heeft missies in N. Transvaal, de 
laatste in den Belgischen Kongo. Nederland 
bezit de S. Paulus-abdij te Oosterhout (N. Br.), eerst 
een toevluchtsoord voor de verdreven Fransche mon- 
niken van Wisques, allengs uitgegroeid tot een sedert 
1928 zelfstandige Ned. abdij (Congreg. van Solesmes), 
en de abdij S. Bened ictusberg te Vaals, in 1893 te 
Merkelbeek gesticht (Congreg. van Beuron). 

L i t. Bovenstaande schets is noodzakelijkerwijze 
zeer onvolledig ; overigens is de studie der afzonderlijke 
kloosters en der verschillende strevingen binnen de 
Orde in de Ned. nog niet genoeg gevorderd om een 
afdoende gesch. te kunnen schrijven. Een goede schets 
voor België geeft Dom U. Berlière, Coup d’oeuil hist. sur 
POrdre Bénéd. en Belgique dans le passé et dans le 
présent, Revue Liturg, et Monastique (XIV 1928- '29, 
438 vlg.) ; een dgl. studie, op sommige punten verouderd: 
Dom W. v. Heteren, L’Ordre Bénéd. en Hollande, 
Messager des Fidèles (VII, 1870 passim) ; zie ook R. G. 
Romer, Geschiedk. Overzigt v. d. kloosters en abdijen 
van Holland en Zeeland (1854); W. Moll, Kerkgesch. 
v. Ned. vóór de Hervorming ; Dom U. Berlière, Monasti- 
con beige (I, II, 1890-1929) ; Ed. Michel, Abbayes et 
monast. de Belgique (1923) ; S. Hilpisch O.S.B., Ge- 
schichte des Bened. Mönchtums (1929). Lindeman. 

Benedictijnsche kunst. Een Benedictijnsche kunst, 
in den striksten zin van het woord, bestaat er niet. 
Slechts kan er sprake zijn van kunst door Bened. geest 
beïnvloed. Een Bened. klooster vormt een afgesloten 
kleine maatschappij, een familie, waarvan de leden, 
onder leiding en bestuur van een abt, door naleving 


van een regel, in gebed en arbeid, de Christelijke 
volmaaktheid nastreven. De omstandigheden zijn dus, 
door doel en middelen, bijzonder gunstig voor de ont- 
wikkeling eener hooge beschaving. Vandaar dat bin- 
nen de abdijen ten allen tijde de kunst vlijtig werd be- 
oefend :de schilderkunst tot opluistering 
van kerkmuren, van koorboeken en andere manus- 
cripten; de beeldhouwkunst tot vervaar- 
diging van altaren, koorbanken, reliekschrijnen, beel- 
den, kapiteelen; de sn ij kunst in ivoor cn hout; 
de goudsmeedkunst voor de gewijde vaten; 
de muziek in den koorzang en later ook in den 
volkszang; borduurkunst voor de kerkge- 
waden. In het bijzonder ook de bouwkunst, 
daar de monniken van oudsher hun eigen kloosters en 
kerken bouwden. Leekenbouwmeesters stonden onder 
hun leiding. Zoo zijn o.a. de beroemde bouwwerken 
van Aken, Fulda, Essen, St. Gallen, enz. door mon- 
niken vervaardigd. Het groote middelpunt was in de 
vroege M.E. de abdij van Cluny in Bourgondië, die 
in het begin der 10e eeuw werd gesticht met de bedoe- 
ling een kloosterleven te vormen, dat onder het on- 
middellijk gezag gesteld van den paus, onafhankelijk 
zou zijn van alle overige geestelijke en wereldsche 
macht. Weldra werd Cluny het centrum van een groot 
en machtig verband, naast en tegenover dat van het 
leenstelsel, oppermachtig in de wereld. Het strekte 
zich uit over alle landen van Europa, en zelfs daar- 
buiten in het H. Land. In 1109 telde het meer dan 2 000 
kloosters met tienduizenden monniken. Tusschen die 
kloosters bestond een levendig verkeer; men vroeg el- 
kander raad, men steunde elkander. Overal trof men 
bouwscholen aan, die toch ieder een eigen stempel 
droegen. 

Tot uitstraling van invloed naar buiten droegen 
krachtig bij de drukke bedevaarten, die deze eeuwen 
kenmerkten: niet alleen naar het II. Land en naar 
Rome of Spanje, maar ook in Frankrijk zelf. Cluny 
moedigde deze aan, tot verlevendiging van den gods- 
dienst en verbreiding van het geloof. Ze werden ook 
het middel ter verspreiding van beschaving, en van 
een kunst, die de pelgrims zelf deden bloeien door hun 
giften. De steden organiseerden markten, waar trou- 
badours optraden, die de levens der vereerde Heiligen 
en andere vermaarde personen bezongen in gedichten, 
met behulp der monniken vervaardigd (Karolingische 
sagen); de pelgrims zongen op hun weg liederen door 
monniken gecomponeerd. Op geen terrein was echter 
de invloed van Cluny zoo groot als op dat der bouw- 
kunst: de Romaansche s t i j 1 is voorname- 
lijk onder haar leiding gevormd. Sinds kwam de Ben. 
Orde min of meer in verval en verminderde ook haar 
invloed. Nu zij echter sinds een eeuw een nieuwe 
periode van bloei is ingetreden, ziet men opnieuw alom 
de kunst door haar leden beoefend, en haar invloed 
naar buiten uitstralen. Talrijk zijn de abdijen met 
kunstateliers, enkele hebben ook kunstscholen: 
Beuron (> Beuroner kunst), Maria-Laach, Maredsous, 
Leuven, en in Nederland Oosterhout. Opnieuw ver- 
wierven monniken zich een naam: Dom Lenz, Ver- 
kade, Mellet, Bellot, en anderen. Opnieuw zoekt men 
bij de B. voorlichting, in het bijzonder, waar het be- 
treft kerkelijke of liturgische kunst. 

L i t. : A. Kingsley-Porter, Romanesque sculpture of 
the Pelgrimage Roads (Boston 1923), met uitgebreide 
literatuurlijst ; J. Bédier, Les légendes épiques (4 dln.. 
Parijs, Champion), it. in Hist. de la nation franp. (XII 
Parijs, Péon) ; Viollet-le-Duc, Dict. de PArchit. I Arch. 


559 


Bencdiktbeuern — Benedix 


560 


monastique ; A. Kuhn O.S.B., Allgem. Kunstgesch. 
Archit. I (Einsiedeln), met lit.-lijst. A. Beekman . 

Gregoriaansch. Een noodzakelijk onderdeel van 
Dom Guéranger’s hervorming der Romeinsche liturgie 
in Frankrijk was het herstel van den Romeinschen 
kerkzang, het Gregoriaansch. 

Over het herstel der melodie konden geen prin- 
cipieele moeilijkheden meer ontstaan, toen men een- 
maal het beginsel der historische tekstcritiek ook hier 
ging toepassen. De kwestie der practische 
uitvoering bracht meer moeilijkheid. Dom 
Guéranger meende terecht, dat het vrij -metrische 
rhythme, waarin het Gregoriaansch in het begin der 
19e eeuw veelal gezongen werd, een Barokke verbaste- 
ring was. Men ging daarom uit van de traditie, die de 
recitatief-zangen uitvoerde min of meer als een decla- 
matie. Dit rhythme van het goed gedeclameerde 
proza (oratorisch rhythme) werd door kanunnik G o n- 
t i e r toegepast op de syllabische zangen en op ana- 
loge wijze ook op de rijkere, neumatische melodieën. 
Een bevestiging van dit systeem meende men te vin- 
den in eenige teksten van S. August inus, doch vooral 
in meerdere laat-M.E. schrijvers, waar deze als wezens- 
eigenschap van het Gregoriaansch hunner dagen een 
absoluut-gelijken duur van alle noten verdedigen 
(cantus planus, musica non mensurabilis) (Gontier, 
Méthode raisonnée de P 1 a i n-c h a n t, Parijs 
1859). Volgens dit systeem zong men te Solesmes 
de oude Gregoriaansche melodieën. Na een 20-jarige 
studie en practijk werd het door Dom P o t h i e r 
vastgelegd en verder uitgew r erkt in zijn M é 1 o d i e s 
grégoriennes (1881). 

Als grondslagen van het Gregoriaansch rhythme 
verdedigde hij daarin: 

1° het Gregoriaansch rhythme is vrij, d.w.z. de 
rhythmische steunpunten keeren niet in zuivere regel- 
maat terug; 2° het rhythme van de melodie is het zgn. 
oratorisch rhythme; 3° de grondwaarde („premier 
temps”) der enkelvoudige noot is ondeelbaar. 

Dom Mocquereau veranderde punt 2 

aldus: het rhythme van het Gregoriaansch is niet 
oratorisch, doch muzikaal. Mocquereau, Gre- 

goriaansch. Beide methodes vonden tegenover zich 
het zgn. > Mensuralisme; zij bleven echter vrijwel 
algemeen den grondslag vormen van onze tegenwoor- 
dige uitvoer ingspraxis van het Gregoriaansch, en 
vonden gedeeltelijk (punt 2 bleef vrij) een min of meer 
officieele bekrachtiging in de voorrede van het Gra- 
duale Romanum (1907). Daar zij vooral door de Bene- 
dictijnen werden voorgestaan, heeft men ze in het begin 
veelal de Benedictijner-methode genoemd. 

Voornaamste verdedigers: in Frankrijk : 
Gontier, Pothier, Mocquereau (Solesmes), Sablay- 
rolles; Duitschland: Kienle, Birkle, Molitor, Johner 
(Beuron), Böckelen; Spanje: Sunyol; Italië: Amelli, 
de Santi, Ferretti; Engeland: Bewerunge. 

L i t. : Rousseau, L’école grégorienne de Solesmes 
(De8clée 1910). ■ Bruning. 

Benedictijnsche liturgie. De indeeling van het 
Koorgebed, door den H. Benedictus in zijn Regel 
beschreven, verschilt belangrijk van het Romeinsch 
brevier. Het psalterium is hoofdzakelijk in drieën 
verdeeld: de psalmen 1-20 worden in de Primen, 
20-108 in de Metten en 109-147 in de Vespers ge- 
bruikt, uitzonderingen daargelaten. Waarschijnlijk 
heeft de H. Benedictus het zeer ongelijk verdeelde en 
daardoor onpractische psalterium der Romeinsche 
liturgie (dat ongeveer gehandhaafd bleef tot de brevier - 


hervorming van Pius X) aangepast bij de eischen van 
den handenarbeid zijner monniken. Daarom zijn voor 
de kleine uren en Vespers slechts respectievelijk drie 
en vier korte of verdeelde psalmen aangewezen, terwijl 
in de Metten steeds 12 psalmen, in twee noctumen 
verdeeld, gebeden worden. Op Zon - en feestdagen wordt 
aan laatstgenoemde een derde nocturne met drie 
cantica toegevoegd. Karakteristiek is o.m. de toewij- 
zing van 12 lessen met 12 responsoriën aan de drie 
nocturnen van Zon- en feestdagen. Op die dagen wor- 
den de nocturnen gevolgd door den lofzang Te Deum, 
het plechtig voorlezen van het Evangelie door den abt 
en het Te decet laus en den „zegen” of Oratie. 

De H. Benedictus heeft meerdere nieuwe gebruiken 
ingevoerd, die later gedeeltelijk in de Romeinsche 
liturgie zijn overgenomen, bijv. het lnvitatorium- 
vers met psalm 94 bij den aanvang der Metten, de 
Ambrosiaansche hymnen (> Ambrosianum) in alle 
kerkelijke getijden, en de > Completen. Ook andere 
gebeden en ceremoniën werden door 
St. Benedictus voorgeschreven, o.a. bij de voetwas- 
sching of mandatum, en de professie. Deze voorschrif- 
ten zijn zeer sober, ze werden in latere eeuwen met 
nieuwe plechtigheden verrijkt, doch de gebruiken der 
verschillende kloosters als Monte-Cassino, Farfa, 
Gallen en de kloostcrfamilie van Cluny bijv., loopen 
zeer uiteen. Het thans in de geheel e Orde gebruikte 
eigen brevier dankte zijn eerste uitgave aan paus 
Paulus V in 1612, zijn nieuwe, vereenvoudigde, met 
ook vereenvoudigden kalender, dateert van paus 
Pius X en paus Benedictus XV (1915). 

L i t. : E. Martène O.S.B., De antiquis ecclesiae et 
monachorum ritibus (Antwerpen 1756) ; S. Baumer 
O.S.B., Gesch. des Breviers (Freiburg 1895) ; it. vertaald 
(en uitgebreid) door R. Biron O.S.B., Histoire du Brévi- 
aire (2 dln. Parijs 1905) ; B. Albers, Consuetudines 
monasticae (4 dln. Monte-Cassino 1899 — 1911). 

C. Coebergh . 

Evangelische Benedictijnen. In 1928 werd in Protes- 
tantsche kringen een poging gedaan om het leven der 
Benedictijnen na te volgen door de evangelische raden 
te onderhouden, het ordekleed te dragen en in het 
Duitsch het koorgebed te bidden volgens het Romein- 
sche brevier. Volgens de bepalingen van 22 Febr. 1928 
konden Katholieken en Protestanten als leden intreden. 
Reeds in Aug. 1928 werd de orde ontbonden. 

J. v . Rooij. 

Bencdiktbeuern, voormalige Benedictijner abdij 
in Beieren; gesticht ca. 752; in 1803 geseculariseerd. 

Bénédite, G e o r g e s, Fransch Egyptoloog, 
* 1857, j* 1926, conservator van de Egyptische afdee- 
ling van het Louvre. 

Bencdito y Vives, R a f a ë 1, dirigent, pro- 
pagandist van hedendaagsche Spaansche muziek. * 3 
Sept. 1885 te Valencia, studeerde aan het koninklijk 
conservatorium te Madrid en richtte in 1916 in deze 
stad het Bened ito -orkest op. Madrid dankt voorts aan 
hem zijn eerste groote gemengde koor, Masa Coral de 
Madrid, dat in 1918 gevormd werd. Ook in het buiten- 
land introduceerde B. de muziek van zijn land, o.a. 
in Duitschland. Voor de muzikale ontwikkeling der 
jeugd maakte hij zich eveneens zeer verdienstelijk. 

Werken: o.a. Natura, een verzameling kinder- 
liederen naar bestaande composities met toegevoegde 
Spaansche teksten, Cantos populares espanoles, voor 
koor en piano ; Pueblo, een verzameling van Spaansche 
volksliederen en de brochure : Como se ensena el canto 
y la musica. Uanekroot. 

Benedix, R o d e r i c h, Duitsch tooneelschrij- 


561 


Beneficie — Benes 


562 


ver van meer dan honderd oppervlakkige maar te zijner 
tijd zeer gewilde kluchten, die in hoofdzaak van -v 
situatiekomiek leven. * 21 Jan. 1811 te Leipzig, 
f 26 Dec. 1873 aldaar. 

U i t g. : Volkstheater (20 dln. Leipzig 1882 vlg.) ; 
enkele losse stukken in Reclams Universalbibliothek. — 
L i t. : W. Schenkel, R. B. als Lustspieldichter (disser 
tatie, 1916). Baur. 

Beneficie is een kerkelijk ambt, waaraan het 
recht op sommige stoffelijke voordeelen of inkomsten 
verbonden is; deze stoffelijke voordeelen bestaan vnl. 
in het vruchtgebruik van onroerende goederen of in 
jaarlijksche en vaste renten door anderen te betalen, 
of in de offeranden der geloovigen of in zgn. stool- 
rechten (> Jura stolae), die den pastoor in sommige 
aangelegenheden toekomen. Tegenwoordig zijn in 
Nederland, België en Frankrijk geen andere beneficiën 
meer dan die der kanunniken en pastoors; de inkom- 
sten ervan bestaan in de jaarwedde door den staat 
betaald of door het kerkbestuur verzekerd. De oprich- 
ting van een beneficie hoort toe aan den paus en ook 
aan den bisschop; zoo kan deze in bepaalde omstandig- 
heden nieuwe parochiën oprichten. De vergeving der 
b. geschiedt insgelijks door dezen. Den H. Stoel echter 
zijn voorbehouden de benoeming der bisschoppen en 
de eerste waardigheid in het kapittel eener kathedraal, 
alsook de benoeming tot de beneficiën, die openstaan 
en tot dan toe bezet waren door een kardinaal of een 
gezant van den H. Stoel of een w^aardigheidsbekleeder, 
al was het enkel honoris causa, van het pauselijk hof, 
of door iemand die in de stad Rome is gestorven of 
door den paus tot een ander ambt werd gepromoveerd. 
De inbezitneming van een beneficie, zonder dewelke 
niemand het ambt mag uitoefenen en de voordeelen 
ervan genieten, geschiedt gewoonlijk door een plechtige 
aanstelling, die men installatie noemt. Simenon. 

Beneficie van Inventaris, > Beneficium 
inventarii, > Voorrecht van Boedelbeschrijving. 

Beneficium heeft in de rechtsgeschie'denis 
verschillende beteekenissen. In het algemeen: w T eldaad. 
Zoo vormde het > beneficium inventarii van het 
Justiniaansche recht in zekeren zin een waldaad 
vergeleken bij de vroegere regeling, waarbij erfge- 
namen ofwel een nalatenschap, wier schulden ze nog 
niet kenden, zuiver moesten aanvaarden met de kans 
voor schulden van den erflater ook in hun persoon lijk 
vermogen te worden aangesproken, ofwel een nalaten- 
schap moesten prijsgeven, die achteraf bleek meer 
baten dan schulden te bevatten (ius abstinendi). 
B. is vooral van beteekenis geworden voor het leen- 
wezen (> Leenstelsel): uit de verbinding van het b. 
met de vazalliteit ontstond de rechtsbetrekking van 
het leen. B. is hier het „gebruiksrecht van eens anders 
grond, door den eigenaar toegekend als belooning 
voor hem bewezen of te bewijzen diensten” (v. d. 
Heyden). 

L i t. : A. S. de Blécourt, Kort Begrip, 4e dr., passim : 
E. J. J. v. d. Heyden, Aanteekeningen (blz. 88 vlg.). 

Hermesdorf. 

Beneficium inventarii (= Beneficie van 
Inventaris), de bevoegdheid door het Justiniaansche 
recht toegekend aan bepaalde erfgenamen om een 
nalatenschap te aanvaarden onder het voorrecht van 
boedelbeschrijving (> Beneficium). De strekking 
van dit voorrecht w r as de erfgenamen in de gelegenheid 
te stellen na te gaan de verhouding van baten en 
schulden in een nalatenschap, ten einde op die wijze 
te voorkomen, dat ze een erfenis zouden aanvaarden, 


w r ier schulden de baten overtroffen, hetgeen tot gevolg 
gehad zou hebben, dat de sehuldeischers der nalaten- 
schap deze erfgenamen in hun persoonlijk vermogen 
konden aanspreken. Vereischte voor de uitoefening 
van dit b. was o.m., dat binnen 3 maanden na het 
openvallen der nalatenschap een inventaris w r erd 
opgemaakt. Gevolg van de uitoefening van het b. w T as, 
dat de erfgenamen niet aangesproken konden worden 
tot een grooter bedrag dan dat der baten van de 
nalatenschap; de aansprakelijkheid bleef beperkt „intra 
vires hereditatis”. B. heeft invloed gehad op het 
hedendaagsch recht. Vgl. art. 1070 vlg. Ned. B.W., 
art. 793 vlg. Belg. B.W. Hermesdorf. 

Bencke, 1° Friedrich Eduard, Duitsch 
wijsgeer, empiricus, tegenstander van de speculatieve 
philosophie, vooral van Hegel en Herbart; * 1798, 
f 1854; privaatdocent te Berlijn en Göttingen en hoog- 
leeraar te Berlijn. B. houdt de geheele wijsbegeerte 
voor een toepassing van psychologie en wil deze uit- 
sluitend naar empirische, natuurwetenschappelijke 
methode behandeld zien. 

Werken: Erfahrungsseelenlehre ; Psychologische 

Skizzen ; Erziehungs- und Unterrichtslehre. F. Sassen . 

2° Fr. W., professor (1867) in de geneeskunde 
te Marburg, een der grondleggers van de moderne 
constitutieleer; * 1824, f 1882. 

Voorn, werk: Konstitution u. Konstitutionelles 
Kranksein des Menschen (1881). 

Benelli, S e m, Italiaansch tooneelschrijver en 
dichter; * 10 Aug. 1877 te Filetolle (Prato). Na La cena 
delle beffe (1909), o.a. in het Fransch vertaald door 
Jean Richepin onder den titel La beffa, w r erd hij jaren 
lang aangezien als de beste tooneelschrijver van Italië. 

Werken: Tooneelstukken: La maschera 

di Bruto (1908) ; L’amore dei tre re (1910) ; Tignola 
(1911) ; II mantellaccio (1911) ; Rosmunda (1912) ; La 
Gorgona (1913) ; Le nozze dei Ccntauri (1914) ; Ali 
(1921) ; Arzigogolo (1922) ; Orfeo e Proserpina (1929) ; 
Eroi (1931). Gedichten: II figlio dei tempi (1905) ; 
L’altare (1917) ; Parole di battaglia (1918), enz. Ulrix. 

Bene inerenti (Lat., = aan wie zich verdienste- 
lijk gemaakt heeft), pauselijke onderscheiding (geen 
ridderorde), ingesteld door Pius IN. Groote en kleine, 
gouden en zilveren medailles, gedragen aan geelwit 
lint. Op de voorzijde der medaille staat de afbeelding 
van den paus, op de keerzijde Bene Merenti. Gorris . 

Bene méritus (Lat.) = die zich verdienstelijk 
gemaakt heeft. 

Benes, Eduard, Tsjecho-Slowaaksch staats- 
man, geb. 1884 ; 
docent in de staat- 
huishoudkunde te 
Praag. Onmiddel- 
lijk na het uitbre- 
ken van den Wereld- 
oorlog stichtte hij 
met prof. Masaryk 
een geheime nat. 
vereen ig ing . In Sept . 

1915 nam hij de 
vlucht naar Parijs, 
waar hij de leiding 
had van „La nation 
teheque” en naar 
Londen, waar hij 
een anti-Oostenrijk- 
sche politiek voer- 
de. In April 1918 
op het Congres der Oostenr.-Hong. journalisten te Ro- 




563 


Benes j o wa — Benf ey 


564 


me. In Nov. 1918 min. van Buitenl. Zaken; vertegen- 
woordigde zijn land op het Congres van Versailles. In 
1920 werd de Kleine Entente door hem tot stand 
gebracht. In Sept. 1921 min. pres. met portefeuille 
van Buitenl. Zaken; in Juni van hetzelfde jaar: 
handelsverdrag met Duitschland, en in Nov. arbitrage- 
verbond met Polen. Na 1922 min. van Buitenl. Zaken 
in het kabinet Schurla. In 1932 leidt hij de oppositie 
der Kleine Entente tegen het Viermogendhedenpact 
van Rome, waarin hij eventueele territoriale wij- 
ziging bestreed. 

Werken: Der Aufstand der Nationen (1928). 

Cosemans. 

Beiiesjowa, B o z j e n a, Tsjecho-Slowaaksche 
schrijfster van psychologische romans met ethischen 
ernst en godsdienstige verdieping, van treffende kin- 
derstudies en van oorlogsboeken, die de heel bijzondere 
Praagsche oorlogspsychose schilderen. * 30 Nov. 1873 
te Neutischein. 

Werken: Onbevochten zegepraal (1909) ; Muisje 
(1916) : Harde jeugd (1917) ; Mcnsch (1923) ; Uder (1925); 
Onderaardsche vlammen (1927). 

Benet, Johannes, Eng. eomponist uit 
de eerste helft der 15e eeuw; wordt op één lijn gesteld 
met zijn tijdgenooten Dunstable en Lionel Power. 

Werken: twee bij elkaar behoorende misdcelen 
(öanctus en Agnus Dei) uit den Codex 37 van Bologna, 
werden door Wooldridge in facsimile gepubliceerd in 
„Early English Harmony” (1897). Andere werken zijn 
behouden gebleven in den Codex van Trente 87 en 92, 
Oxford Can. 213 en Bologna 37. Twee drie-stemmige mis- 
deden gaf Joh. Wolf uit in „Geschichte der Mensural- 
Notation” (III nr. 74) en „Denkmaler der Tonkunst in 
österreich” (XXXI). Piscaer. 

Benét, 1° Stephen Vincent, Amer. 
dichter en romanschrijver. * 1898, jongere broer van 
William Rosé B. Studeerde aan de Yale üniv. Won 
in 1921 den prijs van de Poëzie-Vereeniging van 
Amerika. 

Werken: Five Men and Pompey (1915) ; The Drug 
Shop (1917) ; Heavens and Earth (1920) : The Beginning 
of Wisdom (1921, roman) ; Jcan Huguenot (1923) ; John 
Brown’s Body (1928); Ballads and Poems (1915 — * 31 ). 

2° W i 1 1 i a m Rosé, Amerikaansch journalist 
en dichter, broer van vorige. * 1886. Studeerde te Yale. 

Werken: Merchants from Cathay (1913) ; The 
Falconcr of God (1914); The Great White Wall (1916); 
Perpetual Light (1919) ; Moons of Grandeur (1920) ; The 
First Person Singular (1922). 

Bencttitalcs (pa leobotan ie), een van de 
voornaamste groepen der fossiele planten. De stam- 
men zijn cycacoïd. De bloemen wijken af van de 
cycadales en van alle Gymnospermae en doen de 
b. een afzonderlijke groep naast de cycadales vormen. 

Béiiéveiil, vorst van, > Talleyrand. 

Benevento, 1° ltaliaansche provincie in 
het N.O. van Campanië in de Apennijnen. Opp. 
2 688 km 2 ; 335 640 inw. (1931), 128 p. km 2 , 89 ge- 
meenten. Behoorde vroeger tot den Kerkdijken Staat. 

2° Hoofdstad der prov. B. (41° 9' N., 
14° 47' O.); 36 900 inw. (1931); 135 m boven zee, 
prachtig gelegen, spoorwegknooppunt. Aartsbisschops- 
zetel (sinds 969 bisschopsstad). Tot 275 v. Chr. Male- 
ventum (slag tegen Pyrrhus van Epirus), sedert dien 
Lat. Beneventum. Bloeitijd onder de Noormannen. 

Heere . 

Kunst. De S. Sofia, in Lombard ischen stijl 
(8e eeuw), veelhoekige centraalbouw met dubbele 
zuilenrij (vrije navolging van Byzantijnsch model), 
met kruisgang (12e eeuw), die in quadriforia (Sara- 


ceensche invloed?) verdeeld is. De dom (begin 12e 
eeuw), waarvan de gevel door een zekeren Ruggero 
met marmer werd versierd, vijfschepig, met zuilen 
uit een of ander klassiek bouwwerk, bronzen deur 
(stijl Bonannus v. Pisa), campanile (eind 13e eeuw) 
met ingemetselde stukken marmer uit antieke gebou- 
wen, paaschkandelaar (eerste helft 13e eeuw), cathedra, 
genoemd van S. Barbatus, van gehamerd ijzer (11e 
eeuw). Verder een nog in de grondslagen Lombardisch 
kasteel. Klein, doch zeer interessant Museo Lapidario. 

L i t. : Meomartini, B. (1919) ; Toesca, Storia delP 
arte italiana I, II Medioevo (1927). Knipping. 

Geschiedenis. Oorspronkelijk was de stad 
een Grieksche kolonie, werd in 269 v. Chr. door de 
Romeinen veroverd en bleef sindsdien tot het Rom. 
Rijk behooren. In 668 door de Longobarden genomen, 
werden stad en omstreken in de schenkingsoorkonde 
van Karei den Grooten (774) aan ’s pausen wereldlijk 
gebied toegevoegd. Dit hertogdom Beneventum 
voerde evenwel een vrijwel onafhankelijk bestaan, 
tot het door Robert Guiscard in 1077 bij 
zijn Zuid-Italiaansch Noormannenrijk werd ingelijfd. 
De stad bleef echter aan den paus. Napoleon gaf haar 
in 1806 aan Talleyrand met den titel van vorst van B., 
doch in 1814 kwam ze weer aan den paus en in 1860 
aan het koninkrijk Italië. Slootmans . 

Bene vixit, qui bene létuif (Lat.) = „gelukkig 
leefde hij, die zich w ? el verborgen hield'*, uit Ovidius’ 
Tristia 3. 4. 25, waar de tekst in andere volgorde 
voorkomt: „Bene qui latuit, bene vixit’*. Deze levens- 
raad (naar Epicurus* „blijf verborgen in het leven”) 
ook bij Horatius (Epist. 1. 17. 10). 

Benevoli, O r a z i o, componist van kerkelijke 
werken, * 1605 te Rome, f 1672 aldaar; zoon van een 
Fr. bakker Benouot (Ital. Benevoli). Hij was van 1617 
— 1623 koorknaap onder Ugolini, later kapelmeester 
aan verschillende kerken te Rome, van 1643 — *46 
hofmusicus van aartshertog Leopold Wilhelm te 
Weenen. Na 1646 was hij verbonden aan het Yaticaan. 
B. was een uitstekend contrapuntist, als zoodanig 
leerling van Vincenzo Ugolini. 

Werken: 12-, 16- en 24-stemmige missen, psalmen, 
motetten bleven in hs. Een 48-stemmige (12-korige) mis, 
geschreven en uitgevoerd in 1628 ter gelegenheid van de 
inwijding van den dom te Salzburg, werd in partituur 
gebracht door G. Adler in de Denkm. der Tonk. in 
österreich (X. I.) — Lit. : A. Cametti in Rivista 
musicali ital. (XXII 1915, 629 vlg.). Piscaer . 

Benezet (verkleinwoord van Benedictus), Heilige, 

* ca. 1165 in Zuid-Frankrijk, f 14 April 1184. Volgens 
de legende begon hij op goddelijke ingeving den bouw 
der Rhónebrug. B. is waarschijnlijk de stichter van d« 
> Ringbroeders. Zijn lichaam werd in een bnigkapel 
bijgezet, later naar de Desideriuskerk overgebracht. 
In de Provence en Languedoc wordt hij als heilige 
vereerd. Feestdag 14 April. 

Lit.: Albancs, La vie de S. Bénézet (1876). 

J. v. Rooij. 

Bcnfcy, T h e o d o r B., Duitsch philoloog, 

* 28 Jan. 1809 te Nörten (Ilannover), f 26 Juni 1881 
te Göttingen. Promoveerde in 1828 te Göttingen in de 
Klassieke philologie, werd aldaar in 1862 hoogleeraar. 
Zijn „Griechisches Wurzellexikon” geldt als het eerste 
etymologische woordenboek. De term „Wurzelvaria- 
tion” (> Wortelvariatie) is van hem. B. gaf in 1848 
oud-Indische hymnen uit. Van de Klassieke talen 
ging zijn belangstelling langzamerhand meer naar 
de oud-Indische philologie en de vergelijkende taal- 
wetenschap. Hij was de zoon van een Joodsch koop- 


565 


Bengaalroos — Bengkalis 


566 


man, ging echter in 1848 tot het Christendom over. 

Werken: o.a. Griechisches Wurzellexikon (1839); 
Die Hymnen des Sama-Veda (1848) ; Handbuch der 
Sanskritsprache (1852-’54) ; Pantschatantra, aus der 
Sanskrit übersetzt (1859) ; Practical Grammar of the 
Sanskrit Language (1863). — L i t. : A. Bezzenberger, 
Kleine Schrifte. Peters . 

Bengaalroos (R o s a b e n g a 1 e n s i s), een 
rozenras, dat aan theerozen verwant is. 

Bengaalsehe taal en letterkunde. 1° 
Taal. Het Bengali vormt met Orija, Assamsch en 
Bihari de Oostelijke groep der Indo -Arische talen. 
Het heeft groot verschil tusschen litteraire en gesproken 
taal. In de eerste zijn een groot aantal Sanskrit- 
woorden opgenomen en men gaat zoo ver, dat men vaak 
het Sanskrit-woord schrijft, terwijl men toch het 
Bengaalsehe uitspreekt. Geslacht en grootendeels 
ook meervoudsvorming zijn verdwenen; naamvallen 
worden door postposities uitgedrukt. In de conjugatie 
worden de oude pluralis-vormen meest ook voor 
singularis gebruikt. In de uitspraak springt het accent 
zoo ver mogelijk naar voren, waardoor de uitgangen 
neiging hebben weg te vallen. 

L i t. : J. Beames, Grammar of the Bengali Language 
(1894) ; G. A. Grierson in Encyclopaedia Brittanica. 

2° Letterkunde. De oudere Bengaalsehe lite- 
ratuur is geheel door de Sanskrit-literatuur geïnspi- 
reerd. De vertalingen van het Ramajana (door Kritti- 
wasa, 14e eeuw) en van het Mahabharata (door 
Kasjiram, ± 1645), alsmede van verschillende 
poerana’s bleven leven onder het volk en werden 
door kathaks (rhapsoden) voorgedragen of halfdrama- 
tisch opgevoerd. De godsdienstige poëzie bezong in 
navolging van den Sanskritdichter Djajadewa de 
liefde tusschen Krisjna en Radha ; zinnelijke en 
mystieke liefde zijn er onscheidbaar in verbonden. 
Voornaamste dichter dier liefdesliederen is Tsjandi 
Das (15e eeuw). Hymnen aan Doerga vooral 
van Moekoendaram Kawikangkam „de parel der 
zangers” (16e eeuw 7 ) en Ram Prasad (1718 — 1775). 
In de 19e eeuw kwam onder invloed der Engelsche 
literatuur een groote opbloei in allerlei genres, terwijl 
de Westersche Sanskrit-beoefening voor anderen 
een stimulans was, zich die literatuur opnieuw tot 
voorbeeld te nemen. Op de ontwikkeling van het 
Bengaalsehe proza had Rammohoen Roy (1774—1833), 
de stichter van de > Brahma-Samadj , grooten invloed. 
De zoon van een zijner aanhangers werd Bengalen ’s 
grootste dichter en winnaar van den Nobelprijs: 
Rabindranath Tagore (* 1861). In zijn werken, in vele 
talen vertaald, leeft de geest van de Brahma-Samadj 
voort; monisme en theïsme, oud-lndische wijsheid 
en moderne ideeën worden er verbonden. Zeer populair 
was ook de tot het Christendom bekeerde dichter 
Madhoe Soedan. 

L i t. : Dinesh Chandra Sen, History of Bengal 
Language and Litcrature (1911). Zoetmulder. 

Bcngaalseh gras (P a n i c u m maxi- 
mum) is een voedergras, dat in alle tropische landen 
geteeld wordt, doch afkomstig is uit Afrika. Op Java 
kan een goed geslaagde aanplant drie a vier mnd. na 
het uitplanten voor het eerst worden gesneden, en 
vervolgens om de een a twee mnd. Voor weidegras is 
b. g. op Java onbruikbaar w r egens zijn groei in pollen. 

De voedingswaarde als snijgras is zeer belangrijk. 
B. g. w 7 ordt zoowel door paarden als door runderen 
gaarne gegeten. 

Botanisch behoort het tot de fam. der Gramineae. 

Dijkstra. 


Bengaalsch vuur wordt gebruikt om groote 
ruimten tijdelijk sterk te verlichten. Voor de bereiding 
bestaan verschillende recepten, maar gewoonlijk is het 
samengesteld uit salpeter, zwavel, houtskool en zwa- 
velantimoon. Voor kleuren van het licht kan men 
verschillende zouten, o.a. koper-, strontium- en bari- 
um verbindingen, voor respectievelijk blauw, rood en 
groen licht, toevoegen. Eoogeveen. 

Bengalen (eig. Banggala, <( Sanskr. Wangga), 
rovincie in het N.O. van Voor-Indië (25° 0' N., 
9° 30' O.), opp. zes maal Ned., 46 raillioen inw. B. 
bestaat uit 1° Beneden-Bengalen, het deltagebied 
van Ganges en Brahmapoetra met vruchtbaren leem- 
bodem, tropisch klimaat en dichte bevolking. Naar het 
O. en W. overgaand in het heuvel- en rivierlandschap 
van de Sandarbans, met dichte oerwouden begroeid, 
w T aarin de sandri-boom voor den scheepsbouw zeer 
wordt gewaardeerd. 2° Boven-Bengalen, smaller vlak 
land, dat zich 10—20 m boven de rivieren verheft en 
niet meer overstroomd wordt. Bevloeiingskanalen. 
De bevolking, 45 millioen, spreekt een eigen taal. > 
Bengaalsehe taal- en letterkunde. Ruim de helft is 
Mohammedaansch, ruim 40% Hindoes. Hoofdmid- 
delen van bestaan: landbouw (rijst, jute, oliezaden, 
tarwe, gerst, erwten, suikerriet), daarnaast teelt van 
buffels en zeboes. 

Vanaf de 14e eeuw tot 1765 werd Bengalen over- 
heerscht door Mohammedaansche vorsten; in 1634 
begonnen de Engclschen er handel te drijven. In 1765 
werd Bengalen door den grootmogol aan de Eng. Oost- 
Indische Compagnie afgestaan. Van Bengalen is 
afgeleid het woord bungalow. 

L i t. : Barton, Bengal (Londen 1874) ; Dalton, 
Descriptie ethnology of Bengal (Calcutta 1879) ; Prisley, 
Tribes and Castes of Bengal (Londen 1902) ; Murray, 
Handbook of the Bengal Presidency Department of 
Agriculture. Yearly Reports. G. de Vries. 

Reeds in de zeer oude tijden maakt, naar het schijnt, 
het land der Banga ’s of Vanga ’s, d.i. oorspronkelijk 
de delta van de Gangesmonding, deel uit van Arisch 
Indiö en deelt in de lotgevallen van de elkaar opvol- 
gende rijken der Maurya’s en Gupta’s, die te Patali- 
poetra (heden Patna) hun hoofdstad hebben. Nochtans 
wijst de gelaatskleur en het type der bevolking in dien 
uitersten hoek van de Indische wereld op kruising met 
elementen van Tibetaansche of Birmaansche afstam- 
ming, terwijl Chota-Nagpore, dat thans tot B. gerekend 
wordt, taalkundig tot de groep der Moenda-talen 
behoort. Het verdrag van 1765, waardoor B. met 
Bihar en Orissa onder het beheer der East India Com- 
pany kwam, en het dorp Calcutta een stad werd, be- 
teekent voor B. een nieuwe periode, waarin deze 
streek, vooral op geestelijk en cultureel gebied, de 
leidende rol in Indië begint te vervullen. 

L i t. : Vincent A. Smith, Early History of India 
Oxford 4 1924). Mansion . 

Bengawan, naam van nog onzekere herkomst, 
die in het Javaansche taalgebied gegeven wordt aan 
de voornaamste rivier van een streek, ook wel aan 
binnenzeeën. Thans verstaat men er vooral de Solo- 
rivier onder. Berg. 

Bengkalis, 1° hoofdpiaats van de gelijknamige 
afd. van het gouv. Oostkust van Sumatra, mondings- 
stad der Siakrivier. 

2° Het Noordelijkste eiland van de Brouwers- 
archipel (1° 31' N., 102° 8' O.). Veel troeboekvisscherij 
en aanplant van sago en pinangpalmen. B. levert 
verschillende houtsoorten. v. Vroonhoven . 


567 


Beng Mealea — Benin-kunst 


568 


Beng Mealea is een groote tempelaanleg der 
Khmer, gelegen ong. 35 km ten Oosten van Angkor 
Wat (Cambodja). De bouwwijze komt sterk overeen 
met die van Angkor, alleen de gaanderijen die het 
middenstuk omsluiten zijn vlak en gaan niet in ter- 
rassen omhoog. Geheel onsymmetrisch liggen aan den 
Zuidkant van de buitenste gaanderij twee betrekkelijk 
mime gebouwen. 

L i t. : De Beylie, L’architecture hindoue en Extrême- 
Orient (1907) ; Maspero, L’empire Khmer (z.j.) ; Aymo- 
nier, Le Cambodge (z.j.). Knipping. 

Benguclla-stroom of Zuid-Afrikaansche 
Stroom is een aftakking van de Westenwundendrift 
(> Atlantische Oceaan). Het is een koude stroom; 
snelheid gewoonlijk ca. 12 mijl, zelden boven 30 mijl 
per etmaal. 

Beni, 1° rivier in Bolivia (rep. in Z. Amerika), 
één der hoofdbronrivieren van de Madeira ; ontspringt 
in O. Cordilleren van Bolivia, en vereenigt zich bij 
Villa Bel la met de Mamore tot de Madeira; 1 200 km 
lang, 2/3 bevaarbaar. 

2° Departement van Bolivia, opp. 247 000 
km 2 , 63 000 inw. Hoofdstad Trinidad. Het apost. vic., 
opgericht 1917, telt 65 000 Kath. (5/6 der bevolking). 

Boni (H. G u s t a v u s), plaats in de Oostelijke 
provincie van Belg. Kongo; aan den linkeroever van 
de Semliki; administratief en handelscentrum. 

Missie der pp. Assumptionisten, apost. vicariaat 
Stanley -stad. Volksstammen Wanande, Bashoe en 
Wamboeti (dwergen). Ongeveer 110 000 inwoners. 
Gesticht in 1906 door de Priesters van het H. Hart; 
overgenomen door de pp. Assumptionisten ten jare 
1929. Gedoopten (1932): ca. 2 000. Missie door slaap- 
ziekte zeer geteisterd. Vanneste . 

Benicarló, slecht beschutte haven aan de Middel- 
landsche Zee in Spanje (40° 25' N., 0° 25' O.). 
Uitvoer van rooden wijn, die in de omgeving verbouw T d 
wordt. 7 200 inw. (Kath.). 

Benigna Consolafa, > Ferrero. 

Benigmis, Heilige, patroon van Dijon, volgens 
een onbetrouwbare legende uit de 6e eeuw afkomstig 
uit Klein -Azië en leerling van den II. Polycarpus, 
geloofsverkondiger in Bourgondië en gemarteld onder 
Aurelianus. 

Reeds vóór de 6e eeuw w T erd B. als martelaar ver- 
eerd. Feestdag 1 Nov. Boven zijn graf verhief zich een 
basiliek en het klooster Saint-Bénigne. «7. van Rooij. 

Beni Hasan (D z j e b e 1 B. H.), plaats in 
Egypte, ten N. van Amarna. B. H. is beroemd om 
zijn rijk gedecoreerde Egyptische graven; opgravingen 
1890 en vlg.; 1902— ’04. 

Lit. : Percy E. Newberry e.a., Beni Hasan (4 dln. 
Londen 1893—1900, Arch. Survey of Egypt. 1-2. 5.7.) ; 
J. Garstang, The Burial Customs of Ancient Egypt 
(Londen 1907). Simons. 

Bciiincasa, een geslacht van de familie der 
Cucurbitaceae, met 2 soorten; Z. Azië. De vruchten 
worden o.a. gebruikt als geneesmiddel tegen hoest en 
koorts. 

Benincasa, 1° Johannes, Zalige; * 1376 
te Florence, f 9 Mei 1426. B. trad te Montepulciano 
in de orde der Servieten, maar zocht later een meer 
eenzame plaats op. Hij stierf als kluizenaar na een 
leven rijk aan versterving. Zijn vereering werd in 1829 
door Pius VIII bevestigd. Feestdag 11 Mei. 

2° U r s u 1 a, Eerbiedwaardige, mystieke en 
stichteres van twee Congregaties van Theatinessen; 

* 20 Oct. 1547 te Napels, f 20 Oct. 1618 aldaar. Reeds 


op jeugdigen leeftijd werd zij op zichtbare wijze rijk 
begenadigd en trok zich, om de nieuwsgierigheid van 
het volk te ontloopen, als kluizenaarster terug op den 
Sant’Elmo bij Napels, waar in 1581 een kerk gebouwd 
w T erd, de bakermat der tw r ee congregaties. Door een 
inwendige stem aangespoord ging zij als „Godsgezant” 
in 1582 naar Rome en legde den paus een grootsch 
opgezet heivormingsplan voor. In opdracht van 
Gregorius XIII en onder leiding van kardinaal Santoris 
werd de echtheid en geloofwaardigheid harer zending 
zeven maanden lang nauw r keurig door Philippus 
Neri onderzocht. Van alle verdenking gerechtvaardigd 
keerde zij naar Napels terug en ontving veel vooraan- 
staande tijdgenooten, o.a. Baron ius. Zij w T as in haar 
mystiek zoowel als in haar hervormingsideeën een 
tweede Catharina van Siëna, had echter geen succes. 

Lit.: Heimbücher (*III, 268 vlg.). J. van Rooij . 

Bening, 1° Alexander, Vlaamsch boek- 
verluchter, f 1619; w r erd in 1469 lid van het schilders- 
gilde te Gent en in 1486 van dat van Brugge. 

2° L i v i n a, Vlaamsch boekver luchtster, dochter 
van Simon, was vooral werkzaam aan het hof van den 
Engelschen koning Hendrik VIII (na 1545 voorgoed), 
f waarschijnlijk te Londen. 

3° Paul, boekverluchter, tweede zoon van 
Alexander. 

4° Simon, schilder en verluchter, * 1483 te 
Gent, f 1561 te Brugge; oudste zoon van Alexander, 
w T erd in 1508 ingelijfd in het St. Jans- en St. Lucas- 
gilde te^ Brugge. Knipping . 

Beninga , S i c k e, ook B c n n i n g e, kro- 
niekschrijver, geb. in de prov. Groningen; bekleedde 
in het begin der 16e eeuw verschillende ambten in het 
stadsbestuur van Groningen. Zijn Kroniek behan- 
delt de geschiedenis van Friesl. en Gron. tot 1528; 
vooral het laatste gedeelte heeft groote waarde. 

Lit.: Brouërius van Nidek in zijn „Analecta medii 
aevi” ; J. A. Feith in Werken v. h. Hist. Gen. N.S. (1887, 
nr. 48). Ydema. 

Bcnini , Ferruccio, acteur, * 1864 te Genua, 
f 29 Febr. 1916. Speelde in 1866 te Venetië voor het 
eerst een kinderrolletje en had met een patriottische 
tirade een gew T eldig succes. Na veel moeite w r erd B. 
echter eerst op lateren leeftijd ertoe overgehaald 
acteur te worden, en wel door den blijspeldichter 
Giacinto Gallina. 

Hij trad eerst op te Venetië in het gezelschap van 
diens broer Enrico Gallina en stichtte vervolgens 
een eigen troepje, waartoe ook zijn eigen zuster behoor- 
de. B. had zijn uiterlijk tegen: hij w 7 as klein en gedron- 
gen en hoog in de schouders, wist echter allen, en de 
meer ontwikkelden in de eerste plaats, te ontroeren 
door de verfijndheid van zijn spel. Hij was w T ars van 
alle effectbejag en trof juist door zijn ontzaglijke 
soberheid, waardoor al zijn gestalten groote levens- 
waarheid kregen. Zijn voorliefde ging uit naar stukken 
van Goldoni en Giacinto Gallina. v. Thienen . 

Benin-kunst is de Afrikaansche kunst (brons- 
gietkunst, houtsnij- en ivoorkunst) uit het oude rijk 
Benin, alsook van de Goudkust, den bovenloop van 
den Niger tot in het hoogland van Adamaua. Vooral 
sinds de Engelschen in 1897 de stad Benin veroverden, 
is de belangstelling voor deze kunst in Europa gaande 
gemaakt. Met name de musea van Londen en de 
Duitsche musea hebben heele collecties gegoten en 
geciseleerd Benin -brons weten aan te leggen. Ook 
het Museum voor Volkenkunde in Leiden bezit merk- 
waardige exemplaren. Frobenius meende in deze kunst 


569 


Beni Salome — Benkoelen 


570 


een vervallen oud-Klassieke kunst van N. Afrika te 
zien; door anderen is korten tijd beweerd, dat ze eerst 
laat onder Europeeschen invloed ontstaan is, doch Von 

Luschan toonde aan 
1° dat zelfs de vroeg- 
ste gegevens dezer 
kunst veel dichter bij 
haar bloeiperiode te 
plaatsen waren, d.i. 
zeker na het jaar 1000 
onzer jaartelling en 
2° dat het bewerken 
van brons reeds lang 
voor den Europee- 
schen invloed bekend 
was, dat echter vooral 
door het verkeer met 
de Portugeezen (sinds 
1472) de techniek ver- 
volmaakt is. Men kan 
de ontwikkeling al- 
dus voorstellen: 1° 

archaïsche tijd van 
ong. midden 12e eeuw 
tot ong. 1350; 2° 
overgangsperiode van 
ong. 1360 tot 1500 ; 3° bloeitijdperk vanlöOO tot 
einde 17e eeuw (1691); 4° tijd van verval na 1691. 

Het zijn vooral sieraden, die de aandacht trekken: 
armringen, bellen, pijpenkoppen, vaatwerk, handvaten 
voor zwaarden, enz. De gegevens zijn veelal dieren: 
luipaarden, hanen, slangenkoppen, doch ook bronzen 
portretkoppen en groepeeringen van menschelijke 
gestalten zijn niet zeldzaam. Het contact met de Euro- 
peanen blijkt uit de vele voorstellingen van menschen- 
figuren in Europeesche kleeder- en baarddracht, uit 
de bloei-periode dezer kunst. Bij het bronsgieten paste 
men reeds in de vroegste tijden de zgn. cire- 
p e r d u e - methode toe : op een kern van vast- 
gestampt zand wordt een waslaag gemodelleerd ; 
deze wordt met een leemen mantel omgeven, de was 
wordt eruit gesmolten en in plaats daarvan komt de 
bronspap; dan slaat men den leemmantel stuk en 
werkt het gietsel door ciseleeren en polijsten verder af. 
Het ivoor wordt vooral gebezigd voor lepels, kistjes, 
armmanchetten en bekers, doch niet zelden laat men 
ook den tand in zijn geheel en snijdt hem ornamentiek 
uit. 

L i t. : Pitt Rivers, Antique works of Art from B. 
(1900) ; Crahmer, Ueber den indo-portugiesischen Ur- 
sprung der Benin-Kunst in : Globus (XXXXV 1909) ; 
Marquart, Die Benin-Sammlung des Reichsmuseums 
für Völkerkunde in Leiden (1913) ; F. von Luschan, Die 
Altertümer von B. (3 dln. 1919) ; C. Einstein, Afrik. 
Plastik (VII v. Orbis pictus, 1921) ; Frobenius, Das un- 
bekannte Afrika (1923) ; Struck, Zur Chronologie der 
Benin-Altertümer in Zeitschr. fiir Ethnographie (1923 
nr. 5/6) ; Talbot, The peoples of Southern Nigeria 
(1926). Knipping. 

Bcni Salome, in de Westdelta van den Nijl. 
Bekend om de opgravingen onder leiding van H. 
Junker (sedert 1928) uit den jongeren steentijd in 
Egypte (5000 v. Chr.). 

Benjamin, 1° jongste zoon van Jacob, hem 
geschonken door Rachel op den weg van Bethel naar 
Ephrata. Stervende noemde zij hem Benoni (zoon van 
mijn smart), maar Jacob veranderde zijn naam in B. 
[zoon van (mijn) geluk]. Met Joseph was B. de lieve- 
ling van Jacob, die hem dan ook zeer ongaarne met 


zijn broeders naar Egypte liet vertrekken (Gen. 42.4.36; 
43.14). 

2° De stam B. kreeg zijn gebied tusschen de 
stammen Dan, Juda, Ephraim en den Jordaan (Jos. 
18.12-20). Onder den rechter Aod streed hij tegen de 
Moabieten (Jud. 3.12-30), onder Debbora en Barac 
tegen de Kanaanieten (Jud. 5.14). De misdaad der 
Gabaonieten (Jud. 19.22-28) gaf aanleiding tot den 
broederkrijg tusschen B. en de andere stammen, die 
met den bijna algeheelen ondergang van B. eindigde. 
Daar men den stam niet wilde laten uitsterven en de 
overige stammen gezworen hadden, hun dochters niet 
meer aan de Benjaminieten uit te huwelijken, kregen 
de 600 overblijvenden 400 meisjes uit de stad Jabes, 
en gaf men hun verlof nog 200 meisjes te rooven uit 
de stad Silo (Jud. 19-20). Onder Saul, die een Benja- 
miniet was, kwam de stam B. weer tot aanzien en 
invloed. Na Saul’s dood bleef B. trouw aan diens zoon 
Isboseth, maar onderwierp zich ten slotte, door toe- 
doen van den veldheer Abner, aan David (2 Reg. 3.9 
vlg.). Keuters . 

Benjamin, R e n é, Fransch schijver van ro- 
mans, tooneelspelen en essays, die met caricaturalen 
spot de sporen van Voltaire en Renan in het geestelijk 
leven van Frankrijk (vooral in de Sorbonne) vervol- 
gen, en ijveren voor de ideeën van de > A c t i o n 
F r a n (; a i s e. Zijn bijtende blijspelen kwamen in 
Copean’s Théatre du vieux colombier op de planken. 
* 1885 te Parijs. 

Werken: Les justices de paix de Paris (1913) ; 
Gaspard (1915) ; Grandgajou (1918) ; La farce de la 
Sorbonne (1921) ; Le palais et les gens de justice (1923) ; 
Valentine ou la folie démocratique (1924) ; Antoine 
déchainé (1923) ; La Cour d’assises, ses pompes et ses 
oeuvres (1928) ; Le soliloque de M. Barrès (1929) ; 
Clémenceau dans la retraite (1930). Baur. 

Benjamin van Tudela (koninkrijk Navarra), 
Oostenreiziger uit 12e eeuw, die zijn bevindingen te 
boek stelde in zijn Hebreeuwsch geschrift „Massaot 
schel Rabbi Benjamin” (Reizen van Rabbi Benjamin). 
Wat uit dit werk bewaard is, biedt kostbare gegevens, 
vooral voor de kennis van ’t middeleeuwsche Palestina 
en van het toenmalige Jodendom in Oost en West. 
B. v. T. drong op zijn tocht door tot in het hart van 
Arabië en doorkruiste heel Mesopotamië. Van de vele 
uitgaven van zijn geschrift is thans de beste (Engelsch, 
Hebr. en comment.): M. N. Adler, The Itinerary of 
Benj. of Tudela (Londen 1907). Simons. 

Bcnjoar of Raidjoea, klein eilandje in de 
onderafd. Roté, ten Z. van Timor (N.O.I.). 

Bcnkcndorf, > Benckendorff. 

Benkoelen, res. aan de Westkust van Sumatra, 
in 1825 onder Ncd. bestuur gekomen bij het tractaat 
van Londen. In 1930: 322 619 zielen, waaronder 
315 813 Jnl. In het Z. komen veel Lampongers voor 
en in het N. M nangkabauers. De Oostelijke afsluiting 
wordt gevormd door het Bar isan -gebergte. Langs de 
kust een laagvlakte met veel land- en zeewinden. De 
landbouw is nog weinig ontwikkeld. De rijstbouw heeft 
hoofdzakelijk plaats op ladangs (droge velden), doch de 
sawahbouw neemt toe. De vroegere pepercultuur is 
sterk achteruitgegaan. Andere producten zijn: koffie, 
tabak, pinang en copra, terwijl er ook reeds rubber 
en kinacultures zijn. De veeteelt is naast doii landbouw 
van zeer veel belang. Ook boschproducten worden 
ingezameld en verhandeld. Voor den mijnbouw is 
Redjang Lebong het centrum (goud). De arbeid in de 
goudmijnen wordt verricht door contract-koelies 



Bronsplastiek uit Benin. 


571 


Benkvoort — Benno II 


572 


(Javanen, Soendaneezen en Chineezen). De economi- 
sche ontwikkeling wordt ernstig belemmerd door het 
gebrek aan verkeerswegen. De bevolking is zeer ge- 
mengd en woont in hoofdzaak langs de Westkust. 

v. Vroonhoven. 

Beukvoort, Antonius Joseph, Min- 
derbroeder. Gedurende vele jaren bekend retraite- en 
missieprediker; * 1829 te Diemerbrug, f 1908 te Megen. 

Benlliure y Gil , José, Spaansch schilder. 
* 1855 te Canameras de Valencia; leeft in Madrid. 
Op 24-jarigen leeftijd vestigde hij zich in Rome; zijn 
groote faam verwierf hij na de expositie van zijn doek 
„Het Visioen van het Coliseum” (1887). Zijn beide 
broers Juan Antonioen Mariano zijn 
meer genreschilders. 

Voorn, werken: Golgotha (in Albacete) ; Rust 
gedurende den marsch (Museo Moderno in Madrid) ; 
Meimaand te Valencia (Neue Pinakothek, München) ; 
Mis van S. Dominicus. — L i t. : E. Tormo Levante, 
Provincias valencianes y murcianes (1923). Knipping. 

Ben Mac Dliui, bergtop in de Schotsche hoog- 
landen, graafschap Aberdeen (57° 4' N., 3° 39' W.), 

1 435 m hoog. 

Ben More, naam van verschillende bergtoppen 
in Schotland, o.a. op het eiland Muil (66° 24' N., 
6° 2' W.), 970 m hoog, en in het graafschap Suther- 
land (58° 7' N., 4° 6r W.), 1 000 m hoog. 

Beun, Gottfried, Duitsch dichter van de 
> expressionistische richting (Fleisch, 1917) en schrij- 
ver van verhalen, waarin de medicus B. graag verwijlt 
bij ongure beelden van ziekte en verval. * 2 Mei 1886 
te Mannsfeld. 

Werken: Gesammelte Schriften (Berlijn 1922 
vlg.) ; Gesammelte Gedichte (1927) ; Fazit der Perspek- 
tivcn (1930).** |p* ► Baur. 

_Benna, Gallische wagen; Fr. benne, banne. 

Benndorf, O tt o, archeoloog, * 13 Sept. 1838 
in Greiz, f 2 Jan. 1907; 1877 professor te Weenen, 
sinds 1881 bekend als leider van archeologische 
expedities naar de Zuidkust van Klein -Azië; 1898 
directeur van het Archeologisch Instituut te Weenen. 

Werken: Die antiken Bildwerke des Lateranischen 
Museums (samen met Schöne, 1867) ; Griech. und Sizil. 
Vasenbilder (1869 — *83) ; Reisen im südwcstl. Kleinasien, 
Reisen in Lykien und Kanen (1884) ; Heroon von Giöl- 
baschi (1889) ; Monument von Adamklissi (1895). 

W. Vermeulen. 

Bcnncbrock, gem. en dorp in de prov. N.H., 
ten Z. van Haarlem, op den geestgrond, aan de spoorlijn 
Haarlem — Leiden. Opp. 175 ha. Op 1 Jan. 1933: 

2 250 inw., waarvan 50% Kath. De parochie B. telt 
1 600 communicanten. Moederhuis van de Religieuzen 
Penitenten der Derde Orde van den H. Vader Fran- 
ciscus: klooster St. Lucia. Voornaamste middelen 
van bestaan: tuinbouw, speciaal bollenteelt. 

tan der Meer. 

Benncnbroek, S i m o n, Minderbroeder. * 1864 
te Someren (N.Br.); ijverde als provinciaal der Neder - 
landsche Minderbroeders gedurende de jaren 1910-1916, 
1919-1925, voor den steeds hoogeren bloei der 
provincie. Thans (1933) pastoor te Oudewater. 

Bennet, sir William Sterndale, 
de eerste componist sedert Purcell, die een nationalen 
Engelschen stijl wist te bereiken. * 13 April 1816 te 
Sheffield, f 1 Febr. 1875 te Londen. Schreef 4 piano- 
concerten (een in d speelde B. Mendelssohn voor, die 
er zijn bewondering over uitsprak), 4 ouvertures, 
symphonische muziek (o.a. muziek bij Sophocles* 
Ajax), cantates en kamermuziek. Reeser . 



Bennett, 1° Enoch Arnold, populair 
Eng. romanschrijver. * 1867, f 1931. Zoon van een 
advocaat uit het pottenbakkersgebied v. Staffordshire, 
journalist tot 1900; woonde daarna meestentijds in 
Frankrijk, waar hij een Frangaise huwde, en in Lon- 
den; werd romanschrijver van beroep met sterk jour- 
nalistieken inslag. Van zijn ongeveer 60 romans en 
andere werken 


hebben slechts en- 
kele letterkundige 
waarde, vooral 
die, waarin hij 
het leven van zijn 
geboortestreek be- 
schrijft, de zgn. 

Five Towns, een 
conglomeraat van 
industriesteden, 
bestaande uit : 

Newcastle-under 
Lyme, Stoke, 

Longton, Burslem 
en Tunstall. Hier 
is hij de meester 

in het nauwkeurig E . A Bennett. 

humoristisch be- 
schrijven van nauwkeurig en liefdevol waargenomen 
mentaliteit en atmosfeer van het kleinburgerlijke 
leven. Van minder belang zijn de schilderingen van 
het mondaine leven in Londen. 


Voorn, romans: Anna of the Five Towns (1902); 
The Grand Babylon Hotel (1902) ; Tales of the Five 
Towns (1905) ; The Grim Smile of the Five Towns (1907) ; 
Buried Alive (1908) ; The Old Wives’ Tale (1908) ; de 
trilogie : Clayhanger, Hilda Lessways en These Twain 
(1910 — *16); The Pretty Lady (1918): Riceyman Stept 
(1923). — L i t. : L. G. Johnson, A. B. of the Five 
Towns (1924) ; B. Fehr in : Anglia Beiblatt (1925) ; 
Fl. Delattre in Rev. Anglo-Amer. (1926) ; W. L. Cross 
in : Four Contemporary Novelists (1930) ; G. West, The 
Problem of A. B. (1932). Pompen. 

2° James Gordon, Amer. bevorderaar der 
luchtvaart. * 10 Mei 1841 te New York, f 14 Mei 1918 
bij Nice. Hij volgde zijn vader op als eigenaar en leider 
van de New York Herald. Hij zond Stanley uit naar 
centraal Afrika om Livingstone op te sporen; ook de 
Noordpool-expeditie van de „Jeannette” onder G. W. 
de Long, welke in 1879 de Vega zou gaan zoeken, werd 
door hem gefinancierd. Tevens is hij bekend als be- 
vorderaar van automobielsport. Naar hem zijn ge- 
noemd de Gordon -Bennett luchtballon -wedstrijden. 

de Visser. 

Ben INevIs, bergtop in de Schotsche hooglanden 
(66° 48' N., 5° W.), hoogste top van Groot-Brittannië, 
1465 m. 


Bennigsen, Levin graaf von, Rus- 
sisch generaal. * 10 Febr. 1745, f 3 Oct. 1826. B. was 
betrokken in den moord op Paul I in 1801, hij werd in 
1807 opperbevelhebber tegen Napoleon, leverde op 8 
Febr. 1807 den onbeslist gebleven slag bij Eylau, 
doch werd op 14 Juni bij Friedland verslagen. 

v. Voorst. 

Benniidac, > Slijmvissehen. 

Bonn in y broek, dorp in de Noord -Holl. gem. 
Zijbekarspel, aan de spoorlijn Hoorn -Medemblik. 

Benno II, bisschop van Osnabrück, Zalige; * te 
Böhningen in Zwaben, f 12 Juli 1088 te Iburg. B. 
was een bekend kerkvorst uit de 11e eeuw, handig 
diplomaat en uitstekend bouwkundige. 


573 


/ 


Benno van Meiszen — Benoit 


574 


L i t. : G. Winter, Stand der Forschung über die 
B.frage in Mitt. des hist. Vereins für Osn. (XXVIII 

1904, 293-306) ; J. Hindenberg, B. II als Architekt 

(Straatsburg 1921). J. van Rooij. 

Benno van Meiszen, Heilige, Benedictijn, 
* 1010, f 1106. Is als bisschop van Meiszen in een zeer 
scherp conflict gekomen met Hendrik IV; werd ge- 
vangen genomen en af gezet, later echter wederom in 
zijn ambt hersteld. Vooral bekend als „Slavenapostel” 
onder de Sorben. B. is patroon van München en Beie- 
ren. 

L i t. : Lex. Theol. Kirche (II, 172 vlg.). 

Voorstelling in de kunst als ge- 
mijterde bisschop met staf. In de hand draagt hij een 
boek, waarop een visch ligt, die een paar sleutels in 
den bek draagt. Dit herinnert aan zijn strijd met 
Hendrik IV. Toen deze in de kathedraal van Meiszen 
wilde, hoewel de bisschop hem in den ban had ge- 
daan, sloot deze de deuren, wierp de sleutels in de 
Elbe en ging in ballingschap naar Rome. In zijn 
ambt hersteld, liet hij een visscher het net uitwerpen, 
die een visch ophaalde met de sleutels in den bek. 

L i t. : Klein, St. Benno (1904). 

Benoa, voornaamste haven en uitvoerplaats van 
Z.Bali. > Bali. 

Benoembaarheid (N e d. Recht). Art. 6 
der Grondwet bepaalt, dat ieder Nederlander tot elke 
landsbediening benoembaar is, terwijl hiertoe geen 
vreemdeling benoembaar is, dan volgens de bepalingen 
der wet. Men zou verwachten, dat de hierbedoelde wet 
de gevallen zou regelen waarin, en de voorwaarden 
waaronder vreemdelingen tot een landsbediening 
kunnen worden benoemd. Bedoelde wet evenwel (van 
4 Juni 1868, Stbl. 46) somt de betrekkingen op, waartoe 
vreemdelingen benoembaar zijn: o.a. consul, consulair 
agent, kanselier, hoogleeraar, leeraar, enz. 

In art. 170 der Grondwet wordt hetzelfde beginsel 
uitgesproken als in art. 6. Volgens art. 170 mag er 
t.a.v. het bekleeden van waardigheden, ambten en 
bedieningen geen onderscheid worden gemaakt in 
verband met godsdienstige gezindte. Stoer. 

Benoeming (k e r k e 1 ij k), > Ambtsver- 

leening ; (van o n de r w T ij z e r s), > Onderwijzer. 

Bcnois, Alexander Nikolajewitsj, 
Russ. hist. schilder. * 1870 te Petersburg. Studeerde 
aanvankelijk in de rechten, oefende zich daarbij door 
zelfstudie in het schilderen en teekenen en ging van 
1897—1899 in Parijs werken. Hij schilderde bij voor- 
keur hist. onderwerpen en genretaiereelen uit den tijd 
van Catharina II en Lodewijk XIV. Maakte aquarellen 
en enkele illustraties en was ook schrijver van kunst- 
hist. opstellen en critieken. 

L i t. : Bénézit, Dict. gén. des peintres. de Stuers. 

Bcnoist, 1° Charles, Fransch politiek 
schrijver en diplomaat, * 1861 te Courseulles. Eerst 
redacteur van de Temps, politiek redacteur van de 
Revue des deux Mondes; wijdde zich daarna aan de 
politiek. Buitengewoon gezant en gevolmachtigd 
minister van Frankrijk in Den Haag van 1920 tot 
1924, en bij den paus in 1924. 

Werken: Essais historiques sur le 14e siècle (1886); 
La Politique (1894) ; L’organisation du travail (2 dln. 

1905, 1914) ; Les Nouvelles Frontières de 1’A.llemagne 
et la Nouvelle Carte d’Europe (1920) ; Lois de la politique 
francaise (1927). 

2° E u g è n e, klass. philoloog, prof. in Latijn 
te Parijs. Hij bestudeerde vooral Lucretius en Ver- 
gilius. * 188Ï te Nangis, f 1887 te Parijs. 

Benoist -schaal, een apparaat om de hardheid 


van röntgenstralen te schatten. Een dunne zilveren 
schijf van ongeveer 0,1 mm dik is omringd door 12 
aluminium sectoren met stijgende dikte van 1 tot 
12 mm. Op een fluoresceerend scherm, dat dóór dit 
apparaat heen bestraald wordt, vindt men één sector, 
waarvan de belichting dezelfde is als die van de mid- 
denschijf. De dikte van dezen sector geeft een ruwe 
aanduiding voor de hardheid van de röntgenstralen 
en hun geschiktheid om bepaalde lichaamsdeelen te 
doorstralen. De Smcdt. 

Benoit, 1° Peter Leonard Leopold, 
Vlaarasch componist, * 17 Aug. 1834 te Harelbeke 
(W.VL), f 8 Maart 1901 te Antwerpen; studeerde 
aan het conservato- 
rium te Brussel; prix 
de Rome in 1857. 

Gedurende een stu- 
diereis in Duitsch- 
land dient hij bij de 
Brusselsche acade- 
mie een brochure in : 

De Vlaamsche Mu- 
ziekschool en haar 
Toekomst. Begeeft 
zich in 1861 naar 
Parijs, waar hij er 
niet in slaagt een 
opera, „Le roi des 
Aulnes”, door het 
Théatre Lyrique te 
doen aanvaarden en 
het ambt bekleedt 
van orkestdirigent der Bouffes Parisiens. Teruggekeerd 
in zijn vaderland, laat hij er in 1866 een groot oratorium 
op VI. tekst: „Lucifer”, uitvoeren, waarmede hij het door 
hem voorgestane VI. beginsel doet triomfeeren. In 
1867 bestuurder der VI. muziekschool te Antwerpen, 
welke in 1897 het K. VI. Conserv. zou worden. B. 
wordt de leider der Vlaamsch-Nationale kunstrichting ; 
zijn werk is de beste illustratie zijner theorieën. Zij 
vertoonen onmiskenbaar die karaktertrekken, welke 
den VI. volksaard eigen zijn; zij zijn spontaan, onbe- 
dwongen, geestdriftig tot uitbundigheid toe, met 
een opmerkelijke voorliefde voor hooge kleur, schit- 
tering en grootschheid, die aan geestesverwantschap 
met Rubens doen denken. B. is de geniaalste vertegen- 
woordiger van het Romantisme in België. 

Werken: o.m. Te Deum (1863) ; Requiem (1863) ; 
opera’s : Het Dorp in ’t Gebergte, Isa (1867), Pompeia 
(1896) ; oratoria : Lucifer (1866), De Schelde, Drama 
Christi, De Oorlog (1873) ; De Maaiers (symphonie met 
koren) ; tooncelmuziek voor Charlotte Corday (1877), 
Willem de Zwijger (1876) ; cantaten : Rubens-cantate 
(1877), Antwerpen (1877), De Muze der Geschiedenis 
(1880), De Rijn (1889), De Leie, Feestzang ; een 
klavierconcerto ; een concerto voor fluit ; liederen : 
o.m. Mijn Moederspraak ; klavierstukken : sagen en 
balladen ; motetten, een mis, enz. Publicaties : De VI. 
Muziekschool van Antwerpen ; Verhandeling over de 
Nationale Toonkunde ; De Muzikale Opvoeding in 
België ; Het Droombeeld eener muzikale Wereldkunst ; 
De Oorsprong van het Cosmopolitisme in de muziek ; 
Onze Muzikale Beweging op dramatisch gebied ; Een 
Koninklijk VI. Conservatorium te Antwerpen ; Onze 
Nederlandsche muzikale Eenheid ; Brieven over Noord- 
Nederland. — L i t. : Eeckhoud, P. B. ; Stoffels, P. B. 
(1901) ; Gittens, P. B. (Nouvelle Revue internationale 
1901-1902) ; Sabbe, In memoriam P. B. (1902) ; Blockx, 
P. B. (1904); Herman Baccaert, P.B. 

E. V. d. Velde . 



575 


Benoit de Sainte-More — Benson 


576 


2° P i e r r e, Fransch romanschrijver in het > 
romaneske genre. * 1886 te Albi. Talentvol begonnen, 
op het spoor van Kipling, Conan Doyle en vooral 
G. H. W< lis, liet B. zich aldra verleiden tot den zeer 
begeerden, maar ook zeer vergankelijken en daaren- 
boven ethisch te veroordeelen prikkelroman. 

Werken: Diadumène (gedichten 1914) ; Koenigs- 
mark (1918) ; L’Atlantide (van plagiaat verdacht ; 1919) ; 
Pour Don Carlos (1920); Les suppliantes (ged. 1920) ; 
Le lac salé (1921); La chaussée des géants en L’oublié 
(1922) ; Mlle. de la Ferté (1923) ; Le puits de Jacob 
(1925) ; Alberte (1926) ; La ch&telaine du Liban (1927) ; 
Axelle (1928). Baur. 

Benoit de Sainte-More, Fransche of Anglo- 
Normandische trouvfre omstr. 1160, aan het hof 
van Hendrik II van Engeland. Vooral bekend om zijn 
groote Roman de Troie; waarschijnlijk ook de schrijver 
van een Chronique des ducs de Normandie (1172 — ’76), 
waarin de Roman du Rou van Wace wordt voortgezet. 
Andere werken zijn zeer onzeker. De Roman de Troie, 
in 30 000 versregels, is een klassieke geschiedenis in 
romantischen vorm, ontleend aan Dictys Cretensis 
Ephemeris Belli Troiani (uit de 4e eeuw) en Daretis 
Phrygii de Exidio Troiae Historia (uit de 5e eeuw). 
Hij is bewaard in 28hss., is in het Latijn bewerkt 
door een hofdichter van keizer Frederik II, Guido 
delle Colonne, in 1287, en is de bron geweest van alle 
latere Troje-romans, ook der Nederlandsche van Jacob 
van Maerlant en Seger Dieregodgaf. Eenige episoden 
eruit hebben Boccaccio en Chaucer en Shakespeare 
geïnspireerd. Pompen. 

Benoy, Pieter Jozef, in de tooneelwereld 
W i 1 1 e m, acteur, * 3 Juni 1882 te Antwerpen, 
leerling van Willem Royaards, sedert 1929 — ’30, 
voor een periode van zes jaar, bestuurder van den Kon. 
Ned. Schouwburg van Antwerpen. Breidt de lijn, 
aangezet door zijn baanbrekenden voorganger dr. 
O. De Gruyter, uit: bijdragen tot den cultuurgroei 
van het Vlaamsche volk door het tooneel; vandaar 
zoo mogelijk klassiek werk als hoofdschotel, vandaar 
ook verruiming van het publiek, wat B. tracht te 
realiseeren veeleer door afwisseling in het repertorium 
dan door het speculeeren op ’s volks laagste instincten. 
Staat niet vijandig tegenover vernieuwing, volgt 
deze echter met wijze omzichtigheid. Voerde zijn 
gezelschap op tot een homogenen en tuchtvollen 
troep, die de vergelijking met befaamde uitheemsche 
troepen vermag te doorstaan. Godelaine. 

Bcnozzo dl Lese, > Gozzoli. 

Benrather linie is een zeer belangrijke isoglosse 
(grens van een klankverschijnsel), zoo genoemd naar 
het plaatsje Benrath ten Zuiden van Düsseldorf. 
Zij vormt de grens tusschen het Neder- en Hoog- 
duitsche taalgebied. Slechts het uiterste Z.O. hoekje 
van Limburg valt binnen de Benrather linie. 

Bensbaeh-rivier, rivier op Nieuw Guinee, 
inlandsche naam Torassi (monding) 9° 10' Z., 141° 
1' 48" O.), in de onderafdeeling Z. Nieuw Guinee, 
residentie Amboina, gouvernement der Molukken 
(N.O.I.). Ontdekt 16 Febr. 1893 door Posthumus 
Meijes en Mac Gregor, die haar den naam van den 
toenmaligen resident van Ternate gaven. In het midden 
der monding aan de Alfoeren-zee begint de grens tus- 
schen het Ned. en Australische gedeelte van Nieuw 
Guinee. De B. stroomt zoo goed als geheel op Austra- 
lisch gebied. Cappers. 

Benschop, gem. in de Loopikerwaard, langs de 
Benschopsche Wetering gebouwd. 1 900 inw., waarvan 


weinig Kath. De gemeente bestaat, zooals alle plaat- 
sen in de Loopikerwaard , van veeteelt en zuivelberei- 
ding, waarnaast eenige landbouw en griendcultuur 
voorkomt. Een bezienswaardigheid is de Ned. Herv. 
kerk (13e eeuw). Akveld. 

Bensdorp, Theodorus Franciscus, 
priester-Redemptorist, * 10 Sept. 1860 te Amsterdam, 
f 2 Dcc. 1917 aldaar; bekend apologeet en ook door 
tegenstanders zeer gewaardeerd polemist, schreef over 
actueele godsdienstige onderwerpen in brochuren, 
tijdschriften en kranten, meestal onder schuilnamen 
als Famulus, F. A. Maaier, M. V. Dirckx. Karakter- 
trekken: scherpe logica, heldere, boeiende redeneer- 
trant, irenische toon, vurige liefde voor de waarheid, 
welwillendheid jegens tegenstanders en actualiteit. 
Vooral schreef hij over het wonder, het feit der open- 
baring, de geschiedkundige waarheid der Evangelie- 
verhalen, het goed recht der Mariavereering, het 
Godsbestaan. Bekendste brochuren: Heeft God werke- 
lijk tot de menschen gesproken? (openbaring); Legende 
of historie? (de Evangeliën); Het Wonder (mogelijk- 
heid, kenbaarheid, werkelijkheid en bewijskracht); 
Waar vinden wij de leer van Christus? (de ware Kerk); 
Maria en de Bijbel. Al zijn apologetische artikelen en 
polemieken (o.a. met dr. A. Kuyper over de „pluri- 
formiteit” der waarheid, en met ds. Bakels en H. Kuy- 
per) werden, evenals de brochuren, uitgegeven in de 
drie deelen Apologetica van Th. F. Bensdorp C.ss.R., 
verzameld en ingeleid door M. Stoks C.ss.R. (1918 — 
1924. 

L i t. : M. Stoks, Leven van Pater Th. Bensdorp (1919). 

Mosmans. 

Benserade, I s a a c de, Fransch modeschrij- 
ver van de > precieuze richting. * Nov. 1613 te Lyons- 
la-Forêt, f 19 Oct. 1691 te Gentilly. Door het hof 
begunstigd om zijn ledige, naar Italiaansche snit vol 
> concetti geknutselde galante lyriek en bal- 
letten, werd hij in zijn tijd voor een aanzienlijk dichter 
gehouden. Zijn sonnet lob, tegen het sonnet 
Uran ia van Voiture uitgespeeld, verwekte 
tusschen de hofkringen en het Hotel de Rambouillet 
in 1649 — ’50 een waren oorlog, la querelle des sonnets, 
waarin Balzac en Comeille o.m. betrokken werden. 

U i t g . : Oct. Uzanne (Parijs 1875). — L i t. : A. Men- 
nung, Der Sonnettenstreit (Leipzig 1899). Baur. 

Benson, 1° Arthur Christopher, 
Engelsch schrijver en geleerde. * 1862, f 1929. Oudste 
zoon van E. W. Benson, Anglic. aartsb. van Canter- 
bury. Studeerde te Cambridge, leeraar te Eton in 1885, 
prof. te Cambridge in 1904. Master of Magdalene 
College in 1915. 

Werken: Poems (1893) ; lyrics (1895) : geschiedenis 
van Eton (1899) ; Life of Archbishop Benson (1899). 
Voor de English Men of Letters : Rossetti (1904), Fitz- 
gerald (1905) en Walter Pater (1906). Verder : From a 
College Window (1906) ; The Altar Fire (1907) ; Ruskin, 
a Study in Personality (1911) ; Hugh, Memoirs of a 
Brother (1914). 

2° Edward Frederic, Eng. romanschrijver. 
* 1867, derde zoon van E. W. Benson, Anglic. aartsb. 
van Canterbury. Heeft archeologische onderzoekingen 
gedaan in Athene en Egypte (1892 — ’95) en veel ge- 
reisd in Algiers, Egypte, Griekenland en Italië. 
Zeer vruchtbaar romanschrijver sedert 1893, vooral 
van het Londensch society-leven. 

Werken: o.a. Dodo (1893) ; Rubicon (1894) ; The 
Angel of Pain (1906) ; Dodo the Second (1914) ; Arundel 
1914) ; The Freaks of Mayfair (1916) ; Dodo wonders 
1921) ; Pharisees and Publicans (1926) ; Spook Stories 



NlCOLAAS BERCHEM IJsgezicht (teekening in het museum Teyler-stichting, Haarlem) 




577 


Bent — Bentinck 


578 


(1928) ; As We Werc (1930) ; Travail of Gold (1933) ; 
Life of King Edward VII (1933), enz. 

3 ° R o b e r t Hugh, Eng. Schrijver, Katholiek 
bekeerling. * 1871, f 1914; vierde zoon van E. W. 
Benson, Anglic. aartsb. van Canterbury. Studeerde 
te Eton en te Cambridge; ontving de Anglicaansche 
priesterwijding in 1895. Werkte voor de zielzorg in 
de achterbuurten van Londen en ging in 1898 naar een 
Anglicaansch klooster te Mirfield. Dit verliet hij in 
1903, schreef The Light Invisible, en werd Katholiek 
in hetzelfde jaar; schreef het volgende jaar zijn eersten 
grooten hist. roman over de vervolgingen onder konin- 
gin Elizabeth: By What Authority. Katholiek priester 
gewijd te Rome in 1904, woonde hij tot 1908 te Cam- 
bridge, studeerende en schrijvende. Daarna vestigde 
hij zich tot zijn dood te Buntingford in Hertfords hire. 
Benoemd tot Geheim Kamerheer in 1911. Stierf 
bij zijn geliefden broer A. C. B. 

Werken: The King’s Achievement (1905 ; over 
Hendrik VIII) ; The Queens Tragedy (1906 ; over 
koningin Maria de Katholieke) ; The History of Richard 
Raynal, Solitary (1906 ; de gefingeerde levensbeschrij- 
ving van een eremiet in de 15e eeuw) ; The Sentimenta- 
list8 (1906) en The Conventionalists (1908), psycholo- 
gische romans ; A Mirror of Shalott (1907) en The Papers 
of a Pariah (1907), schilderachtige beschrijvingen van 
de Kath. liturgie ; The Lord of the World (1907 ; een 
roman over het einde der wereld en den antichrist) ; 
The Necromancers (1909 ; over spiritisme) ; None other 
Gods (1910); Come Rack, Come Rope (1912); An 
Average Man (1913) ; Oddsfish (1914; over Karei II). 
Eenige levendige en zeer oorspronkelijke series preeken : 
The Religion of the Plain Man (1906) ; Christ in the 
Church (1911); The Friendship of Christ (1912) en 
Paradoxes of Catholicism (1913). Verschillende kleinere 
werken. De meeste ook in Nederl. vert. o.a. door Albertine 
Steenhoff-Smulders. — L i t. : A. C. Benson, Hugh 
(1914) ; C. C. Martindale S.J., biogr. (1916), en in Dict. of 
Nat. Biogr. Suppl. (1927) ; een uitvoerige studie van 
B.’s romans door L. Franke S.J. (in Studiën 88, 1917) 
én door P. Braybrooke (in Some Catholic Novellists, 
1931) ; The Coward (bespr. door W. Nieuwenhuis in 
De Katholiek 142, 1912) ; Oddsfish (door M. Sloot in De 
Kath. 147, 1915). 

4 ° S t e 1 1 a, moderne Eng. romanschrijfster, 
niet verwant met bovengenoemde Bensons. * 1892. 
Heeft meest in het buitenland, Zwitserland enz. 
gewoond; van 1918 tot 1920 in Califomië. Huwde in 
1921 met een Ier, J. C. O’Gorman Anderson, in dienst 
bij de douane in China. 

5. Werken: This is the End (1917) ; The Poor Man 
(1922) ; Worlds within Worlds (1928) ; Tobit Trans* 
planted (1931) ; Hope against Hope and other Stories 
(1931). — L i t. : Jos. Panhuysen, in De Tijd van Zondag 
26 April 1931. Pompen. 

Bent (Molinia coerulea), ook bentgras, 
pionten, eenknoop of blauwe eenknoop genaamd, 
minderwaardige grassoort, welke vooral voorkomt 
op veengronden in pollen. Wordt wel gebruikt voor 
bet maken van bezems, dokken (onder pannen) en 
voor het dekken van schuren (i.p.v. riet of stroo). 
> Smeele; ■> Zegge. Bles. 

Bent, 1° James Theodor, Engelsch 
archeoloog. * 30 Maart 1862 bij Leeds, f 5 Mei 1897 
te Londen; wijdde zich vanaf 1885 aan archeologische 
onderzoekingen, achtereenvolgens in KIe in -Azië, 
Zuid- en Oost-Afrika, Abessinië en Arabië. 

2° J o h a n van der, schilder te Amsterdam. 

* 1660, f 1690. Zijn genre bestaat vooral uit land- 
schappen met herdcrsscènes in den trant van Nic. 
Berchem, maar aanmerkelijk zwakker. 

Lit. : v. Wurzbach, Niederl. Künstlerlex. 


Bèntèncj, Indische versterking, bestaande uit 
vierkante aarden omwalling, lengtezijden ca. 200 m, 
hoogte 2 m, gedeeltelijk door een moddergracht of 
door een palissadeering omringd. Iedere zijde heeft 
een ingangspoort met bovenliggend wachthuisje. 

Bentgras, > Bent. 

Bentham ,1°George, Engelsch plantkundige, 
* 1800, f 1884. Hij begon met het bestudceren van do 
flora in de Pyreneeën tijdens zijn verblijf in Zuid- 
Frankrijk, studeerde vervolgens te Londen in de 
rechten, maar gaf zich ten slotte geheel aan de botanie, 
speciaal de flora van de Engelsche koloniën. Hij was 
ook president van de Linean Society. 

Werken: Handbook of the British flora (1858), 
Flora honkongensis (1861) ; Flora australicnsis (met F. v. 
Muller, 5 dln. 1863-70) ; Genera plantarum (met J. D. 
Hooker, 3 dln. 1862-’83). Bouman. 

2 ° J e r e m y, wijsgeer, vooral staats- en rechts- 
kundige; * 15 Febr. 1748 te Londen, f 6 Juni 1832 
aldaar. Slaagde niet in een advocatenpraktijk, erfde 
een groot fortuin en wijdde zich uitsluitend aan de 
wetenschap en het uitdenken van hervormingsplannen. 
B. is de vernieuwer van het utilitarisme: een leer, 
die als doel van alle dingen beschouwt „het grootste 
geluk van het grootste getal”. Onder geluk verstaat 
hij dan het plezier of den lust; verschil in waarde 
tusschen de verschillende soorten van lust erkent hij 
niet, alleen verschil van intensiteit en duur. In de 
economie is hij volgeling van de vrijhandels leer van 
A. Smith. 

U i t g. van zijn „Works” door dr. Browning (Edin- 
burgh 1838-1843). de Bruin. 

Bcnthciin, stadje in het Pruisisch regeerings- 
district Osnabrück, provincie Hannover, 8 km van 
de Nederlandsche grens, aan de spoorlijn Oldenzaal — 
Osnabrück — Hannover. B. ligt op een zandsteen- 
plateau, 110 m boven zeeniveau, en heeft ca. 3 300 
inw., overvegend Prot. 

De zandsteen wordt als bouwsteen gebruikt (paleis 
op den Dam te Amsterdam). De zwavelhoudende 
bronnen dienen ter behandeling van rheuma, jicht 
en neuralgie. Lips. 

Benthcim, Lüder von, bouwmeester te 
Bremen, * ca. 1550, f ca. 1613; onderging in zijn 
monumentale werken (verbouwing van het stadhuis 
van Bremen, 1609 — ’14) sterk den invloed der Ned. 
Renaissance. 

Lit.: Dehio, Gesch. der deutschen Kunstdenkmaler 
(V 1928) ; G. Paul, Das Rathaus zu Bremen, in Die 
Baukunst (I. 6). 

Benthcimer steen, een lichtgeel gekleurde 
zandsteen uit het onder-Krijt, in de omgeving van 
Bentheim aan de oppervlakte komende. Dit vrij 
zachte gesteente wordt wel als bouwsteen gebruikt, 
maar is niet geschikt voor constructie -onderdeden, 
die een zware belasting moeten kunnen doorstaan. 

Hojsteenge. 

Benthuizen, gemeente in Z. Holland, ten O. 
van Den Haag in de Hoogeveen- en Benthornpolders. 
Opp. 1 226 ha, ca. 1 000 inw. (Prot.). 

Bentinck, oud adellijk geslacht, sedert 1304 
aanwijsbaar in Geldersche oorkonden; de meest 
bekende is Hans Willem, * 1649, f 1709, de 
beroemde vriend van stadhouder Willem III; bij 
degroote onderneming tegen Engeland in 1688 
ging hij mede en kreeg in 1689 den titel van 
graaf van Portland. Hij had twee zonen, waarvan 
de oudste, Hendrik, de stamvader werd der 


IV. i# 


679 


Bentivoglio — Benvenutus Mareri 


580 


hertogen r van Portland en zich, door latere ver- 
wantschap met het 
huis Cavendish-Har- 
ley, noemde Caven- 
dish -Bent inck ; de j on - 
gere, W illem, huw- 
de met de erfdochter 
der West-Duitsche 
graven van Alden- 
burg en werd in 1732 
door keizer Karei VI 
tot rijksgraaf verhe- 
ven; hij speelde weer 
een groote rol in de 
Nederlandsche Repu- 
bliek ten tijde van 
stadhouder W illem IV 



Stamwapen van de fam. 
Bentinck. 


en werd later door] den hertog van Brunswijk ver- 
drongen. 

L i t. : Nieuw Ned. Biogr. Wb. (I en II). v. Gorkom. 

Bentivoglio, G u i d o, buitengewoon bekwaam 
diplomaat, die ook als redenaar en schrijver groote 
talenten bezat. * 1579 te Ferrara, f 1644 te Rome. 
Nuntius te Brussel (1607 — 1615) en te Parijs (1616 — 
1621). Kardinaal in 1621. Zijn goed geschreven Della 
guerra di Fiandra (1559 — 1607) geeft een kijk op den 
Ned. opstand tegen Spanje van Kath. geestelijk 
standpunt. Voor den tijd van zijn nuntiatuur zijn van 
beteekenis de Relazioni del card. B. in tempo della 
sua nunziatura. 

L i t. : Buil. de lTnstitut historique beige de Rome 
(VIII 1928). Cornelissen. 

Bentley, 1° John Francis, Eng. archi- 
tect, * 1839 te Doncaster, f 1902 te Londen. Ont- 
werper van de Kath. kathedraal van Westminstei 
(Londen), een machtig interieur met koepelgewelven. 

2° R i c h a r d, Engelsch letterkundige, de groot- 
ste philoloog der 18e eeuw, * 1662 te Oulton, van 1700 
af tot aan zijn dood (1742) Master van het Trinity 

College te Oxford. 
Van zijn buitenge- 
wone scherpzinnig- 
heid als criticus ge- 
tuigen zijn tekstuit- 
gaven : Fragmenten 
van Philemon en 
Menander (1710), 
^ Horatius (1711) met 
meer dan 700 tekst- 
correct ies ; T erent ius , 
Phaedrus en Publi- 
lius Syrus (1726) 
met ca. 1000 tekst- 
correcties en een 
merkwaardige inlei- 
t,. . , „ .ding over de me- 

Richard Benüey. ! triek van Terentius; 

Manilius (1739). Hij herstelde inschriften van Delos 
(1721) en Chalcedon (1728) en in Homerus ontdekte hij 
de digamma. Zijn eruditie en methodische geest schitte- 
ren echter het meest in zijn monographieën, w.o. 
Letter ad Mill (1691), waarin, naast een grondige 
studie over het Attisch drama, ook een studie over 
Ion van Chios, alsook de herontdekking der zgn. 
synapheia in de Grieksche metriek en tekstverbete- 
ringen van meer dan 60 Grieksche auteurs voorkomen ; 
The Epistles of Phalaris (1697), een model van 
dissertatie en tevens een meesterwerk van strijd- 



schrift, handelend over de authenticiteit en het ont- 
staan der apocrvphe (maar tot dan toe voor echt 
gehouden!) Grieksche briefliteratuur, evenals over 
het ontstaan der Aesopische fabels. — Groot was 
de invloed van B. in Engeland, waar hij school vormde, 
en in Holland, waar hij o.m. Graevius, P. Burman 
en vooral Hemsterhuys leidde en bezielde. Zijn lastig 
karakter, zoowel als zijn onvervalschte liefde voor de 
waarheid waren spreekwoordelijk. V. Pottelbergh . 

Bentveld, > Aerdenhout. 

Bentvogels. De Nederlandsche schilders, die 
in de 16e en 17e eeuw naar Italië gingen ter verdere 
studie of ontwikkeling, vereenigden zich langzamer- 
hand tot een gezelschap, „de bent” genaamd. De leden 
van dien bond waren de „bentvogels”. De bent was 
een gezelschap, dat meer gezelligheid en vermaak 
zocht, dan wel artistieke bedoelingen nastreefde* 
De leden werden „gedoopt” met een naam, die hen 
dikwijls karakteristiek typeerde. Karei Dujardin 
heette „bokkebaart”, Jan Lis „Pan”, Hans Jordaens 
„brijpotlepel”, Adriaan van der Kabel „Koridon”, 
Abraham Genvels „Archimedes”, enz. Het schijnt, 
dat in het begin der 17e eeuw de bent ook reglementen 
gehad heeft, doch het tijdelijk karakter van het lid- 
maatschap kon de organisatie geen vaste gronden 
geven. S willens, 

Bentzon, Théodore Blanc de, geb. 
Thérèse de Solms, Fransch schrijfster van een gezonde 
en onderhoudende romankunst, die, behoudens haar 
grooter ethische zuiverheid, aan George Sand laat 
denken. Zij trad ook op als cultuur-bemiddelares met 
Amerika. * 21 Sept. 1840 te Seine-Port, f 7 Febr. 1907 
te Meudon. 

Werken: Un divorce (1872) ; La grande saulière 
(1877) ; Littératures et moeurs étrangères (1882) ; 
Tête folie (1883) ; Les nouveaux romanciers américains 
(1884) ; Constance (1891) ; Une doublé épreuve (1896) ; 
Choses et gens d’Amérique (1898) ; Les Américaines chea 
elles (1904). Baur. 

Benuras, D a f y d d, een Wallis isch bard, 
die dichtte ter eere van het Gwynedd-koningshuis 
en vooral van Llyweln ab Iorwerth, den grootsten 
vorst van dat huis. * 1190, f 1240. 

L i t . : Hastings, Encyclopaedia of Religion and 
Ethics (II 1909) ; Revue Celtique (XLI 1924, 412 vlg.). 

Benvenuto di Giovanni di Meo del 
Guasta, Ital. schilder uit Siena, leerling van 
Vecchietta; * ca. 1436, f ca. 1518. Zijn origineel 
kleurencomplex, een verfijnde uitwerking van details 
in gelaat en draperie, een overslanke bevalligheid 
in de houding zijner figuren vormen de kenmerkende 
eigenschappen van zijn werk. Zijn kleuren vervalen 
later, terwijl het gedetailleerde in zijn kunst verdort 
tot verstandelijk maakwerk. De invloed van Matteo 
di Giovanni (na 1475) schijnt daaraan niet vreemd te 
zijn. 

Voorn, werken: fresco’s in het Baptisterium 
van S. Giovanni (Siena, waarsch. naar teekeningen van 
Vecchietta) met voorst, der legende van Sint Antonius, 
abt (1455) ; Boodschap aan Maria, tusschen St. Michael 
en de H. Catharina van Alex. (1466, voor de S. Girolamo 
te Volterra, nu Museo eivico aldaar) ; idem, voorst, in 
de Observanten-kerk te Sinalunga (1470) ; Aanbidding 
der Wijzen (1475, Abdy Coll. Londen) ; Moord der 
Onnoozele Kinderen (Aix en Prov.). — L i t. : Berenson, 
The central italian painters of the Renaissance ( 3 1900) ; 
Venturi, Storia dell’ arte ital. (VII 1901, 505 vlg.) ; 
Dami, Siena e le sue opere d’arte (1915, 148 vlg.). 

Knipping. 

Benvenutus Mareri, Zalige, Franciscaner 


581 


Benvenutus van Gubbio — Benzinebelasting 


leekebroeder; * te Recanati, f 5 Mei 1289 aldaar. 
Hij bezat de gave der contemplatie. Zijn vereering 
werd door Pius VII bekrachtigd. Feestdag in de Orde 
21 Mei. 

Benvenutus van Gubbio, Zalige, Francis- 
caan; f 27 Juni 1232 te Cometo (Apulië). B. was een 
voornaam ridder, werd ca. 1222 door den H. Francis- 
cus in de Orde opgenomen en verpleegde als leeke- 
broeder de melaatschen. Hij is bekend om zijn vurige 
vereering der H. Eucharistie en mystieke begenadiging. 
Feestdag in de Orde 27 Juni. J. v. Rovij. 

Benz, 1° Car 1 Friedrich, Duitsch inge- 
nieur, een der pioniers in de automobielindustrie; 

* 1844 te Karlsruhe, f 1930. Construeerde onafhanke- 
lijk van Daimler in 1885 een practisch bruikbaren 
benzinemotor. 

2° R i c h a r d, Duitsch literair-historicus 
van neo-Romantische, neo-Gotische strekking. * 12 
Juni 1884 te Reichenbach. B. hoopt, door studie van 
de oude Duitsche volksboeken en sprookjes, de moderne 
letterkunde zuiverder Germaansch te maken. 

Werken: Alte deutsche Legenden (1910) ; Die 
deutschen Volksbücher (1913) ; Legenda aurea (1925) ; 
Marchendichtung der Roman tiker ( 2 1926) ; Renaissance 
nnd Gotik (1928). Baur. 

Benzaldchyd , bittere amandelolie, is een kleur- 
looze, sterk lichtbrekende vloeistof met een aange- 
namen, aan bittere amandelen herinnerenden geur. 
Het komt in de natuur gebonden voor in > amyg- 
daline. Wordt gebruikt bij de bereiding van sommige 
kleurstoffen, in de parfumerie, bij de likeurfabricatie 
en in banketbakkerijen. Indien het alleen dient om 
een amandelachtigen geur te veroorzaken, wordt 
het meestal door het eveneens naar amandelen rui- 
kende maar veel goedkoopere nitrobenzol vervangen 
(zeep). 

Benzaldehyd, formule C 6 H 5 . CHO is het eenvou- 
digste aromatisch aldehyd, smeltpunt — 26°C, kook- 
punt 179°C. Technisch bereid door het, bij de chlo- 
reer ing van toluol verkregen, benzalchloride 
C 6 H 5 . CHC1 2 met water te verwarmen en het gevormde 
b. over te destilleeren. Het ruwe product wordt door 
behandeling met zwaveligzuur gezuiverd. Slecht 
oplosbaar in water, gemakkelijk in alcohol en aether, 
wordt door zuurstof van de lucht langzaam tot benzoë - 
zuur geoxydeerd. Verschillende derivaten van b., 
zooals chloor-oxy-nitro- en aminobenzaldehyden, 
hebben groote beteekenis in de kleurstoffenindustrie. 

Hoogeveen m 

Bcnzalgroep. Deze atoomgroep C 6 H 6 . CH is 
op zichzelf niet bekend, maar wordt in enkele verbin- 
dingen aangetroffen; bijv. C fl H s . CHCL = benzal- 
chloride. 

Benzeen, > Benzol. 

Benzelius, Erik (eigenl. B e n z e 1), Zweedsch 
polygraaf en Lutheraan sch aartsbisschop van Upsala. 

* 1657, f 1743. Veelzijdig ontwikkeld door lange 
studie-verblijven in West-Europa, deed B. vooral 
aan kerkgeschiedenis en Noorsche archeologie. Hij 
gaf den stoot tot de studie van het Gotisch, door zijn 
uitgave van den Codex argenteus. 

Werken: Ulphilas illustratus (1708) ; Monumenta 
historica veteris ecclesiae sveogothicae (1709). Baur . 

Benzidine , NH 2 C 6 H 4 C 6 H 4 NH ? , kristalpoeder, 
moeilijk oplosbaar in water, gemakkelijk in aether, 
smeltp. 128°C. Gebruikt in de kleurstof fenfabricage, 
ter zuivering van aether, waarmede het een goed 


582 

gekristalliseerde verbinding vormt, en als reagens 
op bloed (> Benzidine-proef). Hülen. 

Benzidine-procf. Als men benzidine oplost 
in bepaalde hoeveelheden alcohol, ijsazijn en water- 
stofperoxyde en deze oplossing in aanraking brengt 
met bloed of stoffen, waarin bloed voorkomt, dan 
ontstaat een groene verkleuring, die spoedig, vooral 
bij aanwezigheid van iets meer bloed, in blauw over- 
gaat. Door deze proef kan men zelfs zeer kleine hoe- 
veelheden bloed op het spoor komen, o.a. in ontlasting. 

v. d. Sterren . 

Benzine (Eng.: petrol, gasoline), een mengsel 
van laagkokende koolwaterstoffen, verkregen bij de 
destillatie van ruwe aardolie. Ook bij de hydreering 
van bruinkool en steenkool verkrijgt men b. (Bergius- 
proces). B. is practisch onoplosbaar in water, evenwel 
mengbaar met vele organische oplosmiddelen. Als 
goed oplosmiddel voor oliën, vetten en harsen gebruikt 
men b. als extractiemiddel. 

Vele huisvrouwen maken hiervan gebruik om kleerep 
te reinigen. Dit moet echter sterk worden afgeraden, 
daar benzine zeer brandbaar is en benzinedampen 
kunnen explodeeren. Reeds vele ongelukken zijn 
hierbij voorgekomen, ook in gevallen, waarbij het vuur 
meer dan 20 meter verwijderd was. Indien men npod- 
zakelijk met benzine moet werken, dan in alle geval 
in de open lucht. 

De belangrijkste toepassing van b. is evenwel ajs 
drijfstof voor explosie-motoren. Het normale, hiervoor 
gebruikte handelsproduct heeft een kooktraject van 
ca. 30°C tot ca. 200°C. Het s.g. van b. is, behalve van 
het kooktraject, in sterke mate afhankelijk van de 
geaardheid van de aanwezige koolwaterstoffen. 
Behalve door destillatie van ruwe aardolie wordt 
momenteel een zeer groot gedeelte van de voor motoren 
benoodigde b. verkregen door „cracking” van hooger 
kokende aardolieproducten. De op de^e wijze verkregen 
„anti -knock” -benzine munt uit dóór een hoog octaan 
getal. Hoogeveen/ Tullener s. 

Bcnzinebelastincj (N e d. Bel. tech t), belas- 
ting ten bedrage van 6 gld. per 100 kg benzine, geheven 
volgens de wet van 19 Dec. 1931 (Stbl. nr. 527). 
Deze belasting is geconstrueerd als een bijzonder 
invoerrecht, dat niet alleen verschuldigd is bij invoer 
van benzine, al dan niet over entrepot, doch ook na 
w'inning in Ned. uit aardolie of andere grondstoffen. 
Onder „winning” valt niet het met vergunning van 
den min. van Fin. raffineeren van benzine of weder 
afscheiden van in eenig bedrijf aan een stof toegevoegde 
benzine. Bij invoer van benzine is naast het boven- 
genoemde bijzondere invoerrecht ook het recht van 
post 96 van het tarief van invoerrechten verschuldigd, 
nl. 1,25 gld. per 100 kg (bij invoer in verpakten staat 
of in tabletvorm wordt 10% van de waarde geheven). 
Volgens art. 18 van de tariefwet kan voor dit laatste 
invoerrecht vrijstelling worden verleend bij gebruik 
der benzine als hulpmiddel bij de werkzaamheden 
in fabrieken, trafieken, bij landbouw, tuinbouw en 
veeteelt; deze vrijstelling kan ook worden toegekend 
t.a.v. het bijzondere invoerrecht, indien benzine als 
grondstof bij de werkzaamheden in fabrieken en tra- 
fieken wordt gebezigd. De wet omschrijft, wat onder 
„benzine” moet worden verstaan. De b. is een van de 
middelen geweest, waarmede de regeering het tekört, 
dat op de rijksbegrooting over 1932 werd verwacht, 
heeft trachten te dekken. Ten tijde van de invoering 
van deze belasting was de benzineprijs belangrijk 
gedaald ; deze belasting is toen verdedigd als een 


583 


Benzinefilter — Benzocaine 


584 


con junc tuurb clast ing . Haar opbrengst over 1932 werd 
geraamd op 10 600 000 gld. in hoofdsom. De werke- 
lijke opbrengst wordt niet afzonderlijk gepubliceerd; 
zij is begrepen onder de opbrengst van de invoerrechten. 

Van 1 Jan. 1933 tot en met 30 Juni 1934 worden 
30 opcenten geheven, zoowel van het bijzondere 
invoerrecht (6 gld.) als van het hierboven bedoelde 
invoerrecht volgens post 96 van het tarief. Smeets. 

Belg. Recht. De wet voorziet een forfaitaire 
overdrachttaks van 9% op de motorbrandstoffen, 
waaronder al de benzolbrandstoffen. Deze taks wordt 
gekweten bij de voortbrenging, zoo het inheemsche 
producten geldt, en bij de in verbruikverklaring, zoo 
het over ingevoerde producten gaat; zij dekt alle 
verdere overdrachten (K.B. 18 October 1933). De 
motorbrandstoffen evenals de andere lichte minerale 
oliën geven eveneens aanleiding tot tol- en 
acc ij narechten. Rondou. 

Benzineülter (*- Automobiel) dient tot het 
zuiveren der benzine, die van den vergaarbak naar 
den carburator wordt gevoerd. Het zuiveren geschiedt 



laadvermogen, vliegtuig, vliegboot (Dornier), lucht- 
schip (Zeppelin). 

De concurrentie, hiervan ondervonden, bracht den 
b. in het railverkeer: ro-railer (Eng.), Micheline (Fr.), 
rail-zeppelin, rail-autobus, locomotor, motorrijtuig, 
spoorfiets voor inspectie. Verder: tractors in gebruik 
bij expediteurs, in circussen, in het leger en den land- 
bouw. Transportkarren in fabrieken en magazijnen, 
op de perrons voor bagage, oorlogstanks, motor- 
ploegen, brandspuiten, hooi- en grasmaaimachines, 
voor het aandrijven van werktuigen als pompen (water- 
voorziening, drooghouden van bouwputten), dynamo’s 
(verlichting), betonmolens, enz. 

Er is evenwel rekening mede te houden, dat op 
verschillend hierboven genoemd gebied de b. weder 
verdrongen zal worden door den nog in ontwikkeling 
verkeerenden, zuiniger werkenden en minder brand- 
gevaarlijken Diesel-oliemotor. Pot. 

Benzincmotorwagen, type motorwagen, met 
benzinemotoren gedreven. -> Tractiesysteem. 

Benzinepomp (-»- Automobiel) dient tot het 
aanvoeren der benzine van den vergaarbak naar den 
carburator. Er bestaan mechanische pompen, die 



Mechanische benzinepomp. 

A. Lichaam van de pomp. E. Diaphragrne. 

B. Filter. F. Deksel, dat ventiels draagt. 

C. Gekartelde knop. G. Toelaatventiel. 

D. Beugel. H. Uitlaatventiel. 


ofwel door een koperen zeef of door een zeef, samen- 
gesteld uit een aantal op elkaar gedrukte plaatjes, 
die de onzuiverheden tegenhouden. Guljé. 

Benzinemotor, explosiemotor. Wordt vervaar- 
digd uit één of meer cilinders. De ééneilindermotor 
wordt betrekkelijk weinig toegepast, daarentegen 
worden voor auto’s, motorbooten, vliegmachines 
vooral benzine-meercilindermotoren gebruikt, daar 
zij door zindelijkheid in gebruik, eenvoudige construc- 
tie en gemakkelijke bediening de voorkeur genieten 
boven zwaaroliemotoren, welke evenwel in brandstof- 
kosten voordeel iger in gebruik zijn. Beukers. 

Toepassing. De groote ontwikkeling van 
den b. na den oorlog en de daarbij verkregen bedrijfs- 
zekerheid en eenvoudige bediening hebben tot toe- 
passing op elk gebied geleid. Zoo vindt men op ver- 
keersgebied: den personenauto, autobus, motorfiets, 
motorboot, fiets met ingebouwden motor, buiten- 
boordmotor, bestel- en vrachtauto van 1 tot 20 ton 


meestal door de excentriekas, en electrische pompen, 
die met den stroom der batterij worden gedreven. 
Deze benzinepompen zijn meestal met den benzine- 
filter tot één geheel samengebouwd. Guljé. 

Bcnzmann, Hans, Duitsch dichter en letter- 
kundig vulgarisator. * 27 Sept. 1869 te Kolberg, 
f 9 Jan. 1926 te Berlijn. 

Werken: Die deutsche Ballade (1913) ; Aus- 

gcw&hlte Gedichte (1919); Moderne deutsche Lyrik 
(i°o 1921). 

Benzoatcn zijn de zouten van benzoëzuur. 

Benzocaine, anaesthesine, p. amidobenzoëzure 
aethylester, C 6 H 4 NH 2 COOC a H 6 , wit, smaak- en reuk- 
loos kristalpoeder, dat op den tong een gevoel van 
verdooving teweeg brengt, slecht oplosbaar in water, 
goed in spiritus, beter in olie. Gebruikt o.a. in dranken 
en zalven als plaatselijk verdoovend middel; voor 
inspuitingen de beter oplosbare zoutzuurverbinding. 

L i t. : Ned. Pharm. Ed. (V). Hillcn. 


585 


Benzoë — Benzoylchloride 


586 


Benzoë, de uit de verwonde stammen van eenige 
Styraxsoorten gevloeide balsem, die in de lucht hard 
geworden is. Men onderscheidt: Sumatra- en Siam- 
benzoë. De eerste (Ind.: Menjan), die vnl. in de resi- 
denties Tapanoeli en Palembang, van de op inlandsche 
aanplantingen voorkomende Styrax Benzoin Dryand 
e.a. gewonnen wordt, bestaat uit een grijs- of rood- 
bruinachtige massa, waarin rijke lijk witte korrels 
verspreid liggen; er komen twee soorten van voor, de 
eene bevat in hoofdzaak benzoëzure-, de andere kaneel- 
zure resinolen. De Siam-benzoë, afkomstig van Styrax 
tontrinensis Craib, bestaat uit losse of zwak samen- 
gekleefde onregelmatige, tot 3 cm groote brosse 
stukken, die uitwendig bruin, inwendig melkwit 
en op de breuk glanzend zijn. 

Kaneelzuur-vrije b. wordt gebruikt voor de berei- 
ding van benzoëzuur, de andere ook voor tinctuur, 
zalf, kosmetische middelen en wierook. 

L i t. : Comment. Ned. Pharm. Ed. (V, 2). 

Hillen. 

Bcnzoëboom , Styrax benzoin, een 
in den Indischen Archipel en Achter-Indië voorkomen- 
de boom van de familie der Styracaceae. Dit gewas 
ievert benzochars voor den handel, dat wordt verkre- 
gen door inkervingen in de schors, waardoor de snel 
verhardende vloeibare massa te voorschijn komt; 
grootendeels een product uit Sumatra en Siam en 
was waarsch. in de Oudheid reeds bekend. Ook van de 
Uraziliaansche soorten wordt hars gewonnen, dat als 
wierook wordt gebruikt. Bonman. 

Benzoëhars. asa dulcis, door inkerving gewonnen 
van den > Benzoëboom. B. bevat benzoëzuur, dikwijls 
ook kaneelzuur en wordt gebruikt voor reukwerk en 
lak. 

Benzoëreuzel wordt verkregen door reuzel met 
benzoë te verwarmen en te filtreeren. Wordt minder 
spoedig rans dan gewone reuzel, daar benzoë de ont- 
wikkeling van micro -organismen tegenhoudt. 

L i t. : Ned. Pharm. Ed. (V). 

Benzoë lint* tuur, donkergele tot bruinroode 
vloeistof, verkregen door oplossen van benzoë in spiri- 
tus. 

Lit. : Ned. Pharm. Ed. (V). 

Benzoëzuur of Benzeencarbonzuur 
is een kleurlooze vaste stof, die haar naam dankt aan 
het voorkomen in benzoëhars, waaruit het door subli- 
meeren verkregen kan worden. Wordt gebruikt voor 
het conserveeren van levensmiddelen, hetgeen echter 
in vele landen aan strenge regels is gebonden; o.a. 
is in Nederland het gebruik bij de Warenwet geregeld. 
Dient verder voor het sausen van dure sigaren en 
sigaretten, de bereiding van kleurstoffen en als uit- 
gangsproduct voor andere chemische praeparaten. 
Het eenigszins geelachtig gekleurd, uit benzoëhars 
verkregen product vindt toepassing in de geneeskunde. 

Benzoëzuur. formule C 6 H 6 . COOH wordt technisch 
verkregen uit toluol, dat door chloreering omgezet 
wordt in benzotrichloride en vervolgens met water 
en kalkmelk in b. Witte glanzende naalden of plaatjes, 
smeltpunt 121,5°C, kookpunt 249°C, maar sublimeert 
reeds bij 100°C. Met waterdamp vluchtig, gemakkelijk 
oplosbaar in alcohol en aether. Van de zouten, ben- 
zoaten, wordt het natriumzout, C 6 H 6 . C0 2 Na -f H 2 0, 
als conserveermiddel en het magnesiumzout, 
(CgH 6 . C0 2 ) 2 Mg + 3H 2 0, in de geneeskunde gebruikt. 

Hoogeveen . 

Benzogel, > Gel. 

Benzol of Benzeen is een kleurlooze, zeer 


brandbare vloeistof, die in de industrie óf als hulpstof 
óf als grondstof veel gebruikt wordt. Dient als oplos- 
middel van jodium, zwavel, phosphor, harsen, vetten, 
caoutchouc en vele chemische praeparaten. Vindt als 
extractiemiddel in de linoleum-lak-gummifabrieken 
en chemische wasscherijen toepassing, terwijl het ook 
als motorbrandstof gebruikt wordt. 

In den handel verstaat men onder b. een mengsel 
van aromatische koolwaterstoffen, die uit steenkolen- 
teer worden verkregen en beneden 200° C dcstilleeren, 
zooals benzol, toluol en hoogere homologen. Wordt 
een percentage opgegeven, dan beteekent dit niet, 
dat zooveel zuivere benzol aanwezig is, maar dat dit 
percentage van de vloeistof beneden 100° destilleert, 
en voor het grootste gedeelte bestaat uit benzol (kook- 
punt 80° C) naast toluol (kookp. 111° C.) Bijv. 90%-ige 
b. beteekent een vloeistof, die voor 90% beneden 100° 
overdestilleert, waarbij deze vloeistof in werkelijkheid 
slechts 81 — 84% b. bevat. Zware b. destilleert tus- 
sohen 120° en 190° C en bevat dus heelemaal geen b. 
meer. Benzol, formule C 6 H 6 , wordt hoofdzakelijk uit 
steenkolenteer gewonnen. 

Synthetisch kan het o.a. verkregen worden door 
droge destillatie van benzoëzure-calcium met kalk 
of polymerisatie van acetyleen. Smeltp. 5,ö° C, kookp. 
80° C; s.g. bij 20°: 0,878»; refractie bij 20°: 1,601, niet 
mengbaar met water, daarentegen in alle verhoudingen 
met sterken alcohol. Brandt met een sterk roetende 
vlam en kan met lucht explosieve mengsels geven. 
Blusschen met zand. Wordt b. langen tijd ingeademd, 
dan kunnen ernstige vergiftigingsverschijnselen op- 
treden, die zelfs den dood ten gevolge kunnen hebben. 

B. werd in 1825 door Faraday in de destillatie- 
producten van vette oliën ontdekt en in 1833 het eer; t 
door Mitscherlich synthetisch bereid (hij noemde het 
benzine). 

Lit.: Whitehead, Benzol, its recovery, rectification 
and uses (1920). Hoogeveen. 


Benzol is de theoretische grondstof der aromatische 
verbindingen. Deze worden alle gekenmerkt door een 
bepaald complex physische en chemische eigenschap- 
pen, bijv. de gemakkelijke vervangbaarheid der water- 
stof -atomen door een sulfonzuur- en een nitrogroep. 
Om die typische eigenschappen te beschrijven zijn 
velerlei formules voorgesteld. Kekulé (1865) gaf den 

zesring met drie dubbele bindingen : 

of als afkorting :( == ), waarbij echter dè'dubbele 
bindingen niet aan een bepaalde plaats gebonden 
werden geachtfoscilleerend). De prismaformule van 
Ladenburg: I ■ 1 , werd door von Baeyer weerlegd. 
Om de zonderlinge eigenschappen van Kekulé ’s dub- 
bele bindingen te vermijden, gaf von Baeyer de cent 
sche formule:^-* Claus de diagonaalformulee- 
en Th iele de formule der restvalenties . die ech 

alle hun bezwaren hebben. 

Lit.: G. Wittig, Stereochemie (Leipzig 1930). 

Tellegen . 


Benzosol, > Sol. 

Benzoylcliioride of Benzeencarbon- 
ch ior ide, C 6 H 5 .C0C1, is een kleurlooze vloeistof 
met een prikkelenden reuk en werkt traanverwekkend 
op de oogen. 


587 


Benzoylgroep— Beobachtungsnetz 


588 


Wordt bereid door inwerking van sulfurylchloride op 
benzoëzuur. Kookpunt 197°C, smeltpunt — 1°C, 
s.g. 1,212 bij 20°. Het halogeenatoom in b. kan ge - 
makkelijk reageeren, waarvan men in het laboratorium 
en in de techniek gebruik maakt om benzoylgroepen 
(C 6 H 6 CO.) in andere verbindingen, zooals phenolen, 
aminen, enz., in te voeren. In den wereldoorlog is b. 
als traanverwekkende strijdstof gebruikt. Hoogeveen. 

Benzoylgroep. Deze atoomgroep C 6 H 6 . CO 
komt in vele verbindingen voor. Ze wordt door middel 
van benzoylchloride in andere lichamen ingevoerd. 

Benzoylperoxyde, eigenlijk dibenzoylpero- 
xyde, C 6 H 6 . CO. O—O. C0.C 6 H 6 , ontstaat bij de in- 
werking van natriumperoxyde op benzoylchloride. 
Kleurlooze kristallen, smeltpunt 103,5° C. Wordt ge- 
bruikt bij het ontkleuren en bleeken van vetten, meel, 
enz. Komt o.a. onder den naam Lucidol in den 
handel. Hoogeveen. 

Benzylaleohol of phenylmethanol is 
een vloeistof, die in vrijen toestand of als acetaat of 
als benzoaat in aetherische oliën voorkomt, o.a. in 
de oliën uit jasmijn en cassiabloesem, ylang-ylang en 
hyacinten. B., formule: C 6 H 5 . CH 2 OH, wordt technisch 
verkregen uit de genoemde oliën of uit benzaldehyd 
door behandeling met kaliumhydroxyde. Ook wel 
uit benzylchloride C 6 H 6 .CH 2 C1 met water en lood- 
oxyde. Kookpunt 206° C. Wordt gebruikt in de reuk- 
stoffen-industrie evenals de zeer belangrijke azijnzure - 
ester, het benzylacetaat C 6 H 5 .CH 2 OOC. CH S , een naar 
vruchten ruikende vloeistof, kookpunt 216° C, die 
ook in verschillende aetherische oliën voorkomt. 

Hoogeveen. 

Benzylbenzoaat, C 6 II 6 COOCH 2 C 6 H 5 , kleur- 
looze dikke vloeistof met scherpen, bitter-aromatischen 
smaak, kookpunt 323° C, s.g. 1,125. Komt o.a. voor in 
Peru- en Tolubalsem; wordt synthetisch bereid en 
gebruikt in de parfumerie als fixeermiddel en in de 
geneesk. als krampopheffend middel. Hillen . 

Bcnzylgrocp, deze atoomgroep, C 6 H 5 .CH 2 , 
komt in verschillende verbindingen voor, o.a. in 
benzylaleohol C 6 H 5 .CH 2 OH, benzylchloride C 6 H 5 . 
CH 2 C1, enz. 

Beo of L e b e o, Bantoetaal, gesproken door de 
Babeo, Bangba en Baboeroe-Babendja, die zich in 
Belgisch Kongo ten N. en ten Z. van de Aroewimi 
(Lohale) tusschen de Loeloe en de Lindi (Locnde) op- 
houden. 

De blanken in Kongo hebben, naar het voorbeeld 
van de gearabiseerden, dit idioom Kingélima en de 
stammen, die het spreken, Wangélima (Bangélima) 
genoemd. Het Beo behoort tot de groep der bantoïeden 
en is nauw met het Boa verwant. 

L i t. : M. Schultz, Bangba-Fabeln und Erzahlungen 
(Anthropos XVIII, 1923) ; Gérard, La langue lebéo, 
grammaire et vocabulaire (Brussel 1924). Burssens. 

Beo (Gracula Javanensis, Gracula 
religiosa), in den Indischen Archipel voorkomende 
soort spreeuw, die kan leeren praten, en die daarom 
als huisdier gehouden wordt en een zekere rol speelt 
in de inheemsche verhalen. 

De beo behoort tot de orde der zangvogels (Oscines). 
Yeeren diepzwart, op kop en hals met diep violet- 
kleurige, op het overige gevederte met metaalgroen 
glanzende vedere inden; de wortels der handpennen zijn 
v it en vormen een zichtbaren vleugelband; achter elk 
rog is een levendig hooggeel gekleurde huidplooi; 
ren andere vlek onder het oog is ook naakt en geel 


gekleurd; de snavel is oranjekleurig, de voet geel, de 



Beo. 


iris donkerbruin. Het voedsel bestaat uit allerlei 
vruchten en bessen. 

Beobachtungsnetz of waarnemings- 
net (taalgeographie) is het geheel der plaatsen, 
waar de bepaalde dialect-enquête gehouden is en die 
wij in de taalatlassen terugvinden. De dichtheid van 
dit net is in de verschillende atlassen verschillend. De 
Atlas linguistique de la France is in 639 plaatsen 
van het Fransche taalgebied (waarbij ook Wallonië 
en Fransch Zwitserland behooren) af gevraagd. Ook 
de Italiaansche, die evenals de vorige op mondeling 
onderzoek berust, heeft een ongeveer even dicht net. 
De Duitsche van G. Wenker evenwel bouwt op schrif- 
telijk materiaal van 30 000 plaatsen, maar dit mate- 
riaal wordt verwerkt weergegeven. 

Het net van den Catalonischen taalatlas is 4x zoo 
dicht als dat van den Franschen, maar bestrijkt, omdat 
het gebied veel kleiner is, nog slechts 250 plaatsen. 
Hoe dichter het net is, hoe juister en vollediger is het 
taalbeeld natuurlijk. En als ideaal geldt dus wel een 
taalatlas met opgaven uit minstens elke gemeente. 
Toch is dit een onbereikbaar ideaal om voornamelijk 
drie redenen: 1° groote onkosten, 2° nadeelen van wege 
liet feit, dat bij een derge lijke grootscheepsche monde- 
linge enquête weer meer exploratoren moeten in 
dienst treden, 3° moeilijkheden in verband met het 
bij het drukken te gebruiken atlas -formaat. Een taal- 
atlas van een grooter gebied kan dus slechts als over- 
zichtsatlas dienen. Men kiest een dichter net, waar 
men vermoedt, dat er meer dialectische variatie is, 
bijv. in bergachtige streken. Ook verdicht men het net, 
waar meerdere dialecten op elkander stooten, omdat 
daar allerlei interferentie-verschijnselen te verwach- 
ten zijn en wijl het zijn nut heeft om de grenzen nauw- 
keurig te bepalen. Vervolgens kiest men voornamelijk 
plaatsen, waar de schrijftaal weinig invloed had, maar 
zorgt men er toch ook voor, dat zoo de materiaal- 
verzameling niet een gewild conservatief cachet 
krijgt. De nieuwe richting in de taalgeographie (Jaberg 
en Jud bijv.) verzuimt dan ook niet, sterk gemoderni- 
seerde en speciaal groote-stads-dialecten op te nemen, 
vooral als voor een gebied de modemiseering karakte- 
ristiek is. De Atlas linguistique de la France daaren- 
tegen nam nog geen groote-stads-dialecten op. Voor 
„Bodenstandigkeit” van het materiaal is het wel goed 
afgelegen plaatsen te kiezen. Evenwel zijn niet altijd 


589 


Beograd — Bepalingaankondigend voornaamwoord 


590 


de kleinste gehuchten als de conservatiefste te beschou- 
wen. In grootere plaatsen immers kan zich beter een 
vaste taaltraditie vormen, welke aan de invloeden van 
buiten sterker weerstand biedt dan die van een klein 
gehucht, waar een innovatie het zoo gemakkelijk 
wint, omdat zij slechts enkele families behoeft aan 
te tasten. > Afvraagtechniek. > Sujet. 

L i t. : K. Jaberg en J. Jud, Der Sprachatlas als 
Forschungsinstrument (Halle 1928). Weijnen. 

Beograd, > Belgrado. 

Beolco, Angel o, bijgenaamd Ruzzante 
(de schertsende), Italiaansch blijspeldichter, * 1502 
te Tadua, f 17 Maart 1542 aldaar; was schouwspeler 
van beroep en schreef een aantal levendige, goed ge- 
bouwde blijspelen en kluchten, vol rake opmerkingen, 
waarin hij dikwijls zelf de rol van den boer Ruzzante 
speelde. Zijn beste stuk is de Fiorina, eenvoudige 
maar echte schildering van het boerenleven. 

Werken: Tutte le opere del famosissimo Ruzante 
(1584). — Lit. : Aifr. Mortier, Ruzzante, un drama- 
turge populaire de la renaissance italicnnc (2 dln., Parijs 
1925— 3 *26). Ulrix. 

Beor, 1° vader van Bela, den koning van Edom 
(Gen. 36.32). 

2° Vader van den profeet Balaam (Num. 22.5). 

Beotliuk Indianen, uitgestorven stam van de 
-> Indianen van N. Amerika, N.O. gebied; in het 
huidige Newfoundland, Canada. 

Beöthy, Z s o 1 1, Hongaarsch schrijver, vooral 
werkzaam op het gebied van de geschiedenis der litera- 
tuur. * 1848 te Boedapest, f 1922 aldaar. Hij was een 
volgeling van Taine. Zijn handboek: „Geschiedenis 
der Hongaarsche Letterkunde” is anti-Katholiek. Hij 
schreef ook zeer gewaardeerde aesthetische studies. 

Cardijn. 

Beowulf, het oudste overgeleverde Germaansche 
heldendicht, of bewerking van oude heldensagen, 
geschreven in het Angelsaksisch door een onbekende, 
waarschijnlijk een Benedictijn, in het Noorden van 
Engeland omstreeks 700-750. 

J n h o u d. Het gedicht bestaat hoofdzakelijk uit 
drie episoden. Beowulf, vorst der Geaten, heeft ge- 
hoord, dat Heorot, de koningszaal van Hrothgar, 
koning der Denen, telkens aangevallen wordt door een 
inenschenetend monster, Grendel genaamd. Hij gaat 
daarom met veertien stoere mannen op reis om den 
koning van deze ramp te bevrijden. Hij wordt door 
Hrothgar en zijn gemalin Wealtheow met vreugde 
ontvangen, en des nachts in een vreeselijk gevecht 
gelukt het hem Grendel doodelijk te verwonden. De 
tweede episode is het gevecht tusschen Beowulf en 
Grendel’s moeder. Dit monster wil den dood van haar 
zoon wreken, maar B. achtervolgt haar en doodt haar 
op den bodem van het meer. Met rijke geschenken 
beladen keert hij daarop met zijn gezellen naar zijn 
land terug. De derde episode speelt vele jaren later, 
toen de held reeds 50 jaren koning geweest was over 
zijn eigen land. Toen moest hij zijn koninkrijk bevrijden 
van een vuurspuwenden draak. Hij slaagt, maar wordt 
in den strijd doodelijk gewond. Het gedicht eindigt 
met de plechtige verbranding van het lijk van den 
heldenkoning. — Behalve deze drie hoofdthema’s, 
waarvan B. zelf de held is, bevat het gedicht nog 
verschillende kleinere episoden, vooral de liederen 
over Sigemimd den Volsing en over Finn, den koning 
der Friezen. Deze episoden zijn belangrijk voor de 
reconstructie der oudste Germaansche heldensagen, 
maar de dichterlijke waarde van het gedicht ligt vooral 


in de verschillende toespraken, die zeer uitvoerig 
worden gegeven: bijv. die van den ouden Hrothgar, 
van zijn koningin en van B. zelf. Pakkend zijn ook 
de beschrijvingen van Heorot en van de verschillende 
gevechten en natuurtafereelen. 

Vorm. Het gedicht is geschreven in 3 183 allite- 
reerende verzen, een versvorm, die verspreid was over 
het geheele Germaansche gebied. Daar B. het oudste 
gedicht is, dat ons in dezen vorm is overgeleverd, is 
het ons voornaamste gegeven om de wetten der oud- 
Germaansche > alliteratie vast te stellen. 

Overlevering en oorsprong. DeB. 
is slechts bewaard in een enkel hs., geschreven omstr. 
1000 door twee verschillende copiïsten; nu bewaard in 
het Britsch Museum te Londen; voor het eerst uitge- 
geven door G. J. Thorkelin, een Deensch geleerde, te 
Kopenhagen in 1815; in facsimile door J. Zupitza 
(prof. te Weenen) in 1882. De taal van dit hs. is in 
hoofdzaak een Zuidelijk dialect van het oud-Engelsch, 
maar vertoont eigenaardigheden van alle andere 
dialecten; het origineel was waarschijnlijk geschreven 
in een Angelsch dialect, ten N. of ten Z. van de Humber 
in de eerste helft der 8e eeuw. De inhoud is grooten- 
deels echte oud -Germaansche heldensage, door de 
Angelen medegebracht uit hun oorspronkelijke woon- 
plaats in Denemarken. De Geaten, waarvan het gedicht 
spreekt, zijn ófwel de Juten in het Noorden van Dene- 
marken (niet zeer waarschijnlijk), óf wel de Gauten, 
de bewoners van Götland ten Z. der groote Zweedsche 
meren (misschien gekoloniseerd in N.O. Jutland). 
De landschapsbeschrijving wijst ook herhaaldelijk 
op Skandinavië. De authenticiteit en Skandinavische 
oorsprong der Grendelsage blijken ook uit de G r e t i s - 
sage, geschreven op Ijsland omstr. 1250-1300, 
maar geheel onafhankelijk van B. — Vele critici uit 
de 19e eeuw dachten, dat de schrijver slechts een ver- 
zamelaar was van oude liederen, zooals zij dat ook 
van Homerus dachten. Tegenwoordig wordt tamelijk 
algemeen aangenomen, dat de sclirijver wel de oude 
liederen heeft gekend, maar ze zelf heeft bewerkt, 
en dat het gedicht in zijn bestaanden vorm het werk 
is van één enkelen dichter, die Virgilius kende, en die 
Christen was, en leefde aan het Angelsche hof of in 
een Angelsch klooster. 

Vertalingen: in het Engelsch een twintigtal 
sedert 1837, o.a. door W. Morris (1895) ; F. B. Gummere 
(1909); J. R. Clark Hall (1914); A. Strong (1925); 
In het Ncd. door L. Simons (1896). — Lit.: De 
voornaamste Beowulf-kenners zijn : in Ned. prof. R. C. 
Boer (1912) ; in Engeland prof. R. W. Chambers (1914, 
1932) ; in Amerika prof. F. Klaeber (1928) ; in Duitsch- 
land prof. F. Holthausen (1905-’33) ; in Frankrijk 
W. Thomas (1913-’17), in Italië C. G. Grion (1883). 

Pompen . 

Bepaling (gramm.) is een woord of woordengroep 
in den zin, waardoor de voorstelling van een woord 
of zindeel nauwkeuriger wordt begrensd. Een b. 
is b ij v o e g 1 ij k (attributief), wanneer zij een 
zelfstandig naamwoord of een zelfstandig voornaam- 
woord bepaalt; alle andere b. zijn bijwoorde- 
1 ij k (adverbiaal). Ook kan een b. in den zin behooren 
bij een zelfstandig woord en tevens bij het werkwoord: 
ze heet dan bijwoordelijk-bijvoeglijk 
(attributief-adverbiaal). Bij de b. behooren ook de 
> voorwerpen. Het Fransch spreekt terecht 
van complément direct en indirect. E. ten Brink. 

Bepaling aankondig end voornaamwoord, 
ook genoemd determinatief of vooruitwijzend pro- 
nomen is in de grammatica het woord, dat een voor- 


Beperkte aansprakelijkheid — Bequemlichkeit 


592 


591 

loopige aanduiding van het nader te bepalen begrip 
inhoudt. De naam gaat eigenlijk alleen op bij de zelf- 
standig gebruikte bepalingaankondigende voornaam- 
woorden, als degene, die. . . . enz. In bijvoeglijk 
gebruik daarentegen (bijv. zulke) wijzen ze dikwijls 
terug op het voorafgaande. v. Marrewijk. 

Beperkte aansprakelijkheid, > Aansprake- 
lijkheid. 

Beperkte klasse, een wedstrijdklasse van 
zeilschepen, niet volgens een vaststaand ontwerp 
gebouwd en alleen gebonden aan een serie maximum 
en minimum maten, terwijl een bouwbestek is voor- 
geschreven. 

Beplanken, bedekken met planken, aangesloten 
met groef en messing, of veer. Horizontale beplan- 
king: vloer; niet-horizontale beplanking: schotten; 
dakbeplanking : bebording, beschieting. 

Beplanting van duinen, groote zandvlakten en 
heide, dient tr voorkoming van verstuiving of in 
het algemeen ter bevestiging van den grond. Tot dat 
doel worden de duinen met stroowisschen bepoot 
(> Bepoten), met helm beplant, dan wel door rijs- 
schuttingen of rietschermen beveiligd. Dergelijke 
beplantingen zijn aan in de Algemeene Voorschriften 
van den Rijkswaterstaat (A. V.) omschreven eischen 
onderworpen. Ook de beplantingen met opgaand 
loofhout en naaldhout langs wegen enz. 

P . Bongaerts. 

Bepleisteren, het bedekken van een muur 
met een laag metselspecie, om hem een gladde, harde 
oppervlakte te geven. Alvorens een muur bepleisterd 
wordt, brengt men daarop een laag metselspecie aan, 
die effen en vlak geschuurd wordt; daarop wordt dan 
de eigenlijke pleisterlaag ter dikte van enkele milli- 
meters gestreken. P. Bongaerts. 

Beploegen, grondbewerking door middel van 
een ploeg. > Landbouw. 

Bepoten, het in den grond brengen van plantjes 
of stekken (> Land- en Tuinbouw). Ook wel het plaat- 
sen van poten ter bevestiging van duingrond (> Be- 
planting). In het laatste geval geschiedt de bepoting 
met stroowisschen, welke ter halve lengte samen- 
gevouwen en, na goed beknepen te zijn, 15 cm in om- 
trek zijn. Zij worden ter diepte van 15 tot 20 cm in 
geregelde rijen in het zand geplaatst op onderlinge 
afstanden van 50 cm. Desgewenscht worden de duin- 
kanten vóór de bepoting onder een helling van min- 
stens 2 op 1 afgegraven. P. Bongaerts. 

Beproeving, 1° (t e c h n.) het onderzoek van 
materialen door middel van, meestal nauwkeurig 
voorgeschreven, bewerkingen, welke met vaak ver- 
nuftig uitgedachte werktuigen worden uitgevoerd en 
waarmede de verschillende eigenschappen dier mate- 
rialen, zooals: weerstand tegen trek, druk, buiging, 
wringing, enz. worden bepaald. Die werktuigen 
zijn dan zoodanig geconstrueerd, dat de bij de b. 
optredende krachten met voldoende nauwkeurigheid 
geregeld en veelal automatisch opgeteekend worden. 

P. Bongaerts. 

2° Beproeving noemt de Katholiek tegenspoed en 
lijden, omdat hij weet, dat tegenslag van allerlei soort 
niet noodzakelijk een straf is voor bedreven zonden, 
maar veeleer een kostbaar middel in Gods hand tot 
loutering, beproeving en sterking van Zijn kinderen. 
St. Jacobus zegt: „Gij weet, dat de beproeving van uw 
geloof de oorzaak is van geduld; welnu, het geduld 
worde slechts volkomen, dan zijt ge volmaakt en 
ongerept en schiet ge in niets te kort” (Jac. 1. 3). 


In hetzelfde hoofdstuk wijst de Heilige op de nood- 
zakelijkheid van gebed om verlichting, nederigheid 
en hoop op belooning na de beproeving. De b., zoo 
aanvaard en doorstaan, onthecht den mensch aan het 
tijdelijke en doet hem het eeuwige waardeeren. 
> Beproeving Gods. P. Heymeijer. 

Beproeving Gods (Lat. tentatio Dei) bestaat 
in het aanwenden van woorden of daden, waardoor 
men God op de proef wil stellen, d.i. wil te weten 
komen, of God zekere zaken weet, kan of wil, of Hij 
dus waarlijk alwetend, almachtig of goed is. 

De H. Thomas onderscheidt formeele en interpreta- 
tieve beproeving Gods. De handeling is een for- 
meele beproeving Gods, wanneer iemand werkelijk 
wil te weten komen, of God sommige attributen bezit, 
hetzij absolute attributen, als de almacht, de alwetend- 
heid, de oneindige goedheid, hetzij relatieve attributen, 
als welwillendheid ten opzichte van sommige personen, 
den wil sommige van zijn welbehagen afhankelijke 
handelingen te stellen, enz. 

Voorbeelden: iemand vraagt een mirakel om een 
zeker bewijs te hebben, dat God inderdaad almachtig 
is; iemand vraagt, dat Jezus hem op zichtbare wijze 
verschijne onder de Eucharistische gedaanten, om 
zeker te zijn van de tegenwoordigheid van Christus, 
in de Eucharistie; iemand verlangt een buitengewoon 
teeken en verklaart niet langer in God te gelooven, 
indien hij het niet bekomt. 

De handeling is een relatieve of louter mate- 
r i e e 1 e beproeving Gods, wanneer iemand geenszins 
twijfelt aan de almacht, de alwetendheid of een ander 
attribuut van God, maar iets verlangt, dat geen ander 
nut heeft dan Gods almacht, alwetendheid, goedheid 
enz. te doen uitschijnen. Voorbeelden daarvan waren 
de zoo genaamde godsoordeelen ; ook zou een zieke er 
zich aan schuldig maken, wanneer hij opzettelijk en 
beslist zou weigeren eenig geneesmiddel te gebruiken 
en alleen door een buitengewone tusschenkomst van 
God wilde genezen worden. De formeele beproeving 
Gods heeft als oorzaak een twijfel aan de volmaaktheid 
Gods; de interpretatieve beproeving Gods komt voort 
uit een ijdele nieuwsgierigheid of vermetelheid, die 
betrouwt, dat God iets zal doen om zijn macht te doen 
uitschijnen of de nieuwsgierigheid te voldoen. Daarom 
zijn beide een zonde tegen de deugd van godsdien- 
stigheid, omdat zij ten minste een oneerbiedigheid 
jegens God inhouden. > Godsoordeel. 

L i t. : S. Thomas, Summa theologica. (II II, q. 97) ; D. 
Prümmer, Manuale theologiae moralis (II, 4e en 5e uitg., 
Freiburg 1928, 424) ; B. H. Merkelbach, Summa theo- 
logiae moralis (II Parijs 1932, 773). A. Janssen. 

Bequemliclikcit (p h i 1 o 1 o g i e). Het 
bequemlichkeitsprincipe (Fr.: loi du moindre effort, 
Eng.: principle of economy) is een door oudere taal- 
geleerden aangenomen wet, volgens welke de klank- 
veranderingen in de meeste gevallen gemakzucht 
van den spreker, of het streven naar besparing van 
arbeidsvermogen tot oorzaak zouden hebben. Het eer- 
ste werd vooral door Georg Curtius (1820 — ’86), 
professor te Leipzig, betoogd, terwijl W. D. Whitney 
(1827 — 1894), professor te New York, vooral nadruk 
legde op de besparing van arbeidsvermogen. Hoewel 
de wet in haar algemeenheid niet meer wordt aan- 
genomen, geldt ze toch binnen het gebied van een 
zelfde articulatiebasis. Wat echter voor de eene 
articulatie-basis gemakkelijk is, is het juist niet voor 
een andere. Maar zoodoende wordt de waarheid in 
dit principe vervat, dus teruggebracht tot: Iedereen. 


593 


Bequille — Berastagi 


594 


spreekt volgens de hem aangeboren articulatie-basis. 
Zoo is voor een Hollander de gutturale ch het gemak- 
kelijkst, maar voor een Limburger de palatale ch. 

Bequille of staartsteun, staaf met be- 
schermingshoef aan de onderzijde, veerend bevestigd 
onder den staart van een vliegtuig. De b. dient als 
schokbreker voor den staart bij de landing en tevens 
als rem, om den uitloop van het vliegtuig te bekorten. 
Door de b. draaibaar te monteeren, gekoppeld aan het 
zijroer, kan zij tevens dienstbaar worden gemaakt 
aan de besturing van het vliegtuig op den grond. 

Franquinet. 

Beraad , Recht van (Ned. Recht), 
is aan den erfgenaam gegeven om de gesteldheid der 
nalatenschap te onderzoeken, ten einde te kunnen 
beoordeelen of hij deze zuiver of onder voorrecht van 
boedelbeschrijving zal aanvaarden of verwerpen. 
Daartoe moet hij dan een verklaring afleggen ter griffie 
der Rechtbank van het Arrondissement, binnen het- 
welk de erfenis is opengevallen, welke verklaring in 
het daartoe bestemde register wordt ingeschreven. 
Er is door de wet geen termijn voor het afleggen der 
verklaring gesteld; zoolang geen daad van aanvaar- 
ding is geschied, blijft de erfgenaam bevoegd van het 
recht van beraad gebruik te maken. Na het afleggen 
der verklaring wordt den erfgenaam te rekenen van 
den dag der aflegging een termijn van vier maanden 
gegeven om den boedel te doen beschrijven en zich te 
beraden, welke termijn zelfs om dringende redenen 
nog door de Rechtbank verlengd kan worden. Vgl. 
art. 1070 vlg. B.W. Maakt men van recht van beraad 
gebruik, dan kan gedurende voormelden termijn de 
erfgenaam niet genoodzaakt worden de hoedanigheid 
van erfgenaam aan te nemen, geen rechterlijke ver- 
oordeeling kan tegen hem worden verkregen en de 
uitvoering van vonnissen, ten laste van den overledene 
uitgesproken, blijft opgeschort. De zich beradende 
erfgenaam is verplicht als een goed huisvader voor 
het behoud van de goederen der nalatenschap te 
zorgen, hij moet zich echter onthouden van daden, 
waaruit een aanvaarding zou kunnen worden afgeleid. 
Slechts gedurende gemelden termijn kan de erfgenaam 
zich op het recht van beraad beroepen , daarna kan hij 
door de schuldeischers gedwongen worden, zich te 
verklaren of hij zuiver of onder voorrecht van boedel- 
beschrijving aanvaardt, of verwerpt. Dunselman. 

Belgisch Recht. Het recht van b. hoort toe 
aan den erfgenaam (art. 795 B.W.), alsook aan de 
gehuwde vrouw, bij de ontbinding van de gemeen- 
schap van goederen (art. 1457 B.W.), om hun toe te 
laten met kennis van zaken hun houding te bepalen, 
hetzij ten opzichte van de nalatenschap, hetzij ten 
opzichte van de huwelijksgemeenschap. De erfgenaam 
kan inderdaad zuiver aanvaarden, of onder voorrecht 
van boedelbeschrijving, of de nalatenschap verwerpen. 
De gehuwde vrouw kan de gemeenschap aanvaarden 
of verwerpen. In beide gevallen gaat een boedelbe- 
schrijving of inventaris vooraf. Na den inventaris 
of na verloop van den termijn om inventaris op te 
maken, beschikken de erfgenaam en de gehuwde vrouw 
over een termijn van veertig dagen om het recht van b. 
uit te oefenen (art. 795 2e lid en art. 1461 B.W.). 

V. Dievoet . 

Beraamde moord, > Moord. 

Beradt, Martin, Duitsch schrijver van 
democratisch gerichte vertelkunst en oorlogsverhalen. 
* 26 Aug. 1881 te Maagdenburg. 

Werken: Go (1909) ; Eheleute (1911) ; Das Kind 


(1913); Die Verfolgten (1913); Erdarbeiter (1918); 
Leidenschaft und List (1928) ; Schipper an der Front 
11929) ; Der deutsche Richter (essays, 1930). 

Berain, Jean Louis, teekenaar, graveur 
en architect te Parijs; * 1637, f 1711; maakte vele 
ontwerpen voor tooneeldécors, costuums, siersmeed- 
werk e.d. Dit vertoont veel fantasie en goeden smaak. 

Beraneck, Tuberculinevan, > Tuber- 
culino. 

Bérangcr, Pierre Jean de, Fransch 
liederdichter van de doctrinair-liberale richting. 

* 19 Aug. 1780 te Parijs, 1 16 Juli 1857 aldaar. In zijn 
vijf bundels Chan- 
sons (1815 — 1833), 
die hem in de ge- 
vangenis brachten, 
maakt B. het zing- 
bare, vlotte en fris- 
sche volkslied op- 
nieuw tot een mach- 
tig politiek wapen: 
al is de blik van 
B. zeer beperkt, de 
spot tegen Kerk en 
Kroon laag-bij-den- 
grondsch (le Dieu 
des bonnes gens), 
het ethisch ideaal 
nog eng -burger lijk, 
toch werd hij, om 
zijn in gevatten 
vorm gebrachte Napoleon-legende (Souvenirs du 
peuplc, Le Vieux sergent, Les Vétórans), zijn lichtelijk- 
sentimenteele liefde-romances, zijn vaak zeer gewaagde 
cabaret-liederen, die een oppervlakkig doorsnee-epicu- 
risme ademen, de afgod van de massa. B. is een meester 
in het hanteeren van vers- en strophenvorm, in het 
natuurlijk aanbrengen van het refrein, in de aan- 
schouwelijke teekening van miniatuurbeelden en den 
vluggen, sprongsgewijzen gang van het lied. 

U i t g. : Garnier, Oeuvres (4 dln. Parijs 1868 vl?.). ■ — 
L i t. : A. Arnould, B. (2 dln. Parijs 1864); J. Janin, 
B. et son temps (Parijs 1866) ; A. Boulle, B. (Parijs 
1908) ; S. Strowski, B. (Parijs 1913, Katholiek). Baur. 

Beraoc, landschap aan de Oostkust van Bomeo 
met gelijknamige rivier, waar zeer groote steenkool- 
voorraden zijn aangetoond (tot 60 lagen). 

Berapoen, berg (705 m) op het eiland Solor (Ned.- 
Indië, ten O. van Flores). 

Bérarcl, V i c t o r, Fransch historicus, philo- 
loog en politicus. * 1864 te Morez (Jura), f 1931. 
Buiten talrijke geschriften over de actueele politieke 
vraagstukken van Europa, is hij vooral bekend om 
zijn origineele opvatting over de Odysseia, welke hij 
neerlegde in zijn uitgave van het epos (3 dln. 1925), 
alsook in zijn voorbereidende studiën (Tntroduction 
h FOdyssée, 3 dln. 1924— ’25; Les Phéniciens et 
rOdyssóe (1902— ’03 en tweede uitg. in 1927); ver- 
der in Les Navigations d’Ulysse (4 dln. 1927 — ’29) en 
zijn vulgarisatiewerk: La Résurrection d’Homère (2 
dln. 1930). V . Poitelbergh. 

Berastagi of Brastagi, herstellings- en 
vacantieoord voor Sum. Oostkust op 1 600 m boven 
zee, ten N. van het Toba-meer op de Karo -hoogvlakte, 
tusschen de vulkanen Sibajak en Sinaboeng. Het ligt 
aan den weg van Medan naar de Alaslanden. Er w r orden 
reeds veel groenten en bloemen gekweekt voor Medan. 
Het klimaat is zeer gunstig. v . Vroonhoven . 



595 


Berat— Berberisachtigen 


596 


Berat, 1° Albaneesche prefectuur, 3 932 
km 2 , 142 166 inw. (1930). 

2° H o o f d s t a d der prefectuur B. (40° 42' N., 
19° 69' O.), 10 403 inw. (1930). Gr. Katholieke bis- 
schop. 

Beraud, 1° H e n r i, Fransch romanschrijver 
en letterkundig journalist van links. * 1885 te Lyon. 
Zijn romans, die meestal historische stoffen verwer- 
ken, verraden socialistische tendens; leuk-humoristisch 
is zijn caricatuur der diklijvigheid Le martyre 
de 1’obèse (1922). Zijn journalistiek werk o.m. 
in Le Petit Parisien is vinnig polemisch en dus dik- 
wijls onrechtvaardig. 

Werken: Le vitriol de lune (1922) ; Lazare (1924) ; 
Au capucin gourmand (1925) ; Le bois du templier 
pendu (1926) ; Ce que j’ai vu a Moscou (1926) ; Ce que 
j*ai vu a Berlin (1926); Mon ami Robespierre (1927); 
La gerbe d’or (1928). Baur. 

2° J e a n, Fransch genre- en portretschilder. * 31 
Dec. 1849 te Petersburg. Leerling van Bonnat te Pa- 
rijs. Werkzaam te Parijs. Sedert 1873 exposeert hij 
in den Parijschen salon. Schilderde hoofdzakelijkkleine, 
goed getypeerde en eenigszins realistisch opgevatte 
genretafereelen, interieurs en enkele landschappen. 
Een van zijn beste werken, Le cercle, werd aange- 
kocht door het Petit Palais te Parijs. B. maakte ook 
etsen. 

L i t. : L. Bénédite, De schilderkunst der 19e eeuw 
(vert. van G. H. Marius) ; Béraldi, Les graveurs du 
XIX siècle. de Stuers. 

Bern mi, 1° zijrivier van de Moldau in 
Tsjecho-Slowakije (50° N., 13° 45' O.). Tsjechisch: 
Berounka; ontstaat te Pilsen uit de samenvloeiing 
van Mies, Radbusa en Angel; stroomt even boven 
Praag in de Moldau. 

2° Stad aan de Beraun (49° 67' N., 14° 13' O.); 
Tsjechische naam: Beroun; 26 000 inwoners, meest 
Tsjechisch-sprekend. In het Siluurbekken van de 
Beraun rijke ijzerertslagen. Machine-industrie; ce- 
mentfabricage; katoenspinnerij. G. de Vries. 

Berauniet, monoklien mineraal van de samen- 
stelling 3Fe 2 0 3 2P 2 0 5 8H 2 0, voorkomend in den vorm 
van kristaldrusen. Voor de blaaspijp smelt berauniet 
gemakkelijk tot een zwart metaalachtig bolletje. 
Berauniet komt meestal samen met limoniet en 
hematiet voor, o.a. bij Scheibenberg in Saksen. Vaak 
treft men pseudomorphosen naar vivianiet aan. 

Hol steenge. 

Berberdialecten. De talen van het overgroote 
deel der inheemsche bevolking van Tunis, Algiers, 
Marokko (Berberstammen), verschillende in de Sahara - 
woestijn verspreide oases en van nog enkele andere 
aangrenzende gebieden, sluiten zoo nauw aaneen, 
dat ze gewoonlijk beschouwd worden als dialectische 
variaties van één oorspronkelijke grondtaal; men 
spreekt in deze opvatting eenvoudigweg van de B. 
Waarschijnlijk behoorde ook het Libisch en de taal der 
> Guanchen van de Canarische eilanden tot deze 
groep. Sinds de 7e eeuw, toen met den Islam ook het 
Arabisch in deze streken binnendrong, hebben de B. 
een zwaren strijd te voeren om hun bestaan; in de 
kolonisatieperiode (ong. een eeuw) kwam daarbij nog 
het Fransch. 

In phonetisch opzicht worden de B. vooral gekarak- 
teriseerd door een overvloed van emphatische klan- 
ken, laryngale zijn er veel minder dan bijv. in het 
Semietisch. De woordstammen bestaan meestal uit 
twee radicalen; de nomina worden in twee groepen 


verdeeld, die men resp. aanduidt als het genus mascu- 
linum en femininum. De index voor het woordgeslacht 
wordt tweemaal geplaatst, nl. vóór en achter den 
stam, een typische trek, die in de Berbermorphologie 
nog meer terugkeert. Men heeft bijv. amrar *= grijsaard, 
t-amrar-t = een oude grijze vrouw. De syntaxis der 
B. berust grootendeels op kwesties van woordschik- 
king; toch begint zich ook reeds een soort genitief 
te constitueeren („rapport d’annexion”). De woorden- 
schat is in alle B. bijna gelijk; er zijn vrij veel Arabi- 
sche leenwoorden opgenomen. Het totale aantal taal- 
sprekers bedraagt hier 6 k 7 millioen. 

De voorloop ig opgestelde verdeeling der B. is 
geographisch; men onderscheidt een N. en een Z.groep. 
De eerste wordt weer onderverdeeld in een O. en een 
W. helft, en verder in kust-(rif-)dialecten en berg- 
dialecten. Belangrijke B. zijn bijv. het Kabylisch uit 
het bergland van Algiers en Tunis; het Tamachek 
uit het Z.deel der Sahara; het Zenaga in Mauretanië, 
dat tot aan het stroomgebied van den Senegal reikt; 
het Shilh in Z.Marokko. Ondanks den hoogen graad 
van verwantschap verschillen al deze dialecten toch 
zooveel van elkaar, dat het mondeling verkeer tusschen 
sprekers van uiteenliggende streken niet zonder meer 
mogelijk is. 

De Franscke koloniale regeering heeft voor de studie 
der B. zeer groote verdiensten, vooral door het op- 
richten van leerstoelen te Algiers (Faculté des Lettres), 
Rabat (Ecole supérieure), enz. De leider van de op 
deze wijze ontstane school is R. Basset. > Hamie- 
tische talen. 

L i t. : Meillet-Cohen, Les langues du monde (Parijs 
1924, 134 vlg.). Wils. 

Berberich, L u d w i g, componist van Katho- 
lieke kerkmuziek (missen, motetten), koordirigent 
(sedert 1919 leider van het domkoor aan de O.L. 
Vrouwekerk te München) en als medeoprichter van het 
tijdschrift Sursum Corda benevens door talrijke op- 
stellen een invloedrijk propagandist voor de kerk- 
muziek. * 23 Febr. 1882 te Biburg. Reeser. 

Berberine, alkaloïde, voorkomende in vele 
Berberissoorten, in de Hydrastis Canadensis en andere. 
B. is een gele, gekristalliseerde verbinding; formule: 
Cgo H 19 N0 6 ; smeltpunt 144°; moeilijk oplosbaar in 
koud water, goed oplosbaar in warm water en in al- 
cohol, onoplosbaar in aether. De smaak is bitter. B. 
is een weinig giftige alkaloïde. In de geneeskunde wordt 
het vooral als tonicum toegepast. 

Berberis is een geslacht van bladverliezende en 
altijdgroene heesters, die wel als sierheester dienst 
doen. B. herbergt soms tarweroest. 

Berberisachtigen, Berberidaceae, 
een familie met 10 geslachten en 150 soorten. Zijn 
bewoners van de Noordelijke gematigde luchtstreken, 
behalve het geslacht Berberis, dat ook in de gebergten 
van tropisch Azië voorkomt en zelfs in Amerika langs 
het Andesgebergte, tot in de Zuidpunt van Z.Amerika 
te vinden is. Het nuttig effect dezer planten is gering. 
Van eenige soorten worden de zuurachtige vruchten 
gegeten, bijv. Berberis; van Leontice zijn de wortel- 
stok en knolvormige wortelvertakkingen van eenig 
nut voor de geneeskunde en van Hydrastis be- 
reidt men een gele kleurstof, die vroeger bij de 
N.Amerikaansche Indianen gebruikt werd. Vele 
soorten dienen als sierplanten voor den tuin, o.a. 
Nandina domestica, Epimedium alpinum, Berberis 
vulgaris en B. Aquifolium. Deze laatste ook Mahonia 
aquifolium genoemd, wordt veel in binderijen gebruikt 


597 


Berberpaard — Berchem 


598 


en wel speciaal voor grafkransen. De blauwe bessen 
hiervan leveren een soort moes, en na gisting een 
drank. Verder voor schadelijkheid der b., > Koren- 
velden, -*• Zuurbes. Bonman. 

Berberpaard behoort evenals het Arabische 
paard tot de Oostersche warmbloedpaardenrassen; 
wordt hoofdzakelijk gefokt in Marokko, Algiers, Tunis 
en Tripolis en heeft veel invloed gehad op de Euro- 
peesche paardenfokkerij (bijv. Andalusisch en Engelsch 
volbloedpaard). Het is iets grooter en sterker dan het 
Arabische paard; wordt ook veel gezocht als militair 
paard. Verhey. 

Berbers noemt men sinds de middeleeuwen de 
afstammelingen der Numidiërs en Mauretaniërs uit 
de oude geschiedenis. Hun woonplaats is het tegen- 
woordige N.Afrika. Dit nomadenvolk werd door de 
Mohammedaansche veldheeren Hasan en Moesa 
in de jaren 697/699 onderworpen; daarna versmolt 
het tot op zekere hoogte met de overwinnaars, wier 
zeden, karakter en levenswijze vrijwel gelijk waren 
aan de hunne. Zij gingen ook tot den Islam over. Abder 
Rahman, de eenige Oma jade, die in 765 aan het bloed- 
bad, dat onder deze familie werd aangericht, wist te 
•ontkomen, vluchtte naar de B. en dank zij hun hulp 
kon hij naar Spanje ontkomen, alwaar hij het kali- 
faat van Cordova stichtte (756). De kaliefen 
van dit rijk hebben, in hun strijd tegen de Spaansche 
Christenvorsten, altijd veel steun gehad van de B. 
Tijdens een der vele twisten tusschen Alieden en 
Soennieten in het begin der 10e eeuw bedreigden de 
B. de bijzondere positie, welke de Arabieren in de 
wereld van den Islam innamen. De onttroning van 
den Omajadenkalief Hisjam II in 1009 gaf aanleiding 
tot een serie ruwe burgeroorlogen, waarbij de tegen- 
stelling tusschen Arabieren en B. zeer scherp tot uiting 
kwam. Dank zij hun steun kon de Almoravide (Mora- 
biet) Joesoef ibn Tasjfin, de heerscher van Marokko 
in Zuid -Spanje, tegenover de Christenvorsten stand 
houden. De wilde strijdvaardigheid van dit ruwe 
nomadenvolk bleef de kracht, waarop de Islam in 
Spanje moest steunen. Alle nieuwe families van 



Berberburcht in Marokko. 


heerschers, die de volgende eeuwen in Marokko aan de 
regeering kwamen, komen iederen keer voort uit de 
kracht der ruwe Berbers. 

L i t. : H. Fournel, Les Berbers, étude sur la conqucte 
de 1’Afrique par les Arabes (2 dln. 1875 — 1881); V. Piquet, 
Les civilisations de 1’Afrique du Nord, Berbères, Arabes, 
Turcs (l 909 )- Slootmans. 

Berbice, in Engelsch Guyana sinds de 17e eeuw 
een bezitting der West-Indische Compagnie, ging in 
1781 en 1796 tijdelijk en in 1804 blijvend aan de 
Engelschen over. 


Berbice- Crcoolseh is een heterochtoon Cre- 
oolsch-Nederlandsch dialect, dat in de 18e eeuw aan 
de Berbice gesproken werd. Van deze taal resten ons 
slechts twee briefjes, geschreven door de hoofden van 
den Slavenopstand in 1763 en gericht aan den gouver- 
neur Van Hogenheim. Zij worden in ’s Rijks Archief 
bewaard en den tekst ervan vindt men ook o.a. in 
D. C. Hesseling, Het Negerhollands der Deense 
Antillen (1905). 

De afwijkingen van dit neger-Hollandsch t.o.v. de 
Ned. taal zijn niet erg groot. Creoolsch in den vollen 
zin van het woord is dit taaltje niet. De schrijvers 
wilden zeker Nederlandsch schrijven, maar de inwer- 
king van het vreemde idioom is toch heel duidelijk, 
zooals bijv. uit het gehaspel met de vervoeging en de 
verbuiging blijkt. Dit toevallig bewaarde taalrelict 
is een getuigenis voor het feit, dat in die plaatsen 
waar wij eertijds gekoloniseerd hebben, doch die wij 
later w r eer verloren, er soms toch een Creoolsch- 
Nederlandsch taaltje ontstond, al is dit inmiddels 
weer uitgestorven. De Berbice immers is een tijdje 
door Nederlanders gekoloniseerd geweest. Weijnen . 

Berbrock, gem. in de prov. Limburg, ten W. 
van Hasselt, ca. 650 inw.; opp. 649 ha; zand- en klei- 
achtige grond; landbouw. 

Berceo, Gonzalo de, oudst bekende Spaan- 
sche dichter; * 1180 te Berceo (?), f 1246 aldaar. Opvoe- 
ding in het Benedictijn erklooster van San MilUn de 
la Cogulla, nabij Najera (Rioja), wereldgeestelijke, 
daarna Benedictijnermonnik in genoemd klooster. 
B. wordt beschouwd als de vader der Spaansche dicht- 
kunst, en is de verdienstelijke voorlooper van de 
geïnspireerde mystici van de Gouden Eeuw der Spaan- 
sche literatuur. Zijn meeste werken zijn vertalingen 
of imitaties. Zijn taal is schilderachtig, expressief, 
welluidend, bekoorlijk door eenvoud. De strijdvraag 
over het auteurschap van „Libro de Alejandro” (1250), 
dat door sommigen aan Berceo, door anderen aan Juan 
Lorenzo de Segura w r ordt toegeschreven, vindt moge- 
lijk haar einde door de bewering van den Duitschen 
criticus G. Baist, die zegt een nieuw 7 handschrift te 
hebben gevonden, waarin gezegd wordt: 

„Si queriedes saber quien fiso este dictado 
„ > Gon^ale de Berceo es por nombre clamado” 
„>Natural de Madrid, en San Mylhan criado.” 
(Wenscht gij te weten, wie dit dictee schreef, 

Het is Gonzalo de Berceo, met name genoemd, 
Geboortig uit Madrid, opgevoed in San Milldn.) 
Voorn, werken: El Martirio de San Lorenzo ; 
Vidas de Santo Domingo de Silos, — de San Milldn, — 
de Santa Oria Virgen ; los Milagros de N. Senora ; Los 
Signos del Juicio. — U i t g. : A. Gómcz (1655, met 
compendium) ; T. A. S&nchez (1779, volledig) ; J. Hook- 
ham Frère (Londen 1830) ; La Biblioteca de Autores 
Espanoles (LVI Rivadeneyra). — L i t. : G. Baist, 

Romanische Forschungen (VI, 292) ; R. Anchetas, 
Gramatica y diccionario de Berceo (bekroond door de 
Academia Espanola ; Madrid 1904). Borst . 

Berceuse (Fr.), wiegelied. 

Berch, > Goossen ten Berch. 

Berchem, voorstad van Antwerpen. Opp. 566 ha, 
ca. 43 000 inw. Leem- en zandgrond. Linoleum-, 
olie-, bloemfabrieken; brouwerijen. De bevolking 
leeft van nijverheid en handel. B. telt 5 parochiën: 
St. Willebrordus (dekenaat Antw. 2e district), St. 
Hubertus, O.L.V. Middelares, H. Drievuldigheid, 
H. Sacrament (bediend door Norbertijnen). De Car- 
melieten bedienen de parochie der H. Teresia, gelegen 
op Berchem en Luithagen-Mortsel. 


599 


Berchem — Berckheyde 


600 


Nationale Basiliek van het H. Hart (Dochters van 
het H. Hart v. J. v. Rome). St. Mariagasthuis en St. 
Annagodshuis (Z. Maricollen), Z. Annonciaden (Ond.), 
Damen der H. Familie, Zusters van O.L.V. van Namen 
(Onderwijs), Franciscanessen v. Herentals, Instituut 
Nottebohm voor huidziekten (Z. August inessen). 
Volledige Lat. en mod. humaniora voor jongens in St. 
Stanislasgesticht (842 leerl.). De Berchemsche school- 
kolonie zendt zwakke kinderen naar zee (Clemskerke 
voor jongens) en naar de Kempen (Ravels voor meisjes). 
Het werk „Onze kinderen” verschaft raad aan jonge 
moeders. Prov. raadplegingsbureel voor teringlijders. 
Berchemsche Verplegersver. van het Roode Kruis. 

In 1830 werd een gevecht geleverd te B., waar graaf 
Frederik de Merode gekwetst werd. Begraven te B. 
(monument). Striels. 

Berchem, 1° Jachet de, Ned. componist, 
waarschijnlijk uit Berchem bij Antwerpen afkomstig, 
in 1555 orgelist van den hertog van Ferrara, schrijver 
van madrigalen en missen. De authenticiteit van wer- 
ken alleen met den voornaam Jachet of Giachet ge- 
merkt, moet tusschen B., Jachet de Mantua, en de 
beide Nederlanders Jachet de Wert en Jachet Buus 
vastgesteld worden. Lenaerts 

2° Lambert van, > Lambertus van Ber- 
chem. 

3° N i c o 1 a s, schilder en etser te Haarlem, later 
naar Amsterdam. * 1620, f 1683. Hij maakte jong een 
reis naar Italië; de indrukken uit dat land drukten een 
blijvenden stempel op zijn kunst. Hij was zeer vrucht- 
baar, schilderde bijna uitsluitend landschappen, 
waarvan vele met herders en kudden. Tijdens zijn 
leven reeds hoog geschat, zoodat hij een der weinige 
kunstenaars was, die fortuin maakten. Zijn werken 
waren zoo populair, dat er tot in de 18e eeuw toe 
tallooze gravures naar gemaakt werden door Holland- 
sche en Fransche prentkunstenaars. Zie pl. t/o kol. 578. 

L i t. : v. Wurzbach, Niederl. Künstlerlex. 

Schreden . 

Berchen, > Willem van Berchen. 

Berehet, G i o v a n n i, Italiaansch dichter, 
* 23 Dec. 1783 te Milaan, f 23 Maart 1851 te Turijn; 
studeerde eerst in de rechten, maar wijdde zich later 
gansch aan de literatuur en behoorde weldra tot de 
beste dichters der school, die er naar streefde den 
volksgeest door nationale gedichten en door de herin- 
nering aan de gouden eeuw der literatuur te sterken en 
te veredelen. Om zijn politieke ideeën verdacht, 
vluchtte hij en verbleef tot 1829 als boekhouder te 
Londen, reisde dan als begeleider van markies Giu- 
seppe Arconati door Frankrijk, België, Duitschland, 
Griekenland en keerde pas in 1848 naar zijn vaderstad 
terug, w r aar hij door de voorloopige regeering tot 
minister van Onderwijs benoemd werd. 

De bezieling en de warme kleur van zijn gedichten 
hebben Berehet tot een lieveling van zijn volk gemaakt. 

Werken: o.a. Romanze (1822 — *24) ; Profughi di 
Parga (Londen 1824) ; Fantasie (Parijs 1829). Volledige 
uitgave door Cusani (Milaan 1863), door Bellorini 
(1911 — ’12). — L i t . : Pasanisi, Giovanni Berehet 
(Turijn 1888) ; Mazzoni, La poesia patriottica di G. B. 
(Florence 1898) ; Barbiera, I poeti della patria (Turijn 
1911) ; F. Santoro, Vita ed opere di G. B., met bloem- 
lezing door Bellorini (Livorno 1915). Ulrix. 

Bercheure, P i e r r e, > Bersuire. 

Berchmans, 1° Joannes, Heilige, Jezuïet. 
B. is een voorbeeld van de meest nauwgezette plichts- 
betrachting, ook in de geringste zaken; hieraan paarde 
hij groote vroomheid en blijde opgewektheid en min- 


zaamheid. Zijn leven toont, hoe de w r are heiligheid 
niet bestaat in het verrichten van buitengewone, 
opvallende of wonderbare dingen, maar in het vol- 
maakt en gestadig vervullen van de kleine dagelijksche 
plichten. * 13 Maart 1599 te Diest (België), f 13 Aug. 
1612 te Rome. Uit arme ouders geboren; studeerde 
eerst bij den pastoor zijner parochie, den Norbertijn 
Peter van Emmerick uit Den Bosch; daarna te Meche- 
len bij kanunnik Froymont en op het Jezuïetencollege 
aldaar. Deu 24 Sept. 1616 trad hij te Mechelen in het 
noviciaat der Sociëteit van Jezus. Hij begon in 1618 
te Antwerpen de studie der philosophie, die hij nog 
hetzelfde jaar te Rome aan de Gregoriaansche Univer- 
siteit ging voortzetten. Hij stierf aldaar, nog vóór 
het voleindigen zijner studie, op 22-jarigen leeftijd. 
9 Mei 1865 w r erd hij zalig-, 16 Jan. 1888 heilig- 
verklaard. 

L i t. : Schoeters, De H. Joannes Berchmans (Alken 
1930), waarin uitvoerige literatuurlijst. v. Hoeck. 

2° J o h a n n a, > Courtmans. 

Berchoux, J o s e p h, Fransch dichter van 
didactische werken, waarvan de stof ontleend werd 
aan de alledaagsche werkelijkheid; zijn vers: Qui nous 
dólivrera des Grecs et des Romains? (1801) w r erd een 
programmapunt in den strijd voor de romantiek. 
* 1765 te Lay lez-S. Symphorien, f 1838 te Marcigny. 

Werk: La gastronomie (1801). — U i t g. : Oeuvres 
(4 dln. Parijs 1829). — L i t. : Collombet, Notice sur 
J. B. (Lyon 1841). Baur. 

Berehtescjaden, 1° gebied tusschen 
Saalach en Salzach (Z.O. Beieren), dat een bekken- 
landschap vormt, daar de zachte Triaslagen werden 
weggenomen. Het mooist is het gebied om de Königs- 
see, een tongbekken uit den tijd, dat de gletsjer zich 
terugtrok, en w aaruit de steile rotswanden tot 1 600 m 
oprijzen. In het W. ligt de Watzmann (2 714 m), 
in het Zuiden Steinernes Meer, in het Oosten Hohe 
Göll en Hagengebergte. 

2° S t a d j e in het Beiersch regeer ingsdistrict 
Oberbayem, aan de spoorlijn Reichenhall-Salzburg. 
(Zie plaat bij artikel Beieren t^nover kolom 305.) 
576 m boven zeeniveau; ca. 3 300 inw. Zoutbaden ter 
behandeling van catarrhe der bovenste luchtwegen 
(inhalaties) en stofwisselingsstoornissen; het stadje 
wordt ook ’s winters steeds meer bezocht. Bekend ook 
om het houtsnijwerk. Ten N. van de stad worden zout- 
lagen geëxploiteerd. De pekel wordt, voor zoover niet 
gebruikt, door blusleidingen naar Reichenhall gevoerd. 

Lips. 

Bcrcli van Heemstede, jkvr. C. van den, 
schilderes, * Maart 1885 te Neer Langbroek. Studeerde 
aan de Haagsche Academie onder Frits Jansen en 
J. Aarts. Schilderde portretten, genretafereelen en 
stillevens. 

L i t. : Alb. Plasschaert, Holl. Schilderkunst. 

Bcrekhevde, 1° G e r r i t, schilder te Haarlem, 
bijna uitsluitend van stadsgezichten. * 1638, f 1698. 
Zijn talrijke werken hebben een groote documentaire 
waarde, maar zijn ook aesthetisch van belang; zij zijn 
liefdevol geschilderd en vertoonen een groote rust en 
evenwicht. De meeste Ned. musea bezitten stalen 
van zijn kunst. 

Lit. : v. Wurzbach, Niederl. Künstlerlex. 

2° Job, schilder te Haarlem, broeder van 
Gerrit B., * 1630, f 1693. Hij had een uitgebreider 
repertoire dan Gerrit B., schilderde ook veel architec- 
tuur, maar daarnaast interieurs, landschappen en 
bijbelsche voorstellingen. Zijn werken zijn niet zoo 


601 


Berckhout — Beren-eiland 


602 


talrijk; uitnemende stukken in de musea te Amsterdam, 
Haarlem, Dresden, enz. 

L i t. : v. Wurzbach, Niederl. Künstlerlex. 

Schreden, 

Berckhout, G. W., misschien juister Berck- 
hont, Noord-Ned. schilder, ca. 1650. In het Rijks 
Museum te Amsterdam bevindt zich van B. een gezicht 
op het kasteel van Egmond (gedateerd 1653). 

Berckman, Hendrik, portretschilder te 
Middelburg, ook te Leiden en Haarlem; * 1629, 
f 1679; gevierd in zijn tijd; kreeg belangrijke opdrach- 
ten, o.a. voor schuttersstukken (die verloren zijn). 

L i t. : v. Wurzbach, Niederl. Künstlerlex. 

Berckmans, Joris Frans Xaveer, 
prins der kamer d’Ongeleerden te Lier, waarvoor hij 
jarenlang de tooneelstukken leverde. Waarschijnlijk 
geb. te Lier, f aldaar 7 Juni 1694. 

L i t. : zie bibliogr. door G. Segers, in Leven en 
Werken der Zuid-Ned. schrijvers (afl. I 72 vlg.). 

Berek-IMagc, badplaats in het dept. Pas de 
Calais (Frankrijk). Talrijke sanatoria voor lijders aan 
been- en gewrichtstuberculose bevinden zich nabij 
het zeer breede strand. De plaats (10 000 inwoners 
en 3 500 zieken) geniet op dit gebied een gunstige 
reputatie. v. Uaeff. 

Berck-sur-Yler, zeebadplaats aan den Seine- 
mond. Zeehospitiën voor kinderen. 

Ber^uire, P ierr e, > Bersuire. 

Berdiaeff, Nikolaas Alevandro- 
w i t s j, Russ. philosoof, * 6 Mei 1874; in 1900 om 
politieke redenen voor drie jaar uitgewezen; in 1922 
door de Sovjet verbannen als anti-communist; thans 
in Parijs. Vertolkt, wat er religieus leeft en hoopt onder 
de ontwikkelde Russ. emigrés. Bestudeert in zijn 
van zware studie en godsdienstig beleven getuigende 
cultuurbeschouwingen de invloeden van de geestelijke 
factoren (Christendom, Humanisme, Socialisme) op 
de moderne menschheid. Duitsche, Fransche en Eng. 
vertalingen van zijn voornaamste werken: Der Sinn 
des Schaffens (1916); Weltanschauung Dostojewskijs 
(1923); Das neue Mittelalter (1924); Le problème du 
Communisme (1933). Boosten. 

Berditsjjevv, stad in de Oekraine, ten Z.W. van 
Kijew; 60 000 inw., hoofdzakelijk Joden. In het 
Russisch beteekent „hij komt van B.”: hij is een Jood. 

Berdjansk, stad in de Oekraine, aan de Zee van 
Azow; 3Ö 000 inw. 

Berdorf, gem. in het groothertogdom Luxem- 
burg, ten W. van Echtemach; ruim 900 inw., opp. 
2 193 ha. Toeristisch centrum: aantrekkelijke natuur- 
landschappen en kasteden in de omgeving; beziens- 
waardige kerk met Romeinsche beeldhouwkunst. 

Bcrea, bijb. plaats in Palestina, vermeld in de 
oorlogen der Macchabeeën (1 Mac. 9. 4). Wellicht 
= Hebr.: Birat = het huidige El Bire? 

Bcrccci, Bartolomeo, Ital. bouwmeester 
on beeldhouwer uit de eerste helft der 16e eeuw. Door 
Sigismond 1 naar Polen geroepen, bouwde hij voor 
hem een grafkapel in de kathedraal van Krakau 
(1530), die gerekend wordt tot een der hoofdwerken 
van de Ital. Renaissance buiten Italië. Tevens was 
hij daar werkzaam aan den heropbouw van het ge- 
deeltelijk af gebrande koninklijk paleis. Door een land- 
genoot gedood (1537), werd hij begraven in Kazimircz 
(bij Krakau). 

Lit.: Ciampi, Notizie di medici, pittori ecc. italiani 
in Polonia (1831) ; Luszczkiewicz, B. B. (1897). 

Knipping . 


Berechting, term in Zuid -Nederland gebruikt 
voor > Bediening. 

Beregisus, Heilige, Benedictijn. * ca. 707, 
f na 725. Feestdag 2 Oct. Hij ontving zijn opvoeding 
te S. Truiden en werd de eerste abt van het door 
Pepijn van Herstal en Plectmdis in de Ardennen 
gestichte klooster Andain of Andage, waarvan weinig 
bekend is, voor er de Regel van den H. Benedictus 
werd ingevoerd (817) en de relieken van S. Hubert 
er werden overgebracht (825); sindsdien werd het 
S. Hubert genoemd. 

L i t. : Acta SS. Oct. (I 1866, 494 vlg.) ; Acta SS. O.S. 
B. (IV 1, 1677, 294 vlg.). Lindeman . 

Berekendheid (Lat. prudentia camis) is de on- 
deugd, die staat tegenover de ware voorzichtigheid. 
Zij is het, die den mensch gestadig met juist oordeel 
en doortastendheid die middelen doet aanwenden, die 
hem brengen tot datgene, wat hij als hoogste en boven 
alles te bereiken goed nastreeft, bijv. aardsche macht 
of rijkdom. Niet de zedenwet, maar de al of niet ge- 
schiktheid voor dat doel wordt dan de voornaamste 
norm van handelen. 

Een voorbeeld van b. is de onrechtvaardige rent- 
meester uit het Evangelie (Lc. 16). Daarom zeide 
Christus van menschen, die op hem gelijken: in hun 
soort zijn zij voorzichtiger dan de kinderen des lichts, 
d.i. hun aardsche voorzichtigheid doet hen met 
scherper oordeel en grooter doortastendheid naar hun 
aardsch doel streven dan de kinderen des lichts 
naar het ware einddoel van den mensch, het eeuwige 
leven. 

Lit. : S. Thomas, Sum. Theol. (II II, q. 55). 

Bender. 

Berekening. Met het oog op materiaal-, dus 
gewichts- en kostenbesparing, moeten de onderdeden 
der gebouwen, machines, schepen, enz. zoo nauwkeurig 
mogelijk worden berekend met behulp der mechanica, 
die daardoor een steeds bclangrijker plaats in de 
ingenieurswetenschap inneemt. 

Beren-berg , 2 545 m hooge vulkaan op N. Jan 
Mayen, hoogste vulkaan van het arctisch gebied. In 
1732 had hij nog ascherupties. Hij heeft veel parasiet- 
kegels, oude lavastroomen tot in zee, sneeuw tot 
700 m en gletsjers tot aan zeeniveau. De bovenrand 
daalt steil af in een bijna 1 000 m wijden krater. 

fr. Stanislaus. 

Berendrecht , Belg. gem. in de prov. Antwerpen, 
op den rechteroever der Schelde, 17 km ten N. van 
Antwerpen. Opp. 1 154 ha, ca. 2 500 inw. Zware 
poldergrond. Sncllekreek. Gotische kerk (St. Jan 
Baptist), uit het einde der 14e eeuw en hersteld in 
1870. Bedevaart naar het beeld van O.L.Y. van den 
Hagelberg. Zusters van O. L. Yr. van Barmh. en van 
St. Vincent ius a Paulo. Striels. 

Bercndtzen, Henricus, priester; * Dec. 
1719 te Didam, f 8 Apr. 1797 te Maarsen; studeerde 
te Douai, werd 1742 pr. gewijd, werkte als kapelaan 
in Gelderland en Utr., was pastoor te Muiden (1746), 
Bunnik (1762), Utr. (1766) en Maarsen (1768—1797), 
bovendien 1766 — 1797 aartspriester van Utr. Hij 
schreef enkele apologetische werkjes. 

Lit.: J. H. Hofman in Arch. ab. Utr. (XXXII, 
163 vlg.). Rogier. 

Beren-eiland, Noorsch B j ö r n ö y a, eiland 
tusschen Skandinavië en Spitsbergen (74° 30' N., 
19° O.). De opp. is 178 km 2 en het hoogste punt is de 
539 m hooge Urdtop. Het eiland werd in 1596 door de 
Rijp ontdekt. Het is een weerstandskrachtige abrasie- 


603 


Berengarius— Berengosus 


604 


rest van het plateau, waarop Spitsbergen gelegen is. 
Ook politiek hoort het tot Svalbard en daarmee tot 
Noorwegen. Het Z. is bergland, een rest van de Cale- 
donische plooiing met Dolomiet, Kalk, Kwarts iet 
en Leisteen van de Hekla-hoekformatie, inhetMisery- 
massief nog bedekt met Devoon, Carboon en Trias. 
Het N. is een rots- en merenvlakte met Devoonsche 
en Carboonsche steenkoollagen in het zandsteen. 
Februari heeft een gemiddelde temp. van — 9°. De 
zomers hebben veel mist en nevel. Het eil. heeft geen 
echte gletsjers. Er zijn veel vogels: de Vogelberg in 
het Z. is een groote vogelkolonie. De steenkool ligt 
meestal in dunne lagen en heeft een groot aschgehalte. 
In het N.O. bij het Zalm- en Haussmeer begon in 1916 
de Björnöen A. S. met de exploitatie. In verband 
hiermee ontstond er een kleine nederzetting, Tunheim, 
met 100 a 200 bewoners. In 1925 is de exploitatie 
gestaakt. Zuidhaven is uitgangspunt voor de walvisch- 
vangst. Het eil. heeft een meteor. station. 

fr. Stanislaus . 

Berengarius, 1° markgraaf van I v r e a, 
zoon van Adalbert van Ivrea en Irmingard, f 966 te 
Bamberg. Om aan de harde hand van den Ital. koning 
Hugo van Provence te ontkomen, was hij naar Duitsch- 
land gevlucht. Vandaar in 945, gesteund door den 
Duitschen adel, met een leger naar Italië terugge- 
keerd, werd hij door de bevolking begroet als haar 
bevrijder uit de tyrannie der Bourgondiërs. Toen Hugo 
in 948 en diens zoon Lotharius in 950 gestorven waren, 
werd B. meester van bijna geheel Noord -Italië, doch 
toonde zich een hardvochtig en tyranniek vorst. Hij 
wendde pogingen aan om Lotharius’ weduwe, Adelheid 
van Provence, met zijn zoon Adalbert te doen huwen. 
De kwellingen, de vrome Adelheid aangedaan, om 
haar te dwingen, wekten algemeene verontwaardiging, 
niet in het minst bij koning Otto I, dien dit alles 
versterkte in zijn wensch een tocht naar Italië te 
ondernemen, om B. te straffen voor het breken van 
zijn leeneed. Otto kon zonder moeite voorwaarts 
rukken, werd door de ltaliaansche grooten als koning 
gehuldigd (951) en huwde kort daarop zelf met Adel- 
heid. B. kreeg het ltaliaansche koninkrijk in leen. 
De opstand der Hongaren werd door B. benut om 
zijn leenhoorigheid wederom op te zeggen en zijn oude 
wijze van regeeren te hervatten. Nu riep paus Johannes 
XII koning Otto te hulp en na wisselende krijgskans 
werd B. onderworpen. Hij en zijn roekelooze gemalin 
Willa moesten de rest van hun leven in verbanning 
te Bamberg slijten. 

L i t. : Dönnigcs, Otto I ; verder Berengarius van 
Friaul. Slootmans. 

2° Een graaf in de Lommegouw in de eerste helft 
der 10e eeuw, misschien eerste graaf van Namen. 

Berengarius 1 van Friaul stichtte op het 
eind der 9e eeuw het onafhankelijk markgraafschap 
Friaul aan de Noordgrens van Italië. Na de onttroning 
van Karei den Dikken (888) streed hij met hertog Guido 
van Spoleto om de heerschappij over geheel Italië 
en om de keizerskroon. Aanvankelijk teleurgesteld, ver- 
kreeg hij ze na veel strijd in 915 van paus johannes X, 
doch werd in 924 te Weenen vermoord. 

Het keizerschap was na zijn dood vrijwel zonder 
beteekenis, tot het door Otto I weer tot ongekenden 
luister werd gebracht. 

L i t. : L. M. Hartmann, Geschichte Italiens im 
Mittelalter (3 dln. 1903-1908). Slootmans. 

Berengarius van Tours, theoloog en ultra- 
dialecticus; * 998, f 1088; leerling van Fulbert van 


Chartres, die hem reeds een valschen en gevaarlijken 
geest noemde; 1031 kanunnik-scholaster aan de 
St. Martinuskerk te Tours; 1040 aartsdiaken te Angers. 
Volgens zijn tegenstander Lanfranc wilde hij de 
geloofswaarheden aan de beoordeeling der rede onder- 
werpen en hij paste dit rationalistisch beginsel toe op 
de leer der H. Eucharistie. Het Concilie van Reims 
(1049) veroordeelde zijn leer; door zijn vurige pro- 
paganda en de stelligheid zijner beweringen werd 
hij echter zeer gevaarlijk; paus Leo IX achtte dc eerste 
v^roordeeling onvoldoende en riep een concilie bijeen 
te Rome, dat B. veroordeelde en hem gelastte te ver- 
schijnen op een conc., dat in hetzelfde jaar te Vercelli 
zou gehouden worden, aan welk bevel hij niet voldeed. 
Te Vercelli werd na rijp beraad zoowel de leer van B. 
veroordeeld, als het boek van Scotus Eriugena, waarop 
hij zich beriep. B. onderwierp zich niet; er ontstond 
zelfs een oproerige beweging en koning Hendrik I riep, 
zonder den paus daarin te kennen, een nationaal 
conc. bijeen te Parijs (1051). Ook hier werd B. veroor- 
deeld. De paus zond, om zijn gezag te doen gelden, 
Hitdebrand (later Gregorius VII) met kardinaal Hugo 
naar Frankrijk. Hildebrand riep in 1054 een conc. 
bijeen te Tours en stelde B. voor de keus zich te 
onderwerpen of de vergadering nogmaals uitspraak te 
laten doen. Nu onderwierp B. zich en onderteekende 
de stelling: „Na de Consecratie is er op het altaar niet 
meer brood en wijn, maar het Lichaam en Bloed van 
Jesus Christus”. Toch bleef hij niet standvastig. In 
1059 moest hij weer voor een Romeinsehe synode 
verschijnen, thans onder voorzitterschap van Nico- 
laas II en een nieuw formulier onderteekenen. Wederom 
viel hij in zijn dwaling terug. In 1073 schreef hij „De 
Sacra coena”: op grond van een sensualistische ken- 
theorie loochent hij de wezensverandering van brood 
en wijn, omdat met het wezen ook de accidenten zouden 
moeten veranderen. De strijd ging echter niet alleen 
om het behoud van het dogma, maar ook om de toelaat- 
baarheid van het gebruik der dialectische methoden op 
geloofsgebied. Gregorius VII beriep thans den tachtig- 
jarige naar Rome en behandelde hem zeer welwillend, 
wijl hij klaagde in Frankrijk niet veilig te zijn. Op de 
Romeinsehe synode van 1079 onderschreef hij wederom 
het hem voorgelegde formulier. Nog eenmaal moest 
hij voor een synode verschijnen in Bordeaux (1080), 
doch bleef verder rcchtgeloovig. 

Hij stierf op het eiland St. Come bij Tours. Eenigen 
zijner leerlingen zetten de ketterij voort, die echter 
weldra uitstierf. 

Het is niet juist, dat de opheffing der H. Hostie 
na de Consecratie van het brood is ingevoerd na de 
veroordeeling van B., om tegen diens ketterij te pro- 
testccrcn. 

Werk: De sacra coena (uitg. Vischer, Berlijn 

1834). — L i t. : Bottemannc, Berengarius van Tours, 
in De Katholiek (XXXIV tot XL 1858— ’61) ; M. Grab- 
manz, Geschichte der schol, methode (I Freiburg 1909, 
218-224) ; Th. Heitz, Essai hist. sur les rapp. entre la 
phil. et la foi de Bér. de Tours è, S. Thomas d’Aquin 
(Parijs 1909) ; Heurtevent ; Durand de Troarn et les 
origine8 de 1’hérésie bérengarienne (1912). 

Slootmans . 

Bcrenger-Mellon overeenkomst, > Oor- 
logsschulden. 

Berengosus (Berengotius), abt van St. 
Maxim inus te Trier omstr. 1112, verkreeg van 
Hendrik V voorrechten voor zijn abdij. Schreef over 
het H. Kruis en andere reliquieën, o.a. over het huis 
van St. Helena te Trier, doch niet over den H. Rok. 


605 


Berenice — Beresford 


606 


Gezwollen stijl, voorliefde voor getallensymboliek, 
woordspelingen en schriftuur citaten. 

Werken: De laude et inventione S. Crucis ; De 
mysterio ligni dominici ; De luce visibili et invisibili ; 
Sermones, o.a. de veneratione reliquiarum. — U i t g. : 
Keulen (1555) ; Bibliotheca maxima Patrum, XII 
(Lyon 1677 vlg.) ; Migne, Patrologia latina (CLX, 935 
vlg.). — L i t. : S. Beissel, Geschichte der Tricrer 
Kirchen, ihrer Beliquien und Kunstschatze (I Trier 
1887, 128). H. Sauerland, Trierer Geschichtsquellen 
(1889), schrijft B. een Vita S. Agritii toe. Lampen. 

Berenice, 1° naam van vsch. vrouwen uit het 
koningsgeslacht der Ptolemaeën. Eén ervan was de 
dochter van Ptolemaeus II Philadelphus en echt- 
genoote van Antiochus II Theos, in het boek Daniël 
(XI. 6) „dochter van den koning van het Zuiden” 
genoemd. 

2° Naam van twee Joodsche prinsessen uit de dyn- 
astie van Herodes den Grooten. De eene was de 
echtgenoote van Aristobulus, een zoon van Herodes 
en Mariamne.Zij werd de moeder van Herodes Agrippa I 
(10 v. Chr.). De andere was de oudste dochter van 
Herodes Agrippa I, oorspr. gehuwd met Herodes van 
Chalcis, later met Polemon van Cilicië. Daarna leefde 
lij eenigen tijd met Titus te Rome. Simons. 

De bekendste bewerking van deze episode is die 
van Jean Racine (1670), een tragedie. In 1677 werd 
het stuk vertaald in het Engelsch door Thomas Otway, 
onder den titel Titus and Berenice. Otway heeft er 
veel veranderingen in aangebracht. Een zeer goede 
Engelsche vertaling verscheen pas in 1922 van de hand 
van John Masefield. B. behoort tot de meestgeliefde 
thema’s voor kunstenaars. 

L 1 1. : Léonie Villard, B. en Angleterre in Rev. de 
PUniversité de Lyon (1928, 105-113). Gielen. 

3° (Ook B e r n i c e, Vcronica), volgens de 
legende de naam der vrouw, die aan bloedvloeiing 
leed en later voor Pilatus verscheen om voor Christus 
te getuigen. 

Macarius van Magnesia verheft haar tot prinses, 
waarschijnlijk naar aanleiding van de gelijknamige 
prinsessen uit het geslacht van Herodes. Soms ver- 
eenzelvigd met de H. Veronica. J. v. Rooij. 

Berenice, Haar van, > Coma Berenices. 

Berenklauw, H e r a c 1 e u m, is een geslacht 
van de familie der schermbloemigen (Umbelliferae) 
met 60 soorten. Heracleum sphondylium wordt als 
jonge plant voor veevoeder gebruikt, doch H. sibiri- 
cum is hiervoor veel beter geschikt. Vele soorten zijn 
vanwege hun bladeren en ornamentalen groei gezocht 
als tuinplant en wel bijzonder H. mantegazzianum. 
De b. wordt wel gebruikt als volksgeneesmiddel 
(Duitsch: Heilkraut). Bouman. 

Berenkop, Hydnum coralloides var., Caput ursi, 
een variatie van de > koraalzwam, met kortere 
takken, waaraan knolvormige verdikkingen. Weegt 
somtijds 2 kg. Komt bij ons zelden voor. 

Berenoor (plant k.), > Primula. 

BercMirivier (Bear-river), is de naam van drie 
rivieren in N. Amerika. 1° Een rivier, die ontspringt 
in het Rotsgebergte, ongeveer 112 km ten O. van de 
Groote-Zoutmeerstad en in het groote Zoutmeer uit- 
mondt. 

2° Een rivier op de Westhelling der Siërra Nevada 
in Califomië, die zich met de Feather-rivier vereenigt. 

3° De Westelijke, 120 m breede zijrivier van de 
Mackenzie in het N.W. van Britsch-N. Amerika, die 
het water van het Groot-Berenmeer afvoert. 

Berenson, Bernard, kunsthistoricus van 


Litauschen oorsprong, * 1856; emigreerde in zijn jeugd 
naar Amerika (Boston), studeerde op de Harvard- 
Universiteit, keerde in 1887 naar Europa terug en 
bestudeerde onder Giovanni Morelli de Italiaansche 
schilderscholen, vooral de Venetiaansche. Merkwaar- 
dig is de ontwikkeling zijner kunsthistorische methode: 
hij ging hoe langer hoe meer aandacht schenken aan 
iconographie en kostuum bij de dateering en de iden- 
tificeer ing van schilderwerken. 

Voorn, werken: Venetian Painters of the 

Renaissance (1894) ; Lorenzo Lotto (1895) ; Florentine 
Painters of the Renaissance (1896) ; Central Italian 
Painters of the Renaissance (1897) ; The Drawings of 
the Florentine Painters (1903) ; The North Italian 
Painters of the Renaissance (1907) ; Introductory essay 
on the Speculum Humanae Salvationis (1927) ; Three 
Essays in Method (1927) ; Studies in Medieval Painting 
(1930). Knipping . 

Be rent, W a c 1 a w, Poolsch romanschrijver 
van sterk-individualistische richting. * 28 Sept. 1873 
te Warschau. Veeleischend stilist als Flaubert, 
bracht B., buiten zijn journalistiek werk en voor- 
treffelijke vertalingen, in 20 jaar niet meer dan drie 
romans voort, die ieder, in steeds gewijzigden stijl, 
een volmaakt kunstwerk uitmaken: Próchno 
(= Verrotting, 1903) en O z i m i n a (Winterzaad, 
1911) zijn een aangrijpende schildering van do ellenden 
der wormstekige cultuurdecadentie in bepaalde 
Poolsche kringen ; Zywe Kamienie (= Levende 
steenen, 1918) schildert het leven van de wereld der 
reizende gezellen in de middeleeuwsche steden, rond- 
om een in opbouw zijnde kathedraal. Baur. 

Berenvel, vel, afkomstig van verschillende 
berensoorten; hoofdzakelijk dienend voor dek-, soms 
ook voor draagpels. De pelzen van ijsberen worden wel 
door de poolbewoners gedragen, worden echter weinig 
naar Zuidelijker streken uitgevoerd wegens transport- 
moeilijkheden. De gewone bruine beer levert een bruin 
vel, soms grijs, rossig of geel. Hoogst zeldzaam zijn 
de vellen van de witte fijnharige landheren. Ook zijn 
zwarte gezocht, die veel uit Siberië komen; soms zijn 
deze met witte of gele haarpunten (zilver- en goud- 
beren). Verder levert N. Amerika veel vellen van den 
Araer. zwarten beer (de zgn. Baribal) met mooi zwart 
fijn haar. De beste dezer vellen komen van de Hudson- 
baai. In N. Amerika komt ook voor de groote grijze 
of zgn. Grizzlybeer, met een aschgrauwe, zeer dicht- 
en langbehaarde pels. Tenslotte zij nog vermeld de 
w r aschbeer, in N. en Z. Amerika levend. Alleen de 
vellen van die in N. Amerika (speciaal Missouri) 
leven zijn waardevol. De haarkleur is zeer verschillend; 
wordt ook als pelsdier in gevangenschap gefokt. 

Verhey . 

Beresford, 1° John Davys, Engelsch 
romanschrijver. * 1873, zoon van een Anglicaansch 
geestelijke te Peterborough ; lichamelijk gebrekkig, 
streng godsdienstig opgevoed, werd sceptisch en sati- 
risch; werkte in winkels, daarna als architect en als 
journalist voor Punch. Schrijft romans sedert 1911. 
Verblijft in Comwall, waarvan hij de natuur met voor- 
liefde schildert. Zijn meeste romans bevatten auto- 
biographische herinneringen. Onder invloed van 
H. G. Wells, socialistisch; na den oorlog meer revolu- 
tionnair, Freudistisch en erotisch. 

Werken: The History of Jacob Stahl, A Candidate 
for Truth, The Invisible Event (1911-’15, een roman- 
trilogie) ; These Lynnekers (1916) ; House-mates (1917) ; 
God’s Counterpoint (1918) ; The Gervaise Comedy 
(1919); The imperfect Mother (1920) ; Revolution 


607 


Beresow — Berg 


608 


(1921); Love’s Pilgrim (1923); Unity (1924); The 
Monkey Puzzle (1925) ; That Kind of Man (1926) ; The 
Decoy (1927); All or Nothing (1928); Real People 
(1929) ; Love’s Illusion (1930) ; An Innocent Criminal 
(1931) ; The Old People (1932) ; enz. Pompen . 

2° S i r John Poer, Engelsch admiraal en 
politicus. * 1766; f 2 Oct. 1844 op zijn buitenverblijf 
Bedale in Yorkshire. Vice-admiraal (1825), admiraal 
(1838). Geruimen tijd lid van het Lagerhuis. 

L i t. : Dict. of national biography (II). 

3°William Carr, viscount, Engelsch 
generaal en politicus. * 2 Oct. 1768, f 8 Jan. 1854 
op zijn buitenverblijf Bedgebury-Park (Kent). Broeder 
van John B. Trad in 1785, als vaandrig, in dienst bij 
het leger. Kam deel aan vele tochten, o.a. naar Frank- 
rijk, Indië, Egypte, Ierland, Kaap de Goede Hoop, 
Buenos-Aires, enz. Werd in 1809 tot veldmaarschalk 
en opperbevelhebber van het Engelsch leger in Portugal 
benoemd, versloeg de Franschen aan den Douro en 
trok met Wellington Frankrijk binnen (1814). Als 
gevolmachtigde van Engeland naar Rio de Janeiro 
gezonden (1814), waar de Portug. koninklijke familie 
zich ophield, keerde hij weldra naar Portugal terug, 
waar hij aan het hoofd van het leger stond en veel 
invloed op de regeering uitoefende (1815). De revolutie 
van 1820 dwong hem zijn betrekking neer te leggen 
en in 1823 werd hij uit Portugal verbannen. Wel 
kwam hij in 1826 in dit land nog terug, maar hij 
herkreeg zijn invloed niet. In 1828 werd hij in Engeland 
tot grootmeester der artillerie bevorderd. Als Tory 
zetelde hij in het Lagerhuis (1810 — ’14) en in het 
House of Lords (vanaf 1814). 

L i t. : Dict. of national Biogr. (II). Lousse . 

Beresow, stad in de Oekraine, nabij Charkow; 
modderbaden, ijzerhoudende bronnen, behandeling 
van rheum. ischias en neuralgia. 

Bcrettino-majjolica is de naam van een vooral 
te Faenza geproduceerd majolica van helderblauw, 
soms naar liet grijze overgaand glazuur. De beste 
Berettino-producten (schotels en tondo’s) dateeren 
uit de 15e en het begin der 16e eeuw. 

Berczina, Wit-Russische rivier, rechter zijrivier 
van den Dnjepr, 600 km lang. Zij ontspringt op den 
W. Russischen landrug en is door het geringe verval 
(118 m tot den mond) en den grooten waterrijkdom 
reeds bij Borisow, 50 km beneden den oorsprong, voor 
stoomschepen bevaarbaar. Door het 20 km lange 
Berezinakanaal staat ze met een zijrivier van de 
Duna in verbinding. /r. Stanislaus. 

Over de B. had bij Studianka op 26 — 29 Nov. 1812 
de overtocht van Napoleon ’s legerrest plaats, tijdens 
zijn terugtocht uit Rusland. De Russische admiraal 
Tsjitsjagow had den terugtochtsweg van Napoleon 
aan de Berezina bij Borissow bezet. In den rug volgde 
Koetoesow. Van ter zijde naderde Wittgenstein. De 
toestand scheen hopeloos, temeer omdat door plotseling 
ingevallen dooi het ijsdek over de rivier was verdwenen. 
Door een schijnbeweging leidde Napoleon de aandacht 
van de Russen af van het werkelijk gekozen over- 
gangspunt bij Studianka, welks huizen het materiaal 
voor brugslag gaven. Ónder leiding van generaal 
Ebló bouwde de genie, waarbij zich zéér veel Hollan- 
ders bevonden, twee bruggen over de 80 m breede 
rivier. Om dc achtervolging te vertragen, liet Napoleon 
de herstelde bruggen afbreken, waardoor 15 000 man 
achterbleven. Ca. 35 000 man kwamen over. Den 
29en volgde de achterhoede onder druk van den vijand. 

Berezowskl, Poolsch oproermaker, * ca. 1849. 


Tijdens het bezoek van tsaar Alexander II aan de 
Wereldtentoonstelling te Parijs, trachtte B. hem te 
vermoorden, toen de keizer met Napoleon III van een 
troepeninspectie terugkeerde (9 Juni 1867); ondanks 
een schitterende verdedigingsrede van Emmanuel 
Arago, werd B. tot twintig jaar dwangarbeid ver- 
oordeeld. V . Houtte. 

Berg . Onder berg verstaat de geograaf elk gedeelte, 
dat van een bodemverhevenheid overblijft bij mecha- 
nische afbraak, of m.a.w. een door de erosie gespaarde, 
geïsoleerde rest van een eertijds opgeheven stuk land. 
In het algemeen is dit ook de beteekenis, die de leek 
aan het begrip berg toekent. De geoloog echter ver- 
staat strikt gesproken onder berg een verhevenheid 
van het land, door tectonische bewegingen in de ge- 
steentekorst te voorschijn geroepen. Voor de wijze, 
waarop de inwendige aardkrachten een gebergte kun- 
nen vormen, > Tectoniek. De in den loop der geolo- 
gische tijden tectonisch gevormde bergen (gebergten) 
zijn dus als primair te beschouwen; de bergen in hun 
tegenwoordige gedaante zijn steeds secundair uit de 
eerste ontstaan en hebben hun tegenwoordige gestalte 
door verweer ing en erosie verkregen. 

Aan een berg onderscheidt men den voet, de 
helling en den top. Welke verhoudingen deze 
drie elementen ten opzichte van elkaar hebben, m.a.w. 
welke gestalte de berg zal hebben, hangt af van de 
geologie van het landschap en de petrographische 
gesteldheid van het gesteente, waaruit de berg is 
opgebouwd. 

Bergen, door vulkanisme ontstaan, hebben in den 
regel een kegelvormige gedaante, met zwak glooiende 
hellingen (Vesuvius, Merapi), echter komen ook stompe 
vormen voor. > Vulkanisme. 

Bergen, opgebouwd uit zachte sedimentaire gesteen- 
ten, hebben dikwijls ronde glooiende vormen. Bestaan 
de sedimenten uit harde kalken en zijn ze horizontaal 
gelaagd, dan ziet men dikwijls door erosie tafel- of 
b lokachtige vormen optreden, bijv. in de Dolomieten, 
in het Elbe -zandsteengebergte, in het Colorado- 
gebied. 

Spitse, scherpe bergtoppen vindt men vooral in 
gebergten, bestaande uit kristallijne schisten of 
stollingsgesteenten. Hieronder hooren bijv. vele toppen 
uit de Alpen. Crommelin. 

Overzicht van eenige voorname bergen. 

Europa Hoogte 

in m 


Mont Blanc 4.810 

Monte Rosa 4.638 

Bernina 4.052 

Grossglockner 3.798 

Mulhacen (Siërra Nevada) 3.481 

Pico d’Anetou (Pyreneeën) 3.404 

Etna 3.274 

Zugspitze 2.963 

Olympus 2.918 

Gran Sasso d’Italia (Apennijnen) 2.914 

Glittertind (Noorwegen) 2.481 

Parnassos 2.459 

Idagebergte (Kreta) 2.459 

Snehetta (Dovrefjell, Noorwegen) 2.321 

Kebnekaisse (Zweden) 2.135 

Hvaimadalshnukur (Ijsland) 2.120 

Athos 1.935 

Mont Dore (Auvergne) 1.886 

Babia Gora (Beskiden) 1.725 

Pelion (Griekenland) 1.618 


609 


Berg 


610 


Hoogte in m 

Hekla (Ijsland) 1.557 

Grosser Altvater (Sudeten) 1.490 

Puy-de-Döme (Auvergne) 1.4G5 

Grosser Belchen (Vogezen) 1.423 

Ben Nevis (Schotland) 1.343 

Ilaltia (Finland) 1.324 

Vesuvius 1.223 

Fichtelberg (Ertsgebergte) 1.216 

Broeken 1.142 

Pentelikon (Griekenland) 1.109 

Snowdon (Wales) 1.085 

Hymettos 1.027 

Monte Lauro (Sicilië) 985 

Stromboli 926 

Slattaratindur (Faeröer) 882 

Kali Ier Astenberg (Rothaar) 841 

Cheviot (Engeland) 816 

Hohe Acht (Eifcl) 746 

Köröshegy (Bakonywoud) 713 

Hohenstaufen 684 

Königstuhl (Odenwald) 666 

Völmerstod (Teutenburgerwoud) 468 

Gibraltar 425 

Azië 

Mount Everest (Himalaja) 8.880 

Dapsang (Karakoroem) 8.620 

Kantsjintsjinga (Himalaja) 8.580 

Dupleixberg (Tibet) 8.000 

Tiratsjmir (Hindoe Ko*sj) 7.750 

Ullug-mus-qtag (Kwen-Lun) 7.720 

Kungur (Pamir) 7.665 

Gaurisankar (Himalaja) 7.140 

Demawend (Elboers) 5.670 

Elbroes (Kaukasus) 5.646 

Groote Ararat 5.156 

Kasbek (Kaukasus) 5.043 

Kljoetsjewskaja Sopka (Kamsjatka) 4.920 

Kinibaloe (Bomeo) 4.175 

Nitakajama (Formosa) 4.145 

Alagös (Kaukasus) 4.095 

Korintji (Sumatra) 3.805 

Foedsjijama (Japan) 3.780 

Rindjani (Lombok) 3.765 

Semeroe (Java) 3.670 

Lom po Battang (Cclebes) 3.075 

Dahr cl Chodib (Libanon) 3.068 

Djebel Achdar (Arabië) 3.020 

Groote Hormon (Antilibanon) 2.759 

Ermera (Timor) 2.620 

Pedrotalagalla (Ceylon) 2.536 

Tsjang-pei-tsjan (Mandsjoerije) 2.440 

Adamspiek (Ceylon) 2.2-141 

Troodos (Cyprus) 1.950 

Karmel (Palestina) 552 

Afrika 

Kilima-Ndsjaro (Oost-Afrika) 6.010 

Kenia (Oost-Afrika) 5.795 

Roewenzoii (Oeganda) 5.130 

Meroe (Oost-Afrika) 4.730 

Ras Dajan (Abessinië) 4.620 

Karissimbi 4.500 

Fako (Kameroengebergte) 4.070 

Cathkinpiek (Drakengebergte) 3.660 

Emi Koessi (Sahara) 3.400 

Piton de Neiges (Réunion) 3.150 


Hoogte in m 

Pico Volcano (Kaap Verdische eilanden) . . 2.980 


Brandberg (Z.W. Afrika) 2.606 

Tafelberg (Z. Afrika) 1.082 

Noord - en Middel-Amerika 

Mount MacKinley (Alaska) 6.241 

Mount Logan (Canada) 5.955 

Piek van Örizaba (Mexico) 5.650 

Popocatepetl (Mexico) 5.440 

Mount Whitney (Califomië) 4.420 

Blanca Peak (Colorado) 4.389 

Peak Wilson (Colorado) 4.352 

Mount Evans (Colorado) 4.350 

Mount Columbia (Canada) 4.328 

Tajamulco (Guatemala) 4.210 

Mount Cook (Canada) 4.192 

Mount Lyell (Califomië) 3.990 

Fuego (Guatemala) 3.900 

Chiriqui (Panama) 3.430 

San Bernardino (Califomië) 3.240 

Monte Tina (Haïti) 3.140 

Pico de Tarquino (Cuba) 2.560 

Victoria Peak (Vancouvcr) 2.280 

Mitchellberg (Alleghanies) 2.044 

Mout Pelé (Martin ique) 1.360 

Zuid-Amerika 

Aconcagua (Argentinië) 7.040 

Coropuna (Peru) 6.950 

Tllimani (Bolivia) 6.860 

Nevado de Huascan (Pem) 6.721 

Tubungato (Argentinië) 6.710 

Chimbarazo (Ecuador) 6.310 

Nevado de Cuzco (Pem) 6.153 

Nevado de Cachi (Argentinië) 6.000 

Tolima (Columbia) 5.620 

Maipo (Argentinië) 5.336 

Nevado de Cocui (Columbia) 5.080 

Pic Concha (Venezuela) 4.700 

Tinguiririca (Chili) 4.480 

Itatiaya (Brazilië) 2.804 

Monte Darwin (Vuurland) 2.130 

Australië en Oceanië 

Carstensztop (Nieuw-Guinee) 5.000 

Wilhelminatop (Nieuw-Guinee) 4.750 

Manna Kea (Hawaii) 4.210 

Mauna Loa (Hawaii) 4.168 

Victoriaberg (Nieuw-Guinee) 4.000 

Mount Cook (Nieuw -Zeeland) 3.768 

Arfak (Nieuw-Guinee) 2.902 

Lammasberg (Nieuw-Salomonseilanden) . . . 2.440 

Mount Kosciusco (Australië) 2.206 

Tongariro (Nieuw-Zeeland) 1.891 

Humboldttop (Nieuw-Caledonië) 1.634 

Mount Vua-ni-Vatu (Fidsji-eilanden) .... 1.290 
Ponapo (Carolincn) 900 

Poollanden 

Erebus (Victorialand) 4.055 

Petermanntop (Groenland) 3.800 

Mont Forel (Groenland) 3.440 

Terror (Victorialand) 3.275 

Berenberg (Jan Mayen) 2.545 

Mount Ross (Kergiielen) 1.990 

Newtontop (Spitsbergen) 1.730 

Mount Grant (Grantland) 1.493 


«V. ‘20 


611 


Berg 


612 


Bergen nemen in de H. Schrift een voorname plaats 
in, vnl. in het O. T., zoo voor het godsdienstig leven 
der Joden als in de geschiedenis van hun volk. Zoo de 
berg Ararat, de Hermon, de Karmel, de Thabor, de 
Nebo, de Sinai (Horeb),de Garizim (Ebal),de Olijfberg, 
de Sion (Tempelberg) en de berg van Calvariën, 
(Golgotha). Verscheidene bergen komen er voor als 
plaatsen, waar de heidenen hun góden vereerden. Niet 
zelden lieten de Israëlieten zich verleiden door dit 
voorbeeld en offerden op de hoogten buiten het Heilig- 
dom of den Tempel. Toch was het uitdrukkelijk door 
de Wet verboden (Ex. 23. 24; 34. 13; Lev. 26. 1; 
Deut. 7. 5; 12. 3; 16. 21). Als niet vrij van heidensche 
en afgodische elementen bestreden de profeten dit 
misbruik met alle kracht, maar dikwijls zonder afdoen- 
de resultaten. > Berggoden. 

L i t. : A. v. Hoonacker, Le lieu de culte dans la 
législation rit. d. Hébreux (Gent 1894). J. Sassen. 

Borg noemt men geel-bruine vlekken, die uit 
huidschilfers en afscheid ingsproducten van de huid 
bestaan. Komt bij kleine kinderen op het hoofd voor. 

Borg, 1 c Urmond. 

2 ° Gem. in de Belg. prov. Limburg, ten N.O. van 
Tongeren; ca. 600 inw., opp. 666 ha. Heuvclachtig; 
klei- en zandgrond op krijtvormingen, landbouw; 
middeleeuwsche kerk op Romeinsche tempelruïne 
gebouwrd. V. Asbroeck. 

Tijdens herstellingswerken in de kerk vond men al- 
daar een steenen voetstuk, in tweeën gespleten, dat 
op de vier zijden versierd was met een Romeinsche 
godheid; thans in het museum der St. Pauluskerk 
te Luik. Op grond van onderzoekingen blijkt, dat de 
Romeinsche baan van Tongeren naar Keulen door 
deze gemeente liep. De Maeyer. 

3° Gem. in Z. Brabant, ten O. van Brussel; opp. 
889 ha, ong. 1 400 inw.; landbouw. 

4° Gem. in het groot-hertogdom Luxemburg, 
ten Z. van Ettelbriick; ca. 650 inw., opp. 1 231 ha. 
Aan den samenloop van Attert en Alzette; kasteel van 
de groot-hertogin. Spoorweg; aangename omgeving. 

5 ° Groothertogdom ;15 Maart 1806 door 
Napoleon gevormd uit het hertogdom Berg (van 
Beieren) en Kleef (van Pruisen) onder zijn zwager 
Murat (later onder Nap. Louis, zoon van Lod. Nap., 
voor wien Beugnot bestuurde). 1810 gedeeltelijk inge- 
lijfd bij bet Fr. keizerrijk; 1815 aan Pruisen. 

6 C Badplaats bij Stuttgart. Radio-actieve bronnen. 
Behandeling van rheuma en vrouwenziekten. 

Berg,l°A. van den, Holl. schilder. * 19 Mei 
1852 te Den Haag. Leerling van de Haagsche Academie. 
Werd leeraar aan deze academie. Schilderde figuur- 
stukken, landschappen en maakte ook enkele etsen. 

L i t. : A. Plasschaert, Holl. Schilderkunst. 

2 ° A. C. van den, Holl. schilderes, * 18 Febr. 
187o te Amsterdam. 1891 werkte zij als leerlinge op 
het atelier van M. Hagemans te Brussel en was ook 
leerlinge van Paul Rink. Studeerde ook nog op de 
Academie Colarossi te Parijs. Schilderde bloemen, 
genrestukken, portretten en interieurs. de Stuers. 

L i t. : Alb. Plasschaert, Holl. schilderkunst. 

3° A 1 b a n, een der belangrijkste componisten 
uit de school van Amold Schönberg. * 9 Febr. 1886 
te Weenen. Op melodisch en harmonisch gebied zeer 
vooruitstrevend, houdt hij zich aan duidelijk omlijnde 
vormen vast. B. is als paedagoog te Weenen werk- 
zaam, waar hij de leer van Schönber? verbreidt. 

Werken: pianosonate op. 1 (1908) ; 4 liederen op. 
2 ; strijkkwartet op. 3 ; 5 orkestgezangen op. 4 ; 4 stukken 


voor klarinet en piano op. 5 ; 3 orkeststukken op. 6 ; 
de opzienbarende opera Wozzeck (naar het drama van 
Georg Buchner), voltooid in 1922, eerste uitvoering in 
1926 (staatsopcra te Berlijn) ; kamcrconcert voor viool 
en piano met 13 blazers en, een lyrische suite voor 
strijkkwartet. Reeser . 

4° B e n g t, Zw r eedsch ornitholoog en schrijver 
van moderne dierromans, die de wetenschappelijke 
studie met de frissche natuurverbeelding harmonisch 
vermengen, en tevens voor dierenbescherming ijveren. 
Ook zijn boeiend avontuurlijke vogelfilms uit Lapland 
en Afrika werken in die richting. * 9 Jan. 1885 te 
Kalmar. 

Werken: Moederloozen (1910) ; Genezareth (1912); 
Een Germaan (1918) ; Trekvogels (1924) ; Vriend pluvier 
(1925) : Abu Markub (1926) ; De laatste adelaars (1927) ; 
Tookern, de vogelzee (1928) ; Het liefdeleven van een 
wildgans (1930). Baur . 

5° Claus, beeldhouwer uit Lübeck, werkzaam in 
het eerste kwart der 16e eeuw r . Van zijn persoon is 
weinig bekend, van zijn werken o.a. een groot altaar 
te Odense (Denemarken). Zijn kunst vertoont veel 
temperament en is zeer realistisch. Schreden . 

6° C o n s t a n t i u s Petrus van den, 
Ned. Dominicaan, theologant. * 16 Juni 1816 te 
Heesch, f 27 Maart 1885. Was professor en regent der 
studiën in het Dominicanenklooster te Huissen (Gld.). 
Promoveerde in 1865 tot mag. S. Theol. 

Werken: De Ideis divinis (Den Bosch 1872) ; 
Beatissima Virgo Maria, Imago Dei et SS. Trinitatis 
juxta mentem D. Thomae Doet. Angel. (Den Bosch 
1874). — L i t. : G. A. Meijer, Gedenkboek van de 
Dominicanen in Nederland (1912, 195 vlg.). 

7 ° C o r n e 1 i s Christiaan, hoogleeraar 
in de Javaansche taal- en letterkunde te Leiden; 
* 18 Dec. 1900 te Rotterdam. Promoveerde in 1927; 
daarna leeraar te Soerakarta; volgde een jaar later 
prof. Hazeu te Leiden op. 

Werken: o.a. De Midden- Javaansche historische 
traditie (diss. 1927) ; Kidung Sunda (tekst, vertaling 
en aanteekeningen, 1927) ; Hoofdlijnen der Javaansche 
literatuurgesch. (1928); Indische aspecten van het 
missieprobleem (19301; La connaissance des mentalités 
indigènes en Indonésie (1931 ; ; Babad Bla-Batuk (1932). 

8 ° Cornelius de, -> Berghues (Cornelius de). 

9° Fedor Federowitsj (eig. F r i c d r.), 
graaf von, Russisch generaal, bevelhebber in 
den Krimoorlog. * 26 Mei 179G te Sagnitz (Lijfland), 
f 18 Jan. 1874 te St. Petersburg. In 1812 in den krijgs- 
dienst getreden, klom hij snel in rang op én werd 
tevens meermalen met diplomatieke zendingen belast. 
B. werkte mede aan de onderdrukking van den Pool- 
schen opstand (1831); in 1849 bew r oog hij den tsaar 
tot gewapende tusschenkomst in Hongarije. Als beloo- 
ning kreeg B. van Frans Jozef den graventitel. 
Tijdens den Krimoorlog met de verdediging van Est- 
land (Reval) en Finland belast, bood hij weerstand 
aan de Fr.-Eng. vloot onder Napier. B. bleef 
gouverneur van Finland tot 1861; in 1863 volgde hij 
groothertog Konstantijn op als stadhouder van Polen, 
welken post hij tot zijn dood bekleedde. V. Houtte. 

10 ° Gerardus van den, priester, * te 
Emmerik, f 1729 te Groningen, studeerde te Fulda 
en te Mainz, waar hij het baccalaureaat in de theologie 
behaalde, wrs kapelaan en pastoor te Groningen, 
tevens 1685 — 1729 aartspriester van Groningen, de 
Ommelanden en Drente. 

Lit. : Arch. ab. Utr. (XXXTI, 117 en passim); 
J. de Jong in Ned. Biogr. Wbk. (V, 33). Rogier ^ 


613 


Bergadelaar — Bergamasker Alpen 


614 



11 ° Hendrik, graaf van den, heer van 
Stevensweerd, Neclerlandsch edelman in Spaanschen 

dienst. * 1573 te 
Bremen, f 1638. 
Valt in Febr. 1624 
in de Veluwe en 
veroorzaakt groote 
opschudding in de 
Republiek. De dooi 
dwingt hem tot den 
terugtocht. Her- 
haalt dit experi- 
ment na een mis- 
lukte poging om 
Den Bosch te ont- 
zetten (1629). De 
inneming van Wezel 
(19 Aug.1629) noopt 
hem ook dezen veld- 
Hendrik, graaf van den Berg. tocht op te geven. 

De benoeming van 
den markies van Santa Cruz tot algemeen opper- 
bevelhebber maakte v. d. B. tot een onverzoenlijk 
vijand van Spanje (April 1631). Hij begunstigde den 
Limburgschen veldtocht van Frederik Hendrik (1632). 
In 1633 aangenomen in dienst der Republiek. 

Cornelissen. 


12 ° Leo, Duitsch letterkundig criticus, mede- 
stichter van de voorn itstrevende kunstgroepeering 
Durch (1886) en van de Freie Bühne; 
theoreticus van het Duitsche naturalisme. B. was een 
der eerste Ibsen -profeten in Duitsch land. * 29 April 
1862 te Zempelburg. f 12 Juli 1908 te Berlijn. 

Hoofdwerk: Der Naturalismus, zur Psychologie 
der modernen Kunst (1892) ; Gcsammelte Essays (1905). 
B. stond aan het hoofd van de boekenreeks Kultnr- 
probleme der Gegenwart (1902 vlg.). Baur. 

1 3 C L o d e w ij k Willem 0 h r i s t i a a n 
van den, kenner van het Mohammedaansch Recht 
en politicus; * 1845, f 1927; bekend om zijn studie 
van den Islam en van de zeden en gewoonten van zijn 
belijders, vooral in Ned.-Indië. Over deze onderwerpen 
schreef hij een groot aantal belangrijke opstellen; 
zijn studiën over het Mohammedaansche Recht zijn 
echter aan een scherpe critiek onderworpen door Snouck 
Hurgronje, wiens opstel nir. L. W. 0. van den Berg’s 
beoefening van het Mohammedaansche Recht (Indische 
Gids, 1884; Sn. H.’s Verspreide Geschriften, II, 61 
vlg.) in de kringen der belangstellenden groot opzien 
gebaard heeft. V. d. B. was van 1869 tot 1887 in Indië 
werkzaam en van 1887 tot 1901 hoogleeraar aan de 
Indische Instelling te Delft. Voorts was hij van 1911 
tot 1923 lid van de Eerste Kamer (rechts) en van 1910 
tot 1920 burgemeester van Delft. Berg. 

14 ° Max, Duitsch bouwmeester, lid der bouw- 
commissie in Breslau, nu in Rostock; * 1870 te Stettin. 
Vooral tentoonstel lings- en vergadcringsgebouwen. 

15° Norbertus Petrus van den, 
president der Ned. Bank (1891 — 1912), interesseerde 
zich aterk voor de ontwikkeling van Ned.-Indië, 
* 1831, f 1917. In 1855 vertrok hij naar Indië als em- 
ployé der Bataviasche factorij di-r Ned. Handel Mij. 
Van 1864 tot 1873 was hij hoofdagent der Ned. Ind. 
Handelsbank te Batavia; van 1873 tot 1889 president 
der Javasche Bank. Daarna in Nederland van 1889 
tot 1891 directeur en van 1891 tot en met 1912 presi- 
dent der Ned. Bank. In 1872 — 1853 verzette hij zich 
tegen het Ned. voornemen tot handhaving in Indië 


van den zilveren standaard. Het was zijn werk, dat de, 
in Indië uitgebroken, financieele crisis als gevolg van 
de siiikercrisis van 1884, spoedig werd overwonnen. 
Van zijn hand verschenen verschillende verhandelin- 
gen op financieel economisch gebied. Ter erkenning 
zijner verdiensten zag hij zich benoemd tot eere-doctor 
in de beide rechten door de Leidsche universiteit en 
tot lid der Kon. Academie van Wetenschappen. 

Werken: Naast bijdragen in de Gids en de Econo- 
mist en in de Encyclopaedie van Ned.-Indië, waarvan 
later enkele afzonderlijk werden gebundeld, nog: Uit de 
dagen der CompagDie ; Beschouwingen over den gelds- 
omloop in Ned.-Indië (1862) ; Banken en Bankwezen 
in Britsch-Indië (1 866) ; De Bataviasche Bank-Courant 
en Bank van Leening 1746 — 1794 (1870); De Munt- 
kwestie met betrekking tot Indië (1874); Brief aan 
mr. J. van Gennep (1878); De haven van Tandjong 
Priok — Staatsexploitatie of part. expl. ? (1880); 
Historical and Statistical Notcs on the production and 
consumption of colfee (1880) ; Over Haveninrichting en 
Havenexploitatie (1882) ; Debet of Credit (1883) ; The 
Financial and Economical Condition of Netherl. India 
since 1870 and the effect of the present currency system 
(1895) ; Munt-, crediet- en bankwezen, Handel en 
Scheepvaart in Nedcrlandsch Indië (1907). Kaag. 

10 ° Willem van den, Holl. schilder, 
* 16 Febr. 1886 te Den Haag. Leerling van de Haagsche 
Academie en van zijn vader A. van den B. Schildert 
stillevens, landschappen, stadsgezichten, figuur en 
portretten. Een naar het romantische neigende natuur 
met veel zin voor zware, diepe kleurcontrasten. Hij 
mist echter vaak de bezonkenheid om zich te kunnen 
onttrekken aan de vele invloeden van het werk van 
andere meesters, zooals Willem van Konijnenburg. 
Maakte ook etsen, litho's en houtsneden. 

L i t. : Alb. Plasschaert, Holl. Schilderkunst. 

de Stuers. 

Bergadelaar, > Steenarend. 

Bergahorn , Acer pseudoplatanus, 
een tot de familie der Aceraceae behoorende boom, die 
in de bergwouden 20—25 m hoog kan worden. Als 
park- en laanboom is hij zeer gezocht. 

Bergaigne, J o s e p h, Minderbroeder; * 1588 
te Antwerpen, f 1647 te Munster i. W. Studeerde in 
Alcala, maar trad in de Orde te Mainz en bekleedde 
er voorname ambten, o.a. dat van commissarius 
generalis nationis germano-belgicae. Deed veel voor 
de verzameling van geschiedkundige documenten, 
die hij liet opsporen door Jacob Polius. In 1641 
bisschop van Den Bosch, gewijd te Brussel. De tijds- 
omstandigheden dwongen hem zijn bisdom vanuit 
den vreemde te besturen. In 1645 aartsbisschop van 
Kamerijk, tevens met het bestuur van het bisdom 
Den Bosch belast. Had meermalen diplomatieke zen- 
dingen te vervullen, stierf als gevolmachtigde van 
Spanje voor de vredesonderhandelingen te Munster, 
nadat hij reeds enkele resultaten had bereikt. Begraven 
in de Minderbroederskerk te Munster. Portret in het 
stadhuis aldaar. 

L i t. : P. Schlager, Gesch. Köln. Franziskanerprov. 
(Regeusburg 1909, 204 vlgJ ; Coll. Franc. Neerl. (II 
1931, 31 vlg.); Ned. Biogr. Wbk. (1, 313). v. d . Borne. 

Bergainasca, Italiaanschc dans, die in de 16e 
eeuw in meerdere landen bekend was. Komt ook met 
gebruik van tekst voor. Van Scheidt is een humoristi- 
sche compositie bekend, die tot titel heeft; Canzone 
ad imitat. Bergamas. angl. 

Bergamasker Alpen, deel van de Zuidelijke 
Kalkalpen in Lombardije, tusschen Como-meer en 
Iseo-meer (Italië). Het gebergte loopt West — Oost, 


615 


Bergamaskerschaap — Bergblauw 


616 


gaat tot 3 000 m hoogte, en helt steil naar het N. en 
geleidelijk naar het Z. In het N. vooral gneis, in het Z. 
kalk. 

L i t. : Castelli, Guida itinorario alle prealpi Bcrga- 
masche ( 3 1900). Ileere. 

Bergamaskerschaap of hangoor- 
schaap, het grootste der Europeesche landrassen ; 
hoort thuis in Noord- Italië (Lombardije); bezit vrii 
lang eenigszins golvend glanzend baar; een onderscheid 
tusschen boven- en onderhaar bestaat niet. 

Bergambacht en Zuidbroek, gemeente in 
Z. Holland in de Krimpenerwaard nabij de Lek; opp. 
2 772 ha; 3 700 inw. (Prot.), die bestaan van veeteelt 
en zuivelbereiding, varkensmesterij, tuinbouw en 
binnenvisscherij. Lenige industrie: timmerfabrieken, 
veevoeder, teenen- en mandenfabrieken. De toren der 
Ned. Herv. (vroeger St. Laurentius-)kerk dateert uit 
de tweede helft der 15e eeuw. Blaauw. 

Bergnmo, 1° Italiaansche provincie in 
Lombardije; 2 788 km 2 , 612 890 inw. (1931), 209 per 
km 2 , 218 gemeenten. Alpen -voorland vruchtbaar, 
veel landbouw; ijzer-, textielindustrie. 

2° Hoofd stad der prov. B. (45° 44' N., 
9° 37' O.); 82 130 inw. (1931); knooppunt van wegen; 
bisschopszetel. Katoen-, wol- en cement industrie. 
Nieuwe benedenstad, oude bovenstad (370 m boven 
zee). In denRom. tijd Bergomum; 1428—1797 behoorde 
B. tot Venetië, 1811 — 1859 tot Oostenrijk. Heere . 



Kunst te B e r g a m o. In de bovenstad 
(„Cittit alta”) de dom S. Alcssandro van Filarete 
(1459 — ’80), die in 1614 werd verbouwd, de Romaan- 
sche basiliek S. Maria Magsriore (12e eeuw) met Cap- 
pella Colleoni (1470), het Gotische Palazzo Vecchio 
(midden 14e eeuw) en het Palazzo Nuovo (1611). In 
de onderstad (Citta vecchia) de Santo Spirito met 


schilderijen van Lotto en de Accademia Carrara met 
een museum. 

L i t. : Pesenti, B. (1910); Pinetti, B. e. Ie sue valle 
(192H; R. Pajuni, B. rinnovata (1929). Knij)/ring. 

Bergamot noemt men soms peersoorten, waarvan 
de vracht meer breed dan hoog is. Voorbeeld: winter - 
bergamot. 

Bergamot olie, geel -lichtgroene, vluchtige olie, 
die verkregen wordt door uitpersen van de vrucht- 
schil van Citrus Bergamia (Z. Italië); neemt gemak- 
kelijk zuurstof op en wordt daaidoor dik en troebel; 
moet daarom van de lucht afgesloten in het donker 
bewaard worden. S.g. 0,885: kockp. I83 r , hoofdbe- 
standdeel: linalvl acetaat, C 10 Iï 17 ÖCH 3 0. Gebniikt 
in toiletmiddelcn c.d. Ilillen. 

Bergamot -oranjeboom, C i t r u s au- 

ra n t i u m bergamia, behoort tot de Ruit- 
achtigen (Rutaceae) en werd aldus genoemd naar het 
Noordelijk van Smyrna gelegen stadje Bergama. De 
vruchten zijn zeer eezocht om het heerlijke zure vmeht- 
vlee^ch. De op Sicilië gewonnen Bergamotolie is van 
dezen boom afkomstig. Bouman. 

Brrgansius, Jo hannes Wilhelmus, 
luitenant-generaal van liet Ned. lerer, * 1836 te Delft, 
f 1913 te Den Haag. 1860 — 1868 werkzaam aan de 
pyrotechnische school: 186*2 verscheen van zijn hand 
„Handboek ter vervaardiging van ernstvuurw erken’; 
21 April 1888— 21 Augustus 1891 minister van Oorlog 
in het kabinet Mackay, daarna generaal-majoor, com- 
mandant van de Stelling van Amsterdam; 1898 luite- 
nant-generaal, inspecteur der artillerie; bleef ook na 
zijn pensionneering zijn belangstelling wijden aan de 
militaire aangelegenheden , o.a. als voorzitter der 

Ver. ter beoefening van Krijgswetenschap. In 1901 
gekozen als R.K. lid der Tweede Kamer der Staten- 
Gereraal, nam geen zitting wegens zijn benoeming 
tot minister van Oorlog in het kabinet Kuypcr 1 Aug. 
1901 — 17 Aug. 1905; lid van den Raad van State 
1905 — 1908. Heeft een groot aandeel gehad in do her- 
vorming van het Ned. leger; verdedigde als minister 
van Oorlog in het kabinet Mackay, daarbij krachtig 
gesteund door dr. H. J. A. M. Schaepman, het be- 
ginsel van den persoonlijken dienstplicht. Het mocht 
hem niet gelukken dit beginsel in de w T et vastgelegd 
te krijgen, zulks w T as een zijner opvolgers beschoren, 
juist voor hij ten tweede male als minister optrad. Hij 
schrok er niet voor terug zeer moeilijke wetswijzigingen 
ter hand te nemen. Onder zijn bewind kwamen tot 
stand: Wet op het militair onderwijs 1891; Pensioen- 
wet voor mindere geëmployeerden en werklieden 
1902; Pensioenwet voor de landmacht 1902; Bevor- 
der ingswet voor de landmacht 1902; Wetboek van 
.Militair Strafrecht 1903 en Wet op de Krijgstucht 
1903 (de uitvoeiing dezer wetten had eerst plaats na de 
Invoeringswet militair straf- en tuchtrecht 1921); 
Wet resorvepersoneel der landmacht 1905; voorts do 
uitvoering betreffende de militie- en landweerwotten, 
alsmede een herziening van de militiew r et, ter bestrij- 
ding van de wetsontduiking, bedacht door notaris 
Coolen uit Holvoirt, om de plaatsvervangers door een 
achterdeurtje weer mogelijk te maken. Verder voerde 
hij het snelvuurgeschut bij de landmacht in. Hij w r a? 
een krachtige persoonlijkheid, die vooral in zijn tw r eede 
ministerschap sympathie en eerb ; ed afdw’ong w’ecrens 
de doortastende wijze. w r aarop hij tijdens de werksta- 
king 1903 de orde wist te handhaven en het gezag hoog 
hield. A. Lohrtieyer. 

Bergblauw of Bremerblauw, de voor- 


617 


Bergboezem — Bergen 


618 


naamste koperkleurstof. B. bestaat uit koperhydroxy- 
de, Cii(OH) 2 . De zachte hemelsblauwe kleur, die een 
tikje naar groen loopt, is door geen andere minerale 
kleurstof te vervangen. B. wordt gemaakt uit koper- 
sultaat met loog. v. d. Beek . 

Berglioezem, een binnen een polder gelegen 
stuk land, dat veelal omkaad is, ten einde in tijden, 
w r anneer het overtollige water door te hoogen boezem- 
stand niet geloosd kan woorden, dit w’ater tijdelijk op 
te bergen. Meestal zijn het minderwaardige stukken 
land, die als zoodanig dienst doen. > Boezems. 

»» «1 ti « ii P. Bonpaerts. 

Berghok, > Alpomdeenbok. 

Bergbnm, K a a r 1 o, Finsch tooneelschrijver 
en dramaturg. * 2 Oct. 1843 te Wiborg. f 2 Febr. 190b 
te I lelsinki. Litera ir-historisch geschoold — hij promo- 
veerde op een dissertatie over het historisch drama in 
Duitschland — wierp B. zich. na het schrijven van 
eenige tooneelstukken, tot ontwerper op van een rei- 
zend Finsch tooneel, dat het bouwen van den Natio- 
nalen Schouwburg in de hoofdstad (1902) heelt door- 
gedreven. 

Bergbries, andere naam voor > bergwdnd. 

Bei grien (P i n u s m o n t a n a), een heester- 
achtige soort van den, die in het gebergte thuis hoort. 

Berg der zsiligherien, de berg.w^aar Jesus de 
rede heeft gehouden, bekend onder den naam van 
Bergrede, waarin ter inleiding de acht Zaligheden 
verkondigd werden. Welke die berg is. blijft nog steeds 
een probleem der topographische bijbeïkunde. Naai 
de waarschijnlijkste meening zou de B. der z. liggen 
niet ten Z.W. maar ten N.W. van het meer Genesa reth 
en zou hij te identificeeren zijn met het huidige Et 
Tabga, ten O. van de vlakte Tabga, en 3 km ten W. 
van Teil Iloem (het oude Capharnaüm). 

Lit.: 1 1 eiriet, Béatitudcs (mont des) in Dict. de la 
Bilde, Supplém. I (kolom 940-95u). Brans. 

Bergriiiivel (Moloch h o r r i d u s), een der 
meest opvallende hagedissen van Z. en W. Australië; 
is ondanks zijn naam en uiterlijk een geheel onschuldig 
dier; het lichaam is in het midden verbreed en draagt 
op vele plaatsen doorns van verschillende lengte. 
De kleur is niet opvallend bruin, kan evenals die van 
het kameleon veranderen. Het voedsel bestaat hoofd - 
zakelijk uit mieren, volgens sommigen ook uit planten. 

Bei go, 1° Jillis van den (Acgidius de 
Monte), Minderbroeder, provinemal zijner Orde, 
bisschop van Deventer (1570). * te Perweis in het 
Walenland, f 2G Mei 1577 te Zw r ollo. Eerst in 1575 
verkreeg hij door tusschenkomst van Alva het volle 
bezit van zijn zetel. Een bewijs van zijn ijver geven 
de Acta visitationis dioc. Daventriensis (1671—1577), 
bewerkt door mr. R. llassink (Zwolle 1888). 

Lit. : B. Snelting, Biogr. Woordenb. (IV, 1007). 

J . de Jong . 

2° W i 1 1 e m ten, Ned. dichter. * 1903, debu- 
teerde in het maandblad De Gemeenschap, werkte 
mede aan Roeping en De Nieuwe Eeuw, geeft in zijn 
poëzie bij voorkeur den gevoelig-rhythmischen neer- 
slag van een verfijnd droomleven: schreef enkele 
godv nicht ige gedichten. 

Werk: De Reiziger (1928) ; De Zoon van het 
Hemelsche Rijk (1980). — Lit.: Anthonie Donker 
Fausten en Faunen ; Anton van Duinkerken, Achter 
de Vuurlijn. Asselberys. 

Bcrgcbbcnhoiif , B a u h i n i a acumina- 
t a, behoort tot de peulgewassen (Leguminosae) en 
is een boom uit Indië en China, waarvan het hout zeer 
bruikbaar is. 


Bergeenri (Tadoma tadorna), een groote, kleurige 
eendsoort, bijna het geheele ja ar in ons land aan te 
treffen. Kop en hals groenzwart, borst wit, een breede 
band over borst en mg fraai roestbruin, buik en groote 



slagpennen zwart, staart wdt met zw r art eind, spiegel 
op den vleugel glanzend groen, snavel en knobbel 
rood, pooten vleeschkleurig. Het wijfje is w r at valer 
en kleiner en mist den voorhoofdsknobbel. Broedt 
vrij talrijk op de Waddeneilanden, in de duinen van 
de Beer (Hoek van Holland. ± 200 paar), Voome, 
Schouw r en, bij het Zw ? anew r ater. Ze leggen 8 — 15 
ivoorkleurige gladde eieren. Jongen w T orden dadelijk 
na het nitkomen naar de zee gevoerd. Het voedsel 
bestaat uit schaal- en weekdieren, wormen, vischbroed 
en zee- en strandplaten. Ze broeden in konijnen- 
holen, soms onder helm en in kunstmatige holen. 

Lit.: Strijbos, Hoe heet die vogel. Bernink. 

Bergen, 1° gem. in de duinstreek der prov. 
N. Holland, ten N.W. van Alkmaar, opp. 3 685 ha, 
op 1 Jan. 1933: 6 167 inw. Bijna 2/5 is Kath. en be- 
hoort tot de parochie B., die binnen haar grenzen 
nog herbergt een Kath. pensionaat, kweekschool en 
landbouw'huishoudschool, alle voor meisjes, tevens 
Moederhuis der Congr. der Z.Z. Ursulinen van Bergen, 
alsmede een retraitehuis. Middelen van bestaan: vee- 
teelt, tuinbouw, kunstzandsteenindustrie en vreemde- 
lingenverkeer. De duinen zijn hier breed en hoog: de 
Nok is i 80 m. Van de groote prachtige bosschen is het 
Reigerbosch merkwaardig door zijn reiger kolonies, 
een van de w r einige in Nederland. Zee, bosch en duin 
scheppen een steeds groeiend toerisme, niet weinig 
bevorderd door de tramlijn Bergen — Alkmaar, waar- 
door een vlugge verbinding met de groote Holl. steden 
bestaat. Het Russenduin, een plek „de Franschman” 
en het Russen -monument houden de herinnering 
levendig aan het treffen in 1799 tusschen het Fransch- 
Ned. en het Eng.-Russ. leger. Bezienswaardig zijn 
ook kerken, hertenkamp, ruïne Meerwijk, waarnaast 
museum en een hoogst moderne villawijk. 

van der Meer . 

De Ned. Hervormde kerk is gebouw r d op een midden- 
schip van een vroegere drieschepige kruiskerk (eerste 
helft 15e eeuw). De ramen van den dw r arsarm zijn 
misschien reeds van vroeger datum. In de Kath. kerk 


619 


Bergen 


620 




een altaarstuk van Jac. de Wit (1735, Verrijzenis van 
Christus), afkomstig uit Alkmaar. In de Oudheid- 
kamer een 19e-eeuwsche copie van een schilderij: 
de Bergensche H. Bloedprocessie. Knipping. 

Nadat in den 2en Coalit ie -oorlog 38 000 Kussen 
en Engelschcn onder Abercrombie den 27en Aug. 1799 
in Noord-Holland waren geland, vielen zij den 19en 
Sept. onder den hertog van \ ork aan op de verbonden 
Franschen en Hollanders, die bij B. een stelling hadden 
ingenomen onder bevel van den Franschen generaal 
Brune. De Hollandsche troepen werden aangevoerd 
door Daendels en Du Monceau. Deze aanval werd 
afgeslagen evenals twee latere aanvallen op 2 en 6 Oct. 
De Russische generaal Hermann werd met 2 000 man 
gevangen genomen met verlies van 25 stukken geschut. 
Dientengevolge werd op 18 Oct. de Conventie van Alk- 
maar gesloten, waardoor de gelande troepen zich 
weder moesten inschepen. v. Voorst . 

2° Gem. in Ned. Limburg, gelegen in het N. der 
provincie, omvattend de dorpen Bergen, Afferden, 
Well, Heven, Siebengewald (alle parochies) en Heuke- 
lom. waarbij nog verschillende gehuchten. In 1932: 
6 736 inw. (Kath.). Landbouw langs de Maas en de 
andere beekjes; veen en heide. v . Thiel. 

3° (Fr. M o n s), hoofdstad van de Belg. provincie 
Henegouwen, ongeveer in het centrum van de prov.; 
opp. 1 665 ha, ca. 28 000 inw.; breede Alluviale 
Henevallei met zeer heuvelachtige 
omgeving, Mont Panisel; de 
Trouille werpt er zich in het 
H ene -dal. Spoorwegkruispunt, ka- 
nalen; nijverheids- en handels- 
centrum in het steenkoolbekken 
van de Borinage gelegen; talrijke 
fabrieken in de omgeving. Onder- 
wijs: normaal- en middelbare 

scholen, Athenaeum, Hooger Han- 
„ r delsonderwijs en Hoogere Mijn- 

Wapen van Bergen. Technische scholen, kunst- 

en muziekonderwijs; bibliotheek; musea: van schoone 
kunsten, van natuur-wetenschappen, van folklore en 
oudheidkunde; genootschappen voor kunst en weten- 
schappen. V. Asbroeck. 

De driebeukige collegiaalkerk St. Waltrudis in 
laat-Gotischen stijl (1450 begonnen, bouwmeester 
Mattheus de Layens) werd eerst in de 17e eeuw vol- 
tooid. De toren, die ruim 180 m hoog moest worden, 
is nooit afgebouwd. In de kerk altaarstukken van Otto 
Venius, van Thulden, enz. Kostbare schat, el’Car 
d’or. Evenmin is het Gotische stadhuis gereed gekomen 



(waarin tapijtwerken naar Tcnicrs). Uit Bergen is de 
musicus Orlando di Lasso afkomstig. Knipping. 

Het belfort, van de 17e eeuw, in Barokstijl, met 
beiaardspel. De H. Elisabethkcrk, de Tour du Val 
des Ecoliers, overblijfsel van een belangrijke abdij, 
in Renaissancestijl. Huizen met Gotische- en Renais- 
sance-gevels. Standbeelden van Boudewijn IX, 
Roland de Lattre, Leopold I. Waux-hall. 

Folklore. Gedurende de kennis (ducasse) 
wordt het reliekschrijn van de H. Waltrudis in de 
processie rondgevaren op den Gouden Wagen (el ’Car 
d’or), daarna wordt op de groote markt het gevecht 
geleverd van den „Lume^on”: terwijl St. Joris den 
draak bestrijdt, spelen beiaard en muziekmaatschap 
pijen het volkslied van den „Dodou”. 

Geschiedenis. B. ontstond gedurende de 
Romeinsche overheersching. In de 7e eeuw bouwde 


er de II. Waltnidis een klooster en later kreeg B. van 
Karei den Grooten den titel van hoofdplaats van Hene- 
gouwen. De vesting speelde gedurende de middel- 
eeuwen een gewichtige rol en het gerechtshof van B. 
stond hoog in aanzien. De graven van B. bekleedden 
een eereplaats in de geschiedkundige gebeurtenissen 
en maakten van B. een centrum van economische 
welvaart. De stad werd herhaaldelijk geteisterd door 
oorlogen en besmettelijke ziekten. Beroemde vorsten 
deden er hun intrede, nl. keizer Karei, Albrccht en 
Isabella, Lodewijk XIV. In 1914 en 1918 werden bij 
B. twee veldslagen geleverd. 

Li t . : J. Destrée, Mons et leB Montois (1933). 

V. Asbroeck. 

Vrede van Bergen. Hierbij werd in het najaar van 
1250 de Vrede van Brussel (Mei 1250) bevestigd. 

4° Stad aan de W. kust van Noorwegen, groot 
3 714 ha, met 101 286 bewoners (1932); zetel van een 
Luth. bisschep, tw r cede han- 
dclsstad van Noorwegen, 
eerste vischmarkt van Scan- 
dinavië. 

Ligging. De stad is 
gebouwd op een smalle 
Siluurv lakte aan den voet 
van de Flöifjeld en op het 
schiereiland Nordnas tusschen 
de Puddeïjord en Vaagen. In 
den kustboog vóór de stad is 
alle verkeer op Bergen gecon- 
centreerd en door een laagte, Wapen van Bergen, 
die van Voss naar het N. en 
Z. gaat, heeft de stad ook een locaal achterland. 
Maar vóór den aanleg der Bergensban w r as de stad 
door een steilen, moeilijk toegankelijken gebergtewal 
van het groote achterland afgesloten. Het zijn dan ook 
vooral historische factoren, die de stad tot bloei ge- 
bracht hebben. 

Beteekenis. Ca. 1070 door Olaf Kyrre 
gesticht, werd B. spoedig een middelpunt van handel, 
eerst door de vestiging van Engelsche, later van 
Duitsche kooplui, die zich tot hecren der stad w isten 
op te w r crken. Tusschen den voet van de Flöifjeld en 
de oude haven Vaagen lagen hun kantoren, Tyske- 
bryggen, en op het schiereiland w T oonden de Noren. 
De natuurlijke grondslag van dezen econ. bloei, die 
tot in de 16e eeuw aanhield, was de vischhandel, 
eerst van kabeljauw, later van haring, die ook nu nog 
de voornaamste rol speelt in den handel van Bergen. 
De hoofdfunctie van B. is altijd geweest die van 
distributie- en concentratiehaven voor de heele W, 
kust. Door de opening der Bergensban heeft de stad 
haar zelfstandige positie tegenover Oslo verloren, 
maar het verkeer is nog toegenomen. Groote reederijen 
en toenemende overzeesche verbindingen bevorderen 
den handel. De haven is steeds ijsvrij , beschut tegen 
alle winden en heeft kleine getijdenverschillen. De 
waterdiepten langs de kaden wisselen van 3 tot 10 m. 
Het oude havengebied kan zich niet verder meer 
ontwikkelen, maar nieuwe havens zijn in aanleg aan 
de Puddefjord. De industrie van conserven en scheeps- 
bouw vestigen zich vooral in Aarstad en Gyldenpris, 
die in 1915 en 1921 in het stadsgebied zijn opgenomen. 

Bezienswaardigheden. Van de oude stad 
is niet veel meer over. Door den grooten brand van 
1916 is het centrum der stad verwoest met veel 
van de oude gebouwen, die vooral daar nog be- 
stonden. Aan de N.W. punt der haven ligt de oude 





621 


Bergen — Bergen op Zoom 


622 ' 


vesting Bergenhus met den Walkendorftoren en de 
koningszaal uit de 13e eeuw (zie onder). 

/r. Stanislaus. 

De Protestantsche dom, vroeger Franc iscanerkerk, 
dateert uit 1248, doch is herhaaldelijk verbouwd, de 
Mariakerk is 12e-eeuwsch met een Gotisch koor, de 
Korskerk van iets vroegeren datum. Verder de kleine 
Katholieke Sint Paulus-kerk. Van de profane monu- 
menten is zeker het voornaamste het door koning 
Haakon Haakonsz gebouwde paleis Haakons-hallen 
(ca. 1250), met groote zalen en eigenaardige Gotische 
raamomlijsting. Het werd in de 19e eeuw eerestaureerd 
en met muurschilderingen van Gerhard Munthe voor- 
zien. De Stiftsgaarden is in Barokstijl opgetrokken. 
Middeleeuwsche Noorsche kunst is te zien in het 
museum (1825) tegenover de Johanneskerk, moderne 
nationale schilderkunst in de Rasmus Wevers Samling. 

L i t. : Koren- Wiberg, Bidrag til Bergens kultur- 
historie (1908); Norsk kunsthistorie (2 dln. Oslo 1925 
en 1927); Lexow, Haakonsh allen (1929). Knipping. 

In B. is ook gevestigd het moederhuis der Congre- 
gatie van de Zusters van den H. Franc. Xaverius, 
door mgr. Fallize voor Noorwegen gesticht. 

De Bergensban, spoorlijn Bergen — Oslo, 
is 492 km lang en het hoogste punt is 1 301 m. Over 
een lengte van 200 km gaat ze door een woest, eenzaam 
bergland. Er zijn 178 tunnels met een totale lengte 
van 36 882 m; de langste is de Gravahalstunnel met 
5 311 m. /r. Stanislaus. 

Bergen, 1° Antoon van, Zuid-Ned. 
kerkelijk schrijver, * 14 Dec. 1454 te St. Bertijn bij 
St. Omaars, f 1531, broeder van Hendrik, bisschop 
van Kamerijk, was commenditair-abt van het O.L.V.- 
klooster der Cisterciënsers in Bourgondië en (1483) 
van St. Truiden, en sleepte dit klooster mee in de 
politieke woelingen, waarin Willem van Arensberg 
de hoofdrol speelde. In 1493 liet hij zich kiezen tot 
commenditair-abt van St. Bertijn en schreef hier de 
kroniek van St. Truiden en de geschiedenis van het 
Gulden Vlies. 

L i t. : Biogr. nat. de Belg. 

2° Antoon van, geestelijke, f 1540, w r as deken 
van St. Servaas te Maastricht, bezat een prebende 
te Lier en was kanunnik te Bergen op Zoom. 

L i t. : N. Ned. Biogr. Woordb. (VIII). Erens. 

3° C o r n e 1 i s van, > Comelis van Bergen. 

41° Dirk van den, schilder te Haarlem in 
1645, f na 1690; leerling van Adr. v. d. Velde, wiens 
kunst hij vaak bedrieglijk nabootste. Hij schilderde 
vooral landschappen, met figuren en dieren, niet 
onverdienstelijk, maar weinig origineel. 

L i t. : v. Wurzbach, Niederl. Künstlerlex. 

Schrctlen. 

5° Hendrik van, bisschop van Kamerijk. 
> Hendrik van Bergen. 

G°Jan van Glymes, markies van, 
kamerheer van Karei V, 1555 ridder van het Gulden 
Vlies, groot-baljuw, kapitein-generaal van Hene- 
gouwen, opper jachtmeester van Brabant en Hene- 
gouwen, * 1529, f 21 Mei 1567. W ; eigert in zijn gebied 
de strikte uitvoeringen van de verordeningen tegen de 
Hervormden. Lid geworden van de oppositie der Ned 
edelen, neemt hij ontslag uit zijn functies, en wmrdt 
aangewezen om met Floris van Montmorency, graaf 
van Montigny, het request der edelen aan Philips 
over te maken. Vertrekt 1 Juli 1566 uit de Neder- 
landen. In Spanje werdt hij evenals zijn reisgezel 


Montigny aangehouden, en sterft in gevangenschap. 
Bekend als een edele, krachtige figuur. 

V. Roosbroeck. 

7° M a x i m i 1 i a a n van, van Walhaim, 
bisschop van Kamerijk, * 1512, f 27 Aug. 1570 te 
Bergen o. Z. Werd gekozen 10 Aug. 1556, ingeleid 
21 Oct. 1559. Vroeger deken van St. Gummarus te 
Lier. Hij werd door de bisdommenreorganisatie van 
1559 eerste aartsbisschop van Kamerijk en opnieuw 
ingeleid in 1562; hield provinciale synoden in 1556 
en 1567, gewijd aan hervorm ingsmaatregelen. 

L i t. : Biogr. Nat. : G. Gardon, De Maximiliano a 
Bergis, Cameracensi Archiepiscopo (Parijs 1892). 

Erens. 

Bergen aan Zee, badplaats in de Noord-Holl. 
gem. Bergen. Eerst bestond het plan in deze omgeving 
boerderijtjes te stichten. In 1905 kwamen hier de 
eerste gebouwen, die dienden om van B. a. Z. een 
badplaats te maken. Duinmuseum in hetParnassiapark. 

van der Meer. 

Berg en Bosch , sanatorium voor longlijders te 
Bilthoven. Inrichting, behoorende aan de R.K. 
Vereeniging tot bestrijding der Tuberculose „Herwon- 
nen levenskracht”, instelling van het R.K. Werk- 
liedenverbond. Gelegenheid tot opname van 320 
patiënten (100 vrouwen, 110 mannen, 70 kinderen en 
40 nazorgpatiënten). De verpleging geschiedt door 
zz. Dominicanessen. 

Berg en Bal, > Groesbeek. 

Bcrgcndal, nederzetting aan de Boven -Suriname, 
kerk en school van de Moravische Broeders, vroeger 
plantage van lord W'illoughby, graaf van Parham; 
de Blauwe berg (85 m) heet op oude kaarten Parham 
hill. 

Bergenia (p 1 a n t k.), een geslacht van de 

familie der steen- 
breekachtigen (Saxi- 
fragaceae). Komt 
voor in midden - 
Azië en is zeer ge- 
schikt voor rots- 
plant.Van B. cras- 
sifolia w r orden de 
bladeren als surro- 
gaat van thee ge- 
bruikt en leveren de 
w T ortels looistof voor 
den handel. 

Bouman. 

Bergen op Zoom, 1° oude stad in het uiterste 
W’esten van Noord -Brabant gelegen; een vroegere 
vesting met rijke historie, nu een levendig markt- en 
industriecentrum; w r ellicht in de toekomst een zee- 
haven. Deze gemeente omvat de stad B. o. Z., Oud - en 
Nieuw-Borgvliet en het Fort: 1 .lan. 1933: 22667 inw. 
(behalve het sterke garnizoen), waarvan ca. 82% 
Kath., ca. 10% Ned. Herv., ca. &/«% Geref. Opp. 
3 298 ha. 

Ligging. Het oude B. o. Z., dat reeds omstreeks 1260 
stadsrechten verkreeg, de hoofdplaats van een heer- 
lijkheid, in 1533 door Karei V tot markiezaat ver- 
heven (zie lagL'r), moest in de M.E. mede het hertog- 
dom Brabant in het N. beschermen; in latere eeuwen 
was het een sterke vesting op de Z. grenzen van de 
Republiek. Gunstig gelegen aan den drukst bevaren 
Schelcletak, bereikte het vooral in de 15e eeuw een 
groote vermaardheid als handels- en industriestad 
(lakens, linnen, meekrap) en was het de geduchte 



m 


Bergen op Zoom 


624 


concurrent van Antwerpen. Door veranderingen in 
de verdeeling van het Schelde-water, buitenla ndsche 
mededinging in de lakennijverheid en vooral door 
ongunstige staatkundige wijzigingen, namen aanzien 
en welvaart zeer af. Sedert 1883 is de vesting ontman- 
teld en werd de oude stad uitgebreid niet fraaie wijken 
en parken. Haar hoofdfunctie nu vloeit voort uit haar 
ligging op de grens van twee sterk gevarieerde econo- 
mische landschappen en de ligging aan een zeearm, 
de Ooster-Schelde. De omgeving biedt veel natuur- 
schoon, zoowel aan den Zeeuwschen als aan den 
Koord -Brab. kant. 

Bezienswaardigheden. Van de overblijfselen dor 
vroegere vestingwerken is vooral merkwaardig de 
grootendeels 13e-eeuwsche O.I.. Vrouwe- of Gevangen- 
poort. waarvan de ronde torens in Schelde-kalksteen 
zijn opgetrokken; dit gebouw is nu ingcricht als Stede- 
lijk Museum. Van de latere versterkingen, in 1691' 
en volgende jaren door Menno van Coehoorn aangelegd, 
is nog over ..het Ravelijn op de Zoom” (geheel geres- 
taureerd). Het Markii zenhof «n de Steen bergsche straat, 
eenmaal de verblijfplaats der Heeren van B. o. Z„ 
is thans als kazerne in gebruik: het is opgetrokken in 
Vlaamschen Renaissance-stijl. Sommige deelen datee- 
ren uit de 14e eeuw, andere uit de 15e en 16e; tot 
stand gekomen onder leiding van de beroemde bouw- 
meesters Keldermans uit Mechelen; in onze eeuw 
gerestaureerd. Het jtadhuis met den voorgevel in 
Schelde-kalksteen dateert uit het begin van de 17e 
eeuw r ; bevat o.a. een Renaissance-trap van 1619, 
verschillende 15e- en I6e-eeuwsche schilderijen, Bcrg- 
sclie markiezen voorstellende, en de bekende Christof- 
fel -schoorsteen, in 1521 gehakt in arduin door Rombout 
Keldermans, in 1840 uit het Markiezenhof naar hier 
overgebracht. De Ste. Geertrui- of Groote Kerk, aan 
de markt, dateerend uit de 14e of 15e eeuw\ vaak 
uitgebreid, tweemaal afgebrand, in 1747 grooten- 
deels ingestort; ernstig verminkt; er bevinden zich 
e enige grafmonumenten en zerken in. Voorts heeft 
B. o. Z. nog eenige typische gevels en gevelsteenen. 

Beteekenis. Als centrum van een sociaal -econ. 
sterk gevarieerd landschap heeft B. o. Z. een druk 
winkel- en marktwezen (Donderdagsche markt). 
Een aanzienlijk deel der bevolking, de zgn. hoveniers, 
houdt zich met tuinbouw bezig; vooral vermaard is 
de aspergeteelt, terwijl het aantal kassen voor den 
groentebouw’ zeer toeneemt. De veiling van den 
Boerenbond is goed geoutilleerd. Van de visscherij 
is vooral de vangst op ansjovis en haring bekend; 
ook de oestercultuur en de kreeftenparken. Het 
schippersbedrijf (vrachtvaart) heeft nog eenige 
beteekenis. 

Van de zeer belangrijke industrie treedt vooral de 
ijzerindustrie op den voorgrond: drie haarden- en vier 
machinefabrieken met constructie-werkplaatsen. Er 
is de grootste spiritusfabriek van de weield gevestigd 
met productie van alle soorten alcohol: een potasch- 
raffinaderij is er aan verbonden. Voorts bevindt zich 
in B. o. Z. nijverheid van: borstels, suikerwerken, 
likeur, limonade, parfumerieën, zeep, sigaren, visch- 
conserven e.a. De industrie ondervindt veel moei- 
lijkheden van de getij -haven, waardoor aankomst en 
vertrek der schepen slechts op enkele uren van den 
dag kunnen plaats hebben. Een zoetwaterbron, reeds in 
de M.E. bekend, wordt weer sedert 1930 geëxploi- 
teerd: „Sinte Geertmydtsbronne”. Door het vele 
natuurschoon: toerisme; in 1932 is een jeugdherberg 
opgericht. De komst van een open Moerdijkkanaal 


wordt ook in B. o. Z. met spanning tegemoet gezien; 
dit zou voor de Noord-Brabantsche industrie de 
mogelijkheid scheppen, te worden voorzien van een 
kanalenstelsel met B. o. Z. als zeehaven. 

Verzorging der Bevolking. B. o. Z. telt vijf parochie- 
kerken: drie in de stad, Burgvliet en Het Fort; een 
Ned. Herv., een Geref., een Luth. en een Israël, 
kerk. Verder bevinden er zich het Juvenaat van de 
Congr. der Priesters van het II. Hart van Jesus, hier 
in 1900 gesticht; het moederhuis van de Congr. der 
Gasthuiszusters van de Derde Orde van den II. Fran- 
ciscus; een Kath. II.B.S. en H.H.S.; een Rijks- 
H.B.S.; een Kath. Kweekschool voor meisjes; een 
ambachtsschool; een Kath. nijverheidsschool voor 
meisjes. Menige bekendheid geniet de Geschiedk. 
Kring „Het Markiezaat”. 

L i t. : Gids voor Bergen op Zoom en omstreken ; 
G. C. A. Juten, Oud-Rergen (Oudheidk. Jaarboek. 1924) ; 
het Bergen op Zoom-nunimer van de Holl. Revue, be- 
werkt door C. Slontmans (jg. 1931) West-Brahant- 
nummer van het tijdschr. : Ons Nederland (jg. 1932). 

v. Velthoren . 

Geschiedenis. Tot het einde der 13e eenw heeft het 
land van Bergen op Zoom geen afzonderlijk bestaan 
gehad; het vormde een onderdeel van Strijen, later 
van Breda. Aanvankelijk heette de plaats Bergen; 
Zoom zou kunnen duiden op den Westelijken rand van 
Breda of beteekenen: moergrond; met het riviertje, 
dat thans de Zoom wordt genoemd, heeft de naam der 
plaats niets te maken. Als l.andelsstad bloeide ze 
vooral in het laatst der 15e en het begin der 16e eeuw 
als concurrente van Antwerpen, door visscherij maar 
vooral lakenhandel; ze genoot den steun der ilanze. 
De handelsbloei verging met de inrichting als grens- 
vesting. In 1863 door aansluiting aan het spoorwegnet 
en in 1883 en 1888 door tram verbindingen met Tholen 
en Antwerpen, volgde opleving. Bekend zijn haar 
ijzergieterijen, zoutziederijen en groote suikerfabriek, 
terwijl ook het tuinbouwbedrijf sterk is uitgebreid 
en de kreeften- en oesterputten vermaard zijn; haar 
havenwerken zijn aanmerkelijk uitgebreid. De „Sinte 
Geertruydtsbronne” levert uitstekend tafel water. 
In de 16e. 1 7e en 18e eeuw doorstond de stad talrijke 
belegeringen. De laatste markiezen sproten uit het 
huis van Zulsbach; Maximiliaan van Zwxibrucken 
verkocht het markiezaat aan de Bataafsche republiek. 
Het Markiezenhof werd kazerne. Het stadhuis bevat 
vele historische portretten. De St. Lambertuskerk 
leed veel door den betddenstorm en de stadsbelegering 
van 1747; ze behoort thans aan de Nederduitsch Her- 
vormde Gemeente. Van vroegere kloosters rest nog 
iets in het St. Catharinagosticht, eens Reeolletten- 
klooster. Op 31 Maart 1932 is in de oude Onze Lieve 
Vrouw r e-poort een gemeentelijk museum geopend; 
dit is de eenige overgebleven poort, een der merk- 
waardigste overblijfselen van de militaire architectuur 
in Nederland met haar twee zware ronde torens uit 
de 13e eeuw; vroeger stond daar een Maria-kapel; 
later borg ze boosdoeners en kreeg den naam van 
Gevangentoren. Van 1442 tot omstreeks 1580 had 
Bergen op Zoom een kapittel. Van de vroegere kloos- 
ters zijn te vermelden: St. Margafiete-klooster, in 1461 
gesticht, het Cellezustersklooster van 1481 of 1482, 
het Grauw'zustersklooster en dat der August inessen 
en der Franciscanessen, het Minderbroeders- of 
Recol letten klooster uit de 15e eeuw; ook w T aren er 
Leliebroeders of Alexianen. Er bestond een pesthuis 
en een begijnhof. 


625 


626 


Berg en Terblijt — Bergeyck 


L i t. : J. B. Kriiger, Kerkelijke geseb. van het bisdom 
vaD Breda (III, 86-166i ; ir. A. J. L. Juten, J. Bevin en 
A. J. A. de Kok Bergen op Zoom als woonplaats (19211 : 
C. Slootmans, De Sinte Geertruydtsbronne : tijdschrift 
Taxandria. Knippenberg. 

2° Markiezaat van Borden op Zoom, een historisch 
landschep in de prov. Noord- Brabant, ten N., O. en Z. 
van Bergen op Zoom: in de vroede M.E. behoorde 
het tot het graafschap Strijen, dat later (mogelijk in 
begin 12e eeuw) uiteenviel. 

Het Z. deel, nl. het Land van Breda, waartoe 
ook het I and van B. o. Z. behoorde, werd toen een 
Brabantsch leen. In 1288 werd het afgescheiden van 
Breda en ontstond de aparte heerlijkheid B. o. Z.. 
tengevolge van de uitspraak van Jan 1 van Brabant 
op 22 Juni 1287. Kr regeerden achtereenvolgens de 
geslachten van Wesemaal, Van Bautersem en Van 
Glymes. Vooral de llecren uit het laatste geslacht 
waren zeer invloedrijk, met name Jan II van Glymes 
( 1417 — ’94), de raadsman van Philips van Bourgondië. 
en Jan IV, in onze historie als Bergen bekend, de 
stadhouder van Henegouwen en Kamerijk. In 1538 
werd de heerlijkheid door Karei V tot markiezaat 
(markgraafschap) verheven. Tijdens den Spaanschen 
bevriidingsoorlog werd het markiezaat aan de Oranjes 
opgedragen; na 1048 maakte het deel uit van Staats - 
Brabant, was dus Generaliteitsland. De heerlrkheids- 
rechten behoorden toen aan het geslacht Van \\ ittem. 
In 1801 werden deze door de Bataafsche Republiek 
gekocht en hield het markiezaat als zoodanig op te 
bestaan. Het bestond uit de stad B. o. Z. met haar 
rechtsgebied, de Buitenpoortcrij; verder uit vier 
districten: het Westkwartier, omvatte de 
dorpen: Wouw, Moerstraten, Vorenseinde, Halsteren 
en Noordgeest, benevens de polders Auvergne, G linies 
en Beiemoer; het Zuid kwartier: Osscn- 

drecht, Woensdrecht, Hoogerheide, lluybergen, Putte. 
Zuidgcest en Borgvliet; het Oostkwartier: 
Oudenbosch, de St. Maartenspolder, Oud -Gastel. 
Nieuw -Gastel, Hoeven, Rucphen en Zegge: het 
Noordkwartier: ’t Zandaarbuiten,^ Fijnaart 
en Heiningen. v. VeUhocen. 

Berg en Terblijt, gemeente in Nederhmdsch 
Limburg, gelegen ï kilonv t» rten N.O. van Maastricht: 
omvattend het dorp Berg en de gehuchten Terblijt, 
Geulem en Vilt. benevens een deel van \ alkenburg. 
In 1932: 2 151 inw. (Kath.). Landbouw en mergel- 
cxploitatie. Te Geulem toerisme. v. Thiel. 

Borgen, valt op ons. Bergen, valt op ons. 
heuvelen bedekt ons (Lc. 23. 30). Christus bezigde, 
toen Hij Jerusalems vrouwen, die llem beklaagden 
op haar eigen ongeluk wilde wijzen, deze woorden van 
Osee (10. 8); ze waren als spreekwoord blijkbaar in 
gebruik (vgl. Apoc. 6. 13). Bij gewijde schrijvers komt 
de vreugde der on vrucht ba ren, die niet getroffen 
kunnen worden in haar moederlijk gevoel, voor bij 
ls. 64. 1; bij profane: Euripides Androm. 395. 

Brouwer 

Borgen van Barmhartigheid, > Bank van 
leening. 

Borger, 1° H n g o, Duitsch geograaf, * 6 Oct. 
1830 te Gera, f 27 Sept. 1904 te Leipzig. Van 1862— 
*77 was hij leeraar, in 1899 werd hij prof. in de histo- 
rische geographie in Leipzig. Vooral bekend is zijn: 
Geschichte der wissenschaftl. Erdkuude derGricchen 
( 2 1903). t>. Velthoven. 

2° L u d w i g, Duitsch componist en muziek - 
leeraar, * 1777 te Berlijn, f 1839 aldaar. Woonde in 


Templin en Frankfort a. O.: studeerde in 1799 harmo- 
nie en contrapunt te Berlijn onder J. A. Gürrlich. 
Hij vertrok in 1801 naar Dresden, met de bedoeling 
om leerling van J. G. Naumann te worden. Deze 
was echter juist gestorven. Te zijner gedachtenis 
schreef B. een cantate. In 1804 reisde hij als leerling 
van M. dementi naar St. Petersburg en verbleef er 
zes jaren. Hij werd hier bevriend met Al. Klengel en 
J. Field. Na een kortstondig huwelijksgeluk te St. 
Petersburg met de zangeres \\ilh. Kargc, verloor hij 
tegelijk zijn vrouw en kind, vertrok in 1812 naar 
Stockholm en vandaar naar Londen, waar Clementi 
woonde. Hier leerde hij ook J. B. Cramcr kennen; 
in 1815 keerde hij terug naar Berlijn, waar hij zich 
hoofdzakelijk wijdde aan het muziek-onderwijs; 
leerlingen waren o.a, Mendelssohn, Taubert, Ilenselt, 
Fanny Hensel, Klister, e.a. 

Werken: klavierwerken, o.a. sonaten op. 1, 6, 7, 
9, 10, 15, 18; Etudes op. 12 (opnieuw uitgegeven door 
Karl Reinecke) en op. 22 (opnieuw uitgegeven door X. 
Scharwenka). — L i t. : L. Rellstab, Ludwig Berger 
(1846). Pisiaer . 

Bergerac, arr. hoofdstad in het Fr. dept. D<»r- 
dogne (44° 61' N.. 0° 30 O.). 32 m boven zee. 17 520 
inw. (1931). Handel in wijnen, brandewijn en truffels. 
Vroegere Hugenotenstad. De opheffing van het edict 
van Nantes in 1(185 vernietigde de industrie. De philo- 
soof Maine de Biran werd hier geboren. ïleere. 

Bergerac, Cyrano de, > Cyrano. 

Berger»!, F m i 1 e, Fransch tooneelschrijver 
en criticus. * 29 April 1845 te Parijs, f 13 Oct. 1923 
aldaar. Als schoonzoon van Th. Gautier begonnen nïet 
speelsche, in epigrammen toegespitste lyriek, sloeg 
B. minder in met opgewekte bliispelen (Le capita ine 
Frricasse, 1890) en goed gestileerde, lyrische, maar 
daarom minder toonoelhoudende drama’s, dan met 
zijn dolle Chioniques de Caliban in 
Le Figaro. 

W e r k c n. Verzen • Poèmes de la goerre (1871); 
La lyrc eomique (1889) ; La lyre brispp (1903) ; Ballades 
et sonnets (1910). Toonoel : Lp nom (1883) : Enguerrande 
(1884): Lp Baron de Carahosse (1885); La nuit berga- 
masque (1887): Plus epie reine (1899); La fontaine de 
jouvenre (1906'. Verhalen : Souvenirs d’un enfant de 
Paris (1885); Le livre de Caliban (1887); Le rire de 
Caliban (1890) ; Trente-six contes de toutes les couleurs 
(1919), e.a. Bauu 

Bergcrclfe, Fransche dans uit de 16e eeuw; 
ook algemeene benaming van herdersliedje. 

Bergerie (Fr. berger =- herder) is een klein en. 
fijn gedicht met als onderwerp de idyllische minne 
van zgn. herders. Omstreeks 1600 veel beoefend, met 
name door A. de Montchrestien. 

Borgeron, Tor, Zweedsch meteoroloog, aan 
het meteorologisch Instituut te Bergen (Noorwegen). 
Cyclonen en fronten leer. 

‘Werk: Wellen und Wirbel an ciner quasistationüren 
Grenzflache (Leipzig 1924). 

Bergeyck , Jan van Brouckhoven, 
baron van J eefdael, graaf van, Belgisch staatsman, 
* 9 October 1644, f 21 Mei 1726. Onderscheidde zich 
op het einde der 17e eeuw, tijdens het gouverneur- 
schap van Max. Emanuel van Beieren, en 
het tijdelijke Fransche bewind. Reeds algemeen 
schatmeester, werd hij in 1702 tot opperintendant van 
Financiën en van Oorlog aangesteld. Hij trachtte 
de methoden van Colbert tot herleving van de econo- 
mische welvaart in de Z. Ned. toe te passen. Als 
instrument van liet Fransche centralisme kw r am hij 


627 


Bergeijk — Berghe 


628 


in botsing met den geest der bevolking. Na de Fransche 
nederlaag van Ramillies (1706) ging met de Fransche 
macht ook zijn invloed te loor. V. Roosbroeck. 

Bergeijk, gem. in N. Brabant, ten Z.W. van 
Eindhoven aan de Belgische grens; bestaat uit de 
ar< chie-dorpen B.-’t Hof, B.-'t Loo en B.-de Wee- 
osch : ca. 3 200 inw., bijna allen Kath. Opp. 5 127 ha. 
Landbouw en veeteelt; ook industrie (stoomzuivel- 
fabriek met afzet van gecondenseerde melk naar 
Engeland, waaraan een blikfabriek is verbonden; 
verder sigarenfabrieken). Pensionaat, huishoud- en 
industrieschool der zusters Lrsulinen. Veel natuur- 
schoon: bosschen en heidevelden. De Weebosch is een 
bedevaartplaats ter eere van den H. Gerardus Majella, 
vooral druk bezocht gedurende het feestelijk octaaf 
(16 — 24 Oct.). In 1468 werd B. door Karei den Stouten 
tot stad verheven; het was toen een plaats met een 
belangrijke weverij. Echter heeft B. zich niet met 
muren omringd. Tot in de vorige eeuw woonden in B. 
veel Teuten, handelaars, die vreemde landen bezochten, 
cm hun waren te verkoopen. v. Velthoven . 

Bergfried (middeleeuwsch „b e r f r e d u s”) 
is de Duitsche benaming voor den alleenstaanden 
hoofdtoren van een burcht. Verder > Belfort. 

Berggeesten. Het geloof aan b. dankt zijn 
ontstaan aan den demonencultus of aan het zielengeloof 
en de zielenvereering. In het volksgeloof leven indruk- 
wekkende historische figuren voort, verscholen in 
bergspelonken, zooals Frederik Barbarossa in den 
Kyffhauser, Karei de Groote in het Odenwald. 

Knippenberg. 

Berggoden, dit wil zeggen góden, die in of op 
bergen wonen, vindt men bij alle volkeren, die in 
bergachtige streken wonen. De berggoden en berg- 
geesten zijn meest allen mannelijk, alhoewel ook berg- 
moeders en bergnimfen voorkomen. De berggoden 
worden gedacht in of op de bergen te wonen. In het 
eerste geval worden ze als aardgoden beschouwd en 
worden hun offers in bergholen opgedragen. In het 
tweede geval zijn ze hemelgoden; de berg, die met 
zijn kruin in den hemel reikt, is dan als de verbinding 
tusschen hemel en aarde. Dezen góden worden tempels 
en altaren opgericht en offers opgedragen op de bergen. 
Door vermenging van culturen en van opvattingen 
krijgen de berggoden vaak een gemengd karakter, zoo- 
als duidelijk is waar te nemen in den Griekschen Zeus, 
die, oorspronkelijk heme'god, bij zijn intocht in 
Griekenland, verschillende berggoden verdringt en 
hun voornaamste attributen overneemt. Bellon. 

Berggoud noemt men het goud, dat op zijn 
primaire ligplaats wordt aangetroffen. Als berggoud 
wordt goud gevonden in gangen door kristallijne of 
eruptieve gesteenten (Californië, Mexico), in fijn ver- 
deelden toestand in het cement van sommige conglo- 
meraten (Transvaal) en in goudkwartslagen (N. Ame- 
rika). In tegenstelling met berggoud kent men het 
zgn. stroomgoud, d.w.z. goud, dat zich op secimdaire 
ligplaats in het rivierzand bevindt. 

Hofsteenge. 

Bergh, naam van een gemeente in Geld., in het 
Z. van den Achterhoek, aan de Duitsche grens. Voor- 
naamste plaats is ’s Heerenberg. De gem. ontleent 
haar naam aan het kasteel Bergh. Tot de oude h e er- 
1 ij k h e i d B. behoorden de dorpen ’s Heerenberg, 
Didam, Zeddam, Etten, Gendringen, Beek, Kilder, 
Wijnbergen, Azewijn, e.a. Voor de geschiedenis, 
Zie ’s > Heerenberg. 


Bergh, 1° Helvetius van den, 
a-romanitsch schrijver van prozaverhalen, luimige 
gedichten en eenige blijspelen, waarvan „De neven” 
(1837) aardige, vlot-geschreven gedeelten bevat. 
* 1799 bij Zwolle. 

2° Herman van den, dichter, * 1897, mede- 
oprichter en leider van het maandblad Het Getij. Hij 
gaf den eersten stoot tot de beweging der jongeren in de 
letterkunde; zijn poëzie schiep een nieuw dichterlijk 
wereldbeeld, zijn critisch proza, ofschoon zeer stroef 
van stijl, stimuleerde jeugdige dichters rond 1920. 

Work: De Boog (gedichten, 1917); De Spiegel 
(gedichten, 1925^ ; Nieuwe Tucht (studiën, 1928). — 
L i t. : D. A. M. Binnendijk, Inleiding tot De Spiegel ; 
11. Marsman, De Lamp van Diogenes ; Dirk Coster, 
Nieuwe Geluiden. Asselbergs. 

2° La u rent Philippe Charles van 
den, rijksarchivaris van 1865 tot 1887. * 20 Juni 
1815 te Düsseldorf, f 17 Sept. 1887 te Den Haag. 
Studeerde rechten te Utrecht, en promoveerde aldaar. 
Interesseerde zich vooral voor letterk. en gcsch. Gaf 
verscheidene werken van J. v. Meerland uit. 

Voorn, werken: Handb. der middolned. geo- 
graphie, naar de bronnen bewerkt (1852, 2 1872 ; wel 
verouderd, maar nog steeds niet door een beter ver- 
vangen) ; Oorkondenboek van Holl. en Zeel. (2 dln. 
1866 — *73). — L i t. : prof. Brugmans, in Nieuw Ned. 
Riogr. Wdb. (IV. 118). Offermans. 

Borgharen, gem. in Geld., in het midden van het 
Land van Maas en Waal, ca. 15 km ten W. van Nij- 
megen. De gem. heeft een opp. van 2 100 ha en omvat 
de dorpen B., Hemen en Leur. Van de ruim 1 650 
inwoners zijn ong. 1 400 Kath. en 250 Ned. Herv. 
De bodem bestaat in het O. uit Diluviaal zand, overi- 
gens uit rivierklei. Landbouw vormt het hoofdbest ans- 
middel. B. w r erd vroeger ook wel Burgharen 
genoemd, naar de vele kasteden in de omgeving, waar- 
van er nog slechts enkele bestaan : te Wijchen, te 
Hosen en het Huis te Hemen (15e en 16e eeuw r ). 

Heijs. 

Berghaus, 1° H e i n r i c h, geograaf en 
cartograaf, * 3 Mei 1797 te Kleef, f 17 Febr. 1884 te 
Grünhof (Stettin). Was leeraar aan een cartographen- 
school in Potsdam, waar hij o.m. Petermann en Lange 
bekwaamde. Sedert 1863 w r oonde hij in Grünhof. 

Werken: Atl. von Asien (1833-’43): Physikalischer 
Atlas (1836-’48); Allgem. Lander- und Völkerkunde 
(6 dln. 1836 — *41) ; Grundrisz der Gcographic (1840 — *43); 
Die Völker des Erdballs (2 dln. 1852 — *53). 

v. Velthoven. 

2° Hermann, cartograaf, * 16 Nov. 1828 te 
Herford. f 3 Dec. 1890 te Gotha; gevormd in de carto- 
graphenschool van zijn oom Heinrich B. in Potsdam. 
Sedert 1850 cartograaf in de beroemde Geogr. Anstalt 
van Justus Perthes te Gotha. Mede-uitgever van 
Stieler’s Handatlas; bewerkte een nieuwe uitgave van 
den Physikal. Atlas van Heinrich Berghaus (1886- ’92). 

Berghe, 1° Jan van den, ook Berch, 
zooals hij zich in een rijm -onderschrift noemt, schrij- 
ver van een in 1431 te Brugge ontstaan allegorisch 
werk Dat Kaetspel ghemoralizeert: 
het kaatsspel met al wat er bij gebeurde of te pas kwam 
werd er toegppast „ten facte van justiciën”. op de 
rechtspraak, met 103 exempelen, zoo wat van overal 
bijeengebracht, oï uit het Scaecspel overgenomen. Het 
werk is navolging van de allegorieën -literatuur, 
w T aarvan Thomas van Cantimprë met zijn Bonum Uni*' 
versale de apibus en Jacobus de Cessol is met zijn 
Ludus scaccorum het voorbeeld hadden gegeven. Het 


Berghegge — Bergius 


630 


620 


vond zooveel bijval, dat het reeds in 1477 (Leuven) 
werd gedrukt en meermalen opnieuw werd uit- 
gegeven. 

-Ui. tg. : J. A. Roetert Frederikse, Dat Kaetspel 
ghemoralizeert (1915). 

V. d. B. heet ook de dichter van het E s b a t e- 
raent van Hanneken Leckertant, 
waarmee de rederijkers van de Violieren van Ant- 
werpen in 1541 op het landjuweel te Diest den eersten 
prijs behaalden. 

U i t g. : G. Kalff, Trou moet blijcken (1389, 55-80). 

V. Mierlo. 

2° Willem van den, bestuurder van een in 
Vlaamsche gemeenten befaamd rondreizend tooneel- 
gezelschap, dat reeds in 1851 werd gesticht. * 1854 
in Noord-Ned., f 1928 in Vlaanderen. Voerde uitslui- 
tend volksdrama s op: Genoveva van Brabant (8 bedr.), 
De Brusselsche Straatzanger (6 bedr.), De Vodden- 
raper van Antwerpen, „aandoénlijk” (10 bedr.)! 
Heden trekt het gezelschap v. d. B., onder leiding van 
den zoon, Adolf, met een prachtige schouwburgtent, 
weer door Vlaanderen, speelt het oude repertorium in 
simili gemoderniseerde mise-en-scène en behaalt in 
kleine steden en dorpen zeer veel succes. Goddaine. 

Berghcggc, Vincent, acteur, * 1877 te 
Tilburg; niet voor het tooneel opgeleid, begon hij zijn 
loopbaan eerst op lateren leeftijd bij de Ned. Tooneel- 
ver., later bij Royaards. Sinds 1915 bespeelde hij 
vsch. openluchttheaters. 

Berghem, gem. in N. Brabant, ten O. van Oss, 
aan den spoorweg Den Bosch— Nijmegen; ca. 2 600 
inw., bijna allen Kath.; opp. 1 334 ha. Landbouw en 
veeteelt (stoomzuivelfabriek); veel arbeiders zijn werk- 
zaam in de industrieën van het naburige Oss. Nieuwe 
Kath. kerk, gebouwd aan den ouden gerestaureerden 
toren (ca. 1500). 

Berghen, 1° Georg L o d e w ij k van, 
bisschop van Luik. * 15 Sept. 1662 te Brussel, 7 Febr. 
1724 bisschop, f 4 Dec. 1743 te Luik, na een rustig 
en verdienstelijk bestuur. Ilij gebood o.a. op zware 
straffen aan de pastoors het volk des Zondags te onder- 
wijzen in den godsdienst. 

L i t. : Gesch. v. h. bisd. Roermond (I, 210). 

2° R o b e r t van, bisschop van Luik (12 Dec. 
1557). Onder zijn episcopaat had de nieuwe inrichting 
der bisdommen in de Nederlanden plaats. Het bisdom 
Luikwerd daardoor sterk verkleind, nl. heel liet bisdom 
Namen en het grootste gedeelte van de bisdommen 
Mechelen, Antwerpen, Roermond en Den Bosch w’erden 
aan Luik onttrokken. Vandaar groote ontevredenheid, 
vooral ook omdat Luik geen metropol itaanstad was 
geworden. Ook Leuven met zijn universiteit was bij 
Mechelen gevoegd. Lieven Torrentius van der •> 
Beken, toen aartsdiaken van Brabant, werd naar 
Rome gezonden om de terugtrekking te verkrijgen 
van de nieuwe indeelingsbul, of ten minste een schade- 
loosstelling aan Luik (> Luik, Algemeen overzicht). 
In 1563 verkreeg Rob. ontslag wegens zwakke gezond- 
heid; hij stierf te Bergen-op-Zoom, waar hij zich terug- 
getrokken had. 

L i t. : Biogr. Nat. de Belg. ; Habets, Gesch. bisd. 
Roermond (1, 197). Valvekens. 

Berghes, 1° Alphonsus de, aartsbis- 
schop van Mechelen van 1671 tot aan zijn dood; f 7 
Juni 1689 te Brussel. Eerst tot bisschop van Doornik 
kangewezen, werd hij later, om politieke redenen, tot 
aartsbisschop van Mechelen gekozen. Was in alle 


opzichten een waardig kerkvorst. Alleen is hij niet 
krachtig genoeg opgetreden tegen het Jansenisme. 

Valvekens. 

2° (Ook: Van Berghen), Gui Helmus 
d e, Aartsbisschop. * 1551 te Antwerpen, f 25 April 
1609 te Kamerijk. Hij stamde uit de familie der ba- 
ronnen en graven van Grimbergen, studeerde te Leu- 
ven, Dole, Padua, Bologna en Rome in theologie en 
rechten. Huisprolaat van paus Gregorius XIII ge- 
werden, kwam hij in dienst van kardinaal Gerardus 
van Groesbeek, prins-bisschop van Luik. die hem ver- 
schillende gezantschappen opdroeg. In 1584 tot deken 
van de St. Lambertuskerk te Luik gekozen, werd hij 
29 Maart 1598 als derde bisschop van Antw. gewijd. In 
1601 werd hij aartsbisschop van Kamerijk. 

L i t. : J. B. Kriiger, Kerkelijke gesch. van het bisdom 
van Breda (II 1874, 175-180). Knippenberg. 

Berghe Stc. Maria, eerste missiepost der Pa- 
ters van Scheut in Kongo; gesticht door p. Gueluy 
(December 1888) aan den samenloop van den Kongo- 
stroom en de Kwa-rivier. In 1886 stichtten de Witte 
Paters aldaar de missie Bocngana O.L. Vrouw, te 
midden van den woesten Bayansi-volksstam. Wegens 
de nieuwe kerkelijkc indeeling van Kongo werd deze 
missie in 1887 door de Witte Paters verlaten. B. werd 
verschrikkelijk geteisterd door de slaapziekte en des- 
wege in 1900 opgeheven. Vanneste. 

Berghocn (C a c c a b is), vogel, behoorend tot 
de orde der hoenderachtigen. Lichaam krachtig, hals 
kort, kop betrekkelijk groot, snavel langwerpig, maar 
krachig, voet middelhoog met stompe sporen of een 
hoornen wTat. Een roodachtig grijs, dat bij enkele 
soorten naar het leikleurige zw r eemt, vormt de hoofd- 
kleur; voorste deel van den hals en de bovenborst, 
evenals de zijden zijn levendig rood gekleurd; steeds 
zijn pooten en snavel rood. In Nederland is enkele 
malen aangetroffen C. of Alectoris rufa of roode patrijs, 
die in Z.W. Europa leeft. In Engeland is het ingebur- 
gerd door uitpoting. Keer. 

Berghout, naam voor dichte kristalaggregaten 
van asbest. 

Berghout, zware houten lijst, rondom een schip 
of boot aangebracht ter hoogte van het dek, ter be- 
scherming van den romp tegen beschadiging door 
zware stooten. 

Berghues, Cornelius de, of de Berg, 
bisschop van Luik, 1538 — 1544. Onder zijn episcopaat 
zijn de Jezuï ten in het bisdom gekomen. Hij bestreed 
de Wederdoopers (Anabaptisten) en de Lutheranen. 
Op aandringen van Karei V koos hij zich Georg van 
Oostenrijk tot coadjutor met recht van opvolging, 
om de twisten te voorkomen, die gew 7 oonlijk bij een 
bisschopskeuze plaats vonden. In 1544 trok Cornelius 
zich terug en nam ontslag. Reden onbekend, f 1545 te 
Hoei. 

L i t. : Habets, Gesch. bisd. Roermond (I, 196). 

Valvekens. 

Bergilers, > Belliek. 

Bcrgingsmaat schappij, maatschappij, welke 
zich belast met het vlot maken en het bergen van ge- 
strande en gezonken schepen en ladingen, met het 
opruimen van wrakken, met duikeronderzoek, enz. 

Bergis, Willem de, ook Berghes, 
> Berghes (Guilielmus de). 

Bergius, F r i e d r i c h, scheikundige, * 11 
Oct. 1884 te Breslau, in 1931 begiftigd met den Nobel- 


631 


Bcrgk— Berglceuwerik 


632 


prijs voor scheikunde, tegelijk met Bosch. Bekend door 

zijn onderzoekingen 
over het „vloeibaar 
maken” van steen- 
kool, het zgn. Ber- 
gius-proees (zie on- 
der). Hierdoor wordt 
steenkool voor 60% 
in olie omgezet, waar- 
bij bijna alle olie in 
den vorm van benzine 
geronnen kan wor- 
den. Door een ander 
procédé, de hydrolvse 
van cellulose, is het 
mogelijk houtafval 
voor 65% om te zetten 
in een suikerhoudend 
product, waarbij ver- 
der azijnzuur en lignine verkregen worden. Het suiker- 
houdend product is zeer geschikt voor veevoeder. 

llongeveen. 

Benrius-prooes. een werkwijze ter verkrijging van 
vloeibare producten door destructieve hydreering 
van bruin- of steenkolen. Een kenmerk van deze naar 
dr. Bergius genoemde werkwijze is het gebruik van 
waterstof onder een druk van ca. 200 kg /cm 2 bij een 
temperatuur van 400 a 450 ° C. Het gebruik van ge- 
schikte katalysatoren is van het grootste belang voor 
een gunstig verloop van de reactie. Het Bergius- 
proces wordt in Duitschland technisch toegepast; een 
uitvloeisel ervan is de hydreering van aardoliepro- 
ducten, waarvoor momenteel in Amerika een tweetal 
proeffabrieken in werking is. De aan een technische 
uitvoering verbonden kosten voor de hydreering van 
kolen zijn zeer hoog, zoodat een ernstige concurrentie 
van de synthetische benzine met de natuurlijke aard- 
olie-destillaten slechts onder speciale omstandigheden 
mogelijk zal zijn. Pulleners. 

Bercjk, T h e o d o r, Duitsch philoloog, * 1812 
te Leipzig, f 1881 te Ragatz; professor te Marburg 
(van 1842 af), Freiburg (1852). daarna te llalle (1857) 
en te Bonn (1869). Zijn naam is verbonden met de 
studie der Grieksche dichters en de verzameling hun- 
ner fragrmnten: Poetae Lyrici Graeci (3 d in. 1843). 
Onder zijn talrijke andere werken was zijn Geschichte 
der Gricchischen Literatur, na zijn dood voortgezet 
door Peppmüller (4 dln. 1872 — 1887). een standaard- 
werk. V. P uttel bergh. 

Bercjkalk, verouderde benaming voor kolenkalk, 
de kalksteen uit de onderste afdeel ingen van de Oar- 
boonformatie. Deze kalksteen bevat een rijke mollus- 
kenfauna en vertegenwoord igt de marine sedimenten 
der onder-Carboonformatie. Jn de Ardennen, waar dit 
gesteente op groote schaal ontgonnen wordt, draagt 
het den naam marbre de Namur en petit granite. liet 
wordt gebezigd als trottoirband enz. IJofsteenge . 

Bergklimaat . Dit begint reeds op 500 meter 
hoogte en kenmerkt zich door met de hoogte toenemen - 
den lagen luchtdruk, reine, koude en verdunde lucht, 
sterke zonnestraling met groote verschillen tusschen 
de temperatuur in de zon en in de schaduw (te Davos 
op 25 Dec. te 12 uur -f 40° C in de zon en — G in de 
schaduw) en overvloed van ultra-violette stralen. De 
zuivere en droge lucht van lagen druk verhoogt de 
activiteit van bloedsomloop en ademhaling, prikkelt 
de eetlust en geeft een gevoel van opgew ektheid, althans 
op niet te groote hoogten (beneden 2 000 meter), dat 


men in lager gelegen warmere streken mist. Tuber- 
culose w T ordt daardoor gunstig beïnvloed, huidziekten 
en malaria komen er bijna niet voor; rhachitis wordt 
door de ultra-violette stralen verhinderd; ziekten 
van het hart w r orden meestal niet gunstig beïnvloed. 
Op groote hoogten (3 000 meter en meer) treedt bij 
beweging spoedig bergziekte op. > Barometrische 
druk. > Hoogteklimaat. Droog . 

Bcrcjknop, > Muurpeper. 

Bergkristal, variëteit van kwarts (Si0 2 ) en 
voorkomend in den vorm van fraaie heldere kristallen, 
behoorend tot het trigonale stelsel. De habitus dezer 




Bergkristal. 


kristallen doet ’n combinatie van ’n ditrigonaalprisma 
en een bipyramide vermoeden. Op grond hunner pyro- 
electrische eigenschappen neemt men aan, dat de zgn. 
pyramidevlakjes in werkelijkheid rhomboëdervlakjes 
zijn. Men kent vele variëteiten. De rookkleurige wordt 
rooktopaas of rookkwarts genoemd; de donkerbru ine 
heet morion en de gele citrien. Bergkristal wordt 
meestal in de zgn. kristalhelders gevonden, waar de 
kwartsen de wanden van holten in het gesteente be- 
kleeden. Kristalhelders zijn o.a. bekend uit het Aar- 
Gotthard -massief der Alpen. Verder komt het voor op 
Elba, (’eylon en Madagaskar. Bergkristal wordt als 
siersteen gebezigd en voorts bij het samenstellen van 
bepaalde lenzencombinaties. IJofsteenge. 

Bergkurk, weinig gebruikelijke naam voor as- 
best. 

Berg leeuwerik, tegenwoordig Strand- 

1 e e uw er i k genaamd, Eremophila alpestris flava, 
komt ’s winters op den trek vrij talrijk langs de kust 
voor. Hoofdkleur leombruin, wenkbrauw, voorhoofd 
en keel geel, teugel, wangen en breede dwarsband 




633 


Berglook — Bergonisatie 


634 


over de bovenborst zwart, midden van den kop zwart, 
twee zijkuifjes achter de oogen. Schouder en stuit 
met wijnrood waas. De mooiste van onze leeuwe- 
riken. Wordt wel in kooien gehouden. Broedt in 
N. Europa. Bernink. 

Berglook, Allium carinatum, een 
zeldzame plant, één der 270 soorten van het geslacht 
Allium, behoorende tot de familie der lelieachtigen 
(Liliaceae). 

Bergloon werd onder het vroegere Ned. zee- 
recht genoemd de beloon ing, verschuldigd voor 
het redden van onbeheerd gevonden lading of schepen: 
sinds 1927 is het niet meer onderscheiden van > hulp- 
loon. 

Bergman, 1° Bo IT j a 1 m a r, Zweedsch 
dichter en novellenschrijver van zwaar-pessimistische 
Tichting. * 6 Oct. 1869 te Stockholm. In B.’s werk. 
dat van meesterschap over den vorm getuigt, is het 
leven harteloos spel van een blind determinisme, dat 
de wil- en doellooze menschen als marionetten ge- 
bruikt. 

Werken: Marionetter ( 1 903> ; Drommen (1901) ; 
Skeppct (1917); Valda Dikter (1919); Livets Ögon 
(1922). — L i t. : Böök in Resa kring Svenska parnassen 
(Stockholm 1928). 

2° II j a 1 m a r, Zweedsch tooneel- en roman- 
schrijver, tevens kinderdichter. * 19 September 1883 
te Örebro, f 1 Jan. 1931 te Berlijn. De grillige 
humor is enkel het stijlkleed voor een hopeloos fatalis- 
me. dat de bonte wereld van B.’s phantasierijke maar 
duistere epiek beheerscht, waarvan de stof veelal 
ontleend wordt aan het klein -burgerlijk midden van 
het Zweedsche Abdera Wadköping (in Bergslagen). 

Werken. Tooneel: Maria, Jpsu Moder (1905); 
Parisiua (1915); Marionettspel (1917). Romans: Savo* 
narola (1909) ; Amourer (1910) : Hans Nads Testament^ 
(1910); Dansen p& Früljarn (1915); Knutsmassomarknad 
(1916) : En Döds Memoarcr (1918); Markurells i Wad* 
köping (1919) ; Farmor of Varherre (1921) ; Jag, Ljung 
och Mcdardus (1923). Baur. 

Brrgmann, 1° A n t o n, de Vlaamsche Ililde- 
brand, debuteerde met beloftehoudend werk: Twee 
Rijnla ndsche novellen, en kwam tot volle uiting in 
zijn meesterlijk en bekroond werk: Ernest Staes, Ad- 
vokaat (1874), da> in juweel ig proza de heerlijke tafe- 
reelen uit schrijvers jeugd (schuilnaam Tony) verhaalt. 
* 1834 te Lier, f 1875. Philippen. 

2° E r n s t v o n, langen tijd de eerste Berlijn che 
chirurg, opereerde keizer Frcderik; * 1826, f 1907; 
werd 1882 prof. te Berlijn. Groote verdienste voor de 
aseptiek; hielp het sublimaat invoeren. 

ê° Joris, burgemeester te Lier, vader van Tony 
B., liet lezenswaardige Gedenkschriften na (uitge- 
geven dooi P. Fredericq, 1895). * 1805, f 1893 te Lier. 

Bergmnns, P a u 1, Belgisch musicoloog. * 23 
Febr. 1868 te Gent, professor en hoofdbibliothecaris 
ain de Gentsche universiteit, lid van de Académie 
Rovalc de Belgique sedert 1913. 

vVerkcn: o.a. P. L. Leblan (1884); II. Waelput 
(1884); Variétés musicologiques (3 reeksen : 1891, 1901, 
1920) • La vie musicale gantoisc au XVllle siècle (1897) ; 
Peter Philips (1903); Les musidens de Courtrai et du 
Courtraisis (1912) ; Fl. van Duyse (1919) ; II. Vicuxtemps 
(1920) , Limnander (1920) ; 14 lettres inédites de Ph. de 
Montc (1921); .1. van den Eeden (1924); van Elewijck 
(1925); Les Loeillet (1927); Busschop (1928); La 
typographie musicalo beige au XVle siècle. 

V. d. Borren. 

Bergmelk, een fijn wit poeder, vnl. bestaande 


uit kleine calcietrhomhoëdertjes, dat soms in holten 
en spleten in een gesteente voor kan komen. 

Bergmuscli, > Rinsrmusch. 

Bergnamen. Er bestaat geen algemeen type 
voor de benaming van bergen en de gebruikelijke 
namen zi;n van zeer verschillenden oorsprong en datum: 
Alpen, Pyreneeën: reeds vóór- Keltisch; Geven nen, 
Taunus, Ardennen: Keltisch; andere Romaansch, 
Oermaansch. enz. Zeer verbreid is de associatie tus- 
schen de begrippen „bosch” en „berg”: Zwarte Woud, 
Böhmerwald, Thüringerwald, Ardennerwoud. In de 
Ned. toponvmie komen, voor meest zeer geringe hoog- 
ten, de volgende termen voor: berg, geest (zandige 
hoogte), duin, heiikcl (Duitsch: Hiigelj, heuvel of 
buffel, hil en hul (Eng. hill). haar (vgl. Duitsch: Hart, 
ITarz), klinge, knok, lid, link. Het zeer gebruikelijke 
dal wijst niet noodzakelijk naar een vallei, daar het 
woord in benamingen van kloosters, vooral van vrou- 
wen, in de middeleeuwen zeer geliefd was: Groenen- 
dale, Roscndalc, Nonnenda le, llemelsdale, enz. be- 
teekent eenvoudig groen klooster, nonnenklooster, 
enz. Mansion. 

Brrgner, El i s a b e t h, actrice. * 22 Aug. 
1899 te Weenen. Kwam omstreeks 1925 tot grooten 
roem als vertolkster van het ideale type van die jaren. 
Met haar kinderlijk-tengere verschijning weet ze juist 
gestalten van poëtisch karakter voortreffelijk te ver- 
tolken. Tot haar beste rollen belmoren dan ook die 
uit de blijspelen van Shakespeare (Portia, Viola, 
Rosa 1 in d). Ook in Shaw’s Saint Joan had ze groot suc- 
ces. E. B. trad op in Ziirich, Weenen, München en 
Berlijn, evenals op buiten landsche tournées. Zij speelde 
ook in eenige films van bijzonder gehalte (o.a. A riant* en 
Der trii u mende Mund). v. Thienen. 

Bergnlniph Alarasrnius, > W ekL kring - 
zwam. 

Berg-I\ubicrs, groep van de Nubiërs, > Afrika 
(Bevolking). 

Bergognone, II, eig. Ambrogio de 
F o s s a n’o, Hal. schilder, die in zijn geboortestreek 
(Lombardijc) met Foppa de eerste was, die de kunst 
van Leon. da Vinei navolgde. * ca. 1465, f 1523. Zijn 
naam komt het eerst voor in de matrikel der Milanee- 
sche sch ildersun i vers ito it van 1481. Zijn werk is vrij 
duidelijk in twee perioden te scheiden. ïn de eerste 
(tot 1495) vertoont zijn koloriet een metaalachtige 
grijsheid, die vooral aan de vloeschpartijen een heel 
eigen, niet altijd bevredigend effect geeft. Zoo zijn 
fresco’s in de Certosa van Pavia en de S. Satiro van 
Milaan. Het zich eigen maken van Leonardo’s manier 
kenmerk* de tweede periode: hij blijft ver beneden zijn 
voorbeeld, beperkt zich tot vrij oppervlakkig na volgen, 
maar het komt aan zijn koloriet in elk geval ten goede: 
dit wordt malschcr en levendiger. 

Voorn, werken: Kruisdragende Christus (Pavia, 
Galleria) ; Madonna voor gordijn gezeten, dat door 
engelen wordt opgehouden (Milaan, Brera) ; Madonnina 
(Londen, National Gallery) ; Doopsel van Christus 
(Melegnano); fresco's in de absis van S. Sempliciano te 
Bergamo. — L i t. : Venturi, Storia dell* arte ital. (VTI 
4 1915). Knipping. 

Bcrgonié, > Bergonisatie. 

Bergonisatie, methode in de electrotherapie in 
gebruik en door Bergonié voor het eerst ingevoerd ora 
door middel van rhythmische faradische stroomstooten 
de spieren van het geheele lichaam zonder actieve 
medewerking van den patiënt in rhythmische samen- 
strekking te brengen. Deze methode wordt gebruikt 


635 


Bergpalm — Bergsöe 


636 


bij vetzucht, jicht en rheumatische aandoeningen en 
heeft een sterk prikkelenden invloed op de stofwisseling. 

Lit. : Archiv. d’électricité (April 1911; Nov. 1919). 

Mom. 

Bergpalm, Chamaedorea, is een kleine 
rietachtige palm van de familie der Palmae, en be- 
woont in 60 soorten Midden -Amerika en het Andes- 
gebergte. Zij worden ook als kasplanten veel gekweekt. 

Bcrgpurllj (G e s c h.), > Jacobijnen. 

Bergpclcrselie, Peucedanum oreo- 
selinum, behoort tot de familie der Scherm- 
bloemigen (Umbelliferae). 

Bergrede, redevoering van Jesus, opgenomen 
door de evangelisten St. Mattheus (5 — 7) en St. Lucas 
(6.17—49). De b., rijk van inhoud, is een uiteenzetting 
van meerdere leerpunten en voorschriften omtrent de 
Nieuve Wet, m.a.w. omtrent het door Christus ge- 
stichte nieuwe Rijk Gods; in het bijzonder preciseert 
Jesus, welke zijn houding is tegenover de Oude Wet, 
en tot welke hoogere volmaaktheid en liefde hij al 
degenen, die Hem volgen willen, uitnoodigt. Doorgaans 
drukt Christus ook hier zijn gedachten uit in beeld- 
spraak en spreuken, iets waarmee men bij 
de interpretatie van de b. dient rekening te houden. 
Schoon de rede bij Mt. en Lc. niet woordelijk overeen- 
stemt, blijkt toch én uit de punten van overeenkomst, 
én uit de — overigens verklaarbare — punten van 
verschil, dat feitelijk een en dezelfde rede bedoeld is. 
Onder de toehoorders vindt men, behalve 
Galileeërs, een groote volksmenigte uit het Zuiden: 
Judea en Jerusalem, en zelfs van Palestina ’s uiterste 
Noordgrens: Tyrus en Sidon (Lc.6.17). De plaats, 
die de b. in het evangelie van Mt. inneemt, zou den 
indruk kunnen wekken, dat zij dateert van het begin 
van het Galileesche tijdperk van Jesus’ ministerie, 
om in een tableau d’ensemble een beeld te kunnen 
geven van Christus’ nieuwe predikatie; eerst teekent 
hij den Meester als Leeraar (5—7), daarna als Wonder- 
doener (8.1—9.34); St. Mattheus heeft immers de ge- 
woonte de evangelische gebeurtenissen veeleer syste- 
matisch dan chronologisch te ordenen; St. Lucas, 
die zijn evangelie meer chronologisch heeft samenge- 
steld, dateert de b. in den tijd, waarop Jesus’ ministe- 
rie in Galilea zijn toppunt bereikte. Jesus heeft de b. 
gehouden op den > berg der zaligheden, 
welke, volgens de meest waarschijnlijke meening, te 
identificeeren is met het huidige Et Tabga, 3 km ten 
W. van Tell-Hoem (het oude Caphamaüm). Bram. 

Bergrordeii heeten in Twente de vier of vijf 
zware palen der hooibergen; ze steken door een ver- 
plaatsbaar houten dak, dat met riet gedekt is. 

Bcrgsaglicri (Ital. bergsaglio = doel), \Toeger 
een keurkorps van Ital. infanterie, thans militaire 
wielrijders (12 regimenten a 2 bataljons). 

Bergsche Maas, •> Verlegde Maas. 

Bergschcnhock, gemeente in Z. Holland ten 
N. van Rotterdam, tot 1811 bij Ilillegersberg behooren- 
de. Opp. 1 529 ha, 2 300 inw., waarvan 26% Kath. 
Bestaansmiddelen: tuinbouw en veeteelt (en eenige 
industrie van meubelen en bitumen). Blaauw. 

Bergsche plassen liggen ten N. van Rotter- 
dam, ten W. van de Rotte. Evenals Kager en Brase- 
mer Meer zijn de (Ilillegers) bergsche plassen de resten 
van het vroegere laagveengebied, door turfgraven cn 
afslag vergroot. Blaauw. 

Bergsche Veld, ->■ Biesbosch. 

Bergslagen is het industrieele overgangsgebied 
tusschen midden -Zweden en Norrland, een bebosekt 


moreenelandschap, verdeeld door breede dalen, die 
reeds lang in cultuur zijn. Het econ. leven steunt op 
de rijke ertslagen (vooral ijzererts), de waterkracht 
en den boschrijkdom. Het ijzererts komt voor in de 
leptietformatie,die ingesloten wordt door gneis en 
verbrokkeld door graniet, zoodat het erts van de Klar 
Elf tot aan de Oostzee in vele afzonderlijke gebieden 
voorkomt, wat een hoofdkenmerk is voor dit landschap. 
De heele ijzervoorraad is 120 millioen ton. Het erts 
van het O. gebied heeft een zeer laag phosphorgehalte, 
zoodat het met houtskool gemakkelijk tot zeer goed 
ijzer verwerkt kan worden. De mijnbouw begon hier al 
in de 14e eeuw en mede in verband met de geringe 
vraag naar dit zeer waardevolle ijzer hebben de bedrij- 
ven steeds bescheiden vormen behouden. Het zijn 
kleine ondernemingen, die door de eenvoudige gebou- 
wen en het half landelijk karakter harmonisch in het 
landschap passen. Tot deze O. groep hooren de mijnen 
in en om Dannemora, Persberg, Striberg, Norberg en 
Bispberg. De N.W. rand van het ertsgebied, de Idker- 
berg — Grangesbergzone, heeft modern grootbedrijf. 
Vóór ca. 1880 was door het grooter phosphorgehalte 
nog geen exploitatie mogelijk. De mijnbouw werkt er 
voor het buitenland: Grangesberg en Blötberg voeren 
uit in Oxelösund, Idkerberg en Gavle. Het overige 
deel van Bergslagen verwerkt het ijzer zelf. Aanvanke- 
lijk was de ijzer industrie gevestigd in het productie- 
gebied, maar ten tijde van Gustaaf Vasa dwong de 
houtnood van het mijngebied tot verplaatsing naar de 
randen, o.a. naar Fiiipstad, Yestmanland, Söderman- 
land, het gebied ten N. der beneden-Dal Elf en naar 
het kustgebied van Gestrikland. Door ontwikkeling 
der techniek kon men de waterkracht der groote rivie- 
ren gaan benutten, kwam de ijzerverwerking nog meer 
naar buiten en nam ook de concentiatie toe. De 
ijzerindustrie legt zich hier vooral toe op de productie 
van fijne fabrikaten. /r. Stanislaus. 

Bcrgsma, 1° G., Holl. schilder, * 19 April 1873 
te Winterswijk. Leerling van de Academie te Amster- 
dam. Werkte ook nog in Den Haag en ging daarna 
naar Italië. Sinds Dec. 1906 een tijdlang werkzaam te 
München. Vestigde zich te Zoutelande in Zeeland. 
Schilderde naakt, portretten, landschappen en genre- 
tafereelen. 

L i t. : Alb. Plasschaert, Holl. Schilderkunst. 

2° J a c o b Hendrik, rechterlijk ambtenaar 
en leeraar in Ned.-lndië, van 1894 tot 1897 minister 
van Koloniën. * 1838, f 1915. Ond/r zijn minister- 
schap vallen de Lombok-expeditie en een belangrijke 
periode van den Atjeh-oorlog. 

3° P i e t e r Adriaan, organisator van den 
meteorologischen dienst in Ned.-lndië en eerste 
directeur van het meteorologisch observatorium 
van Batavia. * 1830, f 1882. Berg. 

Willem Bernardus, bestuurs- en 
rechterlijk ambtenaar in Ned.-lndië, bekend om het 
onderzoek van de rechten der Inlanders op den grond, 
dat hij leidde en waarvan hij de resultaten mede 
publiceerde. * 1826, f 1900. Berg. 

Bergsöe, Vilhelm, Deensch dichter en 
romanschrijver. * 8 Febr. 1836 te Kopenhagen, f 26 
Juni 1911 aldaar. Hoewel romantieker van aanleg en 
een goed deel van zijn leven in blindheid doorbrengend, 
toont B. zich — een geschoold entomoloog immers — 
in spannende romans en novellen op autobiographi- 
schen grondslag een natuurgetrouw schilder van Ita- 
liaansche en Deensche landschappen en tijdsbeelden. 

Werken: Fra Piazza del Popolo (1860) ; I Ny og 


637 


Bergson — Bergspoonvegen 


638 



Bergspoorwegen. Fig. 1. Eenvoudigste schema van de tandradfunctie. Een loodrecht staand tandrad grijpt in een 
tandrails (a), welke bestaat uit ijzeren staven, op hun plaals gehouden door twee u balken. Fig. 2. Systeem van twee 
tandraderen (a), welke ten opzichte van elkaar om een tandbreedte verschoven zijn. De tandrails bestaat hier uit 
twee getande plaatijzeren banden (b). Fig. 3. Systeem met drie ten opzichte van elkaar verschoven tandraderen. 
De systemen van fig. 2 en 3 geven den trein een regelmatigeren gang. Fig. 4. Het bogin der tandrails, hetwelk veerend 
geconstrueerd is. Fig. 5. Systeem met twee horizontale tandraderen, o.a. toegepast op de Pilatusbaan. 


Nae (gedichten 1867) ; Fra den gamle Fabrik (1869) ; 
I Sabinerbjergene (1871); Bruden fra Rfirvig (1871); 
Gjengangerfortarllinger (1871): Hjemve (1872); Blom- 
8tervignetter (1873); Rom under Pius den Niende 
(187/) ; Fra Mark og Skov (1881). — L i t. : B.’s auto- 
biographie Livserindringer (1898 vlg.). Baur. 

Bergson, II e n r i, Fr. wijsgeer. * 1859 te 
Parijs. Sinds 1900 professor aan het College de France, 
lid der Académie Frangaise. Zijn philosophie vormt 
een reactie tegen materialisme en positivisme, erkent 

de mogelijkheid van 
metaphysische ken- 
nis en aanvaardt 
het bestaan van een 
bovenstoffelijke re- 
aliteit. Het ver- 
stand, alleen be- 
stemd voor het 
practisch handelen, 
kan de werkelijk- 
heid niet doorgron- 
den, omdat het 
krachtens zijn in - 
richting deze in 
begrippen vastlegt 
en daardoor ver- 
minkt. De kennis 
H. Bergson. van de werkelijk- 

heid wordt echter 
verkregen door de intuïtie, een eigen bewustzijns- 
functie van onmiddellijk beleven. Deze dient 

vooreerst om het Ik te leeren kennen, niet als 

een opvolging van verschijnselen, maar als een 
zuiveren duur, waarin verleden, heden en toekomst 
elkaar doordringen; zij ziet in de zich voltrekkende 


psychische handeling het wezen der vrijheid en door- 
schouwt het ps. leven als individueel, onmeedeelbaar 
en onherhaalbaar. Vervolgens leert zij de heele werke- 
lijkheid zien als een eeuwig gebeuren, een onophoude- 
lijk worden, dat zich in vrijheid voltrekt zonder wette- 
lijkheid of doelmatigheid, en in zijn ontwikkeling de 
eenige oergrond is van alle zijn, worden en vergaan. 
B. onderscheidt een „statische” ethiek, die den grond 
der verplichting vindt in de gemeenschap en een 
„dynamische”, die dezen grond vindt in een drang 
naar liefde en een streven naar vooruitgang. Beide 
zijn uiteindelijk vruchten van de scheppende evolutie. 

B. neemt een voortbestaan van het psychische na 
den dood aan, zonder dit nader te bepalen. Hij is voor 
velen de gids geweest naar een hoogere wereldbeschou- 
wing, ook naar het Katholicisme, maar het monistisch 
Godsbegrip, dat met het idee van de alles voortbrengen- 
de évolution créatrice samenvalt, maakt zijn stelsel 
als geheel voor Katholieken onaannemelijk. 

Werken: Essai sur les données immédiates de la 
conscience (Index) ; Matière et mémoire (Index) • L’évo- 
lution créatrice (Index); Le rire, L’énergie spirituelle ; 
Durée et simultanéité; Les deux sources de la morale 
et de la religion. — L i t. : J. Hoogveld, De Nieuwe 
Wijsbegeerte. Een studie over H. Bergson (1915); J. 
Maritain, La phil. bergsonienne (Parijs 2 1931). 

F. Sassen. 

Bergspoorwegen . Reeds omstreeks 1870 zijn 
dc spoorwegmaatschappijen in do verschillende landen 
met berg- en heuvelland, als gevolg van het toenemend 
toerisme, ondanks groote kosten, tot den aanleg van 
bergspoorwegen overgegaan . 

Wat betreft het bedrijf zijn drie soorten te onder- 
scheiden: lijnen, voor algemeen vervoer, met hellingen 
tot 40°/ oo , welke met de normale, hoewel zware loco- 
motieven bediend worden ; lijnen met hellingen boven. 




639 


Bergstedt — Bergwind 


640 


70 ó / 00 . de zuivere bergspoorwegen, met over de geheele 
lengte van den weg een tandhengel tusschen de sporen 
voor tandrad locomotieven. Zie verder > Kabelspoor. 
Het vervoer is vrijwel alleen personenvervoer in den 
zomer, bijv. Rigi 250°/ O0 , Pilatus 480°/ 00 , lijnen met 
hellingen van 40 o; oo tot 70°/ oo , welke slechts op de 
steilere weggedeelten van een tandhengel zijn voor- 
zien en waarop behalve personenvervoer ookeenig 
goederenvervoer plaats vindt. 

liet bedrijf wordt uitgeoefend door tandrad- tevens 
wrijvingslocomotieven ofwel alleen door zware wrij- 
vings locomotieven, daartoe bijzonder ingericht. Toe- 
passing van deze laatste locomotieven kan het, veel 
onderhoud vereischende, tandradgedeelte van een 
lijn doen vervallen, maakt een grootere snelheid 
niogelijk (max. op het tandradgedeelte 20 km, uur), 
waardoor een grootere capaciteit en een goedkoopere 
exploitatie van dc lijn verkregen wordt. Dat is o.a. 
geschied op de lijn Blanken burg— Hüttenrode. 

Beremm ing. Een voornaam onderdeel voor 
de veiligheid vormt de beremming der treinen. Indien 
geen doorgaande luchtdrukrem aanwezig is, worden 
de treinen vervoerd met de locomotief steeds aan de 
dalzijde. Voor hellingen boven 40°/ oo zijn de tandrad- 
en wrijvingslocomotieven voorzien van een tegendruk- 
rem. De cilinders werken bij den rit naar beneden als 
compressoren, waartoe de handel op bergop gesteld 
wordt, de uitlaat naar den schoorsteen, om het aan- 
zuigen van rookgassen te vermijden, afgesloten en een 
afzonderlijke klep voor inlaat van versche lucht ge- 
opend wordt. Verder zijn bij tandrad -locomotieven 
twee afzonderlijk te bedienen tandrad -remmen aan- 
wezig, terwijl ook op de meegevoerde wagens een tand- 
radrem aanwezig is. Bij wrijvingslocomotieven is de 
doorgaande luchtdruk-rcm aanwezig. Als regel is met 
de tegendruk-rem de snelheid, tijdens den rit naar 
beneden, voldoende te regelen. 

Hoewel van oudsher het stoombed rijf de meeste 
toepassing gevonden heeft, zijn de laatste jaren ver- 
schillende lijnen voor elcctrisch bedrijf ingericht, 
bijv. Visp-Zermatt in 1929. 

L i t. : Sturb, Die Zahnradbahnen der Schweiz bis 1900; 
O. Amman und C. v. Grucnenwaldt, Bergbahnen. 

Pot . 

Bergstedt, Ha ra ld, Deensch dichter en 
romanschrijver van socialistische richting; ve» laat 
gaandeweg de literatuur voor de politieke agitatie. 

* 1377. 

Werken: Hans og Else (1910;) Alexanderscn (1918); 
Narrelandct. (1920). 

Bcrgstorting, > Aardafschuiving. 

Bergstraszer, Johann Andreas 
Ben i g n u s, paedagoog, philoloog en entomoloog, 

* Dec. 1732 te Jdstein, f Dec. 1812. Studeerde te Jena 

en llalle theologie en was van 1 750 — ’58 leeraar aan 
het weeshuis te llalle. In 1759 werd hij rector van het 
lyceum te Hanau en later professor te Regensburg. 
Naast studies over paedagogie en philologie wijdde 
hij zich ook aan beschrijvende entomologie en schreef 
een groot werk over vlinders. Verder valt nog te 
vermelden, dat hij een optisch seinstelsel uitdacht om 
tusschen Leipzig en Berlijn een signaalpost in te 
voeren. Hij gebruikte hiervoor vier verschillende 
vuurpijlen, die door op elkander volgen of combinaties 
de teekens moesten overbrengen. Naast verschillende 
publicaties hierover bleef toch zijn voornaamste 
werk: Realbuch über die klassischcn Schriftstellers 
(7 dln., llalle 1772— ’81). Willems. 


Bergteer, geel- tot zwartbruine, taaivloeibare 
variëteit van > aardolie. 

Berg Thabor. Het werk van Berg Thabor werd 
onder de bescherming van het Belgisch Episcopaat 
opgericht voor de zwakke en praetuberculeuze kinde- 
ren. liet beschikt thans over meer dan 3 500 bedden, 
verdeeld over 13 huizen, waarvan 7 voor jongens en 
6 voor meisjes. Deze huizen worden meestal bestuurd 
door de Zusters Dominicanessen. De kinderen leven er 
vooral in open lucht, en ontvangen een aangepast 
lager onderwijs. Om aangenomen te worden, moeten 
de kinderen een geneeskundig getuigschrift vertoonen, 
waardoor de behandelende geneesheer bevestigt, dat 
zij door geen besmettelijke ziekte zijn aangetast. 

Thans behoort de geheele inrichting toe aan den 
Landsbond der Christene Mutualiteiten van België, 
ten voordeele van de zwakke kinderen der leden van 
de bij deze nationale organisatie aangesloten mutuali- 
teiten. Deze instellingen nemen, hetzij volledig, 
hetzij ten deele, de verblijfkosten der kinderen te 
hunnen laste. De huizen zijn echter ook toegankelijk 
voor niet- Katholieke kinderen, dus ook voor de 
kinderen der leden der socialistische of liberale mutua- 
liteiten. Onder de voornaamste huizen dienen vermeld: 
Dilbeek, Terbanck (bij Leuven), Coxyde en Yvoir 
voor jongens; Anderlecht, Raevels bij Turnhout, 
Rochefort en Alsemberg bij Brussel voor meisjes. 

De groote bezieler van het werk is E. H. Vetsuypens, 
die tijdens den oorlog 1914-1918 deze inrichtingen 
ten voordeele der ondervoede kinderen begon. 

Kuypers. 

Bergthee, Gaultheria procumbens, 
familie der heideachtigen (Ericaceae). komt veel voor 
in N. Amerika. De bladeren dezer plant werden vroeger 
gebruikt als surrogaat van Chineesche thee, ook 
Salvador-thee genoemd. 

Bergt ras, ook wel w i 1 d t r a s, is > tras, 
afkomstig van de bovenlaag der Duitschc tufsteen- 
bedding. Het is zoo zacht, dat het niet gemalen behoeft 
te worden, doch alleen gezeefd wordt, waardoor even- 
wel de fijnheid dikwijls te wenschen overlaat. liet is 
minder geschikt voor hydraulische mortels dan het 
tras, dat door fijn malen van tufsteen wordt ver- 
kregen. . P. Bongaerts. 

Bergues, > St. Winoksbergen. 

Bergiim, dorp van ongeveer 3 900 inw. aan de 
tramlijn Drachten — Dokkum; in de Friesche gem. 
Tietjerksteradecl de secretarie. 

Bcrgumer Aleer, groot Friesch meer, ten O. 
van Leeuwarden, belangrijk als boezemwater en 
scheepvaartweg : Amsterdam — Lemmer/Stavoren — 

Groningen en Leeuwarden — Groningen. 

Bcrgtm (Graubundeiland, Zwitserland), hooge- 
luchtkuuroord (1 389 mj. Jodium- en broomhoudende 
bronnen. 

Berg van Barmhartigheid (België), > Bank 
van Leening. 

Berg vink, > Keep. 

Bergvlas, T h e s i u m, familie der Santala- 
ceae, is een geslacht met meer dan 100 soorten, thuis 
behoorende in Midden -Europa en de gematigde lucht- 
streken van Azië, maar ook bijzonder veel in Z. Afrika. 
Bij ons komt op enkele plaatsen in de duinen T. humi- 
fusum voor, een plantje van 10 — 30 cm hoogte. 

hou man. 

Bergwind, of bergbries, waait des nachts 
nederwaarts langs berghellingen en in dalen. Zijn 
richting en kracht hangen van de gesteldheid van het 


BEROEPSHYGIËNE 



mmx 


BERGSPOORWEGEN 




Tandradspoorweg naar de Beiersche Zugspitze. 


Wendelsteinbahn in de Beiersche Alpen, met gecombineerde tandrad- en wrijvingslocomotief. 



641 


Bergzand— Beri-Beri 


642 


terrein af. In enge dalen kan dc b. stormachtig blazen. 
De b. is betrekkelijk koud; hij is droog in de hoogte, 
maar vochtig in de laagte. Daardoor zijn, bij zons- 
opgang, de bergtoppen wolkenvrij, terwijl de valleien 
in mist of stratuswolken gehuld zijn. De hoofdoorzaak 
van den b. is de rachte lijke afkoeling der berghellingen, 
bij warmte-uitstraling. Hierdoor worden luchtmassa’s 
betrekkelijk koud, dus zwaarder, en glijden neder- 
waarts. In de berglanden der warme luchtstreken 
treedt de b. regelmatig op; in die der gematigde 
streken komt hij slechts voor, wanneer het weer in de 
omgevende laaglanden stil en helder is. De nachtelijke 
b. en de dalwind, die overdag opwaarts waait, vormen 
samen een windstclsel met dagelijksche periode. 
> Gletsjerwind. 

L i t. : J. Hann, Theorie der Berg- und Thalwinde. 
in Mcteorol. Zcitschr. (1879, 444): Chaix, Theorie des 
brises de montagne, in Le Globe (1894, 105). 

V. d. Broech 

Berflzand heeft een bruingele kleur; het is minder 
scherp dan rivierzand. 

Beri-Beri is een ziekte, die te beschouwen is als 
een vorm van zenuwdegeneratie, berustend op fou- 
tieve voeding. B. komt het meest voor in Ned.-Indië, 
Voor- en Achter-lndië, de Filippijnen en China. Ook 
in Zuid-Amerika en sommige gedeelten van Afrika 
werd b. beschreven. 

Als eerste verschijnselen treden als regel op zwaar 
gevoel en zwakte in de beenen en pijn in de kuit- 
spieren, dikwijls ook gevoel van insectenkruipen op 
de huid, bij welke verschijnselen zich zuchtige zwelling, 
vooral van de onderbeenen voegt. Al spoedig worden 
ook pijnen in de hartstreek waargenomen, gepaard 
met hartkloppingen en kortademigheid. Men vindt 
bij dc patiënten versterkte hartactie met soms enorme 
vergroot ing van het hart. De spieren zijn zeer druk- 
pijnlijk en worden geleidelijk atrophisch. Het loopen 
en optillen van voorwerpen wordt daardoor moeilijk. 
Verlammingen van verschillende spieren kunnen 
optreden, o.a. van de ademhal ingsspieien; dit kan 
den dood tot gevolg hebben, die echter meestal op- 
treedt door hartverlamming. 

Soms kunnen de verschijnselen zich in zeer korten 
tijd in uitgesproken mate ontwikkelen, waarbij do 
patiënten teekenen van heftige angst geven, 
braken en lijden aan diarrhee. Het beeld van de b. 
kan zeer verschillend zijn, en daardoor soms moeilijk 
herkenbaar. 

Over dc oorzaak der b. zijn niet alle onderzoekers 
het eens gew r orden. 

V ellicht de oudste opvatting is de vergiftigings- 
theorie, volgens welke zeer verschillende stoffen, bijv. 
arsenicum, koolmonoxide en vele andere, b. zouden 
doen ontstaan. Een aanhanger van de vergift igings- 
theorie was ook de arts v. Dieren, die al in 1897 ertoe 
kwam b. te beschouwen als een gevolg van het rijst 
eten. Hij heeft ook gewezen op het later bevestigde 
gevaar, gelegen in het gebruik van langeren tijd 
bewaarde rijst. Al heeft hij ons dus niet de defieit- 
theorie in haar later vastge legden vorm gegeven, toch 
hebben zijn beschouwingen stellig de richting aan- 
gewezen, waarin gezocht moest worden. 

Veel meer aanhangers nog heeft de besmettings- 
theorie gehad; dit is ook zeer begrijpelijk, want dik- 
wijls treedt de b. in een bepaald milieu op bij vele 
menschen tegelijk, zooals ook met een besmettelijke 
ziekte het geval is. In den laatsten tijd valt zelfs op 
het overigens gedeeltelijk verlaten veld der infectie- 


theorie weer nieuw leven te constateeren; Noel 
Bernard geeft aan als verwekker de bacillus astheno- 
genes. 

Zeer waarschijnlijk echter zal op den duur wel 
blijken, dat de deficittheorie de juiste is. Hierbij gaat 
men uit van de opvatting, dat b. ontstaat door een 
tekort, een deficit in dc voeding. De stoffen, die 
ontbreken, zijn noodig om de gezondheid te bewaren, 
en indien ze in de voeding ontbreken, wordt dc mensch 
ziek en zal sterven, indien men hem deze zoogenaamde 
> vitaminen blijft onthouden. Deze ziekten, waartoe 
naast b. nog een aantal andere aandoeningen belmoren, 
noemt men avitaminosen. 

Baanbrekend werk voor de ontwikkeling van de 
deficittheorie werd in Ned.-lndiö geleverd door het 
werk van Eykman en Grijns. Door een uitgebreid 
onderzoek in Javaansche gevangenissen was reeds 
door Vorderman vastgesteld, dat b. ontstaat niet 
zoozeer door voeding met rijst als zoodanig, maar wel 
door voeding met zoogenaamde gepelde rijst, d.w.z. 
rijst, waarbij liet zoogenaamde zilvervlies verwijderd 
is. Eykman had in het militaire hospitaal to Batavia 
kunnen waarnemen, hoe bij kippen een ziekte kan 
optreden, die zeer veel op b. gelijkt. Deze zoogenaamde 
polyneuritis gallinarum ontstond bij de proefdieren, 
als Eykman ze voedde met op de Jnlandsche markt 
gekochte rijst. Werden de kippen gevoed met afval- 
rijst uit dc keuken van het militair hospitaal, dan ble- 
ven alle ziekteverschijnselen weg. Gaf hij ze afgewerkte 
rijst met andere voedingsmiddelen, bijv. vleesch, 
dan bleven de ziekteverschijnselen ook weg. Men ging 
dus meer en meer aannem’en, dat in het zilvervlies 
van de rijst een stof zit, die het optreden van b. kan 
voorkomen. Eykman heeft in het begin gemeend, dat 
in de rijst een stof zou voorkomen, die voor het lichaam 
schadelijk is, doch geneutraliseerd wordt door stoffen 
in het zilvervlies. Later heeft hij zich aangesloten bij 
de groep dergenen, die b. beschouwen als een ziekte, 
optredend door het ontbreken van een bepaalde stof. 
B. treedt op bij rijst etende personen, indien ze dit 
voedingsmiddel gebruiken in gcpelden toestand en 
zij daarnaast niet door middelman andere voedings- 
middelen, die de vereischte stof bevatten (zooals 
vleesch, aardappelen enz.) het bestaande tekort aan- 
vullen. Grijns vond ook in dc katjang idjoe, een 
erwtensoort, een uitstekend middel om de b. tegen te 
gaan, terwijl hij ook ontdekte, dat door sterke verhit- 
ting, bijv. van vleesch, het vitamine, dat het uit- 
breken van b. voorkomt, verloren gaat. 

Door de hedendaagsche kennis van de b. is het nu 
ook veelal mogelijk het uitbreken van de ziekte te 
voorkomen, of althans, zoo zich gevallen voordoen, 
snel maatregelen te nemen om het kwaad te keeren. 

Zilvervliesrijst bederft, wanneer ze langer dan een 
of twee maanden bewaard blijft, waarbij de vitamine 
verloren gaat. Is rijst goed geslepen, waarna ze dus 
geen beschuttende werking tegen b. meer bezit, dan 
kan men zegeruimen tijd bewaren. Ook in den bolster 
(padi) kan men de rijst geruimen tijd bewaren en blijft 
het vitaminegehalte ongeveer gelijk. Men zal ze dan 
bij voorkeur pas ontbolsteren zoo kort mogelijk voor 
het gebruik. Tenslotte kan nog gewezen worden op 
het werk van Winkler en Pekelharing, die in 1886 
op verzoek van de Red. regeering naar Indië gingen 
om daar een onderzoek naar het wezen der b. in to 
stellen; zij konden vaststellen, dat dit gezocht moet 
worden in een degeneratie van de zenuwen. 

E. Hermans. 


vr.n 


648 


Berichtendienst — Beringzee 


644 


Berichtendienst, > Radiodienst. 

Beriehtgranaat , > Granaat. 

Berielithond wordt voor het overbrengen van 
berichten in Nederland in beginsel gebruikt 
in den stellingoorlog, wanneer andere verbindings- 
middelen falen en in het bijzonder in moeilijk begaan- 
baar terrein, gelegen onder ’s vijands vuur , over 
afstanden van ten hoogste 2 km. 

Alvorens een hond in aanmerking gebracht kan 
worden voor den dienst van b., moet hij eerst onder 
appel worden gebracht, d.w.z. hij moet zoodanig 
worden afgericht, dat hij onder alle omstandigheden 
de gegeven commando’s of teekens juist en onmiddel- 
lijk uitvoert. Bij de verdere africhting, voor het over- 



,A. Ademrak 

B Celluloid rcrnttr V/ * 3 , fr y r/y 

| C. Berichtentaschje *£' / 


Berichthond met gasmasker. 


brengen heen en weer van berichten, wordt partij 
getrokken van het geheugen van den hond; mede door 
stelselmatig oefenen wordt hij in staat ges te ld. een 
eenmaal afgelegden weg gemakkelijk terug te vinden. 
De b. kan ook gebruikt worden voor het overbrengen 
van postduiven, munitie, voedsel, enz. De b. is te 
velde o.m. uitgerust met een noodrantsoen en een veld- 
flesch, een gasmasker en een drinkbak. 

v . Leeuwen . 

De b. wordt in België tijdens het gevecht aan- 
gewend om in hevig beschoten en omgewoeld terrein 
berichten over te brengen van de vuurlinie naar den 
bataljonscommandant of de > steunartillerie. De 
grootste afstand bedraagt 5 km; deze kan de b. in 
12 min. afleggen. V. Coppenolle. 

Beriehtkoker, in Nederland een der 
seinpatronen voor vliegtuigen; verbindingsmiddel, 
in gebruik bij den militairen -> vliegdienst, met 
behulp waarvan schetsen of geschreven berichten van 
een vliegtuig in de vlucht kunnen worden overge- 
bracht naar staven en troepen op den grond. De b. 
wordt daartoe afgevuurd met behulp van een > sein- 
pistool op > berichtkokcrterreinen of nabij de plaats 

van een | I seinlap, nadat het vliegtuig tot 

beneden 300 m is gedaald. Koppert. 

In België metalen geballaste bus, van een 
wimpel voorzien en bestemd om schetsen en berichten 
van een vliegtuig over den toestand van de vuurlinie 
in uiterst benarde omstandigheden mede te deelen 
aan een commando -post. De b. wordt door het > ver- 
bind ingsvliegtuig van behoorlijke hoogte in de nabij- 
heid van den > erkeimingsseinlap van den betref- 
fenden post geworpen. V. Coppenolle . 


Beriehtkokerterreiii, een uit de lucht herken- 
baar, vierkant, open terreingedeclte van ongeveer 
200 m in het vierkant, waarvan het midden is aange- 
geven door een kruis van lappen. Wordt ingericht 
ten behoeve van de verbinding tusschen vliegtuigen 
in de lucht en verschillende diensten op den grond. 

> Beriehtkoker. Koppert . 

Berici, M o n t i, vulkanische heuvels in de 
Povlakte bij Venetië (Italië, 45° 24' N., 11° 30' O.). 
De Monte Alto is 444 m. 

Bering , V e i t (V i t u s), Deensch zeeman, 
1680, f 1741; nam dienst op de vloot van Peter den 
Grooten. In 1725 kreeg hij het commando over een 
expeditie om te onderzoeken of er een verbinding 
bestond tusschen N.O. Azië en N.W. Amerika. Op zijn 
eersten tocht bereikte hij een breedte van 67° 18 , 
voer door de naar hem genoemde straat, en toonde 
hiermee aan, dat er geen samenhang tusschen de twee 
werelddeelen was. Na verschillende andere expedities 
werd hij in 1741 uitgezonden om na te gaan in hoe- 
verre de door hem bereikte N.W. kust samenhing met 
het Amerikaansche vasteland. Hij bereikte de 
Beringzee en 'onderzocht de Amerikaansche Westkust; 
bij het naar hem genoemde eiland leed hij schipbreuk 
en kwam met een groot gedeelte van de bemanning 
om . de Visser . 

Beringe (aard r.), > Helden. 

Bering -eilanden, > Kommandeur-eilanden. 
Beringen , 1° gcm. in de prov. Limburg, ten N.W . 
van Hasselt; handelsplaats in het nieuw Kempisch 
steenkolenbekken; 2 600 inw., opp. 705 ha; koolmijn 
in de omgeving, op het grondgebied van Roersel; 
gemeente-college; kerk met Renaissance-versiering 
van binnen; oude heerlijkheid met belangrijke ge- 
schiedkundige rol; gedeeltelijk verwoest in 1914. 

F. Asbroeck. 

2° > Pepingen. 

Bcringer , Franciscus, ascetisch schrijver, 
vooral over aflaten, wiens boek „Die Ablasse” door de 
H. Congregatie der Aflaten goedgekeurd en authen- 
tiek verklaard werd. * 30 Mei 1838 te Mainz, f 23 Jan. 
1909 te Rome. Was eerst kapelaan te Bingen, vervol- 
gens secretaris van mgr. Ketteler, daarna rector van 
het klein-seminarie te Mainz en trad in 1879 in de 
Jezuïetenorde. In 1888 werd hij consultor der H. Con- 
gregatie der Aflaten. 

Werk: Die Ablasse, ihr Wcsen und Gebrauch 
( 9 1887, bewerkt volgens vorige uitgaven van A. Maurel 
S J. en J. Schneider S.J. ; herzien door P. A. Steinen 
S.J., 2 dln. 15 1921-1922). P. Heymeijer. 

Beringstraat, tusschen Azië (Kaap Desjnew) 
en Noord -Amerika (Kaap Prince of Wales); 75 — 100 km 
breed, 50 — 90 m diep. 

Beringzee, Noordelijkste randzee van den Groo- 
ten of Stillen Oceaan, tusschen Siberië, Alaska, de 
Aleoeten en de Kommandeurs -eilanden. De opp. 
bedraagt 2 275 000 km 2 , de gemiddelde diepte 1 444 m. 
Van de kust van Alaska steekt een breed vastelandsplat 
uit, ten Z. en Z.W. daarvan wordt de diepte grooter 
en bedraagt 3 300 a 3 900 m. Grootste diepte 4 091 m 
vlak benoorden het eiland Büldyr (Aleoeten). Het 
zoutgehalte aan de opp. is laag, 30 — 32°/ 00 . De nog 
onvolledige waarnemingen wijzen op een oppervlakte - 
stroom in N. richting, en een dieptestroom in Z. 
richting. Gemiddelde watertemp. aan de opp. ongeveer 
-j-2°C. De B. staat in verbinding met de Noordelijke 
IJszee door de Beringstraat (75 — 100 km 
breed, 50—90 m diep) tusschen Kaap Desjnew (Sibe- 


645 


Bériot — Berkcfeld-filter 


646 


rië) en Kaap Prince of Wales (Alaska). Deze straat 
werd in 1648 door Desjnew ontdekt en door Bering 
in 1728 en 1741 bevaren. In de Straat liggen de Deo- 
medes-eilanden en ten Z. het groote St. Laurens- 
eiland. De Beringstraat vormt geen uitgangspoort 
voor de ijsbergen der Noordelijke Ijszee, de stroom 
trekt ook hier overwegend om de Noord (althans in 
zomer en herfst). Het ijs in de Beringzee wordt elk 
jaar opnieuw gevormd en smelt ’s zomers weg. 

Wissmann. 

Bériot, 1° Charles Auguste de, viool- 
virtuoos. * 20 Febr. 1802 te Leuven, f 8 April 1870 
te Brussel. Na algemeen muzikaal onderricht te zijn 
te Leuven door Thiby, zijn voogd, ontwikkelde hij 
zich hoofdzakelijk autodidactisch als violist. B. debu- 
teerde in Parijs, maakte een concertreis door Engeland 
en werd eerste solo-violist aan het hof van koning 
Willem I te Den Haag, aan welke positie door den 
Belgischen opstand van 1830 een einde kwam. B. 
ging daarna weer concertreizen maken. Van 1843 tot 
1852 was hij leeraar aan het conservatorium te Brussel. 
Hij eindigde zijn leven volslagen blind en verlamd aan 
den linkerarm. Hij schreef vele werken voor viool, 
o.a. tien vioolconcerten, etuden en een driedeelig 
leerboek voor het vioolspel. 

2° Charles W i 1 f r i d, zoon van Ch. A. de B., 
pianist en componist. * 12 Febr. 1833 te Parijs, 
f 22 Oct. 1914 te Sceaux du Gatinais. Schreef orkest- 
werken (symphonisch gedicht Femand Cortez), 
pianoconcerten, kamermuziek voor verschillende 
bezettingen, o.a. Opéra’s sans paroles voor viool en 
piano. Met zijn vader stelde hij een Méthode d’accom- 
pagnement samen. Hanrlcroot. 

Berisping is 1° een der paedagogische tucht- 
middelen, een bepaalde vorm van straf. Het 
strafkarakter ligt én in het wat én in de w ij z e 
of den toon, waarop men spreekt. De b. vooronder- 
stelt een waarde -oordeel omtrent een handeling of het 
gedrag van den opvoedeling en is een fijnzinnig middel 
om het oordeel of geweten van het kind te wekken en 
te scherpen. Ze is vooral gericht tegen den zwakken 
wil en biedt dezen steun. De b. moet aangepast 
zijn aan de individualiteit van het kind: is anders 
voor fijngevoelige dan voor stugge naturen. Haar 
strengheid wordt afgemeten naar de grootheid der 
misdraging, waarbij men vooral let op het subjectief 
element. Bij te veelvuldige toepassing verliest de b. 
haar waarde, wijl het kind ongevoelig wordt. Bij elke 
berisping geve men ondubbelzinnig blijk van zijn 
liefde voor het kind en bemoedige door vertrouwen 
te schenken. Ironie en spot zijn gevaarlijk. Daarom 
wenschen velen ze nooit aan te wenden. 

2° Voor berisping in het Recht, -> Straf. 

p. Gervasius. 

3° (Lat. correptio fratema = broederlijke terecht- 
wijzing), een der zeven geestelijke werken van 
barmhartigheid: zondaars vermanen. Als 
plicht van naastenliefde wordt de b. ons geleerd in 
het Evangelie: „Indien uw broeder tegen u heeft 
gezondigd, ga en berisp hem tusschen u en hem alleen. 
Zoo hij naar u luistert, zult ge uw broeder gewonnen 
hebben” (Mt. 18. 15). St. Augustinus zag in het ver- 
waarloozen van dezen plicht een der voornaamste 
redenen van de ongunstige toestanden in zijn tijd 
(De Civ. Dei I, c. 9). Wanneer de naaste in gevaar 
is grootelijks te misdoen of reeds misdaan heeft en zich 
niet heeft gebeterd, verplicht de naastenliefde hem te 
vermanen, indien omtrent de zonde of het gevaar ervan 


zekerheid bestaat, een gunstig gevolg te verwachten 
is en de berisping een noodzakelijk middel ter verbete- 
ring is. Ieder is tot b. verplicht; overheden meer dan 
anderen. Ter wille van zijn goéden naam moet de 
zondaar eerst in het geheim berispt worden, voordat 
men er toe overgaat hem bij de overheid aan te brengen. 
Dikwijls zijn er moeilijkheden, die van de verplichting 
tot b. ontheffen, bijv. onbekwaamheid van hem, die 
de b. zou moeten geven of gevaar voor ernstig nadeel. 
Van groot gewicht is de wijze der berisping, die uit 
den geest van liefde moet voortkomen en met Christe- 
lijke voorzichtigheid beoefend, in nederigheid en op 
het geschikte oogenblik. 

L i t. : Thom., S. Theol. (II II, q. 33) ; Alphons. 
Theol. Mor. (II, 34). P. Heymeijer. 

Berk, katjesdragende loofboom van de familie 
der Betulaceeën. De schors, aanvankelijk roodbruin, 
wordt spoedig wit, later met zwarte schorsspleten. 
De b. gedijt het beste op niet te dichte leem- of humus - 
rijke zandgronden. > Berkachtigen ; -> Berkenhout. 

De meest voorkomende is de ruwe berk (Betula 
verrucosa Ehrh.), daarnaast de zachte berk (B. pubes- 
cens Ehrh.). Beide soorten worden door elkaar ge- 
bruikt voor bebossching van lichte gronden, vooral 
als singels om dennenbosschen tegen brandgevaar. 

Sprangers. 

In Stiermarken zegt men, dat Judas zich ophing aan 
een berk. Duivelbezweerders gebruiken den berketak 
als sprenkeltwijg. De berk was aan Donar als vrucht- 
baarheidsgod gewijd. Bij maalsteden, waar eertijds 
de huwelijken plachten gesloten te worden, werd hij 
meestal geplant; vele plaatsnamen in Duitsche gebie- 
den bewaren de herinnering hieraan. 

L i t. : Is. Teirlinck, Flora Diabolica. De plant in de 
demonologic ; Prof. Jos. Feldmann, Ortsnamen (Halle 
1925). Knippenberg. 

Berka (Thüringen), staalbronnen. Behandeling 
van bloedarmoede. Bij B. bevindt zich de Reichs- 
ehrenhain, een hoog pijnbosch, dat ter herinnering 
der in den Wereldoorlog gevallenen bestemd is. 

Berkachtigen, Betulaceae, bewonen 
Europa, Azië en N. Amerika in verschillende geslach- 
ten, als: Carpinus, haagbeuk met 18 soorten, Ostrya 
met 2 soorten, Corylus, hazelnoot met 7, Betula, berk, 
met 33 en Alnus. els met 17 soorten. Uit gevonden 
versteeningen blijkt, dat deze geslachten in vroegere 
tijden meerdere, thans uitgestorven, soorten gehad 
hebben. Verschillende soorten dezer groep leenen 
zich uitstekend door parkbeplanting, andere voor 
haagboomen, terwijl het hout voor verschillende doel- 
einden te gebruiken is. Bouman. 

Bcrkat, Arab. Barakah of Barak at, 
zegen, wordt in den Indischen Archipel ook gebruikt 
ter aanduiding van allerlei personen en voorwerpen, 
die zegen brengen aan hem, die er mee in aanraking 
komt. In het bijzonder noemt men b. de lekkernijen, 
die men van een > slametan of andere samenkomst 
mee naar huis mag nemen. Kjai Berkat noemt men 
een heiligen rijstpot van den Soesoehoenan, waaraan 
de Javanen het vermogen toeschrijven in tijden van 
hongersnood onuitputtelijk te zijn. Berg. 

Berkdijk, > Loon op Zand (N. Br. gem.). 

Berkefeld-ïilter is een filter van kiezelaarde, 
die zoo fijne poriën heeft, dat zelfs bacteriën terug- 
gehouden worden. Deze filters worden behalve in 
laboratoria o.a. ook gebruikt voor het reinigen van 
drinkwater, maar kunnen daarvoor slechts betrekkelijk 
korten tijd gebezigd worden. Ze raken nl. spoedig 


647 


Berkel — Berkin 


648 


verstopt of verliezen hun reinigend vermogen, doordat 
de bacteriën er op den duur doorheen groeien en dus 
toch liet drinkwater verontreinigen. Voor het reinigen 
van drinkwater zijn later betere filters geconstrueerd. 

Wycrs. 

Rrrkrl, 1° gemeente inN. Brabant, ten 
N.O. van Tilburg; ca. 2 200 inw., bijna allen Kath. ; 
bestaat uit twee parochie-dorpen: B. en Enschot; 
opp. 2 012 ha. Landbouw, veeteelt en industrie 
(steenfabriek en de N.V. Bierbrouwerij „De Schaaps- 
kooi”). Oude alleenstaande toren te Enschot (begin 
löe eeuw’). Op B.’s grondgebied ligt de vermaarde 
abdij Koningshoeve der pp. Trappisten (Cisterciën- 
sersj: in 1S£0 kocht de abt van Notre Dame du Mont 
(Noord -Frankrijk) cr de koninklijke hoeven. Natuur- 
schoon rondom het Galgen- en het Baksvcn (Tilburg- 
sche zwemgelcgenheid). v. Velthoven. 

2° Z ij r i v i e r van den Geld. IJsel. Doorstroomt 
met vele bochten het N. deel van de Graafschap 
langs Eibcrgen, Borculo, Lochem en komt bij Zutphen 
in genoemde rivier. Ondanks herhaalde verbeteringen 
zet bij hoogen waterstand de B. nog uitgestrekte 
gebieden onder water. > Gelderland (Hydrographi- 
sche toestand). Heijs. 

Iln kcl en Rodenrijs, gemeente in Z. Holland, 
bestaande uit het dorp Berkel en een aantal polders, 
liet dorp Berkel (richting Zegwaard) heet Noordeinde; 
Rodenrijs (richting Overschie) heet Zuideinde. 4 300 
inw., bestaande van tuinbouw. De parochie B. en R. 
telt niim lf'00 Katholieken. Het dorp ligt aan de 
lijn Scheveningen — Rotterdam. Een werkje over de 
geschiedenis van Berkel bevindt zich in de Kon. 
Bibliotheek in Den Haag. B^aauw. 

Rerkclcy« residentiestad in den N. Amer. staat 
Californië (37° 62' N., 122° 17' W.), op de Berkeley- 
hcuvels gedrapeerd; ligt aan den O. oever van de 
San Francisco-baai, recht tegenover de stad San Fran- 
cisco (ferry dienst), en vormt met Oakland 6( i n agglo- 
meratie. Langs het waterfront zeer diverse industrieën. 
Te B. bevindt zich een gedeelte van de staatsuniver- 
siteit (University of Califomia), waarvan de colleges 
in 1930— '31 door 11 824 studenten werden bezocht. 
In 1930 telde de stad ruim 82 000 inw., in 1920 daar- 
entegen maar 60 000. Polspoel. 

Berkel cv, G e o r g e, Anglicaansch bisschop 
en wijsgeer, * 12 Maart 1086 bij Thomastown in Zuid- 
Icrland, f 14 Jan. 1753 te Oxford; prol. aan de univ. 
van Dublin, trok in 1728 voor het stichten van een 
religieuze modelkolonie naar de Bermuda -eilanden, 
werd 1734 bisschop van Cloyne in Ierland. 

B. is het klassieke voorbeeld van een idealist, die 
een van onze kennis onafhankelijk, zelfstandig bestaan 
der buitenwereld loochent. Het aannemen van een 
bestaan van stoffelijke substanties beteekent volgens 
B. hetzelfde, als aan te nemen, dat wij ons voorstellen, 
dat dingen bestaan, zonder dat ze voorgesteld worden: 
een bew-ering, die zichzelf weerspreekt. Onze passivi- 
teit tegenover de zinnelijke waarnemingen en het ver- 
schil tusschen waarneming en willekeurige phantasie- 
voorstelling verklaart B. uit de inwerking van God, 
die de ordelijke samenstelling der waargenomen w’ereld 
in ons veroorzaakt. Omdat alleen de actueele voor- 
stelling werkelijkheid heeft, bestaan ook geen algc- 
meene begrippen; wij denken slechts in voorbeelden. 
De ontkenning der stoffelijke wereld sluit bij B. geen 
scepticisme in, integendeel: hij meent, dat hij daarmee 
des te beter het wezen der ziel, haar onsterfelijkheid 
en haar verhouding tot God kan verklaren. Reeds 


aantrekkelijk door hun buitengewone stijlkwaliteiten, 
zijn zijn werken vooral bewonderenswaardig, doordat 
ze geheel van religieuze motieven doortrokken zijn. 

Uitg. : A. C. Fraser, Works (4 dln. Oxford 1901). 

de Bruin. 

Berkciicjordijjnzivam, Cortina r ius 
(Lat. cortina = gordijn), genoemd naar het vlies, dat 
bij jonge exemplaren van denhoedrand hangt, hemitri- 
chus, een steelzwamsoort van de familie der Agari- 
caceeën. Hij komt veel voor bij berken, waarvan de 
wortels met het raycelium van de zwam een Mycorrhiza 
> Zwam wortel) vormen. Bouman. 

Berkenhout is wit, tamelijk zacht, taai hout, 
afkomstig van verschillende soorten berken (Betula). 
Het is slechts duurzaam, als het voortdurend in drogen 
toestand is; vandaar beperkt gebruik. Dient voor 
meubelen (stoelen), nappen, draaiers werk, enz. en 
wordt gebruikt door v/agenmakers. Als brandhout 
heeft b. wel het grootste w T armtegevend vermogen. 

Berkenspanner, zw T art gesprenkelde vlinder, 
metertorenkop, peper- en zoutvlinder, Amphidasis 
Betularia; vliegt van Mei tot Juli. De vleugels zijn 
krijtwit of helder grijswit, zwart bestoven, met zwarte 
middenvlek; de voorvleugels met vier zw r arte voor- 
randsvlekken en twee, soms onduidelijke, zwarte, 
sterk gebroken dwarslijnen. De variatie I. Double- 
dayaria is geheel zwart en wordt door overgangs- 
vormen met het type verbonden. De rups is dik, stijf, 
met diep ingesneden kop en knobbelig lijf. De kleur 
is groen, bruin of grijs. Zij leeft van Juli— October op 
allerlei loofhout, vooral op berken. De b. is verbreid 
over bijna geheel Europa en het grootste deel van 
Noord- en Midden-Azië. De vlinder en de rups zijn 
goede voorbeelden van mimicry. Bernink. 

Bcrkenlcer, zwarte dagget, dikke, zwartbruine 
vloeistof, verkregen door droge destillatie van ber- 
kenhout. Ze bevat ongeveer 6% phenolen, waaraan ze 
haar desinfecteerende eigenschappen dankt. B. wordt 
in Rusland en Polen veel bereid. Door destillatie 
van b. krijgt men de lichte > berkenteerolie. 

H oogeveen. 

Berkenteerolie, lichtgele, aan de lucht rood- 
bruin wordende vloeistof, verkregen door rectificatie 
van het teer, dat in Rusland door droge destillatie 
uit berkenstammen bereid wordt. Bestanddeelen: 
phenolen en arom. koolwatcrstolfen. Gebruikt als 
smeermiddel voor leder, vnl. juchtleder, en in de ge- 
neeskunde o.a. in zalven. Hillm. 

Berkeiivvoude, gemeente in Z. Holland (met 
de buurtschap Achterbroek). gelegen in de Krimpener- 
w'aard. Opp. 1 168 ha, 900 inw. (Prot.). Veeteelt, 
meubclfabr., eendenkooien. 

Berkhoen, > Korhoen. 

Berkhout, bij Hoorn, gem. in het West-Friesche 
zeeklei -gebied der prov. N.H.; opp. 2 674 ha: de gem. 
omvat de dorpen en buurtschappen B., de Burg, de 
Goorne, Spierdijk, Bobeldijk, Leekermeer, Baars- 
dorpenneer, Zuidermeer, de Heelken, Hoogendijk 
en de Waal. Op 1 Jan. 1933 : 2 842 inw. In 1930 w r as 
ruim 60% Prot. en 46% Kath. De Kath. behooren tot 
de parochies Goorn(e), Spierdijk en Zuidermeer. Mid- 
delen van bestaan: land- en tuinbouw en veeteelt. 

van der Meer . 

Berkin of Vieux Berqu in, gem. in 
kanton Mergem, arr. Rijscl. Ruim 1 800 inw.; twee- 
talig. Twee kerspelen: Berkin Dorp: II. Bartholomeus, 
en in Sec Bois: II. Karei Borromeus. Geboorteplaats 
van wijlen abbé Lemire. 


Berkmeer— Berlaymont 


()50 


m 


Berkmeer, buurtschap in de N. Holl. gem. 
Obdam. 

Berkovicn, ->■ Berkowitza. 

Berkowilza of Berkovica, Bulgaarsrhe 
stad (43° 18' N., 23° 7'0.); 6 100 inw. Bij de B. vindt 
men marmer en lood. 

Beiks of Berkshire, graafschap in Engeland 
(51° 30' N., 1° 20' W.), 300 000 inw., hoofdzakclijk 
van landbouw en veeteelt levend. Hoofdstad Reading. 

Bcrkslurcvnrkcn, bekend Engelsch varken, 
meer spek- dan v leesch varken ; munt uit door beste 
hammen, mg en lendenen; zwart van huid en haar; 
witte pooten, min of meer wit aan den kop, die vrij 
sterk is ingesnoerd; is sterk verbreid in Amerika; ook 
in ons land een enkele maal geïmporteerd. Verhey . 

Brrlaar, Belg. gem. in de prov. Antwerpen, op 
7 km afstand ten O. van Lier. Opp. 2 241 km, ca. 
7 300 inw. Zand- en leemgrond. Groote Nete. Centrum 
en Berlaar-IIijkant. Landbouw, tuinbouw 7 , meubel- 
fabrieken. Schoone St. Pieterskerk van overgangstijd - 
vak Romaansch-Got., hersteld 1875. Toren: 13e eeuw. 
St. Rumoldusparochie. Pensionaat der Zusters van het 
H. Hart van M. (moederhuis). Godshuis (Zw’artz. v. 
MeclO, Z. Maricollen van Antwerpen. 

In B. bestaat de llooge en Middelbare Landbouw- 
school, met modelhoeve. Kath. Schoolkolonie van 
Antwerpen voor jongens. Striels. 

Bi'iiari, > Barlad. 

F Beilufjc, Hendrik Petrus, architect; 
eerlijke architectuur; hij brak met het in „stijl” 
namaken van oude vormen; had met dr. Ouypcrs de 
hoofdgedachte gemeen, dat architectonische" vormen 

een juiste typeer ing 
moeten geven van 
de functie, welke 
zij verrichten. 

* 21 Febr. 1856 
te Amsterdam, be- 
zocht JI.B.S. al- 
daar; 1875—1878 
stud. te Zürich ; tot 
1880 maakte hij 
kunstreizen in het 
buitenland; daarna 
w r as hij werkzaam 
bij arch. Th. San- 
ders te Amsterdam 
gedurende 5 jaren 
associé; in 1924 dr. 
(hon. causa) van de 
Technische Hooge- 
school te Delft; in 1932 kreeg hij de Eng. kon. 
gouden med. voor architectuur. Op stedebouw kun- 
dig gebied w r as B. autoriteit met gezag. Talrijk 
zijn op allerlei gebied Berlage 's werkzaamheden. 
Voorn, uitgevoerde bouwwerken: Kantoorgebouw 

der „Algemeene” (1903); Kantoorgebouwen „De Ne- 
derlanden van 1845”, Den Haag (1909 en 1925); 
Rotterdam (1910); Amsterdam (1911); Nijmegen 
(1911); Batavia (1913); Geb. Ned. Diamantwerkërs- 
bond (1899); Kantoorgebouwen der „Algemeene” 
Soerabaja (1900); Leipzig (1902); Nieuwe beurs in 
Amsterdam (1903); Amstelbrug (1900); Winkelge- 
bouw Meddens Den Haag (1914) ; Kantoorgebouw' 
Londen (1914); Boerderij ,.De Schipbrug”, Zuid- 
Laren (1914); Bebouwing Mercatoqdein Amsterdam 
(1925); Christian Science kerk Den Haag (1928;; 
Nieuwe Amstelbrug. 


Berlage publiceerde veel; hij is als denker minder 
helder dan als arch. Sociaal voelend menseli; lloge- 
liaan. 

Voorn, werken: Over stijl in bouw- en meubel- 
kunst (1904); Gedanken Ober Stil (1905); Grondlagen 
und Entwicklung der Architeotur (1908) : Studies over 
bouwstijl en samenleving (19101; Beschouwingen over 
Bouwkunst en haar ontwikkeling (191D ; Schoonheid 
in samen'eving (1919); Mijn Indische reis (1951) — 
L i t. : dr. H. P. Berlage en zijn werk. door een aantal 
medewerkers (1916): dr. H. P. Berlage, Bouwmeester 
(1925, met 230 afbeeld, van zijn werk). Thunnissen. 

Beihmiont, J u I ia, zustor Maria Dominica, 
abdis, * 14 Maart 1799 te Izegcm, f 31 Aug. 1871 te 
Brugge. Geprofest bij de arme Haren Colettijnen te 
Brugge 19 Jan. 1826; reeds in 1829 novicenmeestcrcs, 
8 Febr. 1831 abdis. Onder haar stuwkracht herstelde 
p. Jacobus Vergauw'on de Recolettenorde in België. 
Een voorbeeld voor allen, bracht zij haar klooster tot 
ongemeenen bloei, stichtte nieuwe huizen te Antwer- 
pen (1834), Lier (183G), Doornik (1837), Leuven 
(1838), Teperen (1840). Kortrijk en Brussel (1843), 
Baddeslev H inton (1850), Beaumont (1854), Londen 
(1857), Oostende (1862). Manchester (1863). York (1865), 
Rijsel (1866) en herstelde dat van Nijvel (1841). Zij 
stier! in geur van heiligheid. 

Lit. : Het leven van de Eerw. Moeder Maria Domi- 
nica (Brugge 1875). Allosstry. 

Berlsiro, Belg. gem. in de prov. O. Vlaanderen, 
op den linker oever van de Schelde, 7 km ten W. van 
Dendermonde. 6 400 inw.; opp. 1 780 ha, meestal 
zandgrond en moerassige weiden. Landbouw 7 -, textiel- 
en kantnijverheid. Een enorme kreek van den stroom 
gaf oorsprong (eertijds in de heerlijkheid van Barel- 
donek) aan bet steeds druk bezochte meer van De 
Donck, vroeger 230 ha, nu nog 80 ha groot. Het in de 
17e eeuw herstelde bedevaart-kapelleken (proostdij 
van De Donck) is oorspronkelijk uit de 13e eeuw. Het 
kasteel van Berlare dagteekent uit het Spaansche tijd- 
vak. Het hospitaal is modern. Blanquaert. 

Brrhiymont, 1° 0 land e, zoon van Karei 
Berlavmont; veldheer aan de zijde van Spanje, steunt 
Don juan, neemt 1581 Breda in, brengt Gelderen tot 
rust. Sterft 14 Juli 1587 voor Den Bosch. 

2° F 1 o r e n t, veldheer en staatsman, broeder 
van Gillis B. Reeds in 1572 kapitein, later gouverneur 
van Namen, w’aar hij overlijdt 8 April 1626. 

3° G i 1 1 i s, baron van Ilierges, eveneens veld- 
heer aan Spaansche zijde, neemt deel aan den slag van 
Jemmingen en van Mook cn aan het beleg van Haar- 
lem. Stadhouder van Friesland en Gelderen, later van 
Holland, Zeeland, Utrecht. Na de Pacificatie van Gent 
een w'ijle aan de zijde van de Sta ten -Generaal, keert 
hij terug tot Don Juan; wordt gouverneur van Namen 
en Artois, sterft bij beleg van Maastricht, 18 Juni 
1679. Wordt in al zijn waardigheden opgevolgd door 
zijn broeder Florent. 

4° Karei, baron van Ilierges, heer van Floyen, 
Haultepenne, graa f van, Ned. staatsman en veld- 
heer.* 1510, f4 Juli 1578 te Namen. 1653 werd B. gou- 
verneur, hoogbaljuw, oppcrjacht meester van Namen, 
in 1566 ridder van het Gulden Vlies; tijdens regent- 
schap van Margaretha van Parma, hoofd van de 
financiën, lid Raad van State; stond aan de zijde van 
de regeer ing tegen den opstand igen adel. Door Alva 
„hebzuchtig bonhomme” genoemd, werd hij vooral in 
zijn zonen (zie boven) door de Spaansche regeering 
begunstigd. V. Rousbroeck. 

5° Louis de, tweede aartsbisschop van Kame- 



651 


Berlenga-eilandeii — Berlioz 


652 


rijk, Sept. 1570 tot 1596. Zijn bisschopsstad werd door 
de Fransclien onder den hertog van Alen^on, den 
broeder van koning Hendrik III, in 1582 ingenomen. 
L. moest met het kapittel naar Bergen (Henegouwen) 
vluchten. Hij bestuurde dan van 1593 — 1595 het bis- 
dom Doornik. 3 Oct. 1695 werd Kamerijk weer dooi- 
de Spanjaarden heroverd. B. stierf 15 Febr. 1596. 

Valvekens. 

Berleiiya-eilandeii (1 1 h a s b e r 1 e n g a s), 
verzameling van gevaarlijke granietrotsen en -klippen 
voor de W. Portugeesche kust (39° 25' N., 9° 47' W.). 
Het grootste, B. geheeten (4,4 bij 0,8 km), heeft een 
vuurtoren. De omgevende zee is zeer rijk aan visch. 

Berlepsoh , August, baron v o n, zeer 
verdienstelijk Duitsch imker, die met Dzierzon den 
mobielbouw bij den bijenkorf invoerde; bekend 
schrijver over bijenteelt. * 1815, f 1877. 

Berlicliincjeii, Götz v o n, roofridder, 
* 1480 op den burcht Jagsthausen in Wurttemberg, 
f 1562 op den burcht Homberg; in 1504 verloor hij 
bij de belegering van Landshut a /d Neckar zijn rechter 
hand en werd sedert genoemd: „Götz met de ijzeren 
hand”. Hij streed in meerdere veete -oorlogen en 
werd in 1514 door keizer Maximiliaan als roofridder 
in den Rijksban gedaan. In den Boerenoorlog van 1525 
werd hij door de boeren gedwongen als hun aanvoerder 
op te treden en bleef daarom eenige jaren in gevangen- 
schap. In 1542 streed hij met keizer Karei tegen de 
Turken. Zijn levensbeschrijving, door Pistorius, in 
1731 uitgegeven, werd de bron van Goethe’s drama 
G. v. B. (1773). Zijn nageslacht Berlichingen -Rossa ch 
stierf uit in 1924; dat van zijn broer Hans, B. -Jagst- 
hausen, bestaat nog. 

L i t. : Pistorius’ levensbeschrijving, in 1916 nieuw 
uitgegeven door Leitzmann ; R. Pallmann, Der histo- 
rische Götz von Berlichingen (1894). v. Gorkom. 

Bcrlicum, gem. in N. Brabant, ten Z.O. van Den 
Bosch; bestaat uit de deelen B. (dorp), Middelrode en 
Kaathoven; ca. 3 600 inw., bijna allen Kath.; opp. 
2 382 ha. Veeteelt, land- en tuinbouw. De oude kerk, 
in 1248 aan de abdij van Berne gekomen, is sedert 
1648 in gebruik bij de Herv. ; zeer oude toren (2e helft 
12e eeuw). De parochie wordt nog altijd bediend door 
de Eerw. Heeren Norbertijnen (abdij van Beme te 
Heeswijk). In B. ligt het huis De Wamberg, met 
prachtige plantsoenen en bosschen. Het gebouw 
dateert van 1560, met latere verbouwingen. 

v. Velthoven. 

Berlière, Urs m e r, Benedictijn, * 3 Sept. 
1861 te Gosselies, f 27 Aug. 1932 te Maredsous; als 
Belgisch geschiedschrijver nam hij in 1902 een werk- 
zaam aandeel in de oprichting van het Belgisch histo- 
risch instituut te Rome, waarvan hij de eerste bestuur- 
der werd (1902— ’06). Specialist in de geschiedenis 
der geestelijke orden, publiceerde hij meer dan 300 
historische bijdragen, grootendeels in de Revue 
Bénédictine. 

Voorn, werk: Monasticon Beige (2 dln. 1890- 
1929). Lijst zijner publicaties : Hommage a Dom U. 
Berlière (Brussel 1932, 11-31). — Lit: Hommage, 
o. c. (blz. 5-10); De Moreau in Revue Beige de Phd* logie 
et d’Histoirc (XI 1932). Elias. 

Berlikum, dorp in de Friesche gem. Menaldu- 
madeel; met Klooster -Anjum 2 100 inw. Vroeger lag 
hier aan de Middelzee Uutgong, waar processies de 
herinnering aan een Sacramentswonder levendig 
hielden; later door de zee verzwolgen. 

Berlin, voornaamste stad van het N. gedeelte 


van den staat New Hampshire (V. S. van N. Arner., 
44° 30' N., 71° 12' W.). Het ligt aan de Androscoggin- 
rivier, in de streek van de White Mountains; telde in 
1930: 20 018 inw. Groote houtzagerijen, houtpulp- en 
papierfabrieken. 

Beriiudis, Heilige, maagd. * te Meerbeke bij 
Ninove (Oost-Vlaanderen), f omstreeks het einde der 
7e eeuw. De bijzonderheden van haar leven zijn niet 
met zekerheid bekend. Wordt ons voorgesteld als de 
dochter van Odelardus en de H. Nona, zuster van 
St. Amandus. Zij zou in een klooster bij Aalst getreden 
zijn, waaruit zij verjaagd werd door een bende baan- 
stroopers, die het klooster verwoestten. In haar 
geboortedorp teruggekeerd, bleef zij getrouw aan de 
strenge voorschriften van den kloosterregel. Feestdag 
3 Febr. (bisdom Gent). Met haar vereert de Kerk de 
H.H. Nona en Celsa. De Schaepdrijver. 

Berlincr, E in., Amer. uitvinder van een fono- 
toestel (rond 1888), waarbij de spiraalgroeven der 
platen steeds even diep waren en de trillingen op de 
naald overbrachten door schommelingen naar links 
en naar rechts (huidig principe). 

Berlincr Abendblatter, romantisch dagblad, 
in 1810— ’ll te Berlijn uitgegeven door Hein r. 
von K 1 e i s t. 

U i t g. : facsimile-herdruk (1925). 

Berlincr Tagcblatt, gesticht in 1872 en voor- 
naamste der bladen door de firma Mosso uitgegeven. 
Het heeft vooral een gewaardeerd en internationaal 
bekend bijblad voor handel. Voor den oorlog speelde 
het B. T. een groote rol door zijn anti-Bülowpolitiek 
en na den oorlog was het een representatief orgaan 
der Duitsche liberale democratie. Sinds het Hitler- 
bewind heeft het zijn democratische traditie en positie 
opgegeven. Leemans. 

Berlingcn, gem. in de Belg. prov. Limburg, 
ten O. van S. Truiden; 300 inw.; opp. 248 ha; Herck- 
rivier, kleiachtige landbouwgrond; bedevaartplaats 
(O.L.V.). 

Berlinghieri, 1° Berlinghiero, schilder 
uit Lucca (Italië) in de eerste helft der 13e eeuw, 
werkte samen met zijn zonen Marco, Barone en Bona- 
ventura. Zeker is van hem een crucifix in de pinako- 
theek van Lucca. 

2° Bonaventura, schilder uit Lucca en 
zoon van Beninghiero; * 1210, sterfdatum onbekend; 
schilderde op paneel voor de S. Francesco in Pescia 
een voorstelling van den H. Franc iscus (1235). Van de 
andere aan hem toegeschreven werken staat niets vast. 

Lit.: O. Sirén, Toskanische Malerei des 13. Jahr- 
hunderts (1922, 37-67) ; van Marle, The Devclopment of 
the Italian Schools of Painting (I 1923, 319 vlg.). 

Knippiny. 

Berlioz, H e c t o r, componist, * 1803 te Cöte 
St. André, f 1869 te Parijs; zoon van een dokter en door 
zijn vader bestemd om eens zijn plaats te vervullen. 
Na het eerste onderricht van zijn vader ging hij naar 
het seminarie te St. André en leerde fluit en guitaar 
spelen. De kennis der harmonie putte hij uit de „Traité” 
d’harmonie” van Rameau en componeerde spoedig 
stukken voor strijkinstrumenten en fluit. In 1822 
vertrok hij naar Parijs om aan de universiteit medi- 
cijnen te studeeren ; zijn vader wilde de muziek alleen 
als liefhebberij beoefend zien. Vier jaar later liet hij 
de medische studie varen en wijdde zich tegen den wil 
van zijn vader geheel aan de muziek. Hij werd leerling 
aan het conservatorium van Lesueur en Reicha en 
daar de toelage van zijn vader ophield, moest hij door 


Berlitz-sehool 


654 


653 


lesgeven en als chorist aan het Théatrc du Gymnase 
dramatique in zijn onderhoud voorzien. Spoedig 
verliet hij het conservatorium, daar het strenge 
onderricht in conflict kwam met zijn phantasie, kwam 
echter later weer terug, om mee te kunnen dingen naar 
den Prix de Rome. Na vier vergeefsche pogingen 
verkreeg B. in 1830 eindelijk den Prix de Rome met 
de cantate: Sardanapale. Daarvóór had hij reeds 
geschreven : een mis, de ouvertures Waverley en 
Les francs juges en de Symphonie fantastique ou 
épisode de la vie d’un artiste, welk werk ten nauwste 
verband houdt met zijn liefde voor de tooneelspeelster 
Harriet Smithson. Gedurende zijn verblijf in Italië 
ontstonden de ouverture King Lear en het sympho- 
nisch gedicht Lélio ou Le retour a la vie (1831) voor 
solo, koor, orkest en declamatie, als vervolg op de 
Symphonie fantastique (1830). Na anderhalf jaar 
te Rome te hebben doorgebracht, waar hij zich 
meer interesseerde voor het volk dan voor de Ital. 
muziek, keerde hij terug naar Frankrijk. Het volgende 
jaar huwde hij met Harriet Smithson, is echter in 
1840 weer van haar gescheiden; na den dood van zijn 
eerste vrouw (1854) huwde hij voor de tweede maal 
met een Spaansche zangeres Mad. Rezio, die echter in 
1862 stierf. B. overleed zeven jaar later. 

B. was sinds 1823 verbonden als criticus aan ver- 
schillende tijdschriften, o.a. Corsaire (1823), Corres- 
pondant (1829), Revue européenne (1832), Courier de 
1’Europe en Journal des Débats (1836). In 1834 in 
eenzelfde functie aan de pas opgerichte Gazette 
musicale de Paris; zoo trachtte B. door woord en daad 
zijn nieuwen stijl: de programma-muziek te doen 
kennen. (In Duitschland vond hij sinds 1847 een 
volgeling in Franz Liszt.) Van 1843 — ’47 maakte B. 
vele concertreizen, bezocht Duitschland, Oostenrijk 
en Rusland, waar hij in de voornaamste steden zijn 
werken ten gehoore bracht. Wel ondervond hij hier 
of daar tegenstand, maar niettemin was overal de 
belangstelling voor zijn composities gewekt. Tever- 
geefs trachtte hij een plaats te krijgen als leeraar in 
compositie aan het conservatorium. In 1839 werd hij 
benoemd tot conservator van de bibliotheek en in 
1852 tot bibliothecaris, welke plaats hij tot zijn dood 
heeft behouden. In de jaren 1852 — ’53 bezocht hij 
opnieuw Berlijn, Dresden en Weimar; zijn laatste 
reizen waren in 1866 naar Weenen, waar hij een 
opvoering moest leiden van Faust en in 1867 naar 
Petersburg en Moskou. B. heeft gedurende zijn leven 
in Parijs geen waardeering ondervonden, eerst tien- 
tallen jaren na zijn dood vond ook zijn werk weerklank 
in Frankrijk; tijdens zijn leven was hij meer bekend 
in Duitschland, dank zij den steim, dien hij van Liszt 
ondervond. Veel heeft hij ook te danken aan Paganini, 
die hem in 1833 een som van 20 000 francs schonk, 
waardoor zijn materieel e zorgen iets verlicht werden. 
B. is één van de groote pioniers en vertegenwoordigers 
van de programma-muziek, d.i. die soort 
muziek, die de stemmingen, in een bepaald program 
uitgedrukt, weet weer te geven. B. heeft deze muziek 
bewust tot stijlprincipe verheven, ook het zgn. „leid- 
motief” heeft hij toegepast op de symphonische muziek. 
Een van zijn grootste verdiensten is ook de bewuste 
behandeling van de klankkleur in het orkest. Niet 
alleen voor de verschillende groepen van instrumenten, 
maar ook voor elk instrument afzonderlijk wist B. 
van de klankkleur partij te trekken: de Eng. hoorn, 
ophicleïde en harp w T erden door B. met voorliefde 
gebezigd. Opvallend in zijn werken is het groot aantal 


deelen en het vermengen van zuiver instrumentale 
stukken met vocale. 

Werken: Tot zijn eerste composities behooren 
nog : Huit scènes de Faust (1828) en de liederenbundel : 
Mélodies irlandaises (1829). Harold en J talie (op. 16, 
1834 ; symphonie, waarin de altviool een concerteerende 
rol speelt naar Byron’s Childe Harold ; oorspr. aan 
Paganini opgedragen) ; Grande Messe des morts (op. 5, 
1837 ; uitgevoerd in den Döme des Invalides bij gelegen- 
heid van de bijzetting van generaal Damrémont) ; 
Romeo et Juliette (Symphonie dramatique d’après la 
tragédie de Shakespeare, opgedragen aan Paganini : 
voor soli, koor en orkest ; 1839) ; Symphonie funèbre et 
triomphale (1840) ; Tc Deurn (1849). Opera’s : de komi- 
sche opera’s : Benvcnuto Cellini (1838) en Béatricc et 
Bénédict (1862) ; de dramatische legende La Damnation 
de Faust (1846) ; de opera Les Troyens (1856-’59) ; 
de bijbelsche trilogie L’enfance du Christ. Bewijs voor 
de geringe waardeering van B. is wel het volgende : 
het tweede deel van dit werk werd uitgevoerd on dor den 
naam van Pierre Ducré, een 17c-eeuwsch componist, 
meende men ; de critici prezen het werk éénparig en 
stelden het nota bene B. ten voorbeeld ! Ouvertures : 
o.a. Le carnaval romain (ouverture over thema's van 
Benvenuto Cellini) ; orchestratie van Weber’s Auf- 
forderung zum Tanz als balletmuziek. — Theore- 
tisch werk: Traité d’instrumentation, met de 

bijvoegsels : Le chef d’orchestre, en Les nouveaux 
instruments (1844). Herziene Duitsche uitgaven bezorg- 
den C. von Schwerin ( 2 1902) en Fclix Weingartner (1901). 
— Geschriften: Voyage musical en Allemagno 
et en Italië (2 dln. 1844) ; Soirées de 1’orchestre f1853) ; 
Grotesques de la musique (1859). Na zijn dood ver- 
schenen do Mémoires (2 dln. 2 1876). Zijn brieven 
zijn verzameld in : Correspondance inédite (1878, van 
Dan. Bernard) en Lettres intimes (1882, van Gounod). 
Een critische uitgave van alle werken verscheen bij 
Breitkopf und Hartel, geredigeerd door Ch. Malherbe 
en F. Weingartner. — Lit. : Fr. Liszt, B. und seine 
Haroldsinfonie (1855) ; Scheurleer, Twee Titanen der 
19e Eeuw. B. en Wiertz (1877) ; Alfr. Ernst, L’oeuvrc 
dramatique de H. B. (1884) ; R. Pohl, H. B. Studiën 
und Erinnerungen (1884) ; Ed. Hippeau, B. et son temps 
(1892) ; G. Brautigam, H. B. aus den Erinnerungen 
von E. Legouvé (1898) ; J. G. Prod’homme. Le cycle B. 
(1898) ; Jul. Kapp, B. ( 2 1922) ; P. M. Masson, B. (1923 
in Les maitres de la musique). Piscaer. 

Berlitz-sehool. Berlitz Schools of Languages 
zijn inrichtingen voor het aanleeren van moderne 
talen, meestal tot practische doeleinden, individueel 
of groepsgewijze, volgens de directe methode, zoo, 
dat verblijf in het buitenland overbodig wordt ge- 
maakt. Ze zijn verspreid over Europa en Amerika en 
worden meer bezocht door grooteren dan door eigen- 
lijke schoolkinderen. De eerste school van dezen aard 
werd door M. D. Berlitz gesticht te Providence in de 
Ver. St. en vond spoedig navolging. Te Parijs bestaat 
een kweekschool voor Berlitz-leeraren. De directeur 
van een B. -school heeft doorgaans enkele leerkrachten 
onder zich, afkomstig uit het land, waarvan zij de 
taal doceeren, en houdt voortdurend contact met den 
opper leider der scholen. 

De directe methode, die gevolgd wordt, bestaat 
hierin, dat de moedertaal van den leerende feitelijk 
wordt uitgeschakeld: een Ned. kind bijv. leert dus 
Fransch zooals het Nederlandsch geleerd heeft, nl. 
door de Fransche woorden en uitdrukkingen zonder 
tusschenschakel met de zaakvoorstellingen en -be- 
grippen te associeeren. De directe methode wil zijn: 
„1’application méthodique des lois naturelles”. 

De indirecte methode, die op de meeste andere scho- 
len gebruikt wordt, leert de vreemde taal via de moe- 
dertaal. Romboiits. 


655 


Berlo de Brus — Berlijn 


656 



Berlo de Brus, 1° Ferd inandus de. 
11e bisschop van Namen (1697 — 1725). 21 Januari 
nam bij er door een procurator bezit van. f 1725. 

2° Paulus Godfried de, 13e bisschop 
van Namen (1741 — 1771). Hij herbouwde de kathe- 
draal (1741—1753). f 19 Jan. 1771. 

Bcrloz, gem. in de prov. Luik, ten W. van Borg- 
worm; opp. 521 ha, ca. 1 000 inw. ; Jekerrivier, 
landbouw, weiden, kasteel van B., bezienswaardige 
kerk uit de 14e eeuw met graftomben van de familie 
de Berlo; belangrijke oude heerlijkheid. 

Berlijn (zie plaat t/o kolom 529), hoofdstad 
van het Duitsche Rijk en van den vrijstaat Pruisen, 
ligt binnen de provincie Brandenburg, vormt evenwel 
een eigen regeeringsdistrict. 
Aantal inw. (1931), 4,31 
millioen. Opp. 883,5 Ion 1 2 * * * * . 
In 1920 hadden nog tal van 
annexaties plaats en werd 
de nieuwe Stadtgemeinde 
in 20 bestuursdistricten 
verdeeld. 

Ligging. B. ligt in het 
moerassige oerstroomdal 
van B. -Warschau, waar 
dit door voorsprongen van 
liet Bamim -plateau in het 
N. en het Teltow-plateau 
in het Z. tot 5 km wordt 
versmald. Na 1870 werden ook de randen der plateau ’s 
voor vestiging in gebruik genomen. De Spree door- 
stroomt de stad in N.W. richting. Waar in het 
O. bij Köpenick de samenvloeiing met de Dahme 
tot stand komt, verwijden beide zich tot aanzien- 
lijke meren. Niet minder uitgestrekte meren worden 
in het W. door de Ilavel gevormd. Tusschen beide 
vereen igingspun ten is de Spree betrekkelijk smal; 
waar de oeverflanken elkaar het dichtst naderen, 
splitst de rivier zich in twee takken. 

Stadsdeelen. Op het ingesloten eilandje ligt het 
oude Kölln, dat samen met oud-Bcrlijn aan den rechter 
Spree-oever, Friedrichswerder en Neukölln de kern 
vormt van de stad. Het Z. deel van Altkölln heeft 
nauwe straten, evenwel met druk verkeer; het N. deel 
omvat koninklijk slot, musea en Lustgarten; Neu- 
kölln reikt van den linker Spree-oever tot de Wall- 
straszen en omvat ook de Spittelmarkt. Noordelijk tot 
de vroegere stadsgracht „Grim en Graben” ligt Frie- 
drichsw’crder. 

Om deze oude gedeelten heen, gelegen binnen den 
ouden vestingmuur, welke ongeveer de Neuc Friedrich- 
strasze en de Wallstraszen volgen, hebben de jongere 
stadsdeelen zich ontwikkeld. Z.O. van de Spittel- 
markt Luisenstadt, verder Westelijk Friedrichstadt 
en Dorotheenstadt, door Behrenstrasze gescheiden. 


Wapen van Berlijn. 


N. aan den rechteroever van de Spree Friedrich- 
Wilhelmstadt, door de verlengde Friedrichstrasze 
van het Spandauer Viertel gescheiden. De voortzetting 
naar het O. vormt Königstadt en Stralauer Viertel. 
Alleen Friedrichstadt en Dorotheenstadt met recht- 
hoekig elkaar snijdende straten w T erden volgens een 
bepaald plan aangelegd; bij latere uitbreiding ging 
men vaak met groote willekeur te werk, waardoor een- 
heid in het stadsbeeld ontbreekt. Friedrich-Wilhelm* 
stadt ontstond in het N.W. om het ziekenhuis Charité; 
hier liggen ook de universiteitsklinieken. Meer N.O. 
sluiten hierbij aan Moabit, Gesundbmnnen, Wedding, 
Rosenthaler en Oranienburger Vorstadt met groote 
arbeidcrskw T artieren; in deze stadsdeelen treft men 
tevens de w r oonw T ijken aan van den kleinen middenstand. 
Als een groen eiland temidden der huizenzee ligt in 
W. Berlijn, in het N. door de Spree begrensd, het 
grootste stadspark, de Tiergarten, met een opp. van 
253 ha. Dwars er doorheen loopt de Charlottenburger 
Chaussee. In het O. het Rijksdaggebouw en Bismarck- 
dcnkmal. Het stadsdeel tot Zoologischer Garten is het 
woongebied der aristocratie. De Z. stadsdeelen zijn 
Friedrichvorstadt, Schöneberger en Tempelhofer 
kwartier, Oostelijk tot Kreuzberg en Tempelhofer 
Feld, welks W. deel bebouw T d w r ordt, het O. deel als 
vlieghaven dient. Om dit Berlijn van 1870 zijn nadien 
nog een krans van plaatsen nauw 7 met de stad vergroeid. 
Spandau en Charlottenburg werden in het W. gean- 
nexeerd; in het Z. w r erd het prachtige Grünew r ald ver- 
kleind door aanleg van villawijken. In het N. liggen 
de industrieele centra Tegel, Reinickendorf en Siemens- 
stadt op een deel der Jungfernheide. 

De eigenlijke city vormt Friedrichstadt met do 
straat Ünter den Linden als de hartader van Berlijn. 
Van Brandenburger Tor tot Lustgarten 1,3 km lang, 
met een dubbele rij lindeboomen, die een middenallee 
insluiten, liggen hier de gezantschapsgebouwen, de 
groote hotels, de prachtige winkels. Parallel aan Unter 
den Linden loopt de Behrenstrasze met groote bank- 
gebouwen. De Wilhelmstrasze, die met de Friedrich- 
strasze uitloopt op de Belle Alliance Platz, is in haar 
N. deel de straat, waar de regceringsgebouwen ge- 
vestigd zijn (paleis van dèn rijkspresident, van den 
rijkskanselier, de rijkskanselarij enz.). Hoofdverkeers- 
straat is ook de in O.W. richting verloopende Leip- 
zigerstrasze, met groote warenhuizen als van Wert- 
heim en Tietz aan de Dönhoffplatz. Aan de Westzijde 
vormen Leipziger en Potsdamerplatz de afsluiting 
van de city. Toen begin 20e eeuw de oude binnenstad 
geen ruimte genoeg meer bood, ontwikkelde zich in 
het W. in de omgeving van den Zoologischer Garten 
een tweede centrum en werd de Kurfürstendamm tet 
eerste winkelstraat. Lips. 

Kerken, gebouwen, monumenten. Uit het Berlijn 
van de middeleeuwen zijn eenige Gotische kerken be- 


1. Museum für Völkerkundc. 2. Kunstgewerbemuseum. 

3. Ministerie van Landbouw. 4. Ministerie van Handel. 

5. Ilerrenhaus. 6. Pruisische Landdag. 7. Ministerie van 

Oorlog. 8. Rijksministerie van Economische Zaken. 9. 
Rijksmarineministerie. 10. Ministerie van Arbeid. 11. 
Rijksministerie en Museum van Posterijen. 12. Rijks- 

ministerie van Justitie. 13. Paleis van den Rijkskanseiier. 

14. Ministerie van Buitenlandsche Zaken. 15. Palris van 

den Rijkspresident. 16. Rijksminis f erie van „Landwehr”. 
17. Pruisisch Ministerie van Justitie. 18. Ordenspalais. 
19. Ministerie van Eeredicn9t. 20. Pruisisch Ministerie van 
Binneniandsche Zaken. 21. Rijksdaggebouw. 22. Kroll- 
opera. 23. Rijksmini3terie van Binneniandsche Zaken. 


24. Kolonialmuseum. 25. Gevangenis. 26. Urania. 27. 
Anatomie. 28. Komische Oper. 29. Kliniek. 30. Univer- 
siteitskliniek. 31. Slot Monbijou. 32. St. Hedwigs-zieken 
huis. 33. Kaiser-Friedrich-Museum. 34. Nationalgai- 
lerie. 35. Neues Museum. 36. Altes Museum. 37. Dom 
(Protestantsch). 38. Zeughaus. 39. Pruisisch Ministerie 
van Financiën. 40. Universiteit. 41. Staatsbibliotheek. 42. 
Opernhaus. 43. St. HedwigsbasiJiek (Katb.). 44. Fransche 
Dom. 45. Schauspielhaus. 46. Duitsche Dom. 47. Reichs- 
bank. 48. Beursgebouw. 49. Marienkirche. 50. Hoofdpost- 
kantoor. 51. Raadhuis. 52. Nikolaikirche. 53. Parochieel 
stadhuis. 54. Kiosterkirche. 55. Land- und Amtsgericht. 
56. Hoofdbureau van Politie. 57. Markisches Museum. 


GROOT-BERLIJN 



BERLIJN De binnenstad. 



rtx 


^ Voor do verklaiing der oijiers zie hiernaast. 



660 


659 


Berlijn 


waard gebleven: de Nicolaikirche (ca. 1230), de Ma- 
rienkirchc (ca. 1260), de Klosterkirche (Franciscaner- 
kerk; ca. 1290), de Heilige Geist Kapelle (ca. 1300). 
Vooral do 18e en de 19e eeuw verrijkten B. met vele 
gebouwen (Barok, Rococo, Monumentaalstijl). Het 
Berliner Schloss is in hoofdzaak gebouwd door Schlü- 
ter (ca. 1700), vergroot in 1713 door Eosander; de 70 m 
hooge koepel is van Stüler (ca. 1850). Schlüter ont- 
wierp ook het ruiterstandbeeld van den Grooten Keur- 
vorst, een der belangrijkste werken uit den Baroktijd. 
Eenige in Barokstijl gebouwde paleizen in de Wilhelm - 
strasse, waaronder de tegenw. woning van den rijks- 
president. Het Charlottenburger Schloss (•> Charlot- 
tenburg) en het Zeughaus eveneens uit dezen tijd. 
Schinkel bouwde o.a. het Schauspielhaus aan de Gen- 
darmenmarkt, de „alte Wache” (Untcr den Linden) 
en liet „Alte Museum” aan den Lustgarten. Het be- 
roemde Opemhaus, Unter den Linden (1741 — ’43), 
is van Knobelsdorf. Onder Frederik den Grooten werd 
de Sint Hedwigsbasiliek (Kath.) gebouwd (1747-1773), 
volgens plannen van Legeay (centraalbouw, naar het 
Romeinsche Pantheon). 

De Duitschc en de Fransche dom (Gendarmenmarkt) 
werden beide in 1701 gebouwd. 1894 — 1905 bouwde 
Raschdorff den imposanten Berliner Dom (Prot.), 
centraalbouw in Renaissance -stijl. De Kaiser Wilhelm 
Gedachtniskirche (laat-Romeinsche centraalbouw) is 
van Von Schwechten (1891 — ’96). 

Op het zgn. Museum-insel liggen bijeen: het Alte 
Museum (antieke plastiek), het Neue Museum (1850, 
door Stüler: Egyptische kunst, antieke vazen, koper- 
gravuren), de National-Galerie (19e eeuwsche kimst), 
verder het groote Pergamon-Vorderasiatische en Deut- 
sche Museum, en "het Kaiser-Friedrich -Museum 
(Duitsche, Ncderlandsche, Vlaarasche en Italiaansche 
schilder- en beeldhouwkunst uit de middeleeuwen en 
de Renaissance). Onder de vele musea is nog te ver- 
melden het Markischc Museum (geschiedenis van B. 
en Brandenburg). 

De voornaamste openbare en staatsgebouwen zijn 
verder: het Rijksdaggebouw (Wallot, 1884 — ’94), 
het Landdaggebouw (Renaissance; 1893 — '98), Stad- 
huis (Barok; 1911), Beursgebouw (1860), Raadhuis 
(Waesemann 1861 — ’69). Onder de tallooze standbeel- 
den zijn de voornaamste : standbeeld van Frederik den 
Grooten, Unter den Linden (J. C. Rauch, 1840), Bis- 
marckdenkmal voor het Rijksdaggebouw (Begas, 
1901). Interessante bezienswaardigheden zijn o.a. de 
Siegessaule op den Platz der Republik, herinnering 
aan de overwinningen tegen Oostenrijk (1866) en 
Frankrijk (1870), en het Brandenburger Tor. 

Van de vele moderne gebouwen zijn te vermelden: 
Hans des Rundfunks, Ullstein-Haus, meerdere groote 
handelshuizen, het groote tentoonstellingsgebouw 
met den Funkturm (Martin Wagner en Hanz Poelzig), 
Planetarium. G. Jansen. 

Bevolking en middelen van bestaan. De groote 
toename der bevolking begint vooral na de stichting 
van het rijk. Pas dan wordt Berlijn getrokken binnen de 
sfeer der Europeesche betrekkingen en wordt het door 
de ontwikkeling van techniek en verkeer gemaakt tot 
een middelpunt van spoorwegen (internationale lijnen: 
Stockholm— Parijs, Stockholm— Rome, Riga— War- 
schau — Parijs, Londen, Weenen, Leningrad en 
Moskou). In 1801 telde de stad 173 440 inw., die de 
ruimte binnen den ouden tolmuur niet vermochten 
te vullen. Eerst 1830 was het inwoneraantal tot 
200 000 gestegen. Na het midden der 19e eeuw voltrekt 


de groei zich dan in stormachtig tempo ; in 1860 kwam 
het aantal over een half millioen; in 1930 hebben 
reeds 147 km 2 een bevolkingsdichtheid van meer dan 
10 000. Door de stichting van de gemeente Groot- 
Berlijn en de centralisatie der verkeersmiddelen werd 
de vestiging in de peripherie bevorderd. Hier geeft de 
Ringbahn de grens der dichtere bevolking aan. In de 
binnenstad valt een sterke ontvolking te constateeren , 
die reeds begon vóór de stichting van het rijk. Sinds 
1870 verloren de oudste deelen van B. ong. 70% van 
hun inwoners. De toename der bevolking komt in 
hoofdzaak voor rekening van de immigratie. Verreweg 
de meeste immigranten komen uit Duitschland, zelfs 
op de eerste plaats uit Pruisen. In 1930 woonden in B. 
136 600 buitenlanders. Talrijk zijn onder hen de im- 
migranten uit O. Europa. Door de gunstige ligging 
kon B. zich ontwikkelen tot een industrie- 
centrum van den eersten rang. De ijzer- en metaal- 
industrie behooren tot de voornaamste takken. De 
locomotievenfabriek van Borsig, de ij zer cons tractie - 
fabrieken van Orenstein en Koppel, van LudwigLöwe, 
de electro-technische industrieën van Siemens Schuckert 
en Siemens Halske (A.E.G.) zijn wereldberoemd. 

Belangrijk is ook de confectie-industrie, die vooral 
in de biimenstad zetelt. Talrijke uitgeversmaatschap- 
pijen verschaffen aan duizenden werk. Vanzelf, dat 
in deze millioenenstad ook de handel een zeer groote 
rol speelt; 14% van de Duitsche bevolking, die zich 
met handel bezig houdt, woont in B. B. is tevens 
centrum van het geldverkeer. Vele groote bankinstel- 
lingen hebben hier hun hoofdzetel (Deutsche Bank, 
Reichsbank, Preuszische Staatsbank). Van de inrich- 
tingen van hooger onderwijs moeten genoemd worden 
de Fr iedrich- Wilhelm universiteit met 724 docenten, de 
technische hoogeschool (Charlottenburg), de veterinaire 
en landbouwhoogeschool, de hoogeschool voor muziek. 

Verkeer. Zooals reeds werd opgemerkt, is de ont- 
wikkeling der voorsteden onafscheidelijk verbonden 
aan de uitbreiding van het snelverkeer. Hiervoor zor- 
gen electrische trams en electrische Hoch- und Unter - 
gnmdbahn. Het eerste deel tusschen Stralauer Tor 
en Potsdamer Platz werd aangelegd in 1902. Nu heeft 
B. een wijdvertakt net met dubbel spoor ter lengte 
van 80,35 km. De electrische Stadt-, Ring- en Vorort- 
bahn staan eveneens ten dienste van het snelverkeer. 
De Stadtbahn doorkin ist de N. stadhelft van W. naar 
O. over een afstand van 13,5 km. De Ringbahn begrenst 
in een wijden boog de binnenstad en verbindt de dicht 
aangrenzende voorsteden. Voor liet verkeer met de 
meer verwijderde voorsteden zorgt de Vorortbahn. 

Naast Duisburg is B. tevens de grootste b innen- 
haven van Duitschland. Door goede waterwegen 
staat de stad in verbinding niet alleen met de voor- 
naamste havensteden aan Noord- en Oostzee, maar 
ook met de industriegebieden in Opper-Silezië, Saksen, 
Tsj echo -Slowakije. Door het Mittellandkanaal zal een 
verb inding met Z. enZ. W. Duitschland tot stand komen. 

Behalve de Spree zelf dienen het Landwehr- en 
Luisenkanaal voor de scheepvaart. 

Om B. heen werd als verbinding van Havel en Spree 
het Teltow-kanaal aangelegd. Aan het Berlijn— 
Spandauer Scheepvaartkanaal ligt de in 1923 vol- 
tooide West-haven met drie havenbekkens en groote 
pakhuizen en silo’s (in 1929 bedroeg de invoer 1 
millioen ton, de uitvoer 140 000 ton). Tusschen 
Treptower Spoorbrug en Oberbaumbrücke ligt de 10 
jaar oudere Oost-haven met onderaardsche benzine- 
tank en een laadvermogen van 1 millioen ton (in 1929 


Berlijn 


661 


662 


ingevoerd 600 000 ton, uitgevoerd bijna 1 / 4 millioen). De 
overige zeven havens zijn van ondergeschikte beteekcnis. 

L i t. : Engelbert Graf, Hans Spethmann, Beitrage 
zur Geographie Berlins (1918) ; Hans Brennert en Erwin 
Stein, Probleme der neuen Stadt Berlin (1926) ; Reisgids 
Baedekcr, Berlin und Umgebung ( 20 1927) ; Felix Lampe, 
Berlin und die Mark Brandenburg (1930) ; Friedrich 
Leyden, Grosz Berlin, Geographic der Weltstadt (1933) ; 
Reisgids Griebcn, Berlin und Umgebung. Lips. 

Verzorging der bevolking. Volgens telling 1925 
is 76,6% van de bevolking Prot., 10% Kath. Door ge- 
mengde huwelijken en afval gaat de Kath. bevolking 
achteruit (vlg. telling 1927 sloten 67,7% van de Kath., 
die huwden, een gemengd huwelijk). De Kath. be- 
volking van B. is ingedecld in 73 parochies en recto- 
raten met 58 kerken, 90 kapellen, 294 geestelijken. 12 
mannelijke en 17 vrouwelijkc kloosterorden hebben 
in B. resp. 18 en 84 huizen. Verder bezitten de Kath. 
verschillende instellingen van middelbaar onderwijs 
(Jezuïetengymnasium, 4 lycea, Franziskus-Oberly- 
ceum enz.) ,"57 volksscholen, 15 ziekenhuizen, 14 wees- 
huizen, talrijke andere instellingen (voorzorg voor 
meisjes, zuigelingenzorg enz.). 

Andere onderwijsinrichtingen: Friedrich- W ilhelm 
universiteit, technische hoogeschool, landbouw - 
hoogeschool, hoogcschool voor muziek, een diergenees- 
kundige hoogeschool, een Staatskunstschool, talrijke 
inrichtingen voor middelbaar onderwijs, ca. 600 scholen 
voor lager onderwijs en talrijke vakscholen. Voor ver- 
pleging bestaan totaal 200 inrichtingen, waarvan o.m. 
30 alg. stedelijke ziekenhuizen, 5 stedelijke sana- 
toria, 12 inrichtingen voor ouden en hulpbehoevenden. 

Het bisdom Berlijn is opgericht in 1929, behoort 
tot de kerkprovincie Breslau. Het bisdom telt (1927) 
520 015 Kath. (naast 6 674 183 nict-Kath.). Zetel 
van den bisschop te Berlijn; kathedraal is de in 1773 
gewijde St. Hedwig-basiliek. Het bisdom is ingedeeld 
in 13 archipresbyteraten, 78 canonisch opgerichte 
parochies en 76 rectoraten en heeft 319 geestelijken, 
waarvan 256 met zielzorg belast zijn. 

Politieke geschiedenis. B. heeft zijn ontstaan 
te danken aan de kolonisatiepolitiek der Duitsche 
vorsten in de middeleeuwen. In de 12e eeuw had 
Albrecht de Beer do Saksische Noordermark ingericht; 
meer en meer drongen zijn opvolgers naar het Oosten 
door en stichtten omstreeks 1230 om strategische 
redenen twee steden aan den samenloop van Ilavel 
en Spree: B. op den rechteroever, Kölln op een eiland 
van de Spree. Vroeg reeds speelden beide steden, 
vooral B., een voorname rol in de geschiedenis van 
Brandenburg. Sedert de 14e eeuw was B. hoofd van 
een Brandenburgschen stedenbond tot handhaving 
van den landsvrede, en lid van de Duitsche Hanze. 
Aan die macht had het te danken, dat langen tijd de 
Brandenburgschc heerschers uit de huizen Wittelsbach 
(1324 — 1373) en Luxemburg (1373 — 1415) slechts in 
naam aan de Spree regeerden: feitelijk was alle macht 
in handen van de stad. De Hohenzollern, sedert 1415 
in Brandenburg, wisten echter B. te betoomen. Onder 
voorwendsel in het bestuur der gemeente geregelde 
toestanden te herstellen, ontnam markgraaf Frederik II 
haar alle zelfbestuur in 1442 en dwong haar uit de 
Hanze te treden. Sedert het einde der 15e eeuw werd 
B. de officiëele residentiestad der Ilohenzollem 
en hoofdstad van Brandenburg. Tijdens de 16e eeuw 
ontwikkelde zich de stad tot een cultuurcentrum: in 
1574 werd er de eerste Latijnsche school gesticht. De be- 
volking bedroeg in dien tijd ongeveer 14 000 zielen. 


Veel had B. tijdens den 30-jarigen oorlog te lijden 
zoowel van de Zwcedsche als van de keizerlijke troepen . 
Een gedeelte der stad brandde geheel af in 1640, en 
het inwonertal liep tot op de helft terug. De weder- 
opbouw begon echter onmiddellijk daarop onder den 
Grooten Keurvorst, Frederik Willem I (1640 — 1688). 
Hij is het ook, die na de herroeping van het Edict 
van Nantes (1685) talrijke uit Frankrijk verbannen 
Hugenoten naar Berlijn riep, en aldus de stad tot een 
nog nooit gekenden cultureelen en economischen 
bloei bracht. De Fransche uitgewekenen vormden 
met hun 5 000 een vijfde der Berlijnsche bevolking. 
De hoofdstad van Pruisen (sedert 1701) breidde zich 
meer en meer uit: de voorsteden Dorotheenstadt, 
Neukölln, Friedrichstadt, enz. kwamen tot stand, 
en werden gelijk met Kölln door koning Frederik I 
in 1709 bij B. geannexeerd. Deze vorst streefde ernaar 
aan zijn hoofdstad een monumentaal aanzien te geven, 
bijv. door den bouw van het paleis en het arsenaal. 
Aan hem dankt B. tevens het ontstaan van de academie 
voor schoone kunsten (1696) en voor wetenschappen 
(1701). Onder Frederik den Grooten (1740 — 1786) 
werd B. een bloeiend nijverheidscentrum (porcelein) 
en een gewichtige handelsstad. Terzelfdertijd gaven de 
werkzaamheden van Voltaire, Lessing, Moses Mendels- 
sohn, Nicolaï, Tieck e.a. aan de Pruisische hoofdstad 
een belangrijke cultureele beteekenis. Op het einde 
der 18e eeuw was de bevolking ruim de 100 000 voorbij. 
De korte bezetting van B. door Oostenrijkers^ en 
Russen in den zevenjarigen oorlog (1757 en 1760) 
was niet bij machte de ontwikkeling te vertragen. 

De Fr. revolutie schonk aan B. opnieuw een groote 
hoeveelheid uitgewekenen, die ook tot den bloei van 
de stad op alle gebied bijdroegen. Een universiteit 
werd in 1809 gesticht onmiddellijk na den aftocht der 
Napoleontische troepen, die de stad van 1806 — 1808 be- 
zet hielden. Gedurende de 19e eeuw ontwikkelde B. zich 
in steeds sneller tempo. De nijverheidsinrichtingen 
werden hoe langer hoe talrijker (Borsig, Siemens). 

Sedert 1838 was de spoorweg B. — Potsdam in 
exploitatie en werd B. het middelpunt van het Prui- 
sisch spoorwegnet. In 1848 was de stad het tooneel 
van de bloedige Maartrevolutie. Bij B. werden in den 
loop dezer eeuw nog talrijke voorsteden, zooals Lich- 
tenberg, Moabit en Wedding, ingelijfd. In 1871 werd 
B. hoofdstad van het Duitsche Rijk. In 1878 hielden 
de Europeesche staatslieden er een congres ter regeling 
der Oostersche kwestie; in 1884 — ’85 de Kongo-confe- 
rentie, en in 1890 de eerste internationale conferentie 
tot bescherming van de arbeiders. Bovendien werden 
te B. verscheidene verdragen gesloten, o.m. dat van 
1911, tot oplossing der Marokkaanscho kwestie. 

9 Nov. 1918 brak te B. de revolutie uit: ook nadat 
de keizer afgetreden was, duurden de onlusten der 
Spartacistcn geheel den winter voort. In 1920 kreeg B. 
zijn tegenwoordige uitgestrektheid, door aanhechting 
van een aantal gemeenten, waarmede het feitelijk 
sedert 1912 een overeenkomst gesloten had, om een- 
heid in de regeling der gemeenschappelijke belangen 
te verzekeren; sedert den oorlog waren achtereenvol- 
gens Wermuth, Böss en Sahm burgemeester. 

Lit. : Schwebel, Geschichte der Stadt B. (2 dln. 
1888) ; Geiger, B. 1688—1840, Gesch. des geistigen 
Lebens der prouss. Hauptstadt (2 dln. 1892 — 1895) ; 
Streckfuss, 500 Jahre B.er Geschiehte ( 5 1900) ; Ostwaldt, 
Kultur und Sittengesch. B.s ( 2 1926) ; Neumann, Ge- 
schichte B.s (2 dln. 1928). — Als oorkonden- 
v e r z. : Fidicin, Historisch-diplomatischc Beitrage zur 
Gesch. der Stadt B. (5 dln. 1837— *42) ; Mitteilungen des 


663 


Berlijn — Bennuda-eilanden 


664 


Verein8 ftir die Geschichte B.s (1884 vlg.) ; Quellen und 
Forsehungen zur Geschichte der Stadt B. (1927 vlg.». 

V. Houlte. 

De Akte van Berlijn werd opgesteld tijdens de 
Berlijnsche koloniale conferentie (15 Nov. 1884 — 
26 Febr. 1885), waaraan bijna alle Eur. mogendheden 
(14 staten! deelnamen. De conferentie, die tot doel had 
regeling van handelsvrijheid aan den Kongo en den 
Niger, werd gehouden op initiatief van Frankrijk en 
Duitschland, toen Portugal, gesteund door Engeland, 
aanspraak had gemaakt op den Kongomond, waardoor 
de Internationale Kongo Mij., waarin veel Fransch 
geld gestoken was, bedreigd werd. De Akte erkent de 
onafhankelijkheid van den Kongostaat en wijst dezen 
den Kongomond toe, maar bepaalt, dat in het geheele 
Kongo-gebied de open-deur-politiek zal gelden. 
Controle wordt uitgeoefend door een internationale 
commissie voor den Kongo, door een Fransch-Engel- 
sche commissie voor den Niger. Europeesche aan- 
spraken op Afrikaansch gebied gelden alleen dan, 
wanneer ze kunnen gestaafd worden door wezenlijk 
uitgeoefende macht of door protectoraatscontracten 
met hoofden van inboorlingen. 

De beteekenis dezer Akte lag in de overwinning, die 
Frankrijk in zijn koloniale politiek over Engeland 
behaalde. De gevolgen der Akte waren een nog sneller 
wedloop om het binnenland, wat ten slotte leidde 
tot de verdeeling van Afrika. > Association Inter- 
nationale du Congo. 

Conferentie van Berlijn, zie Akte van Berlijn in 
dit artikel. 

Congres van Berlijn, 1878, •> Oostersche kwestie. 

Verdrag van Berlijn, 1911, •> Marokkaansche 
kwestie. 

Berlijn, A n t o n, Ned. componist, * 1817 te 
Amsterdam, j 1870 aldaar. Leerling van Ludwig 
Erk. B. is in het buitenland maar weinig bekend 
geworden. 

Werken: 9 opera’s ; 7 balletten ; oratorium 

Mozes; symphonicÊn ; vele kleinere werken. — L i t. : 
C. Böbm, Nachruf an A. B. 

Berlijnsch blauw. Deze blauwe kleurstof is in 
1704 door Dippel en Diesbach toevallig ontdekt bij de 
bereiding van Florentijnsche lak. Zij bereidden de 
kleurstof daarna fabriekmatig uit bloed. De juiste 
samenstelling is eerst veel later gevonden. Het is een 
ingewikkelde ijzercyaanverb inding, die men meestal 
eenvoudig voorstelt als ferri-ferro-cyanide Fe 4 
[Fe(CN) 6 ] 3 , en die ontstaat door geel bloedloogzout 
met een ferrizout te behandelen. De fijnste soort, 
het zgn. Parijsch blauw, bereidt men uit geelbloed- 
loogzout met een oplossing van basisch ijzernitraat. 
De minste waardevolle soort noemt men mineraal- 
blauw. Door behandelen van B. b. met een 1% sal- 
miak -oplossing krijgt men een violetachtige kleur, 
die den naam Monthiersblauw (ook Louisablauw en 
Bleu de France) draagt. Voor den handel wordt 
B. b. met andere stoffen verdund, bijv. met gips, 
zwaarspaat of ook wel aardappelmeel. Met chroom- 
gecl gemengd komt het in den handel als chroomgroen. 
B. is onoplosbaar in water, echter bestaat er ook een 
in water oplosbare soort met eenigszins andere samen- 
stelling. v , d . Beuk, 

Berl ijnscli bruin, een chemische omzetting 
van Berlijnsch blauw. Komt als kimstschildersverf 
weinig voor. 

Berlijnsch porselein is een bepaald soort 

porselein, dat sinds 1751 te Berlijn wordt vervaardigd. 


De ovens werden door W. Wegely gebouwd en genoten 
spoedig den steun van koning Frederik II. In den eer- 
sten tijd was het bekendste B. p. het sierporselein, 
in aan Meissener porselein herinnerenden Rococo-stijl. 
Sinds het eind der vorige eeuw is men zich echter 
meer bijzonder gaan toeleggen op het vervaardigen 
van gebruiksporsclein (kopjes, schoteltjes, vazen, 
werktuigen voor laboratorium, enz.). Bekende ont- 
werpers: Ruth Schaumann, Gebr. Marcks, Rich. 
Secwald.^ Knipping. 

Berlijnsch zilver, > Argentaan. 

Berm, > Bermen. 

Bermejo, rechter zijrivier van de Paraguay 
in Z. Amerika; ontspringt in de Cordilleren van Z. 
Bolivia, splitst zich in de Gran Chaco in Rio B. en 
Rio Teuco, om bij Villa del Pinar te monden in de 
Paraguay; alleen voor kleine schepen bevaarbaar. 

Bcrmcjo, Bartholomé, Spaansch schilder 
uit Cordova (laatste helft 15e eeuw), werkte hoofd- 
zakelijk in Catalonië. In zijn kunst is hij een uitge- 
sproken volgeling van de manier der Van Evcks. 
Van de Vlaamscho school erfde hij ook de attentie 
voor het detail, beter dan de Vlamingen echter wist 
hij dit ondergeschikt te maken aan de compositie 
van het geheel. 

Voorn, werk: raam voor de kathedraal van 
Barcelona (1495); Sint Michacl met schenker aan zijn 
voet (Poll. Wernher, Londen); II. Maagd van Monserrat 
(triptiek, kathedraal v. Acqui) ; 11. Aanschijn van 
Christus (Bissch. Museum in Vich) ; Beweening v. 
Christus (kathedr. v. Barcelona, kapittelzaal). — L i t. : 
Samperc y MiqueJ, Los Quatrocentistas cataloncs II 
(1906); Tormi, Barth. B. in „Archivo Espanol de Arte 
e Arqueo’ogia” (IJ 1926, 11-97). Km'ppi'ng . 

Bermen, de gedeelten van een weg ter weers- 
zijden van de verharding; somtijds zijn zij ook van 
een, zij het lichtere, verharding voorzien. Bij dijken 
dienen de b. tot verzwaring van het dijkprofiel ; men 
onderscheidt hierbij binnen- cn buiten bermen, naar 
gelang zij aan de land- dan wel aan de rivier- of zee- 
zijde gelegen zijn. 

Blinde b. liggen onder den normalen waterstand 
cn dienen, bij kanaaldijken, als verdediging van het 
beloop; zij worden vaak met riet beplant. 

Bij zeedijken treft men de zgn. kreukelbcrmen aan, 
steenbestortingen op gelijke hoogte met de oppervlakte 
van het voorland; zij dienen tegen ontgronding van 
het dijklichaam. ƒ>. Bongaerls. 

Berm heet ook het horizontale of flauw hellende 
vlak ter onderbreking van een beloop. Men verdeelt 
een hoog beloop door bermen in gedeelten om de kans 
op afschuiving te verkleinen, en om eventueele afschui- 
ving te beperken tot het gedeelte tusschen twee bermen. 

Bermoo, Spaansche havenstad aan de Golf van 
Biscaye (43° 25' N., 2° 46' W.). Belangrijkste visschcrs- 
plaats van Biscaya; ruim II 000 inw. (Katli.). 

Bcrmsloot , sloot langs een kanaal, waarin 
verscheidene door het kanaal gesneden slooten worden 
opgevangen, ten einde gezamenlijk op een punt in het 
kanaal te worden geleid of door één duiker onder 
het kanaal door te worden gevoerd. Kgelie, 

Bcrmuda-cihmricn , ook wel Somers- 
eilanden genoemd, Britsche (sinds 1612) eilan- 
dengroep in het W. van den Atl. Oceaan (32° 15' N., 
64° 52' W.), bestaande uit een 300-tal kleine eilanden, 
klippen en riffen, 1 000 km ten O.Z.O. van Kaap 
Ilatteras; erootte 50 km 2 , hoogte 80—100 m. De eil. 
bestaan grootendoels uit koraal-kalk. liet zijn de 
meest Noordelijke koraaleilanden der aarde: de warme 


665 


Berraudagras—Bem 


666 


golfstroom maakte vorming mogelijk. De groep rust 
op een uitgcdoofden gezonken, onderzeeschen vul- 
kaan. 20 eilanden zijn bewoond; de grootste zijn: 
Bermuda, Ireland, Saint Oeorgc, Somerset, Watford 
en Oates. De bevolking bedraagt 31 000 (blanken, 
doch liet meest negers en kleurlingen). 

De B.-e. hebben door invloed van den golfstroom 
een zeer zacht, gelijkmatig, oceanisch klimaat (gemidd. 
jaartemp. 21° 0). Regenval is het geheele jaar door 
aanwezig (1 430 mm); bronnen voor rivieren ontbre- 
ken; regenwater wordt bewaard in vergaarbakken of 
tanks. De planten- en dierenwereld, arm in haar 
soort, heeft haar oorsprong, hetzij op het vasteland, 
of in \V. lndië. Landbouw: uien, aardappels, fruit, 
vroege voorjaarsgroen ten. Bekend is a ldaar de jenever- 
struik (Juniperus Bermudiana). Bijna alles wordt 
verscheept voor de Ver. Staten. Een weinig visscherii. 
De eilandengroep is een winterverblijfplaats der 
Amerikanen. 

De B.-e. worden bestuurd door een gouverneur, 
bijgestaan door een Raad van 6 leden, door den koning 
van Engeland aangewezen. Hoofdstad is Hamilton 
(ca. 3 000 inw.). Kabelverbinding met Halifax (Canada) 
en Jamaica. De eil. zijn een zeer versterkt vloot- en 
havenstation. De Bermuda-groep werd ontdekt in 
1527 door den Spanjaard Juan de Bermudez. 

De eil. behooren sedert 1851 tot het aartsbisdom 
Halifax. 

B< k i*inu<lnc)rns, Cynodon dactylon, 
familie der grassen (Gramineae), groeit in de gematigde 
streken. Hoewel in bouwland en kweekerijen een 
hinderlijk onkruid, is het in de Zuidelijke staten van 
N. Amerika een uitstekend weidegras, speciaal goed 
voor koeien en paarden. De wortelstokken zijn voor 
de geneeskunde nog van eenig belang. Bonman . 

Brrmudatuifj, > Zeilen. 

Boi tmidez, J e r ó n i m o, Spaansch Domini- 
caan en dichter; * 1530 in Gallicië, f 1589. Theologie- 
professor aan de universiteit van Salamanca; het too- 
neelstuk van Ferreira „Inés de Gastro” werd door hem 
vertaald onder den titel van „Nisc lastimosa”, en zelf 
voegde hij er een tweede deel aan toe, „Nise laurcada” 
(Madrid 1577). Tot zijn voornaamste werk behoort 
verder het gedicht „llesperoida”, opgedragen aan den 
hertog van Al va. Borst. 

Bcrmmlo, Juan, Spaansch theoreticus te 
Ecija (Andalusië), schreef een theoretisch werk: 
Declaracion de Instrumentos, Ilamado Arte tripharia, 
welk werk in 5 dln. van 1549 — "55 in Osuna verscheen. 
Hierin worden de muziekinstrumenten in drie groepen 
verdeeld: 1° de natuurlijke (naturales), nl. de stem; 
2° de kunstmatige (artificiales), nl. strijkinstrumenten; 
3° de groep, welke het midden houdt tusschen beide: 
blaasinstrumenten (de ayre) en het orgel. Het eerste 
boek van 1549 omvat een inleiding tot de algemeene 
muziekleer. 

L i t. : O. Kinkeldey, Orgel und Klavier. Piscaer . 

Bermijn, A 1 f o n s, bisschop-zendeling van 
de Congr. van Scheut. * 2 Aug. 1853 te St. Pauwels 
(Waas), f 16 Febr. 1915 te Kang fang ing tze (Ortos). 
Priester 10 Juni 1876. trad in de Congr. van Scheut 
in Oct. daarop. Naar Ortos (Z.W. Mongolië) 13 Maart 
1878; provinciaal, titulair bisschop van Stratonice 
en apost. vicaris 15 Apr. 1901. Terecht beschouwd als 
medestichter der zoo bloeiende missie; de Christenen 
noemden hem den St. Paulus van Ortos. 

L i t. : F. de Pillecijn, Monseigneur Bermijn (1929) ; 
J. van Oost, mgr. Bermijn (1931). AÜossery. 


Bom , 1 ° Kanton, na Graubunderland het grootste 
van Zwitserland; omvat in het N. en N.W. een deel 
der Jura, in het midden een deel der hoogvlakte met de 
landschappen Mittelland, Emmen-Tal, Oberaargau 
en Seeland, in het Z. de Berner Alpen (Bemer-Ober- 
land). Het land heeft een opp. van 6 883,5 km 2 en 
behoort bijna geheel tot het stroomgebied van de Aar. 
Aantal inw. ruim 674 000, waarvan het meerendeel 
de Duitsche taal spreekt ( 559 000, tegenover 107 000 
met het Fransch als moedertaal). Het meerendeel 
der bevolking (581 000) is Protestant, 90 000 Kath. 

Ongeveer 5 585 km 2 of 81 ,5% van den bodem is in 
cultuur gebracht; 3 970,1 km 2 is als bouw- en weiland 
in gebruik, 1 617,7 km 2 met bosch bedekt. Van den 
woesten grond beslaan de gletsjers een oppervlakte 
van 288 km 2 . 

De voornaamste veeteeltgcbieden zijn Simmen-Tal 
(runderen), Kander-Tal (schapen), Saane-Tal (geiten), 
terwijl in do Jura de paardenfokkerij van belang is. 
Gezochte kaassoorten leveren Emmen-Tal en Saane- 
land. De mijnbouw levert kalk en zandsteen, die in 
steengroeven w T ordt geëxploiteerd. Minerale bronnen 
hebben Gurnigel, Heustrichbad en Weiszenburg. 
Door gebruikmaking van waterkracht gaat de industrie 
sterk vooruit; voornaamste takken zijn horlogerie, 
textiel, machinebouw. Houtsnijden, kantklossen eu 
zijdeweven worden nog als huisnijverheid beoefend. 

De wetgevende macht berust bij den 
Grooten Raad, bestaande uit 224 leden, voor vier jaar 
gekozen; de Regeeringsraad (negen leden) heeft de 
uitvoerende macht. Het hoogste rechtscollege, het 
Obergericht, bestaat uit 15 door den Grooten Raad 
gekozen leden. De Katholieken staan onder het 
bisdom Bazel, de Oud-Katholieken onder den bis- 
schop van Bern. 

2° Hoofdstad van Zwitserland en van het gelijk- 
namige kanton, 600 — 580 m boven zeeniveau, ongeveer 
in het midden van het Mittelland gelegen, knooppunt 
van zes belang- 
rijke spoorlijnen. 

104 600 inw., over- 
wegend Protes- 
tant. Daar de 
stad op de grens 
ligt van het 
Fransch -Duitsche 
taalgebied, wordt 
naast Duitsch 
(door 96 000 inw.) 
ook veel Fransch 
(door 54 000 inw.) 
gespro ken. De door 
het Munster be- 
heerschte oude 
stad ligt op een 

molasse-zand- 
steenrug, aan drie 
zijden door de Aare 
omsloten. Door de 
straten met win- 
kelgalerijen draagt 
de stad nog den 
stempel van bur- 
gerlijke welvaart 
uit de 18e eeuw. 

Van bijzondere be- 
koring zijn de fonteinen met vaak humoristische 
voorstellingen en de oude torens, o.a. Zeitglockenturm 



(367 


Bern 


668 


BERN 





Schaal 1 '• 23.000 


0 2 00 400 6 00 8 00 1000 

2E=3=E=23=> m 

voorstellende het laatste oordeel, door de Hervorming 
tamelijk beschadigd; verder uitmuntende ramen in 
het koor (1441 — ’60). Ook de vroegere Dominicaner - 
kerk is een driebeukige basiliek met lang koor en 
merkwaardige galerij. Verder de H. Geest-kerk door 
Schildknecht van 1726 — ’29 gebouwd; een Piot. bede- 
huis van Fransch karakter (rechthoekig). 

Het schilderachtige raadhuis in laat-Gotischen stijl 
(1406) is in de vorige eeuw herhaalde malen gerestau- 
reerd. De woonhuizen zijn over het algemeen 18e 
eeuwsch (Rococo en Louis XVI -stijl), van voren smal, 
maar zeer diep inloopend, met vooruitspringend dak 
en langs den straatkant van een overdekte „Laube” 
voorzien. De vele sierlijke „Brunnen” dateeren voor 
het meerendeel uit Renaissancetijd (Doedelzakspeler. 
Schuttersfontein). Het historisch museum Kirchenfeld 
is voor de Zwitsersche geschiedenis van belang, bevat 
echter ook merkwaardige voorbeelden van laat-middel- 
eeuwsche kerkelijke edelsmederij. 

L i t. : Sainte-Marie-Perrin, B&le, Berne et Genèvc 
(1909 in de serie Les Villes d’Art célèbres) ; Das Bürgcr- 
haus in der Schweiz (V 1917) ; Dehio, llandbuch der 
deutschen Kunstdenkmaler (IV 1926) ; St&dtebau in der 
Schweiz (1929). Kmpping . 


met middeleeuwsch mechanisch uurwerk, en Kaiig- 
turm, waar het archief werd ondergebracht. 

Door acht bruggen, waarvan vier hooge, wordt de 
oude stad verbonden met 
de arbeiders- en villa- 
wijken aan de andere 
zijde van de Aare. Over de 
steenen Nydeckbrücke 
komt men aan den 
berenkuil, waarop stads- 
kosten eenige beren, de 
wapendieren van Bern, 
gehouden worden. 

hips. 

Kunst te Bern. 
Gelegen in een wijde bocht 
Wapen van Bern. der Aare, kon de stad 
zich slechts in twee 
richtingen uitbreiden. Vandaar dat oud-Bern tamelijk 
nauw op elkaar gebouwd is. Het Münster St. Vincent 
(1421) van Mattkeus Ensinger(zoon van den bouwmees- 
ter van den dom te Straatsburg) is een driebeukige 
pijlerbasiliek, in bouwtrant aan Ulm verwant; het por- 
taal heefteen tympaau -reliëf van Kung van Westfalen, 



669 


Bernabeï — Bernaert 


670 


Van monumentale beteekenis is ook het oude bonds- 
paleis (1857) in Florentijnsche Renaissance, het nieuwe 
dateerend van 1892, met daartusschen als bekroning 
van het geheel de machtige koepel van het parlements- 
gebouw (1902). 

Als zetel van het bonds- en kantonale bestuur werd 
B. op de eerste plaats beambtenstad. Toch groeit 
den laatsten tijd de beteekenis der industrie (zijde-, 
wol-, katoenindustrie, machinebouw). De groote 
universiteit wordt door meer dan 1 600 studenten 
bezocht. 

Sinds 1869 is B. ook zetel van de internationale 
post- en telegraafvereeniging. Lips. 

Disputatie van Bern. Op dit dispuut, gehouden 
5 — 26 Jan. 1528, waar beide partijen, Katholieken en 
Protestanten, vertegenwoordigd waren, trachtte men 
in 10 thesen de Kath. leer in haar traditioneele punten 
aan te vallen, om door die bestrijding de definitieve 
invoering van het Protestantisme te motiveeren. 
Daarvoor was de gelegenheid in Bern thans gunstig, 
omdat in den Kleinen Raad de Evangelischen door 
een nieuwe regeling in de meerderheid waren gekomen. 
Nog voor de woordenstrijd ten einde was, begon het 
gepeupel kerken en beelden te vernielen. Bij mandaat 
van 7 Febr. werd het nieuwe geloof officieel 
afgekondigd. Wachters. 

Berner Conventie, > Bcrner Conventie. 

Berner Conferentie 1900. In 1905 gelukte het de 
Zwitsersche regeering, na moeizame voorbereiding en 
veel tegenwerking, te Bern een conferentie te beleggen 
van regeeringsgedelegeerden, welke ten doel had te 
komen tot een internationale arbeidswetgeving. Deze 
conferentie eindigde met twee belangrijke besluiten, 
gewoonlijk genoemd de Berner Besluiten van 26 Sept. 
1906. Het eerste daarvan betrof een regeling van den 
nachtarbeid van vrouwen, waarvan de voornaamste 
bepaling deze was, dat de arbeid der vrouwen verboden 
zou zijn gedurende 11 achtereenvolgende uren, waarin 
minstens de periode van 10 uur ’s avonds tot 5 uur 
’s morgens moest vallen. Het tweede behelsde een 
verbod van het gebruik van witten (gelen) phosphor 
bij het vervaardigen van lucifers. Bras. 

Berner Program 1917. Na de Berner Conferentie 
1906 werd in 1913 te Bern opnieuw een deskundige 
conferentie belegd, teneinde te komen tot regeling 
van den nachtarbeid van jeugdige mannelijke arbei- 
ders, terwijl voor vrouwen en jeugdige personen een 
maximum -arbeidsdag van 10 uur zou moeten worden 
vastgelegd. De oorlog van 1914 verhinderde de resul- 
taten van deze conferentie. Gedurende den wereld- 
oorlog (1914-1918) gingen van verschillende zijden 
stemmen op, die eischten, dat het vredesverdrag ook 
de noodige aandacht zou besteden aan de internationale 
arbeidswetgeving. Zoo ontstond het Leeds- 
program van Juli 1916, waarin een deel der vak- 
organisaties van Engeland, Frankrijk, België en Italië 
zijn eischen had vastgelegd, verder het Buffalo- 
program van 1917, waarin de American Federa- 
tion of Labor haar standpunt kenbaar maakte, en 
eindelijk ook het Berner Program van 1917, 
samengesteld door de vertegenwoordigers der centrale 
en neutrale mogendheden. Het Berner program van 
1917 is meer gedetailleerd dan dat van Leeds van 1916, 
terwijl het zich ook niet bepaalt tot het geven van be- 
ginselen, doch tevens regels voor doorvoering en 
controle aangeeft. Er as. 

Bernabeï, E r c o 1 e , ltaliaansch componist, 
* ca . 1620 te Caprarola (Kerk. Staat), f 1687 te Mün- 


chen. Leerling van Benevoli ; 1653 — 1665 organist aan 
de San Luigi dei Francesi te Rome, dan tot 1667 kapel- 
meester van de St. Jan van Lateranen en daarna tot 
1672 wederom in eerstgenoemde betrekking. 1672 
werd hij opvolger van Benevoli aan de Sint Pieter en 
van 1674 tot zijn dood hofkapelmeester te München in 
de plaats van J. K. Kerll. Als componist van kerkelijke 
werken en cantates behoort B. tot de Romeinsche 
school en zijn stijl is nauw verwant met dien van 
Carissimi. 

Werken: behalve 5 opera’s, w r aarvan slechts 2 
tekstboeken bewaard bleven en vele kamercantatos, 
schreef B. hoofdzakelijk kerkelijke werken, 4-8 stemmig ; 
weinig is ervan in hs. bewaard. Gedrukt werden motetten 
voor 5 zangstemmen, 2 violen en bas (1691) en 3-stem- 
mige madrigalen (Concerto madrigalesco, 1669). — 
L i t. : R. Casimiri, E. B. maestro della Cappella mqsi- 
cale al Laterano (1920) ; R. de Rensis, E. B. (1920)1 

Piscacr. 

Bernabci da Cortona, Domenico, 
bijgen. Boceadoro, Ital. bouwuneester, met anderen 
op verzoek van Karei III naar Frankrijk geroepen, 
waar hij als „maistre des oeuvres de ma^onnerie du 
roy” werkte aan de kasteelen van Amboise, Blo is en 
Chambord. Volgens eenigen was hij leerling van 
Giuliano da San Gallo. * ca. 1460 te Cortona, f 1549 
te Parijs. 

L i t. : von Geymüller, Baukunst der Renaissance in 
Frankreich (Handbuch der Architektur II 6 1898) ; 
Haupt, Baukunst der Renaiss. in Frankreich und 
Deutschl. (Handbücher der Kunstwissenschaft, 1923) ; 
Lesueur, Dominiquc de Cortone, dit Le Boccador (1928). 

Knipping. 

Bernacchi, Antonio, zangleeraar en com- 
ponist, stichtte in Bologna een zangschool, die be- 
roemde kunstenaars vormde. * 1686 te Bologna, f 1726 
aldaar. 

Bernadette Soubirous (Zuster Maria Ber- 
narda), Heilige, wier naam onafscheidelijk verbonden 
is met de beroemde Maria -bedevaartplaats Lourdes. 
*7 Jan. 1844 te Lourdes, f 16 April 1879 te Nevers. B. 
was een eenvoudig meisje en ontving van 11 Febr. tot 
16 Juli 1858 in de grot van Massabielle 18 verschij- 
ningen van de H. Maagd Maria, de Onbevlekte Ont- 
vangenis. Hierdoor werd Lourdes een wereld-bede- 
vaartp laats, waar tal van wonderen geschieden. Op 
29 Juli 1866 trad B. in de Congregatie der Zusters van 
St. Gildard te Nevers. Ondanks het voorrecht, dat ze 
genoten had, bleef zij thuis zoowel als in het klooster 
altijd even bescheiden en kinderlijk eenvoudig. Feest- 
dag 18 Febr. 8 Dec. 1933 werd zij op plechtige wijze 
in de St. Pieter heilig verklaard. 

L i t. : M. Faltz (Freiburg i. Zwl. 1927). 

J. v. Rooij. 

Brrnadottc, Jean Baptiste, vrijwilliger 
in het Fransche leger, generaal, min. van oorlog, 
maarschalk, prins van Pontecorvo, * 1764 te Pau, 
f 1844 te Stockholm. Jaloezie t.o.v. Napoleon maakte 
hem tot middelpunt van ontevreden militairen. Door 
Karei XIII van Zweden in 1810 tot opvolger aange- 
nomen (als Karei Johan, wmrdt Luth.);18l8 koning. 
Zweden ’s belang en afkeer van Napoleon brengen hem 
aan de zijde van Napoleon ’s vijanden. Ondanks verzet 
der Noren drijft. B. in 1814 hun vereeniging met Zweden 
door. V. Claassen. 

Bernaert, W u 1 m a r i s, doctor in de beide 
Rechten, werd in 1565 met de bisschoppen van Atrecht, 
Ieperen en Namen en andere rechtsgeleerden en staats- 
lieden bij Margaretha van Panna, geroepen om een 


671 


Bemaerts — Bernard van Tiron 


672 


verzoekschrift naar den koning van Spanje te onder- 1 
teekenen, inzake verdraagzaamheid van den gods- 
dienst in de Nederlanden. Valuekens . 

Bemaerts, 1° P ie ter Jan, priester; *7 
Oct. 1879 te Antwerpen. Ziel en hoofd van de Katho- 
lieke Ylaamsche Tooneelcentrale, organisme, waarin 
de actie van de Algemeene Tooneelboekerij, liet Alg. 
Kath. VI. Tooneelverbond en den Tooneelgids samen- 
vloeit en gecentraliseerd wordt. 

L i t. : H. G. Caunegieter, Karakterschets : Jan 

Bemaerts, in Morks Magazijn (29e jg. April 1924). 

Godelaine. 

2° U 1 m e r, hoogleeraar te Leuven; * ca. 1510 te 
Eecke bij Cassel, f 23 Jan. 1571 te Leuven; doceerde 
46 jaar, eerst de wijsbegeerte, vanaf 1548 het recht. 
Werd in 1550 door Karei V afgevaardigd naar Trente. 
Zijn werk werd niet uitgegeven. 

L i t. : Biogr. Nat. Erens. 

Bernngjic (B o r a g o o f f i c i n a 1 i s), ge- 
neeskrachtige plant, die ook wel dient voor schotel- 
versiering. 

Bcrnaf)ie, P i e t e r, medicus en professor 
aan het Amstcrdamsch Athenaeum, schrijver van ver- 
schillende, vooral zedcschilderende, blijspelen, o.a. 
, : De belachelijke Jonker”, kluchten en enkele treur- 
spelen. In het werk van dezen schrijver is weinig meer 
te bespeuren van de Nederlandsch-realistische tooneel- 
traditie. Hij staat volkomen onder Franschen invloed. 
Zijn beteekenis voor de geschiedenis der tooneel-lite- 
ratuur is dan ook voor het grootste gedeelte hierin 
gelegen, dat zich die invloed bij hem scherp waarneem- 
baar begint af te teekenen. * 1656, f 1699. A. Sassen. 

Bernaldcz, A n d r é s, Spaansch priester en 
geschiedschrijver. * ca. 1450, f 1513. Pastoor van Los 
Palacios (bij Sevilla). Schrijver van een kroniek over 
het gedenkwaardige tijdperk van het begin der Gouden 
Eeuw; de groote daden van Columbus worden er uit 
diens eigen manuscripten in verhaald. Hoewel merk- 
waardig van soberheid en waarheid, werd het niet 
eerder dan ca. 1850 uitgegeven. 

Voorn, werk: .Historia de los Rcyes Cf tolicos, 
don Fernando y dona Isabcl (Bibliotcca de autores 
espanoles ; LXX Rivadeneyra). — L i t : Pizarro y 
OreUana, Varones ilustres del Nuevo Mundo (Madrid 
1639) ; A. G. Barcia, Historiadores de Indias (Madrid 
1749); E. de Vedia, Historiadores primitivos de Indias 
(Madrid 1853). Borst. 

Bcrnanos, G e o r g e s, Fransch romanschrij- 
ver van de jong-Katholieke richting, onder invloed 
van H e 1 1 o en B 1 o y. *1888 te Parijs. In sterk- 
analytische, vurig en fraai geschreven, veelal zedelijk- 
gewaagde romans, waarin de godsdiensttwijfel hoofd- 
probleem is, verkondigt B. een opvatting van de wils- 
vrijheid, die de macht van Satan pessimistisch over- 
drijft en de werking der genade aanzienlijk uitschakelt. 

Werken: Les amants de Verdun (1924) ; Sous le 
soleil de Satan (1926) ; La joie (1929) ; L'imposturc 
(1930) ; La grande peur des bien-pensants (1931). 

Baur . 

Bernard, eigennaam; zie ook > Bernardus. 

Bernard, koning van Italië, natuurlijke zoon 
van P i p p ij n en kleinzoon van Karei den Grooten. 
f 818. Hij werd bij den dood zijns vaders (810) koning 
van Italië. Bij de verdeel ing van het rijk in 817 werd 
aan B. niets toegewezen. Hij smeedde daarop een samen- 
zwering, doch moest zich spoedig onderwerpen. Een 
Rijksdagvergadering veroordeelde hem ter dood; 
Lodewijk de Vrome ,. verzachtte” dit vonnis tot blind- 


| maken. Tengevolge der pijnen, doorstaan bij het vol- 
trekken van dit vonnis, overleed B. enkele dagen later. 

Stoot mans. 

Bernard, graaf van Saksen, bekend, omdat 
hij met graaf Th iet mar, in den geweldigen slag bij 
Lenzen (5 Sept. 929), een beslissende overwinning 
behaalde op de opstandige Wenden. 

Bernard van Saksen- Weimar, jongste 
zoon van hertog: Johan 111, * 1604 te Weimar, f 1639 
te Neucnburg in Baden. Streed sedert 1622 met de 
Ih'ot. condottieri in W. Duitschland in de eerste 
tijdperken van den 30-jarigen oorlog, ook in Deenschen 
dienst; in 1628 liet hij zich eenigszins verzoenen, trok 
zich terug uit den Duitschen strijd, maakte o.a. in de 
Nederlanden het beleg van Den Bosch mee (1629). 
Sedert 1631 trad hij weer op en onderscheidde zich in 
dienst van Gustaaf Adolf; na het sneuvelen van den 
Zwcedschen koning in den slag bij Lützen (6 Nov. 
1632) nam hij het opperbevel op zich en behield het 
slagveld tegenover Wallenstein. Bij Nördlingen (6 
Sept. 1634) werd hij samen met den Zweedschen veld- 
heer Horn door de keizerlijke partij verslagen. 
Hij wordt dan door Richel ieu met 18 000 man Duit- 
sche troepen in dienst genomen en veroverde d<n Elzas 
voor Frankrijk; maakte hij zich gereed Beieren en de 
Oostenrijksche erflanden te gaan aanvallen, maar 
stierf plotseling. 

L i t. : G. Droysen, Bern. v. Weimar (2 dln. 1885) ; 
Thoma, Bernh. v. Weimar (1904) ; De Noailles, Bernard 
de Saxe-Weimar et la réunion de 1’Alsace è, la France 
(1908). v. Gorkom . 

Bernard de Ycntadour, wellicht de grootste 
der troubadours, dichter bij uitstek van de Liefde: 
een vijf en veertigtal zijner liederen zijn nog bewaard, 
waarin hij, in sierlijk gebouwde strophen, al de ver- 
rukking, maar ook de kwelling en foltering, al de 
vertwijfeling en blijde verwachting, al de onderworpen- 
heid, de schuchterheid, den angst in trouwen, ootmoe- 
digen dienst, ondanks nijd en verraad, dikwijls in 
verband met het jaargetijde of er mede in strijd, van 
den waren minnaar uitzingt. Zoon van een slotknecl t 
van graaf Ebles II van Ventadour, was hij o.a. in den 
dienst van Aleonore van Poitiers, en van Raimond VI, 
van Toulouse; hij stierf als monnik te Dalon, na 1194, 
op betrekke lijk gevorderden leeftijd. 

U i t g. : K. Appel (lialle 1915). — L i t. : Salverda de 
Grave, De Troubadours (1917) ; K. Vossier, Minnesang 
des B. v. V. (1918). V. Mierlo. 

Bernard van Chartres, scholasticus en hoofd 
van de kathedraalschool van Chartres; f tusschcn 
1124 en 1130. B. houdt volgens Joannes van Salisbury 
in de leer der algemeene begrippen het midden tusschen 
Plato cn Aristotcles; de Aristotelische zelfstandig - 
heidsvormen treden op als afbeeldingen der Platoonschc 
ideeën, die onveranderlijk in Gods verstand bestaan. 
De verbinding van het cxemplarisme van Augustinus 
met de universalia leer van Aristoteles door Thomas 
van Aquino wordt hier voorbereid. 

L i t. : A. Clerval, Les écoles de Chartres au Moyen- 
Age (Parijs 1895) ; E. Gilson, Le Platonisme de Bernard 
de Chartres in Rev. Néo-Scol. (XXV 1923, 5-19). 

F . Sassen • 

Bernard van Tiron, Heilige, Benedictijner- 
monnik; 1100 abt van St. Cyprien. Keerde zich af van 
Cluny en stichtte een klein klooster in het woud van 
Tiron (dioc. Chartres), nadat hij eerst predikend was 
rondgetrokken. 

L i t. : J. v. Waltcr, Die ersten Wanderprediger 



URENBOEK VAN DEN 


HERTOG VAN BERRY 


Ontmoeting der Drie Koningen. Miniatuur uit de ,,Très riches heures du duc de Berry" (1416). 


BETHLEHEM 



Gezicht op de stad, links de Geboortekerk, rechts de Catharinakerk van het Franciscanerklooster. 



Geboortegrot in de Geboortekerk. Een zilveren ster onder het Grieksche altaar geeft de plaats der geboorte 

van Christus aan. 



673 


Bernard van Tours — Bernard 


674 


Frankreichs (II Leipzig 1906, 1 vlg.); Lex. Theol. Kirche 
(II, 208). 

Bernard van Tours, > Bemardus Syl vestris. 

Bernard van Utrecht, clericus, leermeester 
aan de Domschool te Utrecht op het einde der elfde 
eeuw. Schreef een grootendeels ongedrukte commen- 
taar op de Ecloga van > Theodulus (Godescalc?), 
een dialoog tusschen Alithia (waarheid) en Pseustis 
(leugen). B. droeg liet zeer woordrijk en uitvoerig 
werk op aan Koenraad, bisschop van Utrecht (1076— ■ 
1099). Zijn voornaamste bronnen zijn Servius, St. 
Isidorus, > Fulgentius Mythographus en Remigius. 
Talrijke hss. zijn ervan bewaard o.a. te München, 
Kassei, Einsiedeln, Weenen. 

L i t. : Dedicatiebrief bij Martène-Durand, Yeterum 
SS. ampl. coll. (I, 512 vlg.); uittreksels bij Jos. Frey, 
Ueber das mittelalterliche Gedicht Theoduli ecloga und 
den Kommentar des Bernhard Ultraiect. (Munster 
1904) ; Manitius, Gesch. der latein. Lit. (III, 194-196). 

Lampen. 

Bernard, 1° C h. J., directeur van het dept. 
van Landb., Nijv. en Handel in Ned.-Indië; * 5 Dec. 
1876 te Genève. In 1905 in ’s Lands dienst als waar- 
nemend afdeelingschef op het dept. van Landb. te 
Buitenzorg. In 1912 benoemd tot adviseur voor de 
theecultuur; was tevens directeur van het proefstation 
voor de theecultuur te Buitenzorg. 21 Maart 1928 
werd B. benoemd tot waarnemend directeur van 
Landb., Nijv. en Handel in Ned.-Indië, waarna 22 Jan. 
1929 zijn definitieve benoeming als zoodanig volgde. 
B. publiceerde talrijke artikelen over de theecultuur, 
vnl. verschenen in het Archief van de Theecultuur in 
Ned.-Indië. Dijkstra. 

2° Charles de, Fransch romanschrijver uit 
de school van Balzac. * 1804 te Besan^on, f 1850 te 
Neuilly. Beter stilist dan zijn meester en voortref- 
felijk opmerker als hij, doet Bernard voor hem slechts 
onder in scheppende kracht en vruchtbaarheid. 

Werken: Le noeud gordien (1838) ; Gerfaut 
(1838) ; Le paravent (1839) ; La femme de 40 ans (1840) ; 
Les ailes d’Icare (1840); La peau du lion et la chasse aux 
amants (1841) ; Le gentilhomme campagnard (1846). — 
Lit.: L. de Piépape, Notice sur C. d. B. (Besanpon 
1885). Baur. 

3° C 1 a u d e, heilig priester uit de 16e eeuw, 
* 26 Febr. 1588 te Dijon (Frankrijk), f 23 Maart 1641 
te Parijs. B. was eerst jurist; in 1622 priester gewijd. 
Hij deed onnoemelijk veel voor zieken en armen, vooral 
de zielzorg onder de misdadigers in de gevangenis 
had zijn aandacht. Te Parijs stichtte hij een seminarie 
voor 33 onbemiddelde studenten uit alle diocesen, 
dat tot 1790 bleef bestaan. Na zijn dood geschiedden 
talrijke genezingen op zijn voorspraak. De commissie, 
belast met het onderzoek van deze feiten, werd reeds 
in 1641 benoemd, maar moeilijkheden, o.a. de Janse- 
nistische verwarringen, verhinderden de voortzetting 
van het canonisatieproces. J. van Rooij. 

4° C 1 a u d e, Fransch physioloog, * 1813 te 
Villefranche bij Lyon, f 1878 te Parijs. Wilde eerst in 
de literatuur, schreef een drama, bood het aan ter 
opvoering. De academicien St. Mare Girardin ried 
hem aan, medicijnen te studeeren. B. kon echter geen 
assistentenplaats krijgen; in 1843 afgestudeerd; kon 
toen evenmin agrégé worden. De wanhoop nabij, sloot 
hij een rijk huwelijk. Magendie nam hem eindelijk als 
assistent aan. B. bleef onbekend, en werd eindelijk, 
40 jaar oud, professor in de algemeene physiologie aan 
de Sorbonne. Hij was de beroemdste vivisector. De 
eerbewijzen volgden elkaar later op. Hij geldt als de 


grootste Fransche physioloog der 19e eeuw, „la phy- 
siologie même”. Hij werkte onsystematisch; zijn groot- 
ste ontdekkingen deed hij tijdens de demonstraties 
op het college. Bekend zijn zijn proeven over de 
hersenzenuwen, de vasomotorische functie van den 
halssympathicus, vooral de suikersteek: door een steek 
in de vierde hersenventrikel komt er door werking 
op het pancreas suiker in de urine; dit was het begin 
van de wetenschappelijke kennis der suikerziekte. 

Lit.: J. Y. de Groot, Denkers over ziel en leven. 

Schlichting. 

5° J e a n Jacob, Fransch tooneelschrijver 
van het >Théatre du silene e. *30 Juli 
1888 te Enghien-les-Bains. Hij schrijft bij voorkeur 
blijspelen volgens een techniek, die vooral werkt met 
onrechtstreeksche karakteristiek en een dialoog met 
lange poozen en onsamenhangende rede en tegenrede. 


Voorn, werken: La joie du sacrifice (1912) ; 
Voyage ü deux (1917) ; La maison épargnée (1919) ; 
Le feu qui reprend mal (1921) ; Martine (1922) ; Le 
printemps des autres (1924) ; L’invitation au voyagt 
(1924) ; Denise Marette (1926) ; Le secret d’Arvers (1927). 

Baur . 

6° J e a n Mare, Fransch dichter van de zgn. 
neo-Klassieke richting, die in Les g u ê p e s, het 
door hem gestichte satirisch tijdschrift (1909 vlg.), 
een tijdlang haar strijdorgaan had, en ten slotte opging 
in de > A c t i o n francais e. *4 Dec. 1881 
te Valence sur Rhöne, f 9 Juli 1915 in den slag te 
Carency. Bernard ’s poëzie van vóór den oorlog (Ron- 
deaux choisis, Sub tegmine fagi, 1913) koos zich 
„Catulle, Horace, Anacréon et le Virgile des Eglogues” 
tot model: rozen, wijn en zinnenroes zijn er, naast een 
zeer zuivere landschapschildering, de overheerschende 
thema’s. Maar in de eerste maanden van den Wereld- 
oorlog verdiept zich dit lyrisme tot een smachtend 
gebed (bijv. De profundis) en een gedempte, 
ernstiger levensbeschouwing. 

U i t g. : Oeuvres de J. M. B., éditées par H. Clouard 
(2 dln. Parijs 1923). — Lit. : L. Thomas in Nouvelles 
Littéraires (Oct. 1927). 

7° Pater, familienaam: Hafkenscheid. Ned. 
Redemptorist. Volksprediker, heeft een machtig 
aandeel gehad in het opwekken van het Kath. leven 
en bewustzijn in 
Nederland. *12 Dec. 

1807 te Amsterdam, 
f 2 Sept. 1865 te 
Wittem. Priester en 
dr. Theol. (Rome 
1832); Redempto- 
rist 1833. Predikte 
volksmissiën (291) 
in Ned., België, 

Duitschland, Enge- 
land, N. Amerika, 
met zóóveel talent, 
dat zelfs anders- 
denkenden hem be- 
wonderden (Evang. 

Kerkbode VI, 32 ; 

Vil, 79). 

Lit.: Lans, Leven van P. Bernard ( 4 1905) ; Het 
Kath. Ned. van 1813—1913 (I, 157 en II, 337); Neer- 
landia Cath. (fol. X, 1888). Mosmans. 



Pater Bernard. 


8° Tristan (eigenl. Paul), Fransch roman- e* 
vooral tooneelschrijver van de luchtige, ethisch dik- 
wijls gevaarlijke richting. * 7 Sept. 1866 te Besanpon. 
De geestigheid van T. B., die over onuitputtelijke* 


av. 22 


676 


Bernard — Bernardinus van Siena 


676 


humor beschikt, toont meer sympathie voor de dwaze 
dan voor de wijze maagden: het blinde toeval brengt 
de laatsten, met al haar deugd, ten val en leidt de 
wegen der eersten ten goede. Een luchthartig pessimis- 
me over de redeloosheid van alles hier beneden blijft 
de slotindruk van de meeste zijner werken. Een zijner 
hoofdtypen, Triplepatte, de held van de 
stelselmatige besluiteloosheid, welke T. B.’s hoogste 
levenswijsheid schijnt te zijn, vond ook den weg van 
de filmkunst. 

Voorn, werken. Tooneel : Le fardeau de la 
liberté (1897) ; L’Anglais tel qu'on le parle (1899) ; 
Daisy (1902); L’ardent artilleur (1905); Triplepatte 
(1905) ; Le poulailler (1908) ; Le danseur inconnu (1909) ; 
Le petit café (1911); Les petites curieuses (1920); My 
love (1922) ; Le sauvage (1931). Romans : Mémoires 
d’un jeune homme rangé (1899) ; Un mari pacifique 

S ; Deux amateurs de femmes (1908) ; Corinne et 
tin (1923' ; Féerie bourgeoise (1924), e.a. — U 1 1 g.: 
Thé&tre (5 dln. Parijs 1923 vlg.). — L i t. : L. Treich, 
L'esprit de T. B. (Parijs 1925). Baur. 

Bernard, Sint, een in 1797 opgeheven Cister- 
oiënser abdij aan de Schelde. De overgebleven monni- 
ken betrokken 1833 het voormalige Dominicanen- 
klooster > Bornhem (bisdom Mechelen) en zetten 
er het convent van St. Bernard voort. 

Bernardakes, Demettrios, ook B er- 
na r d a k is, Grieksch philoloog, * 1834 op Lesbos, 
f 1907 te Athene; studeerde in Duitschland en werd 
later professor te Athene. 

Voorn, u i t g. : Plutarchus’ Moralia (7 dln. met 
Epilogus, 1886-1896). 

Bernardes, D i e g o, Spaansch-Portugeesch 
dichter; * 1630 te Ponte do Barca, f 1605. Hij wordt 
genoemd Principe de la poesfa bucólica, en: Dulce 
cantor de Lima. Nadat hij, als kroniekschrijver, den 
gezant Pedro de Alca<jova Cameiro naar Spanje heeft 
vergezeld, neemt hij in 1578 deel aan de expeditie 
van koning Sebastiaan naar Afrika. Daar werd hij 
gevangen genomen, doch in 1681 herwon hij de vrijheid 
door de bemoeiingen van Philips II. Men vermoedt, 
dat de Portugeesche dichter Luis de Camoens aan B. 
eenige werken ontstal. In ieder geval staat vast, dat 
Camoens hem, zoowd als Theocritus, den Griekschen 
schepper van het pastorale genre, imiteerde. B. munt 
uit door zuiverheid van gevoel en uitdrukking, en 
helderheid van denkbeelden. 

Voorn, werken: Varias rimas ao bom Jesus e 
a Virgem gloriosa (1594); Santa Ursula, OLyma(1596); 
Rimas varias, Flores do Lima (1597) en verschillende 
Spaansche gedichten. Borst. 

Bcrnardin dc St. Pierre, > Saint-Pierre. 
Bernardinus a Piconio (Bemardin de Picquig- 
ny), Kapucijn, Fransch exegeet en schrijver over ascese. 
Het kenmerk zijner studies over de H. Schrift is een te 
waardeeren streven naar meer moreel-practische ver- 
klaringen en toepassingen van den gewijden tekst. 

Werken: Opera omnia (Parijs 1870 — 1872) ; voor- 
naamste en zeer verspreid exegetisch werk : Triplex 
expositio epistolarum Sancti Pauli (Parijs 1703) ; voor- 
naamste ascetisch werk : La vraie manière de sanctifier 
sa vie par la préparation éi la mort (Lyon 1701 ; Latijn- 
sche uitgave van B. Kistler, Au^sburg 1703 ; Duitsche 
uitg. van E. Bierbaum, 1878). Brems. 

Bernardinus van Asti, uit den adel der De 
Palüs, Kapucijn; 2e stichter der Kapucijner Orde. 
* te Asti, f 1664. In 1634 ging hij van de Observanten 
naar de Kapuc. over en was daar procurator en vicaris- 
generaal. 

Bernardinus van Feltre, Zalige, Minder- 


broeder, * 1439, f 1494. Volksmissionaris en vasten- 
prediker in Italië. Was vooral bedacht op den nood 
van het volk en heeft zich bijzonder verdienstelijk 
gemaakt door de stichting van zgn. „montes pietatis”, 
een soort van volks leenbanken, om het volk te bescher- 
men tegen den w T oeker. 

L i t. : D. de Kok, De Montes Pietatis, in : De Kath. 
van 1912, 1913 en 1914 (in dit laatste art. terecht critiek 
geleverd op het w r erk van Lud. de Besse) ; Arch. Franc. 
Hist. (XIX, 226 vlg.). v. d. Borne . 

Bernardinus van Fossa, Minderbroeder; 
* te Fossa, f 1603 te Aquila; ijverde voor de Obser- 
vanten; zijn kroniek (Chronica fr. min. obs., uitg. 
door Lemmens, Rome 1902) is van groote beteekenis. 

Bernardinus van Laredo, Franciscaner 
leekebroeder uit Andalusië. * 1482 te Sevilla, f ca. 1546 
aldaar. Zijn kennis der geneeskunde stelde hij in 
dienst van arme zieken. Hij was geneesheer van koning 
Jan II van Portugal en trad 1510 in de Orde der 
Minderbroeders. Hij las de middeleeuwsche mystieke 
en ascetische geschriften met wdenschappelijken zin 
en vroom gemoed; de schrijver van vsch. medische en 
ascetische werkjes. Vooral beroemd is zijn „Subsida del 
Monte Sion por la via contemplativa”: Opgang naar den 
berg Sion langs den weg der beschouwing, dat van 
1636-1617 zesmaal herdrukt werd. Voorde H. Teresia 
was dit w’erk een eerste hooggewaardeerde gids in 
haar opgang naar het beschouwend leven. Zij vond 
daarin ook de grondgedachte van haar hoofdwerk: 
Het Kasteel der Ziel. 

L i t. : E. A. Peers, Spanish Mysticism, a preliminary 
survey (Londen 1924) : R. Hoomaert, S. Térèse éctivain 
(1922, 360-374). J. v. Rooij. 

Bcruarcliuus van Portuflruaro (familie- 
naam Dal V a g o), Minderbroeder, * 1822, f 1895. 
Was van 1869 — ’89 alg. overste der Minderbroeders- 
orde en wordt genoemd de „restaura tore dell’ Ordine”, 
wijl hij in een zeer moeilijken tijd de kloosters, door 
secularisatie ontnomen, trachtte te herkrijgen en de 
provincies zocht te herstellen. Hij stichtte het bekende 
studiehuis S. Bonaventura te Quaracchi, het inter- 
nationale college S. Antonio te Rome en het Orde- 
tijdschrift Acta Ordinis Fratrum Minorum. Zijn 
onvermoeide werkzaamheid richtte zich vooral op de 
verdieping van het religieuze leven, het oprichten 
van Seraphijnsche colleges, den ijver voor de buiten - 
landsche missies, de bevordering der studie (vooral 
Bonaventura-studie) en de verbreiding der Derde Orde 
van S. Franciscus. 

Lit. : I. Beschin, II Servo di Dio Padre B. de Porto- 
gruaro (2 dln. Treviso 1927) ; Coll. Franc. Neerl. (1 1927, 
389 vlg.). v. d. Borne . 

Bernardinus van Siena, Heilige, Minder- 
broeder, * 1380, f 1444. Beroemd volkspredikant uit 
den tijd van het Humanisme. Met sommigen dezer 
richting stond hij in connectie en in zijn preeken wist 
hij het goede ervan te waardeeren, ofschoon hij gelijk 
zijn ambtgenooten fel de extravaganties bestreed. Zijn 
preeken bevatten rijke gedachten; de Italiaansche 
zijn van letterkundige waarde om de levendige schil- 
dering, de Latijnsche zijn meer materiaalverzameling. 
B. was een vurig ijveraar voor de hemieuwingsrichting 
(de zgn. Observantie) in zijn Orde en stond eenigen 
tijd aan het hoofd ervan. Met zijn leerling, den H. Joan- 
nes van Capistrano, ijverde hij voor de vereering van 
den naam Jesus, wat hem in veel moeilijkheden bracht: 
zijn streven werd echter door de pausen Martinus V 
en Eugenius IV goedgekeurd. 


677 


Bernardinus van Uden — Bernardus 


678 


B. wees op het belang der gezonde beginselen in de 
ascese; zonder de principes ooit prijs te geven, waar- 
schuwde hij voor overdrijving. Ofschoon als Observant 



VM Bernardinus van Siena. 
„Schrotblatt” uit het einde der 15e eeuw. 


vurig verdediger der armoede, bleef hij er zich levendig 
van bewust, dat de liefde het fundament der armoede 
moest zijn. In alles toonde hij zich een ijverig volgeling 
van Franciscus. 

U i t g. van Do la Haye (oncritisch) ; Ital. preeken 
werden uitg. door Bianchi. — L i t. : S. Franciscus 
(XVIII vlg., 1903, enz.) ; H. Hefele, Der hl. B. und die 
fraimskanische Wanderpredigt (Freiburg 1912) ; B. 
Kruitwagen, in : Neerl. Franc. (I 1914, 349 vlg.) ; M. 
Sticco, II Pensiero di S. Bern. (Milaan 1924) ; Biographie 
van Thureau-Dangin (nieuwe uitg. Parijs 1926 ; zeer 
goed). Goede bibliogr. in Lex. Theol. Kirche (II, 216). 

v. d. Borne. 

Voorstelling in de kunst. B., gekleed 
als Minderbroeder, draagt een schild of een vaan met 
Jesus’ naamcijfer: IHS in een stralengloed daar op. 
Boven het naamcijfer drie spijkers met de punten naar 
elkaar toe. Verder heeft hij een kruis, een boek, een 
model van de stad Siena en drie mijters. Ook wordt hij 
afgebeeld met een boek, waarop drie bergtopjes liggen 
met boomen en bloemen begroeid, ter herinnering aan 


zijn ijveren voor de zgn. Montes Pietatis. B. is verder 
afgebeeld als getuige van Maria ’s verheerlijking. 

Heijer. 

Bernardinus van Uden, familienaam Joan- 
nes van der Voort. Legde als custs-proo- 
vinciaal opnieuw den grondslag voor de orde der 
Kapucijnen in de Nederlanden. * 14 Sept. 1815 te 
Uden, f 25 Nov. 1854 te Velp. Eerst kapelaan te Wes- 
sem, werd hij in 1841 Kapucijn. Hij was licentiaat in 
de theologie. 

L i t. : Godsdienstvriend (LXXIII 1854, 561 vlg.). 

p. Placidu8. 

Bernardo Portinari, Italiaansch koopman te 
Brugge en beschermer der kunsten in de 15e eeuw. 

Bernardus, 1° een bisschop van Parma. 
* te Florence uit de adellijke familie der Uberti. 
In 1085 werd hij monnik in S. Salvi en bekleedde ver- 
schillende hooge ambten in de Orde. Paus Urbanus II 
benoemde B. tot kardinaal. B. was in zijn tijd de beste 
diplomaat der curie en een onverschrokken prediker. 
In 1106 besteeg hij den bisschoppelijken zetel van 
Parma, dat hem na zijn dood reeds spoedig als be- 
schermheilige der stad vereerde. 

L i t. : R. Davidsohn, Forsch. zur alt. Gesch. v. 
Florenz (1897, 66-68) ; N. Pelicelli (Parma 1923). 

J. v. Rooi#. 

2° Heilige, Cisterciënser, abt van Clairvaux, 
kerkleeraar (Doctor Mellifluus, ultimus inter Patres). 
Ofschoon het predikambt niet tot de taak zijner Orde 
behoort, is B. zoowel in als buiten het klooster een 
roemrijk prediker geweest, wiens preeken tijdgenoot 
en nageslacht onverminderd bleven bekoren en stich- 
ten. Zijn theologie onderging den invloed van zijn rijk 
en warm gemoed en is doordrongen van den geest des 
gebeds. Zijn godsvrucht tot Maria is mede een zijner 
kenmerkende eigenschappen. Onuitputtelijk is hij in 
lofprijzingen van de Theotokos, die vol van genade 
(plena sibi, nobis superplena et supereffluens) ons door 
God als middelares gegeven is en met haar Zoon mag 
meewerken aan onze Verlossing. Zijn „Memorare* 5 
bleef er de door de Kerk en het geloovige volk over- 
genomen belijdenis van. Zijn mystiek is het best 
ontwikkeld in zijn: De diligendo Deo (causa diligendi 
Deum, Deus est; modus sine modo diligere) en zijn 
preeken over het Hooglied, waarin hij zijn mystiek 
huwelijk met Christus viert: de menschheid van het 
Woord had zijn ziel een „groote en zoete wonde” 
geslagen. > Bernardijmche mystiek. B.’s werken 
bleven tot heden vruchtbaar voor het Kath. leven, 
en een vindplaats voor de liturg, teksten van de 
nieuwste feesten (H. Hart, diverse Mariafeesten, 
St. Joseph). J. Sassen . 

* 1090 te Fontaines bij Dijon, f 1153; 1173 heilig 
verklaard. Feestdag 20 Aug. In 1112 trad hij met 
30 gezellen te Citeaux in, en werd 3 jaar later reeds 
door abt Steph. Harding met de stichting van Clair- 
vaux belast, vanwaar voor zijn dood nog 68 andere 
dochterhuizen uitgingen. Gaarne had de Heilige in de 
stilte van het klooster geleefd, maar zijn buitengewone 
gaven van wijsheid, heiligheid en welsprekendheid 
verwierven hem spoedig een invloed, waarvan de 
pausen zich tot heil der Christenheid zoowel van het 
Oosten als van het Westen wisten te bedienen. De 
eenheid der Kerk ging hem bovenal ter harte. Grooten 
invloed oefende hij uit op het kloosterleven van zijn 
tijd; zelfs Cluny kon er zich niet aan onttrekken. 
Gedurende het schisma (1130 — ’38) deed hij veel om 
Innocentius als rechtmatigen paus te doen erkennen. 


679 


680 


Bernardus Guidonis — Bernardus van de H. Tkeresia 


Niet minder gingen hem de waardigheid en heiligheid 
van het pausschap ter harte (De consideratione). 
Herhaaldelijk trad hij uit blakende liefde tot de waar- 
heid tegen dwaalleeraars op: tegen Abelard, die op het 
Concilie van Sens werd veroordeeld (1140), tegen Pierre 
Bruys en de Henricianen, wier verderfelijken invloed 
hij in Z. Frankrijk tijdelijk tegenhield (1145), tegen 
Gilbert de la Porrée op het Concilie van Reims (1148). 
Ook nam hij om dezelfde beweegredenen en wegens de 
gevaren voor de Christenheid een zeer werkzaam aan- 
deel in de prediking van den tweeden Kruistocht 
(1146—1147). Gelouterd door velerlei beproevingen 
ontsliep hij den 20en Aug. 1153. 

Werken. Zijn geschriften, te talrijk om hier af- 
zonderlijk op te noemen en waaruit een innige vroom- 
heid spreekt, zijn vnl. preeken, o.a. op het Hooglied, 
en tractaten over theologische onderwerpen, waaronder 
het boek De Consideratione, gericht aan een geliefd 
leerling, paus geworden onder den naam van Eugenius 
III. Zie Migne P. L. (CLXXXII— CLXXXV). — Li t. : 
L. Janauschek, Bibliographia Bernardina, tot 1890 
(Weenen 1891) ; E. Vacandard, Histoire de S. Bernard 
(2 dln. Parijs 4 1910) ; Saint Bernard et son temps, 
Recueil de mémoires . . . présentés au Congrès de 
Dijon (Dijon 1928). Lindeman . 

Voorstelling in de kunst. B., gekleed 
als Cisterciënser monnik, draagt regelboek en abbatiale 
staf. Overige attributen zijn: een kruis; lijdens instru- 
menten (Rosweyden); een hond; drie mijters en een 
bisschopsstaf, naast hem op den grond liggend; een 
banderol en zegel (Bemarduszegel). Men beeldt hem 
ook af geknield biddend voor een kruis (van Loo). 
Somwijlen heeft Christus aan het kruis de armen daar 
van losgemaakt en omarmt B. Of wel, terwijl hij zijn 
homilieën schrijft, verschijnt hem de H. Maagd, 
omgeven door engelen. Bij Murillo toont Maria aan B. 
haar ontbloote borst. Verder heeft men uit zijn leven 
verschillende gebeurtenissen in beeld gebracht. Zie 
pl. t/o kol. 513. Heijer. 

St. Bernardus in de literatuur. Van 
St. Bernardus werden in het Mnl. vertaald Ser- 
moenen, gedeeld in winterstuc en somerstuc: 
nog uit verschillende hss. en fragmenten bekend, en in 
1484 en 1485 te Zwolle bij Peter van Os gedrukt. 
Aangehaald, reeds door Hadewych, in sermoenen, 
ascetische schriften, zedenwerken, als bij Jan Praet, 
waren „leren” (Vaderlandsch Museum, 1858), gebeden, 
contemplacies over den zoeten Naam Jesus (uit het : 
Jesu, dulcis memoria, van hem?), uittreksels uit 
zijn commentaar op het Hooglied, op het evangelie 
Missus est, vooral verspreid. Ook een leven van hem is 
vertaald geworden. Op zijn naam gingen nog: Onser 
liever Vrouwen souter ; boecxken van verduldich lijden, 
een compilatie; van den hcmelschen wijngaert, de 
vitis mystica van den H. Bonaventura; de epistel tote 
Raymonde, hoe men een huus regeeren sal. 

V. Mierlo. 

3° Bisschop van Hildesheim gedurende de jaren 
1130 — ’63. Hij bouwde verschillende kloosters 

en kerken, o.a. de Godehardi-kerk, een juweel van 
Romaansche bouwkunst. In deze kerk werd B. begra- 
ven. Het volk vereerde hem als Zalige en wonder- 
doener. In de Orde der Benedictijnen wordt hij als 
zoodanig vereerd. Feestdag 20 Juli. 

4° Kluizenaar, > Wenden (Missie). 

Bernardus Guidonis, Dominicaan, geschied- 
schrijver en inquisiteur in de provincie Toulouse 
(1307 — ’24). * ca. 1260 te Royères (Limousin), f 30 
Dec. 1331 te Lauroux. Hij trad streng doch rechtvaar- 


dig op als inquisiteur, zooals blijkt uit zijn: „Practica 
(contra infectos labe) haereticae pravitatis”. Van zijn 
andere werken is o.a. bekend: „Catalogus brevis ponti- 
ficum Romanorum et imperatonim”. 

L i t. : A. Bigelmair in Lex. Theol. Kirche (II, 203). 

Koeken. 

Bernardus Syl vestris, of B. van Tours, 
Scholasticus, midden 12 eeuw. Hij schreef een De 
universitate mundi, sive Megacosmos et Microcosmos, 
een allegorisch mythische natuurphilosophie in 
proza en verzen, pantheïstisch getint en steunend op 
den Timaeus-commentaar van Chalcidius, een Ars 
dictaminis, over proza en poëzie en de vermenging 
van beide, een philosophisch bedoelden commentaar 
op de Aeneïs, waarbij hij putte uit Macrobius, Martia- 
nus Capella en Fulgentius Mythographus en dwaze 
woordverklaringen geeft. Wordt soms verward met 
Bernard van Utrecht. 

L i t. : Manitius Gesch. d. lat. Liter. d. Mittelalters 
(III 1931, 205-209). F. Sassen/ Fr anses. 

Bernardus Tolomco (Ptolomaeus), Geluk- 
zalige, stichter der Olivetijnen. * 1273 te Siena, f 1348. 
Feestdag 21 Aug. Hij voelde zich reeds jong tot het 
kloosterleven aangetrokken, maar door den tegenstand 
zijner familie moest hij zijn plan opgeven. Hij bekleed- 
de voorname posten in het stadsbestuur van Siena, 
waarna hij zich in 1313 terugtrok in een wildernis nabij 
zijn vaderstad. Hij stichtte er een klooster, waar bij- 
zonder de devotie tot de H. Maagd bloeide. De con- 
stituties, gebaseerd op den Benedictijner Regel, werden 
in 1319 door Guido, bisschop van Arezzo, goedgekeurd. 

L i t. : Acta S.S. Aug. (IV 1739, 464) ; Maréchaux, Vie 
du Bienheureux Bernard Tolomei (Parijs 1898). 

Lindeman. 

Bernardus van Ander matt, familienaam 
Eduardus Kristen. Als minister -generaal 
(1884^-1908) breidde hij de > Kapucijner Orde, en 
vooral hare missiegebieden zeer uit. * 23 Juli 1837 
te Andermatt, f 11 Maart 1909 te Ingenbohl. Hij 
schreef: Leben des H. Franciscus v. Assisi (Innsbruck 
1899), in verscheidene talen vertaald; verder talrijke 
brieven enz. in Analecta O.M. Cap. (begonnen in 
1884). In 1908 tot titulair aartsbisschop van Stauro- 
polis benoemd. 

Lit. : Analecta O.M. Cap. (XXV Rome, 113, 151 
vlg.). p. Placidus. 

Bernardus van Breitenbaeh, kanunnik uit 
Mainz, f 5 Mei 1497, bekend door zijn reis naar het H. 
Land in 1483, welke door Martinus Röth in het Latijn 
werd opgeschreven en door zijn reisgezel, den litrecht- 
schen schilder Erhard Rewich, met waardevolle hout- 
sneden verlucht. Dit werk beleefde een groot aantal 
uitgaven. 

Lit.: Röhricht, Deutsche Pilgerreisen nach dem 
hl. Lande (Innsbruck 2 1900). J . v. Rooij. 

Bernardus van Cluny , of M o r 1 a n e n s i s 
(= Morlaix, Bretagne ?), Benedictijn te Cluny, onder 
Peter den Eerbiedwaard igen (1122 — ’56), satirist en 
dichter (De contemptu mundi), schrijver van de 
Consuetudines Cluniacenses. 

Lit.: Morin, Revue des Questions Hist. (XL 1886, 
603-613) ; Hurter, Nomenclator litterarius (II, 7). 

Bernardus van Corleone, Zalige broeder 
Kapucijn. * 6 Fcbr. 1605 te Corleone, f 12 Jan. 1667. 
Feestdag 19 Januari. 

Bernardus van de II. Theresia (Jean du 
Val), Karmeliet, bisschop van Bagdad en tevens 
vicaris apostolicus van Perzië en visitator van Ktesi- 
phon. * 1597 te Clamecy (Nevers), f 11 April 1669 te 


681 


Bernardus van Menthon — Barnays 


682 


Parijs. Aldaar stichtte hij een seminarie voor Ooster- 
sche missionarissen zijner Orde, waaruit zich later het 
Parijsche miss ie -seminarie ontwikkelde (1642). 

L i t. : Bibl. Carm. (I, 285) ; Provinciae Parisiensis 
Historia (in het algemeen archief te Rome). 

J. v . Rooij. 

Bernardus van Menthon, Heilige, volgens 
de overlevering stichter van de kloosters op den 
Grooten en Kleinen Sint Bemhard. Critisch schijnt 
vast te staan, dat hij 1081 gestorven is; 1681 heilig 
verklaard: Pius XI verhief B. in 1923 tot patroon van 
de alpinisten. 

L i t. : P. A. Pidoux de Maduère, Saint Bernard de 
Menthon, 1’apötre des Alpes (Rijsel 1923). 

Th. Heijman . 

Bernardus van Officia, Zalige broeder 
Kapucijn. * 7 Nov. 1604 te Appignans, f 21 Aug. 1694. 
Feestdag 1 Sept. 

Bernardus van YVaging, Benedictijn uit de 
15e eeuw, schrijver van verschillende mystiek -asce- 
tische werken; * ca. 1400, f 2 Aug. 1472 té Bergen bij 
Eichstatt. Hij was een intieme vriend van Nicolaas 
van Cusa, met wien hij een belangrijke briefwisseling 
onderhield over mystiek en kloosterhervorming. In 
zijn Defensorium et laudatorium der ignorantia 
verdedigt hij de docta ignorantia van Nic. van Cusa. 
Ue meeste van zijn mystieke ascetische en liturgische 
werken zijn in handschrift bewaard te München, 
Melk en Weenen. 

L i t. : Beitr. zur Gesch. der Philos. und Theol. des 
Mittclalters (XIV nr. 2-4) ; V. Redlich, Tegernsee u. 
die dtsch. Geistesgeschichte (1930). J. v. Rooij. 

Bernardusbroeders, een chiliastische sekte, 
gesticht door Bemhard Müller, (* ca. 1780 te Kosheim 
bij Mainz, f ca. 1840 in Amerika). Reeds in zijn jeugd 
had Müller zgn. openbaringen en in 1815 werd hij door 
de ideeën van Pöschls te Salzburg beïnvloed. Hij hield 
zich voor den „tweeden Johannes den Dooper”en 
leerde, dat het duizendjarig rijk op komst was. Müller 
had vele aanhangers zelfs in invloedrijke kringen; 
de groothertog van Hessen-Darmstadt verhief hem 
in den adelstand (baron von Proli of Broli). Door 
geestelijke en wereldlijke overheden achtervolgd, ver- 
trok hij in 1831 met 46 volgelingen naar Amerika. De 
sekte bestaat tegenwoordig niet meer. 

L i t . : A. Fr. Ludwig, Die chiliast. Bewegung in 
Franken und Hessen in 1. Drittel des 19. Jahrh. (1913). 

J. van Rooij. 

Beriiarclusbrood, St., wordt gewijd onder aan- 
roeping van den II. Bernardus van Clairvaux, patroon 
tegen rheumatische pijnen en sommige veeziekten, 
o.a. te Hoeven bij Oudenbosch (N.Br.) op 20 Augustus 
en de drie volgende Zondagen. Ook op plaatsen in 
België bestaat het gebruik; Lier heeft zijn Bemardus- 
bedevaart naar de kerk van de oude abdij van Naza- 
reth, waar het volk zich op de onafscheidelijke kermis 
tevens te goed doet aan de Bemardusvlaaien. 

L i t. : J. H. Nannings, Brood- en gebakvormen en 
hunne beteekenis in de folklore fblz. 140, 141). 

Knippenberg. 

Beruarduskazuifel, moderne, onjuiste naam 
voor den kazuifelvorm der M.E. 

Bernardus valles. Bernardus valles, montes 
Benedictus amabat, oppida Franciscus, celebres Do- 
minicus (Ignatius) urbes (Lat.) = De Bemardijnen 
bewonen bij voorkeur valleien, de Benedictijnen ber- 
gen, Franciscanen stadjes, Dominicanen (Jezuïeten) 
groote, beroemde steden. 

Bemardijnen, > Cisterciënsers. 


Bernard ijnsche mystiek. Hieronder verstaat 
men een bepaalde richting in de mystiek, volgens de 
leer van Sint Bernardus over de mystieke vereeniging 
van de ziel met God, zooals hij die voornamelijk heeft 
ontwikkeld in zijn Preeken over het Hooglied. Ber- 
nardus geeft geen afgerond logisch systeem, maar 
uitgaande van eigen innerlijke ervaring en die van 
anderen, steunend op de H. Schrift (vooral St. Paulus), 
Augustinus en Gregorius den Grooten, beschrijft 
hij, hoe de ziel door vele oefeningen en verstervingen 
zich waardig moet maken om als bruid in de meest 
innige vereeniging met den Bruidegom, het Woord 
Gods, de geestelijke liefdesgeneugten van het mystieke 
huwelijk te smaken. 

Bij deze één -wording van schepsel en Schepper 
wijst St. Bernardus uitdrukkelijk alle gedachte aan 
pantheïsme af. Zeer terecht wordt hij de vader van 
de Christus- en Bruidsmystiek genoemd. De liefde 
is het alles overheerschend element. Dit verbonden 
met een sterk persoonlijken inslag, een zoetheid en 
zachtheid van uitdrukking en voorstelling, geeft aan 
zijn werken een sterk-affectieve kleur, een eigen 
bekoorlijkheid, waardoor hij een grooten invloed heeft 
uitgeoefend op de ontwikkeling van het geestelijk 
leven tot op onze dagen, vooral in deze streken door 
de Cisterciënser Orde in de 12e en 13e eeuw, bijzonder 
de Begijnenbeweging. Bijna alle volgende theologen, 
predikers, ascetische en mystieke schrijvers ondergaan 
min of meer zijn invloed of putten uit zijn werken 
begeesterende gedachten, beelden of uitdrukkingen. 

De intellectualistische school van Eckhart vormt 
wellicht de meest scherpe tegenstelling t.o.v. de 
Bernardijnsche mystiek. 

L i t. ; J. Ries, Das geistl. Leben nach der Lehre 
des hl. Bern. (1906) ; J. Bernhart, Eckhartische u. 
Bernhardische Mvstik in ihren Beziehungen u. Gegen- 
s&tzen (1911) ; R. Linhardt, Die Mystik des lil. B. v. 
C. (1924) ; P. Pourrat, La Sqiritualite chrétienne (II, 
29 — 116); uitgebreide lit.opgave in Lex. f. Theol. u. 
Kirche (s.v. Bemhard v. Clairvaux). J. v. Rooij. 

Bcrnauer, A g n e s, de dochter van een bar- 
bier uit Augsburg; zij trok de aandacht van hertog 
Albrecht III van Beieren, die in 1432 in het geheim 
met haar in het huwelijk trad. Tijdens de afwezigheid 
van Albrecht liet diens vader hertog Ernst zijn schoon- 
dochter wegens tooverij aank lagen en bij Straubing 
in den Donau verdrinken (1435). Het droeve lot dezer 
vrouw maakte veel indruk op het volk, leefde nog lang 
in diens herinnering voort en bleef altijd een dank- 
bare stof voor drama’s en volksliederen. Bijzonderen 
opgang maakte Fr. HebbeFs ,,Agnes Bernauer”. 

Wachters. 

Bcrnay, arr. -hoofdstad van het dept. Eure (49° 
5' N., 0° 40' O.); 7 590 inw. (1926); linnen- en laken- 
industrie; handelsstad; paardenmarkt; kerk (Ste 
Croix) uit de 14e — 15e eeuw. 

Bernay, Alexandre de, vervaardiger van 
den grooten Franschen Alexanderroman in twaalf- 
lettergrepige verzen, waarvan hijzelf de eerste en vierde 
branches dichtte, de overige twee overwerkte en den 
samenhang verzekerde; vóór 1177. 

U i t g. : H. Michelant (Stuttgart 1846). V. Mierlo . 

Bernays, 1° I s a a k, klassiek philoloog en 
hoogleeraar te Breslau, te Bonn, later weer te Breslau. 

* 1792, f 1849. Bestudeerde inzonderheid Lucretius 
(uitg. 1852) en, in verband daarmede, de Grieksche 
wijsbegeerte te Rome; verder leverde hij tal van bij- 
dragen tot de kennis der oude denkers en de gods- 


683 


Bernburg — Berners 


684 


dienstgeschicdenis (o.m. over de kathars is -theorie bij 
Aristoteles, den Pseudo-Phocylides, het tractaat van 
Theophrastus over de Godsvrucht, enz.). Zijn werken 
zijn van Joodschen geest doordrongen. V. Pottelbergh. 

2° M i c h a ë 1, Duitsch Germanist en beoefe- 
naar van de vergelijkende literatuurwetenschap. * 27 
Nov. 1834 te Hamburg, f 25 Febr. 1897 te Karlsruhe. 
B. legde de grondslagen van de > Goethe-philologie 
en stelde in vele kleinere monographieën de metho- 
denleer op voor de wetenschappelijke letterkundige 
historiographie. 

Hoofdwerken: Ueber Kritik und Geschichte 
des Goetheschen Textes (1866) ; Der junge Goethe 
(3 dln. 1875) : J. W. Goethe (in Allgem. Deutsche Biogr. 
1880) ; Schriften zur Kritik und Literaturgeschichte 
(4 dln. 2 1903). — L i t. : E. Schmidt, in Allgem. D. 
Biogr. (XLVI 1902). Baur. 

Bernburg, stad in den vrijstaat Anhalt aan 
de bevaarbare Saaie; ca. 35 500 inw. Metaalin- 
dustrie. In de omgeving komen zoutlagen voor, 
die een kali- en soda-industrie in het leven riepen 
(Deutsche Solvay Werke A.G.); het zout wordt ook 
aangewend voor zoutbaden (sterk geconcentreerd, 
31%) en modderbaacn. Behandeling van rheuma, 
vrouwenziekten, kinderziekten. Lips. 

Bernburgcr stijl is een stijlrichting, welke 
vooral aan den da" treedt in de voorhistorische Noord - 
Duitsche ceramieK uit do Neolithische periode. Hij 
wordt genoemd naar de vindplaatsen bij Bernburg 
(onderloop der Saaie). Kenmerken dezer ceramiek: 
schaalfijne bouw, glad, meestal zwart, soms rood of 
geelachtig oppervlak, ingegrifte, rechtlijnige versie- 
ringen, breede vormen (potvormige vazen met wijden 
mond, schotels en kannetjes). 

Lit.: Ebers, Reallexikon der Vorgeschichte (I 1924, 
428 vlg.). Knipping. 

Berndtson, Gunnar Fredrik, Finsch 
schilder en teekenaar. * 1854 te Helsingfors, f 1895. 
Studeerde te Parijs (1876), bereisde Egypte. Zijn 
kracht ligt in impressionistisch genrewerk, land- 
schappen, stillevens en portretten. 

Berne, abdij van, Heeswijk. 

Berncau, gem. in de prov. Luik, ten O. van 
Verviers; opp. 317 ha, 460 inw.; Berwinne-rivier; 
landbouw; kasteden van B. en Longchamps; B. werd 
vernietigd in 1914. 

Berner, > Bemer van Nijvel. 

Berner Alpen, het deel der W. Alpen, dat ligt 
binnen het kanton Bern. De smalle Westelijke keten 
van Diablerets tot aan denGemmi-pas behoort geheel 
tot de Kalkalpen-zone. Oostelijk van Balmhorn ver- 
smalt zich deze gordel van Jurakalkgesteentcn ; Eiger 
(3 975 m), Wetterhorn (3 703 m) en Blümlis-alp 
(3 661 m) hooren er toe. Hoog in het gebergte loopt de 
scheidingslijn met het in het Z.O. aansluitend Aar- 
massief, dat uit graniet en gneis is opgebouwd. De 
hooge toppen van dit gebergte, Finsteraarhom (4 276 
m), Schreckhorn (4 080 m), Jungfrau (4 166 m), 
Mönch (4 170 m), en die van de Westelijke B.A., 
Balmhorn (3 716 m), Wildstrubel (3 258 m), Wild- 
hom (3 264 m), Diablerets (3 246 m), begrenzen 
het breed ontwikkelde alpiene dalsysteem van de 
Aare, een gebied, dat onder den naam Berner 
Oberland bekend is. Deze geweldige bergreuzen 
met hun eeuwige sneeuw- en ijsbedekking maken dit 
gebied tot een der schoonste en drukstbezochte deelen 
der Alpen. Centra van toerisme werden Interlaken, 
Meiringen, Grindelwald en Wengen. Zie krt. Lips. 


Berner Conventie. Er zijn drie te Bern gehou- 
den conventies op verschillend gebied als B.C. bekend. 
Deze zijn: 

1° De Berner Conventie, die de eerste overeenkomst 
was betreffende het internationale postverkeer, geslo- 
ten te Bern 1874; gewijzigd door latere verdragen, 
vooral door het verdrag de „wereldpostvereeniging” 
van 26 Mei 1906 te Rome. •> Postwezen. 

2 De Berner Conventie in zake auteursrecht. Deze 
werd 9 September 1886 te Bern (Zwitserland) gesloten 
onder den naam „Union intern, pour la protection des 
oeuvres littéraires et artistiques” en was voorbereid 
door een te Parijs gevestigde vereeniging met gelijk 
doel. Dit doel is wederzijdsche erkenning van het 
auteursrecht. Aangevuld in 1896 te Parijs, verdere 
wijzigingen in 1908 te Berlijn en in 1928 te Rome 
(Herziene Conventie van 2 Juni 1928). Thans worden 
beschermd alle letterkundige, wetenschappelijke en 
artistieke voortbrengselen van plast ischen, muzi- 
kalen of dramatisch en aard, daaronder begrepen 
vertalingen, reproducties, photographieën, films en 
bouwwerken. Met het auteursrecht is het vertaalrecht 
gelijkgesteld. De bescherming, die de auteur in eigen 
land geniet, wordt gedurende 50 jaar in alle aange- 
sloten staten gewaarborgd, tenzij het land van oor- 
sprong een korteren termijn heeft. De auteur heeft 
het uitsluitend recht te machtigen tot draadlooze 
mededeeling. De bepalingen omtrent het verzenden 
van perstelegrammen namen stelling tegen invoering 
van preventieve censuur in vredestijd. Tot het sluiten 
der B.C. werkte o.a. België mede. Nederland trad toe 
in 1912. 

Lit.: J. J. Wijnstroom en J. L. A. Pcremans, Het 
Auteursrecht (Zwolle 1930). 

3° De Berner Conventie, betreffende het internat, 
goederenverkeer op de spoorwegen tusschen nagenoeg 
alle staten van het vasteland van Europa. Na den 
Wereldoorlog traden enkele staten uit, doch bij bijzon- 
dere verdragen onderwierpen zij zich later opnieuw' 
aan de voornaamste bepalingen. De overeenkomst 
regelt op grondslag van een directen vrachtbrief, door 
eenvormige voorschriften, het goederen -transito-ver- 
keer op de spoorwegen tusschen de grondgebieden der 
toegetreden staten. De overeenkomst van vervoer 
komt tot stand door de aanneming van het te vervoe- 
ren goed met den vrachtbrief. Vonnissen, gewezen 
door een krachtens de overeenkomst bevoegd verklaard 
rechter, hebben rechtskracht in alle toegetreden staten 
(art. 56). Bij dit tractaat worden betreffende het inter- 
nat. goederenverkeer internat, geldende wetsbepa- 
lingen vastgelegd, w r elke zich van de afzonderlijke 
nationale wetgevingen kunnen onderscheiden. Voor- 
looper van > Codificatie Intern. Privaatrecht. Ter 
doorvoering van de B.C. zetelt te Bern een centraal 
bureau; publiceert een officieel orgaan (1893): Bulletin 
des transports internat ionaux par ehemins de fer. 

Grondtractaat gesloten te Bern 14 Oct. 1890. Ge- 
wijzigd bij de Additioneele Overeenkomsten van Parijs 
(1898), Bern (1906), Bern (1924), Bern (1932). 

Ned. Wetgeving: Bern (1924): in Wet van 30 Dec. 
1926 (Stbl. 473), K.B. 18 Mei 1928 (Stbl. 180); in 
werking 1 Oct. 1928. Bern (1932): goedgekeurd Eerste 
Kamer 3 Aug. 1933. 

Lit.: Molengraaf, Handelsrecht; C. D. Asser jr.. 
Intern. Goederenverv. langs spoorwegen, enz. (proefsohr. 
1887). Beynes. 

Berner Oberland, > Bemer Alpen. 

Berners, 1° Dame Juliana, schrijfster 















ji^!*W] 


*S&P 

^ -J3 3 . 


BERNER OBERLAND 




mom 


J2 $ 




^l J2 


o;a^ 


Ki 



687 


Berner van Nijvel— Bernhardt 


688 


van het „Book of St. Alban V’, gedrukt te St. Alban’s 
in Zuid-Engeland in het jaar 1486, herdrukt in 1496 
en ontelbare malen in de 16e eeuw. Het bestaat uit 
vier korte verhandelingen: over de valkerij, over de 
jacht, en over heraldiek, grootendeels, zoo niet geheel, 
naar liet Fransch bewerkt. Over de schrijfster is niets 
bekend; zelfs haar familienaam is onzeker; men kan 
alleen zeggen, dat zij vermoedelijk geleefd heeft om- 
streeks 1450 en misschien in het klooster van Sopwell 
bij St. Alban’s. 

L i t. : Facsimile uitg. E. Stock (1881) en W. Blades 
(1901). Zie verder Dict. of Nat. Biogr. ; E. Gordon Duff, 
The English provincial Printers (1912). Pompen. 

2° G e r a 1 d T y r w h i 1 1, lord, Engelsch 
componist, * 18 Sept. 1883. Was in de jaren 1909- — ’19 
in diplomatieken dienst en studeerde een tijdlang bij 
Strawinskij en Casella. Hij behoort tot de vooraan- 
taande moderne componisten; typeerend is het paro - 
distisch element in zijn muziek. Schreef o.a. een 
opera, een ballet, orkestmuziek, pianostukken (waar- 
onder 3 treurmarschen resp. op een staatsman, een 
kanarie en een erftante) en liederen. Reeser. 

3° Lord (John Bourchier), verdienste- 
lijk vertaler van Fransche werken in het Engelsch. 
* 1467, f 1533. Van adellijke afkomst was hij eenigen 
tijd aan het hof, en in 1520 werd hij aangesteld tot 
onder-gouverneur van Calais, waar hij ook begraven 
ligt. 

Werken: vertalingen van 7 werken, waarvan 3 
beroemd zijn gebleven in de Engelsche letterkunde : 
Froissart’s Chronicles (1523 en 1525) ; Huon of Burdeux, 
een lange Fransche romance, gedrukt 1534, opnieuw in 
1570 en 1601 ; The golden boke of Marcus Aurelius (uit 
een Fransche vertaling van Guevara’s Relox de Prin- 
cipes), gedrukt in 1534, 1539, 1542, 1553, 1557 en 1559. 

Pompen. 

Berner van IV Ij vel, kanunnik van St. Martinus 
te Luik, was met Siger van Brabant een der leiders 
van het Lat. Averroïsme en werd met hem in 1277 
na de veroordeeling van hun leer voor de Inquisitie 
gedaagd; na beroep op den paus werd B. in vrijheid 
gesteld en keerde te Parijs terug. 

L i t. : P. Mandonnet, Siger de Brabant et 1’Averroisme 
latin au 13e s. (Leuven 2 1911). \F. Sa£3en . 

Bcrnrux, Simeon Frans, Fransch mis- 
sionaris, * 1814 te Chateau-du-Loir, f 8 Maart 1866 
als martelaar in Korea. Na zijn priesterwijding was 
hij korten tijd professor in de philosophie, in 1840 ver- 
trok hij naar Tonkin. Ook Mandsjoerije en Korea 
mochten de vruchten plukken van zijn moedigen missie- 
arbeid. Het proces zijner zaligverklaring is in 1902 
begonnen. 

L i t. : A. Launay, Les Missionaires Francais en 
Corée (Parijs 1895, 113-148). J. v. Rooij . 

Bernhard, ■> Bemard(us). 

Bombard, Christoph, musicus, * 1627 
te Danzig, f 1692 te Dresden; leerling van Chr. Werner 
en Paul Siefert te Danzig; later van H. Schütz te 
Dresden. In 1649 werd hij hier zanger aan de kapel 
•n in 1665 onder-kapelmeester. De keurvorst zond 
hem tweemaal naar Rome om verder te studeeren bij 
Carissimi. Door intriges van Ital. zangers werd hij 
verdrongen en was van 1664 — 1674 cantor aan de 
Jacobuskerk te Hamburg. Daarna kwam hij weder te 
Dresden als muziekleeraar van den prins en onder- 
kapelmeester; vanaf 1681 kapelmeester tot 1688, in 
welk jaar hij pensioen kreeg. B. was in de 17e eeuw 
één der beste musici in Duitschland. 

Werken: Gedrukt werden: Geistlichc Harmonien 


(1665) ; een zangstuk voor de begrafenis van Joh. 
Rist (1667) ; Prudentia Prudentiana (hymnen, 1669). 
Eenigo cantates gaf Max Seiffert uit in Denkmaler 
deutscher Tonkunst (VI; tezamen met Cantates van 
M. Weckmann). Het grootste gedeelte van zijn com- 
posities bleef in hs., evenals zijn geschriften. — L i t. : 
Jos. Müller-Blattau, Die Kompositionslehre Heinrich 
Schützen8 in der Fassung seines Schillers Chr. B. (1926) ; 
Herm. Rauschnung, Musikgeschichte der Stadt Danzig 
(1926). Piscaer . 

Bomhard, St., naam van twee Alpen- 
passen. 1° Groote St. Bernhard, 
2 470 m, scheidt de Mont-Blancgroep van de Pen- 
ninische Alpen. De 84 km lange straatweg verbindt 
het Rhöne-dal bij Martigny met het dal der Dora 
Baltea bij Aosta. Op de pashoogte staat het beroemde 
St. Bemhards-Hospiz. De monniken hebben den 
plicht verongelukte reizigers met behulp van hun hon- 
den op te sporen. 

Van 15 tot 21 Mei 1800 trok Napoleon voor den slag 
bij Marengo met een leger van 30 000 man over dezen 
pas. 

2° Kleine S t. Bernhard, 2 188 m, 
scheidt de Savooische van de Grajische Alpen. De 
32 km lange straatweg, die Bourg St. Maurice in het 
lsère-dal verbindt met Courmayeur in het Aosta -dal, 
verloor door den aanleg der Mt. Cenis-lijn zijn betee- 
kenis. Lips . 

Bernhardi, 1° Friedrich von, Duitsch 
generaal en schrijver. * 22 Nov. 1849 te St. Petersburg. 
In 1898 werd hij chef der hist. afd. van den gen. staf; 
tijdens den Wereldoorlog als korpsoverste eerst aan 
het Oostelijk, dan, sedert 1918, aan het Westelijk front. 
Veel belangrijker was zijn invloed als militair publi- 
cist, o.m. door zijn „Deutschland und der nachste 
Krieg” (1913), waarin hij zijn land aanzette het offen- 
sief tot den oorlog te nemen om eiken inval te voor- 
komen. Werd dan ook aangezien als leider der Panger- 
manisten. 

Werken: Deutschlands Zusammenbruch (1920) ; 
Deutschlands Heldenkampf (1921). Cosemans . 

2°* Johann Jacob, Duitsch plantkundige, 
* 1774, f 1850 te Erfurt, waar hij hooglceraar in de 
plantkunde was. In zijn werken munt hij uit door 
groote zelfstandigheid. Hij beantwoordde een prijs- 
vraag van de universiteit te Göttingen over de 
natuur van cellen, vezels en vaten. Zijn terminologie 
op gebied van histologie is origineel. 

Werken: o.a. Beobachtungen über Pflanzengefasze 
(Erfurt 1805); Handbuch der Botanik (Erfurt 1630). 

Bonman . 

Bernhardt , Henriette Rosin e, zich 
noemende S a r a h, Fransch tooneelspeelster. * 22 
April 1843 te Le Havre of 22 Oct. 1844 te Parijs, f 26 
Maart. 1923. Haar moeder w*as een Holl.-Joodsche 
muziekleerares, haar natuurlijke vader een Fransch 
beambte, die de kinderen in een kloosterschool liet 
opvoeden. Na een voldoend examen aan het Conser- 
vatoire kreeg S. B. haar eerste rollen aan het Gymnase, 
de Porte St. Martin en in het „Odéon” (Les femme» 
savantes, King Lear, Ruy Bias, Le passant, Kean). 
Sinds 1872 behaalde zij in de Comédie Fran^aise schit- 
terende successen, speciaal in het klassieke en roman- 
tische repertoire (Phèdre, Zaire, Andromaque, Le 
mariage de Figaro, Ilernani). In 1880 verbrak zij haar 
contract met de Comédie en begon in hetzelfde jaar 
een tournée door Amerika, waarbij vooral La dame 
aux Camélias haar glansrol was. Teruggekeerd volgt 
een tournée door Europa. In 1882 huwde zij met den 


689 


Bernhardy— Bernini 


690 


Griek Jacques d’Amala, als toimodspeler bekend onder 
den naam Daria. In 1883 bespeelt zij de „Porte St. 
Martin”, onder directie van haar zoon Maurice Bem- 
hardt. Sardou’s La Tosca en Théodora worden dan 
nieuwe succesrollen, evenals Jeanne d’Arc van Barbier 
en Cleopatra van Sardou en Moreau. In 1888 volgt 
een tweede toumée door Amerika. De lastercampagnes, 
door afgunstige collega’s op touw gezet, waren geen 
beletsel voor haar steeds stijgenden roem. Een grooten 
triomph boekte zij in 1900 in de travesti-rollen van 
hertog van Reichstadt in Rostand ’s L’Aiglon, en als 
Hamlet. 

Als schrijfster gaf zij uit: de blijspelen: L’Epingle 
d’or, L’Aveu, Dans les nuages, Impressions d’une 
chaise. S.B. had ook talent als beeldhouwster en kreeg 
in 1876 een eervolle vermelding, doch in de eerste 
plaats heeft zij haar roem verdiend als „tragédienne”, 
waarin zij langen tijd niet geëvenaard werd. 

L i t. : J. Huret, Sarah Bernhardt (Parijs 1899) ; 
Lysiane S. Bernhardt, Le soir de la vie de S. B. (1927). 

v. Thienen. 

Bernhardy, Gottfried, Duitsch klassiek 
philoloog, * 1800 te Landsberg, f 1875 te Ha 11e; van 
1829 af professor te Halle. Bestudeerde inz. de Griek- 
sche syntaxis (Wissenschaftliche Syntax der Grie- 
chischen Sprache 1829), de geschiedenis der Grieksche 
en Romeinsche literatuur (Geschichte der Röm. Liter. 
1830; Gesch. d. Griech. Lit. 1836 — ’45). Verder be- 
zorgde B. een groote uitgave van Suidas’ Lexicon 
(1853). V. Poüelbergh. 

Bernheim , H i p p o 1 y t e, professor te Straats- 
burg, * 1873 te Mulhouse, f 1919. Is vooral bekend 
wegens zijn studie van het hypnotisme en van de sug- 
gestie. 

Berni, Francesco, Italiaansch dichter, 

* 1497 te Lamporecchio (Toscana), f 26 Mei 1535 te 
Florence. Zijn hoofdwerk is zijn „rifacimento” of 
verwerking van > Boiardo’s Orlando innamorato 
(1541), maar zijn roem heeft hij te danken aan zijn 
burlesk -satirische sonnetten en „capitoli”, die van 
geestigheid overstroomen en in het zuiverste Floren- 
tiinsch geschreven zijn. Berni is de meester van den 
dichttrant, die daarna „poesia bemesca” genoemd 
werd. Als Latijnsch dichter heeft hij zich ook ver- 
dienstelijk gemaakt. 

Werken: Berni’s Italiaansehe gedichten zijn, met 
andere van zijn tijdgcnooten (della Casa, Molza, Mauro 
enz.), bewaard gebleven in de verzameling Opere bur- 
lesche (Florence 1548). Zijn Latijnsche gedichten werden 
opnieuw uitgegeven door A. Virgili, onder den titel 
Rime, poesie latine, lettere (Florence 1885). — Lit.: 

A. Virgili, Francesco Berni (Florence 1881.) TJlrix. 

Bernieien, door Woodward ingevoerde benaming 

voor de steriele lagen der Carboonformatie, gelegen 
onder het Productief Carboon. De naam B. is in on- 
bruik geraakt en vervangen door Dinantien. 

Bern icki (Branta bemicla), > Rotgans. 

Bern Ier, 1° Armand, Fransch -Belgisch 
dichter van expressionistische lyriek, die graag den 
weemoed bezingt van een groote -stadsjeugd in haar 
trek naar het verre, avontuurlijke, ethisch -gevaarlijke. 

* 1902 te Braine-l’Alleud. 

Werken: Portes obliques ; Carroussel d’ennui 
(1932). — Tijdschrift: L’Avant-Poste. Baur. 

2° C 1 a u d e, Jezuïet (1617), Fransch mysticus; 

* 9 Jan. 1601 te Orléans, f 17 Juni 1654 te Amiens. 

B. doceerde Latijn aan verschillende colleges, was 
later biechtvader van de hertogin d’Elbeuf, en geeste- 
lijke leider der fraters-studenten. Hij leidde een leven 


rijk aan mystieke begenadiging, maar werd door 
zijn omgeving niet steeds begrepen. 

Lit.: Zeitschr. ftir Asz. und Myst. (II 1927, 155-164). 

J. v . Rooij . 

3° Etienne Alexandre, pastoor te 
Angers, * 1762 te Daon, f 1806 te Parijs. Insermenté, 
veel invloed op de leiders van den Vendée-oorlog; 
reorganiseert dien na 1794 met Stofflet; heersch- 
zuchtig en listig, maar ook veel belasterd. Na bru- 
maire biedt hij Napoleon zijn diensten aan; pacifi- 
ceert de Vendée; toont zich als onderhandelaar van 
het concordaat een ijverig dienaar van Nap.; 1802 
aartsbisschop van Orleans. V. Claassen. 

4° J e h a n, > Jehan Bemier. 

Bernières, C 1 a u d e, pseud. van Mme. 
L o u f , Fransch-Belgische schrijfster van Katholieke 
inspiratie. * 1894 te Swevezeele bij Brugge. 

Werken: Le visage des heures (gedichten, 1922) ; 
Le villago dans les yeux (roman). 

Bern ina -Alpen, Zuid-Westelijk deel van de 
Rhatische Alpen, tusschen Oberengadin en Veltlin. 
De Oost-Alpen bereiken hier hun grootste hoogte in 
de Piz Bernina (4 052 m); andere bergtoppen zijn de 
Piz Zuppo (3 999 m), de Piz Roseg (3 943 m), de Piz 
Palü (3 912 m) en de Piz Morteratsj (3 754 m). Het 
geheele massief, dat uit graniet, gneis, syeniet en 
kristallijne leien is opgebouwd, draagt groote gletsjers, 
waaronder de Morteratsj-, Fomo-, Roseg-, Tchiewa- 
gletsjer aan de N. afhelling, de Palü-gletsjer aan de 
O. helling. Van den Maloja-pas voert de Muretto-pas 
(2 557 m) dwars door het massief naar Italië. Aan de 
Oostzijde ligt de Bemina-pas (2 330 m), waarover een 
weg werd aangelegd. De Bernina-spoorweg gaat van 
St. Moritz naar Tirano. De lengte bedraagt 60 km; 
het hoogste pimt ligt 2 256 m boven zeeniveau. Deze 
spoorweg werd aangelegd van 1907 — 1910 en kostte 
in totaal 15 millioen frs. Lips. 

Bcrninck, Henr., Minderbroeder. Als eerste 
gardiaan van het Observantenklooster te Leiden 
onderteekende hij de overeenkomst met het stadsbe- 
stuur (evenzoo te Antwerpen in 1450). 

Lit.: Colleet. Franc. Ncerl. (11^1931, 156). 

urn .. av -v -t— rr t i 

Bernini, 1° G i a n L o r e n z o, zoon van Pietro, 
Italiaansch bouwmeester, beeldhouwer en schilder, 
* 7 Dec. 1598 te Napels, f 28 Nov. 1680 te Rome. 
Als beeldhouwer leerling van zijn vader; res- 
taureerde antieke beelden (Liggende Hermaphrodiet: 
Parijs, Louvre). Zijn eerste groote opdrachten kreeg hij 
van kardinaal Scipio Borghese: standbeelden, busten 
en groepen, nu in de villa Borghese op den Pincio. 
Evenals Michelangelo was hij een bewonderaar van de 
Hellenistische en laat-Romeinsche portretkunst (de 
Laöcoön -groep). In zijn: David, Roof van Proserpina, 
Aeneas en Anchises, Apollo en Daphne (geïnspireerd 
op een torso, vroeger tot de collectie Borghese behoo- 
rende, nu in Berlijn) breekt hij allengs met de vormen 
van het Cinquecento. Zie plaat bij art. > Barok. 

Als bouwmeester studeerde hij de monu- 
menten van het Romeinsche keizerrijk en van Michel- 
angelo. Nadat hij voor paus Urbanus VIII een begin 
had gemaakt aan den baldakijn van Sint Pieter (1624), 
werd hij benoemd tot hoofd-architect van St. Pieter 
en bleef sindsdien meer bouwmeester dan beeldhouwer 
(liet de in grove lijnen uitgestippelde beelden door zijn 
leerlingen uitvoeren). In 1639 huwde hij met Catherina 
Tazio, dochter van den procureur van het pauselijk 
hof. Bij den opvolger van Urbanus, paus Innocentius X, 
stond B. aanvankelijk niet zoo in de gunst, werd zelfs 


691 


Bernini 


692 


van het hof verwijderd. Als symbool dezer miskenning 
beeldhouwde hij de: Waarheid door den Tijd ontsluierd. 
Na den bouw van de Cappella Comari in de S. Maria 
dellaVittoria (waarin de beroemde extase derH.There- 
sia) herwon hij ’s pausen gunst (1647) en maakte met 
hulp van leerlingen de: Fontein der Vier stroomen 
(voorst, van de vier groote wereldstroomen: den Nijl, 
Donau, Ganges en Rio de la Plata). Na 1653 wijdde 
hij zijn beste krachten aan de voltooiing en decoratie 
van den Sint Pieter, waarmee hij onder Alexander VII 
doorging. De meest belangrijke werken daaruit zijn 
de versiering van de langzijde der basiliek en de colon- 
nade om de Piazza del Popolo (in den geest der omslui- 
ting van de keizerfora), een voorbeeld voor de colonna- 
de van St. Pieter. Zijn architectuur draagt de volgende 
kenmerken: zij streeft naar organischen opzet der massa 
en contrastrijke lichtwerking (clair-obscur, naar het 
voorbeeld van Michelangelo), de versiering wordt 
woelig en krullend (naar het voorbeeld van de bouw- 
kunst van het keizerlijke Rome der 2e en 3e eeuw na 
Chr.). De lichtwerking tracht hij door het gebruik van 
verschillend gekleurde marmersoorten, door vergul- 
den en afwisseling met brons nog te versterken. Met 
den bouw van het Palazzo Chigi (nu Odescalchi) 
levert hij het voorbeeld van een Barok-paleis: hij 
breekt met het eentonige lange front, doch plaatst 
op een hoog onderstuk, waarin hij pylonen in den vorm 
van rotsen aanbrengt, twee verdiepingen binnen hooge 
rijen Korinthische pilasters en zet de derde verdieping 
in een lijst. In navolging van het Colosseum versiert 
hij den gevel van liet Palazzo Barberini met de boven- 
elkander-plaatsing van drie rijen zuilen, elk van ver- 
schillende bouworde (Dorisch, Jonisch en Korin- 
thisch). Naar het voorbeeld van het Pantheon zijn zijn 
kerken concentrisch of (om de dieptewerking te ver- 
sterken) ovaal gebouwd. Bij de versiering streeft 
hij naar organisch verband van ornament en muur- 
massa. Tegenover de fonteinen der Renaissance ver- 
toonen de zijne meer een constructie in de breedte, 
terwijl niet een dunne waterstraal ergens aan het 
beeld ontspringt, maar breede watermassa’s organisch 
uit de beelden in een breed, tot den rand gevuld bekken 
vloeien. Met het monument van zuster Maria Raggi 
(S. Maria sopra Minerva) schept hij de Barokke graf- 
tombe: om het medaillon, waarin de portretbuste, 
slingert hij breede lappen marmer, die door een denk- 
beeldigen windstoot opwaaien. Zijn naam dringt door 
tot in Engeland — voor Karei I 'maakt hij naar drie 
hem toegezonden portretten, door Van Dijck geschil- 
derd, een buste — en Frankrijk — de buste van 
Richelieu naar drie schilderijen van Philippe de 
Champaigne. In 1664 vroeg Lodewijk XIV hem een 
plan voor den gevel van het Louvre en verzocht hem 
naar Parijs te komen. Daar werd hij feestelijk ontvan- 
gen, doch wegens de afgunst der Fransche bouwmees- 
ters kon hij zijn plannen niet uitvoeren. Zijn verblijf 
in Frankrijk had echter daar zijn invloed blijvend 
gevestigd. Na een beroerte, waardoor zijn rechterarm 
verlamd werd (die kon nu eindelijk uitrusten, schertste 
hij), stierf B. spoedig. 

Naast bouw- en beeldhouwwerken zijn van B. 
enkele gravures bekend (voor een uitgave 
van de Latijnsche gedichten van paus Urbanus VIII) 
en enkele thoaterdocoraties. Vele van zijn schilderijen 
heeft hij met eigen hand vernietigd op het laatst 
van zijn leven. 

De waardeering, die B. gedurende de 17e en 18e 
eeuw genoot, is in de 19e eeuw sterk gaan verminderen: 


men vond zijn kunst leeg, opgeschroefd en bombas- 
tisch. Zij beantwoordde niet aan het klassieke ideaal, 
dat men zich opgebouwd had uit de Helleensche kunst 
der 5e en 4e eeuw voor Chr. Nu het klassiek ideaal 
zich heeft uitgebreid, begint ook een beter begrip 
van Bernini ’s kunst boven te komen. De invloed van 
B. deed zich vooral in midden-Italië gelden: het Noor- 
den werd meer door Borromini geïnspireerd. Zijn 
navolgers in de bouwkunst waren vnl. Mattia de’ 
Rossi, Carlo Fontana en Carlo Rainaldi; in de beeld- 
houwkunst: Finelli, Mocchi en F. Duquesnoy. 

Voorn, werken: De geredde en de verdoemde 
ziel (ong. 1612, Rome, S. Maria in Monserato, sacristie) ; 
Aeneas en Anchises (Rome, Villa Borghese) ; David 
ibidem) ; monument van den H. Robert Beilarminus 
1622, Rome, Gesu) ; Apollo en Daphne (ong. 1623, 
Rome, Villa Borghese) ; gevel der Santa Bibiana en 
beeld (1626, Rome) ; hoofdgeve: van het paleis der 
Propaganda (1627, Rome/ : baldakijn van Sint Pieter 
(1627-’33, Rome) ; hoofdgevel van het Palazzo Barbe- 
rini (1629, Rome); Bijenfontein (1629, Rome, Vaticaan); 
twee busten van kard. Borghese (1632, Rome, Villa 
Borghese) ; graftombe van gravin Mathilde van Toscane 
(1635, Rome, Sint Pieter) ; kerk der H. Anastasia (1636, 
Rome, Palatijn) ; H. Longinus (1638. Rome, Sint Pieter); 
buBtc van Karei I van Engeland (1639, Windsor) ; 
Tritonsfontein (1640, Rome, Piazza Barberini; ; buste 
van kard. Richelieu (1642, Parijs) ; graftombe van zuster 
Maria Raggi (1643, Rome, S. Maria sopra Minerva) ; 
De door den Tijd ontsluierde Waarheid (1645, Rome, 
Casa Bernini) ; Cappella Cornaro met extase der H. 
Theresia (1646, Rome, S. Maria della Vittoria) ; Vier- 
stroomen-fontein (1647-’52, Rome, Piazza Navona) ; 
restauratie van de kapellen van den Sint Pieter (1647- 
’53) ; colonnaden van Sint Pieter (1656-’63) ; ver- 
siering der cathedra van Sint Pieter (1656) ; Daniël en 
Habacuc (1657, Sint Pieter) ; Scala Regia (1663- ’66, 
Rome, Vaticaan) ; buste van Lodewijk XIV (1665, 
Parijs) ; ruiterstandbeeld van Lodewijk XIV (ong. 1673, 
Versailles) ; ruiterstandbeeld van Constantijn den 
Grooten (1670, Rome, Sint Pieter) ; grafmonument van 
Urbanus VIII (na 1645, Rome, Sint Pieter) ; graf- 
monument van Alexander VII (1672-’78, ibidem) ; 
beeld van de stervende Zalige Ludovica Albertoni 
(1675, Rome, S. Francesco a Ripa). — Li t. : Baglione, 
Lo vite de’ pittori, scultori e architetti (Rome 1642); 
Baldinucci, Vita del cavaliere G. L. B. (Florence 1682) ; 
Fraschetti, II B. (1900) ; Pollak, Lorenzo B. (1909) ; 
Ricci, II B. (1910) ; Munoz, G. L. B., architetto e decora- 
tore (1925); Benkard, G. L. B. (1926) ; M. v. Böhm, B., 
seine Zeit, sein Leben und sein Werk ( 2 1927). 

Knipring. 

2° P i e t r o, Italiaansch beeldhouwer en 
schilder, * 1562 te Sesto Fiorentino, f 29 Aug. 1629 
te Rome; leerling van Florentijnsche manieristen, 
werkte met Tempesta en andere schilders in den dienst 
van kardinaal Alexander Farnese in Caprarola, res- 
taureerde antieke beelden en ging in 1584 naar Napels, 
waar hij medewerker werd van Michelangelo Nacche- 
rino (volgeling van Giambologna) bij fonteinen en 
sculpturale kerkdecoratie. In 1605 door paus Paulus V 
naar Rome geroepen, schilderde hij in de S. Maria 
Maggiore. Men roemt zijn vrije behandeling van het 
marmer. Vooral onder invloed van zijn zoon Gian 
Lorenzo ontwikkelde hij zich uit het maniërisme naar 
de Barok (Fontana della Barcaccia). 

Voorn, werken: Zeemonsters aan de Fontana 
Medina (Napels, 1600) ; beelden voor de Fontana dell' 
Immacolatella (Napels, S. Lucia, 1601) ; Maria met 
Jesuskind en Sint Jan den Dooper (Napels 1605) ; Ten 
hemel opneming van Maria (Rome, S. Maria Maggiore 
1606-1611) ; Boodschap des Engels (Bordeaux, S. Bru- 
non, 1620) ; St. Jan de Dooper (Rome, S. Andrea della 
Valle, 1616) ; medewerking aan het graf van den H. 


<593 


Bernis — Berno 


094 


Robert Bellarminus (Rome, Gesu, 1623) ; Fontana della 
Barcaccia (Rome, Piazza di Spagna). — L i t. : Brinck- 
mann, Barockskulptur (1921). Knipping. 

Bernis, Fran$ois Joachim de Pierre 
d e, kardinaal, diplomaat, * 1715, f 1794 te Rome; 
zocht het priesterschap vanwege de armoede zijner 
adellijke familie; kwam in staatsdienst en werd door 
den invloed van Mme. de Pompadour gezant te Vene- 
tië en te Weenen, waar hij het Fransch-Oostenrijksche 
verbond van 1756 voorbereidde, hetgeen hem berouw- 
de, toen Frankrijk geheel naar het Oostenrijksche 
belang w r erd medegesleept in politiek en financieel 
opzicht (1757). In 1758, na de slagen bij Rossbach en bij 
Leuthen, viel hij in ongenade. Hij werd echter kardi- 
naal, ging in Ï769 als gezant naar Rome en wendde 
zijn invloed aan tot de verkiezing van paus 
Clemens XIV en tot de opheffing der Jezuïeten -orde. 
Zijn „Mémoires et lettres” werden in 1878 uitgegeven 
door Frédéric Masson. 

B. was met Voltaire bevriend; hij schreef een snedig 
proza en beminnelijke Rococo -verzen. 

U i t g. : Oeuvres (2 dln. Parijs 1802). — L i t. : 
F. Masson, Le Cardinal de Bernis depuis son ministère 
(1758-’94) (Parijs 1884) ; Pastor, Geschichte der Papste 
(XV 1932). v. Gorkom. 

Bernissart, Belg. gem. in deprov. Henegouwen, 
ten W. van Bergen; opp. 646 ha, ruim 2 50Ó inw. 
Oude heerlijkheid. B. is beroemd door de vondsten 
van merkwaardige fossielen. > Bemissartien. 

Bernissarticn (genoemd naar Bernissart in 
Henegouwen, België), onderaf deel ing der Krijt- 
formatie, overeenkomende met het Wealden in België. 
Het Bernissartien is bekend om zijn fossielen. De 
belangrijkste zijn de Dinosauria, met name het genus 
Iguanodon. De mijnput Sa in te Barbe heeft behalve 
meer dan 20 complete skeletten van Iguanodons 
nog resten van schildpadden, krokodillen cn visschcn 
opgeleverd. Aan de fossiele fauna van Bernissart 
is in het Musée d’Histoire Naturelle te Brussel een 
aparte zaal gewijd. De collectie Iguanodons is eenig 
op de wereld. 

De flora van het Bernissart ’sche Krijt is beschreven 
door Savart. Hofsteenge, 

Bcrnissc, of B o r n i s s e, opgeslijkt water, 
dat vroeger de eilanden Voorne en Putten (beide 
Z. Holland) scheidde. Vroeger werd hier een tol gehe- 
ven, die in 1600 naar Dordrecht werd verplaatst. 
De dichtslibbing geschiedde door het graven van het 
Spui (16e eeuw) en de Dordsche Kil (begin 17e eeuw). 

Blaauw. 

Bernlêf . Om het jaar 790 ontmoette de H. Liudger 
ten huize van een edele vrouw in Oost-Friesland den 
toen sedert drie jaar blinden B., die „door zijn geburen 
hooggeacht werd, omdat hij het verstond de daden der 
voorvaderen en de oorlogen der koningen voortreffelijk 
met harpbegeleiding voor te dragen”. Plij is de oudste 
met name bekende West-Germaansche dichter: geen 
speelman, maar een bij zijn volk in eere staande scöp. 
Zijn liederen w r aren wel heldenliederen. Hij moet 
echter reeds Christen zijn geweest, toen de H. Ludger 
hem bij die ontmoeting van zijn blindheid genas. 

V. Mierlo, 

Berno (Bern), abt van Reichenau, beroemd 
liturgicus. Monnik te Fleury omstr. 999, dan te Prüm, 
door St. Hendrik II tot abt van Reichenau gekozen 
(1008) in plaats van den wreeden abt Immo. Zijn 
brieven over liturgische vragen, o.a. aan Aribo van 
Mainz, zeer waardevol. Op verzoek van abt Piligrim 


van Keulen schreef B. een werk over muziek: Tonarius. 
MetjHendrik III stond B. eveneens in nauwe relatie. 
B. zorgde zoowel voor den materieelen als voor den 
wetenschappe lijken bloei zijner abdij. Overleed daar 
7 Juni 1048; zijn graf in het S. Marcus-koor werd in 
1929 weder ontdekt. 

Werken: Qualiter quatuor temporum ieiunia per 
sua sabbata sint observanda ; Qualiter adventus domini 
celebretur, quando nativitas domini feria secunda ad- 
venerit ; Ratio generalis de initio adventus domini 
(dit werk geeft een lang citaat uit een ons onbekend 
werk van S. Hilarius van Poitiers, Officia geheeten) ; 
De quibu8dam rebus ad missae officium pertinentibus 
(gezonde historische zin ; B. 6tcunt vooral op St. Grego- 
rius den Grootcn, Smaragdus en Amalarius) ; Vita S. 
Udalrici (omwerking van een ouder leven, weinig nieuws . 
Muzikale werken, later veel afgeschreven : Tonarius ; 
De varia psalmorum atque cantuum moduatione; 
De consona tonorum diversitate. B. componeerde 
getijden van St. Ulrich (Udalricus), St. Meinrad, tropen 
en hymnen voor Epiphanie, O.L.V. Lichtmis en de 
Vasten, een sequentie op St. Willibrord (Laude? Christo 
die nunc isto, in hs. St. Gallen, 546, fol. 203 aan Z. Notker 
toegeschreven, n St. Gallen 89S aan Berno) ; dit laatste 
hs. bevat ook brieven van B. — - U i t g. : Pez, Thesaurus 
anecdotorum novis6imus IV in Migne Patrologia lat. 
(CXLII) ; Gerbert, Scriptores de musica sacra (II 1784 
en 1905). — L i t. : Gatard in Dict. Arch. Lit. (II, 820 
vlg.) ; Manitiu8, Gesch. der latein. Literatur des Mittel- 
alters (II 1923, 61-71) ; K. Gröber in Lexikon für Theol. 
und Kirche (ÏI, 218 vlg., ; R. Molitor, in die Kultur der 
Abtei Reichenau (I 1925, 112 vlg.). Lampen. 


Nicolaas 

raadsheer 

1623—1708. 


Nicolaas Johannes I 
raadsheer 27 Juli 1667 — 
1662—1716. 1 Jan. 1748. 

Math. prof. te 
Groningen (1695 — 
1705), daarna te 
Bazel. 

Nicolaas I 
10 Oct. 1687— 

29 Nov. 1759. 

Math. prof. te 
Pavia, Log. et 
Jur. prof. te 
Bazel. 


Jacob I 

27 Dec. 1654 — 
16 Aug. 1705. 
Math. prof. te 
Bazel. 


Nicolaas TI 
27 Jan. 169fi- 
26 Juli 1726. 
Jur. prof. te 
Bazel. Math. 
prof. te Pe- 
tersburg. 


Daniël 

29 Jan. 1700- 
17 Mrt. 1782. 
Math. prof. te 
Petersburg. 
Anat. et Bot. 
prof. te Bazel, 
daarna Phys. 
prof. aldaar. 


Johannes II 
18 Mei 1710- 
18 Juni 1790. 
Math. prof. te 
Bazel. 


Johannes III Jacob II 

4 Nov. 1744 — 13 Juli 27 Oct. 1759— 
1807. 3 Juli 1789. Lid 

Directeur sterre- van de Academie 
wacht te Berlijn. te Petersburg. 


695 


Bernoulli — Bernstein 


696 


Bernoulli, 1° E d u a r d, muziekhistoricus, 
* 1867 te Bazel, f 1927 aldaar: sedert 1910 hoogleeraar 
aan de universiteit te Zurich. Zijn werken bestrijken 
uiteenloopende perioden, van de middeleeuwen tot 
den modernen tijd. Onder de voornaamste dienen ver- 
meld: Aus Liederbüchern der Humanistenzeit (1910); 
een heruitgave van M. Praetorius’ Syntagma musicum, 
1620 (1916), en een facsimile-uitgave van > Attain- 
gnant’s dansen en meerstemmige liederen, 1531 (5 dln. 
1914Ï. Lemerts . 

2° Naam van een familie te Bazel (oorspronkelijk af- 
komstig uit Antwerpen), waaruit in de 17e en 18e 
eeuw tal van wiskundigen zijn voortgekomen , vermeld 
in bovenstaand uittreksel uit den stamboom. (Zie 
kolom 694.) 

De grootsten onder hen zijn Jacob I, Johannes I en 
Daniël. De eerste twee hebben veel bijgedragen tot de 
ontwikkeling van de jonge differentiaal- en integraal- 
rekening, tot het ontstaan der variatierekening en tot 
de toepassing van de wiskunde op de mechanica. Jacob 
I beoefende verder oneindige reeksen, vlakke krommen 
en waarschijnlijkheidsrekening (Ars Conjectandi, 1713). 
De verstandhouding tusschen de beide broeders is 
vanaf 1695 volkomen verstoord geweest door priori- 
teitskwesties. Daniël heeft groote verdiensten op het 
gebied der toegepaste wiskunde (mechanica, hydro- 
dynamica, kinetische gastheorie). Nico laas I hield 
zich, voorzoover juridische studiën en andere werk- 
zaamheden hem tijd lieten, bezig met hoogeremachts- 
vergelijkingen, oneindige reeksen en waarschijn lijk- 
heidsrekening; Nicolaas II met differentiaalvergelij- 
kingen; Johannes II met synthetische meetkunde; 
Johannes III was voornamelijk astronoom; Jacob II 
schreef over theoretische mechanica. 

L i t. : F. de Boer, De familie Bernoulli in de ge- 
schiedenis der wiskunde (rede, Groningen 1896). 

Dijksterhuis. 

Getallen van Bernoulli (Jacob I). Deze treden 
op bij de bepaling van de som van de ke machten 
van alle natuurlijke getallen kleiner dan of gelijk aan 
n. Men vindt voor het eerste getal van B. (svmbool: 
BJ 1/6, verder B 2 = 1/30, B 3 = 1/42, B 4 = 1/30, 
B 6 = 5/66, B 6 = 691/2 730, B 7 = 7/6, B 8 = 3 617/510, 
enz. 

L i t. : L. Saalschütz, Vorlesungen über die Ber- 
noullischen Zahlen (Berlijn 1893) ; P. Bachmann, Niedere 
Zahlentheorie (II 1910). Dijksterhuis. 

Wetten van Bernoulli, > Fluitpijp. 

Stelling van Bernoulli-Laplacc, laat zich, zonder 
gebruik te maken van formules, als volgt uitspreken. 
Wanneer telkens bij ieder van s proeven óf een ge- 
beurtenis E (met > wiskundige kans p) óf een gebeur- 
tenis E' (met wisk. kans 1 — p = q) optreedt, dan is 
onder de moge lijke resultaten dat het waarschijnlijkst, 
waarbij de verhouding m : n van de aantallen herha- 
lingen van E en E' gelijk is aan of het dichtst ligt bij 
p : q. Neemt s toe, dan neemt de kans op het waar- 
schijnlijkste resultaat af, en nadert tot nul, terwijl 
de kans op een van het waarschijnlijkst resultaat hoog- 
stens een zeker, vast gegeven percentage afwijkend 
resultaat toeneemt, en tot 1 nadert. J. Ridder . 

Bcrnoulliaanscli bewijs, > Inductie. 

Bernried, Paulus van, > Paulus van 
Bernried. 

Bernsen , Joannes Jacobus Atha- 
n a s i u s, Franciscaan, palaeontoloog en geoloog, 
voortreffelijk kenner van de Ned. fossiele vertebraten- 


fauna. * 2 Mei 1888 te Nederhorst den Berg, f 5 Juni 
1932 te Leiden; studeerde biologie, geologie en palae- 
ontologie te Amsterdam en promoveerde in 1927 
cum laude tot dr. phil. op proefschrift: „The geology 
of the Teglian clay and its fossil remains of rhino- 
ceros”. Bewerkte de fossiele werveldieren uit de klei 
van Tegelen, verder hetgeen te voorschijn kwam bij 
de werken aan het Twente-Rijn-kanaal en uit de klei 
van Maas en Waal en uit de Schelde bij Breskens. 
Een uitvoerige publicatie over dit materiaal werd 
door zijn plotselingen dood verhinderd; onbeëindigd 
bleef ook de bewerking van de Trinil-collectie, ver- 
zameld door prof. E. Dubois, tot wiens assistent B. 
in 1930 werd benoemd. In deze collectie vond hij drie 
dijbeenderen van den Pithecanthropus 
e r e c t u s. 

Publicaties: Ona fossil monkey found in the 

Netherlands, in Proceedings (Kon. Ac. te Amsterdam 
XXIII 1930, nr. 7); Eine Revision der fossilen Sauge- 
tierfauna aus den Tonen von Tegelen, in Natuurhist. 
Maandblad (1930-1932) ; Recente vondsten van fossiele 
zoogdieren in Ned., in Geologie en Mijnbouw (11e jg. 
nr. 2 en 4). Crommelirn 

Bernstein, E d u a r d, Sociaal-Democratisch 
theoreticus van naam. Een der oudste S. Democraten 
in Duitschland, die Marx en Engels persoonlijk gekend 
heeft. In ballingschap in Londen, leerde hij het Engel- 
sche Socialisme kennen en werd dientengevolge in 
evolutionnaire richting gestuurd. Hij is de vader van 
het > Revisionisme. * 6 Jan. 1850 to Berlijn, f 18 
Dec. 1932 aldaar; aanvankelijk bankemployé, trok 
in 1878 naar Zwitserland; van 1881 tot 1890 bestreed 
hij als redacteur van den „Sozialdemokrat” Bismarck’s 
Socialistenwet; in 1888 verbannen, verbleef hij tot 
1901 in Londen. Na zijn terugkeer in Berlijn was hij 
1902—1906, 1912, 1918, 1920—1928 lid van den 
Rijksdag, waarin hij den oorlog bestreed. 

Werken: Die Kommunistischen und Domokra- 
tisch-Sozialen Strömungen in England wahrend des 
17 Jahrh. (1895) ; Zur Geschichte und Theorie des 
Sozialismus ( 4 1904) ; Der Revisionismus (1909) ; Lasalle 
u. der Sozialismus (1920) ; Die Voraussetzungen des 
Sozialismus und die Aufgaben der S. D. ( 2 1921). 

2° Georg Heinrich, Duitsch oriëntalist en 
prof. in de Oostersche talen te Breslau. Schrijver van 
vsch. werken, vooral over Syrische literatuur. * 1789, 
t 1860. 

3° Heinrich Agathan, werd na zijn 
studie in de medicijnen als geneesheer aangesteld te 
Gadok (Batavia); in 1860 door de Ned. regeer ing belast 
met een wetenschappelijk onderzoek van de Molukken 
en Nieuw Guinee. * 1828, f 1865. 

Werken: Abhandlung über die Nester der Salan- 
ganen, en andere Ornithologische bijdragen. Willems. 

4° II e n r y, Fransch tooneelschrijver van de 
naturalistische school. * 20 Juni 1876 te Parijs. Het 
tooneelwerk van B., uit een scenisch oogpunt sterk te 
noemen, wat zijn ongelooflijk vluggen bijval verklaart, 
is grootendeels een mengsel van grof effectbejag, dat 
soms het melodrama nabij komt, en brutale schildering 
van de ongebreidelde lagere driften. Alleen zijn laat- 
ste stukken verraden eenige verdieping van psycholo- 
gische studie, zonder daarom ethisch gezonder te wor- 
den. 

Werken: Le marché (1900) ; Le détour (1902) ; 
Joujou (1902) ; Le bercail (1904) ; La rafale (1905) ; Lc 
voleur (1906); Samson (1907); Israël (1908); Après moi 
(1911) ; L’assaut (1912) ; Le secret (1913) ; L’élévation 
(1917) ; Judith (1922) ; La galerie des glacés (1924) ; 
Félix (1925) ; Le venin (1926) ; Mélo (1929). fBawr. 


697 


Bernstorff — Bernus 


698 


Bernstorü ,1° Andreas Peter, graaf, 
* 1735, f 5*797, van een oud Hannoveraansch adelge- 
slacht; kwam in 1759 door voorspraak van zijn oom 
in Deenschen staatsdienst en werd in 1772 na Struen- 
see’s val eerste minister; als aanhanger van het ver- 
licht despotisme schafte hij de lijfeigenschap af; sloot in 
1780 het verbond van gewapende neutraliteit in het 
eerste tijdperk der revolutie-oorlogen. 

2° Johan Hartwig Ernst, graaf, 
staatsman, * 1712 te Hannover, f 1771 te Hamburg; 
kwam in dienst van den Deenschen koning Frederik 
V ; werd Deensch gezant te Parijs en vatte daar diepe 
bewondering op voor de Fransche beschaving; sedert 
1751 eerste minister te Kopenhagen, werd in 1770 
uit dit ambt verdrongen door Struensee’s groeienden 
invloed en vertrok naar Duitschland. v. Gorkom . 

Bernulphus of Bernold, Heilige, bisschop 
van Utrecht (1027 — 1054). Hij werd in 1027 door koning 
Koenraad II tot biss. van Utr. aangesteld. Het bericht 
van Beka, dat deze benoeming een belooning was voor 
het bericht, dat B. als pastoor van Oosterbeek naar 
Utrecht bracht, dat nl. keizerin Gisela een kind ter 
wereld had gebracht, verdient geen geloof. B. stond 
op goeden voet met keizer Koenraad II en vooral met 
Hendrik III, van wien hij bezittingen in Drente en Gron. 
kreeg (1040), verder het graafschap Vollenhove (1042), 
een graafschap rond Deventer en Zuid-Neder -Maasland 
(1046). B. volgde den keizer op een krijgstocht tegen 
koning Ovo van Hongarije (1042) en stelde de Utr. 
macht ter beschikking van Hendrik III tegen Dirk 
IV, graaf van het latere Holland (1047). Deze krijgs- 
tocht had geen succes, maar 14 Jan. 1049 versloegen 
de troepen van B., samen met die van andere vorsten, 
Dirk IV bij Dordrecht. 

B. begunstigde de hervormingsbeweging van de 11e 
eeuw, was bevriend met Poppo van Stavelot, voerde 
diens gewoonten in het klooster S. Paulus bij Utrecht 
in, en trachtte de kerken uit de handen van leeken te 
bevrijden. B. bouwde de kerken van S. Pieter en S. Jan 
en de abdijkerk van S. Paulus te Utrecht en van 
S. Lebuinus te Deventer. Feestdag 19 Juli. Thans 
patroon van het S. Bemulphusgilde. 

L i t. : De H. Bcrnulfus, in het Gildebock (XIII 1930, 
89-102). Post. 

Bemulphusgilde, Sint, is opgericht den 
28en Nov. 1869. Het stelt zich ten doel (Statuten): de 
bevordering van den bloei der hedendaagsche kerkelijke 
kunst, het wekken en kweeken van eerbied voor de 
oude kerke lijke kunst; het verspreiden van kennis 
omtrent beide. Onder de hiertoe aangewende mid- 
delen zijn: vergaderingen met voordrachten en ge- 
dachtenwisseling, de uitgave van een tijdschrift, 
tentoonstellingen, studiereizen, samenwerking met 
verwante vereenigingen, bevordering van zuivere 
verhoudingen tusschen opdrachtgevers en kunstenaars. 
De leden zijn voor verreweg het grootste deel (ruim 2 / 3 ) 
geestelijken, overigens kunstenaars en eenige leeken 
(kunsthistorici). De oprichter, mgr. G. W. van 
H e u k e 1 u m, had dan ook allereerst het oog op 
voorlichting en opvoeding van den clerus in zake 
religieuze kunst, gelijk Bethune met zijn 3 jaren te- 
voren opgericht Gilde van St. Thomas en St. Lucas 
in België en, reeds vroeger , Reichensperger in Duitsch- 
land zich die voorstelden.(In zijn eersten opzet had mgr. 
v. H. leeken slechts als hospitanten willen toelaten.) 

Het kader om deze stichtingsdaad trekken we, be- 
knopt, over de punten: herstel derbisschopp. hiërarchie 
— activiteit in den bouw en de versiering van nieuwe 


kerken — cultureele en staatkimdige vrijwording der 
Katholieken (werken en streven van Alb. Thijm 
en Schaepman) ; als sterk sprekenden achtergrond 
hebben we te zien de herleefde liefde voor en de studie 
van de Gotiek (Viollet-le Duc, herbouw van den 
Keulschen dom). Dat de architectuur weder leidster 
der kunsten werd, was de bedoeling; in de practijk 
liep het voorhands vaak uit op een decoratief gebruik 
van Gotische (veelal Duitsch-Gotische ) detailvormen, 
op stijl-nabootsing, archaïsme: de neo-Gotiek, waar- 
van v. Heukelum de zeer leerstellige prediker was, 
geholpen (soms ook getemperd) door de uitvoerende 
mannen als arch. A. Tepe, W. Mengelberg, J. H. Brom, 
H. Geuer. 

In het begin der 20e eeuw kwam er een kentering, 
ten deele onder invloed van de kunstidealen van Beu- 
ron, maar vooral door het in kunstenaarskringen 
buiten het Gilde ontwaakte leven: de nieuwe Neder- 
landsche architectuur en kunstnijverheid, het ver- 
hoogde verantwoordelijkheids- en zelfbesef der kunste- 
naren. Reeds in 1896 had arch. P. J. H. Cuypers, die 
zooveel ouder was, maar die toch steeds op eenigen 
afstand van het Gilde was gebleven (ook omdat de 
Gotiek hem heel wat meer was dan een modellen- 
boek) aangedrongen (tevergeefs) op krachtiger actie 
ter „verhooging van het peil van kennis en smaak” 
onzer kerke lijke artisten en op de vorming van een 
grooten bond met plaatselijke afdeelingen. Een derge- 
lijke actie, gericht tegen de eenzijdige formuleering 
van v. Heukelum c.s. en tegen de isoleering van het 
Gilde met zijn gedweeë meeloopers, leidde eindelijk 
in 1911, nadat het Gilde (sinds 1900) was gaan insla- 
pen, tot een herleving. In nieuwe Statuten kreeg de 
hedendaagsche kunst haar recht, en werd de moge- 
lijkheid van een schifting der kunstenaars-leden ge- 
opend (stemhebbende naast belangstellende leden), 
waarvan de verwezenlijking echter tot nog toe niet is 
aangedurfd. Voorts breidde de broederschap zich bui- 
ten het bisdom Utrecht uit; ook de andere diocesen 
vonden in het bestuur vertegenwoordiging. De wereld- 
oorlog knotte tijdelijk het nieuwe streven. In 1918 
en volgende jaren ging het zich echter krachtig mani- 
festeeren, vooral in de hernieuwde verschijning van 
zijn orgaan Het Gildeboek, verder in allerlei werk- 
zaamheid als in den aanhef van dit artikel aangegeven. 
Een eenige jaren lang volgehouden poging om te komen 
tot de stichting van een commissie van advies i.z. 
kerkelijke kunst (ongeveer op de wijze van de 
V.A.N.K.) stuitte af op verzet van hoogerhand. Aan 
de zuivering der verhoudingen tusschen opdracht- 
gevers en kunstenaars is nog veel te doen, tenzij 
men dit aan de jongere zustervereniging (Alg. R.K. 
Kunstcnaarsvereen.) alleen zou moeten overlaten. 

Lit. : C. Hartman, Verleden en toekomst v.h. St. 
B. -gilde (Feestuitgave 1919 Gildeboek) ; E. J. Ilasling- 
huis, Tien jaren uit de geschied, v. h. St. B. -gilde (Gedenk- 
boek 1929) ; G. Brom, Herleving der kerkel. kunst in 
Kath. Nederland (hfst. V, 1933). UasUnghuis . 

Bern tis, A 1 c x a n d e r von, Duitsch dichter 
van theosophische strekking en bemiddelaar van de 
moderne Engelschc romantiek in Duitschland. Hij 
vertaalde ook uit Petronius en Ovidius. * 6 Febr. 
1880 te Lindau. 

Werken: Aus Rauch und Raum (1903) ; Leben, 
Traum und Tod (1904) ; Maria im Rosenhag (1909) ; 
Hymnen an Caroline Günderode (1911) ; Gesang an 
Lucifer (1923). — Tooneel : Versspiele (1930) ; daarin 
o.m. Der getreue Eckart. — U i t g. : Gesammelte 
Gedichte (1917). J Baur. 


609 


Bernward — Beroep 


700 


Bernward, bisschop van Hildesheim (993 — 
1022); f 1025. B. leidde de opvoeding van den toe- 
komstigen keizer Otto III, tot deze 15 jaar oud was 
(996). Als geleerde heeft B. veel bijgedragen tot de 
bevordering der zgn. Ottonische Renaissance, in het 
laatste kwart der 10e eeuw. Kerkelijk was hij de Clu- 
niacensische hervormingsrichting ijverig toegedaan. 
Hij was een groot bevorderaar van wetenschap en 
kunst. In zijn dagen stond Hildesheim aan de spits 
onder de Duitsche steden, vanwege zijn sierlijken bouw- 
trant (oud-Saksische stijl). 

L i t. : Thangmar, Vita Bernwardi (in Mon. Germ. 
Hist. t. IV) ; Dietr. Schafer, Deutsche Geschichte 
(I 1910). Slootmans. 

Kunstschool van den H. Bern- 
ward. Grooten invloed op de kunstontwikkeling 
van den H. Bernward had een bezoek aan Rome (in 
gezelschap van den jongen Otto III). In Hildesheim 
richtte hij een bronsgieterij in en liet aldaar de Sint 
Michaëlskerk bouwen (1001 — 1022). Alle takken van 
kerkelijke kunst, vooral echter de edelsmeedkunst, de 
boekverluchting en de binderskunst genoten zijn be- 
langstelling. Uit de Bernward-kunstschool zijn be- 
roemd: 1° de twee-vleugelige bronzen deur aan de St. 
Michaël: op iederen uit één stuk gegoten vleugel be- 
vinden zich acht reliëfs van plompe verhoudingen, 
doch goede plastiek, waarop de heilsgeschiedenis 
vanaf de schepping van den mensch tot aan den man- 
slag van Kaïn alsmede de jeugd en het lijden van 
Jesus zijn voorgesteld; 2° de 4 m hooge bronzen zgn. 
Bernwardszuil in den dom (1022), oorspr. waarsch. 
een kandelaar voor de Paaschkaars, in inspiratie 
aan de Romeinsche Trajanuszuil : tooneelen uit de 
H. Schrift in reliëf, dat over de zuilschacht in acht 
windingen opwaarts slingert; 3° het kruis van St. 
Bernward in de Magdalena-kerk te Hildesheim, in 
verguld mengmetaal uitgevoerd en met goudfiligraan 
bedekt en met half ede lsteenen versierd, van overwe- 
gend Byzantijnsch karakter; 4° twee zilveren luch- 
ters in den vorm van een gedraaiden boomstam, aan 
den voet versierd met op dieren zittende naakte men- 
schengestalten en op de schacht symbolen van de 
zichtbare en onzichtbare schepping; 5° De graftombe 
van den H. Bernward (met koperen dekplaat), waarop 
apocalyptische voorstellingen. 

Van de boekkunst zijn te vermelden 1° het Sacra- 
mentarium van Bernward en 2° het Evangeliarium, 
door den monnik Guntbald geschreven, met een band, 
waarvan de techniek en compositie ontleend zijn aan 
Byzantijnsche ivoren. 

L i t. : Beisscl, Bernwards Evangclienbuch (1891); 
Beissel, Bernward als Künstler (1895) ; Habicht, Des 
hl. Bernw. von Hildesheim Kunstwerke (1922). 

Knipping . 

Beroaldo, Filippo, 1° de Oudere, Ital. 
Humanist, prof. te Parma, Milaan, Parijs en zijn 
geboortestad Bologna: hij gaf veel Lat. auteurs uit. 
* 1453, f 1505. 

2° De Jongere, neef en leerling van den yorige, 
bibliothecaris van Leo X; hij publiceerde de eerste 
volledige uitgave van Tacitus (Rome 1516) en schreef 
Lat. gedichten. * 1472, f 1518. Zr. Agnes. 

Beroea (a n t. g e o g r.), l c stad in Macedonia 
Emathia, teg. Verria. Bij B. werd Demetrius Polior- 
cétes door Pyrrhus van Epirus verslagen en aldus van 
Macedonië beroofd, 288 v. Chr. St. Paulus predikte 
er met succes (Act. 17. 10 — 14). 

2° Stad in Thracië, teg.^Eski Zagora. Davids. 


3° Stad, vermeld in de oorlogen der Macchabeeën 
(2 Mac. 13.4), waarsch. = Aleppo, dat sinds de Mace- 
donische verovering ook B. genoemd werd. 

Beroep. Ofschoon onder b. in ruimeren znTelke 
levenstaak kan verstaan worden, geeft het woord 
in strikten zin alleen aan de habitueele uitoefening 
van een werkzaamheid, tot volledig of gedeeltelijk 
levensonderhoud dienende, waardoor in een der behoef- 
ten van de samenleving wordt voorzien. De samen- 
leving toch ontstaat door het veelvuldig vervlochten 
zijn van functies, strevingen en handelingen, die, 
elkaar aanvullend, het volledige stelsel van geestelijke 
en stoffelijke goederen te weeg brengen en in stand 
houden, die tot bevrediging van de verschillende 
behoeften der menschen dienen moeten. In een op 
arbeidsverdeling berustende maatschappij zal een- 
ieder tot een der branches moeten behooren (geestes- 
prestaties, productieve arbeid of diensten), wier totaal 
dit gesloten systeem van werkzaamheden uitmaakt; 
tegelijk heeft dan elk dier werkzaamheden ten doe) 
eenieder, door hem in het geheel der (in ruimeren zinl 
productieve factoren in te schakelen, ook weer in het 
maatschappelijk inkomen tot zijn eigen onderhoud te 
doen deelen. Elk beroep heeft dus zoowel een sociale 
als persoon lijke strekking. 

De sociale beteekenis treedt minder op den voor- 
grond voorzoover bij sterk ontwikkelde specialisatie 
sommige beroepen enkel maar op zeer ondergeschikte 
werkzaamheden zijn gericht, of ook voorzoover onge- 
qualificeerde functies niet op één bijzondere werk- 
zaamheid, maar op meerdere gericht zijn, bijv. op 
alle werk, dat alleen maar spierkracht vergt. Ofschoon 
nu daardoor bepaalde handelingen, die bijv. van zuiver 
stoffelijken of mechanischen aard zijn, naar haar eigen 
object beoordeeld, minder innerlijke waarde vertegen- 
woordigen, toch zijn ze in het maatschappelijk 
geheel noodzakelijk en dikwijls onmisbaar en verdienen 
daarom eerbied en bescherming. De middeleeuwsche 
spreekwijze gaf soms van deze opvatting blijk, door 
ook beroepen of functies, die overigens niet in aanzien 
stonden, een officium of ambt te heeten. Met het 
oog op die hoezeer ook gereduceerde, toch reëele 
beteekenis voor het geheel, kan men derhalve ook de 
werkzaamheid der ongequalificeerde arbeiders een 
beroep noemen, alhoewel de meer gewone spreekwijze 
met het woord de gedachte schijnt te verbinden aan 
een bepaalde taak, die ook vakkennis vergt. 

Wat de persoonlijke beteekenis aangaat, het beroep 
dient tot levensonderhoud, maar het is er niet slechts 
een technisch middel toe; het behoort iets van het 
hoogere leven zelf te zijn, het dient in de spheer der 
menschelijke doelstellingen te worden opgeheven en 
daartoe in een bewust, organisch verband te treden. 
Dat wil zeggen, dat het beroep en de uitoefening ervan 
door de wetten der moraal moeten bestuurd worden 
en dienovereenkomstig bestaat er voor elk beroep een 
beroepsmoraal of beroepsethos. Het beteekent verder, 
dat de mensch zijn beroep maar niet als van onder- 
geschikt belang heeft te beschouwen, doch er hart 
en ziel dient in te leggen. Een behoorlijke opleiding 
en een verstandig geleide beroepskeuze zijn daartoe 
noodig en reeds vroegtijdig dienen de ouders tot dit 
doel op aanleg en eigenschappen hunner kinderen te 
letten. 

Het kiezen van een beroep was in vroegere tijden niet 
geheel vrij. Behalve dat in vele landen een soort kaste- 
wezen, naar beroepen ingedeeld, bestond, was ook in 
de middeleeuwen en veel later krachtens de gilden- 


701 


Beroep — Beroepsgeheim 


702 


% 


ordening de vrijheid tot het ter hand nemen van een 
beroep in allerlei opzicht gebonden (> Gilde). In 
den nieuweren tijd waren het niet meer juridische, 
maar moreele barrières, die bepaalde beroepen voor 
bepaalde klassen afsloten, omdat de publieke opinie 
of de mode die voor leden van bepaalde standen ontoe- 
gankelijk achtten en dit zoowol naar boven als naar 
onderen. Zeer zeker staat de aard der functie tot den 
maatschappelijken stand in betrekking (> Stand), 
maar voor excessen dient men zich hier te hoeden. 

Weve. 

Beroep (N e d. Bel. recli t). De belas- 
tingplichtige, die van oordeel is, dat hij een te hooge 
belasting moet betalen, kan daartegen in beroep komen. 
De rechtspraak, welke alsdan wordt uitgeoefend, be- 
hoort tot de administratieve rechtspraak, die in 
sommige belastingwetten is opgedragen aan adminis- 
tratieve rechters, in andere aan den burgerlijken 
rechter. Bepaalt een wet niets omtrent deze adminis- 
tratieve rechtspraak, dan geldt als algemeen beginsel, 
dat onverschuldigd betaalde belasting door een actie 
bij den burgerlijken rechter kan worden teruggevorderd. 

I. Als administratieve rechters zijn 
aangewezen: l°do raden van beroep voor 
de directe bel.; zij beslissen over primitieve en navor- 
deringsaanslagen en over ontheffingen inzake inkom- 
sten-, gemeentefonds-, vermogens-, verdedigings-, 
personeele, dividend- en tantièmebelasting en alle 
gemeentelijke belastingen. 2° De voorzitters 
van de raden van beroep voor de directe bel. ; zij 
beslissen op verzoekschriften om toelating tot indie- 
ning van bezwaar- of beroepschriften inzake een 
directe bel., dividend- en tantièmebel. en enkele 
andere heffingen n a de daarvoor gestelde termijnen 
(-> Overschrijden van in belastingwetten gestelde 
termijnen). 3° De Kroon; zij beslist inzake de 
gemeente van aanslag in de inkomsten-, vermogens-, 
dividend- en tantièmebel. en inzake de verdeeling 
van de gemeentelijke opcenten op laatstgenoemde bel. 
4 ° De Gedeputeerde Staten; zij beslissen 
«.a. inzake de grondbel. en bezwaren tegen bij de 
invordering van directe bel. in rekening gebrachte 
kosten van vervolging. 6° De tariefcommis- 
s i e ; zij beslist inzake bezwaren betreffende de 
waarde van ten invoer aangegeven, met een invoer- of 
statistiekrecht belaste, goederen, inzake de toe- 
passing van de tariefwet 1924 ten aanzien van de 
ingevoerde goederen alsmede inzake primitieve en 
navorderingsaanslagcn in en teruggaven van de om- 
zetbelasting. 6° Verder zijn er nog eenige commissies, 
die van minder beteekenis zijn. 

II. Van de b u r g e r 1 ij k e rechters zijn ter 
beslissing van belastinggeschillen in belastingwetten 
aangewezen: 1° de arrondissementsrecht- 
banken; zij beslissen inzake de invordering en 
terugvordering van registratie-, zegel- en successie- 
recht, invoerrechten (behalve hetgeen onder I, 6 is 
vermeld), accijnzen, alsmede inzake bepaalde geschil- 
len bij de invordering van directe bel. Bovendien 
treden zij op terzake van terugvordering van onver- 
schuldigd betaalde bel., indien de betreffende belas- 
tingwet geen regeling omtrent administratieve recht- 
spraak bevat, bijv. inzake wegen- en rijwielbel. 
2° De gerechtshoven; zij beslissen als appèl- 
rechters in de onder II, 1 genoemde zaken; het ge- 
rechtshof te Den Haag beslist in eerste en hoogste 
instantie over het toepasselijk zijn van de wet op de 
riehtige heffing der directe bel. 3° De Hooge 


R a a d ; hij beslist als cassatierechter over de zaken 
genoemd onder I, 1 en II, 1. 

Het beroep wordt ingesteld door een geschrift, 
dat in de gevallen onder 1,1 beroepschrift 
heet. Een beroepschrift moet worden ingediend binnen 
een in de betreffende wet gestelden termijn; vgl. 

> Overschrijden van in belastingwetten gestelde 
termijnen. 

Verscheidene belastingwetten kennen een admi- 
nistratieve vóórinstantie, alvoren# 
de administratieve rechtspraak wordt uitgeoefend. 

> Bezwaar. 

Lit. : Sinningke Damsté, Inleiding tot het Ned. 
Belastingrecht ; v. d. Poel, Raden van Beroep voor dt 
dir. belastingen ; Schendsok, Raden van beroep voor dt 
dir. belastingen. Smeets . 

2° Voor België, > Belastingen (België), 
Rechtspleging en Strafrecht. 

Voor beroep in het Ned. en Belg. Recht, 

> Hooger Beroep. 

Berocpsanalyse is het door ontleding vast- 
stellen van de eigenschappen, die voor de uitoefening 
van een beroep noodig zijn. De b. wordt toegepast, 
alvorens men bij psychotechnische keuringen overgaat 
tot het samenstellen van proeven. Men kan verschillen- 
de hulpmiddelen toepassen om tot een goede b. te 
geraken. De eenvoudigste methode is de informatie 
en wel bij personen, die het beroep zelf uitoefenen of 
uitgeoefend hebben. Meestal kan men hiermee niet 
volstaan, omdat de beoefenaars niet tot introspectieve 
beoordeeling in staat zijn en dus niet kunnen aan- 
geven, welke functies bij de uitoefening van beroep 
in w r crking zijn. Een tweede methode is de observatie. 
Een deskundige, die de beoefenaars nauwkeurig en 
langdurig waarneemt, kan in sommige gevallen eea 
duidelijk inzicht op die wijze verkrijgen. Het hangt 
van den aard van het beroep af of de observatie-metho- 
de bruikbaar is. Hoe meer bewegingen bij de uitoefe- 
ning werden gemaakt, des te eerder komt de observati# 
in aanmerking. De beste methode is de zelf-uitoefening. 
Deze stuit veelal op practische bezwaren, omdat het 
veel tijd van den deskundige eischt. Deze methoda 
heeft het voordeel, dat het werk wordt geleerd door 
een in introspectie geschoolden persoon en bovendien, 
dat deze persoon de leer-periode doormaakt, d.w.z. 
het proces, waarbij door gewenning en aanpassing 
de moeilijkheden van het beroep zich het sterkst 
doen gevoelen. 

In vele gevallen zijn psychotechnische keuringen 
mislukt, doordat te weinig aandacht was geschonken 
aan de beroepsanalyse. 

Voor de hoogere beroepen zal de beroepsanalyst 
extra-moeilijkheden op leveren, o.a. omdat het voor 
den psychotechniker onmogelijk is deze beroepen zelf 
uit te oefenen. Hij zal daarbij meestal moeten volstaan 
met informatie. de Quay - 

Beroepschrift (Ned. Bel. recht), 

> Beroep. 

Beroepscomedie, > Commedia dell’arte. 

Beroepscriminaliteit, criminaliteit, voor- 
zooverre zij beïnvloed wordt door het beroep van den 
misdadiger. Criminaliteit. 

Beroepsgeheim is een speciaal geval van toever- 
trouw’d geheim. Onder beroepsgeheim en ambtsge- 
heim w r ordt verstaan de verplichting, om datgene, 
wat men krachtens ambt of beroep van anderen weet 
en waarvan de bekendmaking voor anderen onge- 
wenscht is, geheim te houden. Deze verplichting kan 


703 


Beroepshof— Beroepshygiëne 


704 


voortvloeien uit den aard van het ambt of berode 
{bijv. geneesheer, advocaat, notaris) of uit een wette- 
lijk voorschrift of uit een uitdrukkelijk opgelegde 
of uitdrukkelijk aanvaarde verplichting tot geheim- 
houding (soms door middel van een eed). De verplich- 
ting, die het b. oplegt, is een ernstige zedelijke ver- 
plichting. Het b. immers is noodzakelijk voor het 
algemeen welzijn. De menschen moeten in verschillende 
aangelegenheden de hulp van deskundigen kunnen 
inroepen, zonder gevaar, dat hetgeen zij aan die 
deskundigen inededeelen, tot hun nadeel of ongerief 
aan anderen bekend zal worden. Als het beroeps- 
geheim niet bestond ook als gewetensverplichting, 
zouden velen ervan teruggehouden worden, zich tot 
een dokter te wenden, tot groot nadeel niet alleen van 
hun persoonlijke gezondheid, maar ook van de volks- 
gezondheid. Het beroepsgeheim wordt ook door de 
burgerlijke wet erkend en beschermd, doordat de over- 
treding gestraft wordt. Zelfs de rechter kan nooit 
iemand dwingen om voor de rechtbank getuigenis 
of verklaring af te leggen aangaande dingen, die onder 
het beroepsgeheim vallen. Wel geeft de wet de vrijheid 
om voor den rechter over dergelijke dingen te spreken, 
zoodat de betrokken personen hier hebben te handelen 
overeenkomstig de natuurlijke zedenleer en hun eigen 
geweten. Zooals van ieder toevertrouwd geheim, geldt 
ook van het beroepsgeheim, dat het niet zoo absoluut 
en star moet worden opgevat, dat er nooit een reden 
zou kunnen aanwezig zijn, die het geoorloofd maakt 
om te spreken. Deze redenen doen zich wel zelden voor, 
nl. wanneer openbaring van hetgeen men onder 
beroepsgeheim weet, het eenige middel is om de 
gemeenschap of een derde te beschermen tegen een 
zeer groot en onrechtvaardig toegebracht nadeel. 
Wanneer bijv. iemand een besmettelijke ziekte heeft 
on weigert de noodige maatregelen te nemen om niet 
anderen te besmetten, zou een geneesheer de overheid 
mogen waarschuwen; hij zou het zelfs verplicht zijn 
om wille van de gezondheid van vele anderen. Deze 
uitzondering bestaat niet alleen wat den gewetens- 
plicht betreft, maar wordt ook erkend door de burger- 
lijke juristen. „De bij art. 272 veronderstelde ver- 
plichting tot geheimhouding kan ook opgeheven 
worden door een hoogeren plicht van zedelijken of 
maatschappelijken aard, die de openbaarmaking van 
het geheim vordert” (Simons, Leerb. Ned. Strafr. 
II, 65). In het bijzondere geval van besmettelijke 
ziekte legt de wet den geneesheeren uitdrukkelijk den 
plicht op, om de overheid ervan in kennis te stellen. 
De zedelijke verplichting van het b. kan ook worden 
opgeheven, doordat de persoon, wien het aangaat, 
bijv. de patiënt, verlof tot spreken geeft; of de wet 
deze uitzondering erkent, is niet zeker. Een zeer 
bijzondere vorm van beroepsgeheim is het > biecht- 
geheim, voor de priesters, dat nog strenger tot 
geheimhouding verplicht. 

L i t. : A. Aletrino, Eenige beschouwingen over den 
beroepseed der artsen (1889) ; J. N. Thyssen, Het 
geheim van den medicus (T. v. S. V 1890, 363) ; dr. C. v. 
Tus8chenbroek, Het geheim van den medicus (T. v. S XI, 
10D ; Handelingen der Ned. Jur. Ver. (1905 ; adviezen 
A. Tak en J. N. Thyssen); C. J. Wynaendts Francken, 
Het medisch beroepsgeheim (1906) ; A. C. M. Beukers, 
Het beroepsgeheim van den geneesheer (1915). 

Bender. 

Beroepsgeheim in het Ned. Strafrecht. Hij, 
die opzettelijk eenig geheim, dat hij uit hoofde van 
zijn (ambt of) beroep verplicht is te bewaren, bekend 
maakt, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten 


hoogste zes maanden of geldboete van ten hoogste 
zeshonderd gulden (art. 272 W. v. Str.). Wanneer 
iemand in verband met art. 272 verplicht is een ge- 
heim te bewaren, wordt meestal door den aard van 
het beroep bepaald. Vast staat het voor geestelijken, 
geneesheeren, advocaten, enz. Minstens twijfelachtig 
bij journalisten, bankiers, enz. Als dringende belangen 
het eischen, kan de verplichting vervallen. Art. 272 
is dan van zelf niet meer toepasselijk. Een beroep 
op overmacht (art. 40 W. v. Str.) is dan ook niet eens 
noodig. In hoeverre dergelijke omstandigheden de 
verplichting doen vervallen, moet van geval tot geval 
naar redelijk oordeel worden beslist. 

Ned. Strafprocesrecht. Van het geven 
van getuigenis kunnen zich verschoonen zij, die uit 
hoofde van hun stand (geestelijken zijn hier bedoeld), 
hun beroep of hun ambt tot geheimhouding verplicht 
zijn, doch alleen omtrent hetgeen, ^waarvan de weten- 
schap aan hen als zoodanig is toevertrouwd (art. 218 
W. v. Str.). Dit geldt van getuigenis voor den straf- 
rechter. Naast den geheimhoud ings plicht staat 
het verschoon ings recht. De betreffende mag 
spreken, als een dringend belang dit zou vorderen. 

Pompe . 

Belg. Strafrecht. Art. 458 van het Straf- 
wetboek straft de geneesheeren, heelmeesters, officieren 
van gezondheid, apothekers, vroedvrouwen en alle 
andere personen, die door staat of beroep bewaarder 
zijn van de hun toevertrouwde geheimen, en deze 
openbaren buiten het geval, dat zij geroepen zijn om 
in rechte getuigenis af te leggen, alsook buiten het 
geval, dat de wet hen verplicht die geheimen bekend 
te maken. De andere personen, waarvan sprake in de 
wet, en die door staat of beroep bewaarder zijn van de 
hun toevertrouwde geheimen, zijn o.m. priesters, 
advocaten, pleitbezorgers (procureurs), notarissen, 
postbedienden, deurwaarders, leden van tuchtraden, 
voogden, curators, enz. De wet verplicht zekere 
bewaarders van het beroepsgeheim deze bekend te 
maken: 1° voor de aangifte der geboorte van een kind 
(art. 55-57 B.W.); 2° voor besmettelijke ziekten 
(K. B. van 10 Juni 1922); 3° voor de bestatigingen, 
gedaan in uitvoering van een opdracht van de rechter- 
lijke macht. De toestemming van den belanghebbenden 
persoon heeft voor gevolg, dat de schending van het 
beroepsgeheim niet strafbaar is. Doch daaruit volgt 
niet, dat het geheim moet geopenbaard worden. Al de 
personen, hierboven aangegeven, mogen weigeren te 
getuigen nopens de geheimen, welke hun toevertrouwd 
werden. Doch zij zijn niet strafbaar, indien zij ter 
gelegenheid van een getuigenis een geheim kenbaar 
maken. Zij moeten naar geweten oordeelen, of het 
geheim al dan niet dient bewaard te blijven. 

L i t. : Quelques mots sur le secret professionnel, in 
Annales de la Société de Médecine légale (1902) * Nijpels 
et Servais, Code Pénal Annoté (IV, 333 vlg.) ; Répertoire 
pratique de Droit Beige (I, V° Art de guérir, nr. 37 vlg.). 

Collin . 

Beroepshof, > Hof van Beroep. 

Beroepshygiëne (arbeids hygiëne) 
(zie plaat t/o kolom 641) heeft tot doel de gevaren te 
voorkomen, waarmede de uitoefening van sommige 
beroepen den gezondheidstoestand van de daarin 
werkzame personen bedreigt. Zij tracht dus de zoo- 
genaamde beroepsziekten te voorkomen en is als een 
onderdeel van de > bedrijfshygiëne te beschouwen. 

Nadeelige invloed van het beroep kan zich op 
velerlei wijze doen gelden en komt voor zoowel bij hen, 


705 


Beroepshygiëiie ' 


706 


die geestelijken als bij hen die lichamelijken arbeid 
verrichten; ook bij landbouwers en kooplieden, maar 
toch het meest merkbaar bij de industrieelen, de arbei- 
ders en arbeidsters in fabrieken en werkplaatsen. 

De voornaamste factoren, waarmede rekening 
gehouden moet worden, zijn : 

1° Ongeschikte lichaam s- of gees- 
tesgesteldheid. Personen met aanleg voor 
bronchitis of tuberculose moeten niet in stofrijke 
bedrijven worden aangesteld, niet het beroep van steen- 
houwer kiezen of bij de t.b.c. -bestrijding voor enquê- 
trice solliciteeren, lichamelijk zwakken moeten niet 
spitten of sjouwerman worden, zwakhoofdigen niet 
de leiding in moeilijke of ingewikkelde zaken nemen; 
de juiste keuze van een beroep kan onder dit opzicht 
veel kwaads voorkomen. 

De beroepskeuze is niet alleen van sociaal 
belang (the right man on the right place), maar ook 
hygiënisch belangrijk zoowel voor de maatschappij 
als voor het individu, en keuring voor een beroep 
is daarom aanbevelenswaardig. Meer en meer wordt 
door lichamelijke keuring reeds aan het einde van den 
schooltijd (schoolartsen) en later ook met behulp van 
de > psychotechniek getracht de naar een beroep 
solliciteerende candidaten op hun eigenschappen te 
onderzoeken. Men let daarbij niet alleen op de gewone 
lichaams- of orgaanafwijkingen, maar bijv. op rust 
en zekerheid der hand bij boetseerders en teekenaars, 
op reactiesnelheid bij telefonisten, tramconducteurs 
en vliegeniers; op geringe vermoeibaarheid bij revi- 
soren van drukproeven, enz. Toch is ook hiermede de 
volmaaktheid niet bereikt, omdat vele, vooral karak- 
ter-eigenschappen, tot nog toe slechts door lange 
observatie en ervaring zijn te achterhalen. 

2° Overmatige arbeid, hetzij dan te 
zware of te langdurige arbeid, kan vooral voor kinde- 
ren nadeelig zijn. Fabrieksarbeid gedurende 6 uur per 
dag is voor jongens van 16 jaar lang genoeg en 8 uur 
voor volwassenen is volgens de gangbare meening 
een behoorlijke tijdsduur. Landarbeiders werken 
zonder schade ’s zomers langer en ’s winters korter, 
terwijl nachtarbeid en ondergrondsche arbeid minder 
langdurig behooren te zijn. Voor kinderen en vrouwen 
is nachtarbeid geheel ongeschikt. Ook overmatige 
geestelijke arbeid is in zijn gevolgen niet te onder- 
schatten (staatslieden, geestelijken, bankiers, leer- 
lingen) en kan geestelijke afwijkingen als neurasthenie 
en zenuwoverspanning veroorzaken. 

3° Werkplaatsen dienen wat lichttoevoer, 
luchtverversching en verwarming betreft, aan hygië- 
nische eischen te voldoen; stof en schadelijke dampen 
moeten vermeden of verwijderd worden. Gemiddeld 
dient in gesloten ruimten 15 m 3 voor iederen werker 
gereserveerd te zijn. 

4° Spierarbeid in onhygi ë n i sche 
houding kan tot orthopaedische afwijkingen en 
zelfs tot orgaangebreken leiden. De langdurige zittende 
en gebogen houding van kleermakers maakt dat borst- 
en buikorganen sterk gedrukt worden en de eigenaar- 
dige houding der beenen werkt nadeelig op de knie- 
gewrichten. Mede onder invloed van de huisindustrie 
met haar gebrek aan frissche lucht komt daarom tuber- 
culose bij kleermakers vrij veel voor. Naaisters zijn 
gepredisponeerd voor bleekzucht. Schoenmakers en 
schoenlappers vertoonen eveneens een verhoogde 
sterfte aan t.b.c. De zgn. schoenmakersborst, d.w.z. 
een inzinking van het borstbeen en afplatting van de 


borstkas, ontstaat door het steunen van de werk- 
stukken tegen de borst en is waarschijnlijk oorzaak van 
de vrij veelvuldige hartaandoeningen; de schoenen- 
fabriek is daarom hygiënisch een vooruitgang. Ook 
stratenmakers ondervinden vaak de gevolgen eener 
ongeschikte houding in den vorm van hartafwijkingen. 
Het langdurig staan van apothekers en drogisten, 
de zittende levenswijze van kantoorbedienden en 
studiemenschen, kunnen den bloedsomloop schaden en 
dikke beenen of aderspatten veroorzaken of het ont- 
staan van platvoeten in de hand werken; werksters 
lijden door het kruipen vaak aan kniebeursontstekmg; 
lastdragers aan scheefheid of verkrommingen. Bekend 
zijn ook de zgn. bakkersbeenen (x-beenen) en de plat- 
voeten der winkelbedienden. Wetten en verordeningen 
hebben veel bijgedragen om de geschetste nadeel ige 
gevolgen te voorkomen. 

5° Beschadiging der zintuigen komt vooral 
tot uiting ten opzichte van het gezicht en het gehoor. 
Bijziendheid bij horlogemakers, juweliers, typografen, 
graveurs; nystagmus (krampachtige trekkingen van 
oogspieren) / conjunctivitis bij stralende hitte, ultra- 
violet licht en stofinwerking zijn bekende aandoe- 
ningen. Door schutbrillen is veel nadeel te voor- 
komen. 

Het gehoor ondergaat veelal nadeeligen invloed, 
in het bijzonder het Cortische orgaan, door hamer- 
slagen (smeden), kanonnades (artilleristen), werkzaam- 
heden met springstoffen en treingeraas (locomotief- 
personeel). Voorzorgen kunnen door de belang- 
hebbenden soms genomen worden (proppen in de 
ooren). 

6° H o o g e luchtdruk, > Barometrische 
drukking. Bijzondere gevallen van nadeeligen invloed 
van hoogen druk doen zich voor bij beroepsmuzikanten, 
die blaas instrumenten bespelen en bij glasblazers. 
Uitzetting der longen (emphyseem) met bronchitis 
komt bij beiden nogal eens voor; de zgn. glasblazers - 
wangen ontstaan door een bovenmatige uitrekking 
der wangen, die wel geen gevaar, maar toch een 
monsterachtig gezicht oplevert. 

7° H o o g e temperatuur in den vorm van 
stralende warmte komt in smidsen, ijzergieterijen, 
glasblazerijen, bakkerijen, bij autogeenlasschen en bij 
stokers voor; de sterk zweetende huid is gevoelig voor 
ontsteking en de door de hitte opgewekte dorst leidt 
soms tot onmatig drinken en digesties toorn is; ook de 
plotselinge overgang in koude omgeving levert gevaar 
op. Tegen brandgevaar wordt asbestkleeding of in 
ammoniumsulfaat gedrenkte kleed ing aangewend; 
tegen de huidaandoening is verschoonen en baden 
aangewezen. Waar heete lucht gepaard gaat met hoog 
vochtgehalte is veel ventilatie onontbeerlijk. 

8° Inademing van stof leidt bij steen- 
houwers, mijnwerkers (anthracosis) en in stofrijke 
bedrijven zooals cement- en wolfabrieken, ijzer- 
industrieën (siderosis) en thomasslakkenmeelfabrieken 
tot ziekte der ademhalingsorganen. 

Door exhaustors dient men het stof te verwijderen 
en door respirators de individuen te beschermen. Dik- 
wijls werken de arbeiders niet mede, omdat respira- 
tors, schutbrillen, enz. hinderlijk worden geacht. 
Ook stofzuigers, voor huiselijke bezigheden zoor doel- 
matig, worden door huisvrouwen, dienstboden en 
werksters nog te weinig gebruikt. 

9° Vergiftigingen kunnen zoowel door 
vaste en vloeistoffen als door gassen veroorzaakt 


IV. 23 


707 


Beroepshygiëne 


708 


worden en geven aanleiding tot het ontstaan van chro- 
nische kwalen. 

Het lood (loodwit) in het schildersbedrijf en in 
de letterzetterij gebruikt, het phosphor in de lucifers- 
fabrieken, het kwikzilver in spiegel- en tkermometer- 
fabrieken, het arsenicum bij het verwerken van arseni- 
cumerts, leveren alle gevaar op, dat echter bij goeden 
wil door groote zindelijkheid (handenwasschen vóór 
het eten) en stofbestrijding zeer kan worden getemperd. 
Vergiftiging door chloor, bij de chloorkalkfabricatie, 
door zoutzuur bij de glas- en porceleinfabricatie, door 
zwavelzuur bij het bleeken van zijde, wol en katoen 
en stroohoeden; door salpeterzuur bij de bereiding 
van nitrobenzol, vervaardiging van gloeikousjes 
en onderzoekingen in laboratoria, zijn niet zeldzaam. 
In den oorlog hebben de gifgassen groote beruchtheid 
gekregen en ook de doodelijke ongevallen in het Maas- 
dal bij Luik zijn overbekend. Luclitv erv ers ch ing^is in 
deze gevallen het eenige middel. 

10° Ongevallen zijn in tal van bedrijven 
mogelijk en in hooge mate afhankelijk van het betrok- 
ken individu. Ongevallen bij arbeid in de bergen 
(steengroeven) en mijnen door neervallende steen of 
kolen, bij het af dalen in de mijngangen, bij den omgang 
met explosief materiaal (stoomketels, knalgas), 
zijn echter dikwijls niet te vermijden. Het toenemend 
gebruik van machines heeft het aantal ongevallen doen 
vermeerderen, maar ook de middelen ter voorkoming 
doen vinden, als omkleed ing der gevaarlijke deelen 
(riementransmissies, zagen, centrifuges), afronding 
van hoekige draaiende stukken, enz. De veiligheids- 
wet bevat daarvoor de noodige bepalingen en de 
ongevallenwet voorziet in de gevolgen voor zoover 
mogelijk. Een leerzaam instituut voor de practische 
toepassing der veiligheidsvoorschriften is het Veilig - 
heidsmuseum te Amsterdam. 

11° Ziekten spelen eveneens een belangrijke 
rol. Tuberculose (bij verpleegsters), typhus door melk 
of water of bacillendragers, syphilis (bij verloskundi- 
gen), mijnwerkersziekte door wormen (anchylostomum 
duodenale), infecties door lompen in papierfabrieken 
en bergplaatsen van afval, dierziekten (miltvuur 
en droes) in slachterijen en huidenzouterijen, staan 
menigmaal met beroep in oorzakelijk verband. Onder- 
richt in deze gevaren, verantwoordelijkheidsgevoel 
en voorzichtigheid zijn de beste voorbehoed- 
middelen. 

12° Nachtarbeid werkt nadeelig door het 
ontbreken van zonlicht, waarvan de gunstige invloed 
op bloedvorming en stofwisseling (ultra-violette 
stralen) door niemand meer ontkend wordt. Bovendien 
ondervindt het zenuwstelsel dikwijls een nadeeligen 
af stompenden invloed door gebrek aan slaap en het 
buitengesloten zijn van familie- en maatschappelijk 
leven. Vooral geldt dit voor onafgebroken nacht- 
dienst. Nachtarbeid voor vrouwen voor industrieele 
doeleinden is dan ook wettelijk verboden behalve 
voor één industrie (haringspeten). 

13° Vrouwenarbeid. Zware lichaams- 
arbeid is in het algemeen voor vrouwen ongeschikt; 
ook wijst in vele gemengde beroepen de vrouw een 
hooger ziektecijfer en een langzamer herstel aan dan 
de man, ofschoon alcoholmisbruik en ongezonde levens- 
wijze bij haar minder voorkomen (textielindustrie, 
lucifers-, aardewerk- en tabaksfabrieken). Er zijn 
echter talrijke beroepen, waarvoor althans de onge- 


huwde vrouw even goed of beter geschikt is dan de 
man (kantoorarbeid, werkster, huishoudster, dienst- 
bode, winkeljuffrouw, verpleegster). 

De gehuwde vrouw behoort, vooral als ze 
kinderen heeft, in fabrieken en werkplaatsen niet 
thuis. Volgens een door de arbeidsinspectie ingesteld 
„Onderzoek naar den Fabrieksarbeid van gehuwde 
vrouwen in Nederland” deden 45% der gehuwde 
vrouwen, waarover het onderzoek liep, naast den 
fabrieksarbeid, het huishouden met inbegrip van de 
wasch en hervatten den arbeid reeds kort na de beval- 
ling, voor zoover althans de wet zulks niet verhinderde. 
De gevolgen zijn, dat niet alleen bij de arbeidster 
zelve zich vaak uitputtings- en vermoeiingsverschijn- 
selen voordoen of bij veel staanden arbeid de bekende 
beenzweren (ulcera cruris) ontstaan, maar ook nog, 
dat de kinderen de borstvoeding moeten ontberen 
en in het algemeen onvoldoende verzorgd worden. 
Voor het eten zorgen, bedden opmaken en de wasch 
doen gaan voor. De zwangere vrouw moest zooveel 
mogelijk uit de fabriek geweerd worden en eerst drie 
maanden na de bevalling terug mogen keeren; dan 
kan ze ook althans in die drie maanden haar kind 
zoogen. 

14° Kinderarbeid van jonge kinderen 
behoort in Nederland behalve bij den landbouw en de 
huisindustrie vrijwel tot het verleden; arbeids- en 
leerplichtwet hebben daaraan grootendeels een einde 
gemaakt. Toch wordt naast het schoolgaan nog wel 
eens loopwerk of huiselijk werk van kinderen geëischt, 
meestal met als gevolg oververmoeienis en slechte 
vorderingen in het onderwijs. Oudere, niet meer 
schoolplichtige kinderen bezitten ook nog niet vol- 
doende weerstandsvermogen om langdurigen of 
veeleischenden arbeid te verrichten. Arbeiders onder 
20 jaar vertoonen een te hoog ziektecijfer en dit geldt 
volgens Oostenrijksche statistieken vooral ten opzichte 
van a.s. bouwvakarbeiders, boekdrukkers, bakkers, 
kleermakers, handschoenmakers en boekbinders. Dik- 
wijls is de onervarenheid en onhandigheid oorzaak van 
verwondingen met de gevolgen daarvan (bouwvak- 
arbeiders). De genezing treedt echter meestal spoedig 
in. Arbeid in de frissche lucht is vooral voor jonge 
menschen het meest geschikt, maar dikwijls niet 
mogelijk. 

16° Huisindustrie geschiedt gewoonlijk 
in een onhygiënische omgeving (zolders, kelders, 
schuren) en wordt daarbij slecht betaald, terwijl dan 
een compensatie gezocht wordt in een langdurigen en 
dikwijls nachtelijken arbeid. Vrouwen, kinderen en 
minderwaardige werkkrachten vooral nemen er deel 
aan. Geen wonder, dat ziekten en vooral tuberculose 
veel onder de huisindustrie-arbeiders (kleermakers, 
schoenmakers, mattenindustrie) voorkomen. Boven- 
dien laten arbeidswet en veiligheidswet dezen beroeps- 
arbeid nagenoeg ongemoeid. In New York is het aantal 
woningen, waar huisindustrie wordt uitgeoefend, door 
samenwerking van werkgever, huiseigenaar, woning- 
toezicht en arbeidsinspectie van 25 000 tot 3 000 
gereduceerd. 

Statistiek. De mate van schadelijkheid van beroepen 
heeft men ook getracht in cijfers weer te geven. Van 
belang is daarbij te weten, hoe de verschillende 
beroepen over de bevolking verdeeld zijn. Het Statis- 
tisch Zakboek over 1931 van het Centraal Bureau 
v.d. Statistiek, blz. 15, geeft voor Nederland het 
I volgende overzicht. 


Economische en sociale toestand der bevolking. Verdeeling der personen, die een beroep uitoefenden, 

Arbeidsstatistiek (Nederland) naar bedrijven, waarin zij werkzaam waren. 


709 


Beroepshygiëne 


710 


fj-fi 

§ M 

*9 © 

ec co 

la 

TJ! 
■ — ' © 
§?Ë 

s 

S-s 

© 


§ 


§ 

O 



o® 

oqcq^cqo 2 0 cq ww i>oq 02^10 

CM 

I> iO t> ^ |> rH cq rH 02^ 00^ 

O 

co^ 

1 

0 

(M CO 
1-1 CO 

d rf tj- d od d h d i> d w h 

CM CO CO CO H 1-1 CM CM CO CM 

O* 

CM 

CM" D-" CO CO* rH O Th O rH Op" 

rH ^ rH CM CM CM H CO ^ 

rH 

id 

rH 

H 

+ 1 

+++++++++++++ 

+ 

+ 1 ++ 1 ++++++ 

+ 

+ 

§ 

ü 

«Tof 

rHr^iH^rH^oqCqTj^CM CM CO 00 

CM ^ C2 00 0 " jO o-" cm r-T cd of 0 " l> 

t> 

C2 CO O, O CM^ 00^ rH 02^ 02 00 CO 
r- CM* rH Cm" l>" CO CO" O O 

CM H CO CM CO CM 1-1 D- CO 

O 

rH 

cq 

id 

d 

1-1 co 

^ 00 CO rH ao co ^ vO CO co co 

rH 

CM 

rH 

g 


iH 


CM 



> 

1 1 

+ + “b 1 1 ++ | + + + + + 

+ 

+I++I I+++++ 

+ 

+ 

g 

0 co 

02 02 iq 1 -J H Ol I> lO H C5 QO 

rH 

cqcqc^^cqcqcoTj^o 10 co 

[>• 

cq 

1 

co" co' 
tH CO 

02 (D CO CO 05 rf oT io" O CM of 

1— 1 CO CM CMrl T-IHCMCO rH 

rH 

CM 

O t'- CM CM ld O cd i-T C^- rn" of 
rH Hi rH CO rH CM CO Tf 

id 

rH 

id 

rH 


+ 1 

+ + + H- + + + + + + + + + 

+ 

1 1 ++ 1 +++ | ++ 

+ 

+ 

1 

0 00 

s® 

CO O O 02 CM 02 00 02 CO C2 CM O CM 
OOOiOOMOHHOwJf^ 
0Q’H?O2I>-i-)COr^'^'^CMCMCMI>- 

O 

rH 

00 

§Ss3SSS?323gS 

OHCOt^CCHMOOCOCO 

§ 

iO 

CO 

iq 

-M 

£ 


S ^ ^ ^ ^ 55 0 * od 

CO kO CM O CO H iC co CM 00 CM H 

CM tH CM CM 

«d 

§3 

02*cdcodaoörHidcdcMt> 

CO H 02 C2 CM CM O» 00 'Hi CO rH 
CO CO CM rH CM 

id 

00 

rH 

id 

8g 




rH 


cd 


c 

.050 

643 

v0t>CMC0'rf00OC0CMI>--r-(rt02 
^Stoow^r-OO^CïiXM» 
▼H 02 iq CM CM 02 02 rH CO rH lO O 

00 

3 

COQOCOCOC^TjicprHrHCOCM 

CO CO C2 CM 02 Tf* 02 H' rH rH 

Hf 

03 

1 O 

02 

88 

s 

2 

<N 

CM CM ld rH aó CO rH CM ^ O CO 

I>- r-i CO CM 

1 

02 ^Tjï^coididrh id 
O 0 CO lOHCO 

l> 

CO 

CM 

02 

> 




1H rH CM 

t> 

02 

cd 

Ö 

© 

02 vO 
8« 

HCOT^COOOHHCO^lMHHCft 
O 02 tH O» CM CO 00 tH H 02 O 02 CO 
‘>r^T^rfi>iHr-iqcOkq^Hcqoo 

CM 

sg 

Q^COH|>C2iQCMQHr^ 

O-hCMtHCOOCMiOOOCM 

t>COwHq^HiOrit^q 

02 

ro 

O 

co 

co 

1 


od^öcdcdiHaóo2idooóo2id 

CM 10 CM lO O CO 'tIN hiQH 02 

CM CM rH 

id 

s 

d CM cd CO* ld 02 * 02 * CM* CM* 

& tH SP 03 7-1 ^ °° CO rH 

lO CM CM rH 

od 

rH 

f 

02 




tH 


CM 

cd 

1 

O 02 

SS 

22E^rj:r ,COi_,cf: > <:£ > Cvl ' F * 00 < = > ( > :| 

0 a aq m q O vj; © a 0 h i> h 

uO 

10 

rH 

’^r > -00l>C002Ocpu0C002 
HO Hr-a C2 CM 0 co O co 
iqiqc^iOcqOD^rlirH02 00 

§ 

co 

rH 

H 

td 0 

CO tH 

^COHHHdddd^cd 

CM 02 CM CM fO^O HCOHOO 

rH tH rH tH 

CO 

i 

CM 02 rH rH 02* CO CM* OC r-5 Tl5 rH 
£ï rH £:S? < ^’- , ^ <i OCMCM*H 
CO CM CM rH CM 

cvi 

CM 

O; 

1 




rH 


CM* 

cd 

g 

s 

O rH 

S8 

^(MvfHCOOCvQCiHHOlO 

SSS^^°°SgS^S0SS 

CM 

r- 

O 

ClC0r-rH000202Oi0C0iO 

rH 

S 

rH 

O 

d 

2 

> 

(N rH 

tH 1-5 cd rH 00 CM cd I> cd CM CO 
l>* CM rH 

9 

rH 

CM 

rH 

s 

id 

iQ 

cd 

c 

© 

s 

SS 

HiO[»Or*HC^HC001>00(M 

SS§8SSSSSS§lig2Jg 

1 

cmhhoooohcdom^ 

hJ* 02 0« CO rH OJ CO 00 02 CO O 

cqrH'HjcicqoocqiOc^oorr- 

CO 

D- 

lO 

iO 

co 

rH 

= 

etf 

cgoi 

1-t rH rH 

1 

CMO^^cd^ci-HCMOi'HÏcd 

CO rH O CO CM rH O CO CM 

iO CM CM rH 

ö 

s 

ö 

rH 






CM 

cd 


& 

c 

© 

© 

tüD 


T3 

S 


•& 

© 

fn 

bc 

O 

3 


-G 

.3 


"O 

© 

£ 


03 © 

c 3 T 3 
£ C 
© 

0 g 

5 * 

1 § 

9 G 

O O 

s 


ja 'O 


rs 

© 

PQ 


ö w p* . 

© GO 

3 © r 

w .C^-g • 

Cip O r . 

® e 

as ® g-s 

eö fl F a 

M © > -M 

\fg fl 05 

%££ g 

TiDis ^ 'S 

„ © P co 

© © - £* 
£ r 1 ^ 
£ © ! 

’P’S:; 


§> 


C 8 ( 8®0 . 

c g-g **« 

Psl 

g>g § 

•9 i 5 „ _ 

T 3 ^ C ^ 'O 

is • 5 Sb © 

eö >■ "H ja 

c 3 i eö *01 

> | 
© © o “ o 
>MM PQ 


I 

o ^ 

£ -9 

£ .bp 

ï s 


ö .>■ 

© 


.5 -ö 

* ^ 

tS g © 

3 


3g£ 

,ö «.5 c 

k S 


1o 

§J§ 

— I 


5 . S, 
3 o 

g -jg 

£ *r © 

Ss“ 

■W - 

j* -BS 

§ jj.2 

Ti o H 

g-ai 

•*J3 

Ö ” 2. 

T3 


S® &S 

O^ft H 


5=i 
. - © 
© o 
'm ^ 

"© g 

© cj 

© > 
W) 

c -5 

© Ti 

~ '9 






..W) . 

Ti 
• • Ti 


• . 




© 
. 40 






~ tüO 

• a 0 

. g 




.£ . 

. .3 


# # 




© 
. H3 






© ^ 
. o ^ 

» 




M 

0 






s 






2 .9 




© 

’ c 
© 

: :& 






* B 

Q 






• © ö 
N Pi C 


»Ö 

.9 


C H> 

fl 

!f A 

is 

| : ÊT 

.Q .-P 
T3 § 


fi 

© 

* ft 
© 

. P 


•| 

© 

•* 
© 

S-g 

ö a I a 

I S.s-g 

co . t -4 : 

_ m • © 0 


’£ 


.r 


•öJ| 

e8 © £ 

W>Ö 


© ' C ö . 

>>of 


lg 
s-s 

'ö ;§ * 

^aS -M 

© u. co 

&SJ 

JsS 


S 3 a 

o s c 

> f© CV 

© £ « 

X2 fe) - 

_ 5 2 s 

o3 © "Ö c 

-2 “ § t 

H O | g 
W P> 


711 Beroepshygiëne 712 


Jaarlijksche sterfte naar het beroep in Parijs, Engeland en Nederland per 1 000 van elke leeftijdsklasse 
(volgens Huinink). 


Beroep 

Parijs 1885 — ’89 

Engeland 1880— ’82 

Nederland 1891— 

’95. 

20-29 j. 

30 — 39 j. 

40— 49 j. 

25 — 45 j. 

45— 65 j. 

18-24 j. 

25 — 35 j. 

36— 50 j. 

Alle mannen .... 

11,1 

14,9 

21,2 

10,2 

25,3 

6,6 

7,0 

10,5 

Geestelijken .... 

5,0 

8,2 

9,0 

4,6 

15,9 

5,8 

5,5 

7,9 

Geneeskundigen 

9,9 

11,3 

9,8 

11,6 

28,0 

— 

8,0 

13,4 

Onderwijzers .... 

7,0 

8,5 

5,8 

6,4 

19,8 

4,6 

5,6 

6,8 

Bakkers 

12,4 

16,2 

24,4 

8,7 

26,1 

5,0 

6,6 

10,2 

Banketbakkers . . 

15,0 

16,5 

20,4 

— 

— 

5.9 

4,8 

7,5 

Tuiniers 

11,1 

13,6 

21,6 

6,5 

16,2 

5,0 

4,7 

8,0 

Koetsiers 

17.6 

21,5 

26,7 

15,7 

36,8 

7,9 

17,4 

23,0 

Voerlieden .... 

— 

— 

— 

12,5 

33,0 

5,3 

4,5 

9,0 

Kellners 




22,6 

55,3 

7,2 

11,5 

20,9 

Logementhouders . * i 

Tappers ’ i 

Slagers 

12,0 

21,2 

25,7 

18,0 

33,7 

6,5 

11,0 

11,2 

13.2 

16.3 

10,6 

14,0 

22,2 

12,2 

29,1 

3,5 

6,2 

8,6 


Ziekte- en sterftecijfers in verband 
niet het beroep moeten met groote voorzichtigheid 
behandeld worden, omdat andere oorzaken daarbij 
dikwijls niet uit te sluiten zijn. Zeldzame beroepen 
bijv. geven te kleine grondgetallen voor de berekening 
en sommige beroepen hebben een ouderdomsbezetting, 
die van grooten invloed is op het sterftecijfer (huis- 
eigenaren bijv. zijn meestal ouder dan 40 jaar). Soms 
oefent iemand naast zijn gewoon beroep nog een ander 
uit (barbier en begrafenisondernemer). Door de invoe- 
ring van machines is voor oorspronkelijk verschillende 
beroepen het verschil uit gezondheidsoogpunt wegge- 
vallen; of iemand als timmerman of als metaalbe- 
werker aan een draaibank staat, of een bakker een 
kneedmachine en een boekdrukker een drukpers 
hanteert, maakt in hygiënisch opzicht weinig verschil. 
Bij vrouwen heeft het geslachtsleven veel invloed op 
ziekte en sterfte. 

Winkeliers, winkelbedienden en kantoorbedienden, 
ambtenaren, geneesheeren, vrachtrijders hebben nog 
wel een zelfden werkkring als vroeger en kunnen wel 
statistisch meer betrouwbare gegevens op leveren. 
Mag men aannemen, dat hooge sterfte in hooge leef- 
tijdsklassen en geringe bij de jongelingschap (18—24 
jaar) in een zelfde beroep op nadeel voor de gezondheid 
wijst, dan zouden wat de werklieden betreft, bijv. 
schilders, smeden, slagers, meubelmakers, agenten 
en reizigers, bootwerkers, krijgslieden en ook land- 
bouwers een ongezond beroep uitoefenen; terwijl omge- 
keerd boekdrukkers, grondwerkers, timmerlieden, 
kleermakers, scheepsbouwers, zeevisschers en ambte- 
naren in een gezond bedrijf zouden werken. De ver- 
schillen zijn in deze gevallen echter niet groot en dus 
niet zeer bewijzend. Ongunstige cijfers vinden we ook 
bij Katli. geestelijken, vergeleken bij predikanten, en 
bij beroeploozen in vergelijking met arbeidenden, 
misschien omdat onder beroeploozen veel lichamelijk 
zwakken schuilen. In het algemeen zijn in het verloop 
der 20e eeuw mede door de sociale bemoeiingen de 
sterftecijfers belangrijk gedaald en dit geldt in ’t 
bijzonder voor geestelijken, geneeskundigen, onder- 
wijzers, bakkers, voerlieden en slagers. Chlorose als 
massaal verschijnsel in beroepen als winkeljuffrouw 
is zelfs verdwenen. Ter illustratie dienen hier eenige 
sterfte-statistieken, overgenomen uit Saltet’s Voor- 


drachten over Gezondheidsleer 1919, blz. 89 en 93. 

Om den belangrijken invloed van den ouderdom 
zooveel mogelijk uit te schakelen, werd in de tweede 
statistiek (der werklieden en bedienden) alleen reke- 
ning gehouden met personen beneden den 45-jarigen 
leeftijd. Tevens is in deze statistiek de sterfte aan 
tuberculose als meest belangrijke oorzaak weergegeven. 

Sterfte, gemiddeld in 1908-’11 per 1000 per jaar 
naar leeftijdsklassen, met vermelding tusschen 
haakjes der sterfte aan tuberculose van longen en 
larynx. 


Werklieden of bedienden 

18—24 

jaar 

25—34 

jaar] 

35-44 

jaar 

Alle beroepen 

3,67 

4,02 

5,48 

(1,67) 

(1,62) 

(1,44) 

Alle mannen 

4,05 

4,64 

5,70 

Boekdrukkers 

5,21 

5,06 

5,25 


(2,64) 

(2,95) 

(2,40) 

Grondwerkers 

4,69 

3,44 

4,90 


(1,74) 

(1,35) 

(1,08) 

Metselaars 

3,60 

3,82 

4,59 


(1,38) 

(1,37) 

(1,25) 

Timmerlieden 

4,26 

3,45 

5,14 


(1,81) 

(2,26) 

(2,59) 

Schilders 

4,27 

5,51 

6,98 


(2,21) 

(2,57) 

(2,21) 

Meubelmakers 

3,13 

4,12 

6,06 


(1,71) 

(1,68) 

(2,39 

Kleermakers 

6,03 

5,13 

4,38 


(3,47) 

(2,89) 

(1,88) 

Schoenmakers . 

6,60 

5,70 

5,58 


(3,27) 

(2,94) 

(1,79) 

Smeden 

4,67' 

6,06 

7,06 


(2,25) 

(2,80) 

(2,08) 

Machinisten 

3,92 

2,84 

4,60 


(0,95) 

(0,86) 

(0,72) 

Scheepsbouwers 

3,84 

3,62 

4,22 

(1,30) 

(0,89) 

(0,70) 

Textielarbeiders 

3,00 

4,46 

6,05 


(1,58) 

(2,37) 

(1,82) 

Bakkers 

2,73 

3,77 

5,08 


(1,07) 

(1,37) 

(0,77) 


713 


Beroepshygiëne 


714 


Werklieden of bedienden 
(Vervolg) 

18—24 

jaar 

25—34 

jaar 

35—44 

jaar 

Vleeschhouwers 

2,96 

3,88 

6,47 


(1,36) 

(1,48) 

(1,73) 

Tabaksbewerkers 

5,64 

5,93 

7,74 


(3,55) 

(3,06) 

(2,26) 

Landbouwers 

3,62 

4,16 

5,85 


(1.55) 

(1,63) 

(1,38) 

Zeevisschers 

4,57 

3,72 

4,06 


(1,62) 

(1,27) 

(1,14) 

Kooplieden 

2,51 

2,31 

3,28 


(1,53) 

(1,14) 

(0,78) 

Agenten en reizigers 

1,88 

2,88 

6,05 


(0,94) 

(0,86) 

(1,41) 

Spoor en tramwachters. . . . 

6,83 

3,61 

5,88 


(1,77) 

(1,46) 

(1,55) 

Voerlieden 

2,71 

3,33 

4,64 


(0,98) 

(1,39) 

(1,51) 

Bootwerkers 

3,34 

4,25 

5,94 


(1,39) 

(1,43) 

(1,36) 

Binnenschippers 

4,59 

6,98 

6,79 


(1.11) 

(1,59) 

(0,83) 

Magazijnbedienden 

2,54 

2,34 

4,05 


(1,07) 

(1,00) 

(0,99) 


Geleerde 

beroepen 

18—24 

jaar 

25—34 

jaar 

35—44 

jaar 

45-54 

jaar 

55—64 

jaar 

Geneeskundigen 






en veeartsen . 


3,30 

4,37 

10,09 

34,31 

Onderwijzers . . 

2,86 

(0,65) 

3,32 

(0,19) 

3,92 

(- ) 
8,64 

(1,96) 

24,13 

(1,62) 

(1,32) 

(1,02) 

(1,37) 

(1,90) 

Predikanten . . 

2,92 

3,75 

14,64 

31,63 

Kath. Geestel. . 


(- ) 
4,21 

(0,63) 

5,35 

(1,08) 

16,61 

(0,75) 

44,68 

Krijgslieden . . 

3,47 

(2,53) 

3,91 

(0,63) 

6,74 

(1,31) 

15,71 

(2,13) 

67,82 

(1,18) 

(1,26) 

(1,72) 

(2,63) 

(3,40) 

Ambtenaren van 
Rijk, Gemeen- 
te en Water- 






schap .... 

4,06 

3,05 

4,73 

9,31 

25,76 

(2,16) 

(0,89) 

(0,74) 

(0,96) 

(1,49) 

Rechtswezen, 

advocaten, 






notarissen . . 


2,79 

4,21 

10,08 

41,30 

Alle beroepen . 

3,67 

(1,04) 

4,02 

(0,53) 

5,48 

(0,56) 

10,49 

(1,33) 

24,42 

(1,67) 

(1,62) 

(1,44) 

(1,79) 

(2,27) 


Ned. Recht. Wettclijko maatregelen ter voor- 
koming van hygiënische en sociale nadeelen van den 
arbeid en het beroep zijn voor Nederland o.a. vastge- 
legd in de Arbeidswet 1919 en daaruit voort- 
vloeiende algem. maatregelen van bestuur. Zoo bevat 
deze wet: 1° bepalingen ter beperking van den arbeids- 
duur (in fabrieken en werkplaatsen niet meer dan 
8 1 / 2 uur per dag en 48 uur per week); 2° voorschriften 
omtrent het verrichten van arbeid, die gevaar oplevert 
voor de gezondheid, zedelijkheid of het leven van de 
arbeiders, in het bijzonder van jeugdige personen en 
vrouwen ; 3° arbeidsverbod voor leerplichtige kinderen 
en voor alle kinderen beneden een bepaalden leeftijd 


(14 jaar); 4° bepalingen, noodig om de naleving der 
voorschriften te controleeren en te verzekeren. 

Onder arbeid verstaat deze wet alle werk- 
zaamheden in een onderneming. De wet is nog niet 
op alle soorten van arbeid toepasselijk verklaard. 
Voor sommige ondernemingen zijn de voorschriften 
in afzonderlijke wetten belichaamd, zooals voor den 
steenhouwersarbeid in de Steenhouwerswet 1921, 
voor den havenarbeid ten deele in de Stuwadoorswet, 
voor den mijnarbeid in de Mijnwet 1903. De werkzaam- 
heden van den patroon en van zijn echtgenoote zijn 
niet aan beperkende bepalingen onderworpen, behalve 
in het bakkersbedrijf. De reeds genoemde Veiligheids- 
wet dient ook tot bescherming van den arbeid, terwijl 
de Hinderwet last en schade voor omwonenden tracht 
te verhinderen. In 1932 is ook de Winkelsluitingswet 
in werking getreden. 

Het toezicht op de bepalingen der Arbeidswet 
en den opsporingsdienst is opgedragen aan verschillen- 
de ambtenaren, waarvan de directeur-generaal aan het 
hoofd staat. Verder zijn er aan verbonden inspecteurs, 
ingenieurs, scheikundigen, landbouwkundigen en ook 
vijf geneesheeren met den titel van medisch-adviseur 
of geneeskundige bij de arbeids-inspectie. De wet 
verplicht ook de gewone niet-ambtelijke geneesheeren 
tot aangifte van beroepsziekten, een verplichting, 
waaraan echter dikwijls niet gedacht, althans niet 
voldaan wordt. De geneesheeren -ambtenaren der 
arbeidsinspectie verrichten blijkens het Centraal 
Verslag talrijke onderzoekingen en keuringen van 
mannelijke, vrouwelijke en jeugdige werkers en werk- 
sters in fabrieken en van de inspecteurs en ingenieurs 
kan, vooral nu aan de technische hoogeschool te Delft 
ook technische hygiëne wordt gedoceerd, op den duur 
meer inzicht en belangstelling voor beroepshygiëne 
en beroepsziekten verwacht worden; maar er is op dit 
gebied nog zooveel te onderzoeken en te verbeteren, 
bijv. omtrent fabrieksruimten, verlichting, reinheid, 
ventilatie, temperaturen, schade door dampen, 
gassen, stof en giftig materiaal, dat een centraal 
instituut, waar onderzoekingen kunnen worden ver- 
richt en door de ambtenaren kennis kan worden opge- 
daan, zeker niet overbodig zou zijn. 

L i t. : W. J. H. Huinink, Verg. Studie van de sterfte 
naar het beroep in Nederland en eenige andere landen 
(dis8., 1899) ; H. Westergaard, Die Lehre von der Mor- 
talitat und Morbiditat (1901) ; R. Prinzing, Handbuch 
der medizinischen Statistik (1906) ; S. Rosenfeld, Zur 
Gesundheitsstatistik der Berufe (1907) ; Krankheits- 
und Sterblichkeitsverhaltniese in der Ortskrankenkasse 
für Leipzig und Umgebung (Berlijn 1910) ; C. M. Kleipol, 
Critische beschouwing over beroepsziekte- en beroeps- 
sterftestatistiek (diss., 1912) ; Bijdrage tot de Statistiek 
van Nederland (1917, no. 247 v.h. Centr. B. voor de 
Statistiek) : Causes of Deuth by Occupation U.S. Depart- 
ment of Lubr (1917) ; E. W. Hope, Industrial Hygiene 
und Medicine (1923) ; L. Heyermans, Handleiding tot de 
kennis der Beroepsziekten ( 2 1925) ; Centraal Verslag der 
Arbeidsinspectie (1931) ; P. Stapel en J. J. A. de Koning, 
Leerboek voor de Politie (1932) ; R. Bromberg, Over 
de be drijf sziekten en hare sociale beteekenis ; J. Berthil- 
lon, De la morbidité et de la mortalité par professions. 
Transaction 7 Int. Congres of Hygiene Demogr. 

Droog. 

Beroepshygiëne in België. De b. wordt in de Bel- 
gische arbeidswetgeving geregeld door een zeker 
aantal wetten en Kon. Besluiten, die tot doel hebben: 
1° maatregelen te treffen om de veiligheid en de 
gezondheid van de werklieden te bevorderen, en 2° 
de eerste hulpmiddelen te bepalen, die bij ongevallen 


715 


Beroepskeuze 


716 


in de handels- en nijverheidsondernemingen dienen 
toegepast te worden. Het meeste belang biedt het 
Algemeen Reglement van 30 Maart 1905. Dit voorziet 
o.m. maatregelen aangaande de gezondheidsvoor- 
waarden der localen: luchtvoorziening, verlichting, 
verwarming, zindelijkheid en droogte der werkhuizen; 
maatregelen tot voorkoming van de gevaren, opge- 
leverd door machines: beschutting voor vliegwielen, 
cylindertrommels, assen, riemen, kabels en andere 
bewegingsorganen; maatregelen tot voorkoming van 
de gevaren, veroorzaakt door heftuigen en kabelbanen: 
verplicht jaarlijksch onderzoek nopens den weerstand 
der kabels, remmen en pallen; maatregelen tot voor- 
koming van verstikking in gasuitwasemende plaatsen, 
enz. 

Dit Algemeen Reglement werd herhaalde malen 
herzien en aangevuld, o.m. door het K. B. van 28 Mrt. 
1919 op de stoomketels en door het K. B. van 28 Dec. 
1931 op het aan leggen van electriciteitsgeleidingen. 
Het eerste heeft tot voornaamste do«d de voorkoming 
van explosie door te hooge stoomdrukking of door 
droogstaan der ketels. Het tweede beoogt vooral het 
voorkomen van brand door kortsluiting en electrocutie. 

Andere wetten en K. B. voorzien voorschriften voor 
bepaalde bedrijven, beschouwd als bijzonder gevaarlijk 
of ongezond; onder deze dienen geciteerd: samen- 
geordende wetten op de mijnen, steengroeven en 
graverijen (15 Sept. 1919); wet en Kon. Besluit op 
de steenbakkerijen (wet 30 Aug. 1909 en K. B. 4 Juli 
1925); wet en Kon. Besluit op de lucifersfabrieken 
(wet 30 Aug. 1919 en K. B. 1 Juni 1920); wetten 
en Kon. Besluiten op het gebruik van loodwit en 
andere loodhoudende kleurstoffen; wetten en Kon. 
Besluiten op de stapelplaatsen en fabrieken van 
springstoffen, enz. De eerste hulpmiddelen, die bij 
ongevallen in de handels- en nijverheidsondememing 
gen moeten toegediend w r orden, maken het voorwerp 
uit van een Kon. Besluit van 16 Jan. 1932. Daarin 
wordt voorzien: o.m. dat in iedere gevaarlijke of 
ongezonde handels- of nijverheidsonderneming steeds 
een verbandtrommel moet voorhanden zijn, waarvan 
de inhoud verandert naar gelang den aard en omvang 
van het bedrijf. 

Naast deze wetten en K. B. kent de Belgische 
arbeidswetgeving zekere andere wettelijke voorschrif- 
ten, die onrechtstreeks bijdragen tot de verhoog ing 
van de beroepshygiëne. Hieronder dienen gemeld: 
de wet op den arbeidsduur (> Achturenwet); de wet 
op de Zondagsrust; de wet op den arbeid van vrouwen 
en kinderen; de wet op de werkhuisreglementen; 
het toezicht van de fabrieken en werkhuizen 
(> Arbeidsinspectie), enz. 

L i t. : Destrée, Ballet, Soudan, Janson, Code du 
Travail (2 dln. Brussel 1924) ; H. Velge, Eléments de 
droit industriel beige (3 dln. Brussel 1927-1929). 

Rondou . 

Beroepskeuze is het nemen van een beslissing 
met betrekking tot den toekomstigen maatschappe- 
lijken werkkring. Bij deze beroepskeuze kunnen ver- 
schillende motieven een rol spelen. In vele gevallen 
treft men dienaangaande valsche motieven. Zoo in 
geval de natuurlijke ontwikkeling meebrengt., dat een 
eigenschap zich op een bepaalden leeftijd sterk ont- 
wikkelt en op den voorgrond treedt en ouders ten 
onrechte besluiten tot bijzondere begaafdheden van 
hun kind in die richting. Het meest constateert 
men dit op het gebied van technischen aanleg bij 
jongens tusschen 10 en 16 jaar. 


De motieven, die de b. behooren te bepalen, zijn 
aanleg, sociaal -economische omstandigheden en econo- 
misch perspectief. De psychotechniek houdt er zich 
mee bezig den aanleg van een persoon te bepalen, en 
wel aanleg in zijn breedsten zin. In tegenstelling met 
de meeste scholen, die alleen den verstande lijken 
aanleg meten, tracht zij rekening te houden met alle 
begaafdheden en bekwaamheden. 

Deze taak van de psychotechniek is omvangrijk, 
omdat zij voor eiken persoon, wat betreft den aanleg, 
een keuze moet doen uit een zeer groot aantal mogelijk- 
heden. De voordeelen van een deskundige voorlichting 
op dit gebied zijn, dat de deskundige beter den aanleg 
kan bepalen, dat hij veel meer beroepen en mogelijk- 
heden kent en dat hij tevens op de hoogte is van oplei- 
dingsmogelijkheden. Wat betreft de lichamelijke 
geschiktheid zal een medisch onderzoek in vele geval- 
len gewenscht zijn. 

De sociaal-economische omstandigheden gelden 
als motief bij de beroepskeuze in zooverre de meeste 
kinderen ongeveer in den beroepsrang willen en 
moeten blijven als hun ouders. Kosten, verbonden 
aan de opleidingen, wegen hier meestal zwaar. Het 
economisch perspectief van een beroep is van belang, 
omdat men rekening moet houden met de mogelijk- 
heden in de toekomst en met de eventueele risico’s. 

De b. wordt meestal niet door den persoon zelf 
gedaan, maar door de ouders. In somm'ge gevallen 
trachten dezen rekening te houden met de belangstel- 
ling der kinderen, doch deze belangstelling is vaak on- 
gemotiveerd, omdat zij gebaseerd is op valsche voor- 
stellingen van het beroep. De b. is vooral de laatste 
jaren urgent geworden, omdat de beroepskansen in 
vele gevallen zijn gedaald en omdat een verkeerde 
keuze moeilijker dan voorheen te herstellen is. 

de Quay . 

Beroepskeuze in België. De uitdrukking beroeps- 
keuze wordt niet altijd in dezelfde beteekenis gebruikt. 
In beroepskeuze wordt wel eens beroepsbolang omvat; 
zoo ook brengt men soms de selectie van personeel 
onder den inhoud van beroepskeuze. Zonder aan 
theoretische beschouwingen te doen, moet toch gezegd, 
dat deze bijdrage zich bepaalt bij volgende beteekenis: 
wat practisch gedaan wordt om, op grond van studie 
en kennis der beroepen, tezamen met bet onderzoek 
van de individuen — kinderen of volwassenen — 
de meest aangepaste beroepen te vinden. Beroeps - 
belang, beroepsonderwijs en selectie komen bijgevolg 
niet in aanmerking. 

De practijk van de b. in België is gegroeid uit het 
privaat initiatief. De studie van dit veelzijdig vraag- 
stuk werd voor het eerst ondernomen in 1910 in een 
paedagogisch milieu, de „Société Beige de Pédo- 
technie”. 

De gedachte groeide uit de vaststelling, dat de 
meeste kinderen een beroep kozen zonder onderscheid, 
onwetend over de eischen van de beroepen en over 
hun persoonlijken aanleg. In 1912 kw r am het eerste 
bureau van b. tot stand, met als bijzondere mede- 
werkers dr. Decroly en de heer Christiaens. De wereld- 
oorlog kwam die werking onderbreken, doch in 1922 
heeft het bureau zijn werkzaamheden hervat. Dit 
bureau heeft verschillende filialen in de voorsteden 
van Brussel, het publiceert een driemaandelijksch 
tijdschrift: Bulletin trimestriel de 1 ’off ice inter- 
communal pour 1’orientation professionnelle. 

De practijk van de b. heeft zich verder verspreid 
in de verschillende sociale kringen. Sinds 1926 bestaan 


717 


Beroepskleding — Beroepsorganisatie 


718 


er bureau ’s voor raadpleging in sommige gewestelijke 
sociale secretariaten, zooals: te Brussel (voor meisjes 
en voor jongens) en ook te Antwerpen. In de K.A.J. 
(Katholieke Arbeidersjeugd) is ook sinds enkele jaren 
zeer ernstig werk verricht ten bate van de b. Eindelijk 
is de bekommering voor de b. tot in de school zelf 
doorgedrongen op verschillende wijzen: sommige, 
zooals de Hoogeschool van den Arbeid te Charleroi, 
doen zelf aan b., andere trachten bij te dragen tot 
een betere keus door voordrachten over het beroeps- 
leven aan de kinderen te geven vooraleer zij de school 
verlaten, en ook door ouders en kinderen aan te zetten 
om raad te vragen in de bureau ’s van b. De methoden, 
gebruikt door de verschillende organismen, komen 
neer op waarneming, onderzoek en vragenlijsten. 
Altijd heeft er een geneeskundig onderzoek plaats en 
soms bepaalt men zich daarbij tot wat het wetenschap- 
pelijk onderzoek betreft. De waarnemingen en de 
resultaten van onderzoek worden aangebracht in de 
verschillende deelen van de vragenlijst. De onder- 
deden van de ingevulde vragenlijst brengen op die 
wijze aanduidingen samenkomend van: den belang- 
hebbende, geneesheer, ouders, school en aangestelde 
van het bureau. Er bestaat in België geen verplichting 
voor de kinderen om zich naar het bureau van b. te 
begeven; nochtans is het aantal bezoekers steeds 
toegenomen. 

Van officieele zijde is er belangstelling vermits 
sommige instellingen voor b. een toelage ontvangen 
van het Ministerie van Arbeid. 

L i t. : R. Delrue, Beroepskeuze en arbeidersselectie. 
Gids op maatschappelijk gebied (Mei 1928) ; A. G. 
Christiaens, L’orientation professionnelle en Belgique ; 
Dix conférences sur l’orientation professionnelle (Parijs, 
89). Delrue. 

Beroep sklccding voor de vrouw. Een 
eenvoudige, practische, sterke, waschbare japon of 
japonschort; als hoofdbedekking een muts of doek, 
die om het hoofd geknoopt wordt; als voetbekleeding 
stevige, ruime schoenen met lage hakken. 

v. Oerle-Nipper. 

Beroepsleger (N ed. Recht), > Leger. 

Beroepsmisdadiger. De misdadigers worden 
ingedeeld in gelegenheids-, gewoonte- en beroeps- 
misdadigers. Beroepsmisdadigers zijn zij, die doel- 
bewust een of meerdere soorten van misdaad ais 
beroep uitoefenen. Bijv.: heler, woekeraar, prostituée. 

Beroepsmisdadigheid, > Beroepscriminali- 
teit. 

Beroepsmoraal beteekent het samenstel van 
bijzondere moraa Regelen, die hun toepassing vinden 
bij de uitoefening van een bepaald beroep. Elk beroep 
toch betreft een bijzondere categorie van handelingen 
en wordt daarom — niet door een andere moraal dan 
hiervan onderscheiden beroepen — maar door een 
bijzondere toepassing der algemeen geldende moraal- 
regelen op zijn speciale materie beheerscht. Zoo is er 
een beroepsmoraal voor geestelijken, kooplieden, 
artsen, magistraten, enz. Maar soms wordt ook als 
zoodanig aangeduid het samenstel van normen, die 
krachtens conventioneele fatsoenlijkheidsopvattingen, 
al dan niet in verband of in overeenstemming met de 
echte moreele gedragsregelen, voor een bepaald beroep 
als verplichtend gelden, wil aan de beroepseer vol- 
daan worden; menigmaal betreft dit formalistische 
wetten, op gewoonte of uiterlijkheid berustend; 
menigmaal echter zijn het ook zekere gedragswijzen, 
die in laatste instantie in het belang der beroeps- 


genooten en tot juiste beoefening van het beroep zelf 
gevorderd worden. Weve. 

Beroepsorganisatie beteekent de ordening 
der beroepen, dus van de onderscheidene takken van 
werkzaamheden, die gezamenlijk de maatschappij 
der menschen vormen. Dit geschiedt dan vooral door 
vereeniging van de groepen dergenen, die tot een 
zelfde beroep behooren. Door zulk een uitbouw der 
beroepsstanden moet ten slotte de geordende staat 
weer het aanzijn krijgen, die nl. niet uit los van elkaar 
staande individuen noch uit elkaar bestrijdende 
klassen of groepen bestaat, maar uit het evenwichtig 
verband tusschen maatschappelijke formaties, die 
elkaar aanvullen, elkaar noodig hebben en met elkaar 
samenwerken. Die organisatie dient dan vooreerst 
tot bevordering der verschillende beroepsbelangen en 
van het moreele, maatschappelijke en economische 
welzijn der leden, maar dan ook tot richt ige beharti- 
ging van het algemeen welzijn, ^waartoe allen hebben 
mee te werken. Het is van belang, dat de beroeps- 
organisatie worde voltrokken niet in den zin van een 
corporatieven staat, waarbij de op te richten beroeps- 
standen of andere organen staatsinstellingen zijn, 
ware organen van den staat, van boven af gevorderd 
en door ambtenaren geleid, maar in den zin van een 
corporatieve maatschappij, waarbij de ordening van 
het beroepsleven in handen ligt van de georganiseerde 
beroepsgenooten zelve. Geheel iets anders is de eisch, 
dat de beroepsstanden ten slotte een publiekrechtelijk 
karakter moeten krijgen, dus met verordende bevoegd- 
heid in eigen kring behooren te zijn toegerust, maar 
zulks door decentralisatie van de publieke macht, 
niet door uitbreiding of monopolie van de politieke 
staatsmacht. Zóó pas ontstaat opnieuw een vrije 
maatschappij en wordt de staat tot een geheel met 
eigen zelfstandige werking der onderdeelen, zooals 
het aan een organisme van redelijke wezens past en 
zooals de sociale wijsbegeerte met haar stelling om- 
trent de „subsidiaire” werkzaamheid der hoogere 
organen altijd geëischt heeft. Hieronder immers wordt 
verstaan het beginsel, dat een hooger of breeder maat- 
schappelijk orgaan slechts heeft ter hand te nemen, 
wat het lagere, meer beperkte niet vermag; zoodat 
altijd en over geheel de linie het initiatief van onderen 
af dient te beginnen. 

Dit alles betreft het denkbeeld van beroepsorgani- 
satie in het algemeen. Daarnaast wordt aan het woord 
wel een minder ruime zin toegekend naar de mate 
van den oogenblikkelijken stand van de organisatie 
der beroepen in de verschillende landen en dus van het 
concrete karakter der reeds bestaande organismen. 
Men kan nl. al wat ter verzorging der maatschappelijke 
of stoffelijke behoeften van bedrijfs- of vakgenooten 
aan vereenigingen gesticht wordt, reeds beroeps- 
organisatie heeten. En omdat zulke groepeeringen 
soms nog maar een beperkte taak hebben en pas verre 
voorbereidingen zijn tot de eigenlijke beroepsorgani- 
satie, die ten slotte het herstellen is van het organische 
staatsgeheel, daarom wordt in dit geval onder de be- 
roepsorganisatie iets anders verstaan dan wat hier- 
boven werd uiteengezet. Zij is dan ook iets anders 
dan bedrijfsorganisatie, die in het eerste geval als een 
onderdeel der algemeene, alle vakken omvattende b. 
beschouwd wordt. ->■ Bedrijfsorganisatie. Weve. 

Beroepsorganisatie in Nederland. Tot de b., opge- 
vat in de laatstgenoemde beteekenis, behooren de 
vakvereenigingen van arbeiders, middenstanders en 
werkgevers, maar niet de standsorganisaties dezer 


719 


Beroepsoriënteering — Beroepsscholen 


720 


volksgroepen, noch de arbeiders -coöperaties en andere 
algemeen -sociale instellingen. Evenmin financieele 
instellingen als landbouwbank en middenstandsbank, 
omdat deze geen beroeps- maar standsbelangen ver- 
zorgen. 

De b. omvat anderzijds wél de coöperaties of stich- 
tingen, door de organisaties van landbouwers in het 
leven geroepen, voor den collectieven aankoop van 
meststoffen en veevoeder, en den verkoop van land- 
bouw- en zuivel-producten. Dit alles geldt het beroep. 
Ook behooren tot de b. productie- en verkoop -organi- 
saties in den vorm van trusts en kartels, die zich tot 
eenzelfde beroep beperken. Het ontstaan der b. is de 
natuurlijke correctie op het individualisme der libe- 
rale school. In een proeftijd van vallen en opstaan is 
de b. allengs tot vervolmaking gekomen en voert de 
volkshuishouding naar een meer gebonden en solidaris- 
tische economie. Aanvankelijk werd de b. bevrucht 
door het negatieve spel van aanval en verweer in de 
verhoudingen tusschen groepen en standen, maar naar- 
mate de volkshuishouding aan het liberale individua- 
lisme ontgroeit, gaat ook de practijk van den klassen- 
strijd wijken voor een meer solidaristische beheersching 
der sociale en economische verhoudingen. Het allen 
tegen allen wordt door de b. uit de samenleving ver- 
drongen, om langzaam plaats te maken voor strevin- 
gen, die zich richten op de belangen der volksgemeen- 
schap als geheel. De opkomst der moderne b. dateert 
in Nederland vnl. sedert de Wet van 22 April 1855 
(Stbl. 32) tot regeling en beperking van het recht 
van vereeniging en vergadering, 
nader aangevuld en gewijzigd bij de wetten van 14 
Sept. 1866 (Stbl. 123) en 15 April 1886 (Stbl. 64). 
Reeds ouder zijn de typographenvereenigingen te Den 
Haag (1843) en Amsterdam (1849). De eerste nationale 
vakbond — van typographen — werd opgericht in 
1866. De b. onder de werkgevers ontstond grootendeels 
later; met uitzonderingen als de reedersvereeniging 
in het visscherijbedrijf te Scheveningen (1812), de 
organisatie van goud- en zilversmeden (1864) en van 
de schilderspatroons (1880). De jongste, van regeerings- 
wege uitgegeven naamlijst (1926) vermeldt 460 ver- 
eenigingen van werkgevers op het gebied van handel 
en industrie, die alle van meer dan locale beteekenis 
zijn. 

De Kath. b. van werkgevers en middenstanders 
ontstond in 1917 — ’18; die op landbouwgebied echter 
reeds in de eerste jaren van de 20e eeuw. De b. der 
landbouwers is door haar instellingen sterk economisch 
georiënteerd, en in socialen geest minder ontwikkeld. 
Zij is grootendeels geconcentreerd in de drie groote 
centrale organisaties van Katholieke, Protestantsche 
en neutrale richting. Dit geldt ook voor de arbeiders 
in den landbouw, waarbij voor neutraal is te lezen: 
Sociaal-Dcmocratisch. De b. der landbouwers omvat 
groote bedrijven voor den handel in en verwerking 
van agrarische producten. Dit in tegenstelling met de 
b. der werkgevers, die grootendeels ontstond als middel 
van verweer tegen het streven der arbeidersbeweging. 
Dit doel trad aanvankelijk sterk op den voorgrond, 
doch haar karakter is allengs milder geworden, waartoe 
de eischen der realiteit en de opkomst der b. op Katho- 
lieken en Protestantschen grondslag hebben bijge- 
dragen. Met de ontwikkeling in omvang en innerlijke 
kracht is in de b. ook de onderlinge verhouding op 
hooger sociaal peil gekomen. De individualistisch- 
liberale en revolutionnair-socialistische uitersten 
zijn allengs op den achtergrond gedrongen en ver- 


vangen door een ten deele onbedoeld streven in meer 
solidaristische richting (> Arbeidersbeweging, Vak- 
beweging, Landbouworganisatie, Werkgeversorgani- 
satie, Werkliedenverbond). Kuiper . 

Beroepsorganisatie in België. Meestal verstaat men 
in België onder b. de organisaties, die zich wijden aan 
de behartiging der belangen van een bepaalde groep 
deelgenooten in het economisch leven: werknemers, 
werkgevers, landbouwers of middenstanders. 

Vooral tusschen de werklieden zijn deze 
organisaties, vakvereenigingen of syndicaten genoemd, 
zeer verspreid: de grootste helft der arbeiders in 
België maakt deel uit eener vakvereeniging. De 
machtigste groepeering is die der Socialisten, de 
Syndicale Commissie, vertakt in 24 centrales: zij 
vormt het hoofdbestanddeel der Belgische Werklieden- 
partij. Haar strekking is reformistisch, haar leden- 
aantal, dat in 1920 tot 718 000 steeg, daalde sindsdien 
tot 608 620 op 31 Dec. 1932. Daarna komt het Alge- 
meen Christelijk Vakverbond (A.C.V.), dat in den 
schoot der standsorganisatie der Katholieke arbeiders , 
hun beroepsbelangen verzekert; bestaat uit 17 cen- 
trales, en kende sinds 1918 een stijgenden opbloei 
(in 1920: 200 000 leden, in 1933: 330 000 leden). 
Enkele liberale en ook neutrale vakbonden zijn van 
jongeren datum en bereikten geen noemenswaardige 
resultaten. De pogingen, weleer aangewend om arbei- 
ders en werkgevers in gemengde groepeeringen te 
vereenigen, mislukten. 

Bij de landbouwers bestaan ook beroeps- 
organisaties, vnl. van den Belgischen Boerenbond. 
Eveneens vindt men bijzondere b. voor midden- 
standers, hetzij als onderdeden eener algemeene 
standsorganisatie als den Landsbond van den Christe- 
lijken Middenstand, hetzij als zelfstandige kleinere 
groepeeringen met meestal regionaal karakter (bijv. 
Grossisten-vereenigingen). De werkgevers in 
België zijn voor het meerendeel aangesloten bij het 
Comité Central Industriel, dat in alle gewesten, langs 
zijn Patronale Kamers om, de nijveraars ook volgens 
beroep organiseert. De Katholieke Werkgevers in het 
Vlaamsche land hebben in hun jongere standsorga- 
nisatie, nl. het Algemeen Christelijk Verbond voor 
Werkgevers (A.C.V.W.) ook ruimte gelaten aan b. 
voor bijzondere takken van nijverheid of groothandel: 
slechts enkele vereenigingen zijn tot nog toe opgericht 
en hun werking bleef zeer beperkt. > Beroeps vereen i- 
ging- 

Soms hecht men aan b. ook den zin van bedrijfs- 
organisatie of beroepsstand. 

In de ontwikkeling der b. valt in België eveneens 
een strekking tc bespeuren naar een solidaristische 
verbondenheid, die uitgaat boven bedoelden of opge- 
drongen klassenstrijd en principieel door de Katho- 
lieke organisaties, vooral in hun laatste uitingen, op 
den voorgrond wordt geplaatst. > België (Sociale 
inrichtingen); > Syndicalisme. 

L i t. : Rutten, Handboek voor Sociale Studie en 
Actie (Brugge) ; id., De sociale leer der Kerk (Antwerpen 
1932) ; Arendt, L’Action Syndicale (2 dln. Brussel 1933). 

V. Gestel. 

Beroepsoriënteering, > Beroepskeuze. 

Beroepsreclit van den medicus, > Ambts- 
geheim; > Mishandeling; -> Vivisectie. 

Beroepssoliolen of vakscholen zijn 
inrichtingen van onderwijs, die opleiden voor een 
bepaald beroep, vak of ambacht. Hun doel is den 
leerlingen de benoodigde theoretische en practische 


721 


Beroepssilhouette — Beroepstalen 


722 


vakkennis bij te brengen. Zij danken hun ontstaan 
aan de in het dagelijksche leven gevoelde practische 
behoeften. Daarmee hangt hun veelsoortigheid samen. 
Hun naam ontleenen ze meestal aan het vak, waarvoor 
ze opleiden. Zoo zijn er landbouw-, handels-, textiel-, 
technische, mijn-, kunst- en kunstnijverheidsscholen, 
opleidingsscholen voor de zeevaart, de binnenvaart, 
de visscherij. De ambachtsscholen leiden op voor een 
bepaald ambacht als timmerman, smid, electricien, 
enz. Voor de meisjes zijn speciaal bestemd de huishoud-, 
landbouwhuishoud- en nijverheidsscholen. Er zijn 
dag- en avondvakscholen en verder een groot aantal 
speciale beroeps- of vakcursussen. Voor België, 
> Technische scholen. Widdershoven. 

Berocpssllhouctte is een graphische voor- 
stelling van de eigenschappen, die voor de uitoefening 
van een bepaald beroep noodig zijn. Men maakt daarbij 
meestal gebruik van ster-diagrammen. De stralen 
vermelden de verschillende eigenschappen, terwijl 
de grootte wordt aangegeven door den afstand vanaf 
het middelpunt van het diagram. De aldus verkregen 
punten op de stralen worden met elkaar verbonden 
en het ingesloten deel wordt donker gekleurd. Het 
aldus verkregen b. geeft vlug en op aanschouwelijke 
wijze een overzicht van de beroepseischen. de Quay. 

Beroepsspccuiatie (beurstechnisch) is ver- 
zamelnaam voor die speculanten, die zich bij wijze 
van beroep met speculatieve transacties bezig houden 
en dus uiteraard in de techniek van den beurshandel 
en de beursspeculatie doorkneed zijn. 

Beroepsstaiic! is de georganiseerde eenheid 
dergenen, die eenzelfde beroep uitoefenen, of nog 
juister, tot eenzelfde beroep behooren. De volmaaktere 
vorm van beroepsstand toch, omdat al degenen, die 
in een bepaalde branche werkzaam zijn, mogen het in 
leidende dan wel in uitvoerende functies wezen: 
b. sluit dan in: hoofd- en handarbeiders, hoog en laag, 
patroon en arbeiders, zoowel als de beambten en al 
degenen, die in een specialen tak van bedrijf (of andere 
werkzaamheid) hun levensonderhoud verdienen. Wat 
de grondgedachte hiervan betreft (de gesloten eenheid 
nl. dergenen, die tot eenzelfde beroep behooren), 
dit karakter vertoonden o.m. de gilden en andere 
organismen der middeleeuwsche maatschappij. Bij 
den uitbouw eener ware organische maatschappij 
zouden deze beroepsstanden dan hun rol vervullen, 
doordat zij ten slotte als eenheid aller daarbij betrok- 
kenen over den gang van zaken in de onderscheidene 
bedrijven zouden hebben te beslissen, althans door 
vertegenwoordigende lichamen, zooals > bedrijfs- 
raden. In dezen zin valt dus de idee der beroeps- 
standen met die der corporaties van den „corpora- 
tieven staat” samen. Zij zijn dan iets anders dan de 
zgn. standsorganisaties, die bijv. alle arbeiders dwars 
over de verschillende beroepen heen omsluiten. Zij 
zijn tegelijk iets anders dan de vakvereenigingen, die, 
hoezeer enkel bedrijf sgenooten omsluitend, toch, daar 
zij bestaan uit enkel patroons of enkel arbeiders, te 
eenzijdig van samenstelling zijn, dan dat zij de eigen- 
lijke organische geledingen van het volledige corpora- 
tief opgebouwde geheel zouden kunnen zijn. De opvat- 
ting als zouden reeds, hetzij de vakbonden, hetzij de 
vier groote standsorganisaties de eigenlijke beroeps- 
standen zijn, is, hoewel indertijd door meerderen ver- 
dedigd, nooit sterk gefundeerd geweest en heeft nog 
aan beteekenis verloren sedert de Ene. Quadragesimo 
Anno geëischt heeft de toekomstige wording van 


bedrijfs schappen, „waarbij de menschen niet ingedeeld 
worden volgens de plaats, die zij op de arbeidsmarkt 
innemen, maar volgens de fimctie, die ieder vervult 
in de maatschappij”, vereenigd als zij zijn door „een 
samenvoegende kracht, vooreerst liggend in het feit, 
dat werkgevers en werknemers van eenzelfde bedrijf- 
schap gemeenschappelijk goederen produceeren of 
diensten verrichten, en vervolgens in het algemeene 
welzijn, waartoe alle bedrijfschappen zonder uitzonde- 
ring moeten meewerken”. In een minder strikten zin 
zou men ook alle beroepsorganisaties beroepsstanden 
noemen (> Beroepsorganisatie). Weve. 

Beroepsstoringen der stem, functioneele 
stemstoringen, die bij bepaalde beroepen of bij bijzon- 
der stemgebruik kunnen optreden. Men heeft storingen 
der spreekstem, die der kommandostem en die der 
zangstem. De symptomen bij storingen der spreekstem 
zijn: een spoedig optredend vermoeidheidsgevoel bij 
het spreken. Dit gaat bij ernstige gevallen over in een 
pijnlijk gevoel in de halsstreek, het voortdurend 
weigeren der stem, het tremoleeren der stem, met als 
ergsten graad: volkomen stemloosheid (> Aphonie). 
Bij de kommandostem vindt men bovendien, dat er 
veel liooger dan de gewone spreekstem gekommandeerd 
wordt, terwijl als storing der zangstem een onzuivere 
intonatie nog bijzonder karakteristiek is. 

v. Amelsvoort. 

Beroepstalen, een belangrijk onderdeel der 
groeptalen, onder > taalkringen besproken Men 
verstaat eronder de taalvariaties naar de verschillende 
beroepen of maatschappelijke posities. In haast ieder 
beroep bestaat de behoefte om speciale zaken nauw- 
keurig te benoemen, terwijl de alg. taal daartoe de 
uitdrukking mist. Vandaar in de b. eigen woorden 
en vaak een speciale beteekenis voor woorden uit de 
omgangstaal. Door hun beroeps- of > vaktalen kunnen 
beroepsgenooten zich van buitenstaanders onder- 
scheiden en ontstaat een nauwere band onderling. 
Hierdoor kunnen b. soms bewust als geheimtalen 
aangewend worden. De b. zijn voor de taalstudie van 
groot belang, daar het zgn. leven der taal zich hier 
veelal afspeelt. Door verkeer in woord en schrift 
hebben ze dan hun invloed op de alg. taal. Bij het 
tegenwoordige intense verkeer komt echter bijna 
iedereen ook in aanraking met vaktermen uit meerdere 
b., zoodat thans de bestudeering daarvan ook uit 
practisch oogpunt onmisbaar is. Groot nut heeft de 
studie der b. ook opgeleverd voor de klassieke taal- en 
literatuurkennis. 

De b. zijn te verdeelen in hoogere en lagere, daar 
voor ieder beroep niet een zelfde ontwikkeling ver- 
eischt is. Tot de hoogere b. rekent men bijv. de rechts- 
taal, priester-, dichter-, dokters- en kanselarijtaal. 
Een kenmerk is, dat deze b. meer vreemde en abstracte 
woorden bevatten dan de lagere b., waartoe bijv. 
hooren de boeren-, soldaten- en zeemanstaal, verder 
de dieventaal en alle ambachtstalen, alsook de tech- 
nische termen uit industrieele bedrijven. Enkele b., 
bijv. de handelstaal, zijn tot beide groepen te rekenen. 
Als een beroep tevens een stand uitmaakt (bijv. pries- 
ter, boer) kan men ook van standstalen spreken. 

Lit. : Voor de lit., > Taalkringen. Voor de b., 
die hier genoemd worden, zie aldaar. Bespreking 
van zeer veel b. met woordenlijsten bij v. Ginneken, 
Handb. der Ned. Taal (II). Ambachtstalen van steen- 
bakker, smid, timmerman, metselaar en loodgieter in 
het Vak- en Kunstwoordenboek (7 dln.) der Vlaamsche 
Academie. De vakwoordenb. der hoogere b. en Tech- 
nische talen worden gewoonlijk meer als compendia 


723 


Beroepsuitslag — Beroepsvereniging 


724 


voor vakmenschen dan uit taalbelangstelling geschreven. 
Niettemin zijn zo ook voor de taalstudie van nut! 

W. Janssen. 

Beroepsu it sla jj (*■ Beroepsziekten) is een 
huidaandoening, die optreedt als gevolg van den speci- 
fieken arbeid van den betrokkene. Men onderscheidt 
vsch. oorzakelijke momenten: mechanische (druk, 
wrijving), thermische (koude en vorst bij landarbeiders, 
koetsiers, warmte bij metaalgieters, enz.), stralende 
energie (licht, Röntgen, electriciteit) en chemische 
(verbranding, etsing, enz.). Vele beroepshuidziekten 
geven zoo typische afwijkingen, dat men op het 
klinisch beeld alleen al de diagnose kan stellen. 

Slechts een gedeelte der arbeiders, die met bepaalde 
praedisponeerende momenten in aanraking komen, 
krijgen beroepshuidziekte. Er bestaan dus praedispo- 
neerende individueele momenten. Bakkers- of cement- 
eczeem treedt maar bij een bepaald percentage der 
met die stoffen werkende arbeiders op. Op den duur 
kunnen ook gedeelten der huid, die niet direct aan de 
inwerking der schadelijke momenten zijn blootgesteld, 
toch ziekteverschijnselen gaan vertoonen. 

De behandeling van het b. stelt de volgende eischen: 
1° het elimineeren der schadelijke momenten, totdat 
geheel herstel is bereikt; 2° het opheffen der over- 
gevoeligheid of praedispositie, opdat bij het hervatten 
van den arbeid geen recidief optreedt; 3° het uitscha- 
kelen van secundair ziekmakende infecteerende 
kiemen. E. Hermans. 

Belg. Recht. De wet van 24 Juli 1927 op de 
beroepsziekte geeft geen bepaling van b. Zij voorziet, 
dat een K. B. de ziekten zal aangeven, die als b. moeten 
beschouwd worden, met opsomming van de bedrijven, 
in dewelke ze aanleiding geven tot vergoeding. De 
lijst der b. kan aangevuld worden door latere K. B. 
op advies van een technisch comité, bestaande uit 
geneesheeren, werkgevers en werknemers. In deze 
lijst worden van rechtswege opgenomen de b., die het 
voorwerp uitmaken van een Internationale Conventie, 
door België bekrachtigd. 

Heden worden in Belg. Sociale Wetgeving onder 
de beroepsziekten gerangschikt: 1° de intoxicatie, 
veroorzaakt door lood, door loodverb indingen en 
samenstellingen; 2° de intoxicatie, veroorzaakt door 
hot kwik, zijn legeeringen en samenstellingen; 3° de 
koolziekten; 4° de intoxicatie, veroorzaakt door 
phosphor en zijn scheikundige verbindingen; 5° de 
intoxicatie, veroorzaakt door arsenicum en de samen- 
stellingen er van; 6° de intoxicatie door koolsulfide; 
7° de intoxicatie door koolwaterstofverb indingen, 
behoorende tot de aromatische reeks of tot de vette 
reeks, met de rechtstreeksche gevolgen van die ver- 
giftiging; 8° de ziekelijke stoornissen, toe te schrijven 
aan radium of aan stoffen met radium of aan stoffen 
met radium -uitwerksels; 9° de ziekelijke stoornissen, 
toe te schrijven aan X-stralen; 10° de opperhuid - 
ziekten (Kon. Besluiten van 30 Jan. 1928 en 30 Juni 
1932 en minister ieele besluiten van uitvoering 2 Nov. 
1931, 31 Oct. 1932 en 26 Juli 1933). 

De wet op de b. volgt zoo nauw mogelijk de wet op 
de arbeidsongevallen, doch met zekere afwijkingen. 
Zooals voor deze laatste wordt voor de b. het grond- 
beginsel van het bedrijfsrisico aangenomen. De werk- 
nemer hoeft geenszins het bestaan van een fout van 
den patroon te bewijzen. 

Bij afwijking van het stelsel, voorzien voor de 
arbeidsongevallen, huldigt de wet op de b. de collec- 
tieve verantwoordelijkheid van al de bedrijfsleiders 


van dezelfde categorie. Derhalve zijn die gehouden, 
wettelijk vastgestelde stortingen te doen in een door 
den Staat ingericht Voorzorgsfonds. De individueele 
dekking van het bedrijfsrisico door private verzeke- 
ringsorgan ismen is uitgesloten. Het Voorzorgsfonds, 
dat de vergoedingen aan de slachtoffers uitkeert, 
ontvangt een regeer ingstegemoetkom in g voor eerste 
inrichting, bijdragen van de bedrijfshoofden, en 
een speciale staatstoelage in geval van tekort. De bij- 
drage van de betrokken bedrijfshoofden w r ordt jaarlijks 
herzien en vastgesteld door Kon. Besluit. Bij toepas- 
sing van het beginsel van het bedrijfsrisico w r ordt de 
vergoeding, die aan het slachtoffer verschuldigd is, 
berekend op een forfaitaire basis, die nagenoeg over- 
eenstemt met die, voorzien voor de > arbeidsonge- 
vallen. De aanvragen tot vergoeding moeten gericht 
worden tot het Voorzorgsfonds. In geval van betwis- 
ting wordt de zaak gebracht voor den vrederechter 
van het kanton, w r aarin het slachtoffer zijn woonplaats 
heeft. De rechtbank van den eersten aanleg oordeelt 
in beroep. 

L i t. : H. Velge, Les lois beiges d’assurance et de 
próvoyance sodales (Brussel 1933). Rondou. 

Beroepsvereenicjing (Belg. Recht). De 
Fransche omwenteling had de organisatie van de 
beroepen (ambachten en neringen) afgeschaft. De vrij- 
heid van vereeniging werd door de Belgische Grondwet 
opnieuw erkend. Eerst door de wet van 31 Maart 1898 
werd aan de beroepsvereenigingen een statuut gegeven. 
De wetgever is betrekkelijk terughoudend geweest en 
heeft slechts met aarzeling de nieuwe wegen ge- 
volgd. 

De w r et van 1898 bedoelt uitsluitend vereenigingen, 
die op een of andere wijze hun beroepsbelangen dienen. 
Alle politiek, economisch, mutualistisch of godsdien- 
stig doel blijft uitgesloten. Opdat een vereeniging 
van de voordeelen der wet van 1898 zou kunnen genie- 
ten, moet zij w r ettig erkend worden. De beroepsver- 
eeniging kan worden opgericht bij onderhandsche 
of bij notarieele akte. De vereeniging is vrij haar sta- 
tuten op te maken, zooals zij het goed oordeelt. Deze 
statuten moeten echter door den Mijnraad geënteri- 
neerd w r orden. Zij moeten dus in overeenstemming 
zijn met de w r et en met de openbare orde. Verder 
voorziet de wet van 1898 zelve een reeks bepalingen, 
die moeten voorkomen in de statuten van de vereeni- 
ging, die wil erkend worden. Vooral voor wat het 
beheer der vereeniging betreft, alsook het geldelijk 
bezit, eischt de wet, dat zekere bepalingen worden 
opgenomen in de statuten. 

Zoo zegt de wet, dat het mandaat der beheerders 
niet langer dan vier jaar mag duren ; dat vreemdelingen 
van het beheer uitgesloten blijven, dat vrouwen 
er aan deel kunnen nemen, dat de macht der beheer- 
ders moet vastgelegd worden in de statuten, dat 
benevens de gewone verantwoordelijkheid, de beheer- 
ders ook een strafrechtelijke verantwoordelijkheid 
hebben, enz. 

Eenmaal erkend, bekomt de vereeniging vele voor- 
deelen. Zij krijgt de rechtspersoonlijkheid; zij heeft 
het recht roerende goederen te bezitten en ook onroe- 
rende (alhoewel dit laatste aan beperkende maat- 
regelen is onderworpen), zij kan verbintenissen aan- 
gaan (natuurlijk binnen de' palen van haar eigen 
welomschreven werking), zij mag in rechte optreden, 
zij kan giften en legaten ontvangen (mits zekere 
voorwaarden te volgen), en eindelijk mag zij ook 
fabrieksmerken en handelsmerken bezitten. Ten slotte 


725 


Beroepsvorming — Berouw 


726 


regelt de wet de eventueele vereffening en de ver- 
deel ing der gelden. 

De wet op de b. heeft een stap gezet in de richting 
der beroepsorganisatie. Niettemin hebben de meeste 
vereen igingen van arbeiders en landbouwers er geen 
gebruik van willen maken, omdat de werking aan te 
veel beperkingen is onderworpen. Sommige beroeps - 
vereen igingen hebben gebruik gemaakt van de bepa- 
lingen van de wet van 1921 op de vereeniging zonder 
winstgevend doel, terwijl veel andere (de meeste) als 
feitelijke vereenigingen blijven bestaan. Vertessen. 

Beroepsvorming in het algemeen omvat de 
beroepsvoorbereiding en de eigenlijke beroepsvorming 
in engeren zin. De beroeps voorbereid ing is de funda- 
menteele vorming, ook wel algemeene vorming ge- 
noemd, die aan hoogere eischen moet voldoen naar 
gelang het beroep hooger is. Beroepsvorming in engeren 
zin is uitsluitend die vorming, die noodig is voor de 
volkomen uitoefening van het latere beroep. Deze 
begint, als het individu de keuze van een beroep 
gedaan heeft, hetgeen door innerlijke en uiterlijke fac- 
toren wordt bepaald. Het beroep zelf met zijn eischen 
en moeilijkheden leidt als doel de geheele vorming. 
Deze vorming kan geschieden in en buiten de school. 

p. Joannes. 

Beroepswet (N e d. Recht). In art. 75 der 
Ongevallenwet 1901 (art. 81 der Ongevallenwet 1921) 
werd bepaald: „Over de beslissingen, waartegen inge- 
volge de bepalingen dezer wet beroep openstaat, wordt 
geoordeeld door raden van beroep en in hoogste ressort 
door een college van het Rijk”; in die raden zouden 
werkgevers en werklieden zitten, terwijl verder alles, 
wat de samenstelling dier colleges en de procedure 
betreft, aan regeling bij een nadere wet werd opgedra- 
gen. Die wet is geworden de wet van 8 Dec. 1902, 
Stbl. 208, de Beroepswet. 

Art. 1 dier wet bepaalt, dat over de beslissingen van 
het bestuur der Rijksverzekeringsbank, waartegen 
ingevolge de bepalingen der Ongevallenwet beroep 
openstaat, bij uitsluiting geoordeeld wordt in eersten 
aanleg door > raden van beroep, in het hoogste ressort 
door een > Centralen Raad van beroep. Deze colleges 
zijn gaandeweg in diverse andere wetten ingeschakeld 
als rechtsprekende organen voor de geschillen, bij 
de toepassing dier wetten gerezen. Stoer . 

Beroepsziekte is een ziekte, waartoe de uit- 
oefening van een bepaald beroep bijzondere aanleiding 
geeft. > Beroepshygiëne. 

Ned. Recht. In de Ned. Sociale wetgeving 
worden b. behandeld als ongevallen, d.w.z. de schade 
door loonderving, die een arbeider tengevolge eener b. 
ondervindt, wordt hem vergoed volgens de regelen 
der > ongevallenwet en niet volgens die der > ziekte- 
wet. Sedert 1928 bevat de ongevallenwet eenige 
bepalingen over b. (art. 87a — 87d). Art. 87b noemt 
als b.: loodvergiftiging, kwikvergiftiging, miltvuur 
en mijnwormziekte en vermeldt voorts, welke beroepen 
tot ieder dezer ziekten bijzonder aanleiding geven. 
> Beroepshygiëne. Stoop. 

Beroerte (beslag, apoplexie), het plotseling 
optreden van min of meer uitgesproken bewusteloos- 
heid, dat met hoofdpijn en braken gepaard gaat en 
gevolgd wordt door een gewoonlijk halfzijdige ver- 
lamming. Bij verlamming van den rechterkant be- 
staat dikwijls tevens een stoornis van de spraak. 
Deze verlamming herstelt zich gewoonlijk in het 
verdere verloop weer gedeeltelijk. De b. berust op een 
aandoening van de hersenen. Doordat een bepaald 


hersengedeelte onvoldoende van bloed wordt voor- 
zien, treden aldaar veranderingen, dikwijls ook 
bloedingen op. De oorzaak kan gelegen zijn in 
bloedvaatveranderingen (> Arteriosclerose), in een 

> embolie, uitgaande van een slecht werkend hart, 
en in reeds tevoren bestaande hersenafwijkingen. Voor 
de behandeling is een juiste verpleging van het 
grootste gewicht, zoonoodig later gevolgd door de 
behandeling der overgebleven verlamming, v . Balen . 

Beroertcraad, > Raad van Beroerten. 

Berolina-apparaat, ontsmettingstoestel. Het 
bij verdamping van formaline vrijkomende gas, for- 
maldehyde, heeft in de omgeving van waterdamp 
een sterk desinfecteerend vermogen. Wordt gebruikt 
voor het ontsmetten van kamers, meubelen, bedde- 
goed, enz. Henneman. 

Bcronge, missie der Paters van Scheut, apost. 
vicariaat Leopoldstad. Volksstam: Bakonda-Eranga 
(Nkoendoe). Ongeveer 14 000 zielen. Gesticht 1931. 
Gedoopten (1932): 5 543. 

Bcrooken van voorwerpen dient in het volksge- 
loof om schadelijke invloeden te weren en zoo de 
vruchtbaarheid te bevorderen. Aan den rook van St. 
Jansvuren, St. Maartensvuren e.d. werd eenzelfde 
kracht toegeschreven. 

Berossos, Chaldeesch priester in Babylonië, die 
ca. 280 v. Chr. in zijn driedeelig werk Babulooniaka 
de astronomie en de geschiedenis van zijn volk vanaf 
de oudste tijden te boek stelde. De bij Joseph. Flavius 
en Eusebius bewaarde resten volstaan om de groote 
geschiedk. waarde van zijn werk aan te toonen, hoe- 
wel zijn dynastieënlijsten nog raadselachtig zijn. 

L i t. : P. Schnabel, Berossos u. die babyl.-hellenist. 
Literatur (II : Babulooniaka Berlijn-Leipzig 1923) ; 

Reallex. f. Assyriologie (II 1933, 1-17). Simons. 

B er o Ui (Beeroth = Putten), bijb. plaats in Pales- 
tina, die deel uitmaakte van den N. stedenbond, 
welke onder leiding van Gabaon streed tegen Josuë 
(Jos. 9). Hoewel de stad bij het gebied van Benjamin 
was ingedeeld (Jos. 18,2), bleef zij tot op Saul’s tijd 
min of meer onafhankelijk (2 Reg. 4.2; vgl. Jos. 9). 
Na de ballingschap keerden vele Joden naar B. terug 
(Esdr. 2,25). Vooral wegens de gelijkenis van naam 
wordt B. dikwijls geïdentificeerd met het huidige 
El Bire ca. 15 km ten N. van Jemsalem, doch mogelijk 
is ook het nabije El Dzjib (vgl. Gabaon) en vooral 

> Teil en Nasbe. Simons. 

Béroul 9 Bretonsch trouvère, de machtigste der 

Fransche Tristan- lichters, van het einde der 12e 
eeuw. Ondanks komische zetten, die, als de herhaalde 
toespraak tot de hoorders, aan een jongleur doen den- 
ken, treft zijn werk door de directheid, de aangrijpende 
kracht, de psychologische diepte van verhaal en voor- 
stelling. Slechts omstreeks 4 600 verzen blijven er 
van over. 

Uitg.: E. Muret (Parijs 1903) ; kleine uitg. m 
Classiques fr. du Moyen-dge (Parijs 2 1922). — L i t. : 
J. Bédier in diens inleiding op de uitg. van Thomas* 
Tristan (Parijs 1902-1905). V . Mierlo. 

Berouii, Tsjechische naam voor Boraiin (stad). 

Bero unk a 7 Tsjechische naam voor > Beraun 
(rivier). 

Berouw is een daad van den wil, die de zonde 
betreurt en verfoeit, met het > voornemen van 
niet meer te zondigen (Concilie v. Trente, sess. 14 
cap. 4). Luther had geloochend, dat leedwezen noodig 
was tot vergiffenis; zijn stellingen werden door Leo X 
(16 Juni 1520) veroordeeld. De Kerk leert dat, volgens 


727 


Berquin — Berruguete 


728 


de bestaande schikking Gods, nooit een zonde 
(zelfs geen dagelijksche) vergeven wordt zonder berouw. 

Het b. moet 1° waarachtig zijn, in den ern- 
stig gestemden wil. Het volstaat niet te goeder trouw 
te meenen een degelijk b. te hebben. Anderzijds behoeft 
het b. niet hevig of gevoelig te zijn. 

2° Het moet zoodanig zijn, dat de wil de zonde 
verafschuwt boven alle kwaad of ongeluk, 
m.a.w. dat men in het algemeen bereid is liever alles 
te lijden of te verliezen, ook het leven, dan God te 
vergrammen. Anders blijft de wil eenigszins aan het 
kwaad gehecht; wat de vergeving belet. Dit b. 
boven alles groot (do lor appretiative summus) 
is zeker niet zoo gemakkelijk, maar als de mensch 
door nadenken en bidden zijn best doet, zal God hem 
de daartoe noodige genade wel verleenen. 

3° Het b. moet algemeen zijn, zoodat het 
alle doodzonden omvat, wier schuld (reatus 
culpae) nog in de ziel aanwezig is, ofschoon wellicht de 
zondaar zich die fouten niet herinnert. Immers bij de 
grondstelling (zie boven): een onberouwde zonde 
wordt niet vergeven, komt nog deze tweede: een onbe- 
rouwde doodzonde is een beletsel tot vergeving van 
andere feilen. Doch een onberouwde dagelijksche 
zonde belet de kwijtschelding van andere fouten niet, 
en zoo is deze derde hoedanigheid van het b. (algemeen- 
heid) niet voor de dagelijksche zonden vereischt, 
wel echter de drie andere eigenschappen. 

4° Het b. moet bovennatuurlijk wezen, 
zoo nl. dat het verwekt wordt met de genade (die niet 
ontbreken zal) en om een beweegreden, voortkomende 
uit het geloof en eenigszins op God betrekking heb- 
bende. Het is dus niet genoeg leedwezen te hebben, 
omdat de zonde oneer of ziekte veroorzaakte; wel 
echter om de tijdelijke of eeuwige pijnen, waarmee 
God de zonden straft, of beter nog uit liefde tot Hem. 

Het b. is onvolmaakt (attritio) als het niet 
voortkomt uit eigenlijke liefde tot God, maar toch uit 
een bovennatuurlijke reden, bijv. de ongeregeldheid der 
zonde als met God tegenstrijdig zijnde, of de hel of 
andere straffen door God voor het kwaad opgelegd. 
Die gesteltenis is in zichzelf niet slecht (Trid. sess. 
14, can. 5 de sacr. Paen. ; zie ook stellingen door Alex- 
ander VIII en Clemens XI veroordeeld); ze bevat niet 
noodzakelijk een vrijwillige gehechtheid aan het kwaad. 
Onvolmaakt berouw is op zich zelf niet bekwaam 
om een doodzonde uit te wisschen ; maar met de abso- 
lutie in de biecht is het daartoe voldoende (Trid. 
sess. 14, cap. 4; zie ook de 25e en 36e stelling door 
Pius VI veroordeeld). Ook in het Doopsel van een 
volwassene is althans zulk berouw over zijn dood- 
zonden vereischt, maar ook voldoende, tot recht- 
vaardigmaking; hetzelfde leeren veel theologen 
omtrent de Sacramenten der levenden, bijzonder het 
heilig Oliesel, die men te goeder trouw in staat van 
doodzonde zou ontvangen. Eindelijk wie in staat van ge- 
nade is, kan door een onvolmaakt b. al of niet gepaard 
met gebed, boete en andere goede werken, in zekere 
maat vergiffenis van dagelijksche zonden bekomen. 

Een volmaakt b. (contritio perfecta, ot 
kortweg contritio) komt voort uit > liefde tot God 
(amor benevolentiae), volgens de bepalingen door de 
godgeleerden van deze deugd gegeven, telkens nl. als 
het den zondaar rouwt, omdat hij de Opperste Majesteit 
en Goedheid, in zichzelf oneindig beminnelijk, ver- 
gramd heeft. Zulk leedwezen is niet zoo moeilijk te 
verwekken, met Gods genade, als men wat nadenkt, 
als men van de gedachte van Gods weldaden opklimt 


tot de beminnelijkheid van den Gever zelf, of indien 
men Christus den Verlosser beschouwt, die niet alleen 
mensch, maar ook waarachtig God is. — Het volmaakt 
b. herstelt de ziel in staat van genade, ook buiten de 
biecht (Trid. sess. 14, cap. 4; zie ook de veroordeelde 
stellingen van Bajus), niet echter zonder eenig ver- 
band met de biecht, want door het volmaakt b. en de 
liefde Gods ernstig opgevat is de zondaar bereid (votum 
sacramenti) aan zijn stelligen plicht van zijn dood- 
zonden te biechten te voldoen. Het is van belang een 
volmaakt berouw te leeren verwekken, bijv. door 
oprecht gemeend de gebruikelijke „akte van berouw” 
op te zeggen, omdat dit leedwezen soms het eenig 
middel ter zaligheid is, nl. als een zondaar in stervens- 
gevaar verkeert zonder priester. — Dat wie in dood- 
zonde gevallen is, strikt verplicht zou zijn zoodra moge- 
lijk een volmaakt b. teverwekken (of te biechten) om 
niette hervallen, is niet met zekerheid bewezen; maar 
zulke handelwijze is ten zeerste aanbevelenswaardig. 

Het b. (volmaakt of onvolmaakt), door den zondaar 
verwekt, maakt in zekeren zin deel uit van het 
sacramenteele toeken in de biecht: het 
Concilie van Trente (sess. 14 cap. 3) noemt de daden 
van den biechteling (berouw, belijdenis, voldoening) 
quasi-materia, als het ware de stof van het sacra- 
ment. Daaruit volgt niet, dat het berouw moet ver- 
wekt met het oog op de absolutie, maar wel dat het 
eenigszins met haar moet verbonden zijn. Doch dit ge- 
beurt vanzelf, als de biechteling zijn zonden belijdt om 
er kwijtschelding van te bekomen (confessio dolorosa), 
en aldus tevens zijn b. uitwendig betuigt. Salsmans . 

Berquin, A r n a u d, Fransch dichter uit de -> 
prae-Romantiek. * 1749 te Langoiran, f 21 Dec. 1791 
te Parijs. De idyllen en romancen, waarin B. den 
Duitscher G e s s n e r navolgde, stonden om hun 
onnatuurlijke zoeterigheid weldra in ongunstigen roep 
(berquinades !). De Engelsche natuurpoëzie (T hom- 
s o n e.a.) werd door hem nagebootst. Het meest 
oorspronkelijk trad hij op in kindergeschriften en 
paedagogische romans. 

Voorn, werken: Sandfort et Merton ; Le petit 
Grandison ; L’ami des enfans (6 dln. 1784 vlg.) ; Le livre 
des families (1791). — U i t g. : Oeuvres (4 dln. Parijs 
1842). — L i t. : H. Broglé, Die französische Hirten- 
dichtung in der 2. Helfte des 18. Jahrhunderts (Leipzig 
1903). Baur. 

Berre. 1° Etang de Berre, meer in 
Zuid-Frankrijk bij Marseille, 200 km 2 , 3—10 m diep, 
zout water. 6 km lange verbinding met de Middel- 
landsche Zee (Rove-tunnel). 

2° Fransch stadje van 2 350 inw. met salinen- 
bedrijf en visscherij, in het dept. Bouches-du-Rhone 
(43° 30' N., 5° 10' O.). 

3° Riviertje bij Narbonne (Fr.), bekend om den slag 
aldaar geleverd in 737, waarbij Karei Martel met 
Longobardische hulp de Arabieren terugdreef. 

Berriais, Réné L e, Fransch tuinbouwkun- 
dige en schrijver. * 1722, f 1807. 

Berroia of V e r r i a, Grieksche stad (40° 32' N. 
22° 13' O.); 13 000 inw. Belangrijke katoen- en tapijt- 
industrie. 

Berruguete, 1° A 1 o n s o, Spaansch beeld- 
houwer, * ca. 1490 te Paredes de Nava (Palencia), 
f 1561 te Toledo; vertrok na 1506 naar Italië. Daar 
zou hij het carton van Michelangelo, de „Overrompe- 
ling bij Cascina”, gecopieerd hebben. Naar Spanje 
(Saragossa) teruggekeerd werd hij spoedig hofbeeld- 
houwer bij Karei V en werkte vnl. te Madrid, Granada 


729 


Berry — Bersabee 


730 


en Valladolid. Zijn menschenfiguren zijn sterk be- 
wogen, lang en mager. 

Voorn, werken: Christus’ Verheerlijking, in 

Ubeda ; Graf v. kardinaal Tavera, in Toledo ; deel v. h. 
koor v. d. kathedraal v. Toledo. — L i t. : Orneta, B. 
y su obra (1917) ; von Logan, Spanische Plastik (1923, 
21 vlg.). 

2° Pedro, Spaansch schilder, * ca. 1460 te 
Parades de Navas (Palencia), f ong. 1506; vader van 
Alonso. In Spanje kwam hij sterk onder den invloed 
der Vlaamsche primitieven. Verbleef een tijdlang in 
Italië; invloed van Piero della Francesca en Mclozzo 
da Forli (ong. 1477). Werkte met Justus van Gent 
en later mctMelozzo samen bij de versiering van het her- 
togelijk paleis te Urbino (allegorieën der artes liberales). 
Zijn fresco's in de kathedraal van Toledo zijn verloren. 

L i t. : Mayer, Geschichte der spanischen Malerei 
(1922). Knipping. 

Berry, landschap in midden -Frankrijk bij de 
Loire (47*° N., 2° 10' O.), aan den rand van het Bekken 
van Parijs; Jura en Krijt (heide en schapenteelt). 
Hier en daar leem (tarwe). Hoofdstad Bourges, weinig 
industrie. In deze streek woonden de Gallische Bi- 
turiges. Vóór 1101 was het een Frankisch graafschap, 
dat tot Aquitanië behoorde. 

L i t. : Chénon, Le Pays de B. (1916). Heere. 

Berry, 1° Charles Ferdinand van 
Bourbon, hertog van, tweede zoon van 
den graaf van Artois (Karei X van Frankrijk) en van 
Maria Theresia van Savoye. * 24 Jan. 1778 te Versail- 
les; f 14 Febr. 1820 te Parijs. Vluchtte in 1789 met 
zijn ouders naar Turijn en vocht meermalen met de 
emigranten tegen Frankrijk. In 1801 ging hij naar En- 
geland en sloot een morganatisch huwelijk met de 
Éngelsche Anna Brown. In 1816 trad hij in het huwe- 
lijk met Maria Carolina Ferdinanda Louisa van Napels. 
Bij het verlaten van de opera (.13 Febr. 1820) werd hij 
door een politieken dweper, Louvel, aangevallen en 
doodeÜjk gewond; hij stierf den volgenden dag. Door 
die misdaad leden de vrijzinnigen groot nadeel en 
zagen zij de zegepraal der gestreng monarchale begin- 
selen bevestigd. 

L i t. : Chateaubriand, Mémoires touchant la vie et 
la mort du duc de B. (Parijs 1820) ; S. Charléty, La 
Restauration (Parijs 1921). Lousse. 

2° Maria Carolina Ferdinanda 
Louisa van Napels, hertogin van, 
oudste dochter van Frans I, koning van Napels, echt- 
genoote van Charles Ferdinand, hertog van Berry. 
* 5 Nov. 1798 te Palermo; f 16 April 1870 op het 
kasteel Brunnsee in Stiermarken. Na den dood van 
haar gemaal (Charles F. van Berry) schonk zij, 29 Sept. 
1820, het leven aan een prins, die den naara ontving 
van Hendrik van Artois, hertog van Bordeaux, en 
later dien van graaf van Chambord. Na de Juli- 
r evolutie van 1830 volgde zij Karei X in ballingschap. 
Doch, daar in sommige gewesten een machtige partij 
haar zoon als den rechtmatigen erfgenaam van den 
troon begunstigde, keerde zij in 1832 naar Frankrijk 
terug en trachtte een opstand in de Vendée te ver- 
wekken. Deze poging mislukte en als staatsgevangene 
werd zij naar de citadel van Blaye gebracht. Een ver- 
klaring, door de zwangere hertogin 22 Febr. 1833 
afgelegd, dat zij in het geheim gehuwd was met Hector 
Lucchesi-Palli, een Napolitaanschen markgraaf, 
beroofde haar van allen staatkundigen invloed, zoodat 
de Fransche regeer ing geen bezwaar maakte haar, na 
de geboorte eener dochter (10 Mei 1833), in vrijheid 
te doen stellen. 


L i t. : Imbert de Saint- Amand, La duchesse de B. 
(4 dln. Parijs 1887-’89) ; M. Ch. Poinsot, La vie ro- 
manesque de la duchesse de Berry (Parijs 1913) ; S. 
Charléty, La monarchie de juillet (Parijs 1921). Lousse. 

Berry, Urenboek van den hertog 
van, is een kostbaar verlucht manuscript door de 
gebroeders Limburg uitgevoerd voor Jean de France, 
hertog van Berry (1390^-1460), dat zich nu onder den 
naam van „Trés belles heures du duc de B.” in het 
museum van Chantilly bevindt. Het getijdenboek 
opent met een rijk geïllustreerden kalender, met vele 
volbladminiaturen verlucht. Het in 1416 uitgevoerde 
werk is een der beste exemplaren der school van 
Fransche en Zuid-Ned. boekverluchters, omtrent het 
midden der 14e eeuw ontstaan. Zij brak met den vlak- 
ken gedamasceerden achtergrond en bracht daarvoor 
in de plaats het landschap en het stadsgezicht. In plaats 
van dekverven werd bij voorkeur gouache gebezigd. 
Zie plaat t/o kolom 672. Knipping. 

Berryer, 1° A n t o i n e P i e r r e, Fransch 
politiek redenaar van de legitimistische oppositie onder 
de Juli-monarchie. * 4 Jan. 1790 te Parijs, f 1868 te 
Angerville.Werd inl852 lid van de AcadémieFranQaise. 

U i t g. : Oeuvres (9 dln. Parijs 1872 vlg.). — L i t. : 
Ch. de Lacombe, Vie de B. (5 dln. Parijs 1894 vlg.). 

2° Pierre Nicolas, Fransch advocaat. 
* 1757 te Sainte-Menehould, f 1841. Trad als verde- 
diger in beroemde politieke processen op, o.a. van 
generaal Moreau en van maarschalk Ney. 

Voorn, werk: Souvenirs (Parijs 1839). 

Bersa, koning van Gomorrha, die in den strijd 
tegen Chodorlahomor omkwam (Gen. 14.2.10). 

Bersabee (Be 'er Sjeba 4 ), een der meest bekende 
plaatsen uit het O. T., thans Bir es Seba' , op de grens 
van de woestijn, die Palestina van Egypte scheidt. B. 
speelt een groote rol in de geschiedenis der aarts- 
vaders (Abraham: Gen. 21 en 22; Isaac, ib. 26; Jacob, 
ib. 28 en 46). Later behoorde de stad tot het gebied 
van Juda (Jos. 15,28) en woonde er de stam van Simeon 
(Jos. 19,2). Ook in de gesch. van Samuel wordt B. 
vermeld (1 Reg. 8,2) en Elias kwam er op zijn tocht 
naar Horeb (3 Reg. 19,3). In Amos' tijd was B. een 
centrum van afgodendienst, waarheen men van verre 
pelgrimeerde (Am. 8, 14; 5,5). „Van Dan totB.” d.i. 



van Noord- tot Zuidgrens is in de H. Schrift een staan- 
de uitdrukking voor: geheel het Isr. land (vgl. Jud. 
20,1 en vele anderen). De Hebr. naam B. wordt door 
Abraham verklaard als „bron van den eed” naar 
aanleiding van zijn verdrag met xAbimelcch (Gen. 21,31) 
en eenzelfde bedoeling moet wel worden gezien in de 
woorden van Isaac (Gen. 26,33, vgl. v. 31). De lezing 
„Zeven -Bronnen” van den Massoretischen tekst (Gen. 
26,1) berust op een afwijkende vocalisatie, die waarsch. 
van jongeren datum is. B. is als pleisterplaats aan den 
rand der wnestijn en afzetmarkt voor den handel der 
Bedoeïenen nog steeds belangrijk. In den Wereldoorlog 
drong het Éngelsche leger onder Allenby, die er thans 
zijn standbeeld heeft, vanuit Egypte bij B. Palestina 
binnen. B. telt thans ca. 3 000 inw. Simons. 


731 


Berse — Berte as grans pies 


732 


Berse, Gaspar, ook Barzaeus of Conradus 
Zelandus, of Conr. Belga geheeten, een der voornaam- 
ste medewerkers van den H. Franciscus Xaverius. 

* 1616 te Goes, f 18 Oct. 1563 te Goa. Trad 20 April 
1646 in Portugal in de Soc. van Jesus, vertrok 1548 
naar Voor-Indië. Werkte van 1649 — ’51 op het eiland 
Ormoes in de Perzische Golf, daarna te Goa als pro- 
vinciaal van de Indische missie. B. is een der grond- 
leggers van de missie in Ethiopië (Abessynië), waar- 
voor hij in 1551 toestemming kreeg van keizer Claudius. 

L i t. : Nic. Trigault, Vita Gasparis Barzaei (Ant- 
werpen 1610) ; W. v. N(ieuwenhof), Gaspar Berse of de 
Nederlandsche Franciscus^Xaverius (1870) : N. Ned. 
Biogr. Wdb. Wessels. 

Bersezio, V i 1 1 o r i o, Italiaansch schrijver, 

* 1830 te Peveragno (Piemont), f 30 Jan. 1900 te 
Turijn. Stichtte het blad L’Espero en de Gazzettapie- 
montese (later als tijdschrift onder den titel Gazzetta 
letteraria). Schreef talrijke romans, novellen, tooneel- 
werken. Zijn opzet is de eerlijke roman- en novellen - 
literatuur te redden tegen het toenmaals — ten tijde 
van La dame aux camélias — wild woekerende Fran- 
sche romantisme, en militaristische-vaderlandsche 
tooneelen voor het voetlicht te brengen ter voortplan- 
ting van het staatsburgerlijk ideaal in het nieuwe 
Italië. Zijn naam is vooral bekend door een komedie 
in Piemonteosch dialect: Le miserie d’monsü Travet 
(1863), waarin hij een treffend, overbekend geworden 
beeld ophangt van een angstvallig beambte, maniak 
en bewust van zijn waardigheid, op wien de onheilen 
als in een hagelbui neerstorten. 

Werken: Romans : o.a. Amor di patria (1856) ; 
Minna o virtu d’amore (1858) ; II segreto d’Adolfo (1861); 
La plebe (1863); Povera Gio vanna (1869); 11 piacere 
della vendetta (1874); II debito paterno (1880); Do- 
menico Santorno (1888) ; Racconti popolari (1898). — 
Lit. : Maria Mattalia, V. Bersezio, 1’uomo, il patriota, 
Partista (Cuneo 1911). Ulrix. 

Bersillies-l’Abbaye, gem. in de prov. Hene- 
gouwen, ten Z.W. van Thuin, opp. 384 ha, ca. 800 
inw., Thure-rivier, steengroeven; kerk van de 18e 
eeuw; reeds bekend gedurende het Romcinsche tijd- 
perk; bezat vroeger een abdij. 

Bersisi, volkeren -groep van de Mon-Kmer, 
->• Achter-Indië. 

Bcrsot, E r n e s t, Fransch moralist van 
Stoïcijnsche richting en geschiedschrijver vooral van 
de 18-eeuwsche wijsbegeerte in Frankrijk, wiens wer- 
ken door grondige analyse en verzorgden stijl uit- 
munten. * 1816 te Surgères, f 1880 te Parijs. 

Werken: La philosophie de Voltaire (1848) : 
Etudes sur la philosophie du 18e siècle (1851 vlg.); 
Etudes sur le. 18e siècle (1855) ; Littérature et morale 
11861) ; Questions actuelles (1862) ; Morale et politique 
(1868); Conseils d’enseignement (1880). — Lit.: 
E. Schérer, Un moraliste (Parijs 1879). Baur. 

Bersuire, Pierre, ook Bercheure, 
Fransch schrijver van de Orde der Benedictijnen. Geb. 
in de Vendée, f 1362 te Parijs. Naast een moralisee- 
rende bijbclcompilatie gaf deze vriend van Petrarca 
een vertaling van Titus-Livius en een Redacto- 
riummorale, encyclopedisch handboek van dena- 
tuurbeschrijvende wetenschap der late middeleeuwen. 

Lit.: Pannier, Notice sur P. B. (Parijs 1872) ; A. 
Thomas, in Romania (XI). Baur . 

Berszenyi, D dn i e 1, Hongaarsch dichter, 
volgt in zijne oden vooral de oude Klassieken na. 

* 1776 te Egyhaz-Hety, f 1836 te Nikla. 

Bert, Paul, Fransch geleerde en staatsman, 


* 1833 te Auxerre, f 1886 te Hanoi. Werd in 1866 
hoogleeraar in de natuurwetenschappen te Bordeaux 
en in 1869 hoogleeraar der physiologie aan de Faculté 
des Sciences te Parijs. Als afgevaardigde in 1874 en in 
1881 als minister van Onderwijs in het ministerie van 
Gambetta heeft hij zich vooral doen kennen als heftige 
tegenstander van den clerus en het clericaal onderwijs. 
In 1886 benoemd tot gouvemeur-generaal van Fransch 
Indo -China, stierf hij spoedig na aanvaarding van dit 
ambt. 

Werken: Notes d’anatomie et de physiologie 
comparées (2 dln. Parijs 1867-70) ; Physiologie com- 
parée de la respiration (Parijs 1869) ; La pression baro- 
métrique (Parijs 1877); La morale des Jésuites (Parijs 
188 °)- Willems. 

Bertaechi, Giovanni, Italiaansch dichter, 
professor in de letterkunde aan de universiteit te 
Padua. * 1868 te Chiavenna (Sondrio). 

Werken: II canzoniere delle Al pi (1895) ; Poemetti 
livici e liriche umane (1904) ; Le malie del passato (1905) ; 
Alle sorgenti (1906) ; Trilogia moderna (1910) : Un 
maestro di Vita (1917) ; L’ora del mondo (1918) ; Reflessi 
di orizzonti (1921; ; A fior di silenzio (1922) ; II perenne 
domani (1929). 

Bcrtali, A n t o n i o, opera- en oratorium- 
componist, * 1605 te Verona, f 1669 te Weenen. Vanaf 
1637 musicus aan het hof te Weenen, in 1649 hofkapel- 
meester als opvolger van Valentini. Reeds in de jaren 
1631 — 1646 werden in Weenen cantates van hem uit- 
gevoerd; de opera’s volgden later. 

Werken: verschillende opera’s : o.a. L’inganno 

d’amore (1653 ; de tekst van Ferrari bleef bewaard) ; 
Operetta per la nascita dell’ imperatrice Eleonora (1664) ; 
L’Alcindo (1665, proloog van Draghi) ; La contesa de 
numi (1667, balletmuziek van J. H. Schmelzer). Ora- 
toria : Maria Magdalena (1663) ; Oratorio sacro (1663) ; 
La strage degl’ innocent! (1665). Verder missen, mo- 
tetten, enz. (in hs.). — Lit.: Ch. Laroche, A. B. als 
Opern- und Oratorienkomponist (diss. 1919, ongedrukt). 

Piscaer. 

Bcrtalotti, A n g e 1 o, zangleeraar, * 1665 te 
Bologna; studeerde van 1687—1690 te Rome. Hij 
verbleef later hoofdzakelijk te Bologna, waar hij als 
zangleeraar hoog in aanzien stond. In 1703 werd hij 
mede-lid van de Accademia Filharmonica. 

Werken’ Regole utilissime per apprendere il 
canti fermo e figurato (1698) ; 50 Solfeggi a Canto e 
Alto (opnieuw uitgegeven door Fr. X. Haberl 2 1888). 

Pisraer. 

Bei* tuut, J e a n, Fransch schrijver, bisschop 
van Séez, die, naast een dichterlijke paraphrase der 
psalmen, veel modelyriek (sonnet, madrigaal) naliet 
in den precieuzen tijdstijl van het •> M a r i n i s m e, 
vol mythologischen opschik, gezochte antithesen en 
spitsvondige woordspelingen. * 1552 te Donnav 

* 1611 te Séez. J 

U i t g. : Oeuvres poétiques d. A. Chenevière (Parijs 

1891) .— Lit.: G. Grente, J. B. (Parijs 1903) Baur . 

Bertaux, E m i 1 e, Fransch kunsthistoricus, 
die vooral studie maakte van de Italiaansche plastiek. 

* 1869, f 1917 te Parijs. 

Werken: L’art dans ITtalie méridionale (1903) ; 
Rome (3 dln. 1904 vlg.) ; Donatello (1910) ; Etudes 
d’histoire d’art (1911). 

Berte as grans pies, roman, omstreeks 1275 
gedicht door > Adenet (le Roi), waarin Bertha, de 
vrouw van Pippijn, als dochter van Floris en Blance- 
floer wordt voorgesteld; zij werd door Margiste, haar 
kamervrouw, bedrogen, die haar eigen dochter, Aleste, 
in haar plaats als Pippijn ’s bruid weet in te dringen. 
B. moet vluchten, houdt zich negen jaar schuil in een 


733 


Berteau — Bertheroy 


734 


woud, tot het bedrog ontdekt wordt, als Floris en 
Blancefloer eens hun dochter komen bezoeken. B. 
houdt haar schitterenden intocht, als koningin, in 
Parijs. Het is het thema der onschuldig veroordeelde 
koningin. Van een vrije bewerking in het Mnl. blijven 
er nog een 138-tal verzen over, die verhalen, hoe 
Pippijn B. terugvindt in het woud van Mans. 

U i t g. : Aug. Scheler (Brussel 1874) ; de Mnl. fragm. 
door H. E. Moltzer in zijn uitg. van Floris en Blancefloer 
(1879). V. Mierlo . 

Berteau (Berteaud, Berthau), Martin, de 
eerste Fr. violoncellist van gToote beteekenis, * te 
Valenciennes, f 1756 te Parijs; leeraar van Cup is, 
Janson en Duport Sr. 

Werken: van zijn composities zijn alleen de viool- 
sonates met basso continuo op. 2 behouden. 

Een afstammeling van B. is Gabriel B., van 
wien ca. 1800 een cello-concert werd gedrukt. Piscaer. 

Bertelin, A 1 b e r t, Fransch componist, * 26 
Juli 1872. Schreef orkestwerken, liederen, kamermu- 
ziek, orgelwerken op Gregoriaansche melodieën, een 
Indische legende Sjakoentala, een opera, een oratorium 
en motetten voor koor, orkest en orgel In Nativitate 
Domini. 

Bertelmann, Jan Georg, componist en 
organist, * 1782 te Amsterdam, f 1854 aldaar; leerling 
van den blinden organist D. Brachthuyzer. Als leeraar 
en componist stond hij hoog in aanzien; het meest 
werd hij geprezen om zijn paedagogische kwaliteiten. 
Hij richtte te Amsterdam een muziekschool op, waar 
o.a. Stumpf en Rich. Hol zijn leerlingen waren. 

W e r k e o : Requiem, een mis, strijkkwartet, viool- 
en klaviercomposities. Verschillende cantates, viool- 
études, klarinet-concerten, contrabas-concerten, alsook 
een harmonieleer bleven in handschrift. Piscaer. 

Berlelsinann , Karl August, zangleeraar 
en componist, * 1811 te Gütersloh, f 1861 te Amster- 
dam; leerling van Rinck in Darmstadt; daarna zang- 
leeraar aan het seminarie te Soest, het laatst in Amster- 
dam, waar hij in 1839 de leiding overnam van het pas 
opgerichte Eutonia. 1853 dirigeerde hij het muziek- 
feest te Arnhem. 

Werken: liederen voor mannenkoor, liederen met 
klavier en klavierwerken. Piscaer. 

Bertem, gem. in Belg. Brabant, Z.W. van 
Leuven; 2 700 inw. (Kath.); opp. 1 059 ha; land- 
bouw. Merkwaardigheid: Romaansche kerk uit de 
11e eeuw. Klooster der Zusters van Liefde. 

Berten, gem. en kerspel in kanton Belle-Z.W. 
(Fr. Vlaand.); ruim 500 inw., Vlaamschspr. ; land- 
bouw. Gehuchten: de Zeventien Velden, de Warande, 
Vlaminkstraat. 

Berteroa, een geslacht van de familie der kruis- 
bloomigen (Cruciferae), heeft slechts enkele vertegen- 
woordigers. Het grijskruid, B. incana, ook wel Far- 
setia incana genoemd, komt vrij algemeen in Midden- 
Azië en Noord-Europa voor. 

Bertha, vrouw van Pippijn, > Berte as 
grans pies. 

Bertha, dochter van Karei den Grooten, die door 
de dichters, zoowel om haar geest als haar schoonheid, 
zeer gevierd werd. Karei beminde haar zoo zeer, dat 
hij haar niet wilde uithuwelijken, doch zag haar 
misslagen niet. Uit haar verhouding tot Angilbert 
werden twee zonen geboren. Zeer waarschijnlijk 
berust de sage over E inhard en Emma wel 
door een verwisseling van naam op de verhouding 
tusschen Angilbert en Bertha. Slootmans . 

Bertha, dochter van markgraaf Otto van Savoye 


en Turijn en Adelheid van Susa; f 1087. B. werd in 1055 
met den vijfjarigen, lateren keizer Hendrik IV 
verloofd, om diens positie in Italië te versterken. 
Hendrik beschouwde het huwelijk als een lastig juk 
en wenschte reeds spoedig echtscheiding (1069). 
Dit werd door den pause lijken legaat Petrus Damiani 
belet. Op den duur leerde Hendrik zijn gemalin waar- 
deeren; zij was voor hem een trouwe en vaste steun 
en maakte ook zijn boetetocht naar Canossa mee. 

Lit. : > Hendrik IV. Slootmans . 

Bertha van Holland, dochter van > Robert 
den Fries, huwde met Philips I van Frankrijk (1060— 
1108), die haar verstiet. 

Bertha of B e r t a, Heilige, stichteres en abdis 
van Avenay, f einde der 7e eeuw. Met toestemming 
van haar echtgenoot, den H. Gumbert, trok zij zich 
in dit klooster terug. De legende verhaalt, dat zij 
door haar stiefzoon vermoord is. B. wordt als martela- 
res vereerd. Feestdag 1 Mei (in Reims 11 Mei). 

Lit.: Gallia christiana (IX, 277 vlg.). J. v. Rooij. 

Bertha van Marbais, Zalige, trad na den 
vroegtijdigen dood van haar echtgenoot, een der 
heeren van Molembais, te Aywières (Brabant) in de 
Orde der Cisterciënscrzusters. Zij werd ± 1227 eerste 
abdis van Marquette in Vlaanderen. 

Lit.: Gallia christiana (III, 314'. 

Bertha van Vilich, ook Bertrada, Bene- 
dictines; schreef het leven van de II. Adelheid in 
Vilich (1056 of 1057), dat uitgegeven werd in Monu- 
menta Germaniae historica, Scriptores XV, 754 vlg. 
en Anal. Boll. (II, 211 vlg.). 

Berthélemy, II e n r i, Fransch rechtsgeleerde, 
* 1857. Doceerde sedert 1884 te Lyon en vanaf 1896 
te Parijs, alwaar hij in 1922 deken werd der rechts- 
geleerde faculteit. Tot 1933 doceerde hij ononderbroken 
het Administratief Recht. Terwijl Laferrière het Fran- 
schc Administratief Recht had aangepast aan de 
rechtspraak van den Raad van State, terwijl Hauriou 
enkele jaren later de beginselen had gesystematiseerd, 
die het Administratief Recht beheerschen, maakt B. 
den lezer vooral met de dagelijksche toepassing dezer 
beginselen vertrouwd. Zijn Traité de Droit Admini- 
stratif, in Frankrijk klassiek geworden, heeft tot nu 
toe dertien uitgaven gekend. B. verdedigt er de 
traditioneele en in het algemeen behoudsgezinde 
theorieën van het Administratief Recht. Orban. 

Bcrthclol, Marcel 1 in Pierre Eugène, 
physico -chemicus, * 25 Oct. 1827 te Parijs, f 18 Maart 
19Ö7 aldaar. In 1860 werd hij hoogleeraar in de schei- 
kunde, in 1886 minister van 
Onderwijs, in 1900 lid van de 
Fransche Academie. B. heeft 
veel gedaan voor de geschie- 
denis der chemie. Hij is de 
grondlegger van de thermo- 
chemie, verder maakte hij 
synthetisch een aantal stof- 
fen, voorkomende in levende 
wezens. Van zijn geschriften 
is een gedeelte samengevat in : 

„Essai de méchanique chimi- 
que fondée sur la thermo- 
chimie”. 

Lit.: Par. Soc. Ch. Buil. 

135 (1913. 260). 

Bcrthélot, Petrus, > Dionysius a Nativitate. 

Berthelol-hom, > Bom, calorimetrische. 

Bertheroy, J e a n, eigenl. Mme. Berthe 



J. v. Santen . 


735 


Berthier — Berthold-Otto-school 


736 


Corinne Le Barillier, Fransch romanschrijfster van 
de idealistische richting. * 1860 te Bordeaux, f 24 Jan. 
1927 te Le Cannet. Zij beoefende graag den historischen 
roman, maar ook haar verhalen, ontleend aan het 
zuivere, eenvoudige leven, sloegen in. 

Werken: La danseuse de Pompéi (1889) ; Les trois 
filles de Pieter Waldorp (1897) ; Le journal de Marguerite 
Plantin (1899) ; Le jardin des Tolosati (1903) ; Les dieux 
familiers (1904) ; Le frisson sacré (1911) ; Vers la gloire 
(1918); Albunca la Sibylle (1920); L’ange au sourire 
(1923); La ville des Expiations (1924); Les brebis de 
Mme. Deshouillères (1925). Baur. 

Berthier, Alexander, vorst van Wagram 
en hertog van Neuchatel en Valangin, Fransch maar- 
schalk. * 20 Febr. 1753, f 1 Juni 1815 te Bamberg, 
waar hij zich bij den doormarsch van de Russen naar 
Frankrijk uit het raam van zijn woning wierp. B. was 
chef van den staf van Napoleon van 1796 tot 1814 
en diens rechterhand bij alle operatiën. Van 9 Nov. 
1799 (18 Brumaire) tot 1807 was B. minister van 
Oorlog. In 1814 sloot hij zich bij de Bourbons aan. 

Berthier, 1° Jean B., stichtte in 1895 te 
Grave de Congregatie van de Missionarissen der 
H. Familie. * 24 Febr. 1840 te Chatonnay (Isère), 
f 16 Oct. 1908 te Grave. In 1862 trad hij als diaken in 
de Congregatie der Missionarissen van La Salette, 
werkte met succes als volksmissionaris. Zijn theolo- 
gisch -ascetische werken, zijn beschrijving van de 
verschijning van O. L. Vrouw van La Salette, worden 
veel gelezen. De Congregatie, in 1895 door hem 
gesticht, is bijzonder voor opname van late roepingen 
en minvermogenden. 

Lit. : P. Ramers, Bonus miles Christi Jesu (2 dn. 
1930); Mens divinior (1930). J. v. Rooij. 

2° J o a c h i m, Dominicaan, * 1847 te Talloires 
bij Annecy, f 1924 te Fribourg (Zwitserl.); studeerde 
geschiedenis en archeologie te Rome en doceerde 
daarna in Carpentras en Fiesole. Werkte mee aan de 
stichting der universiteit van Fribourg (Zwitserland, 
1890). Leefde daarna in Rome en bracht zijn laatste 
levensjaren door in Fribourg. Arbeidde met Munoz 
aan de herstelling der S. Sabina in Rome. Zijn ge- 
schriften zijn van theologischen, ascetischen en kunst- 
wetenschappelij ken aard . 

Voorn, werken: De locis theologicis (1885) ; 
La divina commedia con commenti secondo la scolastica 
(18941 ; L’église de la Minerve (1909). — Li t. : Tauri- 
sano in Annales Ordinis Praedicatorum (1925, 92-96). 

Knipping. 

Berthiëriet, mineraal van de samenstelling 
FeSb 2 S 4 , voorkomend in den vorm van vezelige 
aggregaten, o.a. bij Freiberg in Saksen en bij Przibram 
in Bohemen. 

Berthold, -> Bertholdus. 

Berthold I, bijgenaamd „de Baar d”, stam- 
vader van de beide hoofdtakken, waarin de familie 
der Zahringer, zich door zijn zoons Berthold II 
en Hermann I (f 1074) splitste. Van keizerin Agnes 
kreeg B. het hertogdom Karinthië (1061), doch moest 
het in 1073 weer afgeven, f 1078. Slootmans. 

Orde van Berthold I, in 1877 door groothertog 
Frederik van Baden gesticht als hoogere orde van de 
Zahringer Löwenorde; sedert 1896 een zelfstandige 
orde. Vier klassen. Devies: „Gerechtigkeit ist Macht”. 
Teeken: wit geëmailleerd Malthezer kruis, gedekt 
met een kroon (keerzijde hertogshoed); monogram 
F. W. L. in het hart. Lint: rood met gele randen. 

E . v. Nispen tot Sevenaer . 

Berthold van Ckiemsee, bisschop en theo- 


logisch schrijver. * 1465 te Salzburg, f 1643 te Saal- 
felden. Hij heette eigenlijk Pürstinger; als vorst-bis- 
schop van Chiemsee was hij niet tegen de Hervormers 
opgewassen; hij deed afstand van het bisschopsambt 
en trok zich terug in het klooster Raitenhaslach, waar 
hij het eerste groote werk der Contra-Reformatie, 
de „Teutsche Theologey” schreef, steunend op de 
H. Schrift en St. Thomas van Aquine. Misschien schreef 
hij ook het op Katholieke hervorming aandringende 
Onus Ecclesiae. 

Berthold, 1° He r m a n n, werkte het thans 
gebruikelijke typographische meetsysteem uit. * 1831 
te Berlijn, f 23 Dec. 1904 te Grünewald. B. nam op aan- 
sporing van eenige Berlijnsche lettergieterijen op zich, 
orde te brengen in den chaotischen toestand, waarin 
zich ’t typographische puntenstelscl bevond. Hij nam 
het Fransche typographische puntenstelsel als basis en 
in de Berlijnsche sterrenwacht werd vastgesteld, dat 
er 2 660 typographische pimten, volgens het Didot- 
systeem, op een meter gaan. In 1879 werd dit punten- 
stelsel in Duitschland ingevoerd, en na dien werd 
het ook in het overige gedeelte van het vasteland 
van Europa aangenomen. Engeland en Amerika 
bezitten een afzonderlijk puntenstelsel (> Typogra- 
phisch puntenstelsel). Ronner. 

2° Willem, bisschop van Utrecht (van 1291 
tot 1301, als Willem II), proost van Leuven, gesproten 
uit een hoogadellijke Brabantsche familie. Zijn 
regeering was zeer onrustig. Tijdens de woelin- 
gen na den moord op zijn bloedverwant graaf Floris V 
van Holland (1296) trachtte hij het Sticht van den 
overheerschenden invloed der Hollanders te bevrijden, 
doch zonder succes. Verschillende Stichtsche edelen, 
in bondgenootschap met Jacob van Lichtenberg, 
burgemeester van Utrecht, kwamen tegen den bisschop 
in opstand; deze werd gevangen genomen (1299) en 
eerst vrijgelaten onder de belofte, van het bisdom 
afstand te zullen doen. Paus Bonifatius VIII weigerde 
echter het ontslag te aanvaarden. Gesteund door den 
bisschop van Munster, wist Willem in Overijsel een 
leger bijeen te brengen; hij rukte tegen Utrecht op», 
doch sneuvelde op den Hoogen Woerd, bij Utrecht 
(1301). 

Lit.: J. H. Hofman, W. B. Arch. Aartsb. Utrecht 
(XXVI, 324-407). J . de Jong. 

Berthold-Otto-school of Holbein-school is 
de naam van een nieuwe, zuiver paedocentrische 
onderwijsinrichting in de buurt van Berlijn, ook 
aangeduid als „Hauslehrerschule”. Ze telt een 80-tal 
leerlingen, jongens en meisjes van 6 tot 19 jaar, met 
rechterscollege, scholierenrechtbank en schoolkanse- 
larij, dus volledige zelfregeering. De school, zegt Otto, 
moet voor het kind een voortzetting zijn van den 
voorschoolschen natuurlijken groei. Daarbij heeft de 
kindervraag een zeer voorname rol gespeeld 
en die moet ze blijven spelen. Daarom noch een vast 
leerplan, noch strenge leergangen voor de verschillende 
vakken, noch een nauwkeurig omschreven rooster van 
lesuren. Op de Holbein-school heerscht „het v r i j e 
o n d e r w ij s”, „der zwanglose Unter- 
richt”, waarvan de gang op de eerste plaats bepaald 
wordt door de belangstelling der leer- 
lingen. Het heele schoolbedrijf wordt hier ten slotte 
een vrij geestelijk verkeer met de jeugd, aangevuld 
door occasioneele lessen. 

Iets geheel karakteristieks is Otto ’s Gesamt- 
unterricht: drie- of viermaal in de week is 
gedurende het laatste schooluur, van 12 tot 1, de 


737 


Bertholdus van Calabrië — Berti 


738 


heele school met alle onderwijzers in ongedwongen 
vergadering bijeen. Eerst worden gemeenschapsaan- 
gelegenheden behandeld en dan begint het eigenlijke 
werk: bespreking van leerlingen -vragen. Ieder kan te 
berde brengen, wat hij verkiest. Op de beurt af worden 
de kwesties behandeld, en wel zoolang als er algeraeene 
belangstelling voor bestaat. Altijd is de jongste het 
eerst aan de beurt om te antwoorden, en de ouderen 
doen hun best om zich zoo duidelijk uit te drukken, 
dat ook de minst ontwikkelden hen volgen kunnen. 
Dat is de echte geestelijke zelfwerkzaamheid, meent 
Otto (> Gesamtunterricht, dat doorgaans in anderen 
zin gebruikt wordt). 

Berthold Otto is ook de man van de „Kindesmund- 
art”, van het „vrije opstel” en het recht van het kind 
opeigen individueele uiting: „weg von der roten 
Tinte !” Hoe modem een en ander moge zijn, voor 
algemeen gebruik is het stellig niet geschikt. 

L i t. : fr. S. Rombouts, Hist. Ped. (III 1928). 

Rombouts. 

Bertholdus van Calabrië, Heilige, eerste 
Latijnsche prior-generaal der Karmelieten, was uit 
het diocees van Limoges (Frankrijk) (niet uit Calabrië) 
afkomstig. Naar het Heilige Land getogen ter ver- 
overing van AntiocMë in 1153, sloot hij zich met een 
tiental gezellen bij de kluizenaars van den Karmel aan. 
Hij heeft sterk geijverd om de kluizenaars van de 
Oostersche naar de Latijnsche kloosterrichting te 
doen overgaan ; wordt ook daarom wel de stichter der 
(Latijnsche) Karmel-Orde genoemd. Hij werd tot 
eersten prior-generaal (1154r— ’95) gekozen, f ca. 1195. 
Feestdag 29 Maart. 

L i t. : Etudes Carmelitaines (1912). C. Speet. 

Bertholdus van Engelberg, Zalige, Benedic- 
tijner abt (van Engelberg), f 1197. Bevorderde kunst 
en wetenschap. Feestdag 3 November. 

Voorstelling in de kunst. B., Bene- 
dictijner abt, geneest een zieke. Zijn beeld komt voor 
op glasschilderingen in Penberg en Steyr. 

L i t. : J. Lorenz, St. Bertholdi-Büohlein (Linz 1906). 

Bertholdus van Mosburg, Dominicaan, 
wijsgeer uit de neo -Platonische school van Albert den 
Grooten (> Albertus Magnus), lector te Keulen; begin 
14e eeuw; heeft met zijn „Expositio in Elementationem 
Theologicam Procli” Nicolaus van Cusa beïnvloed. 

Bertholdus van Begcnsburg, Franciscaan, 
een der machtigste Duitsche volkspredikanten der 13e 
eeuw, ja van de middeleeuwen. Met zijn wat ruwe, 
maar natuurlijke en beeldrijke welsprekendheid 
wekte hij zijn meestal duizenden toehoorders op tot 
zedelijke levens verbetering, door ware nederigheid, 
berouw, oprechtheid, inwendigen godsdienst, die 
alleen waarde en beteekenis geeft aan uitwendige 
oefeningen; tegenover de mystiek, of tegen alle 
„dweperij” onder het volk, stond hij wantrouwig, 
wat hem ook deed optreden tegen Jodenvervolging, 
zoowel als tegen geeselaarsoptochten. Geb. in de eerste 
helft der 13e eeuw, begon hij omstreeks 1250 zijn 
apostolische reizen door Zuid-Duitschland, Zwitser- 
land, Bohemen, tot Hongarije toe. In 1262 preekte hij 
met zijn vriend den H. Albertus den Grooten den 
kruistocht. Omstreeks 400 preeken zijn in het Latijn 
overgeleverd, al werden ze Duitsch gehouden, f 1272. 

Voorstelling in de kunst. B., Minder- 
broeder, predikt van af een preekstoel voor een groote 
menigte menschen over de hel, getuige het hellevisioen 
in een van de kerkvensters. Afb. bij Raderus, Bavaria 
Sacra. 


U i t g. : Duitsche preeken, door T. Pfeiffer en 

J. Strobl (2 dln. Weenen 1862— ’80) ; in hedendaagsch 
Duitsch, door F. Göbel (2 dln. Regensburg 5 1929) ; 
bloemlezing, door O. H. Brandt (1924). Een uitg. van 
zijn Latijnsche preeken ad religiosos, Speciales, Extra- 
vagantes wordt voorbereid. — Lit. : E. Michaël S.J., 
Geschichte des d. Volkes (III Freiburg i. Br. 1903) ; 
A. Schönbach, in Sitzungsber. der Wiener Acad. (Weenen 
1906) ; K. Rieder, Das Leben B.’s v. R. (in III Verein- 
schrift der Görresges. voor 1909) ; E. W Keil, Deutsche 
Sitte u. Sittlichkeit im 13 Jrht. nach den damaligen 
Prodigern (Dresden 1931 ; wil B. v. R. tot voorlooper 
der Hervorming maken). V. Mierlo. 

Bertholdus van Bei chenait, kroniekschrijver, 
wiens dood in de kroniek van Bemold van Konstanz 
vermeld wordt op 12 Maart 1088. Hij vervolgde de 
kroniek van zijn leermeester en vriend Herman Con- 
tractus. Toch schijnen de annalen, welke op zijn naam 
staan en van 1055 tot 1080 loopen, niet van één schrij- 
ver. Na 1066 is waarschijnlijk een andere auteur aan 
het woord. 

Lit.: J. Richter, Die Chroniken B.s. u. Bernolds 
(Diss., Koningsbergen 1882) ; W. Wattenbach ( 6 II, 
53-55). J. V. Rooij. 

Bertholdus van Bohrbaeh, aanhanger van 
de Broeders en Zusters van den vrijen geest. Hij 
verkondigde zijn quietistische dwaalleer in Würzburg, 
en werd door de Inquisitie in 1356 te Speyer verbrand. 

Bcïrtholet, Alfred, Zwitsersch Prot. god- 
geleerde, * 9 Nov. 1868 te Bazel; hoogleeraar aan 
de univ. van Berlijn. Schreef vele en belangrijke werken 
over O. T. en over onderwerpen uit de vergelijkende 
godsdienstgeschiedenis. Op gebied van bijbelcritiek 
is B. Wellhausiaan; zijn opvattingen omtrent de 
godsdienstgeschiedenis zijn evolutionistisch. 

Werken: o.a. Stellung der Israeliten u. der Juden 
zu den Fremden (1896) ; Bücher Esra u. Nehemia (1902) ; 
Buddhismus u. Christentum ( 2 1909) ; Biblische Theologie 
des A. T. (1911) ; Israëlitische Vorstellungen vom Zu- 
stand nach dem Tode ( 2 1914) ; Kulturgeschichte Israëls 
(1920) ; Ursprung des Totemismus (1920) ; Kultur u. 
Religion (1924). Brans. 

Bcrtholletia (p 1 a n t k.), een geslacht van de 
familie Lecythidaceae, behoorende tot de orde der 
Myrtineae, omvat een aantal boomgewassen in N. en 
Z. Amerika. Bekend is B. excelsa, welke de para- of 
Braziliaansche noten levert. Dit is een woudboom 
met een 3 tot 4 m dikken stam, die 50 m hoogte kan 
bereiken. De paranoten zijn een zeer belangrijk han- 
delsartikel. Deze vrucht bevat 50 — 60% vette olie. 

Bouman. 

Berthout, adellijk Brabantsch geslacht, behoo- 
rende tot de Baenrotsen. Zij drongen in 1354 aan op 
het tot stand komen van de „Joyeuse Entrée”. 

Berti, Giovanni Lorenz o, Augustijn, 
voornaamste theoloog der latere Augustijnenschool, 
doceerde theologie te Siena, Florence, Bologna, Padua 
en Rome, en kerkelijke gesch. te Pisa; op verzoek van 
paus Benedictus XIV benoemd tot prefect der Biblio- 
theca Angelica en assistent-generaal van de i Italiaan - 
sche Provincies. Op schitterende wijze wist hij zich zelf 
en Bellelli te rechtvaardigen tegen de valsche aan- 
klacht van Bajanisme en Jansenisme. * 1696 te Terra- 
vazza in Toscane, f 1766 te Pisa. 

Voorn, werken: De theologicis disciplinis (8 dln. 
Rome 1739— ’45, München 1749, Napels 1792) ; AugustL 
nianum Systema de gratia ab iniqua Bajani et Janseniani 
erroris insimulatione vindicatum (2 dln. Rome 1747) ; 
Ecclesiasticae historiae Breviarium (Pisa 1760, later 
herhaaldelijk herdrukt en aangevuld tot in het laatst 


-IV. 24 


739 


Bertilla - Bertken 


740 


der 19e eeuw, Valladolid 1889). — L i t. : Lanteri 

O.E.S.A., Postr. saec. sex (III, 270-274) ; W. Lampen, 
Lex. Theol. Kirche (II, 230-231). Claesen, 

Bertilla, Heilige, eerste abdis van het klooster 
Chella, door de H. Bathildis gesticht. Leefde omstreeks 
700. f 5 Nov. Haar leven, ca. 800 geschreven, werd 
opgenomen in Acta S. S. Nov. (III 1910, 90 vlg.). 

Bertillon, 1° A 1 p h o n s e, anthropoloog en 

ethnograaf, * 1853 
te Parijs, f 13 Febr. 
1914 aldaar; was 
voorzitter van het 
bureau voor gerech- 
telijke identificatie 
van deParijsche pre- 
fectuur. Voor zijn 
„portrait parlé” be- 
nutte hij, behalve 
de gebruikelijke her- 
kenningsteekenen 
(misvormingen, ver- 
minkingen , litteeke- 
nen, moedervlek- 
ken, tatoeëeringen, 
enz.) de gegevens, 
verkregen door : 

1° meting van de 
lichaamslengte, van de lengte en breedte van het hoofd, 
van de lengte der ledematen van de rechterzijde van 
het lichaam, van de spanwijdte der armen; 2° vast- 
stelling van kleur en intensiteit van de iris. B. ’santhro- 
poraetrische methode berust op het feit, dat het been- 
derenstelsel van den mensch na zijn 20e levensjaar 
vrijwel niet verandert en speciaal ter linkerzijde van 
het lichaam zeer constant is. Een belangrijk element 
in zijn systeem (de Bertillonnage) wordt gevormd 
door de vernuftige rangschikking der signalements- 
kaarten. Het systeem, uitgevonden in 1879, werd in 
1885 behandeld op het internationaal gevangen is - 
congres te Rome en is nadien ingevoerd in de meeste 
moderne staten, w.o. Nederland. Naast de Bertillon- 
nage kent men thans de dactyloscopie, die eenvoudiger 
van toepassing is. 

Werken: o.a. Ethnographie moderne. Les races 
sauvages (Parijs 1883) ; La photographie judiciaire 
(Parijs 1890) ; L’anthropométrie judiciaire a Paris en 
1869 (Lyon 1890) ; Do la rcconstruction du signalement 
anthropométrique au moyen des vêtements (Lyon 1892); 
Identification anthropométrique. In6tructions signalé- 
tiques (Parijs 2 1893) ; A. Bertillon en A. Chervin, An- 
thropologie mélrique (Parijs 1909L Weehuizen. 

2° Louis Adolphe, eerst medicus, later 
statisticus en demograaf, en een der groote mannen 
in de demographie. * 1821, f 1883. Op het einde 
van zijn leven was hij directeur van het Parijsch 
statistisch bureau, en professor in de demographie. 

Hoofdwerk: Demografie figurée de la France 

(4 dln.1874). Schlichting. 

Bertillonnage, > Bertillon (Alphonse). 

Bertin, Louis Fran^ois, invloedrijk 
Fransch dagbladbestuurder, die met zijn Journal 
des Débats het politiek leven van Frankrijk be- 
heerschte. * 1766 te Parijs, f 1841 aldaar. Zijn 
broeder L. Fr. B. d e Veaux (1771 — 1842) en 
na dezen zijn beide zoons [F r a n ^ o i s Edouard 
(1797 — 1871) en Louis Marie Armand 
(1801 — 1854)] namen de leiding van hem over. 

Bertin, Sint, Benedictijner abdij, ca. 650 in 
het bisdom Terwaan gesticht (> Bertinus); beroemd 


om haar kronieken en kerkbouw; in 1791 werden de 
monniken verdreven. 

Bertini, 1° Giuseppe, Noord-Italiaansch 
schilder, zoon van den glazenier Giovanno Battista; 
* 1825 te Milaan, f 1898. B. bezocht de schilder- 
academie van Milaan en verbleef een tijd in Rome. 
In 1859 werd hij benoemd tot „professore di puttura” 
aan de Brera -academie van zijn vaderstad, later was 
hij directeur van de pinacotheek van de Brera. Hij 
munt vooral uit als historieschilder. Knipping. 

2° H e n r i, pianist en componist van nog steeds 
veelgebruikte instructieve pianomuziek. * 28 Octo- 
ber 1798 te Londen, f 1 October 1876 te Meylan 
bij Grenoble; kwam als jongen van 6 jaar naar Parijs, 
waar hij bijna voortdurend verbleef. Maakte van daar- 
uit concertreizen en componeerde voornamelijk 
pianowerken. In 1859 trok hij zich op zijn villa te 
Meylan terug. Van zijn composities zijn de meeste 
vergeten; zijn Etudes echter hebben hun muzikale 
en technische waarde voor het onderricht nog geheel 
behouden. W. Andriessen . 

Bertinus, Heilige, Benedictijner abt, leefde in de 
7e eeuw, f ö Sept. 698; stichtte met Mummolenus het 
klooster Sithin, de latere beroemde abdij St. > Bertin. 
Feestdag 5 Sept. (bisdom Brugge). 

Voorstelling in de kunst. B., 
Benedictijner abt, draagt als attribuut een scheepje 
zonder zeil en mast. Hij wordt ook afgebeeld, wande- 
lend op het water, met een hostie in de hand. Uit zijn 
leven: geboorte, intrede in het klooster, zieken gene- 
zend, enz. 

L i t. : Künstlc, Die Kunst des Rlosters Reichenau 
(1924). 

Bcrtius, 1° Abraham, > Petrus van de 
Moeder Gods. 

2° Petrus (Pieter de Bert), hoogleeraar in de 
zedenkunde aan de universiteit van Leiden. * 1565 te 
Beveren (Vlaanderen), f 1629 te Parijs. B. was een 
vriend van Arminius, wiens opvattingen hij in ver- 
schillende geschriften verdedigde; na de Dordtsche 
synode werd hij afgezet. In 1620 ging hij te Parijs tot 
de Kath. kerk over; hij werd professor der welsprekend- 
heid aan het college van Boncourt en later der wis- 
kunde aan het koninklijk college te Parijs. Drie zijner 
zoons traden in de orde der Ongeschoeide Karmelieten: 
Abraham (Petrus a Matre Dei), missionaris te Leiden, 
schrijver van verschillende werken, o.a. Historia 
missionis sive clara relatio missionis hollandicae.*161ö 
te Leiden, f 1683; Johannes (Caesarius), missionaris 
te Den Haag; Wenceslaus (Paulus a Jesu Maria), 
missionaris in Afrika. 

L i t. : H. J. Allard, Petrus B. (Stud. III 1870) ; 
Etudes carmelitames (1913 — ’20). J. de Jong». 

Bertken, Zuster Bertken, Jacobs- 
dochter, die „57 jaren besloten heeft gheseten 
tot Utrecht in dye bucrkcrcke”, van haar dertigste 
jaar af, in 1457. De tijdens haar leven reeds verspreide 
liederen van haar werden na haar dood gebundeld en 
uitgegeven met enkele geestelijke verhandelingen, 
vooral over het Lijden, in 1518 te Leiden bij Jan van 
Severen. Haar acht liederen, innig, rustig -eenvoudig, 
soms pramend -opwekkend, met wel eens een naklank 
van Hadewych, behooren, zonder sterke composities 
te zijn, tot de beste geestelijke liederen der middel- 
eeuwen, al is het ook onzeker, of wel alles eigen werk 
van haar is. De bekende, zeer mooie maagdendans in 
het lied ,,Die werelt hielt mi in hare gewout” komt im* 
de redactie van B. niet voor. 



741 


Bertogne — Bertrand 


742 


Uit?.: dr. Joh. Snellen, in Herdrukken van de 
Maatsch. der Ned. Letterkunde (1924). V. Mierlo. 

Bertogne, gem. in de prov. Luxemburg, ten N. 
van Bastenaken; opp. 2 342 ha, ruim 1000 inw., 
rotsachtige landbouwstreek ; bosschen ; bronnen ; 
druïdensteen. 

Bertoldo di Giovanni, Jtal. beeldhouwer en 
medailleur, waarschijnlijk leerling van Donatello en 
leermeester van Michelangelo in diens eerste periode; 

* ca. 1420, waarsch. te Florence, f 1491. B. bestuurde 
in 1458 de kunstenaarsschool, door de Medici in de 
villa van San Marco opgericht, en was inspecteur van 
de kunstcollectie, aldaar bewaard. Daar ontving 
Michelangelo zijn lessen. Zijn roem dankt B. voor- 
namelijk aan een voor hem gunstig afgeloopen con- 
currentiestrijd met Bellano in de S. Lorenzo te Floren- 
ce. Leerling van Donatello toont hij zich in nauw- 
gezet realisme; zijn vormen zijn echter ronder, en het 
rhythme zijner compositie en de weergave der 
houdingen -in -beweging zijn met meer consequentie 
doorgevoerd, dan het geval is bij zijn leermeester. In 
zijn latere ontwikkeling kan een vooruitgrijpen naar 
de Klassieke vormen der 16e eeuw worden bespeurd. 

Voorn, werken: Ruitergevecht (Florence, Mu- 
seo Nazionale) ; Kruisiging (ib.) ; Hercules (Berlijn, 
Kaiser-Friedrich Museum) ; H. Hiëronymus (ib.) ; 
Bellerophon en Pegasus (Weenen, Kunsthistor. Museum). 
— L i t. : Semrau, B. di G., ein Beitrag zur Gesehichte 
der Donatelloschule (1891); W. v. Bode, Bertoldo und 
Lorenzo dei Medici. Die Kunstpohtik des Lorenzo il 
Magnifico im Spiegel der Werke seines Lieblingskunstlers 
B. di G. (1925). Knipping . 

Bertolini, Francesco, klass. philoloog, 
prof. in de oude geschiedenis te Bologna. Hij schreef 
werken over Italië in de Oudheid (critisch als aan- 
hanger van Niebuhr) en in de 19e eeuw (Cavour). 

* 1836 te Mantua, f 1909 te Bologna. Zr. Agnes. 

Bcrtoni, C a s p a r, Eerbiedwaardige, ijverig 

priester en stichter van de Congregatie der priesters 
van de H. Wondteekenen (1816). * 1777 te Verona, 
f 12 Juni 1853 aldaar. In zijn jeugd muntte hij uit 
door een reinen levenswandel; als priester bij het 
volk zeer in aanzien en geestelijke leider van zusters 
en priesterstudenten. Naar hun stichter worden de 
leden der congregatie Bertonianen genoemd, 
in Italië Padri Stimmatini. 23 Juni 1925 
definitief goedgekeurd. Zij stellen zich ten doel om 
den bisschop als zielzorgers en volksmissionarissen 
ter zijde te staan. In 1929 werd hun het missiegebied 
Yihsien (China) toegewezen. 

Het proces der zaligverklaring van B. is in 1906 
begonnen. J. v. Rooij. 

Bertrada, gemalin van Pepijn den Kor- 
ten. Als moeder van Karei (den Groot en) en Karlo- 
man moest zij meermalen bemiddelend optreden 
tusschen deze beide broers, die elkaar vijandig gezind 
waren. > Karei de Groote. 

Berirada van Montiort, echtgenoote van 
Fulco van Anjou; zij verliet haar ruwen gemaal en 
leefde in concubinaat met Philips I van Frankrijk, 
die om haar zijn wettige vrouw verstiet. De kerkelijke 
ban en de opstand van de graven van Vlaanderen en 
Anjou konden slechts een voorgewende scheiding be- 
werken. B. verzoende zich later met de Kerk en stierf 
in 1118 in het klooster Fontevrault. Wachters. 

Bertram de la Broquière, ondernam in de 
15e eeuw reizen naar Pruisen, Rusland, Egypte en 
Palestina. 

Bertram van Minden, (mecstcr-)schilder en 


beeldhouwer uit de 14e eeuw, f vóór 1415; vooral 
werkzaam te Hamburg. Zijn beeldhouwkunst vooral is 
levenstrouw, ietwat geïdealiseerd, al te slanke gestal- 
ten en bij de hoofdfiguren sierlijke plooienval. 

Voorn, werken: Het Grabower-altaar (luiken- 
altaar), in 1379 voor de Sint Petruskerk te Hamburg 
vervaardigd, later in Grabow terecht gekomen, nu in 
de Hamburger Kunsthalle : van binnen houtsnijwerk, 
Christus aaD het kruis met Maria en Johannes, naast 
profeten : Apostelen en Heiligen in vergulde Gotische 
nissen, op de predella Maria Boodschap, St. Jan de 
Dooper, Kerkvaders en Ordestichters ; op de buiten- 
luiken schilderwerk : de Schepping, Hoogaltaar te 
Doberan, Beeldhouwwerk en Crucifix. Maria-altaar te 
Buxtehude. Apocalypse-altaar, nu in het Victoria and 
Albert-museum te Londen. Altaar in het Prov. Mus. 
van Hannover (1930 ontdekt). — L i t. : Lichtwark, 
Meister B. (1905) ; Rohde, Der Hamburger Peter-Altar 
(1916). Knipping. 

Bertram ,1° Charles, beroemd Engeisch 
vervalscher van een historisch werk; * 1723 te Londen, 
f 1765 te Kopenhagen; opgevoed te Kopenhagen, 
waar hij Engeisch leeraar werd en in 1757 zijn „vondst’’ 
uitgaf, als gelijkwaardig met Gildas en Nennius, nl. 
een „Ricardus Corinensis de situ Britanniae”, over 
het oude land der Britten, een werk, dat algemeen als 
echt werd aanvaard en alle historici heeft misleid, 
tot het bedrog werd ontdekt in 1866 door B.B. Wood- 
ward. Een vertaling van dr. Giles verscheen nog in 
1872 als een van de Six English Chronicles in Bohn’s 
Library. Pompen . 

2° Ernst, Duitsch dichter van nationalistische 
richting, uit den kring der Blattcr für die 
Kunst; vooral oorspronkelijk litterair historicus, 
voor wien de letterkundige geschiedenis niet zoozeer 
moet streven naar objectieve teruggave van het letter- 
kundig verleden, langs den moeizamen weg der philo lo- 
gische critiek en der historische biographiek, dan wel 
naar herschepping van de bestudeerde personaliteit 
tot een soort heidenmythe, dank zij persoonlijke 
intuïtie. Zijn Nietzsche (1918) is een klassiek 
voorbeeld van het genre geworden. * 27 Juli 1884 te 
Elberfeld, thans (1933) hoogleeraar te Keulen. 

Werken: Gedichte (1913); Strassburg (1920); 

Das Gedichtwcrk (1922 vlg.) ; Der Rhein (1922) ; Das 
Nornenbuch (1925). Baur. 

Bcrtramwortel, > Vuurwortel. 

Bertran, > Bertran de Bom. 

Bertrand, 1° > Robert Macaire. 

2° Alexandre, Fransch oudheidkundige, 

* 28 Juni 1820, f 9 Dec. 1902; studeerde aan de Ecole 
fran<;aise te Athene, 1862 directeur van het Archeolo- 
gisch Museum te St. Germain, 1881 lid van de Acadé- 
mie des Inscriptions. 

Werken: o.a. Etudes de mythologie et archéologie 
grecque (1876); La Gaule avant les Gaulois ( 2 1891); 
Nos origine8. La religion Gauloise (1897) ; vanaf 1860 de 
,, Revue archéologique”. W. Vermeulen. 

3° A 1 o y s i u s (eigenl. Louis), Fransch 
schrijver van de latere romantiek. * 1807 te Dijon, 
f 1841 in het Neckerhospitaal te Parijs. B. ijverde 
voor letterkundige decentralisatie in zijn tijdschrift 
Le Provincial. Zijn eenig werk Gaspar d de la 
N u i t (1842) beoogde een vernieuwing van het proza 
in den zin van het rhythmische kunstproza: Baudelaire 
bekende later het hem te hebben nagedaan. 

L i t. : J. Chasles-Pavie, A. B. in Revue de Paris (1911). 

Baur. 

4° Jean Gustave, theoreticus en muziek- 
geleerde, * 1834 te Vaugirard bij Parijs, f 1880 te 


743 


Bertran de Born — Bcrtrandus de Garriga 


744 


Parijs; schrijver over muziek, recensent en medewerker 
aan verschillende Parijsche couranten. 

Werken: Histoire ecclésiastique de 1’orgue (1859) ; 
Essai sur la musique dans 1’antiquité (1866) ; Les origines 
de Pharmonie (1866) : De la réforme des études du chant 
au Conservatoire (1871) ; Les nationalités musicales 
étudiées dans le drame lyrique (1872). Piscaer. 

5° Joseph Louis F r a n q o i s, Fransch 
wis- en natuurkundige, * 11 Maart 1823 te Parijs, f 3 
April 1900 aldaar. Werd in 1856 hoogleeraar aan de 
École Polytechnique, in 1862 aan het Collége de 
France, in 1874 Sécrétaire Perpétuel van de Académie 
des Sciences. B. schreef talrijke werken en verhande- 
lingen over wiskunde, mechanica, mathematische 
physica en astronomie, verscheidene Éloges académi- 
ques en enkele biographieën. 

Werken: o.a. D’Alembert (Parijs 1889) ; Eloges 
Académique8 (2 dln. Parijs 1890, 1902) ; Blaise Pascal 
(Parijs 1891) ; Calcul des Probabilités (Parijs 1907). — 
L i t. : G. Darboux, Eloge historique de J. B. (in Eloges 
II). Dijksterhuis. 

6° Louis, Zwitsersch wiskundige, 

* 3 Oct. 1731 te Genève, f 15 Mei 1812 aldaar. Woonde 
een tijd lang als lid van de acad. der wetensch. te 
Berlijn, was daarna hoogleeraar in wiskunde aan de 
universiteit te Genève. B. deed in zijn werk: Dévelop- 
pement nouveau de la partie élémentaire des mathé- 
matiques (2 dln. Genève 1778) een poging tot her- 
vorming van den elementairen opbouw der wiskunde. 

Dijksterhuis . 

7 ° Louis, vooraanstaand figuur in de -> Bel- 
gische (socialistische ) werkliedenpartij, waarvan hij 
in 1885 medestichter was. Hij stichtte ook haar voor- 
naamste dagblad „Le Peuple”, waarvan hij redacteur 
en later administrateur was. Stichtte eveneens de 
Brusselsche coöperatie: La Maison du Peuple. Ver- 
tegenwoordigde zijn partij in den gemeenteraad van 
Schaarbeek, en vanaf 1894 in de Kamer van Volks- 
vertegenwoordigers, waarvan hij ondervoorzitter werd. 
In 1926 nam hij zijn ontslag als afgevaardigde. Werd 
als Minister van State in den Kroonraad opgenomen. 

* 1851 te St. Jan -Molenbeek bij Brussel. 

Werken: o.a. Histoire de la démocratie et du 

socialisme en Belgique depuis 1830 (2 dln. Brussel- 
Parijs 1906 — 1907) ; Histoire de la coöpération en Bel- 
gique ; Souvenirs d’un meneur socialiste (2 dln.). 

V. Gestel 

8° Louis, Fransch romanschrijver en 
cultuur-historicus van nationaal-traditionalistische 
richting. * 20 Maart 1866 te Spincourt. B. verheerlijkt 
den klaren geest van de Latijnsche beschaving en de 
weelderige Noord -Air ikaansche natuur in romans 
volgens de realistische techniek (Flaubert), in ver- 
zorgde reisbeschrijvingen en in psychologisch uitge- 
diepte biographieën. Sinds 1924 is B. lid van de 
Académie Fran^aise. 

Werken: La fin du classicisme et le retour a 

Pantique (1897) ; Le sang des races (1899): La Cina (1901); 
Pépète le bien-aimé (1904 ; later herwerkt tot Pépète 
et Balthasar, 1920) ; La Grèce du soleil et des paysages 
(1908) ; Le mirage oriental (1909) ; Le livre de la Médi- 
terranée (1911) ; Saint Augustin (1913) ; Sanguis Mar- 
tyrum (1918) ; Les villes d’or (1921) ; Louis XIV (1923) ; 
Ma Lorraine (1926) ; Philippe II è, PEscurial (1929). 

Baur. 

9° Marcel, Fransch geoloog en de grondlegger 
van de dekbladentheorie. B. heeft met een bijzondere 
intuïtie bijna alle problemen der gebergtevorming 
doorschouwd en door zijn leerlingen Lugeon, Tennier 
e.a . den grondslag gelegd van een school in de Fransche 


geologie, die niet het minst gekenmerkt is door de 
koene grootschheid van haar hypothesen en bijna 
dichterlijke bewondering voor de mysteries van onze 
aarde en hare schoonheid. * 2 Juli 1847 te Parijs, 
f 13 Apr. 1907, zoon van den wiskundige Joseph B. 
Doorloopt de Ecole polytechnique en de Ecoles des 
Mines. 1872 ingenieur bij het Mijnwezen in de Fransche 
Jura. Door den invloed van zijn vader 1878 geplaatst 
bij de Service de la Carte Géologique te Parijs, waar 
zijn wetenschappelijke loopbaan begint. Onder invloed 
van het werk van E. Suess krijgt hij een nieuwen kijk 
op tal van vraagstukken, ontdekt de liggende plooien 
van groote afmetingen in het Fransch -Belgische kolen- 
bekken en in de Provence, breidt zijn werk uit tot de 
Alpen. Met profetischen blik ziet hij de oplossing 
van de Alpen-tectoniek door de dekbladen- 
theorie. In 1886 wordt hij professor aan de Ecole 
des Mines, in 1895 Academicien. Aansluitende bij 
Suess’ opvattingen over de plooiingsperioden, breidt 
hij deze uit tot het begrip van den cyclus der 
> gebergtevorm ing. Zijn wetenschappelijk 
werk vindt in 1900 een droef einde door de geestelijke 
inzinking, tengevolge van den dood van zijn vader 
en van een doodelijk ongeluk, zijn oudste dochtertje 
overkomen. In 1902 moet hij zijn professoraat neer- 
leggen. 

Werken: La chaine des Alpes et la formation du 
continent Européen ; Bulletins de la Société Géologique 
de France, 3e serie (XV, 423) ; Essai d’une théorie 
mécanique de la formation des montagnes ; Compte 
Rendu des séances de 1’Académie des Sciences (CXIII, 
291). — Lit. : Pierre Termier, Marcel Bertrand, 

gedachtenisrede, in de Bulletins de la Société Géologique 
de France, 4e serie (VIII) ; eveneens in diens verzamelde 
schetsen : A la gloire de la Terre (Parijs 1922). 

Jong. 

10 ° Paul Joseph, aalmoezenier van Lodewijk 
Napoleon. Hij poogt vergeefs de bisschoppelijke Cleresy 
met de Kath. kerk te verzoenen. B. had ook zitting 
in de door Lodewijk Napoleon benoemde regelings- 
commissie voor den Kath. ceredienst. Vermoedelijk 
heeft hij Nederland verlaten bij het vertrek van Lod. 
Nap. (1810). 

Lit.: A. Hensen, P. J. Bertrand (Nieuw Ned. Biogr. 
Woordenb. I 1911). de Haas. 

lier Iran de Born, troubadour, beroemd vooral 
om zijn sirventes: krijgsliederen, waarin hij den 
„jongen koning” Hendrik, en na diens dood zijn broeder 
Richard Leeuwenhart diende, vooral in den strijd tegen 
hun vader Hendrik II, koning van Engeland en hertog 
van Aquitanië. Hij heeft nog enkele opwekkingen tot 
den kruistocht, een paar treurliederen op zijn bescher- 
mer, en enkele minneliederen geschreven; alles te 
zamen zijn er 42 liederen van hem bewaard. Van 
ridderlijke afkomst, eindigde hij zijn leven, als vele 
troubadours, in een klooster: te Dalon, vóór 1215. 
Dante verwees hem naar de hel (28e zang). 

U i t g. : A. Thomas (Toulouse 1888) ; A. Stimming 
(Halle 2 1913). — Lit.: Salverda de Grave, De Trouba- 
dours (1917) ; C. Appel (1931). V. Mierlo. 

Bertrand’sche lens, een zwak vergrootende 
lens, die in het polarisatiemicroscoop tusschen analy- 
sator en oculair kan worden ingeschakeld. Zij wordt 
gebezigd, indien men mineraalslijpp laatjes bij con- 
vergent licht bestudeert, en dient om de assenfiguur, 
die zonder Bertrand ’sche lens scherp, maar klein is, 
te vergrooten. Hofsteenge. 

Bertrandus, > Ludovicus Bertrandus. 

Bcrtrandus de Garriga, Zalige, Domini- 


745 


Bertrandus de Turre — Berwyn 


740 


caan, f 1233; metgezel van St. Dominicus, prior van 
het eerste klooster te Toulouse, en bij den uitgroei 
der Orde provinciaal der Provence. Feestdag 6 Sept. 

Bertrandus de Turre (de la Tour), 
Minderbroeder, f 1332 of ’33. Nam zeer actief deel 
aan den zgn. Armoedestrijd der Minderbroedersorde. 
Als predikant zeer gezocht. 

L i t. : in : Lex. Theol. Kirche (II, 234). 

Bertrec, gem. in de prov. Luik, ten Z. van 
Landen ; opp. 278 ha, ca. 400 inw. Vruchtbare 
landbouwstreek; aldaar overblijfselen van een Ro- 
meinsche villa gevonden. 

Bertrich , Bad, badplaats in de Eifel, Rijn- 
provincie. 165 m boven zee. Ca. 700 inw., meest Kath. 

Zoutbronnen. Drink- en badkuren. Behandeling 
van lever- en galziekten, maag- en darmaandoeningen, 
jicht en rheuma. 

Bertrix, gem. in de prov. Luxemburg, ten W. 
van Neufchateau; opp. 4186 ha, ruim 3 600 inw., 
op het plateau der Ardennen, ten N. der Semois; 
steengroeven, vooral leien; spoorwegcentrum. Belang- 
rijke oude heerlijkheid; B. leed veel gedurende den 
inval der Duitschers in den Wereldoorlog. 

Bertrijn, Louis, tooneelspeler en leeraar 
in het voordragen aan het Conservatorium te 
Antwerpen. * 10 Juli 1868 te Antwerpen. B. begon zijn 
loopbaan als tooneellief hebber, werd 1892 geëngageerd 
door H. Verstraete in den Cirkschouwburg van zijn 
geboortestad. Ging een jaar nadien over naar den Kon. 
Schouwburg te Gent en vandaar naar den Kon. 
Ned. Schouwburg te Antwerpen, en werd de gevierde 
jeune premier. 1912 — 1914 was B. samen met Adr. van 
der Horst, en 1919 — 1920 alleen, bestuurder van 
den Kon. Ned. Schouwburg. Later speelde hij de 
nobele vaderrollen, naast zijn vrouw, Hélène De 
Dapper, die de statige oude dames uitbeeldde. Tn 1933 
vierde hij zijn veertigjarig tooneel jubileum en nam 
in hetzelfde jaar zijn ontslag. 

Met zijn echtgenoote heeft L. B. den opgang van 
de tooneelspeelkunst in Vlaanderen meegemaakt en 
bevorderd: zij weerden bombast en streefden naar 
eenvoud. 

L i t. : Het Tooneel (jg. 18, nrs. 24 en 25, Antwerpen 
1933). Godelaine. 

Bcrtuinus, Heilige, bisschop en belijder, volgens 
sommigen van Iersche, volgens anderen van Angel- 
saksische afkomst. Stichtte de abdij van Malonne bij 
Namen. Verkondigde het Geloof vnl. in de Sambre- 
vallei. Feestdag 16 Nov. (bisdom Luik), f Einde 
7e eeuw. De Schaepdrijver. 

Beruete, Aureliano, de, Spaansch schil- 
der, * 1845 te Madrid, f 1912 aldaar; achtereenvolgens 
leerling van den landschapschilder Carlos Haes en 
Martin Ricco (vriend van Fortuny). In zijn later werk 
ondergaat hij sterk den invloed van het Fransche 
Impressionisme. B. was een verzamelaar, vooral 
van gravures, en een kenner der Spaansche schilder- 
kunst van de 17e eeuw. Gaf in 1898 te Parijs een werk 
over Velasquez uit. 

Voorn, werken: Aan de oevers van de Man- 
zanares (1878) ; Verder gezichten op Madrid, Toledo enz. 

Knipping, 

Berula, > Watereppe. 

Bérulle, P i e r r e de, stichter van de in de 
geschiedenis der ascese bekende „Ecole fran^aise”. 
* 4 Febr. 1575 op het kasteel Cerilly in Champagne 
(Fr.), f 2 Oct. 1629 te Parijs. Zijn letterkundige, 
philosophische en theologische opleiding genoot 


hij te Parijs aan de colleges van Boncourt, Bourgogne, 
Clermont en aan de Sorbonne. Hij was een heilig 
priester en zeer gezocht zielenleider, hielp madame 
Acarie (Gelukzalige Maria van de Menschwording) 
bij de vestiging van de ongeschoeide Karmelitessen 
in Frankrijk, stichtte in 1611 het Fransche Oratorium 
en was daarvan de eerste superior generalis. 

De ascetische geschriften van P. de B. kenmerken 
zich door een Theocentrisme (neiging om in theorie 
en practijk het goddelijke op den voorgrond te plaat- 
sen) en een typeerend Christocentrisme (heiliging door 
geloof- en liefdevol aansluiten bij de gesteldheden 
van het Menschgeworden Woord). Bij zijn verheffing 
tot kardinaal 30 Aug. 1627 noemde Urbanus VIII 
hem „Apostolus Verbi Incarnati”. Met klem verzette 
de B. zich tegen quietistische neigingen. Dom 
J. Huyben heeft in een uitvoerig artikel (O. G. E. IV, 
428 — 473) pogen aan te toonen, dat de stichter der 
„Fransche School” het meest karakteristieke van zijn 
leer, nl. de leer der Christusbeleving, aan de -> Evan- 
gelische Peerle te danken heeft. Naast dezen Ned. 
invloed staat een Spaansche van den Spaanschen 
Carmel, in het bijzonder van de Eerbiedw. Anna 
van Jesus. De meest bekende leerlingen van P. de 
B. zijn de H.H. Vinc. a Paulo, Jean Eudes, Olier, 
Grignon de Montfort en Condren. 

L i t. : Oeuvres complètes de Bérulle, Migne (Parijs 
1856) : Prof. Dagens bereidt een nieuwe volledige uitg. 
zijner werken en brieven voor, die binnenkort in 8 dln. 
verschijnt: H.Brémond, Hist.littér. du sentiment religieux 
en France (Parijs 1921) ; P. Pourrat, La Spiritualité 
chrétienne (III, 491 vlg.) ; Claude Taveau, Le Cardinal 
de Bérulle (Parijs 1933). «ƒ. v. Rooij. 

Bervic, Charles Clement, eig. Bal - 
v i c geheeten, Fransch graveur. * 1756 te Parijs, 
f 1822. Werd reeds op 18-jarigen leeftijd om zijn 
werk „Le petit Turc” bekroond door de Académie 
des Beaux-Arts. Lodewijk XVI wees hem het Louvre 
als verblijfplaats aan. Tot zijn leerlingen behooren 
o.a. A. Caron en Arm. Corot. Het grootste deel van 
zijn werken zijn trouwe copieën in gravure naar 
Fransche en ïtaliaansche schilders van de hoog- 
Renaissance en de Barok. 

L i t. : Portali8 en Beraldi, Les graveurs du 18e 
siècle (z.j.). Knipping. 

Berwick, graafschap in Schotland (55° 45' N., 
2° 30' W.), 30 000 inw. Hoofdstad Duns. 

Berwick, James Fitzjames, hertog 
van, Fransch veldheer, * 1670, f 12 Juni 1734; 
natuurlijke zoon van koning Jacob II en van Arabella 
Churchill; nam deel aan den veldtocht der Jacob ieten 
in Ierland in 1690 en werd in den slag bij de Boyne 
zwaai gewond; streed in dc latere oorlogen in Franschen 
dienst, in den Spaanschen Successie-oorlog vooral in 
Spanje; voerde in 1718 als veldheer der Quadruple 
Alliantie het Fransche leger over dc Pyreneeën en 
sneuvelde in den Poolschen Successie-oorlog bij het 
beleg van Philipsburg. 

Zijn Mémoires werden uitgegeven in 1839. v. Gorkom. 

Berwick-on-Twecd, stad in Engeland 
(55° 47' N., 2° W.), aan de uitmonding van de 
Tweed in de Noordzee. 15 000 inw. Het speelde een 
belangrijke rol in de grensoorlogen van Engeland en 
Schotland. 

Berwyn, een snel groeiende voorstad van Chicago, 
in den staat Illinois (V. S. van N. Amer., 41° 50' N., 
87° 49' W.). Tn 1930: 47 027 inw. (in 1920 slechts 
14 150). 


747 


Berwyn Mount — Besan<?on 


748 


Berwvn Mount, berg in Wales (52° 53' N., 
3° 22' W.). 

Beryll , hexagonaal mineraal van de samen- 
stelling 3Be0.Al 2 0 3 6Si0 2 . Behalve de elementen 
Be, Al, Si en O bevat beryll soms nog Na,Li,Cae 
en H 2 0. De beryllkristallen komen meestal voor als 
combinatie van een hexagonaal prisma en twee basis- 
vlakken. Door de groote hardheid (H=8) en door de 
dikwijls fraaie kleuren, die van kleurloos tot diep- 
groen en blauw kunnen varieeren, is beryll een zeer 
gezochte edelsteen. Men onderscheidt talrijke varië- 
teiten. Zoo wordt de diepgroene beryll smaragd 
genoemd, de blauwe aquamarijn en de groengele 
opaliseerende variëteit, heliodoor. Beryll is sterk 
pleochroïtisch. Het komt op vele plaatsen op aarde 
voor. In de beroemde mijnen van Muzo in Columbia 
komt de smaragd voor op spleten in kalksteen; in het 
Oeralgebergte, in het stroomgebied der Starka en 
der Takowaja vindt men soms tot 40 cm lange kris- 
tallen in glimmerschisten. In de oudheid waren de 
groeven van Dzjebel Sabarah bij Koesair aan de Roode 
Zee beroemd. Door atmospherische invloeden ver- 
andert beryll in kaolien. Hof steenge. 

Beryllium, een chemisch element, behoorende 
tot de lichte metalen en wel tot de alkalische aarden. 
S.g. = 1,842, atoomgewicht 9,02, atoomnummer 4, 
geen isotopen. Smeltpunt ongeveer 1 280°, kookpunt 
ong. 1 900°. B. is zeer hard (het krast glas), de kleur 
is staalgrauw. B. wordt door w^ater weinig aangetast, 
wel door zuren en ook door alkaliën. In de spannings- 
reeks staat het tusschen zink en aluminium. 

Het oxyde, de beryllaarde, werd in 1798 
door Vauquelin in het mineraal beryll ontdekt. Wegens 
den zoeten smaak van sommige berylliumzouten 
kreeg het den naam glucinium ( ( Gr. glukus = zoet), 
welke naam zich niet heeft gehandhaafd, uitgezonderd 
in het Fransch. Het metaal b. zelf w T erd in 1828 door 
L. Wöhler afgescheiden. 

In de natuur komt het vnl. voor als > beryll, een 
dubbelsilicaat van de volgende samenstelling: 
3Be0.Al 2 0 s 6Si0 2 . 

Men gebruikt b. -zouten als hardingsmiddel voor 
gloeikousjes, om deze te kunnen verzenden. Verder als 
katalysator. In den luchtschepenbouw' kan het w T egens 
zijn lichtheid een toekomst hebben. v. d. Beek. 

Beryllus, bisschop van Bostra in Arabië. Hij 
verbreidde onjuiste opvattingen omtrent de godheid 
van Christus vóór de Menschwording, maar w T erd 
door Origenes en een synode van ca. 240 tot de ortho- 
doxie teruggebracht. Zijn brieven en tractaten, waar- 
van Eusebius en Hieronymus spreken, gingen verloren. 

L i t. : Bardenhewer, Gesch. d. alt-kirchl. Liter. 

(II 1914, 273 vlg.). Franses. 

Berytus, > Beiroet. 

Berzawa, linkerzijrivier van de Ternes, ontstaat 
op het Banater-gebergte (Roemenië). Benedenloop 
is gekanaliseerd tot Berzawa kanaal. 

Berzée, gem. in de prov. Namen, aan de Eau 
d’Heure, ten N. van Walcourt; 800 inw., grootendeels 
Kath.; opp. 612 ha; landbouw, steengroeven. 

Berzeliaiiict, zeer zeldzaam rhombisch mineraal 
van de samenstelling Cu,Se. Berzelianiet komt soms 
voor als een dendriet isch aanslag op barsten in calciet, 
of wel in den vorm van zeer fijne impregnatie in kalk- 
steen. Dit zeldzame mineraal* wordt o.a. in Smaland 
(Zweden) en bij Lehrbach in den Harz gevonden. 

Hof steenge. 

Berzelius, Jöns Jakob, scheikundige; 


* 20 Aug. 1779 te Waversunda in Zweden, f 7 Aug. 1848 
te Stockholm, waar hij vanaf 1810 hoogleeraar in de 
scheikunde is geweest. Zeker de grootste chemicus 
der 19e eeuw f , wiens experi- 
menteele arbeid alle gebie- 
den der chemie besloeg. 

Vooral bekend w r erden de 
ontdekkingen en bereidingen 
van kiezel, selenium, tho- 
rium, cerium, tantalium, zir- 
conium, druivenzuur, enz., 
en de onderzoekingen over 
ferrocyaan verbindingen. Le- 
verde belangrijke gegevens 
over isomerie en bewees, dat 
de wet van de multipele 
proporties ook voor organi- 
sche verbindingen geldig is. 

Gaf nauwkeurige atoomgewrichtsbepalingen van de 
elementen en oefende, door zijn kritische en systema- 
tische schifting van de tot zijn tijd bekende chemische 
kennis, een grooten invloed op de ontwikkeling der 
theoretische chemie uit. Zijn „Leerboek der Chemie”, 
dat van 1808 — 1818 in 3 dln. in het Zweedsch 
verscheen, is in bijna alle talen, ook in het 
Nederlandsch, vertaald. 

L i t. : Berzelius, Selbstbiegraphische Aufzeichnungen 
(uitg. Soederbaum 1903) ; Arne Holmsberg, Biblio- 
graphie de J. J. Berzelius (1933). Hoogeveen . 

Bes. Ooftteeltkundig zijn bessen: de 
> aalbes, kruisbes, aardbei, moerbei, framboos, braam, 
wijnbes, boschbes en veenbes. Men zegt ook wel 
„klein fruit”. Bes plantkundig, > Vrucht- 
boomen. 

Bes, Egypt. god, beschermer tegen vijanden en 
wilde beesten, god van den oorlog en van de muziek, 
als goede genius tegenwoordig bij de geboorte der 
kinderen. Vooral in de Hellenistische periode was hij 
uiterst populair. Zijn talrijke voorstellingen (deels 
mensch, deels dier met langen staart) zijn steeds 
grotesk, bijna satyrachtig. Simons. 

Besan^on, vesting in de Jura, hoofdstad van 
het Fransche dept. Doubs (47° 15' N., 6° 3' O.); 
250 m boven zee; 60 340 inw. (1931). Aartsbisschops- 
zetel sinds de 4e eeuw; Universiteit. Veel horlogerie, 
textiel, kunstzijde, enz. Kanaalverbindingen met den 
Rijn. Als Bourgondische stad Irwam B. in 1032 aan 
Duitschland, in 1307 werd het vrije Rijksstad; in 
1648 kwam het aan Spanje; in 1679 aan Frankrijk. 
Vaderland van Granvelle, Ch. Fourier, J. Proudhon, 
Ch. Nodier en V. Hugo. 

Lit. : Castar, B. et ses environs ( 2 1887). Ueere . 

Besan<;on is het oude Vesontio, de hoofdstad der 
Séquani, aan de Dubis (Doubs); om zijn strategisch 
sterke ligging door Caesar in den strijd tegen Ariovis- 
tus, in 58 v. Chr. bezet (Caesar, De Bello Gallico, 
I, 38). Later metropolis van de provincia Maxima 
Sequanorum. Davids. 

Kunst te Besan<jon. Er zijn resten van 
een Romeinsch amphitheater en een theater (enkele 
kolommen) en van een oude door Marcus Aurelius 
gebouwde brug. De oude kathedraal is door Vauban 
bij het aanleggen van vestingwerken nagenoeg met 
den grond gelijk gemaakt. De nieuwe (1148 door paus 
Eugenius III geconsacreerd), aan Sint Jan toegewijd, 
heeft twee tegenover elkander liggende absiden en 
vertoont in plan gelijkenis met Rijnlandschen laat- 
Romaanschen kerkenbouw. In de kerk: graftombe 



J. J. Berzelius. 


749 


Besanjelier — Bescheidenheid 


750 


van Ferry Carandolet (Brugsch werk, 1543, wit 
marmer). Schilderwerk van Charles van Loo, Troy 
en Natoire. 

Uit de eerste decennia der 20e eeuw is de basiliek 
van de HH. Ferróol en Ferjeux (architect Ducat, 
geïnspireerd op den Romaanschen stijl dor 12e eeuw). 
Verder Gotische en Rena issancepa leizen (o.a. palais 
Granvelle). De musea zijn vooral van belang voor 
de praehistorie, alsmede voor de beeldhouwkunst 
der Bourgondische school van omstreeks 1400. Er 
bevindt zich een triptiek van een Orley (O. L. Vrouw 
van zeven Weeën) en het portret van Carandolet, 
toegeschreven aan Gossaert. De twee vestingtorens 
zijn van omstreeks 1400. 

L i t. : Castan, Monographie du palais Granvelle & B. 
(1867) ; B. et ses environs (1880) ; Magnin, La peinture 
et le dessin au musée de B. (1919). Knipping. 

Rijksdag van Bcsan^n, bijeengeroepen door 
Frederik Barbarossa in 1157, bekend door het uit- 
breken van het conflict tusschen paus en keizer, 
dat reeds lang dreigde. Er verscheen een pauselijk 
gezantschap onder leiding van kardinaal Roland 
Bandinelli (de latere paus Alexander 111), dat enkele 
kerkelijke kwesties moest regelen, maar tevens op- 
dracht had opheldering te vragen over bepaalde 
rechtsschendingen. Het woord „beneficia” in het 
schrijven van paus Hadrianus IV, door dezen be- 
doeld als weldaden, door den keizer ten onrechte 
opgevat als leengoederen, werd de aanleiding tot het 
conflict. De keizer, die een verheven opvatting van 
het keizerschap had en zich door deze uitdrukking 
tot leenman van den paus verlaagd waande, vond voor 
zijn ontstemming steun bij zijn vleiers. Frederik dreigde 
reeds met représailles, maar de nadere toelichting 
van den paus voorkwam de definitieve breuk, die 
op den rijksdag in de Roncalische velden (1158) 
niet meer was te vermijden. 

Lit. ; de Jong, Handboek der Kerkgesch. (I 2 1932, 
427-428) ; Histoire Générale sous L. Halphen et Ph. 
Sagnac (VI Parijs 1932, 139). Wachters . 

Besanjetier, Cucubalus baccifer, 
familie der muurachtigen (Caryoplyllaceae), is de 
eenigste soort van dit geslacht en groeit aan den water- 
kant van riviertjes en beken. 

Bcsant, 1° A n n i e, leidster der theosophische 
beweging en voorvechtster der Britsch- Indische 
onafhankelijkheidsbeweging. * 1847 te Londen, f 1933; 

dochter van den 
medicus Wood; 
huwde 1867 met 
den Anglicaanschen 
geestelijke F. Be- 
sant; liet zich 1873 
van hem scheiden: 
was in dien tijd 
atheïsteen socialis- 
te en trad op bij 
werkstakingen. In 
1890 leerde ze de 
Russische mevr. 
Blavatsky kennen 
en ijverde sindsdien 
door w r oord en ge- 
schrift voor de the- 
osophie. In 1907 
w'erd zij presidente 
der Theosophische Vereeniging. Te Benares (Br. -Indië) 
stichtte ze een College tot opvoeding van Hindoes in 


hun eigen godsdienst en in de Westersche beschaving. 
In 1911 stichtte ze de Orde der Ster van het Oosten ter 
voorbereiding van de komst van den Wereldleeraar. 
dien ze in 1925 te Ommen in den Hindoe Krisjna- 
moerti beweerde te herkennen. Haar ijveren voor zelf- 
bestuur in Britsch -Indië en haar connecties met den 
\ rij -Katholieken bisschop Leadbeater wekten veler 
misnoegen. Door haar fascineerende persoonlijkheid 
sleepte ze velen mede. Van de theosophische be- 
weging scheidden zich in 1912 de Anthroposophen 
(> Anthroposophie) af. 

Werken: The religious problems in India (1902) ; 
A. B. ,Autobiography (1919). — Lit.: J. P. Verhaar, 
De Mod. Theosophische Beweging (1931). 

2° Sir W a 1 1 e r, Engelsch romanschrijver. 
* 1836, f 1901, broeder van Frank B. (f1917), die met 
Annie Besant was gehuw'd. Zoon van een koopman te 
Portsmouth, studeerde te Londen en te Cam bridge, 
vrijmetselaar sedert 1862. Was leeraar op St. Mauritius 
(1861 — 1867) en vestigde zich daarna als schrijver te 
Londen, en w r as tegelijk secretaris van het Palestine 
Exploration Fund (tot 1886). Aanvankelijk schreef 
hij over Fransche letterkunde en over Palestina, toen 
(sedert 1871) romans. Hiervan is vooral All Sorts 
and Conditions of Men (1882) populair geworden en 
de aanleiding tot de stichting van The People’s Palace 
in het East End van Londen in 1887. In 1884 riep hij 
een beweging voor avondscholen in het leven, en The 
Home Arts and Industries Association heeft er nu 
talrijke in Engeland. In hetzelfde jaar organiseerde 
hij een Society of Authors, w T aarvan het ledenaantal 
in 1900 tot bijna 2 000 w r as geklommen. In 1894 
begon hij een uitvoerige historische beschrijving van 
Londen, waarvan hij zelf eenige voorbereidende studies 
heeft gepubliceerd, maar die pas na zijn dood in tien 
geïllustreerde deelen is verschenen (1902 — ’12). 

Pompen . 

Besappcl (P i r u s b a c c a t a), een appel- 
boompje met zeer kleine vruchtjes. Fraaie bloeiheester. 

Besar (stomme e en klemtoon op de laatste letter- 
greep), Maleisch woord voor „groot”, dat, behalve 
in aardrijkskundige namen, in het bijzonder bekend 
is als de in Indonesië gebruikelijke naam voor de 
twaalfde maand van het Mohammedaansche jaar 
(Dzoe’1 Hidzjdzja), waarin het „groote feest” (nl. 
dat van de hadzjdzj) gevierd wordt, en in de verbin- 
ding toean besar = groote heer, benaming van den 
gouverncur-sreneraal van Ned. -Indië, of in het alge- 
meen ook van aanzienlijke personen. Berg . 

Beshorodko , Alexander Andreje- 
witsj, vorst, Russisch staatsman, * 1747, 
f 1799 te Petersburg; werd in 1780 staatssecretaris 
van Catharina II. In 1792 sloot hij den vrede van 
Jasi met de Turken en leidde de onderhandelingen, 
die de derde Poolsche deeling tot stand brachten (1795). 
Als rijkskanselier van Paul I legde hij den grondslag 
tot de tweede coalitie tegen Frankrijk door het bond- 
genootschap met Engeland te sluiten. 

Lit.: B. Raptschinskij, De geschiedenis van het 

Russische volk (II 1929). v. Gorkom. 

Bescheidenheid w T ordt in breederen en engeren 
zin genomen. In den r u i m s t e n zin verstaat men 
er onder: modest ia, van moderari (Lat.) = matigen. 
Gematigd dienen te worden: 1° het verlangen naar eer; 
en dat doet de nederigheid; 2° het verlangen naar 
kennis; 3° de uiterlijke handelingen en het gedrag; 
4° het uiter lijke, zooais kleeding e.d. 

In engeren zin, zooais de opvoedkunde het 



751 


Beseheidenheit — Bescherming 


752 


gewoonlijk neemt, is het de deugd, die ons uiterlijk 
voorkomen en optreden regelt naar den maatstaf van 
het verstand. Om waarlijk een deugd te zijn, moet dit 
gematigd optreden overeenstemmen met het innerlijke. 
Anders is het huichelarij. De inwendige gesteldheid, 
waaruit ze voortkomt, is de nederigheid. Nederigheid 
steunt vooral op het geloof onzer absolute afhankelijk- 
heid van God. Dat moet het kind dus geleerd. Men 
wenne het rekening te houden met zijn omgeving, 
vooral niet te druk en luidruchtig te zijn bij spel en in 
gesprek. Toone door voorbeelden aan, hoe fijn en 
aangenaam een bescheiden optreden is en neme overi- 
gens de onbescheidenheid van de rijpende jeugd niet 
al te tragisch. 

Lit. : St. Thomas, S. Thcol. (II II, q. 160-170); 
A. D. Sertillanges, Philosophie Morale de S. Thomas 
d’Aquin (486 vlg.) ; Roloff, Lexikon der Padagogik (I). 

p. Gervasius. 

Beseheidenheit . Beseheidenheit ist eine Zier, ƒ 
Doch weiter kommt man ohne Ihr. = Bescheiden -zijn 
siert den mensch, maar met onbescheidenheid bereikt 
men meer. Travestie van Franz Grillparzers: „Ziert 
Beseheidenheit den Jüngling, Nicht verkenn’ er 
seinen Wert” [uit het treurspel „Ahnfrau” (1816), 
le bedrijf, vs. 692.; Grillparzers Werke (Rudolf Franz) 
Leipzig-Wien, Bibliographisches Institut, I]. Brouwer. 

Beschermende rechten, heffingen bij den 
invoer of bij den uitvoer van goederen, met het doel 
de concurrentie -voorwaarden van de binnenlandsche 
industrie gunstig te beïnvloeden, hetzij door den 
invoer van buitenlandsche producten te belemmeren, 
hetzij door den uitvoer van grondstoffen te bemoei- 
lijken. -> Bescherming. Kaag. 

Beschermengel, > Engelbewaarder. 

Bescherming (e c o n.), het op een of andere 
wijze steunen van het nationale bedrijfsleven tegenover 
de buitenlandsche concurrentie. Zij kan zich in zeer 
verschillende vormen voordoen, nl.: 1° door het heffen 
van invoerrechten; 2° door het uitvaardigen van 
invoerverboden- en beperkingen; 3° door het toe- 
kennen van uitvoerpremies ; 4° door de heffing van 
differentieele rechten ten behoeve van de nationale 
scheepvaart en van den eigen handel in de koloniën; 
5° door een bepaalde tarievenpolitiek in het binnen- 
landsch verkeer; 6° door het uitvaardigen van uit- 
voerverboden van grondstoffen en halffabrikaten. 
De meest voorkomende vorm is wel de onder 1° 
genoemde. 

Historisch overzicht. Van een eigen- 
lijke bescherming van de nationale nijverheid kan men 
eerst spreken in de 17e eeuw. De toen aangehangen 
mercantilistische zienswijze beschouwde de handels- 
politiek als een deel der staatspolitiek; de staat behar- 
tigde en beschermde de belangen der productie als 
een staatsbelang. Op het einde der 18e, maar vooral 
in de eerste helft van de 19e eeuw wijzigen zich de 
meeningen en wordt bescherming beschouwd als een 
belemmering van de natuurlijke ontwikkeling van de 
voortbrenging. De physiocraten (Quesnay) en de klas- 
sieken (Adam Smith, Ricardo, J. S. Mill) bepleiten 
de vrijheid van het internationale verkeer. Hun voor- 
naamste algemeene argument is, dat dit vrije ruil- 
verkeer zal leiden tot een bepaalde arbeidsverdeeling, 
waardoor elk land juist datgene zal kunnen vóórt- 
brengen, waartoe het door zijn economische ontwikke- 
ling en geographische ligging het meest geschikt is. 
In de 70er en 80er jaren der 19e eeuw komt de kente- 
ring. Was de sterke industrieele ontwikkeling van 


enkele landen de groote stoot tot de vrijhandels- 
beweging, de in 1873 ingetreden crisis deed een streven 
ontstaan naar steun aan het zwaar getroffen bedrijfs- 
leven. Een middel daartoe meende men te zien in b., 
waartoe vrijwel alle landen, uitgezonderd Engeland, 
overgingen. Na den Wereldoorlog heeft dit streven, 
onder invloed der economische omstandigheden, sterk 
aan beteekenis gewonnen. Ook Engeland is ten slotte 
tot bescherming overgegaan. 

Pro en contra. Verschillende argumenten 
zijn door de voor- en tegenstanders aangevoerd ter 
verdediging van hun inzichten. Vóór bescherming: 
1° het List’sche opvoedings-argument. De buiten- 
landsche concurrentie zal soms ten gevolge hebben, 
dat de in een land bestaande economische mogelijk- 
heden niet kunnen worden benut. Om deze tot ontwik- 
keling te brengen, bepleitte Fr. List in zijn: Das 
nationale System der politischen Oekonomie (1841) 
het heffen van tijdelijke rechten. 2° Politieke argumen- 
ten, voornamelijk hierop neerkomend, dat een land 
moet streven naar een bepaalde mate van zelfgenoeg- 
zaamheid. 3° Kosten -argumenten, waarin wordt 
betoogd, dat rechten moeten worden geheven ter 
compensatie van hoogere loonen en kosten in het 
binnenland in vergelijking met het buitenland, 
4° Ten slotte wijst men op de noodzakelijkheid van 
evenwicht in de betalingsbalans, welk evenwicht door 
b. in de hand zou worden gewerkt. 

De vrijhandelaren voeren hier tegenover aan: 
1° het in- en uitvoerargument, waarin wordt gezegd, 
dat elke uitvoer ten slotte slechts mogelijk is, wanneer 
daartegenover invoeren staan. Beperkt men den 
invoer, dan volgt daaruit automatisch een inkrimping 
van den uitvoer. Aan den eenen kant bevordert men 
de industrie, maar aan den anderen kant zou men haar 
ontwikkeling belemmeren, met name de export-indu- 
strie. 2° In verband daarmede voerde men dan aan het 
kapitaalargument. Een land beschikt slechts over een 
bepaalde hoeveelheid kapitaal. Gaat men nu over totb., 
dan zal dit leiden tot een uitzetting van de productie 
voor binnenlandsch verbruik. De beschikbare kapitaal- 
hoeveelheid wordt voor een grooter deel aangewend 
in deze voortbrenging. Het deel beschikbaar voor de 
export-industrie wordt kleiner, m.a.w. er treedt een 
verschuiving op, waarbij er evenveel wordt verloren 
als gewonnen. 3° Een ander argument, dat in verband 
met het eerste w r ordt aangevoerd, is de noodzakelijkheid 
van evenwicht in de internationale betalingsbalans, 
feitelijk dus eenzelfde argument, als ook wordt aange- 
voerd vóór bescherming. 4° Ten slotte wijst men op 
de prijsverhoogende werking van invoerrechten. 
Immers zou de b. niet prijsverhoogend werken, dan 
zou ze haar doel missen. In het algemeen neemt men 
dan verder aan, dat die prijsverhooging onvoorwaar- 
delijk nadeelig is. Bij de bepaling van ons standpunt 
ten opzichte van de b. gaan we uit van de door de 
Katholieken gehuldigde leer omtrent de doelstelling 
van de staatsgemeenschap. Dat doel is de bevordering 
van de gemeenschappelijke weelvaart der leden der 
staatsgemeenschap. Die taak is niet louter passief, 
beperkt tot het handhaven van een bepaalde 
rechtsorde. Zij heeft ook een actief karakter. De staat 
moet al die maatregelen treffen, die met het oog op 
zijn doelstelling, nl. positieve welvaartsbevordering, 
noodzakelijk zullen blijken. Het moge waar zijn, dat 
men door invoer uit het buitenland de basis schept 
voor een uitvoer, natuurnoodzakelijk brengt dat nog 
niet mee de verwezenlijking van die exportmogelijk- 


754 


Beschermingsmiddelen der dieren. 


753 

heid. Tegen b. moge worden aangevoerd, dat vrij- 
handel, mede als gevolg van de daardoor bevorderde 
natuurlijke arbeidsverdeeling, een toename van de 
totale voortbrenging in het geheele gebied, waar hij 
geldt, bewerkt: daarmede is nog niet bewezen, dat hij 
ook de grootste welvaart brengt in elk deel van dat 
gebied. Integendeel, het is best mogelijk, dat het 
slechts bij die exportmogelijkheid blijft of dat een 
bepaald deel van het gebied geheel of ten deele wordt 
uitgeschakeld. Zoowel om het eerste te verwerkelijken, 
als om het tweede te voorkomen, zal een actieve 
handelspolitiek moeten worden gevoerd. Bovendien 
zal ook naar het wapen van b. moeten worden 
gegrepen, wanneer monopolievorming, dumping of 
onrechtvaardige behandeling van bepaalde bevol- 
kingsgroepen in het buitenland, de gemeenschappe- 
lijke welvaart in gevaar zouden brengen. Voor zuiver 
chauvinistische overwegingen is in een dergelijke 
politiek geen plaats. 

De houding van Nederland ten opzichte van be- 
scherming. In het begin der 19e eeuw was de Ned. 
handelspolitiek sterk protectionistisch getint. Op 
verschillende wijzen heeft koning Willem I getracht 
de nationale nijverheid te bevorderen. Naast invoering 
van tarieven trof hij maatregelen tot bescherming 
van den scheepsbouw, de koopvaardij en de industrie 
(differentieele rechten, reserveering van de exporten 
der koloniën voor de eigen scheepvaart, financieele 
steun aan de industrie, vooral na de afscheiding van 
België). In het midden van de 19e eeuw ontstond een 
strooming naar vrijheid vooral van de zijde van den 
handel. 1845 gaf een tariefherziening, die echter nog 
weinig beteekende. Eerst door de afschaffing van de 
scheepvaartwetten in 1850 kwam een definitieve 
omslag. 14 Maart 1862 werd een nieuwe tariefwet inge- 
voerd, waarbij alle rechten werden verlaagd tot 5% 
voor afgewerkte en 2 k 3% voor halffabrikaten, terwijl 
grondstoffen vrij bleven. Deze rechten hadden vooral 
een fiscaal karakter. Na 1862 neemt het streven naar 
vrijheid een steeds vasteren vorm aan. Aan pogingen 
om deze tendenz naar vrijheid om te buigen heeft het 
niet ontbroken. Minister Harte van Tecklcnburg 
in 1904 en mr. Kolkman in 1911 deden in dien geest 
voorstellen, echter zonder succes. De tariefwet van 
1862 bleef, afgezien van enkele technische herzieningen, 
practisch tot op heden bestaan. Een poging tot be- 
scherming was het schoenenwetje van 1923. In 1917 
verhoogde minister de Vries het tarief van 5 op 7%, 
waarna Co lijn in 1924 dit bracht op 8%. Dec. 1931 
kwam een verhooging tot 10% tot stand, waarop in 
1932 opcenten werden geheven. Bij al die verhoogingen 
werd in de considerans van de wet gewezen op de 
behoeften van ’s lands schatkist, zoodat deze rechten 
een fiscale strekking hadden. Dat zij in meerdere 
gevallen beschermend werkten, kan niet worden 
ontkend. De in de laatste jaren, als tijdelijken 
maatregel, in het leven geroepen contingenteeringen 
hebben een zuiver beschermend karakter. Na 
1850 tot op heden kan men Nederland een vrij- 
handelsland noemen. Thans kan men echter aller - 
wege, ook in regeer ings-, handels- en financieele 
kringen, een wijziging der mceningen ten gunste van 
een actieve handelspolitiek constateeren. 

L i t. : mr. A. Beaujon, Handel en Handelspolitiek 
( 2 1927) ; mr. P. A. Diepenhorst, Actieve Handelspolitiek 
(1927); J. E. Vleeschhouwer, Actieve Handelspolitiek 
(1928) ; H. A. Kaag, Handelspolitiek (1930). 

( 7 . Janssens. 


De bescherming in België. In het begin van zijn 
onafhankelijkheid was België protectionistisch, zooals 
elk land op dit tijdstip. Nochtans was de bescherming 
nogal gematigd en toen de gevolgen van de breuk met 
Holland zich lieten gevoelen, eischten landbouw en 
nijverheid ingrijpender maatregelen. Het land verloor 
toen inderdaad belangrijke afzetgebieden; in den loop 
van de jaren na 1830 tot 1842 werden de toltarieven 
onophoudelijk verhoogd. Maar dit bracht den voor- 
spoed in het land niet weer, zoodat de vrijhandels- 
gedachten hoe langer hoe meer vat kregen op de open- 
bare meening. 

De wending ten gunste van den vrijhandel kwam 
eerst tot uiting in het jaar 1851, en werd doorgevoerd 
in 1861 ten tijde van de handelsovereenkomst met 
Frankrijk. In 1860 werden de stedelijke accijnzen 
afgeschaft en in 1863 de Schelde vrijgekocht. In den 
loop van de tien volgende jaren werden de laatste 
overblijfselen van het protectionisme opgeruimd. 

Tot aan den wereldoorlog bleef België den vrij- 
handel getrouw, al voerde het in 1887 en 1895 eenige 
rechten in van zeer gering bedrag op landbouw- 
producten. 

Na den oorlog (1924) werd het Belgisch toltarief 
geheel gewijzigd. Over het algemeen kon de vrijhandel 
behouden blijven. Men bespeurde nochtans een zekere 
bescherming wat betreft automobielen en schoeisel; 
de rechten, gelegd op de landbouwproducten, waren 
geringer dan voor den oorlog. 

België trof geen enkelen beschermingsmaatregel in 
het begin van de crisis (1929). Maar in 1930 beschermde 
het de suiker; in 1931 werden de invoerrechten op de 
landbouwproducten, in goud-waarde uitgedrukt, tot 
op peil van voor den oorlog gebracht. 30 Juni 1931 
werd aan de regeering de toelating verleend den invoer 
te contingenteeren. In 1932 maakte zij gebruik van 
deze toelating en verminderde den invoer van vee, 
boter, schoeisel in leder, enz. Alles tezamen genomen 
hebben deze maatregelen toch minder omvang gehad 
dan die, welke getroffen werden in andere landen. 
België heeft steeds volgehouden, dat deze maatregelen 
moeten beperkt blijven tot de crisisperiode. 

België heeft getracht internationale accoorden uit 
te lokken, bestemd om den vrijhandel weer in eere 
te herstellen. Het nam een actief aandeel in de bespre- 
kingen, die leidden tot het tolbestand van 1930; 
het sloot zich aan bij de Overeenkomst van Oslo 
(1930). Ten slotte sloot het met Nederland in Juni 1932 
de overeenkomst van Ouchy, die tot op heden niet 
werd bekrachtigd. 

Sedert Mei 1922 maken België en het groothertog- 
dom Luxemburg een economische unie uit. Deze unie, 
die gesloten werd voor den duur van vijftig jaren, 
functionneert heden tot voldoening van beide partijen, 
na een ietwat lastige aanvangsperiode. Luxemburg 
moest zich aanpassen aan de nieuwe handelspolitiek; 
daarenboven deed de depreciatie van den frank ern- 
stige moeilijkheden ontstaan. Baudhuin. 

Beschermingsmiddelen der dieren. De 
manieren, waarop de dieren zich tegen de hun bedrei- 
gende gevaren weten te beschermen, zijn velerlei. De 
meeste dieren bezitten in de huid, die hun lichaam 
omgeeft, een beschutting tegen de uitwendige ongun- 
stige invloeden. Bovendien is de huid hiervoor dikwijls 
speciaal voorzien van sterke kalkplaten (stekel- 
huidigen), van chitinelagen (geleedpootigen), van 
hoombedekkingen (gewervelde dieren). Ondersteund 
door andere harde bestanddeelen (kalk, kiezel of been) 


755 


Berschermingsvliegtuig— Beschikking 


756 


vormen deze beschermende lagen dikwijls een buiten- 
ewoon stevige bepantsering. De meeste weekdieren 
ebben om hun lichaam een huis gebouwd, waarin 
zij zich bij dreigend gevaar kunnen terugtrekken. De 
larve der kokerjuffer zoekt uit de omgeving allerlei 
materiaal, waarmede zij een koker vormt om daarmede 
het weeke achterlijf te omgeven; eveneens zoekt de 
heremietkreeft een wulkenschelp, eet het hierin 
gehuisveste dier op en gebruikt vervolgens de schelp 
om daarin het onbeschermde achterlijf te bergen. 
Actief weten vele dieren zich tegen hun vijanden te 
beschermen door het bezit van verdedigingswapenen, 
zooals tanden, horens, geweien, stekels, angels, 
schrikkleuren of klierstoffen, die óf een giftige uit- 
werking hebben, óf een zeer onaangenamen geur ver- 
spreiden of een walglijke smaak bezitten. Een zeer 
eigenaardige wijze van bescherming is de bij verschil- 
lende dieren voorkomende autotomie. Zoo is het 
bekend van hagedissen, dat zij, bij den staart gegre- 
pen, dit lichaamsdeel op daarvoor aangelegde breuk- 
plaatsen af breken; van krabben en kreeften is bekend, 
dat zij hun scharen of gangpooten gemakkelijk bij de 
basis kunnen afbreken, die dan door nieuwe, bij elke 
vervelling grooter wordende ledematen worden ver- 
vangen. Dikwijls weten dieren zich aan de aandacht 
van hun vervolgers te onttrekken door in kleur en 
vorm hun omgeving na te bootsen (oneigenl. mimicry). 
Uit de vele voorbeelden zijn hier te noemen de blad- 
vlinder en het wandelend blad, waarvan de eerste in 
rusttoestand een verdord blad, de tweede een groen 
blad nabootst, of de spanrups, die een stand kan aan- 
nemen, waarin zij bijna niet van een verdord takje 
is te onderscheiden. De eigenlijke mimicry (naboot- 
sing) bestaat hierin, dat ongewapende dieren in vorm 
en kleur gelijken op goed gewapende dieren. Als 
typische voorbeelden worden dikwijls aangehaald de 
horzelvlinder, de groote houtwesp en de blad wesp 
Cimbex variabilis, die, zelf ongewapend, de hoornaar, 
zeer gevreesd om haar pijnlijken steek, nabootsen. 
Door mimicry zijn de dieren wel tegen toevallige, 
niet echter tegen hun natuurlijke vijanden beschermd. 

Willems. 

Bcschcrmingsvliegtuig, > Vliegtuig. 

Bescherming van meisjes en vrouwen, 

eigenlijk R.K. Internationale Vereeniging tot Be- 
scherming van Vrouwen en Meisjes, met den hoofdzetel 
tc Freiburg, tracht vrouwen en meisjes voor gevaren 
te behoeden. Taak van de vereeniging: 1° verschaffing 
van tijdelijk verblijf; 2° samenkomst voor meisjes van 
buiten en van vreemdelingen; 3° plaatsen van meisjes 
in gestichten; 4° verwijderen van meisjes uit gevaar- 
lijke omgeving; 6° stationswerk; 6° arbeidsbemidde- 
ling voor huishoudelijke beroepen. Op hetzelfde terrein 
werken: Ned. Vereen, ter behartiging van de belangen 
van jonge meisjes, de Middemachtzending, Vereen, 
ter bescherming van het Joodsche meisje. F . Eaye. 

Bescliey, Balthasar, Vlaamsch schilder 
uit de 18e eeuw, rector der Antwerpsche academie en 
op lateren leeftijd deken van het Sint Lucasgilde. 

* 1708, f 15 April 1776 te Antwerpen. Zijn land- 
schappen schildert B. in den trant van Jan Brueghel. 

Voorn, werken: Portret v. bisschop Verbroeck 
(Antwerpen, St. Jacob); portret v. d. Rchilder Maarten 
Jozef Geeraarts (pastel, Antwerpen, museum); bijbelsche 
voorstellingen in het museum van Antwerpen en het 
stadhuis van Leuven ; allegorieën : de 5 zintuigen (2 
doeken : Leningrad, Ermitage). — L i t. : Rooses, De 
Antwerpsche Schilderschool (1880). Knipping. 


Beschieting, houten betimmering van do ver- 
blijven aan boord van schepen. 

Beschikbaar mctaalsaldo (e c o n.) heet 
het verschil tusschon de werkelijke en de wette lijk 
vereischte metaaldekking bij de circulatiebanken. 
Beschikken, > Beheeren. 

Beschikking. I. Ned. Recht. A) Burg. 
Recht. Beschikking is de uitspraak van den 
rechter, die niet in den vorm van een vonnis is gego- 
ten. B. komen vooral voor bij de zgn. vrijwillige recht- 
spraak, of volontaire jurisdictie, waarin de rechter 
een hem door de wet opgelegde taak vervult, zonder 
dat men kan spreken van beslissing in rechtsgeschillen. 
Voorbeeld: benoeming van voogden. Het hooger 
beroep van b. moet, tenzij in de wet anders is bepaald, 
binnen 2 maanden worden ingesteld, dat van vonnissen 
binnen 3 maanden. Witteman. 

B) Beschikking in het Ned. Strafrecht is 
een beslissing van den rechter, welke niet op de te- 
rechtzitting wordt gegeven (art. 138 W. v. Str.). Er 
zijn allerlei soorten beschikkingen in verband met de 
zaak zelve (art. 250 W. v. Str.), in verband met de 
voorloopige hechtenis (art. 63 vlg. W. v. Str.), gege- 
ven door de rechtbank, door den rechter-com missar is, 
enz - Pompe . 

Ter b. van de Regeering stellen is 
een zgn. beveiligingsmaatregel, d.w.z. een niet op 
vergelding gerichte maatregel, genomen tegen perso- 
nen, die zich aan een strafbaar feit schuldig gemaakt 
hebben. En wel tegen: 1° minderjarigen 
onder 18 jaar. Dezen kunnen — sinds 1905 — onder 
bepaalde voorwaarden ter beschikking van de Regee- 
ring gesteld worden, uiterlijk tot hun 21e jaar, ten 
oinde in hun opvoeding worde voorzien. Deze 
opvoeding geschiedt óf in een Rijksopvoedingsgesticht, 
óf in een particulier opvoedingsgesticht, óf in een 
gezin van pleegouders. Bij de keuze van het particulier 
gesticht of de pleegouders wordt rekening gehouden 
met den godsdienst van den pupil. De ter beschikking 
stelling kan steeds voorwaardelijk of onvoorwaardelijk 
beëindigd worden. Vgl. art. 39 bis vlg. W. v. Str. 

2° P e r s o n e n, bij wie tijdens het begaan van 
het feit gebrekkige ontwikkeling of ziekelijke storing 
der geestvermogens bestond. Dezen kunnen (sinds 1928) 
ter beschikking van de Regeering gesteld worden ten 
einde te worden verpleegd. Voorwaarden zijn: a) mis- 
drijf of een der bepaald genoemde overtredingen; tot 
1936 blijven de overtredingen buiten aanmerking, en 
komen in het algemeen de vermogensmisdrijven slechts 
in aanmerking bij meervoudige herhaling; b) dat het 
belang der openbare orde de ter beschikking stelling 
bepaaldelijk vordert. 

De duur van dezen maatregel is twee jaar en kan 
door den rechter telkens met een of twee jaar verlengd 
worden. De verpleging geschiedt in een Rijksasyl, 
in een particulier asyl, waarbij rekening gehouden 
wordt met den godsdienst van den verpleegde; ze 
kan ook in een gezin plaats hebben. Binnen de genoem- 
de wette lijke en rechterlijke termijnen kan de ter 
beschikking stelling steeds voorwaardelijk of onvoor- 
waardelijk beëindigd worden. Vgl. art. 37 vlg. 
W. v. Str. 

L i t. : mr. C. Feber, De Psychopathenwetgeving 

(1932). Pompe . 

1 1 . Belg. Recht. A) Burg. Recht. In 
burgerlijke zaken en in handelszaken is b. beslissing 
van een rechter, die deel uitmaakt van een college, 


75T 


Beschikkingsrecht — Beschoeiing 


758 


maar die in sommige gevallen alleen optreedt. Zoo 
wordt gesproken van een beschikking van den voor- 
zitter der rechtbank in de vrijwillige rechtspraak, 
waartegen geen rechtsmiddelen bestaan; ook van 
een beschikking (ordonnantie) in kort geding, waar- 
tegen beroep kan worden ingesteld (> Kort geding). 
In sommige zaken worden bepaalde maatregelen, 
b. genoemd, aan een rechter-commissaris opgedragen; 
bijv. in zake faillissementen. 

B) Beschikking in strafzaken is een beslis- 
sing van de Raadkamer (> Strafvordering), waarbij 
het vooronderzoek wordt afgesloten. Er zijn drie 
soorten beschikkingen; de beschikking van verwijzing, 
de beschikking van buitenvervolgingstelling, en de 
beschikking van nader onderzoek. 

Collin/V. Dievoet. 

Ter b. der r e g e e r i n g stellen is een 
administratieve maatregel, welke kan genomen worden 
ten overstaan van minderjarigen, van gewoontemis- 
dadigers en van recidivisten. 

1° Minderjarigen. Kinderen, die den vollen leeftijd 
van 16 jaren niet bereikt hebben, zijn aan het Straf- 
recht onttrokken. Zij kunnen, indien zij een misdrijf 
gepleegd hebben, of zoo daartoe andere gronden zijn, 
door den kinderrechter ter beschikking van de regee- 
ring gesteld worden (Wet van 16 Mei 1912). 

2° Gewoontemisdadigers en recidivisten. Het ter 
beschikking der regeering stellen is een beveiligings- 
maatregel, welke naast de straf mag opgelegd worden 
aan recidivisten en gewoontemisdadigers (Wet van 
9 April 1930). De ter beschikkingstelling mag uit- 
gesproken worden; 1° in geval van wettelijke herhaling; 
2° wanneer een misdaad wordt begaan door iemand, 
die reeds vroeger werd gestraft met een correctioncele 
straf; 3° tegen gewoontemisdadigers. Als gewoonte- 
misdadigers beschouwt de wet degenen, die binnen een 
termijn van vijftien jaren minstens driemaal een 
correctioneele straf hebben opgeloopen, en die tevens 
een aanhoudende neiging tot het plegen van misdrijven 
vertoonen. De maatregel bestaat hierin, dat de regee- 
ring naar goeddunken den persoon, die haar ter 
beschikking wordt gesteld, kan opsluiten en verplegen 
in een bijzonder gesticht, of in een beperkte of volledige 
vrijheid laten. 

Tot uitvoering van deze wet werd een bijzonder 
gesticht opgericht te Merxplas. De ter beschikking 
stelling eindigt: 1° met het verloop van den termijn, 
waarvoor zij werd opgelegd; 2° door een beslissing 
van het Hof van Beroep, uitspraak doende over de 
vraag tot invrijheidstelling van den veroordeelde. 
Ook bedelaars en landloopers kunnen ter b. der regee- 
ring worden gesteld. > Bedelarij. Collin. 

Beschikkingsrecht (N e d.-I n d. R e c h t). 
Het b.,niet overal in Ned.-Indië intact gebleven, is 
het hoogste zeggingsrecht over grond en water, toe- 
komend aan de adatrechtelijke inl. gemeenschappen 
(dessa, negari, marga, stam), zich uitend in het vrije 
gebruik door de gemeenschap en haar leden (anderen 
slechts met toestemming der gemeenschap of tegen 
betaling geoorloofd) van de binnen haar rechtsgebied 
gelegen gronden en water, recht van toezicht op reeds 
ontgonnen gronden, een enkele maal op woonerven, 
en een algemeene verantwoordelijkheid voor den goe- 
den gang van zaken aldaar. B. Damen. 

Beschoeiing, constructie, dienende voor het 
keeren van grond, waarbij de vaste stand wordt ver- 
zekerd door den weerstand van ingeheide onderdeden 


in den bodem en waarbij gewoonlijk tevens een ver- 



ankering in den achtergelegen grond wordt toegepast. 

Fig. 1 toont de normale constructie van een geheel 
uit hout samengestelde beschoeiing. Deze bestaat 
uit een rij ingeheide 
palen a, afgedekt door 
een houten balk, de 
deksloof b. Ongeveer 
ter hoogte van den 
grondwaterstand is 
langs de palen een 
balk c aangebracht, 
de zandstrook of wa- 
tergording, waarlangs 
de damplanken d zijn 
geheid. Van de zand- 
strook tot de deksloof 
zijn in horizontale 
richting de beschoei- 
ingsplanken e aange- 
bracht. De palen zijn 
door de ankers f verankerd aan een ankerstoel, welke 
is samengesteld uit twee ankerpalen g, onderling ver- 
bonden door een kruishout h. 



De constructie van de b. is uiteraard voor allerlei 
wijziging vatbaar. Bij geringe hoogte kan de construc- 
tie vereenvoudigd worden, bijv. doordat ófwel de 
damplanken, ófwel de beschoeiingsplanken vervallen. 
Ook komen meer samengestelde constructies voor, bijv. 
een beschoeiing met watergebint (fig. 2). Daarbij rei- 
ken de palen niet hooger dan de watersloof. Op deze 



Fig. 2. 


759 


Beschot — Beslaan 


760 


sloof zijn stijlen geplaatst, zgn. opzetters of kubbe- 
stijlen, welke zijn afgedekt met de deksloof, en waar- 
tegen de beschoeiingsplanken zijn aangebracht. De 
kubbestijlen en de watersloot zijn verankerd. 

De beschoeiingsplanken, welke het meest aan ver- 
wering zijn blootgesteld , vervangt men wel door metsel- 
werk. In dat geval wordt voor de kubbestijlen en de 
deksloof veelal ijzer toegepast. 

Tegenwoordig gebruikt men voor een beschoeiing 
vaak gewapend beton of ijzer in plaats van hout. Fig. 
3 toont een beschoeiing, bestaande uit een verankerden 
ijzeren dam wand. Egelie . 

Beschot (t e c h n.), beplanking van een hou- 
ten > sluisdeur. 

Beschouwing (theol.), > Schouwen; > Con- 
templatie. 

Beschouwingswijze der economie , > 

Economie. 

Beschrijvende kromme, rechte (m e et k.). 
Kan men een oppervlak laten ontstaan door beweging 
van een rechte of kromme lijn, dan noemt men het 
oneindig aantal rechten of krommen, die aldus het 
oppervlak voortbrengen, beschrijvende rechten, resp. 
beschr. krommen. ■> Cylinder; -> Kegel; > Regel- 
vlak. 

Beschrijvende meetkunde beoogt het uit- 
voeren van constructies aan ruimtefiguren. Hieraan 
gaat steeds vooraf het afbeelden der ruimtefiguren op 
een plat vlak. Dit heeft plaats met de projectiemetho- 
den: centrale projectie, perspectief, orthogonale en 
scheeve parallelprojectie, axonometrie e.a. 

L i t. : dr. Hk. de Vries, Leerboek der b.m. (I 3 1931, 
II z 1922) ; eenvoudiger : dr. Hk. de Vries en P. Wijdenes, 
Leerboek der b.m. (I 5 1927, II 1925). t?. Kol . 

Beschrijvende plantkunde, > Plantkunde. 

Beschrijvende psychologie is dat deel der 
psycli., dat de concrete psychische verschijnselen of 
processen zoo getrouw en volledig mogelijk beschrijft, 
daarbij steunend op waarneming en analyse, ten einde 
aldus door generalisatie en abstractie der individueele 
bijzonderheden tot het wezen van een psych. pheno- 
meen, bijv. sensatie, te geraken. 

Bijzondere vormen van b. zijn > phenomenologie 
en •> geesteswetenschappelijke psychologie. 

v. d. Veldt. 

Beschuit, zeer luchtig gebak, meestal uit tarwe- 
bloem gemaakt, dat tweemaal wordt gebakken 
(Fransch: biscuit; Duitsch: Zwieback), en daardoor 
droog en bros is. 

Beschuitgelei of honingzoet, een in 
hoofdzaak uit vet, suiker, aardappelstroop en kleine 
hoeveelheden zeep en dubbel koolzure soda bestaande 
hulpstof bij de beschuitbereiding. 

Beschuttingskolloïd, > Schutkolloïd. 

Beselarc of Becelaere, gem. in de prov. 
West- Vlaanderen, ten O. van ïeperen; opp. 1 404 ha, 
ruim 2 500 inw. Reutelbeek; landbouw; vlasnijverheid. 
Kerk met liturgische doopkapel; Duitsche militaire 
kerkhoven. B. werd verwoest gedurende den wereld- 
oorlog. Vroeger was B. eigendom van de familie Van 
de Woestyne, die een belangrijke rol speelde gedurende 
de moderne geschiedenis. V . Asbroeck. 

Besclcr, Hans Hartwig von, Prui- 
sisch generaal der genie, * 27 April 1850, f 20 Dec. 
1921. v. B. nam op 10 Oct. 1914 Antwerpen en in Aug. 
1915 Nowo Georgiewsk. Hij was daarna gouverneur 
van Polen. 

Besheide, > Kraaiheide. 


Beshuist (Ilex Aquifolium pyramidalis), een 
verscheidenheid van hulst, die veel bessen draagt. 

Besik Göl, een meer in de laagte ten N. van 
Chalcidice (Griekenland). Geen bovcngrondsche af- 
watering. 

Besitang, rivier, ontspringende op de N. 
helling van de G. Bandahara, op de grens van het gou- 
vernement Oostkust van Sumatra en Atjeh en Onder - 
hoorigheden. Zij mondt uit in de Aroebaai, centrum 
van de petroleumwinning. Aan den benedenloop ligt 
de gelijknamige plaats. v. Vroonhoven. 

Besjestaal moet beschouwd worden in verband 
met de oude-menschenpsyche: vasthouden aan eenmaal 
aangenomen meeningen, voorliefde voor „den goeden 
ouden tijd” der jeugdherinneringen. Voor die oude 
dierbare dingen gebruiken ze graag ook oude woorden. 
Kinderlijk en vromer geworden, verhalen ze het liefst 
aan kinderen, die hun taal wel niet overnemen, maar 
ze zich later in innige en gewijde oogenblikken toch 
vaak herinneren. Houdt dit soms verband met archa- 
ïstisch getinte literaire- en godsdiensttaal ? De syn- 
tactische bijzonderheden der b.: korte onaffe zinnetjes, 
verliezen van den draad door tusschengevoegde herin- 
neringen enz., zijn hiervoor van minder belang. Voor 
het verband met andere groeptalen, > Taalkringen. 

L i t. : J. v. Ginneken, Handb. der Ned. Taal (I 1913, 
540-547). w. Janssen. 

Bcsjlr de Groote (ook: B a s j i r), beroemd 
emir in Libanon, van 1788—1840. * 1763; f 1850 te 
Konstantinopel. Als Mohammedaan geboren, later 
tot het Christendom bekeerd. Vazal van Mehmet (of 
Mohammed) Ali, onderkoning van Egypte. In 1841 
werd hij door de Engelschen opgelicht en naar Malta 
gevoerd. " Lousse. 

Bcskidcn, > Karpaten. 

Beskow, 1° Bernard, Zweedsch dichter, 
tooneelschrijver en letterkundig criticus van roman- 
tische richting. * 1796 te Stockholm, f 1868 aldaar. 
Ook aan geschiedenis, wijsbegeerte en biographie 
heeft B. gedaan, maar alleen met zijn historiedrama ’s 
leeft hij thans nog voort. 

Hoofdwerken: Erik XIV (1826) ; Thorkel 

Knutsson (1830). — L i t. : Rydquist, B. v. Beskow 
(1870). 

2° Els a, geb. Maartmann, Zweedsch 
schrijfster van door haarzelf heerlijk geïllustreerde 
kinderboeken. * 11 Febr. 1879 te Stockholm. 

3° N i 1 s, Zweedsch romanschrijver en Luthe- 
raansch predikant. * 14 Sept. 1863, in 1929 tot het 
Katholicisme bekeerd. 

Werken: Moln som snart g&r öfver (1905) ; Inför 
Guts ansikte (1923) ; Guds vagar (1924) ; Liltstecken 
och dödstecken (1929). Baur. 

Beslaan van paarden. Onder b. verstaat men het 
voorzien van de hoefzool met een hoefijzer. 

B. is een vak, dat onderwezen wordt aan de militaire 
hoefsmidschool en te Utrecht in een cursus van de 
veterinaire faculteit der universiteit. Is aan het eind 
hiervan het examen met goed gevolg afgelegd, dan 
wordt het rijksdiploma als hoefsmid uitgereikt. 

Sinds het begin onzer jaartelling past men dit be- 
slaan toe. In den tijd dat Assyriërs, Babyloniërs, Per- 
zen en Israëlieten het paard als huisdier gebruikten, 
was beslaan nog niet noodig, daar het evenwicht 
tusschen slijtage en nieuwen groei van den hoef nog niet 
door harde wegen verbroken was. Later is dit verband 
tusschen hoornslijtage en hoomvorming verstoord, 
ook door harden arbeid en men is hieraan tegemoet 


761 


Beslag 


762 


gekomen door hoefbeslag, eerst primitief (door de oude 
Egyptenaren bijv. met strooken leer, door de Grieken 
met sandalen, gemaakt van planten vezels, door de 
Romeinen met metalen sandalen). De Kelten hebben 
het eerst hoefbeslag met nagels gebruikt en hiervan 
zijn er ook in Limburg gevonden. In de late middel- 
eeuwen, den riddertijd, werd zeer veel zorg aan het 
beslag besteed. Dit was de bloeiperiode van het zware 
(Vlaamsche) paard. Toen dit uit de mode raakte, had 
men ook niet meer zulk zwaar beslag noodig en na 
een verval in de 16e en 17e eeuw, komt het beslaan 
weer meer in aanzien, als de eerste veeartsenijscholen 
worden opgericht. In dien tijd werden de hoefijzers 
alleen met de hand gemaakt, tegenwoordig veelal 
machinaal, w T at in vele opzichten te betreuren is, daar 
het vak als zoodanig in discrediet komt, terwijl toch 
vele hoeven door hun afwijkenden vorm een individueel 
hoefijzer noodig hebben. Een voordeel is, dat fabrieks- 
ijzers goedkooper zijn en dat men er, zoo noodig (bijv. 
te velde) koud mee kan beslaan. Tot nu toe is ijzer het 
meest geschikte metaal gebleken, maar ook ander 
materiaal wordt gebruikt: aluminium en aluminium- 
legeeringen, om het hoefijzer lichter te maken, koper, 
goud, zilver, papier, geperst buffelleer, rubber. Al 
naar de eischen, die aan het paard gesteld worden, 
gebruikt men hoefijzers, verschillend van vorm en 
verschillend van samenstelling. Een renpaard zal men 
lichter beslaan dan een trekpaard, dat men ijzers met 
een zgn. balk geeft en met kalkoenen (het rechthoekig 
naar onder omgebogen uiteinde der hoefijzertakken). 
Rubberijzers (rubber met ijzer er in verwerkt) hebben 
niet voldaan wegens onregelmatige slijtage. 

Behalve ijzers worden bovendien ook zolen van 
verschillend materiaal gebruikt. Deze worden tusschen 
hoefzool en hoefijzer genageld, zóó, dat de zool afzon- 
derlijk verwijderd kan worden. Het hoefmechanisme 
functionneert beter, het uitglijden wordt tegengegaan 
en het ballen van de sneeuw tusschen het hoefijzer 
wordt voorkomen. Als bovendien de zool zóó gecon- 
strueerd wordt, dat er lucht tusschen zool en hoomzool 
kan passeeren, dan wordt rotting tegengegaan. In 
oorlogstijd gebruikte men hoefijzers, die voorzien 
waren van een scharnier, welke de soldaten zelf kon- 
den aanleggen. In de practijk heeft dit niet voldaan; 
het hoef mechanisme leed te veel. 

O.a. in N. O. Indië worden ook ossen beslagen. Van 
ieder been komen slechts 2 klauwen op den grond en 
deze worden, hetzij afzonderlijk, hetzij gezamenlijk 
van een hoefijzer voorzien (toonstukjes). 

Beslag (genees k.), plaatselijke naam voor > 
beroerte. 

Beslag van paarden, ossen, ezels of muilezels is 
het beschermend materiaal, dat onder of om den 
hoornen hoef wordt aangebracht, en dat ten doel heeft: 
1° de te snelle slijtage van den hoef te voorkomen; 
2° het dier te beschermen tegen uitglijden op gladde 
wegen; 3° den goeden stand en den goeden gang van 
het dier zooveel mogelijk te bevorderen. Zie verder 
> Beslaan. 

Beslag (bouw k.), metaalwerk, hetwelk dient 
voor versterking, versiering, sluiten en afhangen van 
bouwonderdeelen . 

Bij poorten, deuren en luiken is dit b. dikwerf 
ornamenteel uitgevoerd en bestaat uit hengsels, 
dekplaten, sleutelplaten, e.a. In koper, zilver of 
goud wordt b. bij meubels ter versiering gebniikt, 
bijv. in empire-stijl. Thunnissen. 

Beslag (Burg. Recht). Algemeen. B. is een ge- 


rechtelijke maatregel tot de verzekering van iemands 
(vorder ings-)recht tegenover een derde. Doorgaans 
omvat het b. twee bedrijven: 1° door een deurwaarder 
w T ordt, zoo noodig met behulp van den sterken arm, 
de hand gelegd op de zaak, die daardoor aan de vrije 
beschikking van den bezitter onttrokken wordt; 2° 
door een vonnis wordt het b. van waarde verklaard, 
waarna de zaak ten behoeve van den schuldeischer of 
van de schuldeischers verkocht w r ordt. De verdeeling 
van de opbrengst geschiedt volgens rangregeling of 
evenredig met de verschuldigde bedragen, naargelang 
er bevoorrechte schuldeischers zijn of niet. 

Sommige goederen verklaart de wet, om redenen 
van menschelijkheid, onvatbaar voor beslag, bijv. uit- 
keer ingen tot levensonderhoud, de onontbeerlijke 
kleederen, een deel van het dagloon, het arbeiders - 
gereedschap, enz. 

Men onderscheidt: 1° conservatoir beslag, 2° execu- 
toriaal beslag, 3° revindicatoir beslag. De eerste twee 
zijn ingesteld ten behoeve van hem, die, als schuld- 
eischer, tegenover een ander, schuldenaar, een op geld 
waardeerbare vordering heeft; zij bestaan in de ont- 
trekking van een deel van het vermogen des schul- 
denaars aan diens vrije beschikking ten einde voor den 
schuldeischer de gelegenheid te openen, om zich (door 
verkoop van dit vermogensdeel) financieel schadeloos 
te stellen. 

Conservatoir beslag dient meer bepaald 
om den schuldenaar te beletten zijn goederen te „ver- 
duisteren” d.w.z. door verkoop of anderszins aan exe- 
cutie te onttrekken: dit beslag kan de schuldenaar doen 
opheffen door het stellen van voldoende zekerheid 
voor de schuldvordering, waarvoor beslag werd gelegd. 

Revindicatoir beslag is ingesteld ten be- 
hoeve van hem, die een bepaalde zaak, w r elke zich 
onder de feitelijke heerschappij van een ander bevindt, 
wederom in zijn macht wenschte te krijgen: het bestaat 
in de onttrekking van de zaak aan de heerschappij van 
den feitelijken houder, teneinde dengene, die haar 
wenscht terug te krijgen, in de gelegenheid te stellen 
om haar — na verlegen gerechtelijke uitspraak te 
zijnen gunste — als eigenaar, als bezitter of als pand- 
hebber tot zich te nemen. Het arrest onder derden 
neemt een eigen plaats in: tot verzekering of tot be- 
taling van zijn vordering op zijn schuldenaar B kan 
schuldeischer A beslag leggen onder een derde C, 
wanneer deze op zijn beurt iets aan B schuldig is. Na 
van waardeverklaring van het arrest door de recht- 
bank, zal de derde verplicht zijn om hetgeen B te vor- 
deren heeft, niet aan hem, maar aan den schuldeischer 
van B, aan A te betalen. 

1 ° Ned. Recht, a) Als soorten van conservatoir 
beslag onderscheidt de wet: conservatoir b. onder den 
schuldenaar; arrest onder derden; arrest onder den 
schuldeischer; > pandbeslag voor huren en pachten; 
conserv. b. op onroerend goed; maritaal beslag. 

Conserv. beslag onder den schul- 
denaar (art. 727 vlg. Rv.) mag slechts gelegd wor- 
den met verlof van den president van de rechtbank. 
Dit verlof wordt niet gegeven dan nadat den president 
is aangetoond, dat er gegronde vrees bestaat, dat de 
schuldenaar zijn goederen zal „verduisteren”. Binnen 
8 dagen na het leggen van het beslag moet de eisch 
tot deszelfs van waarde verklaring ingcstcld worden. 
Men pleegt tegelijk met dezen eisch ook de hoofd- 
vordering in te stellen, waarvoor het beslag gelegd is. 
Door het vonnis van waardeverklaring gaat het cons. 
beslag over in executoriaal beslag. Wanneer liet geleg- 


763 


Beslag 


764 


de beslag niet van waarde verklaard wordt, kan de 
besin glegger — „indien daartoe gronden aanwezig 
zijn” — jegens den beslagene tot schadevergoeding 
veroordeeld worden. Arrest onder derden kan zonder 
verlof van de rechtbank gelegd worden. Na deszelfs 
van waarde verklaring, die binnen 8 dagen gevraagd 
moet worden, zal de derde, C, verplicht zijn, om hetgeen 
B van hem te vorderen blijkt te hebben niet aan dezen, 
maar aan zijn B.’s schuldeischer A te betalen. 

Beslag onder den schuldeischcr. 
Wanneer A, die op B. een niet liquide vordering heeft, 
door B. uit hoofde van een liquide vordering wordt 
aangesproken, kan A zich tegenover B. niet op > com- 
pensatie beroepen (art. 1463 B.W.). Er blijft A dan 
geen ander verdedigingsmiddel over dan onder zich 
zelf beslag te leggen, voor het bedrag, dat hij van B. 
meent te kunnen vorderen. 

Om misbruik te voorkomen bepaalt de wet, dat hij, 
tegen wicn door een ander een vordering wordt inge- 
steld, slechts dan onder zich zelf beslag zal kunnen 
leggen, wanneer hij ofwel zulks op grond van authen- 
tieke bescheiden doen kan, ofwel hiertoe op grond van 
onderhandsche bescheiden van den president der recht- 
bank verlof bekomen heeft. Het leggen van het beslag 
moet dan de tegenpartij beteekend worden. Hierbij 
moet deze tevens tot van waarde verklaring gedag- 
vaard worden. Het door A onder zich zelf tegen B ge- 
legde beslag, belet B de executie van het door hem te- 
gen A verkregen veroordeelend vonnis. 

Beslag op onroerend goed. Dit wordt 
gelegd door een inschrijving van het beslag in de hy- 
potheekregisters. Binnen 8 dagen hierna moet de 
eisch tot van waarde verklaring ingesteld worden, en, 
binnen 14 dagen er na, moet het instellen van deze 
eisch ter griffie van de rechtbank geregistreerd zijn. 
Bij gebreke hiervan zal de aanteekening der beslag - 
legging in de hypotheekregisters kunnen worden 
doorgehaaid. 

Maritaal beslag. Aldus heet het cons. 
beslag, dat een vrouw, die tegen haar man een eisch 
van echtscheiding, van scheiding van goederen of van 
tafel en bed wil instellen, na verkregen verlof van den 
president van de rechtbank kan leggen op de goederen, 
die haarzelf toebehooren; zoodanig beslag op de 
onroerende goederen van de vrouw is overbodig, omdat 
de man toch niet eigenmachtig daarover kan beschik- 
ken. Na legging van maritaal beslag hoeft geen eisch 
van van waarde verklaring ingesteld te worden, om- 
dat het slechts gelegd wordt om te voorkomen, dat, 
hangende het proces, de goederen van de vrouw of van 
de gemeenschap door den man verspild of weggemaakt 
worden (art. 246 B.W.). Door een gelegd maritaal 
beslag worden derden -crediteuren niet verhinderd 
om voor reeds vroeger ontstane vorderingen op dezelfde 
goederen beslag te leggen. 

b) Als soorten van executoriaal beslag onder- 
scheidt men exec. b. op roerende goederen, op on- 
roerende goederen, of op schepen van den debiteur en 
exec. beslag onder een derde. 

Dit laatste beslag wordt gelegd door beteekening 
van het te executeeren vonnis aan den derde (bijv. 
een bank), waarbij tevens dezen derde bevel wordt 
gegeven om het beslagen goed onder zich te houden. 
Het onder den derde gelegde cxcc. beslag moet den 
debiteur beteekend worden. Daarna zal de executee- 
rende partij den derde-beslagene dagvaarden, opdat 
deze verklare wat hij van den debiteur onder zich 
heeft of aan hem verschuldigd is en om te worden ver- 


oordeeld tot afgifte hiervan aan de executeerende 
partij. Voor de geldigheid van exec. beslag op onroe- 
rend goed van den veroordeelden debiteur is over- 
schrijving van het proces -verbaal der inbeslagneming 
in de hypotheekregisters noodig. Voor de beslagleg- 
ging op schepen bestaat een aparte regeling (art. 663 
Rv.). Hier is voor de geldigheid van het gelegde beslag 
inschrijving in de scheepsregisters vereischt. 

c) Bevindicafoir beslag heeft een analoge strekking 
als conserv. b. en wordt daarom ook veelal als een 
soort hiervan beschouwd. 

Voor het leggen van revind. beslag is verlof ver- 
eischt van den president van de rechtbank. Van ge- 
gronde vrees voor verduistering hoeft niet te blijken. 
Op straffe van verval van het beslag moet binnen 8 
dagen, nadat het gelegd is, een eisch ingesteld worden 
van van waarde verklaring. Stoop /V. Dievoet. 

Belastingrecht. Indien een belastingschuldige, 
die nalatig is de door hem verschuldigde bel. te vol- 
doen, geen gevolg geeft aan een hem beteekend dwang- 
bevel of dwangschrift, heeft de fiscus het recht op de 
wijze, bepaald in het tweede Boek van het Wetboek 
van Burg. Rechtsvordering, beslag te doen leggen 
op de roerende en onroerende goederen van den 
nalatige. Het leggen van beslag inzake dir. bel., 
div. en tantièmebel., accijnzen en wegenbel. ge- 
schiedt echter door ambtenaren van de dir. bel., 
enz. — Verzet tegen het gelegd beslag geschiedt 
in het algemeen overeenkomstig genoemd wetboek. 
De belangrijkste afwijkingen gelden bij de invordering 
van de dir. bel., de dividend- en tantièmebel. en de 
gemeentelijke bel. Hier worden er eenige genoemd. 
Derden, die recht meenen te hebben op in beslag ge- 
nomen roerende goederen, kunnen deswege een be- 
zwaarschrift indienen bij den directeur der directe 
bel. ; belanghebbenden verliezen hierdoor niet de be- 
voegdheid het verzet voor den gew T onen rechter te 
brengen (art. 16 wet op de invordering. Derden 
kunnen echter geen bezwaren inbrengen, indien bepaal- 
de in art. 16 w r et op de invordering genoemde goederen, 
die zich op den bodem van den belastingschuldige 
bevonden, terzake van belastingen (uitgezonderd de 
grondbel.) in beslag zijn genomen. (In een in Nov. 
1933 ingediend wetsontwerp wordt voorgesteld art. 16 
ook van toepassing te verklaren op de invordering 
van de accijnzen en daardoor ook op die van de 
omzetbel.) De wet op de invordering kent verder 
een vereenvoudigd derden-beslag; 
art. 7 verplicht nl. bepaalde personen, alsmede houders 
van penningen en werkgevers op „vordering” van den 
ontvanger de belasting van den schuldenaar, van wien 
zij gelden onder zich hebben c.q. aan wien zij loon 
verschuldigd zijn, te voldoen, zonder dat zij cenige 
verificatie of rechterlijke uitspraak mogen afw : achten. 
— Conservatoir beslag is voorzien in 
art. 26 successiewet, nl. op de door overlijden geërfde 
of verkregen onroerende en roerende zaken. Vgl. 
verder > Invordering van directe belastingen. Smeets. 

2° Belg. Recht. Voornaamste vormen van beslag 
in België: a) Het executoriaal b. in den 
eigenlijken zin van het woord: b. door den schuld- 
eischer op roerende goederen van den schuldenaar, 
ten einde ze te doen verkoopen en den prijs te gebrui- 
ken tot betaling van zijn vordering: dit b. is vooraf- 
gegaan door een bevel tot betaling, en onderstelt een 
uitvoerbaren titel: W. v. B. Rv. art. 583 vlg. Het be- 
slag op vruchten te velde (saisie brandon) behoort tot 
deze soort: W. v. B. Rv. art. 626 vlg. 


765 


Beslagen hout — Besluit 


766 


b) Het b. op onroerende goederen: het 
executoriaal b. op onroerende goederen, moet zijn 
voorafgegaan door een bevel tot betaling en onderstelt 
een uitvoerbaren titel: het is aan ingewikkelde en 
langdurige formaliteiten gebonden (wet van 15 Augus- 
tus 1854). Ten einde aan die formaliteiten te ontsnap- 
pen, kan de hypotheekhoudende schuldeischer be- 
dingen , dat het hem, in geval van niet-nakoming der 
verplichtingen van den schuldenaar (ontleener), zal 
toegelaten zijn het onroerende goed van den schulde- 
naar, zonder beslag, bij dadelijke uitwinning te ver- 
koopen (zelfde wet, art. 90 — 92). 

c) Het arrest onder derden kan ge- 
schieden zonder een uitvoerbaren titel, krachtens een 
toelating van den voorzitter van de rechtbank. Het 
beslag op de som of op het roerend voorwerp in handen 
van den derde wordt aan den schuldenaar beteekend, 
die, evenals de derde, wordt gedagvaard voor de recht- 
bank, ten einde te hooren uitspraak doen over de waar- 
de van het arrest en over de afgifte van de som of van 
het voorwerp (W. v. B. Rv. art. 557 — 582). 

«*) Beslag op renten is afzonderlijk gerege- 
geld: de proceduur is ten deele ontleend aan het arrest 
onder derden (voor het onder het bereik brengen van de 
justitie) en ten deele aan het beslag op onroerende 
goederen (voor het verkoopen van de rente) (wet van 
15 Augustus 1854). 

e) Het conservatoir beslag stricto 
s e n s u is het beslag, dat door den eischer, met de 
toelating van den voorzitter der rechtbank van koop- 
handel, mag worden gelegd op de vreemde goederen 
van den schuldenaar-verweerder, waanneer het te vree- 
zen is, dat deze, gedurende het proces, en vóór de ten 
uitvoerlegging van het vonnis, bedoelde goederen zou 
kunnen wegmaken : dit b. bestaat alleen voor de recht- 
bank van koophandel (VV. v. B. Rv. art. 417). 

I) Het beslag tegen niet ingezetenen 
(saisie foraine) is van denzelfden aard (W. v. B. Rv. 
art. 822). 

fl) Het pandbeslag, aan den verhuurder of 
verpachter verleend tot verzekering van zijn pand- 
recht op de roerende goederen van den huurder of 
pachter, heeft in de eerste plaats een conservatoir 
karakter: het kan worden gelegd krachtens een uit- 
voerbaren titel of krachtens een toelating van den voor- 
zitter der rechtbank (Wet van 16 December 1851, art. 
20, 1° en W. v. B. Rv. art. 819 — 825). •> Pandbeslag. 

h) Het revindicatoir beslag onderstelt 
een toelating van den voorzitter van de rechtbank en 
geschiedt voor het overige in dezelfde vormen als het 
beslag op roerende goederen (W. v. Rv. art. 826 — 831). 
Het behoort o.m. aan den eigenaar, die een roerend 
goed verloren heeft of wien een roerend goed ontstolen 
w r erd (B.W. art. 2279) en aan den verhuurder, wanneer 
de huurder of pachter de roerende goederen, die zich 
in het verhuurde pand bevinden, heeft weggemaakt 
(wet van 16 Dec. 1851 art. 20, 1°), aan den verkooper 
van tegen contant geleverde en niet betaalde roerende 
goederen, zoolang die zich in het bezit van den kooper 
bevinden (wet van 16 December 1851, art. 20, 5°). Het 
b. op schepen is aan bijzondere regelen onder- 
worpen (w r et van 1 September 1908). 

Stoop /V. Dievoet. 
Belastingrecht. Inkomstenbelastingen. Geeft de 
belastingschuldige geen gevolg aan het dwangbevel, 
door den ontvanger uitgevaardigd, dan wordt over- 
gegaan tot beslag door tenuitvoerlegging op zijn meu- 
belen en roerende goederen. Dit beslag geschiedt 


volgens de voorschriften van Titel VIII Boek V van 
het Wetboek van Burgerlijke rechtspleging. Tot het b. 
w r ordt overgegaan niettegenstaande elk verzet tegen het 
dwangbevel, tenzij de ontvanger bevel geeft verdere 
vervolgingen te schorsen. Ten minste acht dagen na de 
beteekening aan den schatplichtige van het proces- 
verbaal van b., geschiedt verkoop van de in b. genomen 
voorwerpen, tot beloop van het bedrag van de verschul- 
digde belastingen, de interesten en de kosten. 

Beslag op wortelvaste vruchten geschiedt overeen- 
komstig de voorschriften van Titel IX Boek V van 
het Wetboek van Burg. rechtspleging. 

De ontvanger kan eveneens b. leggen op onroerende 
goederen. Dit kan echter slechts geschieden, nadat hij. 
door tusschenkomst van den Bestuurder der Belas- 
tingen, toelating daartoe gekregen heeft van den 
minister van Financiën. 

Ook kan beslag onder derden gelegd worden. De 
bewaarnemers en schuldenaars van den schatplichtige 
zijn alsdan gehouden, ter ontlasting van dezen laatste 
en tot beloop van de sommen, die zij hem verschuldigd 
zijn, geheel of een deel van de achterstallige lasten te 
kwijten. (Kon. Besl. 30 Aug. 1920. art. 30 vlg.). 

Registratie, zegel, successierechten en Taksen met 
het zegel gelijkgesteld. 

Het door den vrederechter geviseerd en uitvoerbaar 
verklaard dwangbevel geeft aan het Beheer recht om 
alle conservatoire en uitvoeringsmaatregelen te treffen. 
mit3 inachtneming van de voorschriften door het 
Wetboek van Burgerlijke rechtspleging voorzien: 
bewarend b.; uitvoerend b. op roerende of onroerende 
goederen; b. onder derden; b. op vruchten te velde, 
enz. 

De tenuitvoerlegging van het dwangbevel kan echter 
geschorst wnrdcn door regelmatig verzet met dag- 
vaarding op vasten datum voor de Rechtbank van 
eersten aanleg (Wet 22 Frimaire Jaar VI I, art. 64). 
> Invordering der Belastingen. De Weerdt/Rondou. 

Beslagen hout noemt men ronde stammen, 
welke geheel of ten deele met de bijl bewerkt (beslagen) 
zijn, zoodat daaraan een of meer platte kanten voor- 
komen. Van de zgn. juffers is alleen het ondereind 
beslagen, de ellens zijn over twee kanten geheel besla- 
gen, over de beide andere kanten alleen aan het onder- 
einde. Beslagen eiken palen worden hoofd zakelijk 
voor w T aterbouw T werken gebruikt. P . Bongaerts 

Beslagen palen, > Beslagen hout. 

Bcslotenen, > Slot (kloosterlijk'. 

Besloten Bof, ontleend aan Cant. 4. 12 en toe- 
gepast op Maria of ook op de Kerk, beide „gegrendeld’* 
door den Heer, en ontoegankelijk voor bederf en ver- 
woesting. 

Besloten Hof, naam van een in 1773 opgeheven 
Norbert messen -klooster te Herentals; thans bezit 
van de Franciscanessen. 

Besloten testament, -> Testament. 

Besloten tijd, liturgisch tijdperk, waarin de 
plechtige huwelijksvoltrekking (behoudens bijzondere 
vergunning) niet geoorloofd is. Heden: van den eersten 
Zondag van den Advent tot Kerstdag (inbegrepen); 
en van Aschw r oensdag tot Paaschzondag (inbegrepen). 
Deze laatste periode w r erd reeds voorgeschreven door 
de Syn. van Laodicea (4e eeuw), de eerste dagteekent 
uit de M. E. (vgl. Kerkelijk Wetb. can. 1108). 

Louwersê •. 

Besluit in de logica of redeneering is een 
gedachtengang, waardoor wij een oordeel uit andere, 
ons bekende oordeelen (praemissen) af leiden. Een b. 


767 


Besluiten — Besmettelijke ziekten 


768 


heet juist, wanneer deze afleiding volgens de 
regels der logica geschiedt; waar, wanneer het 
afgeleide oordeel (conclusie) waar is. Een b., dat uit 
een of twee waarschijnlijke praemissen een waar- 
schijnlijke conclusie afleidt, noemt men een > waar- 
schijnlijkheidsredeneering; een b., dat uit ware en 
zekere praemissen een ware en zekere conclusie af leidt, 
een zekerheidsredeneering of > bewijs. De voornaam- 
ste vormen van het b. zijn de > deductie en de 
> inductie. 

Lit. : J. Th. Beysens, Logica ( 3 1923). F. Sassen. 

Besluiten (Recht), > Conclusie. 

Besluitenregcering, > Amortisatie -syndi- 
caat; > België (Geschiedenis). 

Besluitpartij (Beschlusspartei), staatkundige 
partij in Hongarije, in 1861 en volgende jaTen onder 
Koloman Tisza, die de grondwet van 1848 wederom 
als rechtsgeldig wilde verklaren. > Adrespartij. 

Besmettelijke ziekten. Hieronder vat men 
samen die ziekten, welke van den eenen patiënt op 
den anderen kunnen worden overgebracht. De oorzaak 
van deze ziekten moet altijd gezocht worden in het 
binnendringen van ziekmakende kiemen in het 
lichaam, waartegen dit geen of niet voldoende ver- 
weermiddelen heeft. Wanneer deze ziektekiemen 
van den eenen patiënt op den anderen overgaan, 
kan dus ook de ziekte overgebracht worden. Besmette- 
lijke ziekten zijn derhalve altijd infectieziekten, d.w.z. 
ziekten, die door levende schadelijke organismen 
(bacteriën, protozoën of schimmels) veroorzaakt 
worden. Het omgekeerde geldt niet, en lang niet alle 
door ziektekiemen veroorzaakte aandoeningen zijn 
besmettelijk, want de wijze, waarop de ziektekiemen 
(en dus ook de ziekte) worden overgebracht, kan soms 
van zooveel samenwerkende factoren afhankelijk zijn, 
dat overbrenging in werkelijkheid bijna nooit voor- 
komt. In het algemeen kan men dus zeggen, dat be- 
smettelijke ziekten ziekten zijn, door ziektekiemen 
veroorzaakt, waarbij deze min of meer gemakkelijk 
van den eenen op den anderen patiënt worden 
overgebracht. Sommige ziektekiemen zijn zóó klein, 
dat men ze met de beste microscoop niet kan zien 
(ultravirus). 

De eenvoudigste wijze, waarop de overbrenging 
geschiedt, is die van het directe contact (contact- 
uifectie), waarbij de overbrengingsmethode zonder 
meer duidelijk is en waarbij de gezonde dus in direct 
contact komt met den patiënt (handen geven, verple- 
gen, zoenen). Er zijn ook menschen, die bacillen m 
hun lichaam hebben zonder zelf ziek te zijn (bacillen- 
dragers), terwijl zij wel anderen kunnen besmetten. 

Bij een aantal infectieziekten worden de ziekte- 
kiemen ook door gebruiksvoorwerpen (eetgerei, speel- 
goed, boeken, kleeren, enz.) overgebracht, maar over 
het algemeen speelt deze besmettingsmethode een 
betrekkelijk geringe rol. Slechts bij enkele ziekten, 
zooals bijv. roodvonk, moet met deze overbrengings- 
methode ernstig rekening worden gehouden. Van veel 
grooter belang is besmetting door verontreinigd 
voedsel of drinkwater, hetgeen vooral bij cholera nog 
al eens het geval is. Ook onder goede hygiënische 
omstandigheden ziet men af en toe epidemieën van 
febris typhoidea ontstaan na het gebruik van melk, 
die met typhusbacillen besmet is. Meestal zijn het 
drinkwater of de melk besmet, doordat ze in contact 
zijn gekomen met zieken of hun uitwerpselen. 

Een derde wijze, waarop de besmetting kan overgaan, 
is door de lucht en wel door inademing van lucht, 


die stof- of waterdeeltjes bevat met ziektekiemen er in. 
Zoo neemt men aan, dat tuberculose overgebracht 
kan worden door inademing van lucht, die veront- 
reinigd is met geïnfecteerde vochtdnippeltjes, afkom- 
stig van hoestende tuberculose-patiënten. Ook bij 
miltvuur, pest en andere ziekten kan de infectie door 
de lucht worden overgebracht. 

Weer een andere wijze van overbrenging is die door 
insecten, zoo wordt bijv. de ons overigens onbekende 
verwekker van de vlektyphus overgebracht door 
kleerluizen; wanneer men uit de omgeving van een 
lijder aan die ziekte alle kleerluizen verwijderd houdt, 
verspreidt deze patiënt de ziekte bijna nooit verder, 
want andere overbrengingsmethoden spelen bij deze 
ziekte een ondergeschikte rol. De malaria wordt uit- 
sluitend verspreid door een bepaald soort mug, die 
bij een malaria-patiënt bloed zuigt, daardoor zelf 
besmet wordt en de ziekte overbrengt, wanneer zij 
een ander mensch steekt. Daarom bestaat de bestrij- 
ding van de malaria in hoofdzaak uit het verdelgen 
van de muggen (voldoende is natuurlijk die eene soort), 
waardoor de ziekte niet verder kan worden over- 
gebracht. 

Zoo heeft bijna iedere besmettelijke ziekte een 
bepaalde wijze, waarop zij wordt oyergebracht en de 
kennis hiervan opent de mogelijkheid om de versprei- 
ding van deze ziekten tegen te gaan. 

De besmettelijkheid van een ziekte is, behalve van 
het soort ziektekiem en van de overbrengingsmethode, 
ook afhankelijk van de gevoeligheid van de personen 
uit de omgeving van den zieke voor die ziekte. De 
gevoeligheid voor diphtherie bijv. wisselt zeer sterk 
en het is duidelijk, dat, wanneer de omgeving van een 
diphtherielijder ongevoelig is voor die ziekte, de kans, 
dat die ziekte verder overgebracht wordt, zeer veel 
geringer is. , , 

Bij de tuberculosebesmetting speelt de weerstand 
van het lichaam een groote rol; een wijze om den 
lichaamsweerstand bijzonder te verhoogen is de onvat- 
baarmaking (immunisatie) tegen bepaalde ziekten 
door middel van inentingen (pokken, roodvonk, 
diphtherie, cholera, typhus, tuberculose). 

Verschillende infectieziekten zijn maar onder 
bepaalde omstandigheden besmettelijk. Bijv. iemand 
met steenpuisten kan zeer wel bij minder goede 
hygiënische omstandigheden iemand in zijn- omgeving 
met dezelfde ziekte besmetten, wanneer d e persoon 
althans voor den verwekker van steenpuisten gevoelig 
is. Omdat zulks echter maar betrekkelijk zelden het 
geval is, spreekt men bij steenpuisten niet van een 
echte besmettelijke ziekte en er zouden veel voorbeel- 
den op te noemen zijn, waarbij de besmettelijkheid 
maar een zeer betrekkelijke is. Een scherpe grens of 
klassificeering is dan ook in vele gevallen niet moge- 

^ Bi oude tijden werden de verwoestende epidemieën 
aan bovennatuurlijke oorzaken toegeschreven. Circa 
400 jaar v. Chr. verkondigde de Grieksche arts Hippo- 
crates voor het eerst de meening, dat deze ziekten 
aan natuurlijke oorzaken zouden zijn toe te schrijven 
en dat de (levenlooze) ziektestoffen zich in de lucht 
bevonden. Eerst in de 17e eeuw n. Chr. kwam men, 
vooral door den arbeid van den Jezuïetenpater Athana- 
sius Kircher (1660), op de gedachte, dat de ziekten door 
onzichtbare levende wezens zouden kunnen verwekt 
worden, terwijl de Delf tenaar Anthonie van Leeuwen- 
hoek omstreeks 1675 voor het eerst de bacteriën zelf 
waarnam en bestudeerde. De volle beteekenis dezer 


769 


Besnard— Besnijdenis 


770 


uiterst kleine levende wezens met betrekking tot de 
verschillende infectieziekten werd echter eerst in de 
tweede helft der 19e eeuw in het licht gesteld door de 
onderzoekingen van Pasteur, Robert Koch, Lister en 
anderen. 

In alle landen bestaan wettelijke bepalingen om 
het verspreiden van besmettelijke ziekten tegen te 
gaan. In Nederland is deze materie geregeld in de 
Besmettelijke-ziektenwet van 21 Juli 1928, Stbl. 265, 
krachtens welke twee groepen van besmettelijke ziekten 
worden onderscheiden nl. groep A, welke omvat 
-> exotische ziekten: pest, cholera, variola major 
(pokken), gele koorts, vlektyphus en febris recurrens; 
groep B, welke > endemische ziekten omvat, zooals 
roodvonk, diphtherie, febris typhoidea, paratyphus, 
enz. De wette lijk voorgeschreven maatregelen bij het 
optreden van ziekten van groep A zijn van veel verder 
strekkenden aard dan die voor groep B. 

Van de belangrijke en gevaarlijke besmettelijke 
ziekten moet de behandelende geneesheer aangifte 
doen aan den burgemeester of de door dezen aange- 
stelde diensten (bijv. geneeskundige dienst) en verder 
aan den inspecteur van het Staatstoezicht op de volks- 
gezondheid. Dezen nemen dan zoodanige maatregelen, 
dat de uitbreiding van de ziekte kan worden voor- 
komen. Wyers/Eyckel 

In België onderscheidt men, zooals in Nederland, 
twee groepen van besmettelijke ziekten; de eerste 
groep omvat cholera, variola, pest, vlektyphus en 
febris recurrens ; de tweede groep omvat febris typhoi- 
dea, paratyphus, bacillaire dysenterie, nekkramp, 
roodvonk, encephalitis lethargica, kraamkoorts en 
rabies. Krachtens de besmettelijke-ziektenwet van 
18 Juli 1831 en verschillende Koninklijke Besluiten 
moeten de geneesheeren de gevallen van de 
ziekten van de eerste groep telegraphisch en ten 
laatste binnen de twaalf uren ter kennis brengen 
van den inspecteur der Sanitaire-omschrijving en van 
den burgemeester. Bij het optreden van ziekten van de 
tweede groep werd door verschillende Koninklijke 
Besluiten aan de geneesheeren gevraagd de gevallen 
binnen de 24 uren ter kennis te brengen van den 
inspecteur der Sanitaire-omschrijving. De aangifte 
moet de volgende inlichtingen verstrekken: adres van 
den patiënt, datum, waarop de ziekte vastgesteld 
werd, ouderdom en beroep van den patiënt en, indien 
het een kind betreft, de school, die door den patiënt 
bezocht werd. Eeymans. 

Besnard , A 1 b e r t, Fransch schilder en gra- 
veur. * 1849 te Parijs. Leerde eerst bij zijn vader, die 
leerling van Ingres was en zijn moeder, een niet onver- 
dienstelijk miniaturiste. Studeerde daarna te Parijs 
met Cabarel bij Jean Bremond. Na een verblijf in 
Italië huwde hij met de beeldhouweres Charlotte 
Dubray. Zijn licht-impressionisme en zijn nieuwe 
manier van decoreeren (vestibule van de Ecole de 
Phannacie te Parijs) riepen bij zijn tijdgenooten 
levendige critiek wakker. Naast zijn decoraties zijn 
de portretten en dierenstudies (paarden) nog van 
belang. 

Voorn, werken: De Caryatiden (Brussel, museum); 
De zich verwarmende vrouw (Parijs, Musée du Luxem- 
bourg) ; decoraties in de Ecole de Pharmacie, de nieuwe 
Sorbonne en het Hotel de Ville van Parijs. — L i t. : 
Mourey, A. B. (1906) ; Lecoute, A. B. (1915) ; Coppier, 
L’oeuvre de guerre d’A.B. (1919) ; idem, L’oeuvre 
gravée de B. (1921) Knipping. 


Besnijden (van hoeven) vindt plaats, omdat de 
hoomrand van den hoef vlugger aangroeit dan afslijt. 
Toen de paarden nog geen hoefijzers droegen, was de 
groei vrijwel evenredig met het afslijten. Door den 
aanleg van verharde wegen sleten de hoeven echter zoo 
vlug af, dat men ze ging beslaan. Wanneer een ijzer 
afgesleten is, wordt het afgenomen en vóór nu een 
nieuw ijzer wordt ondergelegd, worden eerst de hoom- 
rand en de zoolwand van het doode, losse hoorn ont- 
daan, zoodat men weer een goed draagvlak krijgt, 
waarop het nieuwe ijzer bevestigd kan worden. Voor b. 
gebruikt men speciale messen, die men renetten 
noemt. 

Besnijdenis , een chirurgische bewerking, welke 
men bij vele volkeren aan de geslachtsdeelen voltrekt. 
Bij de mannen kan de b. op drie wijzen geschieden: 
door circumcisio, incisio en subincisio. De meest 
voorkomende is de circumcisio, welke bestaat in het 
wegnemen der voorhuid. De b. in algemeenen zin 
komt bij vele natuurvolken van Azië, Afrika, Amerika 
en Australië voor; soms wordt zij ook aan vrouwen 
voltrokken. Gewoonlijk gaat de b. met een feestelijk- 
heid gepaard. De oorsprong wordt verschillend ver- 
klaard. Men zoekt den grond der b. in hygiënische 
motieven, of beschouwt ze als een behoedmiddel 
tegen sexueele gevaren, als een proeve van moed, 
als een heiliging van het geslachtsleven of als middel 
tot verhooging van den zinnelijken lust. 

Bij de Israëlieten werd de b. alleen aan mannen 
voltrokken, en enkel als circumcisio. Elk mannelijk 
kind werd op den achtsten dag na de geboorte besneden. 
De b. werd door God aan Abraham en zijn afstamme- 
lingen opgelegd als een godsdienstige plechtigheid 
(Gen. 17). Zij was het teeken van het verbond tusschen 
God en de Israëlieten. Daardoor werd de Israëliet 
ingelijfd in het Joodsche volk, kreeg hij deel aan zijn 
voorrechten en nam hij de verplichtingen der wet op 
zich. Zij moest den Israëliet herinneren aan den 
plicht, zijn hart te besnijden, d.w.z. van boosheid 
te reinigen (Deut. 10. 16; 30. 6; Jer. 4. 4; Rom. 2. 29). 
Zij was een voorafbeelding van het Doopsel (Col. 2. 11). 
In het nieuwe Verbond werd de b. afgeschaft (Act. 15. 
1 — 20; Hebr. 8. 13) en daarmede ook de verplichting 
van de ceremonieele wet der Joden (Gal. 6. 3). Enkele 
sekten, zooals de Nestorianen en Abessinische Chris- 
tenen, behielden de besnijdenis. 

L i t. : E. Kalt, Biblisches Reallexikon (Paderbom 
1931) ; M. Buchberger, Lcxikon für Theologie und 
Kirche (Freiburg i. Br. 1931). Keulers. 

Als Oud -Arabische volksgewoonte is de besnijdenis 
ook in den Islam overgenomen. Daar zij niet in den 
Koran vermeld wordt, heerscht er meeningsverschil 
onder de wetgeleerden over de vraag, of de besnijdenis 
voor den Mohammedaan verplicht is of slechts aan- 
bevelenswaardig. De Sjafiitische School, die zich 
hierin aansluit bij het oordeel van de massa, welke 
de besnijdenis — eigenlijk ten onrechte — beschouwt 
als een van de voornaamste onderscheidingsteekenen 
van de Mokammedaansche gemeente, stelt haar 
verplicht, doch laat vrijheid ten aanzien van den tijd, 
waarop zij verricht dient te worden: als geschikt wor- 
den genoemd de zevende dag, de veertigste dag, het 
zevende levensjaar of het intreden van de puberteit. 
Zij dient ook bij meisjes verricht te worden; bij haar 
wordt een deel van de voorhuid der clitoris of de 
geheele clitoris weggenomen, ook wel de kleine schaam- 
lippen, en geschiedt deze operatie meestal op vrij 
jeugdigen leeftijd. De besnijdenis wordt in de heele 


IV. 


25 


771 


Besoeki — Bespiegelingen 


772 


Mohammedaansche wereld feestelijk gevierd, voor 
jongens meer dan voor meisjes. De wetstermen zijn 
chitan voor jongens en chafd voor meisjes. In den 
Jndischen Arcliipel, waar men de Sjafiitische School 
volgt en dus de besnijdenis verplicht acht, noemt men 
haar niettemin vaak soennat = vroom gebruik. > 
Mishandeling; > Godsdienst. Berg . 

Besnijdenis des Heeren, Lat. Circumcisio Domini, 
feest gevierd op den eersten Januari (Lc. 1. 21), in 
de Gallieaansche liturgie reeds in de 6e en 7e eeuw, 
sinds de 9e ook in Rome, waar tevoren op dien dag, 
reeds in de 5e eeuw, een octaafsfeest werd gevierd 
van Kerstmis, dat als oudste Mar iaf eest wordt geteld. 
In Gallië en in Spanje was het tevens een boetedag 
met vasten en processies, wegens de ergernissen der 
heidensche viering van den aanvang van het jaar. 

bouwree. 

In de kunst komt de besnijdenis van Christus 
eerst laat voor. In het Oosten oudste voorst, in het 
Menologium van keizer Basilius II (begin 11e eeuw); 
in het Westen op het Antipendium van Klostemeu- 
burg (12e eeuw), in een Antiphonarium van Salzburg 
(13e eeuw): Jesus op Maria ’s arm. de priester staat 
gereed de b. te verrichten. In de latere middeleeuwen 
vaker (in verbinding met tafereelen uit Jesus’ kinds- 
heid) op Gotische altaarstukken. Zoo ook bij dc Ned. 
primitieven (Hugo van der Goes; bij Joost van Calcar 
geschiedt de b. boven een soort doopvont). Soms is 
zeer moeilijk uit te maken of b. ofwel opdracht 
bedoeld is. In de kunst der Contra-Reformatie 
wordt vaak het besnijden zelf voorgesteld; het onder- 
werp is dan ook niet zoo zeldzaam meer (Rubens). 

L i t. : Kiinstle, Ikonographie der christl. Kunst 

(I 1928, 353 vlg.); Smits, Iconografie v. d. Ned. Primi- 
tieven (1933, 60 vlg.). Knipping 

Bcsocki , afdeeling (residentie), 
provincie Oost-Java, omvat de regentschappen 
Bondowoso, Panaroekan, Djember en Éanjoewangi. 
Opp. 10 136,9 km 2 ; hiervan zijn 235 909 ha droge en 
154 716 ha natte (sawah) bouwvelden der lnlandsche 
bevolking. De vorm van het Inlandsch grondbezit 
is uitsluitend erfelijk individueel. Het Janggebergte in 
het N.W. met den Argopoero (3 086 m) als hoogsten 
top, het Idjèngebergte (Merapi 2 796 m) en het Ken- 
denggebergte (Raoeng 3 330 m) in het Oosten, met 
het heuvelland van Zuid-Djember in het Z.O. omslui- 
ten een vruchtbare vallei. In deze vallei, alsmede 
langs de Noord- en langs de Oostkust woont in hoofd - 
zaak de lnlandsche bevolking. In het Z.W. strekt zich 
een vlakte uit, welke in den laatsten tijd door verbe- 
tering van de afwatering en den aanleg van irrigatie- 
werken sterk in bevolking toenam. De bevolking 
teelt rijst, maïs en tabak. De ondernemingscultuur: 
suiker, tabak, koffie en mbber is sterk ontwikkeld. 
Het aantal erfpachtsperceelen is 96 tot een totaal 
oppervlak van 118 700 ha. In 1931 werkten 12 suiker- 
fabrieken, die van 15 355 ha aanplant 2 029 104 
quintalen suiker produceerden. Eind 1930: 5 293 
Europeanen, 2 050 730 Inlanders, 21151 Chineezen 
en 4 693 andere Vreemde Oosterlingen, in totaal 
2 081 867 zielen; bevolkingsdichtheid is 202 per km 2 . 
De inheemsche bevolking is gemengd Madoereesch- 
Javaansch; men spreekt er Madoereesch en Javaansch. 
Kerkeli.k behoort B. tot de apost. prefectuur van 
Malang onder leiding der pp. Karmelieten. Een 
vaste statie te Djember met pastorie, Zusterhuis, 
scholen, enz. Statie te Bondowoso in voorbereiding. 


Inl. kerkjes o.a. in Banjoewangi. Naar de voor- 
namere plaatsen hebben geregeld dienstreizen plaats. 

Brokx. 

Besogne, Groot, vereenigde vergadering van 
wetgevend lichaam, ministers en staasraad met het 
staatshoofd van de Bataafsche Republiek, den raad- 
pensionaris Schimmelpenninck. Kwam in April en 
Mei 1806 te Den Haag enkele malen bijeen om te be- 
raadslagen over de houding, w T elke men zou aan nemen 
tegenover Napoleon ’s voornemen om Lodewijk Napo- 
leon hier koning te maken. Ondanks het verzet van 
Schimmelpenninck was het einde, dat een deputatie 
te Parijs gedwee om Lodewijk Napoleon ’s koningschap 
ging vragen, welk nederig verzoek genadiglijk werd 
toegestaan. Verberne. 

Besolii, plaats met kopermijnen op het Japansche 
eiland Sjikokoe, 20 km van de kust van de Binnenzee; 
1 200 m boven zee. 

Besoigne, J é r o m e, Jansenistisch theoloog, 
* 1687 te Parijs, f 25 Jan. 1763; gaf talrijke werken 
uit, waaronder de bekende Histoire de 1’abbaye de 
Port-Royal (6 dln. Keulen 1752). en Vies des quatre 
éveques qui sont engagés dans la cause de Port-Royal 
(2 dln. Keulen 1756). 

L i t. : Rondet, Mémoire sur la vie et les ouvrages de 
J. Besoigne (Parijs 1763). de Meyer. 

Besolri, G., medicus. De bij physisch onderzoek 
(percussie en auscultatie) der longen gevonden afwij- 
kingen kunnen graphisch voorgesteld worden. B. 
beschreef zulk een stelsel, hetwelk door de Ned. 
tuberculose-artsen in het algemeen gevolgd 
wordt. 

Besommen, opbrengen, in het bijzonder bij de 
visscherij gebruikt bij de opbrengst van één vangst; 
bijv.: stoomtreiler Sch. 225 besomde bijna 3 000 gld. 

Besoyen, > Bezooien. 

Bespieder (Belgisch Recht). Als b. 
w'orden aangezien militairen of vermomde burgers, 
die in plaatsen binnen dringen, welke een militair 
belang opleveren, met het oogmerk om zich beschei- 
den of inlichtingen te verschaffen in het belang van 
den vijand (art. 17 en 18, Wet van 27 Mei 1870). 

Collin. 

Bespiegelingen . „Bespiegelingen over Godt en 
Godsdienst. Tegens d’ongodisten, verlochenaars der 
Godtheit of Goddelijke Voorzien igheit”, een der groote 
godsdienstige leerdichten van Joost van den Vondel, 
waarvan hij in 1659 het tweede (over het mysterie 
der Allerheiligste Drieëenheid) in het licht gaf. Vol- 
ledig verscheen het in vijf boeken in 1662 bij de Wed. 
Abr. de Wees. Vondel geeft een poëtische uiteenzetting 
van de Scholastieke beginselen omtrent de Godsleer. 
Het eerste boek brengt de bewijzen voor het Gods- 
bestaan, het tweede Gods kenmerkende eigenschappen, 
het derde de werken van God, het vierde betoogt het 
recht van bestaan van den godsdienst, het vijfde toont 
de noodzakelijkheid van een geopenbaard en, in 
het bijzonder van den Christelijken godsdienst 
aan. 

Üitg. : Amsterdam 1662; Rotterdam 1700; Am- 
sterdam 1723, en in de groote 19e- en 20e-eeuwsehc 
uitgaven van Vondel’s Werken — L i t. . p. fr. J. V. de 
Groot O.P., Vondel in zijne Bespiegelingen (Amsterdam 
1879) ; Al. Baumgartner, J. v. d. V. (Freiburg i. Br. 
1882, 269 vlg.), ook in Stimmen aus Maria-Laach (1880), 
een Ned. vert. hiervan door „A. Th. H.” met voorw. 


773 


Bespotten — Bessel 


774 


van prof. Alb. Thijm (A’dam 1886, 240 vlg.) ; G. Brom, 
V/8 Bekering (119 vlg.) ; J. J. G. Boelen S.L, Vondel- 
studiën (4 dln. 1906); De Beiaard (jg. 6, I, 440 vlg., 
jg. 7, I. 207 vlg., jg. 8, I, 456 vlg.) ; in de uitg.-Diferec 
(VI, 271 vlg., met inleiding door p. J. Zey S.J.). 

Piet Visser. 

Bospol ten (Lat. irrisio), door woorden of gebaren 
de aandacht vestigen op gebreken van een persoon, 
om er mede te doen lachen of hem beschaamd te 
maken. Kan een zonde zijn tegen de rechtvaardigheid 
(wanneer men er schade door berokkent in eer en 
goederen) en tegen de naastenliefde. De graad van 
boosheid zal vooral afhangen van de eer, die men 
verschuldigd is aan den persoon, waarmede men spot. 
Zoo is het zeer groot kwaad te spotten met God en 
heilige zaken, wat tevens een soort godslastering is. 
Groot kwaad is ook het bespotten zijner ouders (tegen 
de deugd van pietas), en het bespotten van vrome 
personen of van de deugd (omdat het velen van de 
vroomheid en de deugd aïhoudt). In sommige gevallen 
zal het echter geen kwaad zijn, eerder zelfs een deugd- 
zame daad (herleid tot de deugd van eutrapelia), 
wanneer het namelijk geschiedt bij wijze van scherts 
of al gekscherend, en het gaat over kleine gebreken, 
en daarbij de maat niet overschreden wordt; wordt de 
maat overschreden en is het den naaste zeer onaan- 
genaam, dan zal het gewoonlijk een zonde tegen de 
naastenliefde inhouden. 

L i t. : S. Thomas, Summa theologica (Ha Ilae, q. 
72 a. 2 ad 1 ; q. 75). A. Janssen. 

Bespreken > Belezen. 

Besproeien, > Spuit. 

Besredka, > Cultuur (voedingsbodem). 

Bessarahië (Roemeensch Basarabia ( Roe- 
meensche hospodarengeslacht Basarab), de meest 
N.O. provincie van Roemenië, tusschen Proeth en 
Dnjestr; 44 420 km 2 met 2 865 506 inw. (1930), dus 
65 per km 2 . Het midden en N. is heuvelachtig, het Z. 
(Boedsjak) vlakker en zeer vruchtbaar. Slechts 7% 
van B. is met bosch bedekt, vnl. in het midden. 
Landbouw is hoofdmiddel van bestaan; tarwe, 
maïs, gerst, haver, tabak en wijn. De bevolking bestaat 
uit Roemenen (60%), Russen (vnl. Oekraïners in liet 
Z., 15%), Joden (10%), Bulgaren (5%) en Duitschcrs 
(3%). De economische ontwikkeling van B. wordt 
zeer geremd door de slechte verkeerswegen: weinig 
spoorwegen; van de waterwegen is alleen de Proeth 
te gebruiken, het verkeer op de Dnjestr is onmogelijk 
door het conflict tusschen Roemenië en Rusland; de 
havens (Cetatea Alba, Ismaël en Chilia Noua) zijn 
ondiep. De hoofdstad Chisinau telt 117 016 inw. 
(1930). Hoek. 

Geschiedenis. Bcssarabië vormde gedurende de 
laatste eeuwen den twistappel tusschen Turkije, later 
Roemenië, en Rusland. In 1357 behoorde het aan 
Moldavië, in 1700 aan Rusland, in de tweede helft 
van de 18e eeuw aan Turkije, in 1812 aan Rusland, 
van 1856 — ’78 gedeeltelijk aan Rusland en sinds 1878 
(Congres van Berlijn) geheel aan Rusland. In het be- 
gin van den Wereldoorlog beloofden de Centrale Mo- 
gendheden Bessarabië aan Roemenië, indien het hun 
zijde zou kiezen; hoewel Roemenië de andere partij 
koos, bezette het tijdens de Russische revolutie B. 
In 1918 sprak een deel der bevolking zich uit voor 
aansluiting bij Roemenië, hetgeen door het Verdrag 
van Parijs (28 Oct. 1918) bevestigd werd. Sovjet- 
Rusland heeft deze annexatie nooit erkend en daardoor 
is de toestand tusschen Rusland en Roemenië steeds 


gespannen gebleven. De oprichting der Sovjet-Repu- 
bliek Moldavië aan de overzijde van den Dnjestr heeft 
tot doel in B. vijandschap tegen Roemenië op te 
wekken, alsmede separatistische neigingen bij de be- 
woners van B. te kweeken. 

Lit. : Babcl, La Bessarabie (1926); Uhlig, Die 

Bessarabische Fragc (1926). «>. Son. 

Bessarion , B a s i 1 i u s of J o h a n n e s, 
kardinaal, voorn. Grieksche geleerde en schrijver der 
15e eeuw, Humanist, ijveraar voor de hereeniging der 
Kerken. * ca. 1400 te Trapezont, f 1472 in Ravenna. 
B. studeerde in Konstantinopcl, werd 1423 Basilianer- 
monnik, 1431 priester. In Morea had hij enorm succes 
als gewijd redenaar en verdiepte hij zich tevens in de 
philosophie van Plato. 1437 aartsbisschop van Nicea. 
Als zoodanig woonde hij het Alg. Concilie van Flo- 
rence bij, waar hij eerst voor de Grieksche Kerk op- 
kwam, maar weldra vurig ijverde voor de Unie met 
Rome en de krachtige bekwame bestrijder was van 
den onverzoenlijken Marais van Ephese. Hij keerde 
na het Concilie naar zijn vaderland terug, maar de 
bevorderaars der Unie werden daar zoo slecht behan- 
deld, dat hij nog hetzelfde jaar 1439 weer naar Italië 
trok en daar zijn verder leven bleef. Paus Eugenius IV 
creëerde hem tot kardinaal (1439). Tweemaal was hij 
candidaat bij de pauskeuze (1455 en 1471). In 1463 
werd hij Latijnsch patriarch van Konstantinopel be- 
noemd, maar bleef in Italië, want zijn ideaal: kruis- 
tocht tot herstel van het Byzantijnsche Rijk ging niet 
n vervulling. Afgezien van enkele politieke zendingen 
wijdde hij zich aan de studie. Tegen Georgius van 
Trapezunt verdedigde hij de leer van Plato. Aristoteles 
en Plato hebben beiden hun dwalingen en beiden hun 
verdiensten, maar bij Plato vindt hij minder tegen- 
spraak en duisterheden, meer overeenkomst met onze 
leer over God, schepping, oorsprong der dingen, on- 
sterfelijkheid der ziel. Zijn uitgebreide, waardevolle 
bibliotheek schonk hij nog bij zijn leven aan Venetië, 
omdat daar, zooals hij aan den doge schreef, het meeste 
Grieksche intellect te zamen kwam. Zijn grootste eere- 
titel blijft zijn ijveren voor de hereeniging, die wel tot 
stand kwam op het Concilie van Florence, maar helaas 
van korten duur was. 

Werken; philosophisch: Latijnsche vert. 
van Aristoteles en Thcophrastus ; twee geschriften over 
Plato tegen Georgius van Trapezunt ; theologisch: 
redevoeringen op het Concilie van Florence, vooral ter 
verdediging van het Filioque (de H. Geest komt uit 
Vader én Zoon voort) ; tractaten over hetzelfde onder- 
werp, ook een over de Consecratiewoorden der H. Eucha- 
ristie ; een epistola catholica aan de Grieken om hen aan 
te sporen tot erkenning van Rome ; ascetisch: 
een compendium der ascetische geschriften van S. Basi- 
lius den Grooten. — U i t g. : Migne Patrol. Graeca 
(CLXI ; onvolledig) ; vert. der Metaphysica van Arieto- 
teic« in de A. -uitgave van Berlijn (1831); brieven en 
andere werkjes in het Gr. tijdschrift Neos Hellènom- 
nèmoon (1904 vlg.). — Lit.: Mohler, Kardinal B. als 
Theologe, Humanist und Staatsmann (2 dln. 1923 — ’27) ; 
Dict. Théol. Cath. (II, 801-807); Lexikon f. Theol. 
Kirche (11 1931, 247 vlg.); Ehrhard in Krumbachers 
Gesch. d. Byzantin. Liter. ( 2 1897, 117 vlg.). 

Franses. 

Bcsseboom, > Aalbes. 

Bossocjes, Fransche stad in het arr. Alais, dept. 
Gard (44° 20' N., 4° O.); 7 060 inw. (1926). Stccnkool- 
en ijzermijnen; hoogovens, glasblazerijen. 

Bessol , 1° Friedrich Wilhelm, 

Duitsch sterrenkundige; * 1784 te Minden, f 1846 te 


775 


Besseleers — Bessemer-proces 


776 



Bessemer-peer. a. Persluchtleiding', b. Luchtkanalen, c. Chamotte-oven-bekleeding. 



Koningsbergen. Was eerst in den handel werkzaam, 
legde zich uit liefhebberij toe op astronomische bere- 
keningen en later 
ook op waarne- 
mingen. In 1810 
wordt B. directeur 
van de nieuwe Ko- 
ningsberger Ster- 
renwacht en prof. in 
de astronomie. B. 
had een buitenge- 
woon waamemings- 
talent, waarbij voor- 
al de gebruikte 
instrumenten zeer 
nauwkeurig werden 
onderzocht. Deze 
onderzoekingen heb- 
ben blijvende waar- 
de. Zijn instrumen- 
ten waren vooral meridiaancirkel en heliometer. B. be- 
werkte oude waarnemingen van Bradley, mat de eerste 
stcrparallax en leidde samen met Baeyer de Oost- 
Pruisische graadmeting. •> Besselsche functies. 

Bruna. 

2 ° W a s s i 1 i, Russisch uitgever van muziek; 
* 1843, f 1907. De in 1869 opgerichte firma Bessel 
heeft de werken van de voornaamste Russische com- 
ponisten uitgegeven. 

Besseleers , Clemens, gaf verzenbundels 
uit, o.a. In schaduwen van Dood (1912). * 1889 te 
Sin&ai. 

Besseler, H e i n r i c h, Duitsch musicoloog, 


F. W. Bessel. 


* 2 April 1900, sedert 1928 prof. te Heidelberg. Specia- 
list op het gebied der middeleeuwsche muziek. Geeft 
de volledige werken van Dufay uit. 

Besselsche functies. De differentiaalvergelij- 
king van Bessel luidt: (x 2 d 2 y/dx 2 +x dy/dx+(x 2 — v 2 ) 
y — O, waarbij v reëel. De oplossingen dezer verge- 
lijking dragen den naam van cylinderfuncties 
of B.f. > Bessel (1°). 

L i t. : Courant-Hilbert, Methoden der mathemati- 

schen Physik (I 2 1931). 

Bessemer, fabrieksstad je in den N. Amer. staat 
Alabama (33° 25' N., 86° 50' W.). B. ligt te midden 
van rijke ijzererts-, steenkool- en kalksteenvelden, 
in de onmiddellijke nabijheid van Birmingham (het 
Pittsburg van het Z.). Groote ijzer- en staalfabrieken; 
productie van meststoffen, tecrproducten en ontplof- 
fingsmiddelen. Vlieghaven. In 1930: 20 721 inw. 

Polspoel . 

Bessemer, sir H e n r y, Engelsch ingenieur 
en fabrikant te Sheffield, uitvinder van het •> Besse- 
mer-proces. * 1812 te Charlton, *j* 1898 te Londen. 

Bessemer-peer, Bessemer-proces. 

Bessemer-proees. Volgens dit proces wordt 
het ruwe ijzer, nadat het den hoogoven heeft verlaten, 
gezuiverd van de ongewenschte bijmengsels, die in 
hoofdzaak bestaan uit silicium, mangaan en koolstof. 

De methode, die in 1856 door Bessemer is uitge- 
vonden, bestaat hierin, dat door het gesmolten ijzer 
een luchtstroom wordt geblazen. Deze lucht oxydeert 
de silicium en het mangaan vrijwel geheel en de kool- 
stof gedeeltelijk. De warmte, die bij deze oxydaties 
vrijkomt, houdt de metaalmassa vloeibaar. Door deze 
bewerking, die tegenwoordig nog uitsluitend in de 



777 


Bessemers— Bestaan 


778 


zgn. Bessemer-peer (een groot, inwendig met vuur- 
vaste steen bekleed reservoir, dat om een horizontale 
as draaibaar is en waarvan de bodem van lucht- 
kanalen is voorzien, waardoor men langs de holle as 
lucht door de ijzermassa persen kan) wordt uitgevoerd, 
verkrijgt men smeedbaar ijzer. Dit wordt eerst bij veel 
hoogere temperatuur dun vloeibaar, doch is bij lagere 
temperaturen gemakkelijk vervormbaar. Het kool- 
stofgehalte varieert van 2,5 tot 0,05%, terwijl het 
ruwe ijzer tot 5% koolstof bevat. De phosphorus, die 
in ruw ijzer ook aanwezig is, wordt echter door deze 
bewerking niet verwijderd. Gedurende het doorblazen 
van de heete lucht slaat uit de Bessemer-peer een hooge 
vlam van brandende koolmonoxvde, die bij het ver- 
laten der Bessemer-peer aan de lucht ontbrandt. 
Het tijdstip van voldoende ontkoling van het ijzer 
wordt nu hieraan gekend, dat deze vlam plotseling 
veel kleiner wordt. Verder > IJzer. v. d. Beek . 

Bessemers, Maria, ook Maaiken 
Verhuist genoemd. Zuid-Ned. miniatuur-schilde- 
res, gehuwd met Pieter Coeck van Aalst, leermeesteres 
van Jan Breughel, haar kleinzoon. * ca. 1520 te Meche- 
len, f ca. 1600. 

L i t. : Guicciardini, Descrittione di tutti i Paesi 

Bassi (Antwerpen, 2 1581) ; v. d. Branden, Geschiedenis 
der Antwerpsche schilderschool (1883). Knipring. 

Bessemer -staal, > Staal, > Bessemer -proces. 

Bessemer-staaldraacl wordt zoowel blank 
als gegloeid in den handel gebracht; het eerste bezit 
een trekvastheid van 65 kg /mm 2 bij een elasticiteits- 
grens van 52kg/mm 2 ; het gegloeide draad heeft van 
40 tot 60 kg /mm 2 trekvastheid. 

Bessemer- ijzer, > IJzer, > Bessemer -proces. 

Bessensap, > Vruchtensap. 

Bessenspanrups (Abraxas grossulariata L.). 
De vlinders, met geel lijf en onsymmetrisch zwart- 
gevlekte witte vleugels, verschijnen in Juli en Augus- 
tus. De nipsen vertounen zw T arte vierkanten op de 
witte rugzijde en zw r arte stippen op de beide zijkanten. 
Zij zijn in het voorjaar soms zeer schadelijk voor aai- 
en kruisbessen. 

Verbreid over Europa, behalve het Z.O., over 
Midden- en Noord-Azië tot Japan. J. Goossens. 

Bessen* linder, > Bessenspanrups. 

Bessenu ijjn, soort van wijn, ontstaan door 
vergisting van het sap van aalbes of kruisbes. Tijdens 
de gisting voegt men suiker toe, waardoor de wijn 
geestrijker wordt. 

Bessenyei, G y ö r g y, Hongaarsch schrijver, 
groot bewonderaar van Rousseau en Voltaire. Hij 
streefde ernaar de Hongaarsche cultuur op Europeesch 
peil te brengen. B. schreef lyrische gedichten en dra- 
ma's. * 1747 te Bercel, f 1811 te Pusztakov&cs. 

Besser, Joliann von, Duitsch dichter uit 
den nabloei van het laat-Barok. * 8 Mei 1654 te 
Frauenburg, f 10 Febr. 1729 te Dresden. B.’s gedich- 
ten zijn meestal opgepronkte, pancgyrische hofpoèzie 
(oden en epische stukken), soms ook grof -zinnelijke 
erotiek. Hij werd, als letterkundig theoreticus, in 
den strijd tegen de tweede Silesische dichterschool ge- 
wikkeld. 

U i t g. : Schriften, door König (1732). — L i t. : 

K. A. Varnhagen, Biographische Denkmale (IV Berlijn 
2 1846) ; W. Haertel, J. v. B. (dissertatie, 1919). 

Baur. 

Bessestruik, > Aalbes. 

Bessetakvlinder, Lygris associata, behoort 
tot de fam. der spanners. 


Bessi, in de Oudheid roofzuchtige volksstam in 
Thracië, in het Haemusgebergte (teg. de Balkan) en 
aan den bovenloop van de Hebrus (teg. de Maritza). 
Voornaamste plaats Bessa Para (teg. Besikara). 
Herhaaldelijk door de Romeinen overwonnen. Vele 
B. in het Rom. leger. 

Bessièrcs, 1° A 1 b e r t, Fransch Jezuïet en 
schrijver van apologetische romans. * 2 Febr. 1877 te 
Saint-Vincent. Pater B. stichtte de Fédération 
nationale catholique. 

Werken: L’union catholique (1924) ; L’Evangile 
du chef (1927) ; L’agonie de Cosmopolis (1929). 

2° Jean Baptist e, hertog van Istrië, 
Fransch maarschalk. * 6 Aug. 1768, f 1 Mei 1813. 
Ruit eraan voerder en commandant van de garde. 
Volgde in 1809 Bemadotte op als opperbevelhebber 
in Holland. Sneuvelde bij Gross Görschen. 

Bessin, Fransen landschap in Normandië, hoofd - 
stad Bayeux. Vette Liasmergel, vruchtbaar; weiden. 
Paarden- en ninderteelt. 

Besson, 1° Hyacinthe, Dominicaansch 
schilder. * 1816 bij Besangon, f 1861; intieme vriend 
van zijn ordebroeder Lacordaire en te Parijs een tijd- 
lang leerling van den schilder P. Delaroche. Hij deed 
veel voor het herstel zijner Orde in Frankrijk, werd 
novicenmeester en meermalen prior. In Italië geraakte 
hij geheel onder de betoovering van de muurschilde- 
ringen van Fra Giovanni da Fiesole. Zijn werk, niet 
geheel ontdaan van Fransch academisme, ademt een 
subtiele reinheid, zijn kleuren blijven altijd licht en 
teer. 

Voorn, werk: schilderingen in de San Sisto te 
Rome, waarvan vooral de Ontmoeting van den H. 
Dominicus met den H. Franciscus het zuiverst zijn aard 
weergeeft. — L i t. : Berthier, L 'oeuvre artistique du 
père B. (1908). Knipping. 

2° L., Fransch meteoroloog. Wolkenstudies. De 
nephoscoop van Besson is een toestel 
tot bepaling van de driftsnelheid der wolken. 

Bessus, Perzisch satraap van Bactrië. -> Alexan- 
der de Groote. 

Bessy, d c, > Frcniclc do Bessy. 

Best, gem. in N. Brabant, ten N.W. van Eind- 
hoven; ca. 4 400 inw., bijna allen Kath.; opp. 3 603 
ha; veeteelt, landbouw, industrie (klompen, tricot, 
sigaren, hout, boter, steen). Pensionaat met huishoud- 
school. 

Bestaan, ook existentie (Lat. existentia) 
genoemd. Het zijn kan onderscheiden w r orden in w T e- 
zenszijn (esse essentiae) en bestaanszijn (esse existen- 
tiae). Het eerste beantwoordt aan de vraag: w^at is 
iets, het tweede aan de vraag: is iets. Krachtens het 
bestaan is een ding niet in een soort geplaatst, maar 
is het zonder meer. Het is de voltooiing van een ding 
als zoodanig. Het b. heet daarom in de Scholastieke 
wijsbegeerte de „laatste" act van een ding, waardoor 
het nl. als ding voltooid is en zijn werkzaamheid 
kan gaan uitoefenen. Eerst door zijn b. (Lat. exis- 
tentia < sistere extra causas = buiten zijn oorzaken 
plaatsen, tot stand brengen) is een ding als zoodanig 
tot stand gebracht; te voren w r as het enkel als mogelijk 
ding oorzakelijk aanwezig, in zooverre de oorzaken 
bestonden, die het tot stand kunnen brengen. Strikt 
genomen kan het b. dus niet aan God worden toege- 
kend, daar Hij niet veroorzaakt is en nooit tot stand 
is gebracht; beter is het, ten opzichte van God den 
algemeeneren term „zijn" (Lat. esse) te gebruiken. In 
plaats van „God bestaat" zeggen we juister „God is". 


779 


Bestaanbaar geta —Bestel 


780 


De vraag, of in de schepselen het wezen en het be- 
staan reëel of slechts logisch onderscheiden zijn, wordt 
niet door de Katholieke philosofen en theologen een- 
stemmig beantwoord. De Thomistische School aan- 
vaardt een reëel onderscheid van essentie en existentie 
en ziet hierin de leer van St. Thomas. Wel is een- 
stemmige leer, dat het bestaan aan God toekomt 
krachtens zichzelf en aan al het andere door de 
oorzakelijkheid van de Eerste Oorzaak, God. > 
Aseïteit. Elk schepsel heeft zijn bestaan ont- 
vangen, daar het veroorzaakt is; alleen de niet-ver- 
oorzaakte God i s zijn bestaan. God kan daarom 
gedefin ïeerd worden als de Bestaande of 
liever, overeenkomstig het boven gezegde, als de Zijnde 
(Exod. 3.14). Del Prado noemt dit werkelijk onder- 
scheid tusschen wezen en b. der schepselen de grond- 
waarheid der Christelijke wijsbegeerte. Tegenwoordig 
wordt ze door de meeste Katholieke wijsgeeren aan- 
vaard. 

L i t. : Del Prado O.P., De verit. fund. philos. christ. 
(1899) : Manser O.P., Wesen des Thomismus (1932) ; 
Van den Berg, Introd. in Ontologiam (1933, 48-5G) : 
S. Thomas, De ente et essentia ; Del Padro, De veritate 
fimdamentali philosophiae christianae (1911): Piecirelli, 
Disquisitio Metaphysica, Theologica, Criticade distinc* 
tione actuata inter essentiam existentiamque creati 
entis intercedent' . Kreling/v. d. Berg. 

^Menseh waardig bestaan, krachtterm uit ’t begin 
van het Socialisme in Duitschland. Zoo sprak de ar- 
beidersafgevaardigde Schlöffel in 1848 van „menschen- 
würdige Zustande” en Lassalle in 1863 vooral van 
„menschcnwürdiges Dasein”. Sociale wetgeving ont- 
neemt langzamerhand de kern aan dit slagwoord, 
dat zelfs in „Rerum Novarum” in dezen vorm al niet 
meer voorkomt. Brouwer . 

Bestaanbaar getal. De positieve en negatieve 
getallen vormen met het getal nul de b.g. Deze staan 
tegenover de onbestaanbare get., als daar zijn de imagi- 
naire, de complexe, en de hoogere complex’e get., bijv. 
de quaternionen. Van het complexe getal a -f* bi heet 
a het bestaanbare, bi het imaginaire stuk. 

v. d . Corput. 

Bestaansdrift, uitingsvorm van het ego-centri- 
sche driftleven. In de moderne psychologie wordt de 
bestaansdrift door sommigen onder de Ik-driften 
ondergebracht: een streven naar de instandhouding 
van het Ik -bestaan onder den een of anderen vorm. 
De analytische psychologie onderscheidt naast de 
bestaansdrift een doodsdrift, gericht op voortzetting 
van het Ik-bestaan in anderen vorm. Carp . 

Bestaansminimum is dat inkomeu of die 
som, die tot het levensonderhoud zonder meer nood- 
zakelijk schijnt. Eenieder heeft hierop een natuurlijk 
recht. Daarom is het gebruik ontstaan, bij de bel. van 
het inkomen en van het vermogen een dgl. minimum 
onbelast te laten en men doet dit nu verder eveneens 
bij de hoogere en hoogste inkomens, al zou zonder 
die vrijstelling hier dat minimum toch even goed 
gewaarborgd blijven. Behalve bij de belastingleer 
speelt het bestaansminimum een rol bij de > loontheo- 
rie en bij de moraal omtrent de aalmoes (> Bijstand). 

Weve. 

Bestand, Twaalfjarig, -> Twaalfjarig 
Bestand. 

Bestanddeel en, > Plant (Anatomie der). 

Bestedelingenhuizcn, tehuizen voor kinderen, 
die hun wettelijke verzorgers missen, bijv. halfweezen, 
kinderen, wier ouders in een ziekenhuis verpleegd 


worden, en vondelingen. Er zijn stadsbestedelingen- 
huizen, geëxploiteerd door de gemeenten, en bestede- 
lingenhuizen van verschillende gezindten. F. Haye. 

Besteden, > Aanbesteding. 

Besteedster, wouwelijk beroep voor particuliere 
arbeidsbemiddeling voor wouwen in huiselijke diensten. 

Bestek, uitvoerige omschrijving volgens welke 
een werk moet worden uitgevoerd; het vormt den 
grondslag voor de aanbesteding van dat werk en bevat 
een opgave van de hoeveelheden der bouwstoffen en 
andere materialen en de eischen, waaraan zij moeten 
voldoen, de verschillende voorwaarden en termijnen 
voor uitvoering, oplevering en onderhoud van het 
werk tot aan de oplevering, het loon en de wijze van 
huisvesting der arbeiders en verder alle zaken, welke 
voor den aannemer van belang zijn. In de meeste b. 
wordt ten aan zien van een aantal bijzonderheden 
verwezen naar de bepalingen, opgenomen in de Alge- 
meene Voorschriften van den Rijkswaterstaat voor de 
uitvoering en het onderhoud van werken onder beheer 
van het Departement van Waterstaat, in den regel 
aangeduid met de letters A.V. P. Bongaerts. 

N ed. en Belg. Recht. In geval van bestek, 
tusschen aannemer en eigenaar van den grond vastge- 
steld, betreffende het maken van een gebouw, kan 
geen vermeerdering van prijs worden gevorderd, on- 
danks veranderingen of bijvoegselen, indien deze niet 
schriftelijk zijn ingewilligd (Ned. B.W. art. 1646; 
Belg. B.W. art. 1793). Petit. 

Bestek (zeevaartkundig) is plaatsbe- 
ling op zee. Het astronomisch bestek wordt uit den 
stand der hemellichamen afgeleid. Is waarneming der 
hemellichamen uitgesloten, dan berekent men de 
plaats van de laatst bekende plaats af (gegist bestek). 

Besteken (een geschenk geven) doet men in 
Limburg en in Vlaanderen iemand op zijn naamdag; 
men schenkt hem een feestgebak, waarin een groen 
takje (in later tijd een bloementuiltje) was gestoken; 
thans is op den koek, vaak een peperkoek, meestal 
blad- en bloemversiering met den naam in suiker 
aangebracht. 

Bestek hout, het voor een werk benoodigde 
hout, gezaagd volgens de in het bestek aangegeven 
afmetingen; daar het voor dit doel speciaal gezaagd 
wordt, is de hoedanigheid in het algemeen beter dan 
die van het gewone handelshout, dat in courante 
afmetingen uit het buitenland wordt ingevoerd. 

Bestel (in Vlaanderen Mastel geheeten) is 
een sterk met anijs gekruid gebak in ringvorm. Het 
Mastellenfeest of de Krakelingworp te Geeraardsbergen 
in België op den eersten Zondag van de groote Vasten, 
ook wel groote Vastenavond geheeten, is vermaard 
en komt reeds in de stadsrekeningen der 14e eeuw 
voor. Prof. Paul de Keijser ziet er de kerstening van 
een vruchtbaarheidsoffer in. Op den Ouden Berg 
ledigen geestelijke en wereldlijke autoriteiten een beker 
wijn, met een levend vischje, een grondeling, erin, 
nadat een korte godsdienstoefening is gehouden, waar- 
bij de Maria-litanie wordt gebeden; vervolgens worden 
krakelingen onder het volk gestrooid. Auderen zoeken 
den oorsprong van het gebruik in een beleg der stad, 
waarbij men, in wanhoop, de laatste brooden naar 
de belegeraars wierp, die, meenend, dat de plaats 
nog goed geproviandeerd was, het beleg zouden hebben 
opgebroken. 

L i t. : J. H. Nanningo, Brood- en gebakvormen en 
hunne beteekenis in de folklore, alwaar afbeeldingen 
van het Vlaamsche volksfeest. Knippenberg 


781 


Bestelbrief — Besten 


782 


Bestelbrief. Wanneer een bestelling wordt 
aangenomen, maakt men gebruik van een formulier, 
waarop aangegeven worden: het volgnummer der 
bestelling, de naam cn woonplaats van den besteller, 
de datum van inschrijving, de datum van aflevering, 
de aard en omschrijving der bestelling, de verlangde 
hoeveelheid en nadere bijzonderheden. Ronner. 

Bestelgoed, term, welke tot Mei 1933 in gebruik 
was om een bepaalde wijze van goederenverzending bij 
de spoorwegen aan te duiden; thans vervangen door 
den term snelgoed. 

Bestelhuis is bij bodediensten een huis, 
waar goederen kunnen worden gebracht, welke ver- 
voerd en aan hun adres bezorgd moeten worden. 

Bestelhuis van den boekhandel, instelling 
van de Vereeniging ter bevordering van de belangen 
des boekhandels, heeft ten doel het in ontvangst nemen, 
verdoelen en verzenden van pakken enz. van en aan 
boekverkoopers en uitgevers. Het b. is gevestigd te 
Amsterdam in het Boekhuis. Door het samenvoegen 
van kleine pakjes tot balen wordt belangrijke vracht- 
besparing verkregen. P . Coebergh. 

Bes tel sta at van materialen dient zoo systema- 
tisch en overzichtelijk mogelijk ingericht te worden; 
door de Hoofdcomm. v. d. Normalisatie in Nederland 
is, bij normaalblad N 41, een geschikte vorm daarvoor 
vastgesteld. 

Bestemming van den mensch in het heelal, 
niet de bestemming van den mensch na den dood 
(> Onsterfelijkheid), maar de bestemming in dit leven, 
en dit in de natuurlijke, niet in de bovennatuurlijke 
orde. 

De leer hierover berust op verschillende wijsgeerige 
stellingen. 1° De wereld is een geordend geheel, door 
God geschapen. 2° De orde der dingen is, statisch 
beschouwd, in laatste instantie gelegen in hun soor- 
telijke wezenheid. Terwijl veie enkelingen één soort 
uitmaken, maken al de soorten samen een ordelijk 
geheel uit, geen chaos. 3° De dynamische orde der 
dingen bestaat hierin, dat de verrichtingen der dingen 
in verhouding zijn tot hun soortelijke wezenheid. 
4° Door hun verrichtingen streven de dingen naar hun 
doel en bereiken aldus hun bestemming in de verwezen- 
lijking van hun mogelijkheden. 5° De mensch bestaat 
uit lichaam en ziel. Hij is echter mensch in de eerste 
plaats door zijn ziel, in de tweede plaats door zijn 
lichaam. 6° De verrichtingen van lichamelijken aard: 
zintuiglijke kennis en streving, zinnelijke gevoelens, 
zijn ondergeschikt aan de hoogere zielsverrichtingen: 
verstandelijke kennis en streving, geestelijke gevoelens. 

Hieruit kunnen wij de bestemming van den mensch 
af leiden. 

a) Het verstand van den mensch is gericht 
naar de kennis der waarheid omtrent de stoffelijke 
dingen, de geestelijke wezens, en God. De menschelijke 
geest is immers niet bevredigd door de kennis der 
onmiddellijke oorzaken der stoffelijke dingen, maar 
zoekt naar de diepste bewerkende oorzaak ervan, die 
te zelfder tijd hun eindoorzaak is, nl. God. Al kan nu 
verder de mensch beter van God zeggen, wat hij niet 
is, dan wat hij wel is, hij is toch in staat om de litanie 
der Goddelijke volmaaktheden te stamelen, en aldus 
op te gaan in de beschouwing van het Goddelijk wezen. 

b) Op de kennis van het verstand volgt de 
streving van den wil naar de stoffelijke 
goederen, waaraan de mensch naar zijn lichaam behoef- 
te heeft om te leven, doch in ondergeschiktheid aan 
zijn hoogeren geestelijken aard, en verder ook naar 


de geestelijke goederen, waarnaar onze hoogere ver- 
mogens verlangen. Hier neemt God de voornaamste 
plaats in. Alleen de liefde-vereeniging met Hem 
bevredigt den wil. De wijsbegeerte stelt hier de vraag 
aangaande het natuurlijk verlangen naar God, en 
hoever dit in de natuurlijke orde kan bevredigd worden. 
Het antw T oord luidt zeer verschillend, cn kan door de 
wijsbegeerte alleen niet volledig gegeven worden. 

c) Benevens het w T are en het goede is er een derde 
„waarde”, die de menschelijke bedrijvigheid in beslag 
neemt: het s c h o o n e. De schoonheid in de kunst 
en de schoonheid in de natuur spreken tot den mensch 
in eigen taal. Vanuit beide, en vooral vanuit de laatste, 
stijgt de mensch op tot de ongeschapen 
schoonheid, die God is, en oorzaak is 
van alle schoonheid. In het genieten van de Goddelijke 
schoonheid ligt de hoogste bestemming van den mensch. 

Dit is een inductieve uiteenzetting van 
’s menschen bestemming. Langs deductieven 
weg komt men tot hetzelfde besluit: het volmaakte 
wezen, dat God is, kan in zijn werkingen naar buiten 
alleen zijn eigen volmaaktheid tot doel hebben. God 
heeft dus het heelal en ook den mensch voor Zichzelf 
geschapen. De bestemming van den mensch is in de 
vereeniging met God als opperste waarheid, goedheid 
en schoonheid. Door zijn kennis en zijn liefde brengt 
de mensch het heelal terug tot God. van Wien het is 
uitgegaan. 

L i t. : S. Thomas, Contra Gent. (Lib. I c. 1, Lib. III 
c. 25) : id., De divinibus nominibus (c. 4) ; id., Summa 
Thcol. (Lib. I q. 93). P. Janssens. 

Bestcmmingsbelasting, > Bestemmings- 
heffing. 

Bestemmingsheffing is een belasting, welker 
opbrengst w r ordt aangewend tot bestrijding van de 
kosten van een bepaald onderdeel van overheidszorg; 
bijv. de gemeentefondsbelasting, welker opbrengst 
wordt gestort in het > gemeentefonds. Tot de bestem- 
mingsheffingen belmoren ook de > bijdragen. > Be- 
lastingen (kolom 377). Smeets . 

Bestemmingsplan . In het plan tot uitbreiding, 
hetwelk elke Ned. gemeente van meer dan 10 000 inw. 
volgens de Woningwet verplicht is te maken, wordt 
de bestemming aangegeven van de terreinen, waarop 
de uitbreiding zal moeten plaats vinden. Men onder- 
scheidt hierbij bestemming voor de allernaaste toe- 
komst, dus voor gronden in de onmiddellijke nabijheid 
van de bestaande bebouwing, welke zeer nauwkeurig 
w r ordt bepaald, en bestemming voor verdere toekomst, 
voor veraf gelegen terreinen, waarbij alleen hoofdver- 
keerswegen, terreinen voor woningbouw, plantsoenm, 
fabriekswijken e.d. worden aangegeven. Onder b. 
verstaat men gewoonlijk dit laatste globale plan. Zie 
ook: Woningwet van 22 Juni 1901 met aanvullingen, 
Woningbesluit van 20 April 1921. Thunnissen. 

Besten, Vanden negen, Mnl. leerdicht, 
dat een leer wil geven in riddereer door het voorbeeld 
van de negen beste ridders: drie heidenen: Hector, 
Alexander, Julius Caesar; drie Joden: Josue, David, 
Judas Macchabeus: drie Christenen: Arthur, Karei de 
Groote, Godfried van Bouillon. De stof is in de middel- 
eeuwen w T cl bekend en werd ook in het Fransch be- 
werkt, hoewel dit gedicht losvaart tegen de Walsce 
boerden met de grote faloerde, en toch Arthur op- 
neemt. 

U i t g. : Nap. de Pauw, Mnl. Gedichten en Fragm. 
(I Gent 1897, in twee verschillende redacties). — L i t. : 
J. W. Muller, Een nieuw bericht omtrent Maerlant’s 


783 


Bestendige Deputatie van den Provincialen Raad — Bestiaire 


784 


leven en werken (in Tijdschrift voor Ned. Taal en Letterk. 
XXVIII 1909, 278 vlg.), die meent, dat het van Maer- 
lant zou kunnen zijn. V. Mierlo. 

Bestendige Deputatie van den Provin- 
cialen Baad (Belg. Recht), beraadslagende 
vergadering, samengesteld 1° uit zes leden door den 
Provincieraad gekozen tusschen zijn leden, 2° en den 
gouverneur, die van rechtswege voorzitter der verga- 
dering is met stemrecht (Pr. W. art. 3 en 96 al. 1 en 
104 al. 1). 

De leden der deputatie worden gekozen voor 4 jaren 
en bezoldigd door den staat (Pr. W. art. 70 en 105). 
De werkzaamheden der Bestendige Deputatie zijn 
geregeld door de Provinciewet en door het huishoude- 
lijk reglement door dit college, onder goedkeuring van 
den Provincieraad en van den koning vastgelegd 
(Pr. W. art. 104 al. 2). De beslissingen worden ge- 
nomen met meerderheid van stemmen der aanwezige 
leden. Wanneer de stemmen staken, zal het voorstel 
niet verworpen zijn, zooals in de andere beraadsla- 
gende vergaderingen, o.a. den gemeenteraad, maar de 
afwezige leden en zoo noodig een lid van den provincie- 
raad zullen opgeroepen worden om de staking op te 
heffen. 

De B.D. bezit een tweevoudige bevoegdheid: 1° een 
administratieve bevoegdheid, onderverdeeld in een 
bevoegdheid van provincialen aard, o.a. het dagelijk- 
sche bestuur van de belangen van de provincie (Pr. W. 
106 al. 2 en 107 en 115), en een bevoegdheid van alge- 
meenen aard: tusschenkomst tot uitvoering der wetten, 
waaronder begrepen het toezicht over de gemeenten 
(Pr. W. art. 106 al. 1 en al. 2); 2° een bevoegdheid in 
betwiste zaken, die o.m. betreft de geschillen over 
gemeentelijke verkiezingen, en de geschillen over 
provinciale en gemeentelijke rechtstreeksche belas- 
tingen. De B.D. oordeelt in betwiste zaken meestal 
zonder beroep; in enkele zaken is beroep bij den Ko- 
ning mogelijk. In betwistbare zaken zijn de zittingen 
openbaar; in verkiezingszaken moeten de beslissingen, 
op straf van vernietigbaarheid, steeds met redenen 
omkleed zijn. Alle beslissing van de B.D. moet den 
naam van den verslaggever en van de aanwezige leden 
vermelden (art. 104 al. 8 Pr. W.). 

Zie ook > Gedeputeerde Staten. V. Boon. 

Bestendige onbekwaamheid, > Arbeids- 
ongeval, > Ongevallenwet. 

Bestendigheid van gesteenten is in de 
eerste plaats afhankelijk van het gebruik, dat van 
de gesteenten gemaakt wordt en van de mate, waarin 
zij aan verweerende invloeden zijn blootgesteld. Som- 
mige (bijv. kalkgesteenten) worden gemakkelijk door 
water, dus ook door regen en sneeuw, opgelost en de 
in de atmospheer voorkomende zuren als koolzuur 
en zwavelzuur oefenen een sterke aantasting op de 
gesteenten uit, waarvan de poreuze het meest te lijden 
hebben, terwijl deze ook door vorst veel meer te lijden 
hebben dan de dichte gesteenten. Door polijsten wordt 
de b. verhoogd, daar de gesteenten dan een geringer 
oppervlak aan de verweerende stoffen bieden. 

P. Bongaerts. 

Bestendigheid van wind of stroom. Ter verkrijging 
van een maatstaf, om de kans op wind of stroom uit 
of in een bepaalde richting aan te geven, geeft men 
tegenwoordig dikwijls in meteon logische of oceano- 
graphische werken bij de gegevens over wind en 
stroom de b. op. Hieronder verstaat men het navol- 
gende: gesteld, dat men een aantal waarnemingen van 
windrichting en snelheid gedaan heeft van bijv. N.O. 


8,2 m per sec., terwijl de gemiddelde windsnelheid 
(berekend zonder de richting in aanmerking te nemen) 
12,3 m per sec. was, dan is de b. 8,2 : 12,3 = 0,75. 
Men drukt de b. in procenten uit en spreekt dus in dit 
voorbeeld van een b. voor N.O. wind van 75%. Indien 
alle waarnemingen N.O. wind hadden gegeven, was 
de b. 100% geweest. Wissmann. 

Bcstens-order is een opdracht om effecten of 
valuta’s tegen den voor den opdrachtgever voordeelig- 
sten koers ter beurze te koopen of te verkoopen. 

Besters, A. J., Noord-Ned. landschapschilder, 
werkte aanvankelijk aan de teekenschool der Pictura 
in Den Haag, reisde Vlaanderen door en woonde later 
in Leiden. * 1747 te Den Haag, f 1819 te Leiden. 

L i t. : Oud Holland (XIX, 234—235). 

Bestevaar of bestevaer, eerenaam, dien het 
scheepsvolk aan admiraal de Ruijter gaf. 

Bestia, 1° Lucius, complotgenoot van 
Catilina in 63 v. Chr. te Rome. 

2° Lucius Calpurnius, Romeinsch 
volkstribuun en consul tegen het einde van de 2e 
eeuw v. Chr. Hij liet zich omkoopen door Iugurtha, 
tegen wien hij gezonden was. 

Bestiaire, eigenlijk dierenboek: werken met 
zedenkundige strekking, waarin de hoedanigheden 
en eigenschappen der dieren allegorisch verklaard en 
in verband gebracht worden met godsdienstige waar- 
heden en deugden en ondeugden der menschen. Daarbij 
werd veel gebruik gemaakt van den zgn. > Physio- 
logus: een Hellenistische, populaire fabelachtige 
zoölogie met Christelijk-dogmatische duiding uit de 
2e eeuw n. Chr., die door een Latijnsche vertaling van 
de 4e of 5e eeuw naar het Westen gekomen was en ver- 
schillend overgeleverd werd. De dierensymboliek 
der middeleeuwen heeft er ruimschoots uit geput, 
doch ook uit andere fabelachtige werken. De oudste 
Fransche b. is die van den Anglonormandischen dich- 
ter Philippe van Thaon, die omstreeks 1125 zijn werk 
opdroeg aan de Engelsche koningin Aaliz van Leuven. 
Andere b. zijn die van Guillaume le Clerc (begin 13e 
eeuw), van den Normandiër Gervaise, en, in proza, 
van Pierre van Beauvais; eveneens in proza, maar nu 
op de liefde toegepast, bestiaire d’ amour, 
van Richard van Foumival, van omstreeks 1240. Zulk 
een b. werd, volgens van Maerlant, te onzent gedicht 
door Willem van Utenhove, een priester van goeden 
love van Erdenburch: daaruit stammen wel de 208 
w., die ons van een b. zijn bewaard, en die bewerkt 
werd volgens Richard van Foumival. Een onlangs 
ontdekte Middelnederduitsche vertaling van een b. 
zou oorspronkelijk Vlaamsch-Brabantsch zijn. De 
naïeve ernst, waarmede de meest onmogelijke of fabel- 
achtige dingen op de verhevenste mysteriën werden 
toegepast, wordt, door Richard althans, wel onder- 
broken door den glimlach van een bon entendeur. 

V. Mierlo. 

Invloed op de kunst. Het eerste geïllu- 
streerde b. van het Westen dateert uit het eind 
der 9e eeuw en bevindt zich in de Brusselsche biblio- 
theek : de teekeningen zijn vrij onbeholpen. De 
oudste geïllustreerde Physiologus (begin 12e eeuw) 
wordt in de bibliotheek van Smyraa gevonden. Een 
overvloed van geïllustreerde b. produceert de 12e en 
13e eeuw: de behandelde dieren zijn meestal in klein 
formaat, door bladwerk ingelijst, boven elk artikel 
geplaatst, zelden vult een dierengeschiedenis een heele 
bladzijde. Van het grootste deel dezer b. is de artis- 
tieke waarde gering, doch zij zijn van groot belang 


785 


Bestiarius— Bestuiving 


786 


1° als iconographisch gegeven voor de Romaansche 
en Gotische beeldhouwers ; 2° als voorbeeld, waaruit 
zich later de zgn. „Dróleries” ontwikkelen in de laat- 
Gotische manuscripten. 

L i t. : Cahier, Curiosité9 mystérieuses : Nouvelles 

Mélanges d’archéol. (1 1874, 106 v!g. en 311 vlg.); 
Lauchert, Geschichte des Physiologus (1889) ; Collins, 
Symbolism of Animals and Birds, represented in Englisb 
Church Architecture (1913). Knipping. 

Bestiarius , veroordeelde, die ongowapend en 
naakt tegen wilde dieren moest vechten te Rome. 
Practisch beteekende dit een zekeren dood. 

Bestiënzuilen zijn in Romaansche en vroeg- 
Gotische kerken (vooral in de Duitsche landen: 
Regensburg, St. Jacob, Berchtesgaden, Freising) aan 
portalen, in kruisgangen en vooral in crypten voor- 
komende zuilen, waarop de strijd van menschen met 
monsterdieren is voorgesteld, misschien wel als sym- 
bool van de overw’inning van het Christendom op 
het heidendom. Decoratief beschouwd is het een 
gegeven uit de Noorsche kunst. 

Lit. : Abele, Der Dom zu Freising (1919, 24 vlg.); 
Leonia Lorenz, Das Schottenportal zu Regensburg (1929). 

Knipping. 

Bestoesjew, Alexander Alexandro- 
w i t s j, pseud. Kosack Marlinskij, Russisch roman - 
sc! rijver van gemaakt-romantische richting. * 1795, 
f 1837, gesneuveld tijdens de bestorming van de berg- 
vesting Ardler in den Kaukasus, na jarenlange verban- 
ning in Siberië als deelnemer aan den opstand der > 
Dekabristen (1825). De gezwollen, tandenknarsende 
romantiek van B.’s Byroniaansche en Wertheriaansche 
helden (zie: Kaukasus, De schrikwekkende prophetie, 
Amalat Bey) in het eenvoudige kader der Kaukasische 
natuur, w r aar ze optreden, werkt thans nog alleen maar 
onbedoeld komisch. Zijn letterkundige almanak 
Poliarnaja Swesda (De poolster, 1823) 
diende de Russische romantiek tot verzamelplaats. 

U i t g. : in de Duitsche vertaling van Löbenstein : 
Gesammelte Schriften (4 dln. Leipzig 1845). Baur. 

Bestoesjew-Rjoernin, Alexei, graaf, 
Russisch staatsman, * 1693 te Moskou, f 1766; trad 
in den diplomatieken dienst van Peter den Grooten 
en werd minister van de tsarina’s Anna en Elisabeth; 
bracht in 1756 het bondgenootschap met Oostenrijk 
tot stand als inleiding op den zevenjarigen oorlog: 
viel daarna bij Elisabeth in ongenade, maar werd 
door Catharina II in ecre hersteld. Zijn omkoopbaar- 
heid was in Europa berucht. 

Lit.: B. Raptschinsky, De geschiedenis van het 

Russische volk (II 1929). v. Gorkom. 

Bestorten, het nastorten van stortsteen op ge- 
zonken > rijswerken of het storten van beton, steen, 
puin en dgl. op een beloop onder water om uitschuring 
ervan te voorkomen. 

Bestraling, > Stralen therapie. 

Bestrating, het verharde gedeelte van een weg- 
dek, bestaande uit klinkers, keien, blokken, blocks 
of tegels van asphalt, beton of hort. Een bestraat 
wegdek heet open wegdek, in tegenstelling met een 
gesloten wegdek van asphalt- of cementbeton. 
-> Kunstwegen. De onderbouw (fundeer ing) is som- 
tijds een van 10 tot 20 cm dikke betonlaag, doch ook 
een gewalste laag puin op een vlaklaag van oude 
klinkers, keien of iets dergelijks; meestal echter worden 
keien en klinkers zonder fundeering gestraat in een 
± 20 cm dikke zandlaag. De verschillende soorten 
van b. hebben elk hun eigen voor- en nadeelen. 

Klinkerb., zonder fundeering, heeft voor 


middelmatig zwaar verkeer voordeelen wegens het 
eenvoudige onderhoud, gemakkelijk opbreken en ver- 
nieuwen en de eigenschap, dat zij des zomers niet 
slikkerig en glad is: daarentegen is zij niet geschikt 
voor zware vrachten (vernieling der klinkers) en zij 
wordt dan duur in onderhoud, terwijl zij bij onvol- 
doende gebruik van nieuw materiaal spoedig in slech- 
ten toestand verkeert. Dit bezwaar kan worden voor- 
komen door de klinkers op een fundeering te leggen. 

K e i b. heeft dezelfde voordeelen als de klinkerb., 
doch is niet zoo effen en is duurder in aanleg, boven- 
dien veelal ook gladder. Zij kan zwaardere lasten 
dragen en is in onderhoud goedkooper. In plaats van 
de gebruikelijke groote keien bezigt men tegen- 
woordig veelal kleinere kubussen van natuursteen 
(Kleinplaveisel), welke in waaiervorm in een ca. 2 cm 
dikke zandlaag wordt gezet. 

A s p h a 1 1 b. Voorts worden nog asphalttegels 
en asphaltblocks gestraat, beide in fabrieken door 
hvdraulische persing van asphalt met verschillende 
materialen (steengruis, zand, cement) verkregen; 
zij hebben het voordeel van sneller en onder alle weers- 
omstandigheden op den weg te kunnen aangebracht 
worden. 

Cementtegelb. Ook de cementtegels worden 
machinaal geperst in fabrieken, al of niet met toeslag 
van hard steengruis, waarvoor veelal porfier van 
Quenast gebruikt wordt. Trottoirs, rijwiel- en tuin- 
paden e.d. worden veelal met cementtegels bestraat. 
Een bijzonder harde cementtegel wordt verkregen 
door toevoeging van ijzer- of staalvijlsels. 

Wat de h o u t b. betreft kan worden opgemerkt, 
dat deze van harde of zachte houtsoorten wordt ver- 
vaardigd; tot de eerste behooren Yarah (Australië), 
djati of teak (Ned. Indië), eiken en beuken; tot de 
laatste grenen (Zw T eedsch, Finsch of Amerikaansch), 
larix en dennen. Zij worden gecreosoteerd vóór het 
leggen. Hardhouten blokjes worden zonder voegen 
tegen elkaar geplaatst of met voegen, welke met ® en 
kit gevuld worden. P • Bongaerts. 

Bestreken ruimte, horizontale projectie van 
het gedeelte der baan, waarin het afgcschoten projec- 
tiel zich niet hooger verheft dan het doel. 

Best rikken doet men jarige kinderen in het 
Noord-Oosten van ons land; met linten wordt hun 
een feestkoek op den arm gebonden. 

Bestrijding der tubereulose, > Tuber- 
culose. 

Bestrijdingsproef , > Proefveld wezen. 

Bestuiving, bij hoogere planten, is de over- 
brenging van het stuifmeel (pollen) op den stempel 
van een bloem, waardoor de bevruchting, d.w.z. de 
versmelting van de eikem met een generatieve kern 
uit de stuif meelbuis, mogelijk wordt. Bestuiving 
beteekent dus nog niet bevruchting; normaal heeft deze 
laatste alleen plaats, wanneer de stuif mee lkorrel 
kiemt en de aldus ontstane stuifmeelbuis den kiemzak 
bereikt, om daar de twee generatieve kernen te laten 
binnentreden. 

Het stuifmeel uit de helmknoppen kan op den 
stempel worden gebracht o.a. door den wind, door het 
water of door dieren. 1° Windbestuiving 
(anemophilie) treedt op bij alle naaktzadigen en bij 
een aantal bedektzadigen; het stuifmeel is dan licht 
en droog en kan op groote afstanden met den wind 
worden meegevoerd. Bij dennen is het stuifmeel lichter 
gemaakt door twee luchtb lazen; bij andere windbe- 
stuivers hangen de mannelijke bloemen in katjes of. 


787 


Bestuiving 


788 


zooals bij grassen, aan lange stuif meeldraden, terwijl 
bijv. bij Pilea het pollen wordt weggeslingerd door 
strekking der opgerolde meeldraden. De stempels 
der windbloemen zijn vedervormig (grassen), penseel- 
vormig (hazelaar) of draadvormig (maïs), wat het 
opvangen van het stuifmeel bevordert. 2° Hydrophilie 
of het overbrengen van pollen door het water 
komt slechts bij een klein aantal waterplanten voor 
(zeegras, Vallisneria, Elodea). 3° ln de meeste 
gevallen heeft de bestuiving plaats door dieren; 
soms gebeurt dit door vleermuizen of door slakken 
(Lemna, Chrysosplenium), in dit laatste geval spreekt 
men van malakophilie; bestuivingen door vogels 
of ornithophilie treft men o.a. aan bij bloemen van 
Abutilon (door kolibries) cn van het geslacht Hibiscus 
(door honigvogels). Het meest verspreid is de bestui- 
ving door insecten (entomophilie). Hier is het stuif- 
meel meestal kleverig of voorzien van stekels, zoodat 
het gemakkelijk door de bezoekende dieren wordt 
overgedragen. In hoever kleur en geur als lokmiddel 
voor de insecten gelden, is nog niet uitgemaakt; 
de eigenlijke lokmiddelen zijn de honig in de necta- 
riën, het overtollige stuifmeel en, bij enkele bloemen, 
de vleezige, voor insecten eetbare bloemdeelen. 

De ligging der honigk lieren en de speciale bouw van 
sommige insecten bloemen bevordert in de meeste 
gevallen de kruisbestuiving. Hieruit afleiden, dat de 
natuur zelf bestuiving verafschuwt en dat deze nood- 
zakelijk tot ontaarding leidt, is echter niet in over- 
eenstemming met de feiten. 

Rechtstreeksche bestuiving (zelfbestui- 
ving of autogamie) bestaat hierin, dat de pollen uit de 
helmknoppen van een tweeslachtige bloem den stempel 
van diezelfde bloem bestuiven; men spreekt van 
onrechtstreeksche bestuiving, wanneer de 
stempel van een bloem bestoven wordt door de pollen 
van een andere bloem van hetzelfde individu (gebuur- 
bestuiving of geitonogamie), ófwel door de pollen 
van een bloem van een ander individu derzelfde soort 
(kruisbestuiving of allogamie). Genetisch geven zelf- 
bestuiving en gebuurbestuiving hetzelfde resultaat. 

Tweeslachtige bloemen bezitten zoowel 
de mannelijke als vrouwelijke voortplantingsorganen. 
De d i k 1 i n i e is gekenmerkt door het verschijnsel, 
dat een plantsoort enkel een siachtige bloemen, 
zulke met alleen mannelijke (stuif meelbloemen) en 
zulke met alleen vrouwelijke voortplantingsorganen 
(stamperbloemen) vormt; de bestuiving is hier steeds 
onrechtstreeks, doch geschiedt gemakke lijker en 
zekerder, wanneer beide geslachten, zooals bij de 
maïs, op dezelfde planten worden aangetroffen (een- 
huizigheid of monoecie), dan wanneer zij op ver- 
schillende planten gevormd worden (tweehuizigheid 
of dioecie), zooals bijv. bij hop, spinazie, dadelpalm, 
populier. Tweehuizige planten kunnen in normale 
gevallen alleen zaad vormen door kruisbestuiving ; 
eenhuizige worden ook meestal vreemd bestoven, doch 
hier kan tevens gebuurbestuiving optreden. 

Ook bij tweeslachtige bloemen kan de onrechtstreek- 
sche bestuiving door sommige eigenaardige inrichtin- 
gen worden bevorderd. Een korte beschrijving van de 
voornaamste moge hier volgen. 1° De d i c h o g a - 
mie is gekenmerkt door het feit, dat helmknoppen 
en stampers niet gelijktijdig rijpen; zijn de meeldraden 
rijp vóór de stampers, dan spreekt men van p ro- 
ta n d r i e, een verschijnsel, dat men aantreft bij 
vele Umbelliferae, Compositae, Caryophyllaceae en 
Labiatae; gevallen van protogynie, waar 


de stampers het eerst rijp zijn, komen minder veel- 
vuldig voor, o.a. bij veldbies, reukgras, weegbree 
en Magnolia. 

2° Is de lengte van de stijlen en die van de meel- 
draden op verschillende planten van eenzelfde *oort 
niet gelijk, dan spreekt men van heterostylie. 
Sommige plantsoorten, o.a. het vlas, de sleutelbloem 
en de boekweit, hebben bloemen met langsti jlige 
en bloemen met kortstijlige stampers; de langstijlige 
hebben dan kmt » meeldraden en de k rtstijl ge 
hebben lange meeldraden. Bestuiving van een stamper 
met langen stijl door stuifmeel van een langen meel- 
draad uit den anderen bloemvorm heet legitiem; 
illegitieme bestuiving, waarbij meeldraden 
en stampers van onge lijke lengte zijn betrokken, 
komt maar zelden voor. Behalve d i m o r p h e 
bloemen kent men ook trimorphe met drie 
verschillende stijl lengten en drie daarmee overeen- 
komende meeldraad-lengten, bijv. de klaverzuring. 
Het is hier niet de plaats om het genetisch vraagstuk 
van de heterostylie te behandelen. 

3° De hercogamie is hierdoor gekenmerkt, 
dat de geslachtsorganen op zulke wijze geplaatst zijn, 
dat het eigen stuifmeel zonder vreemde hulp niet 
op den stempel komen kan, dit is o.a. het geval bij 
Iris en Orchis. 

Het komt voor, dat op de bestuiving van den 
stempel door pollen van dezelfde bloem of van andere 
bloemen van hetzelfde individu, geen bevruchting 
volgt. Dergelijke gevallen van zelf steriliteit 
treft men aan bij sommige, doch niet bij alle rogge- 
planten, bij de lelie, enkele Cruciferae, e.a. Bij zelf- 
steriele variëteiten van fruitboomen geldt dit ver- 
schijnsel voor al de individuen van een klon, die 
vegetatief uit een eerste zaailing werden vermeerderd; 
variëteiten van fruitboomsoorten kunnen ook voor 
elkaar onvruchtbaar zijn ; men spreekt dan van 
> intersteriliteit. 

Door sommige botanici werd vroeger al te zeer na- 
druk gelegd op de noodzakelijkheid der kruisbestui- 
ving (Sprengel, Darwin, e.a.); toch is zelfbestuiving 
niet uitgesloten ; vele tweeslachtige insecten bloe- 
men, die geen bezoek ontvangen, trachten door 
zelfbestuiving zaad te vormen; zelfbestuiving moet 
ook nog optreden bij kleistogame bloe- 
men, die zich nooit openen (Anonaceae, sommige 
bloemen van Oxalis). Verder kent men een aantal 
planten met tweeslachtige bloemen, die normaal 
langs autogamen weg voortplanten: tarwe (Triticum 
vulgare), haver (Avena sativa), erwt (Pisum sativum) 
e.a. Deze gewassen kunnen zich voortdurend door zelf- 
bestuiving vermeerderen, zonder hierbij eenige ver- 
zwakking in de groeikracht te ondervinden. Andere 
worden normaal door kruisbestuiving voortgeplant, 
doch verdragen kunstmatige zelfbestuiving, zonder 
daarbij > inteeltschade te vertoonen (sommige 
Compositae); de meeste kruisbestuivers echter, zooals 
kool, maïs, prei, tabak, leveren bij gedwongen zelf- 
bestuiving zaad, waaruit zich planten met ver- 
minderde groeikracht ontwikkelen. 

Kunstmatige zelfbestuiving wordt in hoofdzaak 
doorgevoerd met het doel, sommige planten erfelijk 
te onderzoeken, ten einde bepaalde typen zuiver te 
kweeken (> Plantenveredeling); voor het inhullen 
van de bloeiwijzen gebruikt men hokken, geolied doek, 
glazen buizen of pergaminezakken. Allogame plant- 
soorten, die, na één of meer generaties van gedwongen 
zelfbestuiving, degeneratieverschijnselen vertoonen. 


789 


Bestuur — Bestuursmacht van de Kerk) 


790 


geven een nakomelingschap met normale groeikracht, 
zoo gauw zij met andere, zelfs eveneens gedegenereerde, 
planten van dezelfde soort worden gekruist. Dumon . 

In de o o f 1 1 e e 1 1, waar zoowel zelffertiele als 
zelfster ie le verscheidenheden worden gekweekt en 
waar naast zelf bestuiving ook b. door wind en insec- 
ten voorkomt, eischt de bestuiving der bloemen alle 
opmerkzaamheid van den teler. Rietsema. 

lleslmir. Door de Grondwet wordt het bestuur 
genoemd de Uitvoerende Macht. Deze is onder- 
worpen aan de grondwet en aan de wetten, en oefent 
haar bevoegdheden uit binnen de haar gestelde wette- 
lijke grenzen. Haar doel is echter niet zoozeer de toe- 
passing van de wet te verzekeren, als het behartigen 
van het algemeen, provinciaal of gemeentelijk belang 
te dienen. V . Dievoet. 

De uitvoerende macht is samengesteld uit een uit- 
gebreide hiërarchie, geholpen door menigvuldige 
ambtenaren en beambten. Het principe der eenheid 
van het bestuur is zoowel in Nederland als in België 
getemperd door een breede decentralisatie, welke 
naast de algemeene belangen ook provinciale en 
plaatselijke belangen erkent. En zoo onderscheidt 
men: 1° het centraal bestuur met den 
koning als hoofd van de uitvoerende macht; de minis- 
ters, als rechtstreeksere en verantwoordelijke mede- 
werkers van den koning; de gouverneurs (Belg.) of 
commissarissen des konings (Ned.) van de provinciën, 
voorts in België de arrondissementscommissarissen, 
en ten slotte de burgemeesters, die allen het centraal 
gezag vertegenwoordigen. Opgemerkt dient te worden, 
(lat de centrale besturen over het geheele land ambte- 
naren en beambten hebben, die alleen van dat bestuur 
afhangen: zoo bijv. ambtenaren van Financiën, van 
Openbare Werken of van Waterstaat en zoo meer. 

2° Het provinciaal bestuur, samen- 
gesteld uit den provincieraad (Belg.), of Provinciale 
Staten (Ned.) als beraadslagende macht; de Bestendige 
Deputatie (Belg.) of Gedeputeerde Staten (Ned.) als 
besturend korps, en den gouverneur of commissaris 
des konings, die behalve orgaan van het centraal 
bestuur ook orgaan van het provinciaal bestuur zijn. 
Dit bestuur regelt zelfstandig wat van provinciaal 
belang is. 

3° Het gemeente bestuur, gevormd uit 
den gemeenteraad als beraadslagende macht; het 
college (Belg.) of B. en W. (Ned.) als besturend korps, 
en de burgemeester, die naast orgaan van het centraal 
bestuur ook gemeentelijk bestuursorgaan is. 

Dit bestuur regelt zelfstandig wat van ge- 
meentelijk belang is. Plet administratief toezicht, 
soms voogdij genoemd, dat het centraal bestuur op de 
twee andere uitoefent, waarborgt in het land de nood- 
zakelijke eenheid van bestuur. V. Boon. 

Bij gebrek aan een administratieve rechtspraak is 
in menig geval elk rechterlijk verhaal tegen een onwet- 
telijk optreden van het bestuur practisch uitgesloten, 
en blijft den belanghebbende geen ander middel dan 
een beroep op de hoogere administratieve overheid 
en op de openbare meening, alsook een petitie 
aan de gekozenen in het parlement of in den 
Raad van provincie of gemeente. > Geschillen van 
bestuur. •> Bestuursrecht. V . Dievoet. 

Besluur van Ned.-Indië, > Nederlandsch-Indië 
(Bestuur). 

Bestuurder der Sociale Werken (in 

België), priester, in elk bisdom van België aan- 
gesteld voor het behartigen, bevorderen en richten der 


Katholieke sociale werken voor den arbeidersstand. 
De bestuurders komen maandelijks bijeen te Brussel op 
het Alg. Secretariaat der Christene (R.K.ï Sociale 
Werken, geven samen de rechtslijnen voor den goeden 
gang der Kath. sociale instellingen in het algemeen en 
elk in het bijzonder voor deze van het hem toegew T ezen 
gebied, fn de tweetalige bisdommen zijn twee diocesane 
bestuurders der Sociale Werken. Voor Neder- 
land, > Aalmoezeniers van den Arbeid. Cool. 

Bestuurde zender, > Stuurzender. 

Bestuurlijke scheiding, > Vlaamsche Be- 
weging. 

Bestuursacademie. Bij het treffen van een 
nieuw r e regeling voor de opleiding der ambtenaren 
bij den Nederlandsch-Indischen administratieven 
dienst van 1907 werd er ten behoeve van die fun- 
geerende ambtenaren, die onder een ander systeem 
w^aren opgeleid, en van wie men mocht verwachten, 
dat zij zouden voldoen in de leidende functies van 
het korps, een aanvullende studie georganiseerd in de 
zgn. Ned. -Indische Bestuursacademie. Deze was 
gevestigd te Den Haag en zou jaarlijks twaalf nieuwe, 
door den Gouverneur-Generaal aan te wijzen studenten 
opnemen, die zich in twee jaar de gedoceerde stof 
eigen zouden moeten maken. In verband met de af- 
kondiging van het besluit van Juli 1922 betreffende 
een nieuwe organisatie der zgn. Indologische studiën 
zijn er na 1921 geen ambtenaren voor het volgen 
van de lessen der Bestuursacademie meer aangewezen 
geworden. 

Bestuursambtenaren in IYed.-Indië, > 

Nederlandsch-Indië (Bestuur). 

Bestuursgeschillen (Ned. Recht), > 
Geschillen van bestuur. 

Bestuurshervorming in Ned.-fnclië, > 

Nederlandsch-Indië (Bestuur). 

Bestuursmacht van de Kerk. Christus heeft 
zijn Kerk gesticht als een volmaakte maatschappij, en 
gaf haar opdracht de geloovigen te onderrichten en 
te gebieden omtrent al datgene, wat noodig is om 
zalig te worden. Als volmaakte maatschappij geniet 
de Kerk de volledige bestuursmacht. Haar doel be- 
paalt aard en voorwerp van haar macht. Zooals in 
elke maatschappij heeft de b. in de Kerk een drievou- 
dige functie te vervullen. Deb. iswetgevende 
macht, waardoor zij recht heeft bepaalde verordeningen 
uit te vaardigen om in het algemeen goed der maat- 
schappij te voorzien. In de Kerk zal die wetgevende 
macht tot uiting komen, wanneer de Kerk den geloo- 
vigen oplegt sommige dagen de H. Mis bij te w’onen, 
wanneer ze voorschriften uitvaardigt betreffende het 
huwelijk of het toedienen en ontvangen van andere 
sacramenten, enz. De b. is verder rechterlijke 
macht, waardoor de Kerk het recht heeft den waren 
zin van de wetten te bepalen en te oordeelen, of in een 
bepaald geval de wet verplicht, overtreden of nage- 
leefd werd. De wetgevende macht is totaal ondoel- 
treffend zonder rechterlijke macht. Het gezag moet 
niet alleen wetten maken, het moet ze ook door de 
leden doen onderhouden. 

De b. is ten derde straf-, dw r ang-, of uitvoeren- 
d e macht, waardoor de Kerk haar leden om hun 
overtredingen kan straffen en dwingen kan de opge- 
legde straf te ondergaan. Die strafmacht is even 
noodig met betrekking tot de rechterlijke macht, als 
deze tot de wetgevende macht. Zonder sanctierecht, 
zonder tuchthuis bekomt een rechtbank geen uitslag. 
De H. Schrift wijst ons duidelijk op die aanstelling 


791 


Bestuursorganen — Betaalmeester te velde 


792 


der kerkelijke macht, in haar drievoudige functie. De 
macht om te binden of te ontbinden (Mt. 18.18), de 
macht om een weerspannige uit de gemeenschap te 
verbannen (Mt. 16.19). de macht om de geloovigen te 
gebieden alles, wat Christus zelf gebood (Mt. 28.19), 
laten klaarblijkelijk Christus’ inzicht daaromtrent 
kennen. De apostelen hebben dan ook van af den aan- 
vang der Kerk de b. in haar volheid waargenomen. Ze 
hebben wetten uitgevaardigd (Act. 15.29; 1 Cor. 6.4. 
11.6; 1 Tim. 5.9 — 12; enz.); ze hebben van het straf- 
recht gebruik gemaakt (1 Cor. 4.21; 2 Cor. 13.10; enz.). 

De b. werd de Kerk ontzegd door Luther, die be- 
weerde, dat elke mensch door het doopsel vrij is van elk 
gezag, zoodat niemand paus noch bisschop hem met 
recht bevelen kan; door Wicleff en Jandunus, die be- 
vestigden, dat de kerkelijke overheid om haar zondig- 
heid alle macht verloren had. De Kerk bepaalde op 
het Concilie van Trente, dat God haar met de b. had 
uitgenist (Denz. 864). De Jansenisten en Gallicanen 
wilden de kerkelijke b. beperken door te eischen, dat 
geen kerkelijke wet in een bepaald land zou gepubli- 
ceerd worden, zonder dat zij voorzien was van het 
koninklijk placet; verder door eiken Katholiek het 
recht toe te kennen zich in beroep te voorzien bij de 
burgerlijke overheid, wanneer hij door een kerkeiijke 
rechtbank veroordeeld was. Dat recht heette: jus 
appellationis ab abusu. Pius IX in den Syllabus en 
het Vaticaansch Concilie hebben die aanmatiging 
veroordeeld. 

L i t. : Maes, De Kerk van Christus (Antwerpen 

1929) ; Van Noort, De Ecclesia Christi. Maes. 

Bestuursorganen (N e d. Recht) zijn 
die organen, wier hoofdtaak bestaat in het verrichten 
van bestuurshandelingen, d.z. die handelingen, die 
niet bestaan in wetgeving of rechtspraak. In art. 157, 
lid 2 der grondwet wordt het complex van bestuurs- 
organen aangeduid als „administratieve macht”. 

Het geheel der bestuursorganen vormt in Ned. 
een zeer gedifferentieerd agglomeraat. Dit is mede het 
gevolg van de aanwezigheid binnen het territoir van 
het rijk van verschillende openbare lichamen met 
eigen bestuursorganen voor de eigen huishouding. 
Het rijksbestuur wordt niet uitsluitend door het 
reeds zeer omvangrijke apparaat van rijksbestuurs- 
organen uitgeoefend, doch hierbij wordt in belangrijke 
mate de medewerking van de bestuursorganen van 
andere openbare lichamen ingeroepen. 

L i t.: mr. dr. J. H. P. M. van der Grinten, De In- 
richting van het Bestuur, in Nederlandsch Bestuurs- 
recht (1932). Stoer. 

Bestuursrecht (België) of administratief 
recht, het samenstel der rechtsregelen, welke in het 
bestuur van toepassing zijn. Deze zijn zoo talrijk, 
zoo verscheiden, zoozeer aan voortdurende wijzigingen 
en hervormingen onderworpen, dat zij voor algemeene 
codificatie niet vatbaar schijnen. Het bestuursrecht 
kan genoemd worden de grondwet in uitwerking, ver- 
mits de bestuurswetten worden uitgevaardigd tot 
uitvoering van of ten minste in overeenstemming met 
de principes van do grondwet. Het bestuursrecht is 
veel minder volmaakt dan bijv. het privaatrecht, om- 
dat tot nog toe de administratieve rechtspraak slechts 
sporadisch aanwezig is, en omdat de gewone rechter, 
bij toepassing van het beginsel van de scheiding der 
machten, zich het recht ontzegt administratieve maat- 
regelen te vernietigen of af te keuren. De gewone 
wetgever zou zeer gepast de bevoegdheid van het 
Verbrekingshof in deze kunnen uitbreiden, bijzonder 


wanneer er machtsmisbruik en machtsoverschrijding 
van wege de bestuur lijke macht is gebeurd. In het 
algemeen geldt het hier gezegde zoowel voor Neder- 
land als België. > Rechtspraak ; > Geschillen 
van bestuur. 

L i t. : voor Nederland: Nederlandsch bestuurs- 
recht, bewerkt onder leiding van mrs. C. W. van 
der Pot, J. H. P. M. van der Grinten, R. Kranenburg, 
C. A. van Poelje en C. W. de Vries met bijstand van 
mr. Th. G. Donner. Voor België: K. Brants, De 
Staatsinrichting in België, Beginselen van grondwettelijk 
recht en van administratief recht (Brussel 1931). Boon. 

Bestuurstaal in de middeleeuwen. De 
bestuurstaal door het bestuur van een graafschap, een 
stad, een gilde gebruikt in keuren, rekeningen, ge- 
dingen enz. Zij bestond reeds zeker in akten uit de 
eerste helft der 13e eeuw, maar vertoont zich feitelijk 
eerst in Vlaanderen, omstreeks 1250 (Schepenenbrief 
van Boechout 1249; Rentebrief van Massemen, ca. 
1250). De taal der best verzorgde stukken (le soort), 
als die der keuren, welke vaak in kloosters opgesteld 
werden, steekt door haar dialectische kleur vaak 
merkbaar af tegen de litteraire taal (Jacobs, Het 
Westvlaamsch, 1928, 73, 10A); nog grooter is dit 
verschil echter in akten (rekeningen, correctieboeken), 
opgesteld door gewone stadsklerken (2e soort), en nog 
grooter afwijkingen vertoont de schrijftaal van onbe- 
holpen schrijvers, bijv. in gilderekeningen (3e soort). 
De studie van de laatste soort laat vooral toe de hand 
te leggen op staaltjes en juweeltjes van de eigenlijke 
Mnl. volkstaal. 

L i t. : Jacobs, Verslagen en Mcd. Kon. VI. Ac. (1922, 
485-489) ; Fl. Prims, O. C. (1933, 301-312). Jacobs. 

Bes-wier, Sargassum, een wier van de 
familie der Fucaceae, komt met 150 soorten het meest 
aan de Oost-Aziatische, Indische en Australische kus- 
ten voor. In den Atlantischen Oceaan komt S. vulgare 
veel voor, evenals in de Middeliandsche Zee, waar ook 
S. linifolium te vinden is. In de Sargasso-zee, een ge- 
deelte van den Atl. Oceaan ten W. van de Azoren tot 
bij de Oostkust van N. Amerika, wordt vooral S. 
bacciferum gevonden. Bonman . 

Bèta, > Biet. 

Bèta, de tweede letter van het Gr. alphabet: /?, 
B; als Gr. cijfer: 2. > Gymnasium. 

Betaalbaarstelling in het bankverkeer 
is de opdracht van een cliënt aan zijn bank om een 
bepaalden wissel of kwitantie ten vervaldage voor zijn 
rekening te betalen (> Domicilieeren). In het 
effectenverkeer verstaat men onder b. de 
publicatie, dat bepaalde coupons, dividendbewijzen 
of losbare stukken bij een bepaald betaalkantoor 
(meestal een bank) verzilverd kunnen worden. 

Huysmans. 

Betaalmeester, > Rijksbetaalmeester. 

Betaalmeester te velde (Ned.), ambtenaar 
van ’s Rijks schatkist, weid tot voor kort ingedeeld bij 
het leger te velde tot het verschaffen van gelden ten 
behoeve van de strijdende troepen. Thans wordt door 
eenige hoogere troepencommandanten een zgn. offi- 
cier-betaalmeester benoemd, die onder gewapend ge- 
leide de gelden voor de verschillende onderdeelen op 
een der kantoren van de Nederlandsche Bank gaat 
halen. De gelden worden door de Nederl. Bank be- 
schikbaar gesteld op assignatiën, aan de troepen- 
commandanten toegezonden. Waar mogelijk wordt 
gebruik gemaakt van den postchèque- en girodienst. 

v. Leeuwen. 

In België was betaalmeester te velde voor- 


793 


Betaïne — Bèta-stralen 


794 


heen de benaming van de administratie-officieren 
bij de troepenkorpsen. Aan het korps der admini- 
stratie-officieren wordt het beheer der militaire in- 
richtingen en der troepenkorpsen toevertrouwd. 
Vooraleer tot een dezer posten toegelaten te worden, 
moet de administratie-officier behoorlijk cautie stellen. 
De oudste in rang van de bij een korps aanwezige 
administratie-officieren neemt het ambt van thesau- 
rier waar. Als dusdanig beheert hij de gelden en is hij 
chef van het centraal administratiekantoor van het 
korps. Hij oefent ook toezicht uit over het admini- 
stratiekantoor der eenheden, waarvan een hem onder- 
geschikt administratie-officier de leiding heeft. In 
sommige gevallen kan de thesaurier beide ambten 
samenvoegen. V . Coppenolle. 

Betaïne komt voor in suikerbieten en hoopt zich 
bij de suikerbereiding in de melasse (3%) op. Het is 
een derivaat van trimethylglycocol met de samenstel- 
ling C 6 H 11 0 2 N. Kristalliseert in groote kleurlooze 
kristallen met één molecule water, ruikt naar muskus, 
smaakt verkoelend en is tegen chemische inwerking 
goed bestand. Physiologisch indifferent. 

Door behandeling met zoutzuur ontstaat het bè- 
ta ïnehydrochloride, dat als zgn. „vast zoutzuur” 
onder den naam > acidol in den handel komt. 

Hoogeveen. 

Betaling (Belg. Recht). In rechtskun- 
digen zin is b. het volbrengen van een verbintenis. 
In principe kan gelijk welke persoon, dus ook een derde, 
den schuldeischer voldoen. Een verbintenis om iets 
te doen kan echter door een derde niet voldaan wor- 
den tegen den wil van den schuldeischer, indien deze 
er belang bij heeft, dat de daad door den schuldenaar 
zelve verricht wordt. 

De betaling moet gedaan worden aan den schuld- 
eischer, of aan iemand, die volmacht van hem heeft, 
of die door den rechter of door de wet gemachtigd 
is om voor hem te ontvangen. Men kan dus betalen 
aan den schuldeischer, aan zijn vertegenwoordiger of 
aan zijn lasthebber. Wanneer men aan een anderen 
persoon betaalt, loopt men gevaar tweemaal te moeten 
betalen. Nochtans zijn er, bij uitzondering, enkele 
gevallen, waarin een betaling, die niet aan den schuld- 
eischer of diens lasthebber gedaan werd, niettemin 
den schuldenaar bevrijdt, namelijk: 1° wanneer de 
schuldeischer deze verkeerde betaling goedkeurt; 2° 
wanneer de schuldeischer door deze betaling werkelijk 
gebaat werd; 3° wanneer de betaling te goeder trouw 
gedaan werd aan den bezitter van de inschuld, d.w.z. 
aan den schijnbaren schuldeischer, dien de betaler 
alle reden had om als werkelijken schuldeischer aan 
te zien. 

Betaald moet worden hetgeen verschuldigd is; aan- 
vaardt de schuldeischer een andere zaak in betaling, 
dan is de schuld gedelgd door i n b e t a lin g- 
g e v i n g, door iets, dat in de plaats van de betaling 
gegeven wordt. 

Anderzijds moet de schuldeischer geen genoegen 
nemen met een gedeeltelijke b., alles moet ineens 
worden voldaan. De rechter kan nochtans, indien de 
schuldenaar ongelukkig en te goeder trouw is, hem 
zekere termijnen van respijt verleenen, om aldus zijn 
schuld bij wijze van afkortingen op gestelde termijnen 
te voldoen. 

De b. moet gedaan worden ter plaatse, die bij de 
overeenkomst bepaald is. Zwijgt de overeenkomst 
hierover, dan moet de schuld, die een bepaalde zaak 
tot voorwerp heeft, voldaan worden ter plaatse, waar 


deze zaak zich bij het aangaan der overeenkomst be- 
vond, terwijl de schuld, die vervangbare zaken, bijv. 
geld, tot voorwerp heeft, ter woonplaats van den schul- 
denaar betaalbaar is; schulden zijn dus in principe 
haalbaar en niet draagbaar. 

De kosten van de betaling zijn ten laste van 
den schuldenaar; deze kosten worden immers in zijn 
belang en tot zijn nut gedaan; dit is namelijk het 
geval met de kosten, die gedaan worden om de zaak 
op de plaats van levering te brengen, om het geld op 
te sturen, alsmede met de zegels, die voor de quitan- 
tie moeten gebruikt worden. De kosten van wegne- 
ming integendeel komen voor rekening van den schuld- 
eischer, w r ant, de zaak eenmaal afgeleverd, heeft de 
schuldenaar volledig aan zijn betalingsplicht voldaan. 

Kluyskens. 

Betalingsbalans, overzicht van de bedragen, 
welke in een bepaalde periode tusschen een bepaald 
land en het buitenland moeten worden verrekend. Op 
do actiefzijde woorden alle transacties opgesomd, welke 
tot betalingen van het buitenland aan het land in 
questie leiden, als goederenu itvoer, verleende diensten, 
ontvangen rente, dividenden en aflossingen op in het 
buitenland geïnvesteerde kapitalen, in het buitenland 
opgenomen gelden, verkochte effecten en geplaatste 
leeningen. Op de passiefzijde daarentegen worden alle 
transacties vermeld, w r elke tot betalingsverplichtin- 
gen aan het buitenland leiden, als goed eren invoeren, 
genoten diensten, te betalen rente, dividenden en 
aflossingen, in het buitenland gekochte effecten, 
verleende credieten of nieuw r geïnvesteerde kapitalen. 

Men noemt de b. actief, indien het land in questie 
gedurende een bepaalde periode meer van het buiten- 
land als betaling heeft te vorderen dan omgekeerd. 
In het tegenovergestelde geval spreekt men van pas- 
sieve betalingsbalans. 

De ontw r ikkeling van de b. is beslissend voor de be- 
weging van de wisselkoersen en daardoor in een iand 
met den gouden standaard ook voor den in- en export 
van goud. Voor Nederland wordt jaarlijks een b. 
gepubliceerd door het Centraal Bureau voorde Statis- 
tiek. Kaag. 

Bèta-Lyrae-sterren zijn sterren, waarbij men 
uit de periodieke veranderingen in de lichtsterkte 
kan besluiten, dat ze uit tw r ee om elkaar wentelende 
sterren bestaan, die elkaar periodiek verduisteren 
(eclipssterren). De eigenaardigheid van bèta-Lyrea- 
sterren bestaat hierin, dat ze door hun zeer kleinen 
onderlingen afstand en hun groote onderlinge aantrek- 
king een langgerekten vorm hebben, waardoor de 
schijnbare middellijn varieert en ook buiten de ver- 
duisteringen de lichtsterkte veranderlijk is. Meestal 
hebben ze een korte periode van 2 — 12 dagen; bij nog 
kortere perioden spreekt men van W Ursae Majoris- 
sterren. 

Bèta Lyrae is de eerst ontdekte van deze soort. 

Bruna. 

Bèta-mctaal, een tinlegeering, wrelke in verschil- 
lende hardheidsgraden in den handel gebracht wordt. 

Bèta-stralen, zeer kleine, negatief geladen 
deeltjes, zgn. electronen, die een buitengewoon groote 
snelheid bezitten. Zij ontstaan bij radio -actieve pro- 
cessen (> Radio-activiteit). Hun snelheid kan de 
lichtsnelheid zeer dicht benaderen. De natuur der b.-s. 
kon w r orden opgehelderd door meting van hun gedrag 
in een electrisch of een magnetisch veld. Kunstmatig 
opgewekte b.-s. met veel kleinere snelheid noemt men 
kathodestralen. ^Ausems. 


795 


Beteekening — Beteekenisverandering 


796 


p Bèta -stralen worden bij de geneeskundige toepas- 
sing van radium weinig gebruikt, daar zij een sterk 
caustische werking hebben; zij worden daarom door 
filters teruggehouden; voor de b.-s. met een lange 
golflengte is voor dit doel een filter van 2 mm alumi- 
nium voldoende, voor b.-s. met een korte golf- 
lengte wordt een filter van 0,5 mm platina vereischt. 

Heukensfeldt Jansen. 

Beteekening (N e d. en Belg. Recht) 
is kennisgeving door middel van deurwaardersexploit. 
Van de beteekende mededeeling wordt aan den persoon, 
voor wien zij bestemd is, of aan een zijner hnisgenooten, 
een afschrift overhandigd. Het doel der beteekening 
is vast te leggen, dat de bewuste mededeeling inder- 
daad gedaan is aan hem, die haar moest ontvangen. 
In die gevallen, waarin het voor iemand van belang 
is om te kunnen bewijzen , dat hij een ander een bepaalde 
mededeeling gedaan heeft — bijv. dal hij zijn schul- 
denaar in gebreke gesteld heeft — is het verstandig, 
dien ander deze mededeeling te laten beteekenen. 
In sommige gevallen schrijft de wet beteekening als 
wijze van kennisgeving voor: zoo bijv. ten aanzien 
van dagvaard ingen , van vonnissen en ten aanzien van 
de kennisgeving van de cessie eener vordering aan den 
debiteur. Witteman. 

In België mag, indien de deurwaarder in de 
woonplaats noch den persoon, noch een familielid, 
noch een dienstbode aan treft, de beteekening ook 
worden gedaan in de handen van een buurman, en, 
in dien deze weigert, in de handen van de gemeen te- 
overheid. Elke beteekening, die niet aan den belang- 
hebbenden persoon zelf gedaan wordt, moet in België 
onder besloten omslag geschieden. V . Dievoet. 

Beteekenis, in de psychologie, is een 
veelomstreden term. Bij een perceptie is b. al 
datgene, wat (buiten den vorm) ons de waarneming 
van een ding tot bewustzijn brengt. De behavioristen 
meenen, dat de b. slechts een ^ voorwaardelijke reflex 
zou zijn. 

Beteekenisdominant, de term in de 
semasiologie voor die beteekenis van het 
woord, die op de eerste plaats in het bewustzijn treedt 
en in alle woorden van een > beteekenisgroep wordt 
teruggevonden en gewoonlijk uit een heel scène-tje 
bestaat. 

Beteekenisgroep is in de semasiologie 
een groep van woorden, die alle dezelfde beteekenis 
hebben. Elk woord heeft daarnaast zijn eigen nuancen, 
die het een zelfstandig bestaan in de taal verzekeren. 
Zoo behooren bijv. zitten, zetel, zitting, zetten tot 
een beteekenisgroep; hun beteekenisdominant is de 
heele scène van een persoon, die gaat zitten. 

L i t. : J. Wils, Onze Taaltuin (I. 333). 

Betcckeniskaart is een taalkaart, waarop de 
gebieden van de beteekenissen van een gegeven w r oord 
of vorm of constructie staan aangeduid. Men kan nl. 
bij het in kaart brengen van een dialectverschijnsel 
volgens tw’ee methodes te werk gaan. 1° Men neemt 
een begrip, onderzoekt dit en stelt cartographisch 
voor, hoe dat in de taal wordt weergegeven. Bijv. men 
beschouwt het begrip: pakken in het Ned. taalgebied 
en ziet dat één gedeelte van Nederland pakken, een 
ander „krijgen”, een ander „langen” en w’cer een ander 
„vatten” heeft. Of men vindt, dat in Noord -Brabant 
voor het begrip „melk” het Westen „melk” of „molk”, 
het Oosten „roome” heeft. 2° Men kan echter ook van 
een bepaalde taaluiting, bijv. constructie of woord 
uitgaan, en zien, welke beteekenissen zich eraan vast- 


knoopen. Neemt men bijv. in tegenstelling met de 
eerste methode het w’oord melk of molk, dan w 7 ordt dit 
in West-Noord-Brabant voor zoete melk (of gewoon- 
weg: melk), in Oost-Noord-Brabant uitsluitend voor 
karnemelk gebruikt. 

Beteekeniskaarten bestaan er nog slechts zeer weinig. 
Kaarten, die bijv. de verschillende beteekenissen van 
een bepaalde syntactische eigenaardigheid of van een 
grammaticalen vorm weergeven, zijn er nog niet. 
Öok het aantal woord beteekeniskaarten is gering. 
Voorbeelden van w r oordbeteekeniskaarten: „Sülï” 

en „Lede” bij W. Pessler, Plattdeutscher Wortatlas 
von Nordw'estdeutschland (Hannover 1928); „Be- 
stand” bij Freiherr von Künnsberg in: Rechtsprach- 
geographie; Sitzber. der Heidelberger Akademie der 
Wissensch. (Phil. Hist. KI. 1926— ’27 le afl.). 

L i t. : W. Pessler, Atlas der Wortgeographie von 
Europa eino Notwendigkeit, in : Donum Natalicium 
Schrijnen, Durand Chartres (1929) : W Pessler, in 

Tcuthonista (1924, 9 en 19) ; J. v. Ginneken, Taalkaart 
(Pakken), Onze Taaltuin (I, 43). Weijnen. 

Beteekenisleer, > Semasiologie. 

Beteekenisverandning is een wijziging in 
den begripsinhoud van het woord. Er bestaat een 
zekere correlatie tusschen zaak en begrip; het woord is 
de tolk om dit begrip uit te drukken. Maar ieder mensch 
vormt zijn begrippen volgens eigen bevattingsvermo- 
gen en voorstel lingsspheer. Zoo worden door een woord 
eindeloos veel beteekenissen uitgedrukt, naar gelang 
van den persoon, die het w r oord gebruikt en de omstan- 
digheden. (In een woordenboek vindt men gewmonlijk 
slechts een algemeene beteekenis, die als grootste 
gemeene deeler uit alle bijzondere beteekenissen is 
geabstraheerd.) Zoo is het duidelijk, dat de woorden 
voortdurend van beteekenis veranderen. Het is de 
taak der semasiologie te bestudeeren, onder welke 
omstandigheden en volgens welke vaste beginselen 
die b. plaats heeft. Op verschillende manieren heeft 
men getracht de b. in systeem te brengen. Men begon 
met een logisch systeem, waarbij men sprak van 
verenging of uitbreiding der beteekenis. Verenging 
van beteekenis heeft men bijv. bij het woord „ooft”, 
dat vroeger alle vruchten omvatte, die boven den 
grond groeien, tegenwoordig alleen boomvruchten; 
verruiming van beteekenis bijv. in „schilderen”, 
dat vroeger alleen in de beteekenis van kleuren van 
wapenschilden werd gebruikt. Anderen volgden later 
een psychologische methode, die veel meer inzicht 
bracht. Zoo werd bijv. de factor van den gevoelstoon 
meer naar voren gebracht. Op deze wdjze is de b. te 
verklaren in woorden als „onnoozel”, dat vroeger 
onschuldig, onschadelijk beteekende en dat wij slechts 
in „Onnoozele Kinderen” met die beteekenis hebben 
bewaard. De gevoelstoon „simpel”, die er bijkwam, 
kreeg langzamerhand den boventoon. 

Nog anderen gingen uit van het beginsel, dat de 
taal een sociologisch verschijnsel is, waardoor meer 
de aandacht w’erd gevestigd op de volksgroepen, waarin 
een woord werd gebruikt. De kerkelijke taal bijv. levert 
hier zeer vele voorbeelden, waarvan redemptio, fidelis, 
doopen al zeer sprekend zijn. Het tijdschrift „Wörter 
und Sachen”. in 1909 voor het eerst verschenen, legt 
in deze laatste richting den nadruk op de studie der 
cultuurhisto ie in verband met de taal. 

I. i t. : J. v. Ginneken, Principes (1907) : id., Het 
gevoel in taal en woordkunst (1911-12); W. Wundt, 
Die Sprache (2 dln. 3 1911) ; H. Paul, Prinzipien ( 5 1920) ; 
M. Bréal, Essai de sémantique ( 5 1921) ; J. Vendrycs, 
Le Langage (1921) ; K. O. Erdmann, Die Bedeutung 


797 


Betekom — Bethaven 


798 


des Wortcs ( 3 1922) ; A. Waag, Bedeutungsentwicklung 
( 6 1926) ; G. Stern, Meaning and Change of Mcaning 
(1932); J. v. Ginneken, Onze Taaltuin (II, 170 vlgj. 

v. AJarmnjk. 

Brlrkom, gem. in Belg. Brabant aan den Demer, 
ten W. van Aarschot ; 3 000 inw. (Kath.); opp. 1 208 ha: 
landbouw. 

RHel, een narcotisch middel, dat terwille van de 
speekselontwikkeling gekauwd wordt. Het bestaat uit 
betelbladeren (Piper-soort), Areca-noten (Areca- 
soort) en gebrande kalk. Hierdoor worden deslijmhuid 
bruinrood en de tanden zwart gekleurd. In Zuid- 
Oost-Azië, Indonesië, Melanesië. 

L i t. : Lewin, Ober Areca und das Betelkauen (1889). 

HesUrmann. 

BolHfjiMisc, ook Alpha Orionis gehee- 
ten, de helderste ster van het sterrenbeeld Orion, is 
een roodachtige ster van de eerste grootte. De helder- 
heid is onregelmatig veranderlijk. Afstand 190 icht- 
jaren. Met den interferometer is van deze ster de schijn- 
bare middellijn gemeten, welke ook veranderlijk bleek 
te zijn. De ware middellijn is 210 tot 300 maal die 
van de zon. 

De beteekenis van het Arabische woord is niet 
geheel zeker, al Dzjauza = het sterrenbeeld Orion. 
Volgens Ideler komt de naam van Ibt al Dzjauza = 
Oksel van Orion. Bruna. 

Bclclpnlm (Areca Catechu), > Pinang. 

BclHphmt, Maleische mam sirih, Pi per 
B e t 1 e, ook betelpeper of alleen betel geheeten, 
familie der Peperachtigen (Piperaceeën), is een in 
Azië en Afrika voorkomende klimplant, waarvan de 
bladeren, vermengd met kalk en de vruchten van den 
Areca -pa lm, door de inwoners worden gekauwd. 

Botman. 

BHli (Hebr., = tent, huis, woning, plaats), 
1° naam der tweede letter van het Hebreeuwsche 
alphabet, correspondeerende aan onzen medeklinker 
b. 2° Vaak in samenstelling gebruikt om namen van 
steden en dorpen te vormen (bijv. Bethanië, Bethar- 
ram, Bethaven, Bethlehem), zooals het Fransche: 
ville (van het Latijnsche: villa = Romeinsch buiten- 
goed, waaromheen steden en dorpen ontstonden) 
deel uitmaakt van meerdere Fransche plaatsnamen. 

Br arts. 

Bel ha diaram (Beth Karem = Huis van den 
Wijngaard), bijb. plaats nabij Jenisalem, niet ver van 
Thecua (Jer. 6. 1). De H. Hierom mus heeft de juiste 
ligging waarsch. nog gekend. 

Bellianië, 1° Nieuw Testament ische plaats, 
waar Lazarus en zijn zusters Martha en Maria woon- 
den (Joh. 11, 1) en ook Simon „de Melaatsche” (Mt. 26, 
6; Mc. 14, 3). Christus kwam te B. om gezalfd te wor- 
den door Maria (Joh. 12, 1 — 3), hield van hieruit zijn 
intocht in Jcrusalem (Mc. 11, 1) en steeg er ten hemel 
na zijn verrijzenis (Lc. 24, 60). Volgens Mc. 11, 1 lag 
B. op den Olijfberg en volgens Joh. 11, 18 op 16 sta- 
diën (2 775 m) van Jenisalem, en moet derhalve 
gezocht worden boven op den Olijfberg, waar ook resten 
van een oude nederzetting zijn gevonden, een weinig 
dichter bij Jenisalem dan het huidige El- Azarije, 
zooals, door een verbastering van den Christ. Latijn- 
schen naam Lazarium, B. thans genoemd wordt. 
In El- Az. wordt het graf van Lazarus vereerd, het- 
geen volkomen overeenstemt met het feit, dat de doode 
niet binnen de stad mocht worden begraven. De 
H. Hierom mus zag daar een kerk ter eerevan Lazarus 
gebouwd. Het zgn. „slot van Lazarus” of „huis van 


Simon” en de resten van het „huis van Maria en 
Martha” zijn overblijfselen van een middeleeuwsch 
klooster. De beteekenis van den Hebr. naam B. is 
zeer omstreden (huis van droefheid, van ellende, 
van gehoorzaamheid, van dadels e.a.). 

2° Denzelfdennaam droeg de plaats over den Jordaan, 
waar Joannes de Boetgezant doopte (Joh. 1, 28), 
welker juiste ligging niet zeker is. De meest waarschijn- 
lijke identificatie is die met Ohirbet el-Medesj, 3 km 
ten N. van de huidige Allenbybrug, een knooppunt 
van vsch. wegen in Joannes’ tijd met belangrijke 
ruïnes. De Orthodoxen laten zich vaak doopen in den 
Jordaan nabij het Joannesklooster op enkele kilo- 
meters afstand van de Doode Zee. Sinwns . 

BHliimië, 1° Congregatie van Dominicanessen, 
werd gesticht 14 Aug. 1866 te F rasnes- Ie-Chateau in 
het bisdom Besan^on, door den Dominicaner pater 
Johannes-Joseph Lataste (1832 — 1869) en Moeder 
Ilenrica-Dominica (Victorine-Anna Berthier, 1822 — 
1907). 

Hoofddoel: de zedelijke verheffing van gevallen 
meisjes, door zusterlijke vereeniging voor het heele 
leven, want volgens de plannen van den stichter moe- 
ten de boetelingen geheel volwaardig zijde aan zijde 
naast de andere kloosterlingen staan, zonder dat zelfs 
het kleinste onderscheid zou herinneren aan haar 
verleden. Van deze Dominicaansche congregatie 
bestaan in Frankrijk behalve het moederhuis te Mont- 
ferrand nog dochterhuizen te V irv -Chat il Ion, La 
St. Baume, Ecommoy. In België bestaan twee kloos- 
ters: Sart-Risbart en Linth; in Nederland een te 
Venlo. V. Gestel. 

2° Gezelschap der Vrouwen van Bethanië, te 
Bloemendaal in 1919 gesticht door dr. Jac. van 
Ginneken. Doel: het terugbrengen tot God van moderne 
ongedoopten in beschaafde werelddeelen. Naast 
contemplatieve leden staan catechisten, die in de 
Reinildahuizen werken. Orgaan: „Bethanië”. Zij 
hebben ook missiewerk op Java gehad, waar zij haar 
aandacht speciaal wilden schenken aan de opheffing 
van de lnheemsche vrouw. de Haas. 

BHhsiruhai (= Huis der Woestijn), bijb. plaats 
op de grens van Juda en Benjamin nabij Jericho (Jos. 
15. 6, 61; 18. 22). 

Bel ha run (Beth Haram = Huis der Hoogte; 
ook Ramatha en Betharamphtha genoemd), bijb. 
stad in Transjordanië, door de Israëlieten veroverd 
op de Amorrheeën en den stam van Gad toegewezen 
(Num, 32, 36; Jos. 15, 17). B. werd later door Herodes 
Antipas versterkt tegen de invallen der woestijn- 
bewoners en ter eere van keizer Augustus’ echtgenoot© 
Ju lias of Livias genoemd. Thans Teil er Rame ten 
N.W. der Doode Zee. Simons. 

Bell) Alltel, een stad, waarvan de verwoesting 
door den profeet Osee (Hebr. 10. 14) als schrikwekkend 
voorbeeld aan het zondige Israël wordt voorgesteld. 
Welke stad in den overigens ook onzekeren tekst 
bedoeld is, staat niet vast. 

Brlhnvcn (Beth Awen = Huis van Ongerechtig- 
heid), bijb. plaats in Palestina, volgens 1 Reg. 13, 5 
ten W. van Michmas, niet ver van Bethel, met welke 
laatste plaats zij volgens Jos. 18. 12 vlg. niet identiek 
schijnt te zijn. Andere teksten (vlg. Os. 10, 6) en de 
vertaling der Zeventig doen echter vermoeden, dat 
„Huis van Ongerechtigheid” slechts een verachtelijke 
naamsverandering was voor Bethel („Huis Gods”), 
waar Jeroboam immers een gouden kalf deed ver- 
eeren (3 Reg. 12, 25 vlg.). De „woestijn van B” 


799 


Bethbessen — Beth Hagla 


800 


(Jos. 18, 12) is een gedeelte van de woestijn van Juda 
tusschen Bethel en het Jordaandal. Sirnons. 

Bethbessen (Bethbassi e.a.), bijb. plaats in de 
woestijn van Juda, vermeld in de oorlogen der Maccha- 
beeën (1 Mac. 9. 64), wellicht = Chirbct Beit Bassa 
ten Z.O. van Bethlehem. 

Beth Dagon (Huis van Dagon), behalve bijb. 
benaming van den tempel van Dagon in Azotus 
n Mac. 10, 83; vlg. 1 Sm. 5, 1—5), de naam van 
2 bijb. plaatsen. B. in het gebied van Juda (Jos. 15, 
41) lag (indien de lezing juist is) in de Sjefela. Waarsch. 
= Beth Dedsjan, halverwege Lydda en Jaffa. Van B. 
in het gebied van Aser (Jos. 19, 27) is de ligging onbe- 
kend. Simons. 

Bethe, E r i c h, Duitsch klassiek philoloog, 
* 1863 te Stettin, hoogleeraar te Rostock, Bazel, 
Gieszen en, van 1906 af, te Leipzig- sinds 1933 emeritus. 
Bestudeerde inzonderheid de Grieksche heldensage, 
het Grieksche epos en de tragedie: Thebanische 
Heldenlieder (1891); Prolegomena zur Geschichte 
des Theaters im Altertum (1896); zijn hoofdwerken 
zijn: Homer, Dichtung und Sage (1914), Die Odyssee, 
der Kyklos, Zeitbestimmung (1922) en Die Sage vom 
Troischen Kriege (1927). Verder een critische uitgave 
van Pollux’ Onomasticon (2 dln. 1900 — 1931). 

Bethel, bijb. plaats in Palestina, die volgens alle 
aanwijzingen van de H. Schrift en van Eusebius’ Ono- 
masticon, evenals vol- 
gens de resultaten van een 
voorloopig archeologisch 
onderzoek, gelegen heeft 
bij het huidige Beitin, 
ca. 17 km ten N. van 
Jerusalem, rechts van den 
weg naar Sichem. Reeds 
Abraham had bij B. zijn 
tent opgeslagen en scheid- 
de zich daar van Lot(Gen. 
12 en 13). De plaats ont- 
ving haar naam, die 
„Huis Gods” beteekent, 
van Jacob na het visioen 
der hemelladder (Gen. 
28, 19; zie echter > Luz.) 
Volgens Jos. 18, 22 viel 
B. bij de verovering van 
Canaan aan Benjamin ten 
deel, doch volgens andere 
teksten was zij zeker 
langeren tijd in het bezit 
der Ephraïmieten. In de 
Isr. geschiedenis is B. be- 
kend door het verhaal van 
Debbora (Jud. 4, 5), die 
in de nabijheid dezer 
plaats recht sprak; door 
het tijdelijk verblijf van 
de Ark des Verbonds 
(Jud. 20) en door de werk- 
zaamheid van Samuel, 
onder wien B. een bede- 
vaartsplaats werd voor 
heel Israël. Om die rede- 
De weg, dien lAbraham volgde nen stichtte de opstan- 
( dubbele lijn;. <Jige j ero boam daar een 

heiligdom voor de vereering van een gouden kalf (3 Reg. 
12, 15 vlg.), waarom de profeet Osee later haar naam 
veranderde in > Bethaven, d. i. Huis van Ongerechtig- 


heid (Os. 10. 5). Ten tijde van Elias en Eliseus woon- 
den er de „jongeren der profeten”. Waarsch. werd B. 
tegelijk met Samaria door de Assyriërs verwoest ( Jer. 48, 
13), doch later herbouwd (4 Reg. 17,28). Na de balling- 
schap opnieuw bewoond, was B. in den tijd der Macclia- 
beeën een versterkte plaats, die in den Joodschen oorlog 
ook nog door Vespanianus (68 n. Chr.) werd ingeno- 
men. De H. Hiëronymus spreekt van een kerk, in B. 
gebouwd, ter herinnering aan het visioen van Jacob. 
In de 12e eeuw bouwden de kruisvaarders er een 
kerk, waarvan de mines nog zichtbaar zijn. De belang- 
rijke plaats wacht nog op een systematisch archeolo- 
gisch onderzoek. Simons. 

BetheJ, > Zetten. 

Bethennabris, » Beth Nemra. 

Bether, » Bittir. 

Bethesda (Huis van Barmhartigheid), 1° volgens 
Joh. 5, 2 vlg. naam van een „vijver met 5 zuilen- 
gangen” nabij Jerusalem, niet ver van de 
Schaapspoort. De juiste lezing van den naam is on- 
zeker. Onwaarschijnlijk is de lezing Bethsaida; 
mogelijk echter, behalve B., de vorm Bethzata of 
Bezatha. Hier genas Christus op een sabbat den man, 
die 38 jaar lam was geweest, waarvoor Hij door de 
Joden werd achtervolgd (Joh. 5). 

De vijver van B th< sda met vier portieken in een 
rechthoek en één in het midden, zooals reeds Cyrillus 
van Jerusalem (4e eeuw) hem had beschreven, is 
sinds 1871 met groote waarschijnlijkheid teruggevon- 
den bij het klooster van Sint Anna (Paters van Lavi- 
gérie) te Jerusalem. 

L i t. : C. Mommert, Der Teich Bethsaida (sic !) zu 
Jerus. (Leipzig 1907). Simons . 

2° Verblijfplaats van de melaatschen van de 
Protestantsche gemeenten van Suriname, onder 
leiding van de Moravische Broeders, bij (Groot-) 
Chatillon; 87 verpleegden. 

Ook veelvuldig de naam van ziekenhuizen e.d. 

3° Stadje in W a 1 e s (53° 12' N., 4° 3' W.), 
met groote leigroeven. 

Bethgabris of Bethogabra, > Beit 
Dzjibrin. 

Bethge, Hans, Duitsch dichter en bemiddelaar 
van de Oostersche letterkunden. * 9 Jan. 1876 te 
Dessau. Zijn veel herdrukte Deutsche Lyrik seit 
Liliencron (D905) droeg aanzienlijk bij tot bekend- 
making van de moderne Duitsche lyriek. 

Werken: Die stillen lnseln (1898) ; Die Feste der 
Jugend (1901) ; Die Chinesische Flöte (1907) ; Saiten- 
spiel (1909) ; Lieder an eine Kunstreiterin (1910) ; Hafis 
(1910) * Japanischer Frühling (19111 ; Die indische Harfe 
(1913) ; Die armeDische Nachtigall (1924) ; Aegyptische 
Reise (1925) ; Die Treulose (1927). Baur. 

Beth Hagan (Tuinhuis), bijb. plaats in Palestina, 
waarheen Ochozias vluchtte voor Jehu (4 Reg. 9, 27; 
Vulgata: domus horti), gewoonlijk geïdentificeerd met 
Engannim (1), een stad in het gebied van Issachar 
(Jos. 19, 21), later toegewezen aan de levieten-afstam- 
melingen van Gerson (Jos. 31, 6). Volgens een late 
overlevering zou Christus hier de 10 melaatschen 
genezen hebben (Lc. 17, 12-19). Thans Dzjenin, een 
welvarend dorp van ca. 3 000 inw. aan den Zuidrand 
der vlakte van Esdrelon tusschen Nazareth en Nabloes. 

Simons. 

Beth Hagta (Beth Chogla = Patrijzenhuis), 
bijb. plaats op de grens van Juda en Benjamin (Jos. 
15. 6 e.a.) ten Z.O. van Jericho, thans ruïnes bij Kasr 
Hadzjl aan den Jordaan. 



BEURONER KUNST 




BEURSGEBOUWEN 



Interieur in de Koopmans- en Schippersbeurs te Amsterdam. Architect dr. H. P. Berlage. 



„Wallstreet", de ingang der effectenbeurs te New York. 


Effectenbeurs te Amsterdam. Architect ir. Jos. Cuypers. 


Beurs te Berlijn. 




801 


Bethjesimoth — Bethlehem 


802 


Bethjesimoth (Huis der Wildernis), bijb. plaats 
in het Jordaandal (Trans jord.), waar de Israëlieten 
kampeerden vóór hun overtocht van den Jordaan(Num. 
33 , 49). B. werd veroverd op Sehon, den koning der 
Amorrheeën (Jos. 12. 3) en bij het gebied van Ephraïm 
gevoegd (Jos. 13, 20). Thans waarsch. Chirbet Soe- 
weime. Simons. 

Bethlehem (zie plaat t/o kolom 673), ter onder- 
scheiding van het minder belangrijke B. in Zabulon 
(Jos. 19, 6) soms B. in Juda genoemd (Jud. 17, 7 e.a.), 
is een bijb. plaats in Palestina, zoowel in het Oude als 
in het Nieuwe Testament van bijzondere beteekenis. 
De oude en gebruikelijke verklaring van den naam als 
„huis des broods” is niet meer dan waarschijnlijk. B., 
thans Beit Lahm, in den bijb. tijd niet méér dan een 
dorp, klein „onder de hoofdplaatsen van Juda” (vgl. 
Midi. 6, 2 en Mt. 2, 6) en volgens het getuigenis van 
een kroniekschrijver ook in de middeleeuwen niet 
méér dan één straat, is thans een stadje van ca. 7 000 
inw., waarvan ca. de helft Kath. is. Sinds de verwoes- 
ting van het stadsdeel der Mohammedanen door 
Ibrahim Pasja in 1834 zijn dezen in B. onbeteekenend 
in getal en bezitten er slechts een enkele kleine moskee. 
Gr ieksch -orthodoxen zijn er ong. 3 000. 

B. ligt 9 km Zuidwaarts van Jerusalem aan den 
alouden weg naar Hebron en is gebouwd op twee 
heuvels, welke door een kort zadel verbonden zijn 
(31° 44' N., 35° 13' O., 777 m boven den spiegel der 
Middellandsche Zee). Naast landbouw en veeteelt 
is de vervaardiging van religieuze artikelen een belang- 
rijk bestaansmiddel. Het ophouden van den pelgrims- 
stroom, bijz. uit Rusland, heeft na den wereldoorlog 
de welvaart van het stadje grootendeels vernietigd 
en de emigratie der bevolking, vooral naar Zuid- 
Amerika, versterkt. 

B. wordt in de H. Schrift het eerst vermeld onder 
den naam Ephrata als de plaats, waar Jacob zijn 
vrouw Rachel begroef (Gen. 35, 19). Door de Israë- 
lieten veroverd, werd B. bij het gebied van Juda inge- 
deeld (Jos. 16, 60 Septuag.) en het eerst bewoond door 
de familie van Salma, daarom de „vader v. B.” 
genoemd (1 Par. 2, 61). Booz en Ruth woonden in B., 
evenals hun zoon Obed en hun kleinzoon Isai, de 
vader van David (vgl. het boek Ruth), die er tot koning 
gezalfd werd door Samuel (1 Reg. 16). 

Overigens wordt B. nog slechts in het voorbijgaan 
in het Oude Test. vermeld (2 Reg. 23, 14; 2 Par. 
11, 6; Esdr. 2, 21 e.a.). De grootste roem van B. is 
echter, dat in de volheid der tijden de Messias daar 
geboren werd in een herdersgrot, omdat er voor zijn 
ouders geen plaats was in de herberg (Lc. 2). De heilig- 
dommen van B., die aan deze en daarmee samenhan- 
gende gebeurtenissen herinneren, zijn talrijk. Het voor- 
naamste daarvan is de Geboorte -Grot, gelegen onder 
de Basiliek der Geboorte, door de H. Helena het eerst 
opgericht. Weinig heiligdommen van Palestina kunnen 
wijzen op een zoo oude en zekere overlevering als de 
Geboorte-Grot van B. De basiliek, wier geschiedenis 
wij door de middeleeuwen heen tot op onzen tijd kun- 
nen volgen, is thans in handen van Latijnen, Grieken 
en Armeniërs. In de onmiddellijke nabijheid liggen 
o.a. de zgn. „kapel van den H. Joseph”, de grot der 
Onnoozele Kinderen, en het eveneens onderaardsche 
oratorium van den H. Hiëronymus, die hier lange 
iaren in gebed en studie doorbracht en er zijn eerste 
begraafplaats had. Zijn leerlinge, de H. Paula, stichtte 
in B. twee kloosters. Op grooteren afstand ligt het 
„huis van S. Joseph”, waar volgens een overlevering 



Plattegrond der Kerk 
der Geboorte te 
Bethlehem (4e eeuw). 


de H. Familie na de geboorte van Jesus eenigen tijd 
zou hebben gewoond. Sinds de 4e eeuw wijst men 
buiten B. het „veld der herders” (Lc. 2. 8 vlg.) aan, 
ten tijde der kruisvaarders vereenzelvigd met het 
„veld van Booz” (vgl. Ruth 2), 2 km ten O. van B. 

L i t. : Vin cent- Abel, Bethléem. Le Sanctuaire de la 
Nativité (Parijs 1914). Simons . 

Geboortekerk van Bethlehem. Deze blijft tot in 
onze dagen een voorbeeld van primitieve Christelijke 
architectuur. Niettegenstaande de leelijke ombouwing 
is toch het oorspronkelijke plan nog goed zichtbaar. 

Vanuit den smallen Narthex 
komt men door drie deuren 
(waarvan twee dichtgemet- 
seld) in de basiliek, welke 
door vier rijen van 6 m hooge, 
lichtroode witdooraderde 
marmeren zuilen in 6 schepen 
verdeeld wordt. De zuilen 
zijn bekroond met wit mar- 
meren Korinthische kapi- 
teelen. Op de kapiteelen 
rust een houten architraaf, 
dat in het middenschip de 
9 m hooge muren en in de 
zijschepen de dwarsbalken 
draagt. Aan de Oostzijde 
van het transept komen de 
vijf schepen weer te voor- 
schijn en loopen tot aan de 
koorabsis door. Vanuit 
het koor leiden twee trappen naar de crypte 
(12 x 3 x 4 m), waar zich in een absis het 
betrekkelijk kleine Geboorte-altaar bevindt. Daar- 
naast in een ondiepe nis het kleine kribbekapellctje, 
en daartegenover een altaar ter herinnering aan de 
Aanbidding der Wijzen. Vanaf de gewelfde zoldering 
hangen 63 lampen voor het Geboorte-altaar, deels 
van de Latijnsche, deels van de Grieksche en de 
Armeensche communiteit. In de crypte bevinden zich 
nog de Sint Josephkapel, de kapel der Onnoozele 
Kinderen en de Grafkapel (of Oratorium) van den 
II. Hiëronymus (ong. 6e eeuw). Tegenover de meening 
van Weigand, Baumstark e.a., dat de tegenwoordige 
bouw geheel beantwoordt aan het grondplan uit don 
tijd van keizer Constantijn (330), staat de theorie van 
de Dominicanen Vincent en Abel, dat het Constan- 
tijnsche plan niet gehandhaafd bleef, doch dat eerst 
onder Justin ianus (527 — 565) het dwarsschip (met 
prothesis en diaconicon) en de afsluitende triconchos 
werden toegevoegd. Volgens deze laatste theorie zou 
de oorspronkelijke bouw afgesloten zijn door een 
enkele groote halve -cirkelvormige absis, terwijl de 
eerste meening steunt op de overeenkomst van bouw- 
deelen (kapiteelen, zuilen, architraven enz.) uit het 
dwarsschip en den triconchos met die van de lengte - 
schepen. Onder de overheersching der Latijnen (ong. 
1160) werden de wanden met mozaïek versierd. Deze 
mozaïeken zijn nu verloren, maar de beschrijving 
van hun voorstellingen (uit het Oude Testament, het 
leven van Jesus en van de eerste Christenheid) is ons 
overgeleverd door den geleerden Franciscaan Quaresmi 
(Elucidatio Terrae Sanctae, 1616). Na de herovering 
door Saladijn (1187) werd door toedoen van den 
bisschop van Salisbury, Hubert Walter (1192), de 
Latijnsche ritus in het heiligdom hersteld tegen een 
jaarlijksche schatting. Even later werd den Francis- 
canen de hoede der Basiliek opgedragen. Veel is door 


iv 26 


803 


Bethlehem — Bethlen 


804 


hen (met name door de gardiaans Girardo Calveti 
en Giovanni Tomicelli, einde 16e eeuw) voor haar 
onderhoud en herstel gedaan. Sinds de 16e eeuw 
beginnen de onverkwikkelijke twisten tusschen de 
Franciscanen en de Grieken om het bezit der kerk. 
De Porte was nu eens deze, dan weer gene communiteit 
genegen, naar gelang haar politiek dat VToeg. Op 
21 April 1873 deden de Grieken een inval in de basiliek, 
doodden 8 Minderbroeders en verwoestten de kribbe- 
kanel. Nog dikwijls herhaalden zich dergclijke over- 
vallen, zij het ook minder bloedig; de laatste had 
plaats 6 Juni 1928. De kribbe, oorspronkelijk van leem, 
werd ten tijde van Iliëronymus door een zilveren ver- 
vangen. Volgens een latere overlevering heeft er een 
houten kribbe bestaan, die met reliquieën van de 
Onnoozele Kinderen en van den H. Iliëronymus naar 
Rome in de Liberiaansche Basiliek (sindsdien Sancta 
Maria ad praesepe geheeten) werd overgebracht. 
Het tegenwoordig Franciscanenklooster met de 
Sint Catharinakerk staan w T aarsch. op de plaats van 
het vroegere klooster der vrome vrouwen, die onder 
de H. Paula met Iliëronymus in B. verbleven. 

Lit.':} Schultz, The Church of the Nativity of B. 
(1910); Weigand, Die Geburtskirche von B. (1911); IJ. Vin- 
cent en F. M. Abel, B. Le Sanctuaire de la Naüvité (1914); 
Baldi, La questione dei Luoghi Santi (1919, 30-58); 
Dict. d’Archéol. chrét. et de Liturgie (II, kol. 828-837). 

Knipring. 

Bethlehem , fabrieksstad in den N. Amer. staat 
Pennsylvania (40° 40' N., 76° 27' W.), gedrapeerd op 
de heuvelen, die zich langs beide oevers van de Lehigh- 
rivier uitstrekken. 67 892 inw. (1930). Spoorw^egkruis- 
punt aan de Lehighrivier en het Lehigh Coal and 
Navigation Company-kanaal. Hoofdzetcl van de 
Bethlehem Steel Corporation, waarvan de ijzer- en 
staal-, de cokes- en machinefabrieken een lengte 
van 6 km langs de rivier bezetten. Ook de zijdc- 
industrie is er van belang (werkgelegenheid voor de 
vrouwen, terwijl de mannen in de zw r aarindustrie 
arbeiden). Zetel van de Lehigh University, in 1930 
1 669 studenten. Polspoel. 

Bethlehem, 1° een bij Oudkerk (Friesl.) door 
den Norbertijner abt, den Zal. Fredericus, ca. 1176 
gestichte Norbertinessen -proosdij; in de 16e eeuw 
opgeheven. 

2° (Ook: B i e 1 h e m) voormalig klooster bij 
Doetinchem, ca. 1180 gesticht dooreen zekeren Franco 
op verzoek van Hendrik van Nassau, graaf van Gelro 
en Zutphen. In den aanvang een klein houten bedehuis, 
gebruikt door kluizenaars, werd het weldra door tal- 
rijke schenkingen en privilegiën een rijk en beroemd 
klooster van reguliere kanunniken, levende volgens 
den regel van Sint Augustinus. Een poging tot aan- 
sluiting bij de Duitsche orde mislukte. Bemard van 
Vollenhove stelde in 1309 een nieuwe stichting te 
Zwolle onder de hoede van Bethlehem. Dit afhanke- 
lijke klooster w r ordt gcw T oonlijk ook Bethlehem. 
soms St. Laurentiusklooster genoemd. Toen in 1430 
het kapittel van Neusz, waartoe B. sedert 1423 behoor- 
de, zich aansloot bij Windesheim, handhaafde B. 
zich als onafhankelijk convent. De troebelen van den 
80-jarigen oorlog deden de kloosterlingen de wijk 
nemen naar Emmerik. Van het klooster zijn de fun- 
damenten nog aan te wijzen. 

L i t. : W. L. Bouwmeester, Het klooster Bethlehem 
bij Doetinchem (diss. 1903) ; F. Ketner, De oudste 
oorkonden van het klooster Bethlehem bij Doetinchem 
(diss. 1932). J. v. Rooij . 

3° Voormalig Kartuizerklooster te Roermond. 


Het werd in 1376 gesticht en is in 1783 bij keizerlijk 
besluit van Joseph II opgeheven. In zijn gebouwen 
is thans het groot-seminarie van het bisdom Roer- 
mond gevestigd. Bekende priors zijn o.m. geweest 
Hcndi ik van Kalkar. Albertus Buer (f 1439) cn Bartho- 
lomeus van Maastricht (f1446). Van 1420 tot 1471 
leefde hier de vermaarde > Dionysius de Kartuizer. 
23 Juli 1672 zijn 12 monniken en broeders van het 
convent door Staatscho troepen vermoord. 

L i t. : II. J. J. Scholtens, Een Boek over Kartuizers 
(Roermond 1924). Scholtens . 

4° (Ook : St. Barbara-proosdij) Nor- 
bertinessen -klooster in Den Haag; gerechtshof van 
den inquisiteur-generaal der Nederlanden; in 1676 
opgeheven. 

5° Franciscanessen -klooster te Haren bij Megen, 
gesticht 1601, het eenige klooster der Reguliere 
Derde Orde van den H. Franciscus in Nederland, 
dagteekenend van voor de Hervorming. 

Bit.: dr. Titus Brandsma, O. Carm.. Stichting, ver- 
woesting en wederopbouw van het Franciscanessen- 
klooster „Bethleëm” te Haren bij Megen, Bossche ^Bij- 
dragen (I 1918, 268-353). 

Bethlehemsclie Kindermoord, > Onnoo- 
zele Kinderen. 

Bethlen, 1° Gabor (= Gabriel), vorst van 
Zevenburgen en koning van Hongarije; * 1580, f 1629; 
van een oud-Ilongaarsch adeli. geslacht, dat de heer- 
schappij in Zevenburgen had gekregen cn Calvinis- 
tisch was gewerden. In 1619, bij het begin van den 
dertigjarigen oorlog, trad hij op als bondgenoot der 
Bohcemsche Protestanten cn rukte op tegen Weenen, 
om de opvolging van Ferdinand II en het intreden 
der Contra -Reformatie te beletten. In 1620 liet hij 
zich kiezen tot koning van Hongarije; tot vrede ge- 
bracht, behield hij echter zijn vijandschap tegen de 
Katholieke Habsburgers, bleef in verstandhouding 
met de Duitsche Protestanten en stierf in de voorbe- 
reiding van nieuwen strijd. Zijn broeder Stephan 
volgde hem op. 

L i t. : Gindely, B. Gabor und sein Hof (1890) ; 

Redlich, Gesch. Oesterreichs (V 1920). v . Gorkom. 

2° Graaf Step h anus, Ilong. staatsman, 
* 1874; in 1901 gehuwd met do schrijfster gravin 
Margaretha Bethlen, 1901 lid van het Huis van 
Afgevaardigden. Oorspr. behoorend tot de Liberale 
Partij ging hij in 1904 over tot de Onafhankelijkheids- 
partij, die hij in 1917 verliet, omdat zij onder K&rolyi 
radicaal begon te worden. Begin 1919 ijvert hij, als 
voorzitter van den Raad van Seklcrs, voor het behoud 
van Transsylvanië on tracht tot de oprichting van een 
conservatief blok te komen. Tijdens de Sovjet-regee- 
ring is B. te Weenen, waar hij de tegenrevolutie orga- 
niseert en optreedt als diplomatiek agent van de 
tegen rejgeering te Szcged. Treedt bij de vredesonder- 
handeling van Neuilly en Trianon als Transsyl- 
vanisch deskundige van de Hong. delegatie op. 
1921 — ’31 minister-president. 

Zijn binnenlandsche politiek w r as 
gericht op de consolidatie. Om ongestoord te kunnen 
werken trok hij in zijn „Eenheidspartij” een parlemen- 
taire meerderheid samen. Stabiliseerde de kroon met 
behulp van een volkcnbondslecning. Een agrarische 
henrorming werd, vooral ten behoeve van oud-front- 
strijders, doorgevoerd. De cultureele hervormingen 
werden uitgevoerd door > Klebelsberg, de sociale 
door mgr. > Yass. 

Door zijn buitenlandsche politiek 


805 


Beth Maacha— Bethsan 


806 


bevrijdde hij Hong. uit zijn isolement. Hij sloot een 
vriendschap?- en arbitrage verdrag met Italië, breidde 
voorts de vriendschapsbetrekkingen uit met Turkije, 
Engeland, Oostenrijk, Duitschland. Door zijn meest- 
begunstigingsverdragen o.a. met Tsiecho-Slowakije, 
Oostenrijk, Folen, Duitschland, Italië, Frankrijk was 
de liandelsbalans eenigon tijd actief. Sivirsky. 

Bclh Maacha, > Abel Beth Maacha. 

Bcllimann-Hollwecj ♦ 1° M o r i t z August 
v o n, Duitsch rechtsgeleerde en staatsman; * 1795 
te Frankfort a. d. Main, f 1877 op Rheineck bij Ander- 
nach. Was achtereenvolgens hoogleeraar te Berlijn 
en Bonn; van 1858 — 1852 minister van Eeredienst. 
In 1840 in den adelstand verheven. 

Belangrijkste werk: Der Zivüprozess des 
gemeinen Rechts in geschichtlicher Entwicklung (6 dln.) 

2°Theobald von, Duitsch staatsman, 

* 23 Sept. 1856 te ITohenfinow, f 2 Jan. 1921. Uit een 
familie van ambtenaren gesproten, trad hij, na zijn 
studiën in de rechten voleindigd te hebben, in dienst 
van den Pruis, staat; in 1905 Pruis. min. van Binnenl. 
Zaken, in 1907 staatssecretaris van Binnenl. Zaken 
van het Rijk. Na het ontslag van den minder volg- 
zamen von Bülow, in 1909, werd hij tot rijkskanselier 
verkozen. Zijn streven, vriendschappelijke nabuur- 
schap met Engeland en de onzijdigheid van dit land 
te bewerken, stuitte op groote moeilijkheden ten 
gevolge van de vlootkwestie, het optreden van admi- 
raal von Tirpitz en van den keizer. Door zijn weifelende 
houding tegenover Oostenrijk in Juli 1914 en zijn 
onhandig optreden o.m. tegenover de schending der 
Belgische neutraliteit, werd hij door zijn buitenland- 
sche vijanden beschuldigd het uitbreken van den 
oorlog niet belet te hebben. Als gekant tegen verscherp- 
ten duikbootenoorlog werd hij door von Tirpitz en 
andere imperialisten ten val gebracht 13 Juli 1917. 

Werken: Betrachtungen zum Wcltkricg{2 dln. 1919); 
Kriegsreden (uitg. F. Thimmo 1919). Cosemans . 

Bcllmal Green, wijk in het East End van 
Londen. 

Bclh Neinra (misschien «= Huis van helder 
water), bijb. plaats in het gebied van den stam Gad, 
veroverd op Selion, den koning der Amorrheeën 
(Num. 32, 36; Jos. 13, 27). Waarschijnlijk het huidige 
Teil Nimrin ten N.O. van de Doodo Zee, in den 
Grieksch-Rom. tijd Bethennabris genoemd. 

Simons, 

Bctlioron (Beth Choron = Huis van den Bergpas), 
bijb. dubbelstad (Boven- en Beneden-B.) in het gebied 
van Ephraïm (Jos. 16, 3. 5) en aan de levieten van het 
geslacht Caath toegewezen (Jos. 21, 22). Hierheen 
vervolgde Josuë de verslagen troepen van den koning 
van Jerusalcm en zijn verbondenen, terwijl het „groote 
steenen” op hen regende (Jos. 10, 10. 11). Ook later 
was B. vaak het tooneel van strijd, daar het een voor- 
namen toegang van de kustvlakte naar het binnenland 
beheerschto (vgl. 1 Reg. 13, 18; 1 Mac. 16, 24 e.a.). 
Salomon (3 Reg. 9, 17) en later Bacchides (1 Mac. 
9, 60) versterkten de stad. Thans Beit 'Oer el-Foka 
en Beit 'Oer el-Tachta. Simons. 

Beth Palet (Vluch thuis), bijb. plaats in het Z. 
van Palestina (Jos. 15.27; Neh. 11.26). Opgravingen 
(vanaf 1927 W. M. Flinders Petrie) doen vermoeden, 
dat Teil Fari' de ruines bevat van B. 

L i t. : W. M. Flinders Petrie, Beth .Palet. (I Londen 
1930; II 1932). 

Bclhphnge (Vijgenhuis), Nieuw-Testamentischc 
plaats op den Olijfberg, vanwaar Christus zijn leer- 


lingen zond naar Jerusalem om het muildier te halen 
voor zijn intocht (Mt. 21.1). B. lag zóó dicht bij Jeru- 
salem, dat het door den talmoed als één daarmee 
wordt beschouwd. Het huidige B. bewaart overblijf- 
selen van een traditie uit de 12e eeuw, doch het bijb. 
B. is misschien hooger op den Olijfberg te zoeken. 

Simons. 

Bclh Phocjor (Beth Peor = Huis van Peor; vgl. 
Baal Peor), bijb. plaats in het gebied van Ruben (Jos. 
13.20) van onzekere ligging (Trans jordanië.). 

Beth Recliob, > Rohob. 

Betlisabcc, vrouw van Urias, werd door David 
tot echtbreuk verleid. Nadat Urias door David’s 
schuld in den oorlog gevallen was, werd B. door den 
koning tot vrouw genomen. Het uit de echtbreuk 
geboren kind stierf spoedig na de geboorte, maar B. 
schonk David nog vier zonen, waaronder Salomon. 
Zij wist van David te verkrijgen, dat Salomon tot 
troonopvolger gekozen en gezalfd werd. Keulers. 

Bctksaida (Vischhuis), Nicuw-Tcstamentische 
plaatsnaam, die in het Evangelie meerdere malen 
vermeld wordt. Er is veel gestreden over de vraag, 
of B. over den Jordaan ten N.O. van het meer van 
Genesareth (sinds den herbouw door den tetrarch 
Philippus Bethsaida Julias genoemd), waar Christus 
minstens éénmaal de brooden - vermenigvuldigde 
(Mc.6,48) en een lamme genas (Mc.7,22), al dan niet 
identiek is met „B. van Galilea”, waaruit de apostel 
Philippus afkomstig was (Joh. 12,21) en, daar zij 
Galileeërs waren uit B., ook Petrus en Andreas (vgl. 
Joh. 1,44). In alle geval pleit Mc.6 sterk voor een 
dubbel B., doch de profane geschiedschrijvers en de 
Christ. oudheid kennen er slechts één. Eerst sinds 
de kruisvaarders wijst men B. aan de Westkust van 
het meer van Genesareth aan. De ligging van B. Julias 
daarentegen is zeker nabij Mesad ijeh op korten afstand 
van de Jordaanmonding. Zie ook > Betkesda. 

Simons. 

Bcthsamcs (Beth Sjcmesj «= Huis der Zon), 
naam van meerdere bijb. plaatsen. B. in het gebied 
van Ncphthali (Jos.19,38) en B. in het gebied van 
Issachar (Jos.19,22) zijn van weinig beteekenis. Te B. 
in Juda, thans 'A in Sjems (= Bron der Zon) aan den 
spoorweg Jerusalem — Jaffa, kwam de ark des yer- 
bonds op haren terugtocht uit het land der Philistijnen 
(1 Reg. 6). Koning Amazias van Jerusalem werd nabij 
deze plaats verslagen door Jehu van Israël (4 Reg. 
14,11). De in 1911 daar begonnen opgravingen 
(Duncan Mackenzie) zijn na den oorlog hervat en nog 
niet voltooid (E. Grant). Over de chronologie der oude 
vesting, die, door haar ligging bijzonder blootgesteld 
aan Egyptische en Aegeïsche invloeden, een veel bewo- 
gen geschiedenis heeft gehad, heerscht nog verschil 
van meening. 

L i t. : Pal. Explor. Fund, Annual (I 1911 ; II 1912 — 
’13) ; E. Grant, Beth Shemesh. Progr*ss of the Haverford 
Arch. Expedition (Haverford, Amerika, 1929) ; id., Ain 
Shcms Excavations (Haverford 1931— 1 '32). Simons. 

Bethsan (Beth Sjean), oude stad in Palestina 
in den Oosthoek van de vlakte van Esdrelon, op gerin- 
gen afstand van den Jordaan. De beteekenis van den 
naam B., niet zelden vertaald als „huis van rust, 
veiligheid” is nog onzeker. Een deel van het huidige 
„Beisan” (ca. 3 000 inw., waarvan 1 700 Mohamm.) 
aan den spoorweg Ilaifa — Damascus, bedekt de oude 
nederzetting, waarvan echter zeer belangrijke ruïnes 
zijn blootgelegd in den Teil el-llosn, gelegen tusschen 
het huidige dorp en de rivier Dzjaloed. Aan den ande- 


807 


Beth Sjan — Beton 


808 


ren eever is tevens de necropool der oude stad ontdekt. 
De bijb. berichten ovei B. zijn betrekkelijk schaarsch. 
De Israëlieten konden in den aanvang de sterke ves- 
ting niet veroveren op de Cananeeën met hun „ijzeren 
wagens” (Jos.17,11; Jud. 1,27). De Philistijnen hingen 
het lijk van Saul op aan den muur van B. (1 Reg. 
31,10), blijkbaar in dien tijd in hun macht. Eerst met 
de overwinning van David op de Philistijnen moet B. 
in handen der Israëlieten zijn gekomen (vgl. 3 Reg. 
4,12). Daarna wordt de stad eerst in den Macchabeeën- 
tijd weer vermeld (1 Mac. 12,40). De bronnen der pro- 
fane geschiedenis echter en de resultaten der zeer 
belangrijke opgravingen van den jongsten tijd (C. S. 
Fisher 1921— ’23; A. Rowe 1926— ’28; G. M. Fitzge- 
rald 1928) veroorloven een veel vollediger beeld van de 
geschiedenis der befaamde Jordaanvesting. Van de 
negen opeenvolgende strata, die thans in de ruïnes 
van Teil el-Hosn zijn blootgelegd, dateerend vanaf 
1500 v. Chr. tot op den modernen tijd, zijn vooral de 
oudste bijz. merkwaardig om de overblijfselen van 
een sterken Egyptischen invloed en de resten van vier 
Canan. tempels (vgl. ook 1 Reg. 31,10 en 1 Par. 10,10). 
In den Griekschen en Romeinschen tijd wordt B. 
Scythopolis of 2xv&a>v jioXtg genoemd, hetgeen ech- 
ter niet zeker een gevolg is van de invasie der Scythen 
in Palestina (ca. 625 v. Chr.), doch wellicht slechts een 
verbastering van onbekenden oorsprong. Na den 
herbouw door Gabinius werd B. weer een zeer belang- 
rijke stad, de voornaamste der Decapolis. Het Christen- 
dom drong er reeds zeer vroeg binnen, zoodat onder 
Decius en Diocletianus talrijke martelaren er den dood 
stierven. Patrophilus, bisschop van Scythopolis, was 
tegenwoordig op het Concilie van Nicea in 325. De 
pelgrims uit het Byzantijnsche tijdperk, evenals Arab. 
geschiedschrijvers blijven B. vermelden in hun annalen. 

L i t. : A. Rowe, The Topography and History of 
Beth-Shan (Philadelphia 1930) ; G. M. Fitzgerald, The 
four Canaanite Temples of Beth-Shan (ibid. 1930) : id., 
Beth-Shan. Excavations (1921 — ’23, ibid. 1931). Simons. 

Beth Sjan, Beth Sjean, > Bethsan. 

Beth Sjemcsj, > Bethsames. 

Bethsur (Huis der Rots), bijb. plaats in Palestina 
aan den huidigen weg van Jerusalem naar Hebron. 
Bij het gebied van Juda ingelijfd (Jos.13.58) werd B. 
door Roboam later versterkt (2 Par. 11.7). In den 
Macchabeeëntijd was B. een strategische post van be- 
teekenis door Joden en Syriërs met afwisselend succes 
omstreden (vgl. 1 Mac. 4.6,7.; Mac. 11 en 13). Het 
huidige Beit Soer met resten van oude Arab. bouw- 
werken ligt in de nabijheid van de bijb. stad, thans 
Chirbet et-Rabeiqah, waar opgravingen begonnen 
zijn in 1930. Simons. 

Bcthulia, bijb. plaats, de geboorteplaats van 
Judith, door Holofernes belegerd (Judith 7 en vlg.). 
De juiste ligging (niet ver van Dothain) is onbekend. 

Béthune, arr. hoofdstad van het Fransche dept. 
Pas de Calais (50° 32' N., 2° 38' O.), 19 956 inw. (1931). 
Moerassig gebied, veel steenkool. Handelsplaats, 
linnenbleekerij ; suikerraffinaderij . 

B. ligt in het oude Artes ië, waarnaar Robert III 
van Vlaanderen heette. In 1487 leed Maximiliaan hier 
een geduchte nederlaag tegen de Franschen, wat aan- 
leiding tot nieuwe woelingen der Vlamingen werd. 

Bethzacharam (Bethzacharia = Huis van 
Zacharias), bijb. plaats in Palestina, waar Judas de 
Macchabeeër een onbeslisten slag leverde tegen de 
Syriërs (1 Mac. 6.32 vlg.). Thans Beit Zakaria, 18 km 
ten Z. van Jerusalem. 


Bcthzata, > Bethesda. 

Bcthzeeha (of Bezet h), bijb. plaats in Pales- 
tina, vermeld in de oorlogen der Macchabeeën (1 Mac. 
7.19). De meest waarschijnlijke identificatie is Beit 
Zeita, 5 km ten N. van Bethsur. 

Betimmering, in hout uitgevoerde afwerking 
van vertrekken, wanden en onderdeelen. Men onder- 
scheidt kamer-, kast-, kozijn- en wandbetimmeringen. 
De constructies moeten zóó gemaakt worden, dat het 
hout vrij kan krimpen zonder dat naden ontstaan ofwel 
zoo dat deze naden niet hinderen. Bij kostbare b. 
wordt het hout onzichtbaar bevestigd door verdekte 
vernageling. 

Ventilatie achter wand-b. is gewenscht. Groote 
vlakken in paneelen worden veel van triplex gemaakt. 

Tkunnissen. 

Beting, zwaar houten of ijzeren juk, in gebruik 
op sleepbooten, ter bevestiging van den sleeptros. 
Bestaande uit: twee verticale palen, de zgn. beting- 
stijlen, aan de bovenzijde verbonden door een dwars- 
balk, den betingbalk. 

Betjocnen beteekent in Friesland: beheksen, 
betooveren. 

Beton, een mengsel van mortel en toeslagmateria- 
len, waarvoor meestal grind en steenslag wordt ge- 
bruikt, ook wel hoogovenslakken of bimsslakken 
uit het Eifelgebied; men spreekt dan van slakken- 
of bimsbeton. Ter verkrijging van bijzonder 
hard b. wordt vijlsel van ijzer of staal toegevoegd, 
bijv. voor vloeren in fabrieken; dit is zgn. s t a al- 
fa e t o n. De mortel moet na een bindings- cn ver- 
hardingsproces met het toeslagmateriaal een vast en 
zoo dicht moge lijk geheel vormen. Naar gelang van 
het bindmiddel in de mortel spreekt men van ce- 
ment-, tras- of kalktrasbeton. De 
mengingsverhouding der grondstoffen voor het maken 
van b. werd tot vóór enkele jaren door de bouwmeesters 
telkens ingevolge de uitkomsten van bijzondere proef- 
nemingen voor elk geval afzonderlijk bepaald. Het 
doel van derge lijke proefnemingen was, een zoodanige 
samenstelling van het zand en het toeslagmateriaal 
te bepalen, waarvoor het beton de grootste drukvast- 
heid bleek te bezitten. Door de uitgebreide en veel 
omvattende nasporingen in de Ver. St. van N. Amerika 
en de systematische proefnemingen der Europeesche 
proefstations voor het onderzoek van (bouwmateria- 
len is in de laatste jaren op dit speciale gebied voor de 
behoeften der practische bouwkunde een hooge graad 
van volmaaktheid bereikt. Door het vaststellen van 
de grootte der zeefmazen wordt tegenwoordig een 
bepaalde korre lgrootte van het zand voorgeschreven. 
Door toepassing van bijzondere toestellen (schudtafels 
en dgl.) is men er in geslaagd een maatstaf voor de 
consistentie (stijfheid) der betonmassa te vinden. Als 
gevolg van deze beproevingsmethoden is men thans 
in staat de gelijkmatige samenstelling van het b. voor 
een geheel bouwwerk te verzekeren en mislukkingen 
bij de uitvoering te voorkomen. Naarmate de verschil- 
lende doeleinden varieert de mengverhouding van 
cement, steenslag (^rind) en zand, terwijl voorts de 
gebezigde hoeveelheid water van invloed is op de vast- 
heid van het b. Men onderscheidt in hoofdzaak: 
stampbeton, dat een consistentie heeft van 
vochtige tuinaarde en bij groote werken niet veel meer 
wordt toegepast wegens het hooge arbeidsloon; voorts 
gietbeton met een consistentie als van dunne 
brij , dat meer en meer gebruikt wordt wegens het gemak 
waarmede het, door het aanwenden van storttorens. 


m 


Betonbouw 


810 


goten en andere mechanische hulpmiddelen, kan 
worden bereid, en vervolgens het zgn. plastisch 
beton, met een consistentie, welke tusschen 
die der beide vorige in ligt en een drukvastheid, weinig 
verschillende van die van het eerstgenoemde. Door een 
bepaalde mengingsverhouding kan de consistentie 
zoodanig worden gemaakt, dat het b. onder luchtdruk 
kan worden gespoten of geperst. Dit laatste vindt bijv. 
toepassing om losse steenlagen bij tunnelbouw’ vast te 
zetten. Vette b. bevat meer, magere b. 
minder cement dan met de normale mengingsverhou- 
ding overeenkomt. 

De bestandheid van b. tegen atmospheri- 
sche en andere invloeden is voornamelijk van belang 
ten opzichte van zuren, welke echter niet alle schade- 
lijk zijn. Zoo is bijv. alleen vrij koolzuur agressief, 
doch in gebonden toestand niet. Bovendien wordt door 
de aantasting dikwijls een huid op het b. gevormd, 
waardoor dit verder voor invreten wordt beschermd. 
In het algemeen is het wenschelijk een zoo dicht 
moge lijk b. samen te stellen en dit bovendien nog door 
bestrijken met mastiek en dgl. verder te beschermen. 
Zwavelzuur, zwavel igzuur en zwavelwaterstof tasten 
het b. sterk aan, daar zij de aanwezige vrije kalk in 
gips omzetten; als voorbehoedmiddel daartegen 
wordt tras aan het b. toegevoegd. Voorts moet nog, 
vooral in de veenstreken, gerekend worden op aan- 
tasting door humuszuren, welke echter slechts zeer 
verdund in het veenwater voorkomen. Ook de in het 
zeewater aanwezige stoffen, natriumchloride, magne- 
siumchloride en natriumsulfaat, tasten het b. in min 
of meer sterke mate aan en wel door de omzetting van 
de vrije kalk, zoodat het van belang is deze te binden 
door toevoeging van tras. Bovendien zal men in alle 
gevallen moeten zorgen, dat de schadelijke stoffen 
niet met het b. in aanraking kunnen komen, voordat 
dit voldoende verhard is. 

B. was al in de oudheid bekend. Vele Romeinsche 
bouwwerken bestaan uit muren van b. Tot bindmiddel 
dienden kalk,puzzolane(Vesuvius)en tras. P. Bongaerts. 

Betonbouw. I. Technisch. Onder b. verstaat 
men bouwwerken, welke geheel of wat de belangrijkste 
dragende of ondersteunende construct iedeelen betreft, 
van b. of gewapend beton (gew. b.) zijn vervaardigd. 
Deze wijze van bouwen dankt haar snelle ontwikke- 
ling en haar toepassing in alle takken van het bouw- 
bedrijf aan de groote voordcelen van het materiaal, 
de absolute vuurbestendigheid, het groote aanpassings- 
vermogen met betrekking tot de architecturale vormen 
zoowel als in verband met de optredende uit- en in- 
wendige spanningen, den volkomen samenhang der 
constructiedeelen, welke een gelijkmatige verdeeling 
der lasten over groote vlakken en het opnemen van 
krachtige schokken veroorlooft, de mogelijkheid van 
een snelle en goedkoope uitvoering, een groote duur- 
zaamheid en geringe kosten voor het onderhoud van 
het tot stand gekomen bouwwerk. Daar tegenover 
staan als nadeelen het tamelijk groote doorlatings- 
vermogen voor geluid, de geringe bewerkbaarheid, 
voorts het ontstaan van scheuren, het optreden van 
vochtigheid en koude in van b. of gew. b. vervaardigde 
gebouwen, de geringe mogelijkheid om in een eenmaal 
gereedgekomen bouwwerk veranderingen aan te 
brengen, doch deze nadeelen kunnen door geschikte 
middelen (isolatie door middel van luchtlagen, 
spouwen, of wel kurkp laten, opvulling met cokes of 
hoogovenslakken, toevoeging van bitumineuse stoffen, 
bekleeding met linoleum op kurkestrik, anderzijds 


met behulp van snijbranders, pneumatische beitels, 
enz.) verholpen worden. Door het gebruik van geschik- 
te machines voor het mengen van het b. en het bewer- 
ken van het voor het gew. b. benoodigde ijzer kan een 
groote besparing van tijd verkregen worden, zoodat in 
vele gevallen van een ononderbroken werkwijze 
gesproken kan worden, vooral bij toepassing van 
> betonmengmachines, betonmolens, schudgoten, 
giettorens, transportbanden en betonpompen. 

Werken in b. en gew. b. worden op velerlei gebied 
uitgevoerd en behalve bij den > woningbouw ook bij 
fundeerings- en waterbouwkundige werken voor 
sluizen, bassins voor verschillende doeleinden, fundee- 
ringsplaten en heipalen, steunmuren, stuwen, open en 
gesloten kanalen, enz. Bij den > bruggenbouw worden 
plaat- en vakwerkbogen, gewelfde platen, balk- en 
boogvakwerkbruggen toegepast. 

De samenwerking tusschen ingenieur en architect 
heeft geleid tot een zich aan de bijzondere eigenschap- 
en van b. en gew. b. aanpassende uitvoering der 
ouwwerken, aan een eigen stijl, welke geen naboot- 
sing is van de uit andere materialen (hout, baksteen, 
ijzer) vervaardigde werken. Op deze wijze ontstonden 
bouwwerken, welke kunstproducten zijn, die niet 
behoeven onder te doen voor de beste monumentale 
bouwwerken uit vroegeren tijd, ten gevolge van het 
feit, dat zij door hun strakke lijnen zoowel als vlakken- 
behandeling in overeenstemming zijn met het materiaal 
en zijn constructieve eigenschappen. Dit is de oorzaak, 
dat deze wijze van bouwen in het korte tijdsbestek van 
enkele tientallen van jaren een groot succes geworden 
is en overal toepassing heeft gevonden. P. Bongaerts. 

Gewapend- betonconstructies worden tegenwoordig 
in de meest verschillende soorten toegepast, waarbij 
de volgende hoofdvormen onderscheiden worden: 
platen, balkconstructies,balklooze vloeren (mushroom- 
systeem van Turner), kolommen en palenconstructies. 

” Voor al deze vormen gelden, wat de sanienstelling 
betreft, bepaalde eischen, welke hier niet alle kunnen 
worden vermeld. 

Alleen ten opzichte van de mushroom- 
construct ie, welke meer en meer toepassing 
vindt, moge worden vermeld, dat daarbij alle balken 
vervallen en de vlakke doorgaande vloeren recht- 
streeks op de kolommen rusten. De wapeningen 
gaan in vier richtingen evenwijdig aan alle verbin- 
dingslijnen der kolommen, wier kapiteelen door 
middel van radiale en ringbewapening het scheuren 
tegengaan en de buigingsmomenten opvangen. Behalve 
goedkooper dan een constructie met balken biedt het 
systeem van Turner nog het voordeel van een grooter 
vrije hoogte, waardoor bij gelijke bouwhoogte de nuttige 
ruimte aanzienlijk (tot i.5%) grooter is. P. Bongaerts. 

II. Ac8thetisch. Betonbouw vertoont de karak- 
teristieke kenmerken van de monolietische bouwwijze. 
Steunpunt en overspanning gaan zonder bevestigings- 
deel in elkaar over. Bij gewapend b. verricht het ijzer 
de functie van de ons bekende ijzerconstructies, het 
beton houdt deze op hun plaats, conserveert ze en 
neemt evenals steenenmateriaal „druk” op. Nu eens, 
bijv. bij wanden, zal het steenachtige karakter, dan 
weer, bij vloeren en uitstekende balcons, de dragende 
functie als bij ijzerconstructie naar voren treden. 
Bij groote overspanningen komt vooral door het eigen 
gewicht de steenachtige oorsprong in de vormgeving 
tot uitdrukking, men ontwerpt dan geen vlakke 
balken, doch bogen en gewelven, welke meestal flau- 
wer gebogen zijn dan bij steen. B. wordt meestal in 


811 


Betonbuizen — Betonmortel 


812 


(houten) vormen gegoten; soms in ijzeren en gipsen vor- 
men, soms met ornament voorzien, waardoor mogelijk- 
heden ontstaan voor aesthetische werkingen. De kleur 
van b. is grauw, daarom wordt beton meestal gepleis- 
terd of bekleed met andere materialen, ofwel met 
metaalzouten gekleurd. Thunnissen. 



Gewapend-betonbrug over het in aanleg zijnde Twente- 
kanaal, gelegen in den weg Lochcm-Laren. Gebouwd 
onder directie van den Rijkswaterstaat. 


L i t. : Baubücher No. 5, uitgave Julius Hoffman 
(1928) ; Julius Vischer en Ludwig Hilberscimer, Beton 
als Gestaltcr; Bekroond antwoord van ir. H. F. Zwiers 
op een prijsvraag in het Bouwk. Weekblad (1933, 29). 



Betonkerk te Raincy (Fr.). Arch. gebr. Perrct. 


III. Liturgisch. Beton mag bij kerkbouw gebezigd 
worden, en een kerk erin opgetrokken, kan gewijd 


worden, wanneer in de binnenzijde der wanden aan- 
wezig zijn 12 met een kruis gemerkte natuursteenen, 
en ook de posten der ingangsdeur van natuursteen zijn. 

Betoiibuizen dienen tot ondergrondsche voort- 
leiding van vloeistoffen. Zij worden in tweeërlei 
vorm toegepast, namelijk rond en eivormig. Voor 
beide soorten zijn door do Hoofdcomm. v. d. Normali- 
satie in Nederland normale afmetingen en keurings- 
eischen vastgestcld (Normaalbladen N 70, N 71 en 
N 70); eerstgenoemde varieeren van 15 tot 150 cm 
doorlaat, laatstgenoemde van 30/45 (wijdte en hoogte) 
tot 100/150 cm doorlaat. Het verdient aanbeveling 
de eivormige b. toe te passen, daar bij een verminderde 
vloeistof hoeveelheid daarin de vloeistofsnelheid niet 
onevenredig afneemt, zooals in de ronde het geval is, 
terwijl bij een bepaalde doorsnede met een smaller 
bouwsleuf kan worden volstaan. > Rioleering. 

P. Bongaerts . 

Betonconstructies, > Betonbouw (1). 

Bef oiiyrind moet blijven liggen op een zeef van 
2,25 mazen per cm 2 cn niet grooter zijn dan 60 mm. 

Betonica, Betonie, ook wel Stachys offi- 
c i n a 1 i s geheeten, behoort tot de familie der 



lipbloemigen (Labiatae). Vroeger werd aan b. genees- 
kracht toegeschreven voor 40 kwalen; is thans in de 
apotheek nog bekend als Herba Beton icae. 

Betonmolen, toestel tot het bereiden van beton. 
In den trommel worden de bestanddeelen van het 
beton met water vermengd. 

Betonmortel wordt onderscheiden in cement-, 
kalk- en trasmortel en wel naar gelang van het doel, 
waartoe zij moet dienen. Wanneer gebroken baksteen 
(brikken) in plaats van steenslag of grind wordt 
gebezigd, is de vastheid van het beton minder groot. 
De bindtijd is afhankelijk van de temperatuur, daar 
de koude het binden vertraagt. Vorst werkt schadelijk 
op het nog niet voldoende gebonden beton; zoo noodig 
kan bij vriezend weer een snelbindend cement 
gebezigd worden. p, Bongaerts . 


814 


Betonning en bebakcning— Betriebsrftte, Betriebsrategesetz 


Betonning cn bebakcning (s c h o e p y.) 

is van rijkswege geregeld, o.a. door de wet tot regeling 
van het bakenwezen op openbare wateren en door het 
reglement voor den bakendienst. Op de rivieren wordt 
de vaargeul aangegeven door > bolbaken. De aan- 
wezigheid van kribben, strekdammen of van andere 
werken, die bij hoogere rivierstanden onder water 
kunnen geraken, wordt aangegeven door bleesbaken, 
ruitbaken c i raambaken. Soms worden op gevaarlijke 
punten gedurende den nacht geleidclichten aange- 
bracht. Plaatselijke ondiepten en zandbanken worden 
aangegeven door boeien en bakentonnen. J . ten Brink. 

Bctonstortcn. Zooals onder > beton vermeld 
is, onderscheidt men in hoofdzaak 3 soorten van beton, 
nl. stampbeton, plastisch en gietbeton. liet eerst- 
genoemde bevat het minste water en daardoor moet 
tijdens het storten voortdurend gestampt worden, 
opdat alle lucht kan ontwijken en de ruimten tusschen 
den steenslag of het grind geheel met mortel worden 
aangevuld, waardoor men een compact geheel ver- 
krijgt. Dientengevolge is het werkloon hoog en zal 
men liever plastisch beton toepassen, waarvan de 
consistentie minder vast is en dat zich derhalve 
gemakkelijker laat behandelen; echter moet ook hierbij 
door stooten het vormen van holten en luchtbellen 
worden tegengegaan. Daarom is het gietbeton uit een 
oogpunt van gemakkelijker behandeling te^ verkiezen 
en het wordt dan ook bij groote werken vrijwel alge- 
meen toegepast, daar het door middel van storttorens 
en goten op de plaats van bestemming gebracht 
kan worden en niet zulk een zorgvuldige behandeling 
vergt. Echter moet men ervoor zorgen, dat de helling 
van de goten niet te gering en ook niet te groot is; 
in het eerste geval loopt het water vooruit en blijven 
de vaste bestanddeelen achter, in het laatste zal de 
toeslag (steenslag of grind) vooruitloopen en het beton 
dus ontmengd worden. 

Een eerste vereischte is dat het gietbeton niet zeer 
waterrijk is. Bij het b. in water moet vetter mortel 
gebruikt worden dan in de lucht; in stroomend water 
kan men niet storten, daar dan het cement weggespoeld 
wordt; daarom zorgt men door afdamming, dat het 
water niet in beweging is tot het beton voldoende 
gebonden is. Ook bij vorst mag niet gestort worden, 
tenzij met gebruikmaking van voorgewarmd water 
(mortel) en snelbindcnd cement, of met toeslag van zout. 
Wanneer door de afmetingen van het te storten beton- 
lichaam het ontstaan van stortvoegen niet te vermijden 
is, zorgt men ervoor, dat zij verspringend komen te 
liggen op plaatsen waar de minste spanningen optreden. 
Bij het storten tegen reeds bestaand beton moet men 
dit eerst > aanbranden. 

Ten einde te voorkomen dat het beton uitdroogt 
alvorens te binden, zal men het zoo lang mogclijk 
vochtig houden, hetzij door geregelde besproeiing, 
hetzij door bedekken met natte zakken, nat zand of 
dergelijke. . . 

Het beton wordt gestort in ^bekistingen, 
de houten constructies, die overeenkomen met den 
te maken vorm van het bouwwerk en waarin het beton 
wordt gestampt of gegoten. Hèt weghalen van de 
bekisting noemt men ontkisten of ontcenteren. 

P. Bongaerts. 

Beton toeslagen. Een eerste vereischte voor de 
vorming van goed beton is, dat de holten in den toeslag, 
d.i. grind of steenslag, door de mortel niet alleen 
worden opgevuld, doch dat er bovendien nog een 
overschot aan mortel is. 


Men verkrijgt een dicht beton, wanneer de hoeveel- 
heid mortel ongeveer 20% grooter is dan het volume 
der holten. De voordeeligste grootte van grind en 
steenslag is die, welke niet meer dan 50 mm en niet 
minder dan 6 mm bedraagt. Voor waterdicht werk 
moet een b. van niet meer dan 20 mm gebruikt worden. 
Wegens de goedkoopte is grind of kiezel tc verkiezen 
boven steenslag, omdat dit laatste meer holle ruimten 

bevat. . 

De algemeen gebruikelijke verhouding van 2:1 
voor toeslag en zand kan benut worden bij toeslagen 
met maximaal 36% holten (grind of steenslag van 
verschillende grootten dooreen); bij grof steenslag 
(tot 50% holten) moet naar verhouding meer mortel 
gebruikt worden. P- Bongaerts . 

Betontraliewaflens zijn houten kruiwagens 
voor vervoer van beton; zij onderscheiden zich van de 
gewone kruiwagens voor ' grond vervoer, doordat zij 
een bodem en kop van ijzeren spijlen hebben. 
Betonwegen, > Bestrating, > Wegen. 
Betonijzer is rond staafijzer (vloenjzer) met een 
trekvastheid van 38-48 en een drukvastheid van 14-16 

kg /mm*. . , ... 

Be touw, Jo hannes in de, geschied- en 
oudheidkundige; * 1732, f 1820, lid van het stads- 
bestuur te Nijmegen; voortzetter van de „Cromjk 
van de oude stad Nijmegen” van Smetius; deed kleinere 
studiën over Nijmeegsche geschiedenis en oudheden 
verschijnen op naam van zijn zoon G. C. in de Betouw. 
Zijn collectie Romeinsche oudheden is voor een 
belangrijk deel aangekocht door het museum te Leiden; 
zijn handschriften en boeken vermaakte hij aan de 
Leidsche universiteits-bibliotheek. In Nijmegen is 
een straat naar hem genoemd. 

Betrapping, > Heeterdaad. 

Betrekkelijk of relatief (Lat. refero = 
terugbrengen) is wat men kan terugbrengen tot iets 
anders, waarmee het al dan niet in een afhankelijk- 
heidsbetrekking staat. > Volstrekt. 

Betrekkelijke vochtigheid van de lucht, 
> Vochtigheid van de lucht. 

Betrekkelijk voornaamwoord, > Rela- 
tivum. 

Bctrckkingsschaal eener wederkee- 
rige reeks, > Wederkecrige reeks. 
Betrckkingswaan, > Waandenkbeelden. 
Betriebsrale, Betriebsrategesetz. Reeds 
voor het einde van den Wereldoorlog had Duitschland 
zijn toevlucht genomen tot de medewerking der 
arbeidersorganisaties nl. bij het Gesetz über den va- 
terlandischen Hilfsdienst (1916). Daarin werd o.a. 
bepaald, dat er in alle voor dezen Hilfsdienst werk- 
zame ondernemingen (Betrieb = onderneming.;, 
welke meer dan vijftig arbeiders telden, bepaalde 
kernen zouden zijn. Vooral bij geschillen tusschen 
werkgever en arbeiders zouden die kernen optreden. 

Na^ de revolutie van 1918 werd op deze regeling 
voortgebouwd. Reeds bij twintig man in de onder- 
neming zou een kern worden gevormd, zoowel bij 
publiek- als privaatrechtelijke ondernemingen. De 
taak van de kern werd uitgebreid. Zij zou de belangen 
van arbeiders en bedienden tegenover den werkgever 
behartigen en een taak hebben bij de uitvoering van 
de collectieve arbeidscontracten. 

Naar het voorbeeld van Rusland waren in den 
revolutietijd Betriebsrate gevormd en de grondgedachte 
daarvan werd neergelegd in het Betriebsrategesetz 
van 1920. De Ausschüsse of kernen van 1916 werden nu 


815 


Betrokkene — Bettinelli 


816 


Betriebsrate, die in het geheele bedrijfsleven in alle 
ondernemingen met ten minste twintig arbeiders en 
bedienden zouden worden opgericht. Bijzonderheden 
o.a. voor het landbouwbedrijf en kleinere onder- 
nemingen blijven hier buiten beschouwing. 

De bevoegdheden van den Betriebsrat zijn veel 
grooter dan van de vroegere Ausschüsse. De bedoeling 
is, dat het nieuwe lichaam in de onderneming den 
werkgever steunt bij zijn behartiging van het doel 
der onderneming. De Betriebsrat moet ervoor zorgen, 
dat de onderneming zoo economisch mogelijk wordt 
geleid, en meewerken aan het totstandbrengen van 
nieuwe arbeidsmethodes. Bij het aannemen en ontslaan 
van personeel heeft de Betriebsrat een gewichtige 
taak; verder natuurlijk weer bij geschillen en bij de 
uitvoering van het collectief arbeidscontract. De 
werkgever moet inzage geven van de loonboeken en 
elk kwartaal aan den Betriebsrat verslag uitbrengen 
over den toestand der onderneming. In naamlooze 
vennootschappen benoemt de Betriebsrat zelfs leden 
in het college van commissarissen. Op het terrein van 
de vakvereenigingen mag de Betriebsrat niet komen. 

Er is veel verschil van meening over de vraag, hoe 
deze Betriebsrate hebben gewerkt. De omstandigheden 
van Duitschland op economisch gebied zijn zeer zeker 
niet gunstig geweest voor een zuivere proefneming. 
Daarnaast staat, dat de verkeerde keuze: onderneming 
en niet: bedrijf, als grondslag van een nieuwe ordening 
van het bedrijfsleven, met de daarbij noodzakelijke 
conflicten tusschen de Betriebsrate en de leiding der 
vakvereenigingen, niet kon doen vernachten, dat 
belangrijke resultaten zouden worden verkregen. 
Met het Hitler-regime in Duitschland is deze geheele 
regeling wel van de baan te achten. 

Pogingen in ons land om in de richting van Betriebs- 
rate te gaan, moesten na de stappen tot bedrijfs- 
organisatie (bedrijfsradenstelsel, enz.) en de instem- 
ming, die daarmee in nagenoeg de geheele vakbeweging 
was betuigd, noodzakelijk mislukken. 

L i t. : H. Brauns, Das Betriebsrategesetz ; Th. Brauer, 
Das Betriebsrategesetz und die Gewerkschaften ; Henri 
Hermans, Het groote vraagstuk der Bedrijfsorganisatie ; 
prof. dr. J. A. Veraart, Medezeggenschap, Ec. St. Ber. 
(1922) ; id., Beginselen der Economische Bedrijfs- 
organisatie. Veraart. 

Betrokkene, in het Handelsrecht de 
benaming voor dengene, op wien een wissel „getrok- 
ken” is, d.w r .z. aan wien de trekker in een wisselbrief 
last geeft, om het daarin genoemd bedrag aan een 
derde of diens „order” te betalen. Tot zoodanige beta- 
ling is de betrokkene niet verplicht, zoolang hij geen 
„fonds” onder zich heeft, hetgeen beteekent, dat hij 
de in den w issel genoemde som aan den trekker schuldig 
moet zijn. Door dan dit bedrag op verzoek van dien 
trekker aan een aangewezen derde te betalen, wordt 
de betrokkene tegenover den trekker gekweten. De 
betrokkene w r ordt acceptant, zoodra hij door 
een schriftelijke verklaring daarvan doet blijken, 
hetgeen in de practijk meestal geschiedt door op den 
wissel te schrijven „geaccepteerd” en dit te onder- 
teekenen. 

Het verschil tusschen betrokkene en acceptant is 
vnl. dit, dat de houder van den wrissel, indien de be- 
trokkene niet betaalt, van dezen in rechte niet zonder 
meer betaling kan vorderen, doch op den vorigen hou- 
der zgn. regres moet nemen, terwijl hij daarentegen op 
den acceptant rechtstreeks een vordering heeft : want 
door de acceptatie heeft de betrokkene zich verbon- 


den, om het in den w issel genoemd bedrag ten verval- 
dage te betalen aan dengene, die van den wissel dan 
de houder zal zijn. Over den betrokkene handelt in 
Nederland het Wetboek van Koophandel. 

T'tYviH 6 1 g 1 ë : Wetb * van Koophandel Bk. I, 

L i t. : L. Frédericq, Beginselen v. h. Belg. Handels- 

«: Ariëns. 

Betsjjoeana, ->• Beetsjoeana. 

Bettborn, gem. in het groothertogdom Luxem- 
burg, ten Z.W. van Ettelbrück; opp. 1 560 ha, ca. 
900 inw.; autobusdienst. 

Bettelheim, A n t o n, Oostenrijksch-Duitsch 
litterair-historicus en tooneelcriticus. * 18 Nov. 1851 
te Weenen, 29 Maart 1930 aldaar. Stichter van de 
biographieënreeks Führende Geister (1889 vlg.) en 
leider van het Biographisches Jahrbuch und Deut- 
scher Nekrolog (1897 vlg.), deed B. aan wetenschap- 
pelijke tekstuitgaven (o.a. van Anzengruber) en aan 
gewetensvolle biographie volgens de traditioneel- 
historische methode. 

Werken: Anzengruber (1891) ; Auerbach (1907) ; 
Balzac ; von Saar (1908) ; Beaumarchais (1911) ; Ebner- 
Eschenbach (1920) ; Wiener Biographengange (1921). 

Baur. 

Bettcloni, V i 1 1 o r i o, Italiaansch dichter, 
1840 te Verona, f 1910 aldaar; schreef lyrische en 
epische werken en vertaalde Goethe, Byron, Hamer- 
ling, e.a. 

Werken: o.a. In primavera ; Nuovi versi ; Stefania. 
— : y 1 1. : Henrich (1924) ; Bonfartini, Betteloni o la 
critica (1930). 

Bettemburjj, gem. in het groothertogdom 
Luxemburg, ten Z. van Luxemburg; opp. 2 149 ha, 
ca. 5 560 inw. ; spoorwegcentrum ; Alzette -rivier; 
nijverheids- en handelsplaats. 

Bettendorf, gem. in het groothertogdom 
Luxemburg, ten O. van Diekirch; opp. 2 324 ha, 
ongeveer 1 700 inw.; spoorweg; brug over de Sauer; 
kerktoren met Romeinsch beeldhouwwerk. 

Bettenhoven (Fr. Bettincourt),gem. indeprov. 
Luik; ten N.W. van Borgworm; opp. 187 ha, ruim 
400 inw.; landbouwstreek; kerk uit de 18e eeuw mot 
twee klokken uit de middeleeuwen. 

Bctterment tax, belasting, welke in Engeland 
werdt geheven van de tengevolge van overheids- 
werkzaamheden gestegen waarde van eigendommen. 
In Ned. is zij bekend onder den naam van > baat- 
belasting. 

BettI, Dg o, Italiaansch dichter en tooneel- 
schrijver, geb. te Camerino, woonachtig te Parma. 

Werken: o.a. 11 re pensieroso (gedichten, 1922) ; 
La padrona (tooneelstuk) ; Stella, Caino (novellen, 1928h 
Be t tinei li, S a v è r i o, Italiaansch schrijver, 

* 18 Juli 1718 te Mantua, f 13 Sept. 1808 aldaar. Trad 
in de orde der Jezuïeten, reisde door Italië, Duitsch- 
land, Frankrijk, waar hij Voltaire leerde kennen en 
bewonderen. Schreef tragedieën, die geen bijval ge- 
noten, en gezwollen lyrische gedichten zonder bezie- 
ling. In zijn: Lettere virgiliane (1757) en Lettere inglese 
(1767) maakte hij, in den aard van Voltaire. een zeer 
gewaagde critiek op de Divina Commedia (Goddelijke 
Comedie) van Dante, hetgeen een hevige polemiek uit- 
lokte, die tot eenig en heilzaam gevolg had de Dante- 
vereering, die sedert eeuwen in het vergeetboek ver- 
zeild was, te doen opleven. Gozzi diende hem van 
antwoord met zijn Difesa di Dante (1768). Van blij- 
vende waarde is zijn geschiedkundig werk II resor- 


817 


Bettink — Betz 


818 


gimento d’ltalia negli studi, nelle arti e ne’ costumi 
dopo il mille (2 dln. 1773). 

Werken: Volledige uitg. door hemzelf bezorgd 

(24 dln., Venetië 1799—1801) ; Lettere virgiliane di 
S. B. door P. Tommasini Mattiucci (Citta di Castello 
1913) ; Lettere virgiliane e inglese door V. E. Alfieri 
(Bari 1930). — L i t. : G. Federico, L’opera letteraria 
di S. B. (Milaan 1913) ; L. Capra, L’ingegno e Popera di 
S. B. (Asti 1913) ; F. Colagrosso, S. B. e il teatro gesuitico 
(Florence 1901). Ulrix. 

Bettink, > Wefers Bettink. 

Betuinen, het voorzien van rijs- en rietbeslag 
of baardwerken (> Waterbouwkunde) met vlecht- 
tuinen, samengesteld van rechte, op maat gehakte 
palen, ter lengte van 60 cm, op afstanden van 35 5 
45 cm en tuinlatten of haringband; bij het gebruik 
van Geldersch rijs moeten lat voor lat worden ge- 
vlochten. Voor de onderste en bovenste lagen worden 
de zwaarste latten verwerkt. 

Betula, > Berk. 

Bctulaccae (fossiel), plantenfamilie tij- 
dens het Tertiaire tijdvak; veelvuldig onder de vond- 
sten is de Alnus Kefersteinii Göpp., behoorend tot het 
geslacht der Alnacceën. B. plantkundig, > 
Berkachtigen. 

Betulius, eigenlijk: Simon von Birken, 
Duitsch dichter van de groep der > Pegnitzschafer. 
* 6 Mei 1626 te Wildenstein, f 12 Juni 1681 te Neuren- 
berg. B.’s w^erk bevat, naast de gekunstelde herder - 
poëzie, die de Neurenbergsche school kenmerkt en de 
codificatie er van in een Poëtica (1697), eenige 
godsdienstige liederen, die ontsnappen aan dat ver- 
derfelijk -> Marinisme, en de Duitsche vertaling van 
een enkel Jezuïetendrama (Androfilo, 1656). 

Lit. : J. Tittmann, Die Nürnberger Dichterschule 
(Göttingen 1847) ; A. Schmidt, S. v. B. (Neurenberg 
1894). Baur. 

Betuttelen, bijvorm van betittelen, beteekent 
de tittels, puntjes, op de i zetten, nl. in een weten- 
schappelijk of letterkundig geschrift; het verbeteren. 
In den > Muiderkring w r as de term in gebruik; P. C. 
Hooft betuttelde nog al eens de geschriften der andere 
leden. Tegenwoordig gebruikt men het nog wel half 
schertsend. v. d. Wijnper sse. 

Betuwe, landschap in Geld., tusschen den Rijn 
in het O., den Rijn-Lek in het N., de Waal en de Linge 
in het Z. en de grens van de provincie Z. Holland in 
het W. De bodem bestaat bijna geheel uit rivierklei; 
in de stroombanen van vroegere rivierarmen zand. 
Naar de hoogte verdeeld in Over-Betuw T e in het O. 
en Neder-Betuwe in het Westen. > Gelderland 
(Economische beteekenis). Heijs . 

Betwisting (N e d. R e c h t) heeft plaats door 
den curator in een faillissement van bij hem ingediende 
vorderingen. Deze betwiste vorderingen moet hij op 
een afzonderlijke lijst brengen, onder vermelding van 
de gronden der betwisting, welke lijst, evenals die 
der erkende vorderingen, vóór de verificatievergade- 
ring moet worden gedeponeerd ter griffie van de be- 
trokken gerechten. Daar kunnen zij tot aan de verifi- 
catie -vergadering door iedereen kosteloos woorden inge- 
zien. Volhardt de curator ter vergadering in zijn be- 
twisting en w r ordt de vordering niet teruggenomen, 
dan wordt het geschil door den rechter -commissaris 
naar de gewone terechtzitting verw r ezen (renvooi), om 
in een gewone procedure te w r orden beslist. Ook de 
gefailleerde kan een ingediende vordering onder 
summiere opgave van zijn argumenten betwisten, 
zelfs indien de curator de vordering erkent. Verwijzing 


naar de terechtzitting heeft dan niet plaats en in het 
faillissement geldt die vordering als erkend. Het ver- 
schil met een in het geheel niet betwiste vordering 
komt dan ook eerst na afloop van het faillis- 
sement aan den dag. Ten opzichte van een niet door 
den gefailleerde betwiste vordering levert het proces- 
verbaal der verificatievergadering na afloop van het 
faillissement een voor tenuitvoerlegging vatbaren 
titel op tegen den ex-gefailleerde, hetgeen gelijk staat 
met een veroordeelend vonnis. Ts de vordering daaren- 
tegen door dezen betwtist, dan geeft het proces -ver- 
baal daaraan geen executoriale kracht. De crediteur 
moet dan nog tegen den debiteur procedeeren, om eerst 
na verkrijging van een veroordeelend vonnis tot execu- 
tie te kunnen overgaan. 

Tenslotte kan ook een crediteur de door een ander 
ingediende vordering, of de beweerde preferentie 
ervan, al of niet te zamen met den curator betwristen, 
in w r elk geval hij partij is in de renvooi -procedure. 
Over betwisting handelt in N e d. de Faillisse- 
mentsw'et (vnl. in de art. 112, 119, 122 — 127, 197). 

Ariëns . 

(Belg. rech t). Wordt geregeld door Boek III, 
Titel 1, Hoofdstuk 4 van het Belg. Wetboek van Koop- 
handel. leder schuldeischer van een gefailleerde moet 
binnen de termijnen, die door het vonnis, dat het fail- 
lissement vaststelt, bepaald worden, een aangifte van 
zijn schuldvorderingen doen ter griffie van de Recht- 
bank van Koophandel (art. 496). De verificatie van de 
ingediende schuldvorderingen geschiedt door de cura- 
toren, in de aanwezigheid van den rechter-commissa- 
ris, nadat de gefailleerde behoorlijk w’erd opgeroepen. 
Proces-verbaal van verificatie w T ordt door den curator 
opgemaakt en door den rechter-commissaris mede 
onderteekend (art. 500). In geval van betwisting 
of indien de schuldvorderingen niet voldoende gerecht- 
vaardigd blijken, schorst de curator zijn beslissing tot 
de afsluiting van het proces-verbaal van verificatie. 
De betwistingen kunnen uitgaan van den curator, van 
den gefailleerde en van de schuldeischers, wier vorde- 
ringen in het passief zijn opgenomen. Op de vergade- 
ring, vastgesteld voor het sluiten van het proces- 
verbaal van verificatie, worden alle betwiste schuld- 
vorderingen onderzocht. Op den titel der aangenomen 
schuldvorderingen vermeldt de curator: „Aangenomen 
in het passief voor een bedrag van. . ., den . . .”. 
De rechter-commissaris viseert deze verklaring en 
verwijst naar de bevoegde Rechtbank alle betwistin- 
gen aangaande de schuldvorderingen, die niet in het 
passief zijn opgenomen (art. 603). Rondou. 

Bctylen, > Baetyliën. 

Betz, 1° F r a n z, operazanger (baryton), vooral 
bekend als Wagnerzanger. * 19 Maart 1835 te Mainz, 
f 11 Aug. 1900 te Berlijn. Na in de opera’s van ver- 
scheidene Duitsche provincieplaatsen te zijn opge- 
treden, werd hij in 1869 verbonden aan de Koninklijke 
Opera te Berlijn. Ook zong hij te München en bij de 
Festspiele te Bayreuth (1876). Hanekroot. 

2° Gerardus Henri, Ned. industrieel en 
staatsman, * 1816, f 1868. Als lid van den Rotterdam- 
schen gemeenteraad (1853 — 1859) en van de Tweede 
Kamer (1869—1862) trad hij vooral op als deskundige 
in financieele zaken. In het tweede ministerie-Thor- 
becke (1862—1866) was hij tot 1865 minister van 
financiën. Als zoodanig bewerkte hij o.a. een nieuwe 
verlaging der invoerrechten, afschaffing van de uit- 
voerrechten (behalve die op lompen) en opheffing der 
stedelijke accijnzen. Hij viel als minister wegens een 


819 


Betzdorf — Beuken argum ent 


820 


interpellatie, uitgelokt door een door hem geschreven 
brief, waarin hij aan de Limburgers enkele concessies 
op belastinggebied in het vooruitzicht stelde, indien 
de verkiezingen ten gunste van het ministerie uit- 
vielen. Verberne. 

Betzdorf, gem. in hot groothertogdom Luxem- 
burg, ten W. van Grevenmacher, opp. 2 608 ha, 
ca 1 400 inw. ; steengroeven; spoorweg, autobusdienst. 

Betickolaer, Joachi ra, schilder te Ant- 
werpen; * 1533, f 1573; zeer sterk onder invloed van 
Pieter Aertscn te Amsterdam, met wien hij verwant 
was. Hij maakte meest grooto schilderijen (bijbelsche 
voorstellingen of keuken interieurs) en zocht daarbij 
naar realisme; dat hij daarin geslaagd is kan men 
moeilijk zeggen, want zijn stukken zijn stijf en gekun- 
steld. De realiteit, die Breughel ’s kunst kenmerkte, 
ontbrak bij hem geheel. Details, vooral stillevens van 
vruchten en vaatwerk, zijn het beste deel zijner werken. 
Do figuren zijn zeer geacheveerd, vertonnen sterk 
Moro’s invloed, maar missen leven. B/s werken zijn 
niet talrijk. 

Bit.: Sicvers, Pictcr Aertscn; W. Stcenhoff, P. Aertscn 
en J. Bcuckelacr in : Onze Kunst (1916). Schreden. 

Bcudnnt, Charles, Fr. rechtsgeleerde, * 1829, 
f 1895; doceerde aan de universiteiten te Straatsburg 
en te Parijs, waar hij van 1879 tot 1887 deken was van 
de rechtsgeleerde faculteit. Behoort met Lafcrrièrc 
en Baudry Lacantinerio tot het overgangstijdperk 
tusschcn de verklarende en de wetenschappelijke 
rechtsschool. Benevens zijn commentaar over het B.W. 
publiceerde hij in 1890 zijn thans nog hoog gewaar- 
deerde studie over „Lo Droit individuel et 1’Etat”. 

L i t. : Bonnoeasc, La Pensee K Juridique Fran^aisc 

de 1804 a 1’heure présente (Bordeaux 1933). Orban. 

Beugelen, strijken van chroomoverleder ter 
neerlegging van de nerf en ter bevordering van fraai 
en vast aanzien (> Lederbereiding). 

Bcugclkan, een kan met breeden buik, smallen 
hals en verticaal aangebracht oor; veelvuldig in de 
laat-MinoIsche cultuur. 

Beugels, Jan (kloosternaam Herman Joseph), 
verdienstelijk kanselredenaar der Norbertijner abdij 
van Postel. * 1771 te Oirsbeek bij Maastricht, f 1851 
te Helmond. 

L i t. : Biographie door Jos. Ilabcts, in Do Godsdienst- 
vriend 85 (1860, 283-298). 

Beugcin, Isidoor van, pseud. van Is. 
Verdoodt, VI. dichter. * 1889 te Moorsci-bij-Aalst, 

thans te Gent. Bui- 
ten verschillende 
vcrzcnbundc Is , meest 
zachte stemmings- 
poëzie, monogra- 
phieen over Vlaam- 
schc kunstenaars : 
Saverijs, Inge ls, Uit 
Vlaanderens Kunst- 
hallo (1928). 

Beugen c.a., 
gem. in N. Brabant, 
grenzende a. d. Maas 
en aan Limburg; be- 
staat uit de parochie- 
dorpen Beugen en 
Rijkevoort; ca. 2300 
Is. van Bcugom. inw., bijna allen 

Katholiek; oppcrvl. 2 647 ha; veeteelt en landbouw. 
De kerk van B., waarin zich een eiken 15e-eeuwsch 



Madonnabeeld bevindt, dateert uit begin 15e eeuw; ver- 
groot en gerestaureerd door dr. P.Cuypcrs. v. Velthoven. 

Bcughcm, Joanncs Ferdinandus 
van, 'bisschop. * 1630 te Brussel, f 19 Mei 1699 to 
Antwerpen en aldaar begraven in de hoofdkerk. Te 
Leuven verwüerf hij het licentiaat. Eerst verbonden 
aan de St. Gudula-kerk te Brussel; 12 November 1679 
tot bisschop van Antwerpen gewijd. Hij ijverde krach- 
tig tegen het Jansenisme en de zedenverwildering 
in zijn bisdom. 

L i t. : J. B. Krügcr, Kcrkelijke gcsch. van het bisdom 
van Breda (II 1874, 234-239). Knippenberg. 

Beuk (plantkunde) (Fagus silvatica), bo- 
hoorend tot do familie der Fagaceeën, is over geheel 
West-Europa verspreid. Dc b. heeft een gladden bast, 
zomergroene, twec-rijigc bladeren met spits toeloopen- 
den, ovalen vorm en afzonderlijke mannelijke en 
vrouwelijkc bloemen. Variëteiten zijn: bruinroode b., 
treurbeuk, grootbladigo b., zilvcrbeuk en Servische 
goudbeuk. De Oostcrsche, dc Japnnsche en de Ameri- 
kaanschc bruine beuk kunnen ook in onze streken leven. 

De b. prefereert ka Ikrijke, lccmachtige, vochthou- 
dende gronden. De mooiste bcukenbosschcn in ons 
land aan den Veluwezoom (boekgronden). Verdraagt 
veel schaduw, is ook zeer geschikt als laanboom 
(Middachter allee). 

Beuk (bouwkundig) of schip wordt 
genoemd het langwerpige deel van een kerk, waarvan 
de omtrek door muren of zuilen is aangegeven. Er zijn 
één beuk ige (of één -schep ige) en mecr-beukige kerken. 
De voornaamste is de middenbeuk (of het middenschip): 
hij strekt zich uit van den hoofdingang naar het koor. 
De zijbeuk is de beuk naast en evenwijdig met den 
middenbeuk: hij is vaak lager en korter dan deze 
Loodrecht op de lengtebeuken staat de dwarsbeuk of 
het transept. Knipping. 

Beuk (belangrijk onderdeel van de Zecuw’sche 
vrouwendracht), > Nationale kleederdrachten. 

Bcukclakerwijcle, veenpias in dc prov. Ovcr- 
ijsel, gelegen inliet Ambt-Vollenhoven. > Belterwijdo. 

Bciikelsz, Jan, > Lcyden, Jan van. 

Beukeuargument. liet b. komt hierop neer: 
het Oer-Indo-Gennaansch kende den beuk, getuige 
de oerverwante taalvormen: Germ. * bók-(Ncd. beuk), 
Lat. fagus ( = beuk) enz. Daar do beuk om cl imato lo- 
gische redenen niet meer beoosten de lijn Königsberg- 
Krim voorkomt, moet dus het stamland der Indo- 
Germanen Westelijk van die lijn liggen, en daar de 
beuk pas in den bronstijd in Denemarken binnen- 
drong, kon het dus ook alleen ten Zuiden van Dene- 
marken liggen, en was dus practisch West-Europa. 

Als deze argumentatie juist is, speelt dus het b. 
een rol in de bepaling van het stamland der Indo- 
Germancn, nl. de plaats, waar het ongesplitste Indo- 
Germ. oervolk in de laatste periode van zijn bestaan 
als eenheidsvolk woonde. Zulk een kwestie tracht men 
immers op te lossen door linguistische paleontologie, 
d.i. de reconstnictie van den Indo-Ccrm. bescha- 
vingstoestand met behulp van taalkundige gegevens. 
Men gaat uit van het onzekere beginsel, dat de cultuur- 
begrippen, waarvoor de afgeleide talen gemeen- 
schappelijke uitdrukkingen hebben, in het bezit 
van het oervolk w r aren, en tracht zoo te bepalen 
cultuur, klimaat, bodem, fauna cn flora. Voor zoo’n 
reconstnictie (die het stamland natuurlijk nader 
helpt begrenzen) is als regel noodig de overeen- 
stemming van minstens twee talen in do benaming 
van het cultuurbegrip. Zoo kenden de Indo -Germanen in 


821 


Beukenhout — Beuningen 


822 


hun stamland den winter blijkens de overeenstemming 
van Sanskrit hêmanta en Gr. cheimoon (beide= winter). 

Toch beteekent het b. voor de localisecring der 
Indo-Germaansche Urheimat niet veel. 1° Het is 
ondoenlijk uit te maken welke boom oorspronkelijk 
met den naam bhaugos bedoeld werd. De parallellen 
van beuk komen in de meeste Gcrm. talen voor en 
steeds in dezelfde bctcckenis (oud-Eng.: bfce, oud- 
Iloogd.: buohha, oud-Saksisch: bóka). Ook Lat. 
fagus = beuk. Doch de verdere verwanten hebben 
andere beteekenissen nl. Grieksch: faegos en Dorisch, 
fagos is een soort eik; Koerdisch: büz = olm. De 
oorspronkelijke beteekenis kan dus wel een andere 
geweest zijn, bijv. een algemeenerc, en dan kan zich 
de beukbcteckenis in Centraal-Europa (want men 
vindt die beteekenis in het Lat. en in het Germ.) 
hieruit ontwikkeld hebben. Hiermee komt overeen 
dat in midden-Europa de beuken heel talrijk waren 
en dat daar de Germanen en Latijnen eenmaal eenigen 
tijd in contact geleefd hebben, zoodat de beteckenis- 
overeenkomst in beide talen begrijpelijk is. 

2° Als dat Koerdische bdz = olm er niet mee ver- 
want zou zijn, wat sommigen betwijfelen, ontbreekt 
de > satcmtaalparallel en wordt door het b. dus 
hoogstens het stamland der > ccntumtalen bepaald. 

3° De naam hangt niet samen met Gricksch: fagein 
— - eten, waardoor het woord „boom met eetbare 
vruchten” zou beteckenen, want de wortel van bhaugos 
heeft een lange u-diphtong. 

L i t. : Brückner, Zeit schrift ]?für Vergloichende 

Sprachforsehung (XLVI, 193); O. Schradcr, Die Indo- 
germanen (Leipzig 1916); Bartholomae, Zur Buchcn- 
frage, Sitzungsberichto •? der Heidelhcrger Akadcmn* 
(1918. Ie afl.) en: Indogcrmanische Forschungcn 

(IX, 271); J. Schrijnen, Handleiding bij de studie der 
vergelijkende indogcrmaansche taalwetenschap. Weijncn. 

Beukenhout, zwaar, witgeel, hard hout, afkom- 
stig van beukenboomen. Het heeft gering draagver- 
mogen en tamelijk veel elasticiteit; is van korten duur, 
als het niet voortdurend in drogen toestand of geheel 
onder water is. B. kan gnmakkelijk geïmpregneerd 
worden, zoowel met bederfwerende middelen (waar- 
door de bruikbaarheid dus verhoogd wordt) als met 
kleurstoffen (ter imitatie van andere houtsoorten, 
bijv. palisanderhout). Wordt gebruikt in de meubel- 
industrie, verder voor schaafbankbladen, als bruggen- 
dek (versplintert niet), voor parketvloeren, voor ge- 
reedschappen, die met levensmiddelen in aanraking 
komen (riekt niet en neemt moeilijk reuk aan). Bij het 
branden is b. zeer zindelijk en heeft een groot warmte- 
gevend vermogen. 

Beukenteer, een zwarte, dikke vloeistof, wordt 
verkregen door droge destillatie van beukenhout en 
wordt als bederfwerend middel toegepast voor het 
impregneeren van hout, touw, enz. Komt hoofd- 
zakelijk uit Tsj echo -Slowakije en Roemenië. Bij 
destillatie van b. ontstaat, behalve water met azijnzuur 
en raw r e houtgeest, de beukenteerolio, terwijl een 
weeke pek achterblijft (40% — 60%). De beukenteer- 
olie is lichtgeel, maar kleurt aan de lucht snel rood- 
bruin. De lichte b.-olie, s.g. 0,96—0,98, destilleert 
tot 120°C, de zware, s.g. 1,04—1,06, tusschen 120 J 
en 270°C. Hoogeveen. 

Beukeutcerolie, zware olieachtige vloeistof 
(s.g. minder dan 1), bereid door droge destillatie van 
de teer uit het hout van Fagus Sylvatica; gebruikt 
ter bereiding van > creosoot. 

Lit. : Ned. Pharm. Ed. (V). 


Beuker, > Dorschmachine. 

Beuk varen , Phegopteris of beter 

Nephrodium, een varengeslacht van de familie 
der Polypodiaceae. De b. komt in Ned. in 3 tamelijk 
zeldzame soorten voor, w r .o. Phegopteris polypodioi- 
des (Polypodium Phegopteris), de smalle b. met 
naar beneden gebogen onderste paar blaadjes; Phego- 
pteris (Polvpodium) Drvopteris, de gebogen b., 
waarvan de bladschiif een bijna rechten hoek met den 
steel maakt, en Phegopteris (Polypodium) Rober- 
tianum, de rechte b., w T aarvan do bladeren 
eenigszins naar het Robertskruid rieken. Bonman . 

Beulc, II en ri de, Vlaamsch dierenschilder; 
* 1846, f 1900 te Brussel. 

Bculé, Charles Ernest, Fransch archeo- 
loog en staatsman. In 1851 professor te Athene, waar 
hij den ingang der propylaeën van de Acropolis ont- 
dekte. Was later werkzaam aan de opgravingen te 
Carthago. * 1826, f 1874. 

Werken: L’acropole d’Athènes (2 dln. 1863) ; 

Etudes sur le Péloponèse (1875). E. De Waele. 

Bculingsckaaf, profielschaaf voor het schaven 
van een halfrond profiel met kraalmotief. 



Beulingschaafprofiel. 

BcumoUjurci* Wem er, Duitsch schrijver 

van opgeschroefd -nationalistische oorlogsboeken. 
* 1899 te Traben Trarbach. 

Werken: Spcrrfeucr um Deutschland (1929) ; 

Die ptahlcrnen Jahre (1930 vlg.). 

Beuniiifien, gem. in Geld., in het N. van het 
Rijk van Nijmegen, aan den linker Waalocvcr. Omvat 
de dorpen B. en Wcurt met een gezamenlijke opp. 
van 1 976 ha. Het aantal inwoners bedraagt ruim 
3 300, waarvan 3 100 Kath. en ruim 200 Ned. Ilerv. 
De bodem bestaat uit rivierklei; in verband daarmee 
landbouw en tuinbouw. Daarnaast steen en jam- 
fabrieken. Van het vroegere slot Blankenberg te B. 
staat nog een vierkant torentje uit de 15e eeuw. 

Ileij*. 

Beuningen, Coenraad van, invloedrijk 


823 


Beurden — Beurs 


824 


diplomaat en regent in de tweede helft der 17e eeuw. 
Waarschijnlijk * 1622 te Amsterdam, f 1693. B. werd 
herhaaldelijk met belangrijke gezantschappen belast, 
naar Zweden, Denemarken, Frankrijk en Engeland. 
Onverzoenlijk tegenstander van de Fransche politiek. 
Febr. 1669 tot burgemeester van Amsterdam gekozen. 
Onder invloed van Gilles Va leken ier meer Oranje- 
gezind. Toch was B. in 1683 tegen de anti-Fransche 
politiek van den stadhouder, wijl hij wist, dat op 
Engeland niet gerekend kon worden. Vandaar een 
breuk met Willem III. Zielsziek gestorven. „Esse, 
non yideri” (= zijn, niet schijnen) was zijn lijfspreuk. 

Lit.: C. W. Roldanu8, C. v. B., staatsman en liber- 
tijn (1931). Cornelissen. 

Beurden , Alexander Franciscus 
van, schrijver. * 28 Juli 1857 te Grave. Mede-op- 
richter van het Prov. Genootschap in Limburg voor 
geschiedenis, taai en kunst. 

Werken: Limburgsche Novellen ; Limburgscke 

Sagen en Legenden, werken over het Peelgebied van 
Limburg. 

Bcuron (zie plaat bij Abdij, deel I, t/o kolom 
223/224), een ca. 1077 als Augustijner kanunniken- 
klooster in Hohenzollem gesticht klooster; 1802 opge- 
heven; 1863 door de gebr. p. M a u r u s en P 1 a - 
cidus Wolter betrokken en sedert hoofdkloos- 
ter der door hen gestichte Benedictijner Congregatie 
van Beuron (> Benedictijnen). 

De monniken leggen zich bijzonder toe op de studie 
van liturgie en op de kerkelijke kunst. De bekende 
abdij Maria-Laach, en in Nederland Benedictus-Berg 
bij Vaals, behooren tot deze congregatie. 

Beuroner kunst (zie plaat t/o kolom 800), 



Canon van Dom Dcsidorius Lenz O.S.B. 
(Beuroner Kunstrichting)' 


aldus genoemd naar Beuron in Hohenzollem, stand- 
plaats der aartsabdij van de Duitscke Benedictijner 


Congregatie. Aldaar werd door Dom Desiderius Lenz 
(1832—1928) een religieuze kunstschool gesticht, 
met het doel in te gaan tegen het schijn -idealisme en 
individualisme der romantiek. Hij zocht het wezen 
der oud-Grieksche, en voornamelijk der Egyptische 
kunst te doorgronden. Met een canon, waaraan de 
gelijkzijdige driehoek ten grondslag ligt, meende hij 
de wet der evenredigheid, de harmonie der grootheden 
in de natuur, en dus ook in de kunst, te kunnen vast- 
leggen. Beuroner kunst is vnl. monumentale, decora- 
tieve k. (fresco, reliëf); ook wel vrijstaande beelden, 
ornamenten, vaatwerk; miniatuur (St. Gabriël te 
Praag), devotieprentjes. Lenz zelf erkent in Cornelius 
den meester, die hem den weg w^ees. Zijn werk kenmerkt 
zich door vromen zin, nist, waardigheid en overzich- 
telijkheid. St. Mauruskapel te Beuron (1870), crypt 
te Monte-Cassino, Piëta in St. Gabriël te Praag. 
Tot de Beuroner school behoorden o.a. D. Gabriël 
Wüger (1829—1892), Lucas Steiner (1849—1906), 
Paul Krebs, Andr. Göser, Willibrord Verkade. 

Lit.: Dom Lenz. Zur Acsthetik der Beuroner Schule 
(Weenen 3 1912) (Holl. vert. van G. Brom); D. G. 
Schwind, P. Des. Lenz. biogr. Gedenkblatter zu scinem 
100 Geburtstag (Beuron 1932). A. Beekman . 

Over de beteekenis van Beuron voor de kerkmuziek, 
> Benedictijnen (Gregoriaansch). 

Beur re is een naam, dien men vaak bezigt voor 
peren met boterzacht vruchtvleesch (boter = Fr. 
beurre); bijv. Beurré Hardy. 

Beurs, > Paddenstoelen. 

Beurs. Wanneer een appel of peer vrucht draagt, 
zwelt tijdens den groei der vruchten dikwijls de 
gemeenschappelijke steel der bloeiwijze op tot een 
beurs. 

Beurs in liturgisch gebruik oorspronke- 
lijk, d.i. in de M.E., een plat doosje, waarin het 
corporaal werd bewaard en verdragen; later, na in- 
voering van het missaal van Pius V, vervangen door 
twee bladen, met zijde overtrokken karton, in beurs- 
vorm met elkaar verbonden. 

Beurs. A) Wezcu en doel. De historische oor- 
sprong der beurzen wordt meestal gezocht bij do mark- 
ten of messen der 12e eeuw. Gedurende deze messen 
kwamen de kooplieden veelal op bepaalde tijden en 
plaatsen bijeen om geld en wdssels te verhandelen en 
te innen. Daarenboven werden op deze vergaderingen 
wederzijds inlichtingen ingewonnen, terwijl lang- 
zamerhand ook een b. -handel ontstond in goederen, 
die nog niet in natura ter plaatse aangevoerd waren, 
doch die door hun vervangbaarheid ge- 
makkelijk naar aard, kwaliteit en hoeveelheid konden 
worden aangeduid, zonder dat het risico al te groot 
was, dat de lever ing teleurstellingen zou bieden. Zoo 
ontwikkelde zich te Antwerpen reeds omstreeks 1500 
een beurshandel in specerijen, bijv. peper. Naast 
den geld- en wisselhandel kwam in den loop der tijden 
vooral tot ontwikkeling een beurshandel in effecten; 
het eerst te Amsterdam sedert 1530. 

Het wezenlijke onderscheid tusschen den beurs- 
handel en den gewonen markthandel bestaat hierin, 
dat een b. -handel zich slechts kan ontw r ikkelen voor 
goederen, die een cenigszins abstract karakter dragen, 
d.w.z. die fungibel of vervangbaar zijn, zoodat hun 
aard, kwaliteit en hoeveelheid gemakkelijk en zeker 
contractueel zijn vast te leggen, ook zonder dat de 
goederen in natura zijn getoond of tegelijkertijd worden 
geleverd, terwijl op de markt of messe meest in natura 
aanwezige of toonbare, direct leverbare goederen 


825 


Beurs 


826 


worden verhandeld, waarvan de kwaliteit door de 
koopende partij zelve in elk speciaal geval vóór het 
tot stand Komen der transactie door eigen onderzoek 
is vast te stellen. De eigenschap der vervangbaarheid 
(fungibiliteit) is zeer sterk bij effecten, valuta’s en 
bankpapier, daar hierbij elke eenheid volkomen door 
iedere andere eenheid vervangbaar is. Verder vinden 
wij een groote fungibiliteit bij edele metalen ; bij vele 
stapelproducten als tarwe, katoen, koffie; bij grond- 
stoffen als ijzer en koper; bij enkele halffabrikaten als 
katoengarens. Sommige stapelproducten als tabak en 
thee, zoomede de meeste eindfabrikaten, missen de 
eigenschap der vervangbaarheid geheel of bezitten 
deze slechts in zeer geringe mate. 

Wanneer goederen een groote mate van vervangbaar- 
heid bezitten, daarenboven niet of niet spoedig aan 
bederf of waardevermindering onderhevig zijn en 
regelmatig in groote hoeveelheden en door tal van 
personen verhandeld worden, dan kan daarin een aan 
de hoogste eischen van techniek beantwoordende 
handel ontstaan in den vorm van een sterk georgani- 
seerden beurshandel. 

Onder b. verstaat men nu ofwel het geheel van per- 
sonen, dat beroepsmatig bij den gcorganiseerden 
beurshandel in een bepaald goed betrokken is, ófwel 
de samenkomst dezer bcursleden ófwel het gebouw 
waarin deze samenkomsten plaats vinden (> Beurs- 
gebouw). 

Het doel van den reorganiseerden beurshandel is 
den belanghebbenden de gelegenheid te openen om 
op een doelmatige wijze den beroepshandel in een goed 
op een bepaalde plaats en tijd te concentreeren, zoo- 
danig, dat vraag en aanbod gelijktijdig en volledig 
op elkander kunnen inwerken en de prijsvorming op 
de meest effectieve wijze kan geschieden. Toevallige 
storingen en wrijvingsf actoren, zooals die op markten 
en messen eerder moge lijk zijn wegens het technische 
en commercieele bezwaar om elk gewenscht kwantum 
goederen vlot uit te markt te nemen, oefenen in den 
b. -handel veel minder invloed uit. In den georgani- 
seerden b. -handel kunnen de technische eigenschappen 
der goederen op den achtergrond treden, zoodat men 
zich in veel sterkere mate op de prijsvorming kan con- 
centreeren; vandaar dat de fungibiliteit van het goed 
wordt benut om de transacties ter beurze in een aller- 
eenvoudigsten vorm te kleeden, w T aardoor het mogelijk 
wordt om enorme posten af te sluiten door enkel en 
alleen — in een paar woorden of door een gebaar — 
hoeveelheid, prijs en levertijd te bedingen. Daar in 
den georganiseerden b. -handel de stoffelijke hoedanig- 
heden der verhandelde goederen door de groote mate 
van vervangbaarheid op den achtergrond treden, 
w’ordt het mogelijk (vooral in den > termijnhandel), 
dat speculanten, die voor de verhandelde goederen 
zelve in het geheel geen interesse hebben, zich toch 
met den handel daarin bezig houden, enkel en alleen 
om een prijs- of koersverschil te verdienen door, 
naargelang hun prijsverwachtingen zijn, nu eens te 
verkoopen, dan weer te koopen en zooveel mogelijk te 
trachten aan een reëele levering van het verkochte 
resp. een werkelijke inontvangstname van het gekochte 
te ontkomen, door tegen den leveringsdatum hun 
verkoop door een koop resp. hun koop door een ver- 
koop af te dekken (> Speculatie). 

Wanneer speculatieve transacties op groote schaal 
en met geleend geld plaats vinden, dan bestaat het 
gevaar, dat als gevolg der door speculatieve manipu- 
laties hoog opgedreven prijzen een beurskrach 


ontstaat, zijnde een scherpe en acute prijsinzinking, 
gepaard met een algemeen wantrouwen en gedwongen 
afwikkelingen van speculatieve posities, gevolgd door 
tijdelijke stagnatie van den handel (> Beurscrisis). 

B) De organisatie der b. heeft o.m. ten doel door 
reglementeering van den b. -handel te bereiken, dat 
geschillen over de leverbaarheid, den prijs of de uit- 
voering der afgesloten transacties tot een minimum 
worden beperkt en eventueel zoo snei en soepel raoge- 
lijk w r orden opgelost. Naast zekere eischen van morali- 
teit en soliditeit wordt veelal van de beursleden een 
zekerheidsstelling verlangd, waarop ingeval van over- 
treding der reglementaire bepalingen verhaal kan 
w T orden gezocht. De leden hebben bovendien meestal 
een jaarlijksche contributie te betalen. Het beurs- 
bestuur wordt bijgestaan door meerdere com- 
missies voor het beslechten van geschillen, het vast- 
stellen der noteering, e.a.De beursreglemen- 
ten dienen zoo nauwkeurig mogelijk aan te geven, 
aan welke minimum -eischen de te verhandelen goede- 
ren of waardepapieren hebben te voldoen om leverbaar 
te zijn; zij geven aan, op welke termijnen na afsluiting 
der transactie de levering en betaling moeten geschie- 
den, welke de gevolgen zijn van te late levering 
of afname, op welke wijze kleine afwijkingen van het 
geleverde met de minimum-eischen van leverbaarheid 
zijn te verrekenen, op w^elke wijze mondeling afgeslo- 
ten transacties nader dienen te worden bevestigd, 
gedurende w T elke uren van den dag de beurshandel 
kan plaats vinden, etc. Daar het van belang is, dat 
elkeen, die aan de beursleden orders tot aan- of ver- 
koop voor uitvoering ter beurze opgeeft, de prijzen of 
koersen tijdens beurstijd kan controleeren, zal er als 
regel een officieele prijs- of koers noteering plaats vin- 
den op de w ijze als in de beursreglementen vastgelegd. 
Deze noteering is bovendien noodzakelijk voor het 
verrekenen der marges bij termijncontracten. De notee- 
ring kan op verschillende wijzen geschieden; zij kan 
aangeven de hoogste en laagste prijzen tijdens beurs- 
tijd gedaan, zij kan een gemiddelde aangeven, zij kan 
bij wijze van tape-noteering geschieden of als eenheids- 
koers worden vastgesteld, etc. De noteer ingscommiss ie 
zal er steeds op hebben toe te zien, dat geen fictieve 
noteeringen w r orden vastgesteld, d.w.z. noteeringen 
van koersen, waartegen in werkelijkheid ter beurze 
geen transacties zijn afgesloten (zgn. potloodaffaires). 
De beurshandel kan geschieden tegen contante levering 
en betaling (contante handel), waaronder men meestal 
verstaat afwikkeling na eenige dagen, of tegen leve- 
ring en betaling op een lateren termijn (de meest 
gebruikelijke termijnen zijn dan 1, 2 of 3 maanden, 
termijnhandel). 

C) Bijzondere vormen. De beurshandel in 
effecten is in het algemeen tot een groote 
technische ontwikkeling gekomen. De belangrijke 
financieele centra als New York, Londen, Amsterdam 
en Parijs hebben in hun effectenbeurzen goed uitge- 
ruste apparaten voor de plaatsing en het doorgeven 
van emissies. 

De Amstcrdamsche Effectenbeurs is een parti- 
culiere instelling en staat onder beheer van De 
Vereen iging voor den Effectenhandel, opgericht in 
1877 door de samensmelting van verschillende andere 
vereen igingen op het gebied van den fondsen- 
handel. Sedert 1914 bezit deze Vereeniging haar eigen 
beursgebouw. Het Bestuur der Vereeniging bestaat uit 
15 leden en vormt uit zijn midden 6 vaste commissies, 
zijnde de commissie van dagelijksch bestuur, voor de 


827 


Beurs 


828 


noteering, voor de fondsen, voor de geschillen en de 
huishoudelijke commissie. Slechts leden der vereen i- 
ging en hun bedienden worden tot den beurshandel 
toegelaten. De vereeniging geeft een officieele prijs- 
courant uit, waarin de noteering van alle officieel 
verhandelde fondsen wordt opgenomen. De effecten- 
handel geschiedt op de Amsterdamsche b. als regel 
contant. > Affaire. Op beperkte schaal vinden tijd- 
affaires plaats. Naast commissionnairs of makelaars, 
die in het algemeen in opdracht van buiten beurs- 
orders plaatsen, vinden wij ter beurze van Amsterdam 
de zgn. hoeklieden, die in een of enkele soorten van 
fondsen, waarin zij gespecialiseerd zijn, als com- 
missionnair en vaak tevens als handelaar voor 
eigen rekening optreden. Deze gespecialiseerde hoek- 
lieden ontleenen hun naam aan de zgn. hoeken, de 
plaatsen in het beurslokaal, waar volgens aanwijzing 
van het beursbestuur de verschillende soorten van 
fondsen verhandeld worden. Zoo spreekt men van een 
tabakshoek, zijnde de plaats, waar speciaal tabaks- 
waarden verhandeld worden, een rubberhoek, scheep- 
vaarthoek, etc. In den geldhoek heeft de geld- 
handel plaats, meest in den vorm van prolon- 
gaties en call-leeningen, geldlecningen tegen onder- 
pand van courante fondsen met normale looptijden 
van een maand voor prolongatie (met recht van eerdere 
aflossing voor den geldnemer) en met een weder- 
zijdschen opzegtermijn van één dag voor call-geld 
(daggeld leen ing). De officieele wisselhandel 
heeft to Amsterdam plaats ter koopmansbeurze. 
De officieele noteeringen voor de wisselkoersen ge- 
schieden volgens het reglement der Amsterdamsche 
Bankiersverceniging: zij zijn vooral in verband met 
art. 15G \V. v. K. van belang, doch vormen geen zuivere 
afspiegeling van het koersverloop gedurende den dag. 
In tegenstelling met den effectenhandel is de handel 
in vreemde wissels, meestal genoemd de valutahandel, 
niet binnen de enkele beursuren geconcentreerd 
doch vindt deze den geheclen dag door plaats, vnl. 
er telefoon. Het betalingsverkeer, waarvan de valuta- 
andel een voornaam onderdeel is, kan niet op enkele 
uren daags beperkt worden, terwijl juist de valuta 
handel zich zeer gemakkelijk voor een telefonist h 
verkeer leent wegens de groote fungibiliteit der valuta- 
eenheden, daar nl. als regel bedragen in den vorm 
van saldi-tegoed bij de grootste cn sterkste buiten- 
landsche bankinstellingen worden verhandeld. Sedert 
den wereldoorlog heeft zich te Amsterdam naast der 
contantenhandel een > termijnhandel in valuta 
ontwikkeld. De georganiseerde valutahandel is feite- 
lijk te beschouwen als een hoogere ontwikkclingsvorm 
van den beurshandel, waarbij het begrip b. als 
plaats van handel sterk op den achtergrond wordt 
gedrongen. De goederenhandel ter beurzo 
ontmoet meer technische moeilijkheden dan de effec- 
ten- en wisselhandel, daar de goedereneenheid als 
regel in mindere mate de eigenschap der vervangbaar- 
heid bezit. Vele zgn. goederenbeurzen zijn in werkelijk- 
heid slechts gereglementeerde goederenmarkten, waar 
bepaalde partijen tegen monster verkocht worden, 
zonder dat een georganiseerde beurshandel in fungibele 
waar plaats vindt. Óp de goederenb. ontwikkelt zich 
als regel naast den contantenhandel een > termijn- 
handel, hetgeen daarentegen op de goederenmarkten 
niet het geval is. 

Lit. : W. Prion, Börsenwesen (Handw.buch der 

StaatewissenschafteD, Jena 1924); J. Iiellauer, System 
der Welthandelslehre (Berlijn 1920) ; O. B. W. De Kat, 


Effectenbeheer (1932); W. M. J. van Lutterfcld, Effecten 
(1933). Euysmans. 

De Brussclsche Effectenbeurs. De Antwcrpsche 
beurs, de oudste van alle, dateert van ca. 1500. In 
1835 werd zij echter overvleugeld door de Brussel- 
s c h e, waar vooral Spoorwegaande'elen verhandeld 
werden. Aantal aldaar genoteerde waarden was in 
1867 : 200, in 1830: 3 000. 

Organisatie: De zaken worden niet door 
de banken zelf gedaan, maar door effectenmakelaars, 
die aan de banken een ristoume geven van 1 / 2 der 
courtage. Volgens de wet van 1867 zijn de beurzen 
onafhankelijk en is de makelaardij geheel ongeregle- 
menteerd. liet Stedelijk Beursreglement is in 1913 
verscherpt (voordracht door twee leden, waarborg- 
som, vooropleiding). Het aantal der officieel toege- 
laten makelaars is 1 650. Een herziening van het 
reglement is in voorbereiding. 

De toelating der waardepapieren 
geschiedt door een uit de makelaars gevormde beurs- 
commissie; minimumkapitaal is 1 millioen francs; 
buitenlandsche waarden worden toegelaten, als ze 
in het land van herkomst genoteerd zijn; obligaties, 
als aandcclen van dezelfde onderneming genoteerd 
zijn; de termijnhandel is beperkt; er is een levendige 
handel in Katanga -koper- en in kunstzijde-waarden; 
verweer van spel en weddenschap is toegelaten. De 
koers wordt vastgesteld door koersmakelaars (midden- 
koers). De vrije handel staat onder toezicht der beurs- 
commissie: 16 waarden zijn genoteerd, overigens is 
de handel geheel vrij. 

Wijze van noteering; kosten. Aan- 
deelen en obligaties woorden per stuk genoteerd in 
francs; bij waarden met vaste rente komt de koers 
op dezelfde wijze tot stand behalve bij de Staats- 
leningen; courtage is 2 — 2 1 / 2 °/o 0 voor Staatsleningen; 
4%o voor andere waarden. Claims hebben geen offi- 
cieele noteering. Over beurstransacties en inteekening 
op nieuwe emissies wordt een zegelbelasting vanl,l%o 
geheven. 

Lit.: G. Groens, Les opérations de bourse et les 
agents do change (1930). 

D) Rechtskundige problemen. 1° Ned. Recht, 
liet laat zich begrijpen, dat de wettelijke bepalingen, 
die op de b. betrekking hebben, schaarsch zijn. De ter 
beurze gesloten transacties en haar totstandkoming 
worden bcheerscht door het gemeene recht. In de art. 
59 tot en met 61 Wctb. van Koophandel wordt bepaald, 
dat de „beurzen van koophandel” worden gehouden 
op gezag van het plaatselijk bestuur, dat de koersen 
volgens plaatselijke reglementen en gebruiken wor- 
den opgemaakt, terwijl ook de regeling van den inwen- 
digen dienst bij zoodanige reglementen moet geschie- 
den. Deze reglementen zijn niet van overheidswege 
gegeven, doch bij den aanvang van den wereldoorlog 
het ft in Ned. de Beurswet van 4 Sept. 1914 
(Stbl. 445) de beurs, gezien de buitengewone omstan- 
digheden, onder regeer ingstoezicht gesteld. 

Een debiteur mag gedurende beurstijd niet op de 
beurs gegijzeld worden; beslag op schepen moet ter 
beurze worden aangekondigd. Verpande effecten, die 
ter beurze verhandelbaar zijn, kunnen daar, mits door 
twee makelaars in effecten, worden verkocht. Ten slotte 
verwijst de w T et herhaaldelijk naar den beurskoers als 
maatstaf voor de waarde van koopmansgoederen, voor 
de regeling van den herwissel, enz. Ariëns. 

2° B e 1 g. Recht. Art. 61 van de wet van 30 
December 1867, gewijzigd door de wet vau 11 Juni 


829 


Beursbclasting — Beursmoraal 


830 


1883, Reeft volgende bepaling van de b.: een openbare 
vergadering van kooplieden, kapiteins ter zee, wisse- 
laars en makelaars eener handelsplaats. De beurs is 
voor iedereen toegankelijk, zelfs voor niet-hande laars. 
Alleen wordt de toegang ontzegd aan zekere personen 
door de wet bepaald, bijv. de gefail leerden. 

De uitkomsten der verhandelingen en afspraken 
op de b. gesloten dienen om den wisselprijs van open- 
bare en andere effecten vast te stellen (art. 62). De 
vaststelling van den wisselkoers geschiedt door een 
raad bestaande uit zes tot vijftien leden, benoemd door 
het Schepencollege op voordracht van twee lijsten, 
waarvan de eerste is opgemaakt door de Rechtbank 
van Koophandel en de andere door de wisselaars en 
makelaars, in algemeene vergadering bijeengekomen 
volgens de bepalingen getroffen door den gemeente- 
raad. 

Tot deze vergadering hebben alleen toegang de 
wisselaars en makelaars, die sedert ten minste drie 
jaar onafgebroken het recht hebben gehad te notecrcn. 

liet inrichten van een handelsbeurs is vrij. Waar 
zulks nuttig of voordeelig schijnt, kan een beurs 
worden geopend. De gemeentelijke ovcihcid heeft 
alleen een recht van politic, zij heeft dus buiten dit 
politierecht geen recht tot reglcmcntecrcn, tenzij het 
lokaal der beurs door de gemeente zelf is ver- 
schaft. In zulk geval kan do gemeenteoverheid zich 
het recht voorbehouden zekere reglementen te treffen 
aangaande de uren van opening en sluiting, vcrcischtcn 
van toetreding, inkomgeld e.d. llondou. 

Bcursbciasliiifl (N e d. B c 1. r cch t), ook 
genoemd b e u r s z e g e 1, is een onderdeel van de 
zcgelbelasting, geheven krachtens de meermalen 
gewijzigde zegelwet 1917, hfst. 9. De nota’s van make- 
laars, commissionnairs of andere personen, die van den 
handel in effecten hun beroep maken, zijn ter zake van 
gekochte of verkochte effecten, onverschillig of al 
dan niet levering plaats heeft, onderworpen aan een 
recht van l°/ no . liet recht wordt voldaan door middel 
van een p lakzegel; het bedraagt ten minste 0,10 gld.; 
tot en met 250 gld. wordt het geheven over veelvouden 
van 50 gld.; boven 250 gld. tot en met 5 000 gld. 
over veelvouden van 250 gld.; daarboven over veel- 
vouden van 500 gld. Aan hetzelfde recht is onder- 
worpen de nota van het toegewezen bedrag bij een in- 
schrijving bij gelegenheid van een uitgifte van effecten, 
liet opmaken en toezenden van een nota is verplicht. 
De makelaars, enz. moeten de nota’s trekken uit een 
door den ontvanger der registratie gewaarmerkt 
register met stok. * Zegelrecht; * Effcctenzcgcl. 

Smeeet 

België. Beursbclasting is in België bekend onder 
den naam van > „Taks op de Beursverrichtingen en 
de Reporten” en behoort tot de Taksen met het zegel 
gelijkgesteld. 

Als beursverrichtingen worden aan- 
gezien: alle verrichtingen van aankoop, verkoop of 
overdracht van Belgische of vreemde effecten in 
België gedaan of uitgevoerd door tusschenkomst 
hetzij van bankiers, wisselagenten, commission- 
nairs of makelaars, hetzij van andere personen gewoon- 
lijk optredend als bemiddelaars voor die verrichtingen. 
Deze beursverrichtingen geven aanleiding tot een taks 
van 1,20 frs. per 1 000 frs. 

De reportverrichtingcn op openbare 
fondsen, die ter beurs gedaan worden, door tusschen- 
komst van wisselagenten, commissionnairs of 
makelaars in effecten, zijn onderworpen aan een taks 


van 60 cmen per 1 000 frs., indien de verrichting 
gesloten wordt voor een termijn, die 20 dagen niet te 
boven gaat. Worden de verrichtingen voor een lango- 
ren termijn gesloten, dan bedraagt de taks 1,20 frs. 
per 1 000. Is met report gelijkgesteld de overeenkomst, 
waarbij de partijen het uitvoeren van een koop op 
termijn tot een nieuwen vervaldag verschuiven. 

De tusschenpersonen, die zich met beurs of report- 
verrichtingen belasten en daarvan hun beroep maken, 
dienen voorafgaandelijk een beroepsaangifte te hebben 
neergelcgd op het daartoe aangewezen kantoor der 
registratie. De borderellen, die zij aan hun cliënten 
af leveren, moeten getrokken zijn uit een stamboek, 
waarvan de stammen ten minste gedurende vijf jaren 
moeten bewaard blijven. Bij niet afleveren van bor- 
derel of bij afleveren van een niet gezegeld of onvol- 
doende gezegeld borderel, zijn de wisselagent, make- 
laars e.d. strafbaar met een boete gelijk aan vijftig- 
maal het ontdoken recht met minimum van 500 frs. 

> Taks op Beursverrichtingen, de Wendt/Rondou. 
Bcurseomlitics, Verzekering. 
Beurscrisis, ontwrichting van den handel ter 
beurze, zich uitende in een scherpe daling der koersen 
en een verstoring van het cffectencrcdiet. 

Beursgebouw (zie plaat t/o kolom 801). 
gebouw ten dienste van het bcursverkcer. Men onder- 
scheidt: fondsbeurzen, waar effecten verhandeld wor- 
den, en warenbeurzen. Deze moeten al naar gelang 
er levensmiddelen, vee, textiel, enz. verhandeld 
worden, verschillend zijn ingericht en met de hoofd- 
ruirnte in verbinding worden gebracht. De kern van 
het b., gewoon lijk gelijkvloers gelegen, is de groote 
hal, waarin verschillende beursruimten zijn onderge- 
bracht en elke zakenman zijn eigen plaats heeft. Over- 
vloedige (Noordelijke) verlichting. Daaraan sluitend 
do termijn-beurzen. In nieuwe beurzen soms kleine 
loges, voor de makelaars open, met kasten voorziene 
standplaatsen. In de hal soms buffetten en op de eerste 
en tweede verdieping een galerij. Meer en minder 
groote ruimten zijn bestemd voor de rijks- en gemeente- 
telefoon, telegraaf, postkantoor, schrijfkamer, garde- 
robes, bcursbureau, vcilingzalen, vergaderzalen, ver- 
trekken voor secretarie en handelsvoorlichtings- 
dienst, handclsregister, commissie- en vergader- 
kamers. Beneden meestal archiefkamers en ruimte 
voor technische installaties als centr. verw. enz. 

Lit. : Ilandbuch der Architcctur (IV 1902', nr. 2, 
Börscngeb&ude ; Bouwkundig Weekblad (1929, ont- 
werpen voor een beursgebouw in Rotterdam, nr. 1-8). 

Thunnisscn. 

Bcursjcskruicl, * Ilerdcrstaschje. 

Beursmoraal, als normatieve zedenleer, heeft 
op den beurshandel toe te passen de algemeene begin- 
selen der Christelijke > handelsmoraal, in het bijzon- 
der de wetten van rechtvaardigheid, eerlijkheid, trouw, 
billijkheid en liefde. Vanwege de voorname functie, 
die de beurshandel in liet economisch leven vervult, 
is hier plaats voor een eerzaam en lofwaardig beroep 
tot „verheerlijking Gods in de dingen dezer wereld”; 
maar dart hebben, juist vanwege het groote gewicht 
en de groote draagwijdto van dezen handel, de eischen 
vooral der commutatieve en sociale rechtvaardigheid 
hier bijzondere klem en zijn strenge handelszeden 
noodzakelijke eisch. 

De afzonderlijke beurszaken zijn in wezen de gewone 
overeenkomsten, d ie ook daarbuiten worden afgesloten; 
ze zijn derhalve uiteraard volgens dezelfde beginselen 
te regelen. In zake ruilrechtvaardigheid is een hoofd- 


831 Beurspolis- 

probleem der betirsmoraal — en een der zwakke 
punten van de bestaande beurszeden — dat van den 
rechtvaardigen prijs (resp. de rechtvaar- 
dige rente). De algemeene normen van den recht- 
vaardigen prijs zijn van toepassing; in omstandigheden 
die van rechtvaardigen prijs bij > monopolie. Ook 
hier kan de gangbare prijs voor rechtvaardig gehouden 
worden tot het tegendeel blijke. Kunstmatig beïn- 
vloeden van prijs en beurskoers en van de factoren, 
die feitelijk prijs en koers bepalen, kan wettig zijn 
en ten goede, als noodzakelijke correctie van de markt 
en om factoren naar voren te brengen, die mede be- 
palend zijn voor den rechtvaardigen prijs. Maar 
niet zelden is een dergelijke kunstmatige beïnvloeding 
er geenszins op gericht om den rechtvaardigen prijs 
te benaderen, doch veeleer om ongeacht de grenzen 
der rechtvaardigheid een zoo hoog of een zoo laag 
mogelijken prijs te bereiken, al naar gelang het belang 
van den manipulant zulks vordert. Hierbij wordt dan 
bovendien nog vaak van reeds uit zich onrechtvaardige 
middelen gebruik gemaakt: door bedrieglijke en arg- 
listige manoeuvres (valsche berichten, misleidende 
adviezen, schijntransacties, enz.) of door misbruik 
van machtsmiddelen (bijv. een corner) wordt de stand 
der markt gefausseerd en zoo een onrechtvaardige 
prijs opgedrongen. Gewin, dat door hen, die aan derge- 
lijke manipulaties deelnemen, gemaakt wordt door 
transacties tegen onrechtvaardigen prijs, en in het 
algemeen ieder gewin, dat door bedrog, list en dwang- 
middelen wordt verkregen, is natuurlijk in strijd met de 
ruilrechtvaardigheid en verplicht tot restitutie. 
Evenzeer verbiedt de sociale rechtvaardigheid alle 
manipulaties, die het gemeen schaden, ook al zouden 
zulke practijken wette lijk .onaantastbaar zijn. 

Beurscontracten met speculatieve strek- 
king (> Speculatie), in den vorm van > t e r m ij n - 
handel of anderszins, zijn uit zich nog niet onge- 
oorloofd, zelfs niet als het echte kansovereenkomsten 
mochten zijn (Differenzgeschafte; > Koersvcrreke- 
ningscontracten) ; zoo dus de andere vereischten voor 
een geldig contract daar zijn, verplichten ze in geweten. 
Het afsluiten van dergelijke contracten is zeker ge- 
oorloofd en de eventueele gematigde winst gerecht- 
vaardigd, als en in zoover die affaires dienstig zijn om 
(bijv. door arbitrage en termijnhandel) den goederen- 
voorraad naar plaats en tijd doelmatig te verdeelen 
en zoo den prijsgang te nivelleeren (prijsnivelleerings- 
functie), of ook wel om een risico van effectieven 
handel of industrie over te nemen of af te dekken 
(verzekeringsfunctie). Doch ook de winst, die door 
op zich zelf staande zuiver speculatieve affaires wordt 
gemaakt, is niet in strijd met de ruilrechtvaardigheid, 
zoolang geen onrechtvaardige middelen worden 
gebruikt en de prijs anderszins rechtvaardig is; dat 
een gewin noch op arbeid noch op eenige andere sociaal- 
nuttige prestatie is gegrond, bewijst geenszins, dat het 
een onrechtvaardig uitbuiten van den evenmensch 
zou zijn. Wel echter staat de toeleg op dergelijk gewin 
in zedelijk opzicht ver achter bij de uitoefening van een 
nuttig en eerzaam beroep, en bergt het een gevaar 
voor de ongereptheid der zeden; het heeft in zich 
geen enkel beginsel van beperking en kan daarom 
gemakkelijk verworden tot ongeregelde hebzucht, 
die de rechten van den evenmensch en van de gemeen- 
schap niet meer eerbiedigt. Daarbij gelden ook tegen 
beursspel al de bezwaren, die uit moreel oogpunt tegen 
spel, weddenschap en loterij moeten worden gemaakt. 
Het speculeeren, vooral dat van het „publiek”, kan 


-Beurszegel 332 

derhalve gemakkelijk uitgesproken zondig worden om 
de nadeelige gevolgen, die er aan zijn verbonden, 
vooral als het op uitgebreide schaal geschiedt: het 
karakter lijdt er onder; met het groeien van de zucht 
tot speculeeren en tot gewin, dat zonder moeite 
wordt verworven, vergaat de zin voor ernst igen 
beroepsarbeid; de plichten van staat, de zorg voor 
zich en de zijnen worden verwaarloosd; het vermogen 
wordt op het spel gezet en vroeg of laat volgt de 
ruïne. In zoover de beroepshandel aan dergelijke 
onverantwoordelijke en sociaal-onnutte of zelfs 
schadelijke speculatie deelneemt en de speel- en gewin- 
zucht van het onervaren publiek exploiteert, kan daar 
natuurlijk van geen eerzame en lofwaardige beroeps- 
taak meer sprake zijn. 

Dat het beurswezen, gelijk het zich feitelijk heeft 
ontwikkeld, voortdurend de gelegenheid voor derge- 
lijke zedelijk minderwaardige en schadelijke handels- 
practijken openhoudt en ze zelfs aanwakkert, is een 
zeer bedenkelijk verschijnsel. En in het algemeen 
kleven den beurshandel al te veel gebreken en mis- 
bruiken aan, waartegen vooral uit sociaal-ethisch 
oogpunt ernstige bezwaren moeten worden gemaakt. 
De bevoegde instanties, met inbegrip van de publieke 
autoriteit, zijn daarom verplicht, krachtige maat- 
regelen te treffen om do uitwassen tegen te gaan, de 
beurszeden te verbeteren en de beurs te vormen tot een 
betere vervulling van haar taak als dienend lid in 
de maatschappelijke huishouding. 

Zoo in N ed. art. 1825 B.W., waardoor aan spel 
en weddenschap de actie wordt geweigerd (zie boven), 
ook op beursspel van toepassing mocht zijn, dan heeft 
dat toch voor den plicht in geweten geen gevolg, 
wijl alleen de actie wordt ontzegd en de natuurlijke 
band onaangetast blijft. 

Door het Kerk. Wetb. (can. 142; strafbep. can. 2380) 
wordt aan den clerus alle handeldrijven in den eigen- 
lijken zin des woords, en daarmede dus. wel zeker alle 
beursspeculatie, verboden. Beurszaken, die noodig zijn 
in verband met de uitoefening van een ander passend 
beroep of tot het beheer van het vermogen behooren, 
vallen niet onder dit verbod. Het is duidelijk, dat dit 
verbod geen disqualificatie van den handel bevat, 
maar gebaseerd is op de bijzondere eischen van den 
clericalen stand. 

L i t. : 08wald v. Nell-Breuning, Grundzüge der 

Börsenmoral (Freiburg i. Br. 1928) ; Dict. Théol. Cath. 
(II, 1100 vlg. 8. v. Bourse) ; Arai du clergé (XVIII 
1896, 81 vlg., 97 vlg., 129 vlg.) ; Weber-Tischleder, 
Wirtschaftsethik (Essen 1981, 320 vlg., 356 vlg., 412 
vlg.); Fr. Hürth, De VII Mandato (1922, 214 vlg.). 

Beurspolls , * Verzekering. Buijs. 

Beursvacantiedagcn (N e d.), werkdagen, 
waarop de beurs gesloten is. De regeling van de b. ge- 
schiedt volgens art. 7 der Beurs voorschriften 1914. De 
beurzen worden gesloten en geopend bij besluit van den 
minister van Financiën, genomen na raadpleging van 
de commissie van deskundigen. De b. worden drie 
dagen te voren bekend gemaakt. 

In de artikelen betreffende de daggcldleeningen en 
prolongaties worden de b. omschreven als: de dagen, 
die door den minister van Financiën, na de besturen 
van de Vereeniging voor den Effectenhandel en van de 
Prolongatievereeniging in de gelegenheid te hebben 
gesteld hieromtrent hun meeningen mede te deelen, 
verklaard worden niet als werkdagen te worden be- 
schouwd. 

Beurszegel, * Beursbelasting.